Procedure : 2017/0359(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0296/2018

Ingediende teksten :

A8-0296/2018

Debatten :

PV 15/04/2019 - 20
CRE 15/04/2019 - 20

Stemmingen :

PV 16/04/2019 - 8.20

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0378

VERSLAG     ***I
PDF 807kWORD 122k
27.9.2018
PE 619.410v02-00 A8-0296/2018

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 1093/2010

(COM(2017)0790 – C8-0453/2017 – 2017/0359(COD))

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteur: Markus Ferber

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 1093/2010

(COM(2017)0790 – C8-0453/2017 – 2017/0359(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0790),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0453/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 22 augustus 2018(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 april 2018(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en industriebeleid (A8-0296/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT(3)*

op het voorstel van de Commissie

---------------------------------------------------------

2017/0359 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 1093/2010

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank,(4)

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,(5)

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Robuuste prudentiële eisen maken integraal deel uit van de reguleringsomgeving waarbinnen financiële instellingen binnen de Unie diensten kunnen verrichten. Beleggingsondernemingen vallen, samen met kredietinstellingen, voor hun prudentiële behandeling en toezicht onder Richtlijn 2013/36/EU(6) en Verordening (EU) nr. 575/2013(7), terwijl vereisten op het gebied van vergunningverlening en van organisatie en bedrijfsvoering zijn uiteengezet in Richtlijn 2004/39/EG(8).

(2)  Bij de prudentiële regimes zoals die momenteel op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU bestaan, gaat het steeds grotendeels om het overnemen van internationale reguleringsnormen zoals die voor grote bankengroepen zijn vastgesteld door het Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS) en wordt daarbij slechts gedeeltelijk ingegaan op de specifieke risico's die verbonden zijn aan de verschillende activiteiten van beleggingsondernemingen. Daarom dient er voor de specifieke kwetsbare punten en risico's die inherent zijn aan beleggingsondernemingen, een specifiek antwoord te komen in de vorm van passende en evenredige prudentiële regelingen op Unieniveau.

(3)  De risico's die beleggingsondernemingen zelf lopen en inhouden voor hun cliënten en de ruimere markten waarop zij actief zijn, zijn afhankelijk van de aard en de omvang van hun activiteiten, zoals de vraag of beleggingsondernemingen handelen als agent voor hun cliënten en zelf geen partij zijn bij de daaruit resulterende transacties, dan wel of zij bij de betrokken transacties handelen als principaal.

(4)  Deugdelijke prudentiële vereisten dienen ervoor te zorgen dat beleggingsondernemingen ordelijk en in het beste belang van hun cliënten worden beheerd. In die vereisten dient mee te wegen welke mogelijkheden beleggingsondernemingen en hun cliënten hebben om buitensporige risico's aan te gaan, en in welke mate beleggingsondernemingen risico's nemen en inhouden. Ook dienen die prudentiële vereisten in te zetten op het voorkomen van buitensporige regeldruk voor beleggingsondernemingen.

(5)  Vele vereisten die voortvloeien uit Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU zijn ontworpen om de meest gangbare risico's aan te pakken waarmee kredietinstellingen doorgaans te maken hebben. Bijgevolg zijn de bestaande vereisten grotendeels opgezet om de kredietverleningsmogelijkheden van kredietinstellingen gedurende conjunctuurcycli veilig te stellen en om depositohouders en belastingbetalers te beschermen tegen eventuele faillissementen. Zij zijn echter niet afgestemd op de verschillende risicoprofielen van beleggingsondernemingen. Beleggingsondernemingen hebben geen grote portefeuilles particuliere leningen en bedrijfsleningen, noch trekken zij deposito's aan. De kans dat hun faillissement negatief kan uitwerken op de algemene financiële stabiliteit, is kleiner dan bij kredietinstellingen. De risico's die beleggingsondernemingen lopen en inhouden, verschillen dus aanzienlijk van de risico's die kredietinstellingen lopen en inhouden, en dat verschil dient duidelijk tot uiting te komen in het prudentiële raamwerk van de Unie.

(6)  De prudentiële vereisten van Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 waaraan beleggingsondernemingen moeten voldoen, zijn gebaseerd op de vereisten voor kredietinstellingen. Voor beleggingsondernemingen waarvan de vergunning beperkt is tot specifieke beleggingsdiensten die binnen het bestaande prudentiële raamwerk niet in beeld komen, gelden talrijke vrijstellingen van die vereisten. Hiermee wordt erkend dat die ondernemingen in die hoedanigheid niet hetzelfde soort risico's lopen als kredietinstellingen. Voor beleggingsondernemingen die activiteiten uitoefenen die wel in beeld komen in het bestaande raamwerk en waarbij het gaat om de handel in financiële instrumenten, zij het op beperkte basis, gelden de overeenkomstige vereisten van het raamwerk in termen van kapitaal, maar zij kunnen wel vrijstellingen krijgen op andere gebieden zoals liquiditeit, grote blootstellingen en hefbomen. Voor beleggingsondernemingen met een vergunning zonder dit soort beperkingen is het volledige raamwerk van toepassing, net zoals voor kredietinstellingen.

(7)  Het verhandelen van financiële instrumenten, of dat nu gebeurt met het oog op risicobeheer, voor hedgingdoeleinden en liquiditeitsbeheer, of om richtingsposities in te nemen voor de waarde van de instrumenten op termijn, is een activiteit die zowel kredietinstellingen als beleggingsondernemingen met een vergunning om voor eigen rekening te handelen, kunnen uitoefenen en die al wordt geregeld door het prudentiële raamwerk van Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013. Om te vermijden dat er op dit punt een ongelijk speelveld tussen kredietinstellingen en beleggingsondernemingen tot stand komt dat kan leiden tot reguleringsarbitrage, dienen de uit deze regels voortvloeiende kapitaalvereisten ter dekking van dit risico verder van toepassing te blijven voor deze beleggingsondernemingen. De blootstellingen van deze beleggingsondernemingen aan hun tegenpartijen bij specifieke transacties en de overeenkomstige kapitaalvereisten vallen ook onder de regels en dienen dus in vereenvoudigde vorm verder van toepassing te blijven. Ten slotte zijn van het bestaande raamwerk ook de regels inzake grote blootstellingen relevant wanneer de handelsblootstellingen van die beleggingsondernemingen aan specifieke tegenpartijen bijzonder groot zijn en zodoende voor een beleggingsonderneming een overmatig geconcentreerde risicobron doen ontstaan bij wanbetaling van de tegenpartij. Ook die bepalingen dienen dus in vereenvoudigde vorm verder van toepassing te blijven op beleggingsondernemingen.

(8)  Verschillen in de toepassing van het bestaande raamwerk tussen lidstaten zijn een bedreiging voor het gelijke speelveld voor beleggingsondernemingen in de Unie. Die verschillen vloeien voort uit de algemene complexiteit van de toepassing van het raamwerk op verschillende beleggingsondernemingen afhankelijk van de diensten die zij verrichten, waarbij bepaalde nationale autoriteiten die toepassing in hun nationale wetgeving of in de praktijk aanpassen of stroomlijnen. Aangezien het bestaande prudentiële raamwerk niet ingaat op alle risico's die sommige soorten beleggingsondernemingen lopen en inhouden, zijn in sommige lidstaten hoge kapitaalopslagen toegepast voor bepaalde beleggingsondernemingen. Uniforme voorschriften voor het aanpakken van die risico's dienen te worden vastgesteld om een geharmoniseerd prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen in de hele Unie te verzekeren.

(9)  Een specifiek prudentieel regime is dan ook vereist voor beleggingsondernemingen die, gelet op hun omvang en hun onderlinge verbondenheid met andere financiële en economische spelers, niet systeemrelevant zijn. Systeemrelevante beleggingsondernemingen zouden daarentegen onder het bestaande prudentiële raamwerk van Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 blijven vallen. Die beleggingsondernemingen zijn een subgroep van beleggingsondernemingen waarop het door Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 gevormde raamwerk thans van toepassing is, en genieten geen bijzondere vrijstelling van de belangrijkste eisen ervan. De grootste en onderling sterkst verbonden beleggingsondernemingen hebben bedrijfsmodellen en risicoprofielen die vergelijkbaar zijn met die van belangrijke kredietinstellingen: zij verrichten "bankachtige" diensten en gaan op grote schaal risico's aan. Daarom is het passend dat die beleggingsondernemingen onderworpen blijven aan de bepalingen van Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013. Voorts zijn systeemrelevante beleggingsondernemingen groot genoeg en hebben zij bedrijfsmodellen en risicoprofielen die een bedreiging vormen voor de stabiele en ordelijke werking van financiële markten, waardoor zij vergelijkbaar zijn met grote kredietinstellingen.

(10)  Het specifieke prudentiële raamwerk voor beleggingsondernemingen die, door hun omvang en onderlinge verbondenheid met andere financiële en economische spelers, niet als systeemrelevant gelden, dient te zijn afgestemd op de specifieke zakelijke praktijken van verschillende soorten beleggingsondernemingen. Met name voor beleggingsondernemingen waarbij de kans het grootst is dat zij risico's doen ontstaan voor cliënten, markten of het ordelijke functioneren van de beleggingsondernemingen zelf, dienen duidelijke en doeltreffende prudentiële vereisten te gelden die op die specifieke risico's zijn toegesneden. Die prudentiële vereisten dienen te worden gekalibreerd zodat ze evenredig zijn aan het soort beleggingsonderneming, het beste belang van de cliënten van dergelijke beleggingsondernemingen en het bevorderen van de goede en ordelijke werking van de markten waarop dergelijke beleggingsondernemingen actief zijn. Zij dienen risico's in welbepaalde sectoren te verminderen en ervoor helpen te zorgen dat, indien een beleggingsonderneming faalt, zij gecontroleerd kan worden afgewikkeld met minimale verstoring van de stabiliteit op de financiële markten.

(10 bis)  Het raamwerk van deze verordening doet niets af aan de verplichting van de aangewezen market makers op handelsplatforms overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU, om doorlopend prijsopgaven op te geven en aanwezig te zijn op de markt.

(11)  Het prudentiële raamwerk voor beleggingsondernemingen die, door hun omvang en onderlinge verbondenheid met andere financiële en economische spelers, niet als systeemrelevant gelden, dient voor iedere beleggingsonderneming op individuele basis te gelden. Aangezien evenwel de risico's die kleine en niet onderling verbonden beleggingsondernemingen lopen, grotendeels beperkt zijn, dienen zij de mogelijkheid te krijgen om gebruik te maken van een vrijstelling van de specifieke prudentiële vereisten wanneer zij onderdeel zijn van een bankgroep met hoofdkantoor in en onderworpen aan geconsolideerd toezicht in het kader van Verordening (EU) nr. 575/2013 / Richtlijn 2013/36/EU in dezelfde lidstaat, omdat in dergelijke gevallen de geconsolideerde toepassing op de groep van Verordening (EU) nr. 575/2013 / Richtlijn 2013/36/EU die risico's afdoende moet afdekken. Als afspiegeling van de behandeling die groepen beleggingsondernemingen momenteel kunnen krijgen in het kader van Verordening (EU) nr. 575/2013 / Richtlijn 2013/36/EU, dient van de moederondernemingen in die groepen te worden geëist dat zij over voldoende kapitaal beschikken om de boekwaarde van hun deelnemingen in de dochterondernemingen te stutten. Voorts zouden die groepen beleggingsondernemingen, om rekening te houden met gevallen waarin zij een hogere mate van risico of onderlinge verbondenheid in zich dragen, kunnen worden onderworpen aan kapitaalvereisten op basis van de geconsolideerde situatie van de groep. Kleine en niet onderling verbonden beleggingsondernemingen dienen de mogelijkheid te krijgen om gebruik te maken van een vrijstelling van de concentratie-, rapportage- en openbaarmakingsvereisten wanneer zij onderdeel zijn van een verzekeringsgroep.

(12)  Teneinde beleggingsondernemingen de kans te bieden om hun bestaande eigen vermogen te blijven gebruiken om te voldoen aan hun kapitaalvereisten in het kader van het prudentiële raamwerk dat specifiek voor beleggingsondernemingen geldt, dient de definitie en de samenstelling van het eigen vermogen te worden afgestemd op Verordening (EU) nr. 575/2013. Dit betekent onder meer volledige aftrek op het eigen vermogen van posten op de balans overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals uitgestelde belastingvorderingen en het bezit van kapitaalinstrumenten van andere entiteiten uit de financiële sector. Wel dienen beleggingsondernemingen niet-aanzienlijk bezit van kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector te kunnen vrijstellen van aftrek indien deze worden aangehouden voor handelsdoeleinden om market-making voor deze instrumenten te ondersteunen. Om de samenstelling van het eigen vermogen af te stemmen op Verordening (EU) nr. 575/2013, dienen beleggingsondernemingen aan het kapitaalvereiste te voldoen met ten minste 56 % tier 1-kernkapitaalbestanddelen, terwijl voor aanvullend-tier 1-bestanddelen en voor tier 2-bestanddelen een percentage tot, respectievelijk, 44 % en 25 % van het toetsingsvermogen zou kunnen gelden.

(13)  Om ervoor te zorgen dat beleggingsondernemingen steeds actief zijn op basis van het voor hun vergunning vereiste kapitaalniveau, dienen alle beleggingsondernemingen steeds te voldoen aan een permanent minimumkapitaalvereiste dat gelijk is aan het aanvangskapitaal dat vereist is om een vergunning te kunnen krijgen om de betrokken beleggingsdiensten in overeenstemming met Richtlijn (EU) ----/-- [RBO] te kunnen verrichten.

(14)  Met het oog op een eenvoudige toepassing van het minimumkapitaalvereiste voor kleine en niet onderling verbonden beleggingsondernemingen, dienen deze ondernemingen een kapitaal aan te houden dat, naargelang wat het hoogste is, gelijk is aan hun permanente minimumkapitaalvereiste of aan een kwart van hun vaste kosten gemeten op basis van hun activiteiten in het voorgaande jaar in overeenstemming met Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/488 van de Commissie(9). Kleine en niet onderling verbonden beleggingsondernemingen die er de voorkeur aan geven meer voorzichtigheid aan de dag te leggen en herindeling te vermijden, mogen er niet van worden weerhouden meer eigen kapitaal aan te houden, of strengere maatregelen te treffen dan in deze Verordening wordt vereist.

(15)  Om rekening te houden met de hogere risico's van beleggingsondernemingen die geen kleine en niet onderling verbonden beleggingsondernemingen zijn, dient het minimumkapitaalvereiste voor deze beleggingsondernemingen gelijk te zijn aan, naargelang wat het hoogste is, hun permanente minimumvereiste, een kwart van hun vaste kosten voor het voorgaande jaar, of de som van hetgeen voor hen vereist is volgens het stel op beleggingsondernemingen toegesneden risicofactoren ("K-factoren") waarmee het kapitaal wordt bepaald in verhouding tot de risico's in specifieke zakelijke activiteiten van beleggingsondernemingen.

(16)  Beleggingsondernemingen dienen voor de toepassing van de specifieke prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen als klein en niet onderling verbonden te worden beschouwd wanneer zij geen beleggingsdiensten uitvoeren die een hoog risico inhouden voor cliënten, markten of henzelf en wanneer door hun omvang de kans kleiner is dat zij verreikende negatieve effecten zullen veroorzaken voor cliënten en markten ingeval zich aan hun activiteiten inherente risico's voordoen of ingeval zij falen. Bijgevolg dienen kleine en niet onderling verbonden beleggingsondernemingen te worden omschreven als beleggingsondernemingen die niet voor eigen rekening handelen of geen risico's lopen door het verhandelen van financiële instrumenten, beperkte controle hebben over activa of gelden van hun cliënten, die voor minder dan 1,2 miljard EUR activa onder beheer hebben onder discretionair vermogensbeheer, die per dag cliëntenorders verwerken voor minder dan 100 miljoen EUR in cash transacties of minder dan 1 miljard EUR in derivaten, en die een balanstotaal hebben van minder dan 100 miljoen EUR en waarvan de totale jaarlijkse bruto-inkomsten uit beleggingsdiensten minder dan 30 miljoen EUR bedragen.

(17)  Om reguleringsarbitrage tegen te gaan en het voor beleggingsondernemingen minder aantrekkelijk te maken om hun activiteiten zodanig te structureren dat zij vermijden de drempels te overschrijden waarboven zij niet langer als kleine en niet onderling verbonden ondernemingen kwalificeren, dienen de drempels voor activa onder beheer, verwerkte cliëntenorders, balansomvang en totale bruto-inkomsten op gecombineerde basis te worden toegepast voor alle beleggingsondernemingen die onderdeel zijn van dezelfde groep. De andere criteria, met name de vraag of een beleggingsonderneming gelden van cliënten houdt, cliëntenactiva beheert of bewaart, financiële instrumenten verhandelt en markt- of tegenpartijrisico loopt, zijn binair en laten geen ruimte voor dit soort herstructurering en dienen daarom op individuele basis te worden beoordeeld. Om de evoluerende bedrijfsmodellen in beeld te krijgen en de risico's die deze op doorlopende basis inhouden, dienen deze criteria en drempels op end-of-day-basis te worden beoordeeld, behalve waar het gaat om het houden van gelden van cliënten, die dienen te worden beoordeeld op intra-day-basis, en balansomvang en totale bruto-inkomsten, die dienen te worden beoordeeld op basis van de positie van de beleggingsonderneming aan het eind van het laatste boekjaar.

(18)  Een beleggingsonderneming die de reguleringsdrempel overschrijdt of niet aan de overige criteria voldoet, mag niet als klein en niet onderling verbonden worden beschouwd en voor haar dienen de voor andere beleggingsondernemingen geldende vereisten van toepassing te zijn, met inachtneming van de specifieke overgangsbepalingen die in deze verordening zijn vastgesteld. Dit zou beleggingsondernemingen moeten prikkelen om hun bedrijfsactiviteiten zo te plannen dat zij duidelijk kwalificeren als kleine en niet onderling verbonden ondernemingen. Wil een beleggingsonderneming die niet voldoet aan de vereisten om als kleine en niet onderling verbonden beleggingsonderneming te kwalificeren, op dit soort behandeling aanspraak kunnen maken, dient te worden voorzien in een monitoringfase op voorwaarde dat die onderneming voor ten minste zes opeenvolgende maanden aan de criteria voldoet en onder de betrokken drempels blijft.

(19)  Alle beleggingsondernemingen dienen hun kapitaalvereiste te berekenen aan de hand van een stel K-factoren die Risk-To-Customer ('RtC'), Risk-to-Market ('RtM') en Risk-to-Firm ('RtF') in beeld brengen. Bij de RtC K-factoren gaat het om cliëntenactiva onder beheer (K-AUM), activa onder bewaring en beheer (K-ASA), gehouden gelden van cliënten (K-CMH), en verwerkte orders van cliënten (K-COH).

(20)  De RtM K-factor brengt het nettopositierisico (K-NPR) in beeld volgens de marktrisicobepalingen van de Verordening kapitaalvereisten (VKV) of, met de toestemming van de bevoegde autoriteiten voor posities die centraal worden gecleard, op basis van bij een clearinglid van de beleggingsonderneming gestorte marges (K-CMG). Een beleggingsonderneming moet de mogelijkheid hebben K-NPR en K-CMG tegelijkertijd toe te passen op verschillende posities.

(21)  Bij de RtF K-factoren gaat het om het in beeld krijgen van de blootstelling van een beleggingsonderneming aan de wanbetaling van hun tegenpartijen bij een transactie (K-TCD) volgens vereenvoudigde bepalingen voor tegenpartijrisico op basis van VKV, concentratierisico bij grote blootstellingen van een beleggingsonderneming aan specifieke tegenpartijen op basis van VKV-bepalingen voor grote blootstellingsrisico's in de handelsportefeuille (K-CON) en operationele risico's voortvloeiend uit de dagelijkse transactiestroom van een beleggingsonderneming (K-DTF).

