Procedure : 2018/0074(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0310/2018

Ingediende teksten :

A8-0310/2018

Debatten :

PV 11/02/2019 - 14
CRE 11/02/2019 - 14

Stemmingen :

PV 25/10/2018 - 13.9
CRE 25/10/2018 - 13.9
PV 12/02/2019 - 9.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0425
P8_TA(2019)0069

VERSLAG     ***I
PDF 832kWORD 124k
10.10.2018
PE 622.105v03-00 A8-0310/2018

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visbestanden in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1139 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de Oostzee, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008

(COM(2018)0149– C8-0126/2018– 2018/0074(COD)

Commissie visserij

Rapporteur: Alain Cadec

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visbestanden in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1139 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de Oostzee, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008

(COM(2018)0149 – C8-0126/2018 – 2018/0074(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0149),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0126/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2018(1),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0310/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

Voorstel voor een verordening

Titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voorstel voor een

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visbestanden in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1139 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de Oostzee, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008

tot vaststelling van een meerjarenplan voor de demersale bestanden in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1139 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de Oostzee, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008

Amendement    2

Voorstel voor een verordening

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  Het GVB heeft onder meer tot doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, het voorzorgsbeginsel toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen.

(4)  Het GVB heeft onder meer tot doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn en beheerd worden op een manier die aansluit op de doelstellingen om positieve economische, sociale en werkgelegenheidseffecten teweeg te brengen, de afhankelijkheid van de Uniemarkt van de invoer van levensmiddelen te verminderen en de indirecte en directe schepping van banen en de economische ontwikkeling in de kustgebieden te stimuleren, het voorzorgsbeginsel toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen.

Amendement    3

Voorstel voor een verordening

Overweging 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis)  Overeenkomstig de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid en om een gelijk speelveld en eerlijke concurrentie tussen de zeebekkens te garanderen, moet alle meerjarenplannen volgens een uniform kader worden vastgesteld en mogen geen specifieke afwijkingen voor een zeebekken worden toegestaan met betrekking tot de beginselen voor de vaststelling van quota.

Motivering

Door in dit plan vrijstellingen toe te staan van de wettelijke verplichting om voor 2020 de bestanden te herstellen en te handhaven boven een niveau dat de MDO kan opleveren en de in de meerjarenplannen overeengekomen FMSY-bandbreedtes te overschrijden, zou niet alleen het GVB laten verwateren en schadelijk zijn voor de visbestanden, het zou ook oneerlijk zijn ten opzichte van vissers in de Oostzee en de Noordzee die gedwongen zijn zonder vrijstellingen binnen het overeengekomen kader te blijven.

Amendement    4

Voorstel voor een verordening

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Met het oog op de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen dienen instandhoudingsmaatregelen als meerjarenplannen, technische maatregelen en vangstmogelijkheden (vaststelling en toewijzing), zo nodig met elkaar gecombineerd, te worden vastgesteld.

(5)  Met het oog op de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen moeten instandhoudingsmaatregelen als meerjarenplannen, technische maatregelen en vangstmogelijkheden (vaststelling en toewijzing), zo nodig met elkaar gecombineerd, worden vastgesteld in overeenstemming met het best beschikbare wetenschappelijke advies.

Amendement    5

Voorstel voor een verordening

Overweging 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(5 bis)  Met Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt expliciet beoogd de populaties van de beviste soorten op een omvang te herstellen en te behouden die boven het niveau ligt dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Om dit doel te bereiken, is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 bepaald dat het exploitatieniveau voor de maximale duurzame opbrengst voor alle bestanden indien mogelijk tegen 2015, en geleidelijk toenemend uiterlijk 2020 wordt verwezenlijkt.

Amendement    6

Voorstel voor een verordening

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)  Overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dienen meerjarenplannen gebaseerd te zijn op wetenschappelijke, technische en economische adviezen. Overeenkomstig die artikelen dient dit plan doelstellingen te omvatten, alsmede kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten, vrijwaringsmaatregelen en technische maatregelen die beogen ongewenste vangsten te voorkomen en te beperken.

(6)  Overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dienen meerjarenplannen gebaseerd te zijn op wetenschappelijke, technische en economische adviezen. Overeenkomstig die artikelen dient dit plan doelstellingen te omvatten, alsmede kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten, vrijwaringsmaatregelen en technische maatregelen die beogen ongewenste vangsten te voorkomen en te beperken, de impact op het mariene milieu tot een minimum terug te dringen, met name de verstoring van de habitat en de zeebodem, en sociale en economische doelstellingen te realiseren.