(22)  Het totale kapitaalvereiste volgens de K-factoren is de som van de vereisten van de K-factoren voor RtC, RtM en RtF. K-AUM, K-ASA, K-CMH, K-COH en K-DTF betreffen het volume van de activiteit waarop elke K-factor ziet. Het volume voor K-CMH wordt berekend op basis van het voortschrijdend gemiddelde over de voorafgaande twaalf kalendermaanden. De volumes voor K-ASA, K-COH en K-DTF worden berekend als het voortschrijdend gemiddelde over de voorafgaande drie maanden, terwijl dat voor K-AUM op basis van het voorgaande jaar gebeurt. Om het kapitaalvereiste te bepalen, worden de volumes vermenigvuldigd met de overeenkomstige coëfficiënten die in deze verordening zijn vastgesteld. De kapitaalvereisten voor K-NPR zijn afgeleid van VKV, terwijl bij de kapitaalvereisten voor K-CON en K-TCD wordt gebruikgemaakt van een vereenvoudigde toepassing van de overeenkomstige VKV-vereisten voor, onderscheidenlijk, de behandeling van grote blootstellingen in de handelsportefeuille en van tegenpartijkredietrisico. Het bedrag van een K-factor is nul indien een onderneming de betrokken activiteit niet uitoefent.

(23)  De RtC K-factoren zijn benaderende maatstaven die de bedrijfsactiviteiten van beleggingsondernemingen bestrijken waardoor in het geval van problemen mogelijk schade kan ontstaan voor cliënten. K-AUM brengt het risico in beeld van schade aan cliënten als gevolg van foutief discretionair beheer van cliëntenportefeuilles of slechte uitvoering en biedt zekerheid en voordelen voor cliënten in termen van continuïteit van dienstverlening voor lopend vermogensbeheer. K-ASA brengt het risico in beeld van het bewaren en beheren van cliëntenactiva en zorgt ervoor dat beleggingsondernemingen kapitaal aanhouden in verhouding tot die saldi, ongeacht of die op haar eigen balans staan dan wel op afzonderlijke rekeningen. K-CMH brengt het risico in beeld van mogelijke schade wanneer een beleggingsonderneming gelden van haar cliënten houdt, er rekening mee houdend of die op haar eigen balans staan dan wel op afzonderlijke rekeningen. K-COH brengt het potentiële risico in beeld voor cliënten van een onderneming die haar orders uitvoert (namens de cliënt, en niet in eigen naam), bijvoorbeeld in het kader van execution-only-diensten aan cliënten of wanneer een onderneming onderdeel is van een keten voor cliëntenorders.

(24)  De RtM K-factor voor beleggingsondernemingen die voor eigen rekening handelen, is gebaseerd op de regels voor marktrisico voor posities in financiële instrumenten, in valuta en in grondstoffen in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 575/2013 (als gewijzigd)(10). Zo kunnen beleggingsondernemingen ervoor kiezen om de standaardbenadering op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 (vereenvoudigde standaardbenadering op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 (als gewijzigd)) te hanteren indien hun activa minder dan 300 miljoen EUR bedragen, dan wel de herziene standaardbenadering op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 (als gewijzigd), maar hebben zij ook de optie om interne modellen te gebruiken. In de beide laatste gevallen kan het daaruit resulterende kapitaalvereiste worden verlaagd tot 65 %, door de mogelijkheid waarin Verordening (EU) nr. 575/2013 (als gewijzigd) voorziet om dit op tijdelijke basis toe te passen voor drie jaar, permanent te maken, om zo rekening te houden met de totale geringere prudentiële relevantie van beleggingsondernemingen. Een andere mogelijkheid is dat het kapitaalvereiste van ▌ centraal geclearde posities, na goedkeuring door de bevoegde autoriteit, gelijk dient te zijn aan de bij hun clearinglid gestorte marges.

(25)  Voor beleggingsondernemingen die voor eigen rekening handelen, zijn de RtF K-factoren voor K-TCD en K-CON een vereenvoudigde toepassing van VKV-regels betreffende, respectievelijk, tegenpartijkredietrisico en risico van grote blootstellingen. K-TCD brengt het risico in beeld dat voor een beleggingsonderneming uitgaat van tegenpartijen die bij over-the-counter (OTC) derivaten, retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties hun verplichtingen niet nakomen, door de waarde van de blootstellingen, op basis van vervangingskosten en een opslag voor potentiële toekomstige blootstelling, te vermenigvuldigen met risicofactoren die op Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn gebaseerd, rekening houdende met de mitigerende effecten van effectieve verrekening en de uitwisseling van zekerheden. K-CON brengt het concentratierisico in beeld met betrekking tot individuele of sterk verwerven tegenpartijen uit de particuliere sector waaraan ondernemingen blootstellingen van meer dan 25 % van hun toetsingsvermogen hebben, of specifieke alternatieve drempels met betrekking tot kredietinstellingen of andere beleggingsondernemingen, door in lijn met Verordening (EU) nr. 575/2013 een kapitaalopslag op te leggen voor blootstellingen die deze limieten overschrijden. Ten slotte brengt K-DTF de operationele risico's voor een beleggingsonderneming in beeld van grote volumes transacties voor binnen één dag voor eigen rekening of voor cliënten in hun eigen naam aangegane transacties die het gevolg kunnen zijn van ongeschikte of falende interne processen, personeelsleden of systemen of van externe gebeurtenissen, op basis van de notionele waarde van dagelijkse transacties.

(26)  Alle beleggingsondernemingen dienen hun concentratierisico te monitoren en te beheersen, ook ten aanzien van hun cliënten. Evenwel dienen alleen beleggingsondernemingen waarvoor op grond van de K-factoren een minimumkapitaalvereiste geldt, aan bevoegde autoriteiten verslag te doen van hun concentratierisico's. Voor beleggingsondernemingen die gespecialiseerd zijn in grondstoffenderivaten of emissierechten of derivaten daarvan die mogelijkerwijs sterk geconcentreerde blootstellingen hebben aan de niet-financiële groepen waarvan zij deel uitmaken, mogen de limieten voor concentratierisico worden overschreden zonder extra kapitaal onder K-CON zolang dit dient voor groepsbrede liquiditeits- of risicobeheerdoeleinden.

(27)  Alle beleggingsondernemingen dienen over interne procedures te beschikken om hun liquiditeitsvereisten te monitoren en te beheren. Die procedures dienen ervoor te helpen zorgen dat zij op termijn ordelijk kunnen functioneren, zonder dat hiervoor speciaal voor tijden van stress liquiditeit moet worden opzijgezet. Met het oog daarop dienen alle beleggingsondernemingen te allen tijde een minimum van één derde van hun vastekostenvereiste in liquide activa aan te houden. Die liquide activa dienen van hoge kwaliteit te zijn en te zijn afgestemd op activa genoemd in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie betreffende de liquiditeitsdekkingsratio(11)  (LCR), samen met de reductiefactoren welke op grond van die gedelegeerde verordening voor die activa gelden. Om rekening te houden met het verschil in liquiditeitsprofiel tussen beleggingsondernemingen en kredietinstellingen, dient de lijst van geschikte liquide activa te worden aangevuld met de onbezwaarde eigen geldmiddelen van de onderneming (die geen gelden van cliënten mogen omvatten). Kleine en niet onderling verbonden ondernemingen zouden ook vorderingen op handelsdebiteuren en binnen 30 dagen te ontvangen provisies of vergoedingen kunnen opnemen in hun liquide activa, op voorwaarde dat deze niet meer bedragen dan één derde van het minimumliquiditeitsvereiste, niet meetellen in aanvullende liquiditeitsvereisten die door de bevoegde autoriteit worden opgelegd, en daarop een reductiefactor van 50 % wordt toegepast. In uitzonderlijke omstandigheden dient het beleggingsondernemingen te zijn toegestaan om de verplichte drempel te onderschrijden door hun liquide activa te gelde te maken om hun liquiditeitsvereisten te dekken, op voorwaarde dat zij hun bevoegde autoriteit daarvan onverwijld in kennis stellen. Voor alle financiële garanties aan cliënten die kunnen leiden tot hogere liquiditeitsbehoeften indien deze garanties worden uitgewonnen, dient het bedrag aan beschikbare liquide activa te worden verlaagd met ten minste 1,6 % van het totale bedrag van die garanties.

(28)  In samenhang met het nieuwe prudentiële raamwerk dient een evenredig overeenkomstig raamwerk voor toezichtrapportage te worden uitgewerkt en dit dient zorgvuldig te worden toegesneden op de activiteiten van beleggingsondernemingen en de vereisten van het prudentiële raamwerk. Rapportagevereisten voor beleggingsondernemingen dienen te zien op de hoogte en de samenstelling van hun eigen vermogen, hun kapitaalvereisten, de berekeningsgrondslag voor hun kapitaalvereisten, hun activiteitenprofiel en hun omvang met betrekking tot de parameters om beleggingsondernemingen als kleine en niet onderling verbonden onderneming te beschouwen, hun liquiditeitsbehoeften en de mate waarin zij zich houden aan de bepalingen inzake concentratierisico. EBA dient te worden belast met het uitwerken van ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere invulling van de gedetailleerde templates en regelingen voor rapportage voor toezichtdoeleinden, en die normen dienen evenredig te zijn aan de omvang en de complexiteit van verschillende beleggingsondernemingen en dienen met name rekening te houden met de vraag of beleggingsondernemingen als klein en niet onderling verbonden worden beschouwd.

(29)  Om hun beleggers en de ruimere markten transparantie te bieden, dienen beleggingsondernemingen die niet als kleine en niet onderling verbonden ondernemingen worden beschouwd, hun kapitaalniveau, hun kapitaalvereisten, hun governanceregelingen en hun beloningsbeleid en -praktijken openbaar te maken. De transparantie inzake de beloning van grootverdieners dient het algemeen belang dat zo wordt bijgedragen aan gezonde en stabiele financiële markten, gezien de belangrijke rol die grootverdieners spelen bij het aansturen van de activiteiten en de prestaties op lange termijn van de beleggingsondernemingen. Om redenen van vertrouwelijkheid dient de openbaarmaking van de beloning van grootverdieners op geaggregeerde basis te gebeuren. Voor kleine en niet onderling verbonden ondernemingen hoeven de openbaarmakingseisen niet te gelden, behalve wanneer zij aanvullend-tier 1-instrumenten uitgeven om de beleggers in die instrumenten transparantie te bieden.

(30)  Om voor beleggingsondernemingen een soepele overgang van de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU naar de vereisten op grond van deze verordening en van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO] mogelijk te maken, dient te worden voorzien in overgangsmaatregelen. Met name dienen, voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van toepassing van deze verordening beleggingsondernemingen waarvoor de kapitaalvereisten op grond van deze verordening meer dan zouden verdubbelen ten opzichte van hun kapitaalvereiste op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 / Richtlijn 2013/36/EU, de effecten van potentiële stijgingen te kunnen mitigeren door het kapitaalvereiste te beperken tot tweemaal hun desbetreffende kapitaalvereiste op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 / Richtlijn 2013/36/EU.

Om nieuwe beleggingsondernemingen met vergelijkbare profielen als bestaande ondernemingen niet te benadelen, dienen beleggingsondernemingen waarvoor nimmer kapitaalvereisten op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 / Richtlijn 2013/36/EU hebben gegolden, voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van toepassing van deze verordening hun vastekostenvereiste op grond van deze verordening te kunnen beperken tot tweemaal hun vastekostenvereiste.

Evenzo dienen beleggingsondernemingen waarvoor alleen een vereiste voor aanvangskapitaal gold op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 / Richtlijn 2013/36/EU en waarvoor kapitaalvereisten op grond van deze verordening meer dan zouden verdubbelen ten opzichte van hun kapitaalvereiste op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 / Richtlijn 2013/36/EU, voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van toepassing van deze verordening hun vereisten inzake aanvangskapitaal op grond van deze verordening te kunnen beperken tot tweemaal hun vereiste inzake aanvangskapitaal op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 / Richtlijn 2013/36/EU.

Deze overgangsmaatregelen dienen, in voorkomend geval, ook beschikbaar te zijn voor beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 498 van Verordening (EU) nr. 575/2013 op grond waarvan die ondernemingen worden vrijgesteld van eigenvermogensvereisten op grond van die verordening, aangezien de vereisten inzake aanvangskapitaal ten aanzien van die beleggingsondernemingen afhangen van de beleggingsdiensten of -activiteiten die zij verrichten. Voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van toepassing van deze verordening dienen hun kapitaalvereisten op grond van de overgangsbepalingen van deze verordening te worden berekend in het licht van die toepasselijke niveaus. 

Voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van toepassing van deze verordening of, als die eerder komt, tot de datum van toepassing van de wijzigingen aan Verordening (EU) nr. 575/2013 / Richtlijn 2013/36/EU wat betreft kapitaalvereisten voor marktrisico overeenkomstig artikel 1, punt 84, van het voorstel van de Commissie voor een verordening tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013, dienen beleggingsondernemingen die onder de overeenkomstige bepalingen van deze verordening vallen, hun kapitaalvereiste voor de handelsportefeuille te blijven berekenen in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 575/2013.

(31)  De grootste beleggingsondernemingen die cruciale wholesalemarkt- en zakenbankdiensten verrichten (waarbij zij voor eigen rekening handelen in financiële instrumenten of financiële instrumenten overnemen of financiële instrumenten plaatsen met plaatsingsgarantie) hebben bedrijfsmodellen en risicoprofielen die vergelijkbaar zijn met die van aanzienlijke kredietinstellingen. Hun activiteiten stellen de ondernemingen bloot aan kredietrisico, vooral in de vorm van tegenpartijkredietrisico, alsmede marktrisico voor posities die zij voor eigen rekening innemen, al dan niet in verband met cliënten. Als dusdanig vormen zij, gezien hun omvang en hun systeemrelevant belang, een risico voor de financiële stabiliteit.

(32)  Die grote ondernemingen vormen een bijkomende uitdaging voor het daadwerkelijke prudentiële toezicht daarop door nationale bevoegde autoriteiten. Ook al bieden de grootste beleggingsondernemingen op grote schaal grensoverschrijdende diensten voor zakenbankieren aan, toch zijn zij als beleggingsonderneming onderworpen aan prudentieel toezicht door autoriteiten aangewezen volgens Richtlijn 2004/39/EU, die niet noodzakelijkerwijs dezelfde bevoegde autoriteiten zijn als die welke volgens Richtlijn 2013/36/EU zijn aangewezen, hetgeen kan resulteren in een ongelijk speelveld bij de toepassing van de bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 / Richtlijn 2013/36/EU binnen de Unie. Een en ander verhindert toezichthouders een breed prudentieel overzicht te krijgen, hetgeen nochtans van essentieel belang is om daadwerkelijk de risico's aan te pakken die verbonden zijn aan grote grensoverschrijdende ondernemingen. Daardoor kan het prudentieel toezicht aan slagkracht inboeten en kan het ook de mededinging binnen de Unie verstoren. De grootste beleggingsondernemingen dienen daarom de status van kredietinstelling te krijgen om zo synergie-effecten tot stand te brengen door binnen een peergroep toezicht uit te oefenen op grensoverschrijdende wholesalemarktactiviteiten, hetgeen bijdraagt tot een gelijk speelveld en coherent groepsbreed toezicht mogelijk maakt.

(33)  Daarom dienen die ondernemingen, doordat zij kredietinstellingen worden, op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU onderworpen te blijven aan toezicht van voor kredietinstellingen bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB in het kader van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme. Een en ander moet ervoor zorgen dat het prudentieel toezicht op kredietinstellingen coherent en effectief verloopt en dat het single rulebook voor financiële diensten op dezelfde wijze wordt toegepast op alle kredietinstellingen in het licht van hun systemische relevantie. Om reguleringsarbitrage te voorkomen en het risico op omzeiling te verminderen, dienen bevoegde autoriteiten ernaar te streven om situaties te vermijden waarbij potentieel systeemrelevante groepen hun activiteiten zodanig structureren dat de drempels van artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), niet worden overschreden en dat de verplichting wordt omzeild om overeenkomstig artikel 8 bis van Richtlijn 2013/36/EU een vergunning als kredietinstelling aan te vragen.

(33 bis)  Ondernemingen mogen pas deposito's of andere terugbetaalbare gelden van het publiek ontvangen en voor eigen rekening krediet verstrekken als zij overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU een vergunning hebben verkregen.

(34)  Bovendien is het toezicht op kredietinstellingen op geconsolideerde basis bedoeld om onder meer te zorgen voor de stabiliteit van het financiële bestel en dient dit, wil het effectief zijn, te worden toegepast op alle groepen, met inbegrip van de groepen waarvan de moederondernemingen geen kredietinstellingen of beleggingsondernemingen zijn. Derhalve dienen alle kredietinstellingen, met inbegrip van die welke voordien de status van beleggingsonderneming hadden, onderworpen te zijn aan de regels inzake individueeel en geconsolideerd toezicht op de moederonderneming door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig afdeling I van hoofdstuk 3 van titel VII van Richtlijn 2013/36/EU.

(35)  Met Verordening (EU) nr. 600/2014 is een op Unieniveau geharmoniseerd regime ingevoerd om ondernemingen uit derde landen die beleggingsdiensten of -activiteiten aanbieden aan in aanmerking komende tegenpartijen en professionele cliënten die in de Unie zijn gevestigd. Voorwaarden voor toegang tot de interne markt zijn dat de Commissie een gelijkwaardigheidsbesluit vaststelt en dat ESMA de onderneming uit een derde land registreert. Het is belangrijk dat de gelijkwaardigheid wordt beoordeeld op grond van het desbetreffende toepasselijke Unierecht en dat doeltreffende instrumenten beschikbaar zijn om de voorwaarden waarop gelijkwaardigheid wordt toegekend, te monitoren. Om die redenen dient van in derde landen geregistreerde ondernemingen te worden geëist dat zij jaarlijks aan ESMA verslag doen over de reikwijdte en de omvang van de diensten en activiteiten die zij in de Unie verrichten. Ook dient de samenwerking tussen toezichthouders met betrekking tot monitoring, handhaving en de inachtneming van de gelijkwaardigheidsvoorwaarden te worden verbeterd.

(35 bis)  Om te zorgen voor een gelijk speelveld en om de transparantie van de Uniemarkt te bevorderen moet Verordening (EU) nr. 600/2014 worden gewijzigd om koersen van beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling, prijsverbeteringen en executieprijzen te laten vallen onder de verhandelingseenheidregeling wanneer gehandeld wordt in alle eenheden. Dientengevolge zouden de huidige geldende technische normen betreffende de verhandelingseenheidregeling ook van toepassing moeten zijn op het uitgebreide toepassingsgebied.

(36)  Met het oog op de bescherming van beleggers, maar ook van de integriteit en de stabiliteit van financiële markten in de Unie, dient de Commissie, bij het vaststellen van een gelijkwaardigheidsbesluit, rekening te houden met de potentiële risico's die uitgaan van de diensten en de activiteiten die ondernemingen uit dat derde land na dat besluit in de Unie zouden kunnen verrichten. Hun systemische relevantie dient te worden onderzocht op basis van criteria zoals de te verwachten reikwijdte en omvang van het dienstenaanbod en activiteiten uitgevoerd door ondernemingen uit het betrokken derde land. Met hetzelfde doel voor ogen kan de Commissie het passend achten om rekening te houden met de vraag of het derde land al dan niet is geïdentificeerd als een volgens het desbetreffende Uniebeleid niet-coöperatief rechtsgebied voor fiscale doeleinden of als een derde land met een hoog risico in de zin van artikel 9, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/849(12).