Amendement    7

Voorstel voor een verordening

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)  De Commissie dient voor de bestanden die binnen de werkingssfeer van het meerjarenplan vallen, het beste beschikbare wetenschappelijke advies in te winnen. Zij sluit daartoe memoranda van overeenstemming met de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES). Het wetenschappelijke advies van de ICES dient gebaseerd te zijn op dit meerjarenplan en dient in het bijzonder FMSY-bandbreedtes en biomassareferentiepunten (MSY Trigger en Blim) te vermelden. Die waarden dienen te worden vermeld in het desbetreffende bestandsadvies en, waar van toepassing, in andere openbaar beschikbare wetenschappelijke adviezen, waaronder bijvoorbeeld ICES-adviezen met betrekking tot gemengde visserij.

(8)  De Commissie dient voor de bestanden die binnen de werkingssfeer van het meerjarenplan vallen, het beste beschikbare wetenschappelijke advies in te winnen. Zij sluit daartoe met name memoranda van overeenstemming met de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES). Het wetenschappelijke advies van de ICES dient gebaseerd te zijn op dit meerjarenplan en dient in het bijzonder FMSY-bandbreedtes en biomassareferentiepunten (MSY Btrigger en Blim) te vermelden. Die waarden dienen te worden vermeld in het desbetreffende bestandsadvies en, waar van toepassing, in andere openbaar beschikbare wetenschappelijke adviezen, waaronder bijvoorbeeld ICES-adviezen met betrekking tot gemengde en/of meersoortenvisserij.

Amendement    8

Voorstel voor een verordening

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)  In de Verordeningen (EG) nr. 811/200418, (EG) nr. 2166/200519, (EG) nr. 388/200620, (EG) nr. 509/200721, (EG) nr. 1300/200822 en (EG) nr. 1342/200823 van de Raad zijn regels vastgesteld voor de exploitatie van het noordelijke heekbestand, de bestanden van heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland, tong in de Golf van Biskaje, tong in het westelijk Kanaal, haring in het gebied ten westen van Schotland en kabeljauw in het Kattegat, de Noordzee, het gebied ten westen van Schotland en de Ierse Zee. Vis uit deze en andere demersale bestanden wordt geoogst in het kader van gemengde visserij. Daarom dient één meerjarenplan te worden vastgesteld waarin rekening wordt gehouden met zulke technische interacties.

(9)  In de Verordeningen (EG) nr. 811/200418, (EG) nr. 2166/200519, (EG) nr. 388/200620, (EG) nr. 509/200721, (EG) nr. 1300/200822 en (EG) nr. 1342/200823 van de Raad zijn regels vastgesteld voor de exploitatie van het noordelijke heekbestand, de bestanden van heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland, tong in de Golf van Biskaje, tong in het westelijk Kanaal, haring in het gebied ten westen van Schotland en kabeljauw in het Kattegat, de Noordzee, het gebied ten westen van Schotland en de Ierse Zee. Vis uit deze en andere demersale bestanden wordt geoogst in het kader van gemengde en/of meersoortenvisserij. Daarom dient één meerjarenplan te worden vastgesteld waarin rekening wordt gehouden met zulke technische interacties.

_________________

_________________

18 Verordening (EG) nr. 811/2004 van de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van herstelmaatregelen voor het noordelijke heekbestand (PB L 150 van 30.4.2004, blz. 1).

18 Verordening (EG) nr. 811/2004 van de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van herstelmaatregelen voor het noordelijke heekbestand (PB L 150 van 30.4.2004, blz. 1).

19 Verordening (EG) nr. 2166/2005 van de Raad van 20 december 2005 tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van de bestanden van zuidelijke heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 345 van 28.12.2005, blz. 5).

19 Verordening (EG) nr. 2166/2005 van de Raad van 20 december 2005 tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van de bestanden van zuidelijke heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 345 van 28.12.2005, blz. 5).

20 Verordening (EG) nr. 388/2006 van de Raad van 23 februari 2006 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in de Golf van Biskaje (PB L 65 van 7.3.2006, blz. 1).

20 Verordening (EG) nr. 388/2006 van de Raad van 23 februari 2006 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in de Golf van Biskaje (PB L 65 van 7.3.2006, blz. 1).