(37)  Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het opzetten van een effectief en evenredig prudentieel raamwerk dat ervoor zorgt dat beleggingsondernemingen met een vergunning om binnen de Unie te opereren, op een gezonde financiële basis actief zijn en ordelijk worden beheerd onder meer, in voorkomend geval, in het beste belang van hun cliënten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(38)  De Europese Bankautoriteit (EBA) heeft, in samenwerking met de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA), een verslag uitgebracht dat is gebaseerd op een grondige achtergrondanalyse, gegevensverzameling en raadpleging voor een prudentieel raamwerk op maat van alle niet-systeemrelevante beleggingsondernemingen, dat als basis dient voor het herziene prudentiële raamwerk voor beleggingsondernemingen.

(39)  Met het oog op de geharmoniseerde toepassing van deze verordening dient EBA te worden belast met het opstellen van technische normen tot nadere invulling van de berekening van vaste kosten, de berekening voor het bepalen van kapitaalvereisten gelijk aan de bij clearingleden gestorte initiële marge, en de templates voor de in het kader van deze verordening verplichte openbaarmakingen en rapportage voor toezichtdoeleinden.

(40)  Met het oog op de eenvormige toepassing van deze verordening en om rekening te houden met ontwikkelingen op financiële markten, dient de bevoegdheid om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te worden overgedragen aan de Commissie ten aanzien van de nadere invulling van de definities in deze verordening en de technische aanpassing aan de niet-essentiële elementen van de kapitaalvereisten in deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(41)  Om eenvormige voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening te verzekeren, en met name ten aanzien van de vaststelling van de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen van EBA ten aanzien van openbaarmakings- en rapportagetemplates, dienen uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie te worden overgedragen.

(42)  Met het oog op rechtszekerheid en om dupliceringen of overlappingen te vermijden tussen het bestaande prudentiële raamwerk dat voor zowel kredietinstellingen als beleggingsondernemingen geldt, en deze verordening, worden Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU gewijzigd om beleggingsondernemingen uit het toepassingsgebied van die handelingen te lichten. Evenwel dienen voor beleggingsondernemingen die deel uitmaken van een bankgroep, de voor de bankgroep relevante bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU te blijven gelden, zoals de bepalingen inzake de intermediaire EU-moederonderneming als bedoeld in [artikel 21 ter] van Richtlijn 2013/36/EU en de regels inzake prudentiële consolidatie zoals uiteengezet in hoofdstuk 2 van titel 2 van deel één van Verordening (EU) nr. 575/2013,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

DEEL EEN ALGEMENE BEPALINGEN

TITEL I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

In deze verordening worden eenvormige prudentiële vereisten vastgesteld die gelden voor beleggingsondernemingen die uit hoofde van Richtlijn 2014/65/EU een vergunning hebben gekregen en onder toezicht staan, en waarop toezicht wordt uitgeoefend voor de inachtneming van prudentiële vereisten uit hoofde van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO], met betrekking tot de volgende gebieden:

a)  kapitaalvereisten met betrekking tot kwantificeerbare, eenvormige en gestandaardiseerde elementen van Risk-to-Firm, Risk-to-Customers en Risk-to-Market;

b)  vereisten ter beperking van concentratierisico;

c)  liquiditeitsvereisten met betrekking tot kwantificeerbare, eenvormige en gestandaardiseerde elementen van liquiditeitsrisico;

d)  rapportagevereisten met betrekking tot de punten a), b) en c);

e)  openbaarmakingsvereisten.

Artikel 2

Toezichtbevoegdheden

Teneinde de naleving van deze verordening te waarborgen, beschikken de bevoegde autoriteiten over de bevoegdheden als beschreven in en volgen zij de procedures bepaald in Richtlijn (EU) ----/-- [RBO].

Artikel 3 Toepassing van strengere vereisten door beleggingsondernemingen

Deze verordening staat er niet aan in de weg dat beleggingsondernemingen hogere bedragen aan eigen vermogen en bestanddelen daarvan aanhouden dan, of maatregelen toepassen die strenger zijn dan die welke bij deze verordening worden voorgeschreven.

Artikel 4

Definities

1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(1)  "onderneming die nevendiensten verricht": een onderneming die nevendiensten verricht in de zin van artikel 4, lid 1, punt 18, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(2)  "cliënt": een cliënt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 9, van Richtlijn 2014/65/EU;

(3)  "grondstoffenhandelaren": grondstoffenhandelaren in de zin van artikel 4, lid 1, punt 145, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(4)  "grondstoffenderivaten": grondstoffenderivaten in de zin van artikel 2, lid 1, punt 30, van Verordening (EU) nr. 600/2014;

(5)  "bevoegde autoriteit": een bevoegde autoriteit in de zin van artikel 3, lid 5, van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO];

(6)  "kredietinstelling": een kredietinstelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(7)  "dagelijkse transactiestroom": de waarde van transacties in de handelsportefeuille wanneer de onderneming voor eigen rekening handelt, hetzij voor haarzelf hetzij namens een cliënt;

(8)  "handelen voor eigen rekening" : handelen voor eigen rekening in de zin van artikel 4, lid 1, punt 6, van Richtlijn 2014/65/EU;

(9)  "derivaten": derivaten in de zin van artikel 2, lid 1, punt 29, van Verordening (EU) nr. 600/2014;

(10)  "geconsolideerde K-factor-situatie": de situatie die voortvloeit uit het toepassen van de vereisten van deze verordening overeenkomstig K-factoren op een beleggingsonderneming alsof deze beleggingsonderneming samen met één of meer andere entiteiten binnen dezelfde groep, één enkele beleggingsonderneming vormt;

(11)  "uitvoering van orders voor rekening van cliënten": uitvoering van orders voor rekening van cliënten in de zin van artikel 4, lid 1, punt 5, van Richtlijn 2014/65/EU;

(12)  "blootstelling":

a)  ten behoeve van concentratierisicolimieten: activa of posten buiten de balanstelling in de handelsportefeuille en niet uitdrukkelijk vrijgesteld op grond van artikel 40;

b)  ten behoeve van de rapportage over concentratierisico: activa of posten buiten de balanstelling;

(13)  "financiële instelling": een onderneming niet zijnde een kredietinstelling of beleggingsonderneming waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van één of meer van de in de punten 2 tot en met 12 en in punt 15 van bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU genoemde werkzaamheden, met inbegrip van een financiële holding, een gemengde financiële holding, een beleggingsholding, een betalingsinstelling in de zin van Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, en een vermogensbeheerder, maar met uitsluiting van verzekeringsholdings en gemengde verzekeringsholdings in de zin van artikel 212, lid 1, onder g), van Richtlijn 2009/138/EG;

(14)  "financieel instrument": een financieel instrument in de zin van artikel 4, lid 1, punt 50, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(15)  "financiële holding": een financiële holding in de zin van artikel 4, lid 1, punt 20, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(16)  "entiteit uit de financiële sector": een entiteit uit de financiële sector in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(17)  "aanvangskapitaal": aanvangskapitaal in de zin van artikel 3, lid 17, van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO];

(18)  "groep van verbonden cliënten": een groep van verbonden cliënten in de zin van artikel 4, lid 1, punt 39, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(19)  "beleggingsadvies": beleggingsadvies in de zin van artikel 4, lid 1, punt 4, van Richtlijn 2014/65/EU;

(20)  "beleggingsonderneming": een beleggingsonderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/65/EU;

(21)  "beleggingsholding": een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk beleggingsondernemingen of financiële instellingen zijn, van welke dochterondernemingen er ten minste één een beleggingsonderneming is, en die geen financiële holding is in de zin van artikel 4, lid 1, punt 20, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(22)  "beleggingsdiensten en -activiteiten": beleggingsdiensten en -activiteiten in de zin van artikel 4, lid 1, punt 2, van Richtlijn 2014/65/EU;

(23)  "groep beleggingsondernemingen": een groep ondernemingen die geen kredietinstelling omvat, waarbij de moederonderneming een beleggingsonderneming, een beleggingsholding of een gemengde financiële holding is en die andere financiële instellingen en verbonden agenten kan omvatten die eigendom zijn van de beleggingsonderneming. De groep beleggingsondernemingen kan bestaan uit een moederonderneming en haar dochterondernemingen, of uit ondernemingen die aan de voorwaarden van artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU voldoen;

(24)  "K-factoren": kapitaalvereisten als beschreven in titel II van deel drie voor risico's die een beleggingsonderneming vormt voor cliënten, markten en haarzelf;

(25)  "K-AUM" of "K-factor met betrekking tot activa onder beheer (AUM)": het kapitaalvereiste met betrekking tot de waarde van activa die een beleggingsonderneming beheert voor haar cliënten in het kader van discretionair vermogensbeheer, met inbegrip van activa waarvan het beheer aan een andere onderneming is gedelegeerd en met uitsluiting van activa waarvan een andere onderneming het beheer aan de beleggingsonderneming heeft gedelegeerd. Activa die reeds voor K-ASA zijn meegeteld, worden bij de berekening buiten beschouwing gelaten;

(26)  "K-CMH" of "K-factor met betrekking tot gelden van cliënten (CMH)": het kapitaalvereiste met betrekking tot het bedrag aan gelden van cliënten dat een beleggingsonderneming houdt of controleert, rekening houdend met de wettelijke regelingen met betrekking tot scheiding van activa en ongeacht de voor de door beleggingsonderneming gehouden gelden van cliënten geldende nationale verslaggevingsregeling;

(27)  "K-ASA" of "K-factor met betrekking tot activa onder bewaring en beheer (ASA)": het kapitaalvereiste met betrekking tot de waarde van activa die een beleggingsonderneming bewaart en beheert voor haar cliënten, met inbegrip van activa waarvan het beheer aan een andere onderneming is gedelegeerd en activa waarvan een andere onderneming het beheer aan de beleggingsonderneming heeft gedelegeerd, wanneer die activa op de eigen balans van de beleggingsonderneming staan dan wel op afzonderlijke rekeningen staan;

(28)  "K-COH" of "K-factor met betrekking tot verwerkte orders van cliënten (COH)": het kapitaalvereiste met betrekking tot de waarde van orders die een beleggingsonderneming verwerkt voor cliënten, door het ontvangen en doorgeven van orders van cliënten en door het uitvoeren van orders voor rekening van cliënten;

(29)  "K-CON" of "K-factor met betrekking tot concentratierisico (CON)": het kapitaalvereiste met betrekking tot de blootstellingen in de handelsportefeuille van een beleggingsonderneming aan een cliënt of aan een groep van verbonden cliënten waarvan de waarde de limieten in artikel 36, lid 1, overschrijdt;

(30)  "K-CMG" of "K-factor met betrekking tot garanties van clearingleden (CMG)": het kapitaalvereiste gelijk aan het bedrag van bij een clearinglid gestorte initiële marges, wanneer de uitvoering en afwikkeling van transacties van een voor eigen rekening handelende beleggingsonderneming plaatsvinden onder de verantwoordelijkheid van een general clearing member;

(31)  "K-DTF" of "K-factor met betrekking tot de dagelijkse transactiestroom (DTF)": het kapitaalvereiste met betrekking tot de dagelijkse waarde van transacties die een beleggingsonderneming aangaat door voor eigen rekening te handelen of door het in eigen naam uitvoeren van orders voor rekening van cliënten, met uitzondering van de waarde van orders die een beleggingsonderneming afhandelt voor cliënten door de ontvangst en doorgifte van cliëntenorders en door de uitvoering van orders namens cliënten zoals reeds weerspiegeld is in COH;

(32)  "K-NPR" of "K-factor met betrekking tot nettopositierisico (NPR)": het kapitaalvereiste met betrekking tot de waarde van transacties opgenomen in de handelsportefeuille van een beleggingsonderneming;

(33)  "K-TCD" of "K-factor met betrekking tot het wanbetalingsrisico van tegenpartijen bij een transactie (TCD)": het kapitaalvereiste met betrekking tot de blootstellingen in de handelsportefeuille van een beleggingsonderneming in instrumenten en transacties bedoeld in artikel 25 die aanleiding geven tot het risico op wanbetaling van tegenpartijen bij een transactie;

(34)  "transacties met afwikkeling op lange termijn": transacties met afwikkeling op lange termijn in de zin van artikel 272, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(35)  "margeleningstransactie": margeleningstransacties in de zin van artikel 272, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(36)  "leidinggevend orgaan": een leidinggevend orgaan in de zin van artikel 4, lid 1, punt 36, van Richtlijn 2014/65/EU;

(37)  "moederonderneming": een moederonderneming in de zin van artikel 2, punt 9, en artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU;

(38)  "deelneming": een deelneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 35, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(39)  "winst": winst in de zin van artikel 4, lid 1, punt 121, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(40)  "gekwalificeerde centrale tegenpartij" of "QCCP": een gekwalificeerde centrale tegenpartij in de zin van artikel 4, lid 1, punt 88, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(41)  "vermogensbeheer": vermogensbeheer in de zin van artikel 4, lid 1, punt 8, van Richtlijn 2014/65/EU;

(42)  "toetsingsvermogen": het in artikel 11 gespecificeerde kapitaalvereiste;

(43)  "retrocessietransactie": een retrocessietransactie in de zin van artikel 4, lid 1, punt 83, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(44)  "dochteronderneming": een dochteronderneming in de zin van artikel 2, punt 10, en artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU, met inbegrip van dochterondernemingen van een dochteronderneming van een moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;

(45)  "verbonden agent": een verbonden agent in de zin van artikel 4, lid 1, punt 29, van Richtlijn 2014/65/EU;

(46)  "totale bruto-inkomsten": de jaarlijkse bedrijfsopbrengsten van een beleggingsonderneming, met betrekking tot de beleggingsdiensten en -activiteiten die de onderneming gemachtigd is te verrichten, met inbegrip van de opbrengsten afkomstig uit rentebaten, uit aandelen en andere vast-/variabelrentende waardepapieren, winst en verlies die de beleggingsonderneming maakt op haar handelsactiva, tegen reële waarde gehouden activa, of afdekkingsactiviteiten, maar met uitsluiting van alle opbrengsten die geen verband houden met de uitgevoerde beleggingsdiensten en -activiteiten;

(47)  "transactieblootstelling": een transactieblootstelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 91, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(48)  "handelsportefeuille": een handelsportefeuille in de zin van artikel 4, lid 1, punt 86, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(49)  "Uniemoederbeleggingsonderneming": een beleggingsonderneming in een lidstaat die zelf geen dochteronderneming is van een andere beleggingsonderneming waaraan in een van de lidstaten vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte beleggingsholding of gemengde financiële holding;

(50)  "Uniemoederbeleggingsholding": een beleggingsholding in een lidstaat die zelf geen dochteronderneming is van een beleggingsonderneming waaraan in een van de lidstaten vergunning is verleend, of van een andere beleggingsholding in een van de lidstaten;

(51)  "gemengde financiële Uniemoederholding": een moederonderneming van een groep beleggingsondernemingen die een gemengde financiële holding is in de zin van artikel 2, punt 15, van Richtlijn 2002/87/EG.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen om het volgende te verduidelijken:

a)  de in lid 1 gegeven definities, om een eenvormige toepassing van deze verordening te waarborgen;

b)  de in lid 1 gegeven definities, om bij de toepassing van deze verordening rekening te houden met ontwikkelingen op de financiële markten.

TITEL II

TOEPASSINGSNIVEAU VAN DE VEREISTEN

HOOFDSTUK 1

Toepassing van vereisten op individuele basis

Artikel 5Algemeen beginsel

Een beleggingsonderneming voldoet op individuele basis aan de in de delen twee tot en met zeven bepaalde vereisten.

Artikel 6Vrijstellingen

1.  De bevoegde autoriteiten kunnen een beleggingsonderneming vrijstelling verlenen van de toepassing van artikel 5 ten aanzien van de delen twee, drie, vier, zes en zeven, wanneer elk van de volgende elementen van toepassing is:

a)  de beleggingsonderneming is een dochteronderneming en is betrokken in het toezicht op geconsolideerde basis op een kredietinstelling, een financiële holding of een gemengde financiële holding overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2 van titel II van deel één van Verordening (EU) nr. 575/2013,

b)  zowel de beleggingsonderneming als haar moederonderneming vallen onder de vergunningvereisten en het toezicht van dezelfde lidstaat;

c)  de voor het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 bevoegde autoriteiten stemmen in met deze vrijstelling;

d)  het eigen vermogen is adequaat verdeeld tussen de moederonderneming en de beleggingsonderneming en aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

i)  de beleggingsonderneming voldoet aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1;

ii)  er is geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien, die een onmiddellijke overdracht van kapitaal of terugbetaling van vreemd vermogen door de moederonderneming kan verhinderen;

iii)  na voorafgaande goedkeuring door de bevoegde autoriteit verklaart de moederonderneming dat zij garant staat voor de door de beleggingsonderneming aangegane verplichtingen ofwel dat de risico's ten aanzien van de beleggingsonderneming verwaarloosbaar zijn;

iv)  de beleggingsonderneming wordt in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures van de moederonderneming betrokken; en

v)  de moederonderneming bezit meer dan 50 % van de stemrechten die verbonden zijn aan aandelen in het kapitaal van de beleggingsonderneming of heeft het recht om een meerderheid van de leden van het leidinggevende orgaan van de beleggingsonderneming aan te stellen of te ontslaan.

1 bis.  De bevoegde autoriteiten kunnen een beleggingsonderneming vrijstelling verlenen van de toepassing van artikel 5 ten aanzien van de delen vier, zes en zeven, wanneer elk van de volgende elementen van toepassing is:

a)  de beleggingsonderneming is een dochteronderneming en is betrokken in het toezicht op geconsolideerde basis op een verzekerings- of herverzekeringsonderneming overeenkomstig de bepalingen van artikel 228 van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en van de Raad(13);

b)  zowel de beleggingsonderneming als haar moederonderneming vallen onder de vergunningvereisten en het toezicht van dezelfde lidstaat;

c)  de voor het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig Richtlijn 138/2013/EG bevoegde autoriteiten stemmen in met deze vrijstelling;

d)  het eigen vermogen is adequaat verdeeld tussen de moederonderneming en de beleggingsonderneming en aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

i)  de beleggingsonderneming voldoet aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1;

ii)  er is geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien, die een onmiddellijke overdracht van kapitaal of terugbetaling van vreemd vermogen door de moederonderneming kan verhinderen;

iii)  na voorafgaande goedkeuring door de bevoegde autoriteit verklaart de moederonderneming dat zij garant staat voor de door de beleggingsonderneming aangegane verplichtingen ofwel dat de risico's ten aanzien van de beleggingsonderneming verwaarloosbaar zijn;

iv)  de beleggingsonderneming wordt in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures van de moederonderneming betrokken; en

v)  de moederonderneming bezit meer dan 50 % van de stemrechten die verbonden zijn aan aandelen in het kapitaal van de beleggingsonderneming of heeft het recht om een meerderheid van de leden van het leidinggevende orgaan van de beleggingsonderneming aan te stellen of te ontslaan.

2.  De bevoegde autoriteiten kunnen beleggingsondernemingen vrijstelling verlenen van de toepassing van artikel 5 ten aanzien van deel vijf wanneer aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de beleggingsonderneming is betrokken in het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 2 van titel II van deel één van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)  de groep heeft gecentraliseerde liquiditeitsbeheersfuncties opgezet, en

c)  de voor het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 bevoegde autoriteiten stemmen in met deze vrijstelling.

HOOFDSTUK 2

Toepassing van vereisten inzake inachtneming van het groepskapitaalcriterium en vrijstellingen

Artikel 7Het groepskapitaalcriterium

1.  Een Uniemoederbeleggingsonderneming, een Uniemoederbeleggingsholding, een gemengde financiële Uniemoederholding houdt eigen vermogen dat ten minste voldoende is om de som van de volgende elementen te dekken:

a)  de som van de volledige boekwaarde van alle in artikel 36, lid 1, punten h) en i), artikel 56, punten c) en d), en artikel 66, punten c) en d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde deelnemingen in, achtergestelde vorderingen op en instrumenten van beleggingsondernemingen, financiële instellingen, ondernemingen die nevendiensten verrichten, en verbonden agenten binnen de groep beleggingsondernemingen, en

b)  het totaal van alle voorwaardelijke verplichtingen ten aanzien van beleggingsondernemingen, financiële instellingen, ondernemingen die nevendiensten verrichten, en verbonden agenten.

2.  De bevoegde autoriteiten kunnen een Uniemoederbeleggingsonderneming of een gemengde financiële Uniemoederholding toestaan een lager bedrag aan eigen vermogen aan te houden dan het overeenkomstig lid 1 berekende bedrag, mits dat bedrag niet lager is dan de som van de eigenvermogensvereisten die op individuele basis gelden voor beleggingsondernemingen, financiële instellingen, ondernemingen die nevendiensten verrichten, en verbonden agenten binnen de groep, en het totale bedrag aan alle voorwaardelijke verplichtingen ten aanzien van deze entiteiten.

Voor de toepassing van lid 1 geldt, wanneer geen prudentiële wetgeving van de Unie of de lidstaten van toepassing is op de in lid 1 genoemde entiteiten, een notioneel eigenvermogensvereiste.

3.  Een Uniemoederbeleggingsonderneming, een Uniemoederbeleggingsholding, een gemengde financiële Uniemoederholding beschikt over systemen om de bronnen van eigen en vreemd vermogen van alle tot de groep behorende beleggingsondernemingen, beleggingsholdings, gemengde financiële holdings, financiële instellingen, ondernemingen die nevendiensten verrichten, en verbonden agenten binnen de groep beleggingsondernemingen te monitoren en te beheersen.

Artikel 8 K-factor-consolidatie

De bevoegde autoriteiten van een Uniemoederbeleggingsonderneming of de overeenkomstig artikel 42, lid 2, van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO] bepaalde bevoegde autoriteiten kunnen van een Uniemoederbeleggingsonderneming, een Uniemoederbeleggingsholding, een gemengde financiële Uniemoederholding eisen dat deze de vereisten van artikel 15 in acht neemt op basis van de geconsolideerde K-factor-situatie wanneer een van de twee onderstaande voorwaarden van toepassing is:

a)  er zijn aanzienlijke wezenlijke risico's voor cliënten of voor de markt, afkomstig van de groep als geheel, die niet volledig in beeld komen door de kapitaalvereisten die op individuele basis gelden voor de beleggingsondernemingen binnen de groep; of

b)  voor groepen beleggingsondernemingen met een sterke onderlinge verbondenheid in termen van risicobeheer kan de toepassing van vereisten op de beleggingsonderneming op individuele basis leiden tot een duplicering van de vereisten voor die ondernemingen.

DEEL TWEEEIGEN VERMOGEN

Artikel 9 Eigenvermogensvereisten

1.  Het eigen vermogen van een beleggingsonderneming bestaat uit de som van haar tier 1-kapitaal en haar tier 2-kapitaal waarbij:

a)  ten minste 56 % van de som bestaat uit tier 1-kernkapitaal overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel 1 van deel twee van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)  maximaal 44 % van de som bestaat uit aanvullend-tier 1-kapitaal overeenkomstig hoofdstuk 3 van titel 1 van deel twee van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)  maximaal 25 % van de som bestaat uit tier 2-kapitaal overeenkomstig hoofdstuk 4 van titel 1 van deel twee van Verordening (EU) nr. 575/2013.

2.  In afwijking van lid 1 is het volgende niet van toepassing bij het bepalen van het eigen vermogen:

a)  de in artikel 48 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde vrijstellingsdrempels;

b)  de in de artikelen 46, 60 en 70 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde aftrekkingen;

c)  de in artikel 54, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde triggergebeurtenis. In plaats daarvan wordt de triggergebeurtenis door de beleggingsonderneming gespecificeerd in termen van het in lid 1 bedoelde aanvullend-tier 1-instrument;

d)  het in artikel 54, lid 4, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde totaalbedrag. Het af te schrijven of om te zetten bedrag is de volledige hoofdsom van het in lid 1 bedoelde aanvullend-tier 1-instrument.

3.   Een beleggingsonderneming past de bepalingen van hoofdstuk 6 van titel 1 van deel twee van Verordening (EU) nr. 575/2013 toe bij het overeenkomstig deze verordening bepalen van de eigenvermogensvereisten.

3 bis.  In afwijking van de leden 1, 2 en 3 van dit artikel mogen de bevoegde autoriteiten beleggingsondernemingen die voldoen aan de voorwaarden als bepaald in artikel 12, lid 1, toestaan te voldoen aan de eigenkapitaalvereiste met andere toelaatbare instrumenten dan die welke zijn opgenomen in Verordening (EU) nr. 575/2013.

Artikel 10Deelnemingen buiten het financiële gebied

1.  Voor de toepassing van dit deel brengt een beleggingsonderneming bedragen die de in de punten a) en b) vermelde limieten overschrijden, in mindering op het bepalen van de in artikel 26 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde tier 1-kernkapitaalbestanddelen:

a)  een deelneming waarvan het bedrag meer dan 15 % bedraagt van het toetsingsvermogen van de beleggingsonderneming, in een onderneming niet zijnde een entiteit uit de financiële sector;

b)  het totale bedrag aan deelnemingen van een beleggingsonderneming in ondernemingen niet zijnde entiteiten uit de financiële sector dat meer dan 60 % van haar toetsingsvermogen bedraagt.

2.  De bevoegde autoriteiten kunnen een beleggingsonderneming verbieden in lid 1 bedoelde deelnemingen te houden ten belope van een bedrag dat hoger is dan de in dat lid bepaalde percentages van het toetsingsvermogen. De bevoegde autoriteiten maken hun besluit waarbij zij van die bevoegdheid gebruikmaken, onverwijld bekend.

3.  Aandelen in ondernemingen niet zijnde entiteiten uit de financiële sector worden niet meegenomen bij de in lid 1 bepaalde berekening wanneer aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  die aandelen worden tijdelijk gehouden tijdens een financiële bijstandsoperatie als bedoeld in artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)  het bezit van die aandelen is een overnemingspositie die gedurende vijf werkdagen of minder wordt ingenomen;

c)  die aandelen worden door de beleggingsonderneming gehouden in eigen naam en namens anderen.

4.  Aandelen die niet het karakter van financiële vaste activa als bedoeld in artikel 35, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG hebben, worden niet meegenomen in de in lid 1 bepaalde berekening.

DEEL DRIE KAPITAALVEREISTEN

TITEL IALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 11 Kapitaalvereiste

1.  Een beleggingsonderneming beschikt te allen tijde over kapitaal waarvan het bedrag het hoogste van de volgende elementen is:

a)  haar vereisten op basis van vaste kosten berekend overeenkomstig artikel 13;

b)  haar permanente minimumvereiste overeenkomstig artikel 14;

c)  haar K-factor-vereiste berekend overeenkomstig artikel 15.

2.  In afwijking van lid 1 beschikt een beleggingsonderneming die aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, voldoet, te allen tijde over kapitaal ten belope van het hoogste van de in de lid 1, onder a) en b), bepaalde bedragen.

3.  Wanneer bevoegde autoriteiten van mening zijn dat er een wezenlijke verandering heeft plaatsgevonden in de bedrijfsactiviteiten van een beleggingsonderneming, kunnen zij van de beleggingsonderneming verlangen dat deze aan een ander, in dit artikel bedoeld kapitaalvereiste onderworpen wordt, in overeenstemming met titel IV van hoofdstuk 2 van afdeling IV van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO].

Artikel 12 Kleine en niet onderling verbonden beleggingsondernemingen

1.  Een beleggingsonderneming wordt voor de toepassing van deze verordening geacht een kleine en niet onderling verbonden beleggingsonderneming te zijn wanneer deze voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:

a)  AUM (of activa onder beheer) berekend in overeenstemming met artikel 17 bedraagt minder dan 1,2 miljard EUR;

b)  COH (of verwerkte orders van cliënten) berekend in overeenstemming met artikel 20 bedraagt minder dan een van beide waarden:

i) 100 miljoen EUR/dag voor cash transacties, of

ii) 1 miljard EUR/dag voor derivaten;

c)  ASA (of activa onder bewaring en beheer) berekend in overeenstemming met artikel 19 is 50 000 000 EUR;

d)  CMH (of gelden van cliënten) berekend in overeenstemming met artikel 18 is 5 000 000 EUR;

e)  DTF (dagelijkse transactiestroom) berekend in overeenstemming met artikel 32 is nul;

f)  NPR (nettopositierisico) of CMG (garantie clearinglid) berekend in overeenstemming met de artikelen 22 en 23 is nul;

g)  TCD (wanbetaling van tegenpartijen bij een transactie) berekend in overeenstemming met artikel 26 is nul;

h)  het balanstotaal van de beleggingsonderneming bedraagt minder dan 100 miljoen EUR;

i)  de totale jaarlijkse bruto-inkomsten uit beleggingsdiensten en -activiteiten van de beleggingsonderneming bedragen minder dan 30 miljoen EUR.

Voor de toepassing van de punten a), b), c), e), f) en g) gelden end-of-day-niveaus.

Voor de toepassing van punt d) gelden intra-day-niveaus.

Voor de toepassing van de punten h) en i) gelden de niveaus zoals die aan het eind van het laatste boekjaar gelden.

2.  De in lid 1, onder a), b), h) en i), bepaalde voorwaarden gelden op gecombineerde basis voor alle beleggingsondernemingen die deel uitmaken van een groep.

De in de punten c), d), e), f) en g) bepaalde voorwaarden gelden voor iedere beleggingsonderneming op individuele basis.

2 bis.  Voor de toepassing van lid 1, onder a) t/m d), wordt een beleggingsonderneming niet beschouwd als klein en niet onderling verbonden wanneer de beleggingsonderneming, op basis van een voortschrijdend gemiddelde, de geldende drempel gedurende de voorafgaande zes maanden heeft overschreden.

2 ter.  Voor de toepassing lid 1, onder e), f) en g) wordt een beleggingsonderneming niet beschouwd als klein en niet onderling verbonden na een periode van drie maanden vanaf de datum waarop de geldende drempel niet gehaald was.

3.  Voor de toepassing van lid 1, onder h) en i) wordt een beleggingsonderneming niet beschouwd als een kleine en niet onderling verbonden beleggingsonderneming ingeval de geldende drempel aan het eind van het vorig boekjaar was overschreden.

4.  Wanneer een beleggingsonderneming die niet aan alle voorwaarden van lid 1 voldeed, nadien aan die voorwaarden voldoet, wordt zij, na goedkeuring van de bevoegde autoriteit, beschouwd als een kleine en niet onderling verbonden beleggingsonderneming na een periode van drie maanden, te rekenen vanaf de datum waarop aan die voorwaarden is voldaan.

Artikel 13 Vastekostenvereiste

1.  Voor de toepassing van artikel 11, lid 1, onder a), bedraagt het vastekostenvereiste ten minste één kwart van de vaste kosten van het voorgaande jaar.

2.  Wanneer de bevoegde autoriteit van mening is dat er een wezenlijke verandering heeft plaatsgevonden in de bedrijfsactiviteiten van een beleggingsonderneming, kan de bevoegde autoriteit het in lid 1 bedoelde kapitaalbedrag aanpassen.

3.  Na goedkeuring van de bevoegde autoriteiten heeft een beleggingsonderneming, wanneer zij geen vaste kosten uit het voorgaande jaar heeft, een kapitaal dat ten minste één kwart bedraagt van de vaste kosten waarmee in haar ondernemingsplan werd gerekend voor het jaar volgend op het jaar van aanvang van haar activiteiten.

4.  EBA werkt, in overleg met ESMA, en rekening houdende met Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/488 van de Commissie, ontwerpen van technische reguleringsnormen uit tot:

  a)nadere invulling van de berekening van het in lid 1 bedoelde vereiste en

  b)  definiëring van het in lid 2 bedoelde begrip “wezenlijke verandering” voor de toepassing van deze verordening.

EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [9 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] voor aan de Commissie.  

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 14Permanente minimumvereiste

Voor de toepassing van artikel 11, lid 1, onder b), beloopt het permanente minimumvereiste ten minste de in artikel 8 van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO] vastgestelde niveaus voor het aanvangskapitaal.

TITEL II K-FACTOR KAPITAALVEREISTE

HOOFDSTUK 1Algemene beginselen

Artikel 15 K-factorvereiste en toepasselijke coëfficiënten

1.  Voor de toepassing van artikel 11, lid 1, onder c), bedraagt het K-factorvereiste de som van de volgende elementen:

a)  Risk-to-Customer (RtC) K-factoren berekend in overeenstemming met hoofdstuk 2;

b)  Risk-to-Market (RtM) K-factoren berekend in overeenstemming met hoofdstuk 3;

c)  Risk-to-Firm (RtF) K-factoren berekend in overeenstemming met hoofdstuk 4.

2.  De volgende coëfficiënten zijn van toepassing op de overeenkomstige K-factoren:

Tabel 1

K-FACTOREN

COËFFICIËNTEN

Activa onder beheer onder discretionair vermogensbeheer

K-AUM

0,02 %

Gelden van cliënten

K-CMH (op gescheiden rekeningen)

0,%

K-CMH (op niet-gescheiden rekeningen)

0,5 %

Activa onder bewaring en beheer

K-ASA

0,04 %

Verwerking orders van cliënten

K-COH cash transacties

0,1 %

 

K-COH derivaten

0,01 %

Dagelijkse transactiestroom

K-DTF cash transacties

0,1 %

 

K-DTF derivaten

0,01 %

3.  Een beleggingsonderneming monitort de waarde van haar K-factoren voor trends waardoor zij voor de volgende verslagperiode voor een wezenlijk ander kapitaalvereiste kan komen te staan, en zij stelt haar bevoegde autoriteit in kennis van dat wezenlijk andere kapitaalvereiste.

4.  Wanneer bevoegde autoriteiten van mening zijn dat er een wezenlijke verandering heeft plaatsgevonden in de bedrijfsactiviteiten van een beleggingsonderneming die van invloed is op het bedrag van een relevante K-factor, kunnen zij het overeenkomstige bedrag aanpassen in overeenstemming met artikel 36, lid 2, onder a), van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO].

5.  Met het oog op de eenvormige toepassing van deze verordening en om rekening te houden met ontwikkelingen op financiële markten, stelt EBA, in overleg met ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot:

a)  nadere invulling van de methode om de K-factoren in titel II van deel drie te meten;

b)  aanpassing van de in lid 2 van dit artikel genoemde coëfficiënten.

c)  definiëring van het begrip ‘gescheiden rekening’ voor de toepassing van deze verordening door de voorwaarden te specificeren die waarborgen dat gelden van cliënten worden beschermd ingeval van faillissement van een beleggingsonderneming;

d)  beoordeling of adviesactiviteiten moeten worden opgenomen in K-AUM en specifiëring van de methodes voor hun potentiële opneming.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

6.  ESMA past de in tabel 1 van lid 2 bedoelde K-DTF coëfficiënten aan voor het geval, in gespannen marktsituaties als bedoeld in Gedelegeerde Verordening an de Commissie (EU) 2017/578, de K-DTF-vereisten al te restrictief lijken en schadelijk voor de financiële stabiliteit.

HOOFDSTUK 2 RtC K-factoren

Artikel 16 RtC K-factorvereiste

Het RtC K-factorvereiste wordt bepaald aan de hand van de volgende formule:

K-AUM + K-CMH + K-ASA + K-COH

waarbij

a)  K-AUM gelijk is aan AUM gemeten in overeenstemming met artikel 17, vermenigvuldigd met de overeenkomstige coëfficiënt in artikel 15, lid 2;

b)  K-CMH gelijk is aan CMH gemeten in overeenstemming met artikel 18, vermenigvuldigd met de overeenkomstige coëfficiënt in artikel 15, lid 2;

c)  K-ASA gelijk is aan ASA gemeten in overeenstemming met artikel 19, vermenigvuldigd met de overeenkomstige coëfficiënt in artikel 15, lid 2;

d)  K-COH gelijk is aan COH gemeten in overeenstemming met artikel 20, vermenigvuldigd met de overeenkomstige coëfficiënt in artikel 15, lid 2.

Artikel 17AUM-maatstaf ten behoeve van de berekening van K-AUM

1.  Ten behoeve van de berekening van K-AUM is AUM het voortschrijdend gemiddelde van de waarde van de totale maandelijkse activa onder beheer, gemeten op de laatste werkdag van elke van de voorafgaande vijftien kalendermaanden en omgerekend in de functionele valuta van de entiteiten op dat tijdstip, ongerekend de drie meest recente maandwaarden.

AUM is het gemiddelde of het gewone rekenkundige gemiddelde van de twaalf overige maandelijkse metingen.

K-AUM wordt berekend binnen de eerste veertien dagen van elke kalendermaand.

2.  Wanneer de beleggingsonderneming de activa onder beheer formeel heeft gedelegeerd aan een andere financiële entiteit, worden die gedelegeerde activa opgenomen in het totale in overeenstemming met lid 1 gemeten AUM-bedrag.

Wanneer een andere financiële entiteit de activa onder beheer formeel heeft gedelegeerd aan de beleggingsonderneming, worden die gedelegeerde activa niet opgenomen in het totale bedrag aan in overeenstemming met lid 1 gemeten activa onder beheer.

3.  Wanneer een beleggingsonderneming minder dan vijftien maanden activa heeft beheerd, mag zij zakelijke AUM-prognoses gebruiken om K-AUM te berekenen, mits zij aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:

a)  historische gegevens worden gebruikt zodra deze beschikbaar komen;

b)  de in overeenstemming met artikel 7 van Richtlijn 2014/65/EU ingediende zakelijke prognoses van de beleggingsonderneming zijn door de bevoegde autoriteit positief beoordeeld.

Artikel 18CMH-maatstaf ten behoeve van de berekening van K-CMH

1.  Ten behoeve van de berekening van K-CMH is CMH het voortschrijdend gemiddelde van de waarde van de totale dagelijkse gelden van cliënten, gemeten aan het eind van elke werkdag voor de twaalf voorafgaande kalendermaanden.

CMH is het gemiddelde of het gewone rekenkundige gemiddelde van de dagelijkse metingen tijdens de twaalf kalendermaanden.

K-CMH wordt berekend aan het eind van de werkdag na de in de eerste alinea bedoelde meting.

2.  Wanneer een beleggingsonderneming minder dan twaalf maanden gelden van cliënten heeft gehouden, mag zij zakelijke prognoses gebruiken om K-CMH te berekenen, mits zij aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:

a)  historische gegevens worden gebruikt zodra deze beschikbaar komen;

b)  de in overeenstemming met artikel 7 van Richtlijn 2014/65/EU ingediende zakelijke prognoses van de beleggingsonderneming zijn door de bevoegde autoriteit positief beoordeeld.

Artikel 19ASA-maatstaf ten behoeve van de berekening van K-ASA

1.  Ten behoeve van de berekening van K-ASA is ASA het voortschrijdend gemiddelde van de waarde van de totale dagelijkse activa onder bewaring en beheer, gemeten aan het eind van elke werkdag voor de 15 voorafgaande kalendermaanden, ongerekend de drie meest recente kalendermaanden.

ASA is het gemiddelde of het gewone rekenkundige gemiddelde van de dagelijkse metingen voor de twaalf overige kalendermaanden.