21 Verordening (EG) nr. 509/2007 van de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in het westelijk Kanaal (PB L 122 van 11.5.2007, blz. 7).

21 Verordening (EG) nr. 509/2007 van de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in het westelijk Kanaal (PB L 122 van 11.5.2007, blz. 7).

22 Verordening (EG) nr. 1300/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een meerjarenplan voor het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland en de visserijen die dat bestand exploiteren (PB L 344 van 20.12.2008, blz. 6).

22 Verordening (EG) nr. 1300/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een meerjarenplan voor het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland en de visserijen die dat bestand exploiteren (PB L 344 van 20.12.2008, blz. 6).

23 Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2004 (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 20).

23 Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2004 (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 20).

Amendement    9

Voorstel voor een verordening

Overweging 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11)  Sommige demersale bestanden worden zowel in de westelijke wateren als in daaraan grenzende wateren geëxploiteerd. Daarom dient de werkingssfeer van de bepalingen in het plan die betrekking hebben op streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen voor bestanden die voornamelijk in de westelijke wateren worden geëxploiteerd, te worden uitgebreid tot de betrokken gebieden buiten de westelijke wateren. Bovendien dienen voor bestanden die ook aanwezig zijn in de westelijke wateren, maar die voornamelijk buiten de westelijke wateren worden geëxploiteerd, de streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen te worden vastgesteld in meerjarenplannen voor de gebieden buiten de westelijke wateren waar die bestanden voornamelijk worden geëxploiteerd, waarbij de werkingssfeer van die meerjarenplannen dient te worden uitgebreid tot de westelijke wateren.

(11)  Sommige demersale bestanden worden zowel in de westelijke wateren als in daaraan grenzende wateren geëxploiteerd. Daarom dient de werkingssfeer van de bepalingen in het plan die betrekking hebben op streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen voor demersale bestanden die voornamelijk in de westelijke wateren worden geëxploiteerd, te worden uitgebreid tot de gebieden van deze bestanden die gelegen zijn buiten de westelijke wateren, op voorwaarde dat deze gebieden niet onder de soevereiniteit of rechtsmacht vallen van derde landen. Bovendien dienen voor bestanden die ook aanwezig zijn in de westelijke wateren, maar die voornamelijk buiten de westelijke wateren worden geëxploiteerd, de streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen te worden vastgesteld in meerjarenplannen voor de gebieden buiten de westelijke wateren waar die demersale bestanden voornamelijk worden geëxploiteerd, waarbij de werkingssfeer van die meerjarenplannen dient te worden uitgebreid tot de westelijke wateren.

Amendement    10

Voorstel voor een verordening

Overweging 11 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(11 bis)  In het beheersplan mag niet alleen worden ingegaan op mechanismen om de vangstmogelijkheden op korte termijn te bepalen, want dat leidt tot onzekerheid en een gebrek aan transparantie voor de sector.

Amendement    11

Voorstel voor een verordening

Overweging 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12)  De geografische werkingssfeer van het meerjarenplan dient gebaseerd te zijn op de geografische spreiding van de bestanden, zoals opgenomen in het meest recente wetenschappelijke advies van de ICES. Het is mogelijk dat de geografische spreiding van de bestanden zoals opgenomen in het meerjarenplan in de toekomst moet worden gewijzigd ten gevolge van betere wetenschappelijke informatie of van migratie van bestanden. Daarom dient de Commissie te worden gemachtigd om gedelegeerde handelingen aan te nemen tot aanpassing van de geografische spreiding van de bestanden als opgenomen in het meerjarenplan, indien uit het wetenschappelijk advies van de ICES blijkt dat de geografische verdeling van de betrokken bestanden is gewijzigd.

(12)  De geografische werkingssfeer van het meerjarenplan dient gebaseerd te zijn op de geografische spreiding van de demersale bestanden, zoals opgenomen in het meest recente wetenschappelijke advies van de ICES. Het is mogelijk dat de geografische spreiding van de bestanden zoals opgenomen in het meerjarenplan in de toekomst moet worden gewijzigd ten gevolge van betere wetenschappelijke informatie of van migratie van demersale bestanden. Daarom dient de Commissie te worden gemachtigd om gedelegeerde handelingen aan te nemen tot aanpassing van de geografische spreiding van de bestanden als opgenomen in het meerjarenplan, indien uit het wetenschappelijk advies van de ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, blijkt dat de geografische verdeling van de betrokken bestanden is gewijzigd.