K-ASA wordt berekend binnen de eerste veertien dagen van elke kalendermaand.

2.  Wanneer een beleggingsonderneming minder dan 15 maanden in bedrijf is, mag zij zakelijke prognoses gebruiken om K-ASA te berekenen, mits zij aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:

a)  historische gegevens worden gebruikt zodra deze beschikbaar komen;

b)  de in overeenstemming met artikel 7 van Richtlijn 2014/65/EU ingediende zakelijke prognoses van de beleggingsonderneming zijn door de bevoegde autoriteit positief beoordeeld.

Artikel 20COH-maatstaf ten behoeve van de berekening van K-COH

1.  Ten behoeve van de berekening van K-COH is COH het voortschrijdend gemiddelde van de waarde van de totale dagelijks verwerkte orders van cliënten, gemeten aan het eind van elke werkdag voor de zes voorafgaande kalendermaanden, ongerekend de drie meest recente kalendermaanden.

COH is het gemiddelde of het gewone rekenkundige gemiddelde van de dagelijkse metingen voor de drie overige kalendermaanden.

K-COH wordt berekend binnen de eerste veertien dagen van elk kwartaal.

2.  COH wordt berekend als de som van de absolute waarde van aankopen en de absolute waarde van verkopen voor zowel cash transacties als derivaten in overeenstemming met het volgende:

a)  voor cash transacties: de waarde is het bedrag betaald of ontvangen voor elke transactie;

b)  voor derivaten: de waarde van de transactie is het notionele bedrag van de overeenkomst.

COH omvat geen transacties die door de beleggingsonderneming worden verwerkt in verband met het beheer van de beleggingsportefeuille van een cliënt wanneer K-AUM met betrekking tot de beleggingen van die cliënt reeds door de onderneming wordt berekend.

Beleggingsondernemingen mogen bij de berekening van COH orders die niet zijn uitgevoerd buiten beschouwing laten, indien een dergelijke niet-uitvoering het gevolg is van het tijdig annuleren van de order door de cliënt.

3.  Wanneer een beleggingsonderneming minder dan drie maanden in bedrijf is, mag zij zakelijke prognoses gebruiken om K-COH te berekenen, mits zij aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:

a)  historische gegevens worden gebruikt zodra deze beschikbaar komen;

b)  de in overeenstemming met artikel 7 van Richtlijn 2014/65/EU ingediende zakelijke prognoses van de beleggingsonderneming zijn door de bevoegde autoriteit positief beoordeeld.

HOOFDSTUK 3 RtM K-factoren

Artikel 21 RtM K-factorvereiste

1.  Het RtM K-factorvereiste voor de posities in de handelsportefeuille van een beleggingsonderneming die handelt voor eigen rekening, hetzij voor haarzelf hetzij namens een cliënt, is K-NPR berekend in overeenstemming met artikel 22 ▌.

1 bis.  In afwijking van lid 1 mag een bevoegde autoriteit een beleggingsonderneming toestaan het RtM K-factorvereiste te bepalen door K-CMG te gebruiken berekend in overeenstemming met artikel 23, voor posities die centraal gecleard worden indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)  de beleggingsonderneming is geen deel van een groep die een kredietinstelling omvat;

b)  de uitvoering en afwikkeling van de transacties van de beleggingsonderneming die centraal worden gecleard, vinden plaats onder de verantwoordelijkheid van een clearinglid en worden ofwel door dat clearinglid gegarandeerd of anders afgewikkeld op basis van levering-tegen-betaling;

c)  de berekening van de door de beleggingsonderneming aan het clearinglid gestorte initiële marge is gebaseerd op een intern model van het clearinglid dat voldoet aan de vereisten van artikel 41 van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en van de Raad(14).

Artikel 22 Berekening K-NPR

1.   Ten behoeve van K-NPR wordt het kapitaalvereiste voor de posities in de handelsportefeuille van een beleggingsonderneming die handelt voor eigen rekening, hetzij voor haarzelf hetzij namens een cliënt, berekend aan de hand van een van de volgende benaderingen:

a)  de [vereenvoudigde standaard]benadering als beschreven in de hoofdstukken 2, 3 en 4 van titel IV van deel drie van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)  de standaardbenadering als beschreven in [hoofdstuk 1 bis van titel IV van deel drie van Verordening (EU) nr. 575/2013, in overeenstemming met artikel 1, punt 84, van het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012].  

c)  de internemodellenbenadering als beschreven in [hoofdstuk 1 ter van titel IV van deel drie van Verordening (EU) nr. 575/2013, in overeenstemming met artikel 1, punt 84, van het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012].

K-NPR berekend volgens de in de punten b) en c) genoemde benaderingen worden vermenigvuldigd met een factor 65 %.

2.   Voor de toepassing van lid 1, onder a), tweede zin, berekent een beleggingsonderneming de omvang van de activiteiten binnen en buiten de balanstelling in overeenstemming met [artikel 325 bis, leden 2 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013].

Artikel 23 Berekening K-CMG

1.  K-CMG is het hoogste totaalbedrag aan initiële marge dat de voorafgaande drie maanden door de beleggingsonderneming aan het clearinglid is gestort.

2.  EBA werkt, in overleg met ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen uit tot nadere invulling van de berekening van de in lid 1, onder c), genoemde initiële marge.     

EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [negen maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde herziene technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

HOOFDSTUK 4 RtF K-factoren

Artikel 24 RtF K-factorvereiste

1.  Het RtF K-factorvereiste wordt bepaald aan de hand van de volgende formule:

K-TCD +K-DTF + K-CON

waarbij

K-TCD gelijk is aan het bedrag berekend in overeenstemming met artikel 26;

K-DTF gelijk is aan DTF gemeten in overeenstemming met artikel 32, vermenigvuldigd met de in artikel 15, lid 2, bepaalde overeenkomstige coëfficiënt, en

K-CON gelijk is aan het bedrag berekend in overeenstemming met artikel 38.

K-TCD en K-CON zijn gebaseerd op de transacties opgenomen in de handelsportefeuille van een beleggingsonderneming die handelt voor eigen rekening, hetzij voor haarzelf hetzij namens een cliënt.

K-DTF is gebaseerd op de transacties opgenomen in de handelsportefeuille van een beleggingsonderneming die handelt voor eigen rekening, hetzij voor haarzelf hetzij namens een cliënt, en de transacties die een beleggingsonderneming aangaat via de uitvoering van orders namens cliënten in eigen naam.

Afdeling I

Wanbetaling van tegenpartijen bij een transactie

Artikel 25 Toepassingsgebied

1.  De volgende transacties zijn aan deze afdeling onderworpen :

a)  derivateninstrumenten genoemd in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013, met uitzondering van de volgende instrumenten:

i)  OTC-derivaten verhandeld met centrale overheden en centrale banken van lidstaten;

ii)   OTC-derivaten direct of indirect gecleard via een gekwalificeerde centrale tegenpartij (QCCP)

iii)   OTC-derivaten gecleard via een clearinglid, wanneer transacties onderworpen zijn aan een clearingverplichting overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU) nr. 648/2012, of aan een gelijkwaardige verplichting om die overeenkomst in een derde land te clearen, of wanneer aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

aa. de posities en activa van de beleggingsonderneming met betrekking tot die transacties worden, zowel op het niveau van het clearinglid als op het niveau van de QCCP, onderscheiden en gescheiden van de posities en activa van zowel het clearinglid als de andere cliënten van dat clearinglid en, als gevolg van dat onderscheid en die scheiding, vallen die posities en activa volgens het nationale recht buiten het faillissement in geval van wanbetaling door of insolventie van het clearinglid of één of meer van zijn andere cliënten;

bb. de wetten, voorschriften en contractuele regelingen die van toepassing zijn op of bindend zijn voor het clearinglid faciliteren de overboeking van de posities van de cliënt met betrekking tot die overeenkomsten en transacties en van de daarbij behorende zekerheden naar een ander clearinglid binnen de toepasselijke margerisicoperiode in geval van wanbetaling of insolventie van het oorspronkelijke clearinglid;

cc. de beleggingsonderneming heeft een onafhankelijk, met redenen omkleed schriftelijk juridisch advies verkregen waarin wordt geconcludeerd dat, in geval van aanvechting voor de rechter, de beleggingsonderneming geen verlies zou lijden wegens de insolventie van haar clearinglid of van een van de cliënten van haar clearinglid;

iv)   beursverhandelde derivaten;

v)  derivaten aangehouden voor het afdekken van een positie van de onderneming voortvloeiend uit een activiteit buiten de handelsportefeuille;

b)  transacties met afwikkeling op lange termijn;

c)  retrocessietransacties;

d)  transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen;

e)  margeleningstransacties.

2.  In afwijking van deze afdeling mag een beleggingsonderneming haar kapitaalvereiste voor de in lid 1 genoemde transacties berekenen door een van de methoden beschreven in [afdelingen 3, 4 of 5 van titel II van deel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013] toe te passen en stelt zij de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 26 Berekening K-TCD

Ten behoeve van K-TCD wordt het kapitaalvereiste bepaald aan de hand van de volgende formule:

Kapitaalvereiste = Blootstellingswaarde * RF

waarbij RF de overeenkomstig tabel 2 bepaalde risicofactor per soort tegenpartij is.

Tabel 2

Soort tegenpartij

 

Risicofactor

Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen

1,6 %

Andere tegenpartijen

8 %

Artikel 27 Berekening van de blootstellingswaarde

De berekening van de blootstellingswaarde vindt plaats aan de hand van de volgende formule:

Blootstellingswaarde = Max (0; RC + PFE - C)

waarbij

RC = vervangingswaarde als bepaald in artikel 28;

PFE = potentiële toekomstige blootstelling als bepaald in artikel 29, en

C = zekerheid als bepaald in artikel 30.

De vervangingswaarde (RC) en zekerheid (C) gelden voor alle in artikel 25 genoemde transacties.

De potentiële toekomstige blootstelling (PFE) geldt alleen voor derivatencontracten en transacties met afwikkeling op lange termijn.

Artikel 28Vervangingswaarde (RC)

De in artikel 27 genoemde vervangingswaarde wordt als volgt bepaald:

a)  voor derivatencontracten wordt RC bepaald als de actuele marktwaarde (CMV);

b)  voor transacties met afwikkeling op lange termijn wordt RC bepaald als het afwikkelingsbedrag;

c)  voor retrocessietransacties en transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen wordt RC bepaald als het geleende of ontvangen nettobedrag.

Artikel 29Potentiële toekomstige blootstelling

1.  De in artikel 28 genoemde potentiële toekomstige blootstelling (PFE) wordt voor elk derivaat en voor elke transactie met afwikkeling op lange termijn berekend als het product van:

a)  de effectieve notionele (EN) waarde van de transactie bepaald in overeenstemming met de leden 2 tot en met 6 van dit artikel;

b)  de factor voor toezichtdoeleinden (SF) bepaald in overeenstemming met lid 7 van dit artikel, en

c)  de looptijdfactor (MF) bepaald in overeenstemming met lid 8 van dit artikel.

2.  De effectieve notionele (EN) waarde is het product van de notionele waarde berekend in overeenstemming met lid 3 van dit artikel, de looptijd ervan voor rente- en kredietderivatencontracten berekend in overeenstemming met lid 4 van dit artikel, en de delta ervan voor optiecontracten berekend in overeenstemming met lid 6 van dit artikel.

3.  De notionele waarde wordt, tenzij duidelijk bepaald en vastgelegd tot aan de vervaldag, als volgt bepaald:

a)  voor valutaderivaten wordt de notionele waarde bepaald als de notionele waarde van het vreemde-valutagedeelte van het contract, omgerekend in de nationale valuta. Indien beide gedeelten van een valutaderivaat zijn uitgedrukt in andere valuta's dan de nationale valuta, wordt de notionele waarde van elk gedeelte omgerekend in de notionele valuta en wordt het gedeelte met de hoogste waarde in de nationale valuta de notionele waarde;

b)  voor aandelen- en grondstoffenderivaten en emissierechten en derivaten daarvan wordt de notionele waarde bepaald als het product van de actuele (toekomstige) prijs van één eenheid van het aandelenkapitaal of en het aantal eenheden waarnaar de transactie verwijst;

c)  voor transacties met meervoudige betalingen die state-contingent zijn zoals digitale opties of target redemption forwards, berekent een beleggingsonderneming de notionele waarde van iedere state en gebruikt zij de daaruit resulterende berekening;

d)  wanneer de notionele waarde een formule van marktwaarden is, voert de beleggingsonderneming de actuele marktwaarden in om de notionele waarde van de transactie te bepalen;

e)  voor variabele notionele swaps zoals amortizing en accreting swaps gebruiken beleggingsondernemingen de gemiddelde notionele waarde over de resterende looptijd van de swap als de notionele waarde van de transactie;

f)  leveraged swaps worden omgerekend naar de notionele waarde van de gelijkwaardige unleveraged swaps zodat, wanneer alle rentetarieven in een swap met een factor worden vermenigvuldigd, de aangegeven notionele waarde is vermenigvuldigd met de factor op de rentetarieven om de notionele waarde te bepalen;

g)  voor een derivatencontract met meervoudige uitwisselingen van de hoofdsom wordt het aantal uitwisselingen van hoofdsom in het derivatencontract vermenigvuldigd om de notionele waarde te bepalen.

4.  De notionele waarde van rente- en kredietderivaten voor de periode tot de vervaldag (in jaar) van deze contracten wordt aangepast afhankelijk van de in de volgende formule bepaalde duration:

Duration = (1 – exp (-0,05 * tijd tot vervaldag)) / 0,05.

5.  De vervaldatum van een contract is de laatste dag waarop het contract nog kan worden uitgevoerd.

Indien het derivaat verwijst naar de waarde van een ander rente- of kredietinstrument wordt de tijdsperiode bepaald op basis van het onderliggende instrument.

Voor opties is de vervaldatum de laatste contractuele uitoefeningsdatum zoals vastgelegd in het contract.

Voor een derivatencontract dat zodanig is gestructureerd dat op vastgestelde data uitstaande blootstellingen worden afgewikkeld en dat de voorwaarden worden herzien zodat de reële waarde van het contract gelijk is aan nul, is de resterende looptijd gelijk aan de tijd tot aan de volgende herzieningsdatum.

6.  De delta van opties en swaptions mag door de beleggingsonderneming zelf worden berekend, op basis van een passend model. Dit model geeft een raming van de procentuele verandering in de waarde van de optie met betrekking tot geringe veranderingen in de marktwaarde van het onderliggende. Voor transacties niet zijnde opties en swaptions bedraagt de delta 1 voor longposities en -1 voor shortposities.

7.  De factor voor toezichtdoeleinden (SF) wordt voor elke activaklasse bepaald aan de hand van de volgende tabel.

Tabel 3

Activaklasse

 

Factor voor toezichtdoeleinden

Rentetarief

0,5 %

Wisselkoers

4 %

Krediet

1 %

Single-nameaandelen

32 %

Aandelenindex

20 %

Grondstoffen en emissierechten

18 %

8.  De looptijdfactor (MF) voor elke transactie wordt bepaald aan de hand van de volgende formule:

        MF = (min (M;1 jaar) / 1 jaar)^0,5

Voor transacties zonder margedekking is de looptijd (M) korter dan ofwel één jaar, dan wel de resterende looptijd van het derivatencontract, als bepaald in lid 5, tweede alinea, maar bedraagt hij ten minste tien werkdagen.

Voor transacties met margedekking is de looptijd (M) de margerisicoperiode. De minimale margerisicoperiode bedraagt ten minste tien werkdagen voor niet centraal geclearde derivatentransacties onderworpen aan dagelijkse margeovereenkomsten, en vijf werkdagen voor centraal geclearde derivatentransacties onderworpen aan dagelijkse margeovereenkomsten.

Artikel 30Zekerheden

1.  Op alle door een beleggingsonderneming gestorte en ontvangen niet-contante zekerheden, zowel bij bilaterale als bij geclearde transacties als bedoeld in artikel 23, worden reductiefactoren toegepast volgens de onderstaande tabel.

Tabel 4

Activaklasse

Reductiefactor retrocessietransacties

Reductiefactor overige transacties

 

Schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of centrale banken

≤ 1 jaar

0,707 %

1 %

> 1 jaar ≤ 5 jaar

2,121 %

3 %

> 5 jaar

4,243 %

6 %

Schuldtitels uitgegeven door andere entiteiten

≤ 1 jaar

1,414 %

2 %

> 1 jaar ≤ 5 jaar

4,243 %

6 %

> 5 jaar

8,485 %

12 %

Securitisatieposities

≤ 1 jaar

2,828 %

4 %

> 1 jaar ≤ 5 jaar

8,485 %

12 %

> 5 jaar

16,970 %

24 %

Beursgenoteerde aandelen en converteerbare obligaties

14,143 %

20 %

Goud

10,607 %

15 %

Contanten

0 %

0 %

Voor de toepassing van tabel 4 omvatten securitisatieposities geen hersecuritisatieposities.

2.  In overeenstemming met tabel 4 wordt de waarde van door de beleggingsonderneming aan haar tegenpartij gestorte niet-contante zekerheden verhoogd en de waarde van de door de beleggingsonderneming van haar tegenpartij ontvangen niet-contante zekerheden verlaagd.

3.  Wanneer er een valutamismatch is tussen de transactie en de ontvangen of gestorte zekerheden, wordt een verdere valutamismatchreductiefactor van 8 % toegepast.

Artikel 31Verrekening

Voor de toepassing van deze afdeling mag een beleggingsonderneming in een verrekeningsovereenkomst opgenomen perfect matchende contracten behandelen als gold het één contract met een notionele hoofdsom gelijk aan de netto-opbrengsten, mag zij andere transacties met schuldvernieuwing waarbij alle verplichtingen tussen de beleggingsonderneming en haar tegenpartij automatisch worden samengevoegd zodat de schuldvernieuwing de vroegere brutoverplichtingen juridisch door één nettobedrag vervangt, en andere transacties verrekenen wanneer de beleggingsonderneming ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantoont dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  een verrekeningsovereenkomst met de tegenpartij of een andere overeenkomst waaruit één juridische verplichting ontstaat die alle in die overeenkomst opgenomen transacties bestrijkt, zodat de beleggingsonderneming slechts gerechtigd is tot ontvangst of verplicht is tot betaling van het nettobedrag van de positieve en negatieve tegen marktwaarde gewaardeerde waarden van de afzonderlijke betrokken transacties ingeval een tegenpartij haar verplichtingen niet nakomt als gevolg van een van de volgende situaties:

i)  wanbetaling;

ii)  faillissement;

iii)  liquidatie;

iv)  vergelijkbare omstandigheden;

b)  de verrekeningsovereenkomst bevat geen beding op grond waarvan, bij wanbetaling van een tegenpartij, een niet in gebreke blijvende tegenpartij slechts beperkte betalingen of in het geheel geen betalingen aan de boedel van de in gebreke blijvende partij hoeft te verrichten, zelfs wanneer de in gebreke blijvende partij een nettocrediteur is;

c)  de beleggingsonderneming heeft een onafhankelijk, met redenen omkleed schriftelijk juridisch advies verkregen waarin wordt geconcludeerd dat, in geval van aanvechting van de verrekeningsovereenkomst voor de rechter, de vorderingen en verplichtingen gelijkwaardig zouden zijn met die bedoeld in punt a) binnen het volgende rechtskader:

–  het recht van het rechtsgebied waar de tegenpartij haar statutaire zetel heeft;

–  indien een buitenlands bijkantoor van een tegenpartij betrokken is, het recht van het rechtsgebied waar het bijkantoor is gevestigd;

–  het recht dat van toepassing is op de afzonderlijke in de verrekeningsovereenkomst opgenomen transacties, of

–  het recht dat van toepassing is op de eventuele contracten of overeenkomsten die noodzakelijk zijn om verrekening uit te voeren.

Afdeling IIDagelijkse transactiestroom

Artikel 32DTF-maatstaf ten behoeve van de berekening van K-DTF

1.  Ten behoeve van de berekening van K-DTF is DTF het voortschrijdend gemiddelde van de waarde van de totale dagelijkse transactiestroom, gemeten aan het eind van elke werkdag voor de 15 voorafgaande kalendermaanden, ongerekend de drie meest recente kalendermaanden.

DTF is het gemiddelde of het gewone rekenkundige gemiddelde van de dagelijkse metingen voor de twaalf overige kalendermaanden.

K-DTF wordt berekend binnen de eerste 14 dagen van elk jaar.

2.  DTF wordt berekend als de som van de absolute waarde van aankopen en de absolute waarde van verkopen voor zowel cash transacties als derivaten in overeenstemming met het volgende:

a)  voor cash transacties: de waarde is het bedrag betaald of ontvangen voor elke transactie;

b)  voor derivaten: de waarde van de transactie is het notionele bedrag van de overeenkomst.

3.  DTF omvat geen transacties uitgevoerd door een beleggingsonderneming die namens instellingen voor collectieve belegging vermogensbeheerdiensten aanbiedt.

DTF omvat transacties uitgevoerd door een beleggingsonderneming in eigen naam, hetzij voor haarzelf of namens een cliënt.

4.  Wanneer een beleggingsonderneming minder dan 15 maanden in bedrijf is, mag zij zakelijke prognoses gebruiken om K-DTF te berekenen, mits zij aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:

a)  historische gegevens worden gebruikt zodra deze beschikbaar komen;

b)  de in overeenstemming met artikel 7 van Richtlijn 2014/65/EU ingediende zakelijke prognoses van de beleggingsonderneming zijn door de bevoegde autoriteit positief beoordeeld.

HOOFDSTUK 4 bis

Artikel 32 bisPrudentiële behandeling van activa die blootgesteld zijn aan activiteiten die hoofdzakelijk worden geassocieerd met milieu- en/of sociale doelstellingen

1. Na overleg met het ESRB beoordeelt EBA, op basis van beschikbare gegevens en de vaststellingen van de deskundigengroep op hoog niveau inzake duurzame financiering van de Commissie, of een specifieke prudentiële behandeling van activa die blootgesteld zijn aan activiteiten die hoofdzakelijk worden geassocieerd met milieu- of sociale doelstellingen, in de vorm van aangepaste K-factoren of aangepaste K-factor coëfficiënten, uit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zou zijn. EBA evalueert met name de volgende elementen:

a)  methodologische opties voor de beoordeling van blootstellingen van categorieën activa aan activiteiten die hoofdzakelijk worden geassocieerd met milieu- of sociale doelstellingen;

b)  specifieke risicoprofielen van activa die blootgesteld zijn aan activiteiten die hoofdzakelijk worden geassocieerd met milieu- of sociale doelstellingen;

c)  risico's in verband met de waardevermindering van activa als gevolg van wijzigingen in de regelgeving zoals matiging van de klimaatverandering;

d)  de potentiële effecten van een specifieke prudentiële behandeling van activa die blootgesteld zijn aan activiteiten die hoofdzakelijk worden geassocieerd met milieu- of sociale doelstellingen op de financiële stabiliteit;

2. EBA dient uiterlijk .... [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] bij de Commissie, het Europees Parlement en de Raad een verslag over haar bevindingen in.

3. Op basis van het in lid 2 bedoelde verslag dient de Commissie, in voorkomend geval, een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

DEEL VIER

CONCENTRATIERISICO

Artikel 33Monitoringeisen

1.  Een beleggingsonderneming monitort en beheerst in overeenstemming met dit deel haar concentratierisico aan de hand van deugdelijke administratieve en boekhoudkundige procedures en robuuste interne controlemechanismen.

2.  Voor de toepassing van dit deel wordt onder de termen "kredietinstelling" en "beleggingsonderneming" begrepen particuliere of openbare ondernemingen, daaronder begrepen hun bijkantoren, die, indien zij in de Unie waren gevestigd, aan de definitie van "kredietinstelling" of "beleggingsonderneming" uit deze verordening zouden voldoen en waaraan een vergunning is verleend in een derde land waar toezicht- en reguleringsvereisten worden toegepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie worden toegepast.

Artikel 34Rapportagevereisten

Een beleggingsonderneming die niet aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, voldoet, rapporteert ten minste jaarlijks de volgende risiconiveaus aan de bevoegde autoriteiten:

a)  niveau van concentratierisico verbonden aan de wanbetaling van tegenpartijen voor handelsportefeuilleblootstellingen, zowel op het niveau van individuele tegenpartijen als op geaggregeerde basis;

b)  niveau van concentratierisico ten aanzien van de kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en andere entiteiten waar gelden van cliënten worden gehouden;

c)  niveau van concentratierisico ten aanzien van de kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en andere entiteiten waar effecten van cliënten zijn gedeponeerd;

d)  niveau van concentratierisico ten aanzien van de kredietinstellingen waar de eigen kasmiddelen van de onderneming zijn gestort, en

e)  niveau van concentratierisico als gevolg van opbrengsten.

Artikel 35 Berekening van de blootstellingswaarde

1.  Een beleggingsonderneming die niet aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, voldoet, berekent, voor de toepassing van dit deel, de volgende blootstellingen:  

a)  blootstellingen met betrekking tot individuele cliënten die zich voordoen in de handelsportefeuille door optelling van die blootstelling bij de nettoblootstellingen in alle door die individuele cliënt uitgegeven financiële instrumenten.

De nettoblootstelling wordt berekend door aftrek van de op grond van een formele overeenkomst bij derden geplaatste of door derden herovergenomen overnemingsposities, verminderd met de volgende factoren:

Tabel 5

Werkdag 0:

100 %

Werkdag 1:

90 %

Werkdagen 2 en 3:

75 %

Werkdag 4:

50 %

Werkdag 5:

25 %

Na werkdag 5:

0 %.

Een beleggingsonderneming zet systemen op voor het monitoren en beheersen van haar overnemingsblootstellingen in de periode tussen het aangaan van de oorspronkelijke verbintenis en de volgende werkdag, rekening houdende met de aard van de risico's waaraan zij op de bewuste markten blootstaat;

b)  blootstellingen met betrekking tot groepen van verbonden cliënten, door het optellen van alle blootstellingen met betrekking tot de individuele cliënten binnen de groep, die als één blootstelling worden behandeld.

2.  Bij het berekenen van de blootstelling aan een cliënt of een groep van verbonden cliënten zet een beleggingsonderneming alle redelijke stappen om de onderliggende activa in de betrokken transacties en de tegenpartij van de onderliggende blootstellingen te identificeren.

Artikel 36 Limieten voor concentratierisico's

1.  Een beleggingsonderneming die handelt voor eigen rekening, hetzij voor haarzelf hetzij namens een cliënt, gaat met betrekking tot een individuele cliënt of een groep van verbonden cliënten geen blootstelling aan waarvan de waarde meer dan 25 % van haar toetsingsvermogen bedraagt, tenzij zij voldoet aan de in artikel 37 uiteengezette kennisgevingsverplichting en het in artikel 38 uiteengezette K-CON-kapitaalvereiste.

Wanneer die individuele cliënt een kredietinstelling of een beleggingsonderneming is of wanneer een groep van verbonden cliënten één of meer kredietinstellingen of beleggingsondernemingen omvat, bedraagt die waarde niet meer dan 25 % van het in overeenstemming met artikel 11 berekende toetsingsvermogen van de beleggingsonderneming of - als dit meer is - 150 miljoen EUR, met dien verstande dat de som van de blootstellingswaarden met betrekking tot alle verbonden cliënten die geen kredietinstellingen of beleggingsondernemingen zijn, niet meer bedraagt dan 25 % van het toetsingsvermogen van de beleggingsonderneming.

Wanneer het bedrag van 150 miljoen EUR hoger is dan 25 % van het toetsingsvermogen van de beleggingsonderneming, bedraagt de waarde van de blootstelling niet meer dan 100 % van het toetsingsvermogen van de beleggingsonderneming.

2.  De in lid 1 genoemde limieten mogen worden overschreden wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de beleggingsonderneming voldoet aan het K-CON kapitaalvereiste voor de overschrijding van de in lid 1 bepaalde limiet, berekend overeenkomstig artikel 38;

b)  wanneer niet meer dan tien dagen zijn verstreken sedert de overschrijding zich heeft voorgedaan, bedraagt de blootstelling in de handelsportefeuille met betrekking tot de betrokken individuele cliënt of groep van verbonden cliënten niet meer dan 500 % van het toetsingsvermogen van de beleggingsonderneming;

c)  overschrijdingen die langer dan tien dagen duurden, bedragen in totaal niet meer dan 600 % van het toetsingsvermogen van de beleggingsonderneming.

Artikel 37 Kennisgevingsplicht

1.  Wanneer de in artikel 36, lid 1, genoemde limieten worden overschreden, geeft een beleggingsonderneming de bevoegde autoriteiten onverwijld kennis van de hoogte van de overschrijding, de naam van de betrokken individuele cliënt en, naargelang het geval, de naam van de betrokken groep van verbonden cliënten.

2.  De bevoegde autoriteiten kunnen de beleggingsonderneming een beperkte termijn toestaan om de limiet alsnog na te leven.

Wanneer het in artikel 36, lid 1, genoemde bedrag van 150 miljoen EUR van toepassing is, kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan dat de limiet van 100 % van het toetsingsvermogen van de beleggingsonderneming wordt overschreden.

Artikel 38 Berekening K-CON

1.  Ten behoeve van de berekening van K-CON is de in artikel 36, lid 2, bedoelde overschrijding de blootstelling met betrekking tot de individuele cliënt of groep van verbonden cliënten die zich in de handelsportefeuille voordoet.

2.  Wanneer de overschrijding niet langer heeft geduurd dan tien dagen, bedraagt het K-CON-kapitaalvereiste 200 % van de in lid 1 bedoelde vereisten.

3.  Na de periode van tien dagen berekend vanaf de datum waarop de overschrijding heeft plaatsgevonden, wordt de overschrijding toegewezen aan kolom 1 van tabel 6.

4.  Het K-CON-kapitaalvereiste is het product van de overschrijding vermenigvuldigd met de overeenkomstige factor in kolom 2 van tabel 6.

Tabel 6

Kolom 1:

Overschrijding boven de limieten

(op basis van een percentage van het toetsingsvermogen)

Kolom 2:

Factoren

Tot 40 %

200 %

Van 40 % tot 60 %

300 %

Van 60 % tot 80 %

400 %

Tussen 80 % en 100 %

500 %

Tussen 100 % en 250 %

600 %

Meer dan 250 %

900 %

5.  Met het oog op de eenvormige toepassing van deze verordening en om rekening te houden met ontwikkelingen op financiële markten, wordt de Commissie gemachtigd om in overeenstemming met artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere invulling van de methode om de K-factor in dit artikel te meten.

Artikel 39 Procedures om te beletten dat beleggingsondernemingen het K-CON-kapitaalvereiste omzeilen

1.  Beleggingsondernemingen mogen de blootstellingen die de in artikel 36, lid 1, bedoelde limiet overschrijden, niet tijdelijk overdragen aan een andere onderneming, al dan niet behorend tot dezelfde groep, of kunstmatige transacties verrichten met het doel de blootstelling in de loop van de in artikel 38 genoemde periode van tien dagen te beëindigen en een nieuwe blootstelling te creëren.

2.  Beleggingsondernemingen houden systemen in stand die waarborgen dat in lid 1 bedoelde overdrachten onverwijld aan de bevoegde autoriteiten worden gerapporteerd.

Artikel 40 Uitsluitingen

1.  De volgende blootstellingen zijn uitgesloten van de in artikel 38, lid 1, beschreven vereisten:

a)  niet in de handelsportefeuille opgenomen blootstellingen;

b)  blootstellingen die volledig in mindering worden gebracht op het eigen vermogen van een beleggingsonderneming;

c)  bepaalde blootstellingen ontstaan tijdens de normale afwikkeling van betaaldiensten, valutatransacties, effectentransacties en het verrichten van geldovermakingsdiensten;

d)  actiefposten bestaande uit vorderingen op centrale overheden:

i)  blootstellingen aan centrale overheden, centrale banken, publiekrechtelijke lichamen, internationale organisaties of multilaterale ontwikkelingsbanken en blootstellingen gegarandeerd door of met betrekking tot die personen;

ii)   blootstellingen aan centrale overheden of centrale banken (niet zijnde die genoemd in punt i)) die luiden in en, in voorkomend geval, gefinancierd zijn in de nationale valuta van de kredietnemer;

iii)  blootstellingen aan of gegarandeerd door regionale en lokale overheden van staten uit de Europese Economische Ruimte (EER);

e)  blootstellingen aan centrale tegenpartijen en bijdragen in het wanbetalingsfonds aan centrale tegenpartijen.

2.  De bevoegde autoriteiten kunnen voor de volgende blootstellingen geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van de toepassing van artikel 38, lid 1:

a)  gedekte obligaties;

b)  blootstellingen aan of gegarandeerd door regionale en lokale overheden van EER-Staten;

c)  liquiditeitsvereisten die in overheidspapier worden aangehouden, mits, volgens het oordeel van de bevoegde autoriteit, deze als investeringswaardig zijn aan te merken;

d)  blootstellingen aan erkende beurzen in de zin van artikel 4, lid 1, punt 72, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Artikel 41Vrijstelling voor grondstoffenhandelaren en emissierechtenhandelaren

1.  De bepalingen van dit deel gelden niet voor grondstoffenhandelaren en emissierechtenhandelaren wanneer bij intragroepstransacties aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de andere tegenpartij is een niet-financiële tegenpartij;

b)  beide tegenpartijen zijn in dezelfde consolidatie opgenomen;

c)  beide tegenpartijen zijn onderworpen aan adequate gecentraliseerde risicobeoordelings-, risicometings- en risicobeheersingsprocedures;

d)  de transactie kan worden beoordeeld als een vermindering van de risico's die rechtstreeks verband houden met de commerciële activiteit of de treasuryfinancieringsactiviteit van de niet-financiële tegenpartij of van die groep.

2.  Voor de toepassing van dit artikel worden tegenpartijen geacht te zijn opgenomen in dezelfde consolidatie onder een van de volgende voorwaarden:

a)  de tegenpartijen zijn opgenomen in een consolidatie in overeenstemming met artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU;

b)  de tegenpartijen zijn opgenomen in een consolidatie in overeenstemming met artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1606/2002;

c)  met betrekking tot een groep waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor in een derde land heeft, zijn de tegenpartijen opgenomen in een consolidatie overeenkomstig algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving van een derde land die, overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1569/2007, als gelijkwaardig aan de IFRS zijn aangemerkt of van standaarden voor jaarrekeningen van een derde land waarvan het gebruik op grond van artikel 4 van die verordening is toegestaan.

3.  Een beleggingsonderneming stelt de bevoegde autoriteit in kennis voordat zij van de in artikel 1 bedoelde vrijstelling gebruikmaakt.

De bevoegde autoriteit staat de toepassing van de vrijstelling alleen toe indien aan alle voorwaarden van lid 1 is voldaan.

DEEL VIJF

LIQUIDE MIDDELEN

Artikel 42 Liquiditeitsvereiste

1.  Een beleggingsonderneming houdt een bedrag aan liquide activa aan dat ten minste gelijk is aan één derde van de overeenkomstig artikel 13, lid 1, berekende vastekostenvereisten.

Voor de toepassing van de eerste alinea zijn liquide activa een van de volgende elementen:

a)  de in de artikelen 10 tot en met 13, en 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie genoemde activa;

b)  onbezwaarde geldmiddelen;

b bis)  onbezwaarde kortetermijndeposito's bij een kredietinstelling die de onderneming direct toegang tot liquide middelen biedt;

b ter)  aandelen, representatieve certificaten, ETF’s, certificaten en andere vergelijkbare financiële instrumenten waarvoor er een liquide markt bestaat in de zin van artikel 14 van Verordening (EU) nr. 600/2014 betreffende markten in financiële instrumenten, na toepassing van een reductiefactor van 50 %;

b quater)  andere financiële instrumenten waarvoor er een liquide markt bestaat in de zin van artikel 14 van Verordening (EU) nr. 600/2014 betreffende markten in financiële instrumenten, na toepassing van een reductiefactor van 50 %.

2.  Voor de toepassing van lid 1 mag een beleggingsonderneming die aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, voldoet, in haar liquide activa ook vorderingen op handelsdebiteuren en binnen 30 dagen te ontvangen provisies of vergoedingen opnemen wanneer die vorderingen aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)  zij maken tot één derde uit van de minimale liquiditeitsvereisten als bedoeld in lid 1;

b)  zij worden niet meegenomen in aanvullende liquiditeitsvereisten die de bevoegde autoriteit, in overeenstemming met artikel 36, lid 2, onder k), van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO], voor ondernemingsspecifieke risico's eist;

c)  daarop wordt een reductiefactor van 50 % toegepast.

Artikel 43Tijdelijke verlaging van het liquiditeitsvereiste

1.  Een beleggingsonderneming kan, in uitzonderlijke omstandigheden, het bedrag dat zij aan liquide activa aanhoudt, verlagen. Wanneer dit soort verlaging plaatsvindt, stelt de beleggingsonderneming de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld in kennis.

2.  Inachtneming van het in artikel 42, lid 1, bepaalde liquiditeitsvereiste wordt hersteld binnen 30 dagen na de oorspronkelijke verlaging.

2 bis.  EBA verstrekt, in overleg met ESMA, richtsnoeren ter specificatie van hetgeen onder de in lid 1 bedoelde uitzonderlijke omstandigheden wordt verstaan.

Artikel 44Garanties aan cliënten

Een beleggingsonderneming verhoogt haar liquide activa met 1,6 % van het totale bedrag van de aan cliënten afgegeven garanties.

DEEL ZESOPENBAARMAKING DOOR BELEGGINGSONDERNEMINGEN

Artikel 45 Toepassingsgebied

1.  Een beleggingsonderneming die niet aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, voldoet, maakt de in dit deel genoemde informatie openbaar op dezelfde dag als die waarop zij haar jaarlijkse financiële overzichten bekendmaakt.

2.  Een beleggingsonderneming die aan de vereisten van artikel 12, lid 1, voldoet en aanvullend-tier 1-instrumenten uitgeeft, maakt de in de artikelen 46, 48, 49 en 50 genoemde informatie openbaar op dezelfde dag als die waarop zij haar jaarlijkse financiële overzichten bekendmaakt.

3.  Een beleggingsonderneming maakt de in de artikelen 47 en 51 genoemde informatie openbaar wanneer zij voldoet aan de vereisten van artikel 23 van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO].

De beleggingsonderneming die aan de vereisten van artikel 23 van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO] voldoet, maakt de informatie bekend vanaf het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de in artikel 23, lid 1, van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO] bedoelde beoordeling heeft plaatsgevonden.

4.  Een beleggingsonderneming mag het passende medium en de passende locatie bepalen om daadwerkelijk aan de in de leden 1 en 2 bedoelde openbaarmakingsvereisten te voldoen. Alle openbaarmakingen vinden, voor zover mogelijk, in één medium of op één locatie plaats. Indien dezelfde of gelijksoortige informatie openbaar wordt gemaakt in twee of meer media, wordt in elk medium een referentie naar de gelijkluidende informatie in de andere media opgenomen.

Artikel 46 Doelstellingen en beleidslijnen inzake risicobeheer

Een beleggingsonderneming maakt voor elke afzonderlijke risicocategorie in de delen drie, vier en vijf in overeenstemming met artikel 45 haar doelstellingen en beleid inzake risicobeheer openbaar, met inbegrip van de strategieën en processen om die risico's te beheren en een door het leidinggevende orgaan goedgekeurde risicoverklaring waarin het algemene risicoprofiel van de beleggingsonderneming in het licht van haar bedrijfsstrategie kort wordt uiteengezet.

Artikel 47 Bestuur

Een beleggingsonderneming maakt de volgende informatie met betrekking tot interne governanceregelingen bekend in overeenstemming met artikel 45:

a)  het aantal bestuursmandaten dat wordt gehouden door leden van het leidinggevende orgaan;

b)  het beleid inzake diversiteit wat de selectie van leden van het leidinggevende orgaan betreft, de in dat beleid vastgestelde doelstellingen en relevante streefdoelen, en de mate waarin die doelstellingen en streefdoelen zijn verwezenlijkt;

c)  de vraag of de beleggingsonderneming een aparte risicocommissie heeft ingesteld en het aantal malen dat deze commissie jaarlijks is bijeengekomen.

Artikel 48 Eigen vermogen

1.  Een beleggingsonderneming maakt de volgende informatie met betrekking tot haar eigen vermogen bekend in overeenstemming met artikel 45:

a)  een volledig afstemmingsoverzicht van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen, aanvullend-tier 1-bestanddelen en tier 2-bestanddelen, en filters en aftrekken die worden toegepast op het eigen vermogen van de beleggingsonderneming en de balans in de gecontroleerde financiële overzichten van de beleggingsonderneming;

b)  een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van de tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten die door de beleggingsonderneming zijn uitgegeven;

c)  de volledige voorwaarden van alle tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten;

d)  een afzonderlijke openbaarmaking van de aard en de bedragen van de prudentiële filters en aftrekken, alsmede van bestanddelen die niet in aftrek zijn gebracht met betrekking tot het eigen vermogen;

e)  een beschrijving van alle beperkingen die zijn toegepast op de berekening van het eigen vermogen overeenkomstig deze verordening en de instrumenten, prudentiële filters en aftrekken waarop die beperkingen van toepassing zijn.

2.  EBA werkt, in overleg met ESMA, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uit tot nadere vaststelling van templates voor openbaarmaking uit hoofde van lid 1, onder a), b), d) en e).

EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op [negen maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 49Kapitaalvereisten

Een beleggingsonderneming maakt de volgende informatie betreffende haar naleving van de vereisten van artikel 11, lid 1, en artikel 22 van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO] openbaar in overeenstemming met artikel 45:

a)  een samenvatting van de benadering die de beleggingsonderneming hanteert om te beoordelen of haar intern kapitaal toereikend is om huidige en toekomstige activiteiten te ondersteunen;

b)  op verzoek van de bevoegde autoriteit, het resultaat van het interne beoordelingsproces van de kapitaaltoereikendheid van de beleggingsonderneming, met inbegrip van de samenstelling van de aanvullende eigenvermogensvereisten op basis van het toezichtproces als bedoeld in artikel 36, lid 2, onder a), van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO];

c)  de afzonderlijk berekende kapitaalvereisten, in overeenstemming met elke in artikel 15 genoemde K-factor die op de beleggingsonderneming van toepassing is, en in geaggregeerde vorm, op basis van de som van de toepasselijke K-factoren;

d)  het in overeenstemming met artikel 13 vastgestelde vastekostenvereiste.

Artikel 50 Openbaarmaking van rendement op activa

Een beleggingsonderneming maakt in haar jaarverslag haar rendement op activa dat is berekend als haar nettowinst gedeeld door haar balanstotaal, openbaar in overeenstemming met artikel 45.

Artikel 51Beloningsbeleid en beloningspraktijk

Beleggingsondernemingen maken met betrekking tot hun beloningsbeleid en beloningspraktijken, inclusief aspecten die verband houden met genderneutraliteit, ten aanzien van de categorieën personeelsleden van wie de beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de beleggingsonderneming wezenlijk beïnvloeden, de volgende informatie openbaar in overeenstemming met artikel 45:

a)  de belangrijkste kenmerken van het beloningssysteem, met inbegrip van de hoogte van de variabele beloning en de criteria voor de toekenning ervan, het beleid inzake uitbetaling in instrumenten, het uitstelbeleid en de criteria voor definitieve verwerving;

b)  de overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO] vastgestelde verhoudingen tussen vaste en variabele beloning;

c)  geaggregeerde kwantitatieve informatie over de beloning, uitgesplitst naar directie en medewerkers wier werkzaamheden het risicoprofiel van de beleggingsonderneming wezenlijk beïnvloeden, met opgave van de volgende gegevens:

i) de beloningsbedragen toegekend in het boekjaar, uitgesplitst in vaste beloning (met een beschrijving van de vaste componenten) en variabele beloning, en het aantal begunstigden;

ii) de bedragen en vormen toegekend als variabele beloning, uitgesplitst naar contant geld, aandelen, aan aandelen verbonden instrumenten en overige, afzonderlijk voor het meteen betaalde en het met uitstel betaalde gedeelte;

iii) de bedragen van de uitgestelde beloning toegekend voor eerdere prestatieperiodes, opgesplitst naar het in het boekjaar verworven bedrag en het in daaropvolgende jaren verworven bedrag:

a) het bedrag van de in het boekjaar verworven uitgestelde beloning, verminderd vanwege aanpassingen aan de prestatie;

b) de gegarandeerde variabele beloning toegekend gedurende het boekjaar, en het aantal begunstigden hiervan;

c) de betalingen bij ontslag toegekend in voorgaande perioden die zijn uitbetaald in de loop van het boekjaar;

d) de bedragen van de betalingen bij ontslag toegekend gedurende het boekjaar, uitgesplitst naar meteen betaald en uitgesteld, het aantal begunstigden van die betalingen en de hoogste betaling die aan één enkele persoon is toegekend;

▌ ▌ f)  informatie over de vraag of de beleggingsonderneming een afwijking geniet als bepaald in artikel 30, lid 4, van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO].

Voor de toepassing van punt f) geven beleggingsondernemingen die dit soort afwijking genieten, aan of die afwijking is toegestaan op grond van punt a) of punt b) van artikel 30, lid 4, van Richtlijn (EU) ----/-- [RBO], of op grond van beide punten. Zij vermelden ook voor welke beloningsbeginselen zij de afwijking of afwijkingen toepassen, het aantal personeelsleden dat de afwijking of afwijkingen geniet en hun totale beloning, uitgesplitst naar vaste en variabele beloning.

Dit artikel laat de bepalingen van Verordening (EU) 2016/679 onverlet.

Artikel 51 bisBeleggingsbeleid

1.  Beleggingsondernemingen maken, in overeenstemming met artikel 45, de volgende informatie betreffende hun beleggingsbeleid openbaar:

a)  het deelnemingspercentage voor alle directe en indirecte deelnemingen waarvan de dochteronderneming voor meer dan 5 % de uiteindelijke begunstigde is, uitgesplitst naar lidstaat en sector;

b)  het volledige stemgedrag op aandeelhoudersvergaderingen, in het bijzonder het stemmenpercentage waarmee voorstellen van de directie van de entiteiten waarin de dochteronderneming deelnemingen aanhoudt als bedoeld onder a) worden goedgekeurd;

c)   de mate waarin een beroep is gedaan op stemadviesbureaus;

d)  de stemrichtlijnen voor de entiteiten waarin de dochteronderneming deelnemingen aanhoudt als bedoeld onder a).

  De in punt b) bedoelde openbaarmakingsvereiste is niet van toepassing als de contractuele regelingen van alle aandeelhouders die door de belegingsonderneming op de aandeelhoudersvergadering worden vertegenwoordigd de beleggingsonderneming geen toestemming geven namens hen te stemmen tenzij er uitdrukkelijk steminstructies zijn gegeven na ontvangst van de agenda voor de vergadering.

2.  Lid 1 is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die voldoen aan de criteria als bedoeld in artikel 30, lid 4, van Richtlijn (EU) ----/--[RBO]/

3.  EBA werkt, in overleg met ESMA, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uit tot nadere vaststelling van templates voor de openbaarmaking overeenkomstig lid 1. Om wille van een uniforme toepassing van deze verordening en Richtlijn (EU) 2017/828, houdt EBA bij de opstelling van de technische uitvoeringsnormen rekening met artikel 3 octies van die richtlijn.

  EBA legt deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op ... [negen maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor aan de Commissie.

  Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 51 terMSG-risico's

Vanaf ... [drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] maken beleggingsondernemingen die niet voldoen aan de criteria als bedoeld in artikel 30, lid 4, van Richtlijn (EU) ----/--[RBO] de informatie over MSG-risico’s, fysieke risico’s en overgangsrisico’s als bedoeld in [artikel 32 bis (nieuw) Richtlijn (EU) ----/--[RBO] artikel 98(7 quater) van Richtlijn 2013/36/EU] openbaar.

Voor de toepassing van de eerste alinea wordt de informatie jaarlijks openbaar gemaakt in het eerste jaar en tweejaarlijks in het tweede jaar en de daaropvolgende jaren.

DEEL ZEVENRAPPORTAGE DOOR BELEGGINGSONDERNEMINGEN

Artikel 52Rapportagevereisten

1.  Een beleggingsonderneming dient bij de bevoegde autoriteiten jaarlijks een verslag in dat alle volgende informatie bevat:

a)  omvang en samenstelling van het eigen vermogen;

b)  kapitaalvereisten;

c)  berekeningen van de kapitaalvereisten;

d)  de omvang van de activiteiten met betrekking tot de voorwaarden van artikel 12, lid 1, met inbegrip van het balanstotaal en de uitsplitsing van de inkomsten naar beleggingsdienst en toepasselijke K-factor;

e)  concentratierisico;

f)  liquiditeitsvereisten.

2.  In afwijking van lid 1 hoeft een beleggingsonderneming die aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, voldoet, de in de punten e) en f), genoemde informatie niet te rapporteren.

2 bis.  Op verzoek van de bevoegde autoriteit rapporteert een beleggingsonderneming de totale beloning van elk lid van het leidinggevend orgaan of de directie aan die bevoegde autoriteit.

3.  EBA werkt, in overleg met ESMA, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uit tot nadere bepaling van de bij de in lid 1 bedoelde rapportage te hanteren formats, rapportagedata, definities en IT-oplossingen, die rekening houden met het verschil in granulariteit van informatie ingediend door een beleggingsonderneming die aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, voldoet.

EBA werkt de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen binnen [negen maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] uit.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 53 Rapportagevereisten voor beleggingsondernemingen die in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde activiteiten uitoefenen

1.  Beleggingsondernemingen die niet aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, voldoen en die een van de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde activiteiten uitoefenen, gaan de omvang van hun totale activa op maandbasis na en rapporteren die informatie op kwartaalbasis aan de bevoegde autoriteit en EBA.

2.  Wanneer een in lid 1 bedoelde beleggingsonderneming onderdeel is van een groep waarin één of meer andere ondernemingen een beleggingsonderneming is die een van de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde activiteiten uitoefent, gaan die beleggingsondernemingen de omvang van hun totale activa op maandbasis na en stellen zij elkaar daarvan in kennis. Die beleggingsondernemingen rapporteren vervolgens op kwartaalbasis hun gecombineerde totale activa aan de betrokken bevoegde autoriteiten en EBA.

3.  Wanneer het gemiddelde van totale activa op maandbasis van de in de leden 1 en 2 bedoelde beleggingsondernemingen een van de drempels van artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bereikt, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, stelt EBA die beleggingsondernemingen en de voor vergunningverlening bevoegde autoriteiten in overeenstemming met artikel [8 bis] van Richtlijn 2013/36/EU daarvan in kennis.

4.  EBA werkt, in overleg met ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen uit tot nadere invulling van de verplichting tot het verstrekken van de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie aan de betrokken bevoegde autoriteiten om daadwerkelijke monitoring mogelijk te maken van de in artikel [8 bis], lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 2013/36/EU bepaalde drempels.

EBA legt die ontwerpen van technische normen uiterlijk op [op 1 januari 2019] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

DEEL ACHTGEDELEGEERDE HANDELINGEN EN UITVOERINGSHANDELINGEN

Artikel 54Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De bevoegdheid om de in artikel 4, lid 2, artikel 12, lid 5, artikel 15, lid 5, en artikel 38, lid 5, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt met ingang van [datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor onbepaalde tijd aan de Commissie toegekend.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikel 4, lid 2, en artikel 15, lid 5, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door de lidstaten aangewezen deskundigen, en wel overeenkomstig de in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven vastgelegde beginselen.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 4, lid 2, en artikel 15, lid 5, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van [twee maanden] na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met [twee maanden] verlengd.

Artikel 55 Uitvoeringshandelingen

De nadere uitwerking van de templates voor openbaarmaking als voorgeschreven in artikel 48, lid 2, en van de bij rapportage te hanteren rapportagedata, definities en IT-oplossingen als bepaald in artikel 52, lid 2, wordt vastgesteld als uitvoeringshandeling volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 56Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 2004/10/EG(15)van de Commissie ingestelde Europees Comité voor het bankwezen. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(16).

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

DEEL NEGENOVERGANGSBEPALINGEN, VERSLAGEN, TOETSINGEN EN WIJZIGINGEN

TITEL IOVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 57Overgangsbepalingen

1.  De artikelen 42, 43 en 44 en de artikelen 45 tot en met 51 zijn op grondstoffenhandelaren en emissierechtenhandelaren van toepassing vanaf [vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening].

2.  Tot vijf jaar na de datum van toepassing van deze verordening of, indien deze vroeger komt, de datum van toepassing van de in artikel 22, lid 1, onder b) en c), genoemde bepalingen overeenkomstig [de hoofdstukken 1 bis en 1 ter van titel IV van deel drie van Verordening (EU) nr. 575/2013, in overeenstemming met artikel 1, punt 84, van het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012] past een beleggingsonderneming de vereisten van titel IV van deel drie van Verordening (EU) nr. 575/2013 toe.

3.  In afwijking van artikel 11 mogen beleggingsondernemingen hun kapitaalvereisten voor een periode van vijf jaar [vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening] als volgt beperken:

a)  tweemaal het betrokken kapitaalvereiste overeenkomstig hoofdstuk 1 van titel I van deel drie van Verordening (EU) nr. 575/2013 indien de onderneming onder de toepassing van die verordening was blijven vallen;

b)  tweemaal het toepasselijke vastekostenvereiste als bepaald in artikel 13 van deze verordening wanneer een beleggingsonderneming niet bestond op of vóór [de datum van inwerkingtreding van deze verordening];

c)  tweemaal het toepasselijke aanvangskapitaalvereiste als bepaald in titel IV van Richtlijn 2013/36/EU op [de datum van inwerkingtreding van deze verordening] wanneer een onderneming tot dat tijdstip alleen aan een aanvangskapitaalvereiste was onderworpen.

Artikel 58Afwijking voor in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde ondernemingen

Beleggingsondernemingen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening voldoen aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en nog geen vergunning als kredietinstelling hebben gekregen in overeenstemming met artikel 8 van Richtlijn 2013/36/EU, blijven onderworpen aan Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU.

TITEL IIVERSLAGEN EN TOETSINGEN

Artikel 59 Herzieningsclausule

1.  Uiterlijk [drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] evalueert de Commissie en dient zij een verslag in, tezamen met een wetgevingsvoorstel, in voorkomend geval, over de volgende punten:

a)  de voorwaarden voor beleggingsondernemingen om in overeenstemming met artikel 12 als kleine en niet onderling verbonden ondernemingen te kwalificeren;

b)  de methoden om de K-factoren in titel II van deel drie en in artikel 38 te meten;

c)  de coëfficiënten in artikel 15, lid 2;

d)  het bepaalde in de artikelen 42, 43 en 44;

e)  de bepalingen van afdeling 1 van hoofdstuk 4 van titel II van deel drie;

f)  de toepassing van deel drie op grondstoffenhandelaren en emissierechtenhandelaren;

f bis)  de wijziging van de definitie van "kredietinstelling" in Verordening (EU) nr. 575/2013 door artikel 60, lid 2, onder a), van de onderhavige verordening, en de potentiële onbedoelde negatieve effecten daarvan;

f ter)  de bepalingen van de artikelen 46 en 47 van Verordening (EU) nr. 600/2014 en de aanpassing daarvan aan een consistent kader voor gelijkwaardigheid op het gebied van financiële diensten;

f quater)  de drempels als vastgesteld in artikel 12, lid 1, van deze verordening;

f quinquies)  de toepassing van de normen van de Fundamentele Herziening van de handelsportefeuille op beleggingsondernemingen;

f sexies)  de in artikel 32, lid 2, onder b), en artikel 20, lid 2, onder b), beschreven methode om de waarde van derivaten te meten, en of het wenselijk is een alternatieve meet- of kalibreringsmethode in te voeren;

f septies)  of het wenselijk is dat er geen beperkingen gelden voor ondernemingen die nevendiensten verrichten als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 18, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

f octies)  of het noodzakelijk is macro-prudentiële instrumenten te ontwikkelen voor de specifieke risico’s die beleggingsondernemingen zouden kunnen vormen voor de financiële stabiliteit.

2.  Uiterlijk [drie jaar na de datum van toepassing van deze verordening] dient de Commissie een uitvoerig verslag in over de toepassing van deze verordening bij het Europees Parlement en de Raad.

TITEL IIIWIJZIGINGEN

Artikel 60Wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013

Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1.  In de titel worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt.

2.  In artikel 4 wordt lid 1 als volgt gewijzigd

a)  punt (1) wordt vervangen door:

"(1) "kredietinstelling": een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan uit een van de volgende activiteiten:

a)  het bij het publiek aantrekken van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening;

b)  het uitvoeren van in de punten 3 en 6 van deel A van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU bedoelde activiteiten, waarbij een van de volgende voorwaarden van toepassing is, maar de onderneming geen grondstoffenhandelaar en handelaar in emissierechten, geen instelling voor collectieve belegging of geen verzekeringsonderneming is:   

i) de totale waarde van de activa van de onderneming bedraagt meer dan 30 miljard EUR, of

ii) de totale waarde van de activa van de onderneming bedraagt niet meer dan 30 miljard EUR, en de onderneming is onderdeel van een groep waarin de gecombineerde totale waarde van de activa van alle ondernemingen binnen de groep die de in de punten 3 en 6 van deel A van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU bedoelde activiteiten uitoefenen en die totale activa van niet meer dan 30 miljard EUR hebben, meer dan 30 miljard EUR bedraagt, of

iii) de totale waarde van de activa van de onderneming bedraagt niet meer dan 30 miljard EUR, en de onderneming is onderdeel van een groep waarin de gecombineerde totale waarde van de activa van alle ondernemingen binnen de groep die de in de punten 3 en 6 van deel A van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU bedoelde activiteiten uitoefenen, meer dan 30 miljard EUR bedraagt, wanneer de toezichthouders die verantwoordelijk zouden zijn voor de vergunning overeenkomstig artikel 8 bis van Richtlijn 2013/36/EU en de geconsolideerde toezichthouder in overleg met het college van toezichthouders daartoe beslissen om potentiële risico's van omzeiling en potentiële risico's voor de financiële stabiliteit van de Unie aan te pakken;";

Voor de toepassing van de punten ii) en iii), wanneer de onderneming deel uitmaakt van een groep uit een derde land, worden de totale activa van iedere bijkantoor van de groep uit een derde land die in de Unie een vergunning heeft, meegerekend in de gecombineerde totale waarde van de activa van alle ondernemingen van de groep.

Voor de toepassing van dit artikel worden alle drempels berekend op het hoogste consolidatieniveau.

b)  punt 2 komt als volgt te luiden:

"(2) "beleggingsonderneming": een persoon in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/65/EU, waaraan op grond van die richtlijn een vergunning is verleend, met uitsluiting van een kredietinstelling;";

c)  punt 3) wordt vervangen door:

(3)  "instelling": een kredietinstelling waaraan op grond van artikel 8 van Richtlijn 2013/36/EU een vergunning is verleend, of een onderneming bedoeld in artikel 8 bis, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU;";

d)  punt 4) wordt geschrapt.

e)  punt 26) wordt vervangen door:

"(26) "financiële instelling": een onderneming niet zijnde een instelling waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van één of meer van de in de punten 2 tot en met 12 en punt 15 van bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU genoemde werkzaamheden, met inbegrip van een beleggingsonderneming, een financiële holding, een gemengde financiële holding, een betalingsinstelling in de zin van Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt en een vermogensbeheerder, maar met uitsluiting van verzekeringsholdings en gemengde verzekeringsholdings in de zin van artikel 212, lid 1, onder g), van Richtlijn 2009/138/EU;";

f)  punt 51) wordt vervangen door:

"(51) "aanvangskapitaal": de hoeveelheid en de soorten eigen vermogen die in artikel 12 van Richtlijn 2013/36/EU zijn vastgesteld;";

g)  punt (145) wordt toegevoegd:

"(145) "grondstoffenhandelaren en emissierechtenhandelaren": ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit uitsluitend bestaat in het aanbieden van beleggingsdiensten of -activiteiten met betrekking tot grondstoffenderivaten of op grondstoffen betrekking hebbende derivatencontracten als bedoeld in de punten 5, 6, 7, 9 en 10 van deel C van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU, op emissierechten betrekking hebbende derivatencontracten als bedoeld in punt 4 van deel C van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU, of emissierechten als bedoeld in punt 11 van deel C van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU;".

3.  artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 4 komt als volgt te luiden:

"4. Kredietinstellingen voldoen op individuele basis aan de in de delen zes en zeven bepaalde vereisten.";

b)  lid 5 wordt geschrapt.

4.  In deel één, titel II, hoofdstuk 2 - Prudentiële consolidatie, wordt een nieuw artikel 10 bis ingevoegd:

"Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvatten financiële moederholdings in een lidstaat en Uniefinanciëlemoederholdings beleggingsondernemingen wanneer die beleggingsondernemingen moederondernemingen van een instelling zijn.".

5.  In artikel 11 wordt lid 3 vervangen door:

"3. "3. EU-moederinstellingen, instellingen die onder zeggenschap staan van een EU-financiëlemoederholding en instellingen die onder zeggenschap staan van een gemengde financiële EU-moederholding voldoen aan de in deel zes bepaalde verplichtingen op basis van de geconsolideerde situatie van die moederinstelling, financiële holding of gemengde financiële holding, indien de groep uit één of meer kredietinstellingen of beleggingsondernemingen bestaat waaraan een vergunning is verleend voor het verrichten van de in de punten 3 en 6 van deel A van bijlage I bij Richtlijn 2004/39/EG vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten.".

6.  Artikel 15 wordt geschrapt.

7.  Artikel 16 wordt geschrapt.

8.  Artikel 17 wordt geschrapt.

9.  In artikel 81 wordt punt a) vervangen door:

"a) de dochteronderneming is een van de volgende entiteiten:

i)  een instelling;

ii)  een onderneming die krachtens het toepasselijke nationale recht aan de vereisten van deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU is onderworpen;

iii)  een beleggingsonderneming;".

10.  In artikel 82 wordt punt a) vervangen door:

"a) de dochteronderneming is een van de volgende entiteiten:

i)  een instelling;

ii)  een onderneming die krachtens het toepasselijke nationale recht aan de vereisten van deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU is onderworpen;

iii)  een beleggingsonderneming;".

11.  artikel 93 wordt als volgt gewijzigd:

a)  Lid 3 wordt geschrapt.

b)  de leden 4, 5 en 6 worden vervangen door:

“4. “4. Wanneer de zeggenschap over een instelling die tot de in lid 2 bedoelde categorie behoort, wordt overgenomen door een andere natuurlijke persoon of een rechtspersoon dan die welke voordien de zeggenschap over deze instelling uitoefende, is het bedrag van het eigen vermogen van die instelling ten minste gelijk aan het vereiste aanvangskapitaal.

5. Bij een fusie tussen twee of meer tot de in lid 2 bedoelde categorie behorende instellingen mag het bedrag van het eigen vermogen van de uit fusie ontstane instelling niet minder bedragen dan het totaal van de eigen vermogens van de gefuseerde instellingen op de datum van de fusie, zolang het vereiste aanvangskapitaal niet is bereikt.

6. Wanneer de bevoegde autoriteiten het nodig achten dat wordt voldaan aan het in lid 1 vastgestelde vereiste om de solvabiliteit van de instelling te garanderen, zijn de bepalingen van de leden 2, 3 en 4 niet van toepassing.".

12.  Afdeling 2 van hoofdstuk I van titel I van deel drie wordt geschrapt op [vijf jaar na de datum van toepassing van Verordening (EU) nr. ____/____VBO].

12 bis.  In artikel 119 wordt lid 5 vervangen door:

  "5.  Blootstellingen met betrekking tot financiële instellingen waaraan een vergunning is verleend door en die onder toezicht staan van de bevoegde autoriteiten, en die onderworpen zijn aan prudentiële vereisten die qua degelijkheid vergelijkbaar zijn met die welke op instellingen worden toegepast, worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot instellingen. Voor de toepassing van dit lid worden de in Verordening (EU) ----/---- [VBO] vastgestelde prudentiële vereisten geacht qua degelijkheid vergelijkbaar zijn met die welke op instellingen worden toegepast."

13.  In artikel 197 wordt in lid 1 punt c) vervangen door:

"c) schuldtitels uitgegeven door instellingen en beleggingsondernemingen waarvan de effecten een kredietbeoordeling hebben van een EKBI welke door EBA is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform de in hoofdstuk 2 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan blootstellingen met betrekking tot instellingen;".

14.  In artikel 202 wordt de inleidende zin vervangen door:

"Een instelling kan instellingen, beleggingsondernemingen, verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en exportkredietverzekeringsmaatschappijen gebruiken als toelaatbare verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie die voor de in artikel 153, lid 3, beschreven behandeling in aanmerking komen wanneer zij alle volgende voorwaarden vervullen:".

15.  Artikel 388 wordt geschrapt.

16.  In artikel 456 worden in lid 1 de punten f) en g) geschrapt.

17.  In artikel 493 wordt lid 2 geschrapt.

18.  Artikel 498 wordt geschrapt.

19.  In artikel 508 worden de leden 2 en 3 geschrapt.

Artikel 61

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 600/2014

Verordening (EU) nr. 600/2014 wordt als volgt gewijzigd:

(-1)  De titel van titel III wordt vervangen door:

  "TRANSPARANTIE VOOR BELEGGINGSONDERNEMINGEN MET SYSTEMATISCHE INTERNE AFHANDELING EN BELEGGINGSONDERNEMINGEN DIE BUITEN DE BEURS HANDELEN EN VERHANDELINGSEENHEIDREGELING VOOR BELEGGINGSONDERNEMINGEN MET SYSTEMATISCHE INTERNE AFHANDELING".

(-1 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 17 bisVerhandelingseenheden

Koersen van beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling, prijsverbeteringen op die koersen en de gerealiseerde prijzen, moeten in overeenstemming zijn met de verhandelingseenheden als bepaald in artikel 49 van Richtlijn 2014/65/EU."

(-1 ter)  In artikel 40, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door:

  "Een verbod of beperking kan gelden in omstandigheden of gebonden zijn aan voorwaarden die door de ESMA worden gespecificeerd en kan rechtstreeks worden toegepast op een beheersmaatschappij als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder c), van Richtlijn 2009/65/EG en op een beheerder van alternatieve beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b), van Richtlijn 2011/61/EG."

(-1 quater)  In artikel 42, lid 2, wordt de derde alinea vervangen door:

  "Een verbod of beperking kan gelden in omstandigheden of gebonden zijn aan voorwaarden die door de bevoegde autoriteit worden gespecificeerd en kan rechtstreeks worden toegepast op een beheersmaatschappij als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder c), van Richtlijn 2009/65/EG en op een beheerder van alternatieve beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b), van Richtlijn 2011/61/EG."

(1)  artikel 46 wordt als volgt gewijzigd:

  -a)  lid 1 wordt vervangen door:

"1.   Een onderneming uit een derde land kan zonder de vestiging van een bijkantoor beleggingsdiensten verlenen aan of beleggingsactiviteiten verrichten die zijn opgenomen in deel A, onder 1), 2), 4), 5), 7), 8), of 9) van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU, met of zonder nevendiensten voor in aanmerking komende tegenpartijen en professionele cliënten in de zin van deel I van bijlage II bij Richtlijn 2014/65/EU die in de hele Unie zijn gevestigd voor zover zij is opgenomen in het register van ondernemingen uit derde landen dat de ESMA bijhoudt in overeenstemming met artikel 47."

a)  in lid 2 wordt het volgende punt d) toegevoegd:

"d) de onderneming heeft de nodige regelingen en procedures opgezet om de in lid 6 bis beschreven informatie te rapporteren.";

b)  het volgende lid 6 bis wordt ingevoegd:

"6 bis. "6 bis. Ondernemingen uit derde landen die in overeenstemming met dit artikel diensten aanbieden of activiteiten verrichten, brengen ESMA op jaarbasis op de hoogte van het volgende:

a)  de schaal en de omvang van de door de ondernemingen binnen de Unie verrichte diensten en activiteiten;

b)  de omzet en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de onder a) bedoelde diensten en activiteiten;

c)  de vraag of regelingen zijn getroffen om beleggers te beschermen, en een nadere beschrijving daarvan;

d)  het risicobeheersbeleid en de risicobeheersregelingen die de onderneming toepast bij het verrichten van de in punt a) bedoelde diensten en activiteiten.";

c)  lid 7 komt als volgt te luiden:

"7. ESMA stelt, in overleg met EBA, ontwerpen van technische reguleringsnormen op waarin nader wordt aangegeven welke informatie de aanvragende onderneming uit een derde land moet verstrekken in het in lid 4 bedoelde verzoek tot registratie en de in lid 6 bis genoemde te rapporteren informatie.

ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [datum invoegen] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.";

d)  het volgende lid 8 wordt toegevoegd:

"8. ESMA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van het format waarin het in artikel 4 bedoelde verzoek tot registratie dient te worden ingediend en waarin de in lid 6 bis genoemde informatie dient te worden gerapporteerd.

ESMA dient deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op [datum invoegen] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.".

(2)   artikel 47 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:

De Commissie kan, in overeenstemming met de in artikel 50 bedoelde procedure, een besluit vaststellen met betrekking tot een derde land waarin wordt bevestigd dat de wettelijke regelingen en toezichtregelingen van dat derde land het volgende waarborgen:

a)  de ondernemingen die in dat derde land een vergunning hebben, houden zich aan wettelijk bindende prudentiële, organisatorische, internecontrole- en bedrijfsvoeringsvoorschriften waarvan het effect gelijkwaardig is aan dat van de vereisten die zijn vastgelegd in deze verordening, in Richtlijn 2013/36/EU, in Verordening (EU) nr. 575/2013, in Richtlijn (EU) ----/-- [RBO] en in Verordening (EU)----/---[VBO], en in Richtlijn 2014/65/EU, alsmede in de uitvoeringsmaatregelen die op grond van die verordeningen en richtlijnen zijn vastgesteld;

b)  de ondernemingen die in dat derde land een vergunning hebben, zijn onderworpen aan toezicht en handhaving die inachtneming garanderen van wettelijk bindende prudentiële, organisatorische, internecontrole- en bedrijfsvoeringsvoorschriften, en

c)  door het wettelijke kader van dat derde land wordt voorzien in een doeltreffend gelijkwaardig systeem voor erkenning van beleggingsondernemingen waaraan krachtens rechtsstelsels van derde landen een vergunning is verleend.

Wanneer de door ondernemingen uit derde landen in de Unie verrichte diensten en uitgeoefende activiteiten na de vaststelling van het in de eerste alinea bedoelde besluit waarschijnlijk systeemrelevant zijn voor de Unie, kunnen de in de eerste alinea bedoelde wettelijk bindende prudentiële, organisatorische, internecontrole- en bedrijfsvoeringsvoorschriften alleen na een gedetailleerde en granulaire beoordeling geacht worden een effect te hebben dat gelijkwaardig is aan dat van de vereisten die zijn vastgelegd in de in die alinea bedoelde handelingen. Met het oog op deze beoordeling maakt de Commissie ook een beoordeling van en houdt zij rekening met de toezichtconvergentie tussen het betrokken derde land en de Unie.

Wanneer de Commissie het in de eerste alinea bedoelde besluit vaststelt, houdt zij rekening met de vraag of het derde land al dan niet is geïdentificeerd als een volgens het desbetreffende Uniebeleid niet-coöperatief rechtsgebied voor fiscale doeleinden of als een derde land met een hoog risico in de zin van artikel 9, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/849.";

b)  in lid 2 wordt punt c) vervangen door:

"c) de procedures met betrekking tot de coördinatie van toezichtactiviteiten, met inbegrip van onderzoeken en inspecties ter plaatse.";

b bis)  het volgende lid wordt ingevoegd:

"2 bis. De Commissie wordt gemachtigd in overeenstemming met artikel 50 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter verduidelijking onder welke voorwaarden het verlenen van diensten of het verrichten van activiteiten geacht wordt waarschijnlijk systeemrelevant te zijn voor de Unie."

b ter)  lid 4 komt als volgt te luiden:

  "4. Een onderneming uit een derde land mag niet langer gebruikmaken van de rechten op grond van artikel 46, lid 1, wanneer de Commissie een besluit vaststelt overeenkomstig de in artikel 50, bedoelde procedure waarbij haar besluit op grond van lid 1 van dit artikel met betrekking tot het betreffende derde land wordt ingetrokken.

c)  het volgende lid 5 wordt toegevoegd:

"5. ESMA monitort de ontwikkelingen op het gebied van regulering en toezicht, de handhavingspraktijken en andere relevante marktontwikkelingen in derde landen waarvoor de Commissie overeenkomstig lid 1 gelijkwaardigheidsbesluiten heeft vastgesteld, om na te gaan of de voorwaarden op basis waarvan die besluiten zijn genomen, nog steeds vervuld zijn. ESMA dient jaarlijks bij de Commissie, het Europees Parlement en de Raad een verslag over haar bevindingen in.

c bis)  het volgende lid 5 bis wordt toegevoegd:

"5 bis. De Commissie verstrekt het Europees Parlement jaarlijks een lijst van de besluiten inzake de erkenning, schorsing en intrekking van gelijkwaardigheid, met inbegrip van een toelichting over de gronden waarop die besluiten zijn genomen."

Artikel 62Wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010

Verordening (EU) nr. 1093/2010 wordt als volgt gewijzigd:

(1)   In artikel 4, lid 2, wordt het volgende punt v) toegevoegd:

"v) wat Verordening (EU) ----/---- [VBO] en Richtlijn (EU) ----/-- [RBO] betreft, bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 3, lid 5, van Richtlijn ----/--/EU [RBO].".

DEEL TIENSLOTBEPALINGEN

Artikel 63Inwerkingtreding en datum van toepassing

1.  Deze verordening treedt in werking op de [...] dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  Deze verordening is van toepassing vanaf [18 maanden na de datum van inwerkingtreding].

2 bis.  Onverminderd lid 2 is artikel 61, lid -1 (nieuw), van toepassing met ingang van [twintig dagen na de dag van bekendmaking van deze verordening in het Publicatieblad van de Europese Unie].

3.  Wat prudentiële vereisten van beleggingsondernemingen betreft, gelden verwijzingen in andere Uniehandelingen naar Verordening (EU) nr. 575/2013 als verwijzingen naar deze verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement  Voor de Raad

De Voorzitter  De Voorzitter

(1)

  [PB C 0 van 0.0.0000, blz. 0 Nog niet in het Publicatieblad verschenen.

(2)

  [PB C 0 van 0.0.0000, blz. 0 Nog niet in het Publicatieblad verschenen.

(3)

* Amendmenten: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.

(4)

  PB C […] van […], blz. […].

(5)

  PB C […] van […], blz. […].

(6)

  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(7)

  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(8)

  Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1).

(9)

  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/488 van de Commissie van 4 september 2014 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 betreffende eigenvermogensvereisten voor ondernemingen op basis van vaste kosten (PB L 78 van 24.3.2015, blz. 1)

(10)

  Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012.

(11)

  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het liquiditeitsdekkingsvereiste voor kredietinstellingen (PB L 11 van 17.1.2015, blz. 1).

(12)

Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).

(13)

  Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).

(14)

  Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).

(15)

  Besluit 2004/10/EG van de Commissie van 5 november 2003 tot instelling van het Europees Comité voor het bankwezen (PB L 3 van 7.1.2004, blz. 36).

(16)

  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).


PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen

Document- en procedurenummers

COM(2017)0790 – C8-0453/2017 – 2017/0359(COD)

Datum indiening bij EP

20.12.2017

 

 

 

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

ECON

18.1.2018

 

 

 

Medeadviserende commissies

       Datum bekendmaking

DEVE

18.1.2018

BUDG

18.1.2018

ITRE

18.1.2018

JURI

18.1.2018

 

AFCO

18.1.2018

 

 

 

Geen advies

       Datum besluit

DEVE

31.1.2018

BUDG

24.1.2018

ITRE

23.1.2018

JURI

24.1.2018

 

AFCO

26.2.2018

 

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Markus Ferber

23.1.2018

 

 

 

Behandeling in de commissie

16.5.2018

19.6.2018

 

 

Datum goedkeuring

24.9.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

33

8

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pervenche Berès, Markus Ferber, Jonás Fernández, Giuseppe Ferrandino, Sven Giegold, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Barbara Kappel, Philippe Lamberts, Werner Langen, Sander Loones, Bernd Lucke, Olle Ludvigsson, Ivana Maletić, Marisa Matias, Gabriel Mato, Bernard Monot, Luděk Niedermayer, Stanisław Ożóg, Anne Sander, Martin Schirdewan, Molly Scott Cato, Pedro Silva Pereira, Ernest Urtasun, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Miguel Viegas, Steven Woolfe, Marco Zanni, Esther de Lange

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Doru-Claudian Frunzulică, Ramón Jáuregui Atondo, Jeppe Kofod, Marcus Pretzell, Romana Tomc, Lieve Wierinck, Roberts Zīle, Sophia in ‘t Veld

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Julia Pitera, Sabine Verheyen

Datum indiening

27.9.2018


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

33

+

ALDE

Sophia in 't Veld, Lieve Wierinck

ECR

Sander Loones, Bernd Lucke, Stanisław Ożóg, Roberts Zīle

ENF

Barbara Kappel

PPE

Markus Ferber, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Werner Langen, Ivana Maletić, Gabriel Mato, Luděk Niedermayer, Julia Pitera, Anne Sander, Romana Tomc, Tom Vandenkendelaere, Sabine Verheyen, Esther de Lange

S&D

Pervenche Berès, Jonás Fernández, Giuseppe Ferrandino, Doru-Claudian Frunzulică, Roberto Gualtieri, Ramón Jáuregui Atondo, Jeppe Kofod, Olle Ludvigsson, Pedro Silva Pereira

Verts/ALE

Sven Giegold, Philippe Lamberts, Molly Scott Cato, Ernest Urtasun

8

-

EFDD

Bernard Monot, Marco Valli

ENF

Marcus Pretzell, Marco Zanni

GUE/NGL

Marisa Matias, Martin Schirdewan, Miguel Viegas

NI

Steven Woolfe

0

0

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 10 oktober 2018Juridische mededeling