Amendement    12

Voorstel voor een verordening

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14)  Dit plan dient erop gericht te zijn bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het GVB, en met name het bereiken en behouden van de MDO voor de doelbestanden, de uitvoering van de aanlandingsverplichting voor demersale bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden en het bevorderen van een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, met aandacht voor de kustvisserij en de sociaaleconomische aspecten. Ook dient het plan een ecosysteemgerichte benadering toe te passen op het visserijbeheer om ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het dient in overeenstemming te zijn met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken (overeenkomstig Richtlijn 2008/56/EG) en de doelstellingen van Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad. In dit plan dienen ook nadere bepalingen te worden opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren van de westelijke wateren voor alle bestanden van soorten waarvoor de aanlandingsverplichting krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van toepassing is.

(14)  Dit plan dient erop gericht te zijn bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het GVB, en met name het bereiken en behouden van alle bestanden van deze verordening boven het niveau van de biomassa dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, de uitvoering van de aanlandingsverplichting voor demersale bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden en het bevorderen van een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, met aandacht voor de kustvisserij en de sociaal-economische aspecten. Ook dient het plan een ecosysteemgerichte benadering toe te passen op het visserijbeheer om ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het dient in overeenstemming te zijn met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken (overeenkomstig Richtlijn 2008/56/EG) en de doelstellingen van Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad. In dit plan dienen ook nadere bepalingen te worden opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren van de westelijke wateren voor alle in het kader van demersale visserij gevangen bestanden waarvoor de aanlandingsverplichting krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van toepassing is.

Amendement    13

Voorstel voor een verordening

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)  Het streefdoel voor de visserijsterfte (F) dat in overeenstemming is met de doelstelling om de MDO te bereiken en te behouden, dient te worden vastgesteld in de vorm van een bandbreedte van waarden die in overeenstemming zijn met het bereiken van de MDO (FMSY). Deze op het beste beschikbare wetenschappelijke advies gebaseerde bandbreedtes zijn noodzakelijk om op flexibele wijze te kunnen inspelen op ontwikkelingen in het wetenschappelijk advies, bij te dragen tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting en rekening te houden met de kenmerken van gemengde visserij. De FMSY-bandbreedtes dienen te worden berekend door de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), met name in het kader van de periodieke vangstadviezen. De bandbreedtes dienen op basis van dit plan zo te worden bepaald dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de MDO24. De bovengrens van de bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder Blim terechtkomt, niet meer dan 5 % bedraagt. Deze bovengrens komt ook overeen met de "adviesregel" van de ICES, die inhoudt dat, wanneer de toestand op het gebied van paaibiomassa of abundantie slecht is, F moet worden verminderd tot een waarde die niet hoger is dan een bovengrens gelijk aan de FMSY-puntwaarde vermenigvuldigd met de paaibiomassa of de abundantie in het TAC-jaar (TAC = totaal toegestane vangsten), gedeeld door MSY Btrigger. De ICES hanteert deze overwegingen en deze adviesregel wanneer hij wetenschappelijk advies verstrekt over visserijsterfte en vangstopties.

(16)   Het streefdoel voor de visserijsterfte (F) dat in overeenstemming is met de doelstelling om de MDO te bereiken en te behouden, dient te worden vastgesteld in de vorm van een bandbreedte van waarden die in overeenstemming zijn met het bereiken van de MDO (FMSY). Deze op het beste beschikbare wetenschappelijke advies gebaseerde bandbreedtes zijn noodzakelijk om op flexibele wijze te kunnen inspelen op ontwikkelingen in het wetenschappelijk advies, bij te dragen tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting en rekening te houden met de kenmerken van gemengde visserij. De FMSY-bandbreedtes dienen onder andere te worden berekend door de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), met name in het kader van de periodieke vangstadviezen. De bandbreedtes dienen op basis van dit plan zo te worden bepaald dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de MDO24. De bovengrens van de bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder Blim terechtkomt, niet meer dan 5 % bedraagt. Deze bovengrens komt ook overeen met de "adviesregel" van de ICES, die inhoudt dat, wanneer de toestand op het gebied van paaibiomassa of abundantie slecht is, F moet worden verminderd tot een waarde die niet hoger is dan een bovengrens gelijk aan de FMSY-puntwaarde vermenigvuldigd met de paaibiomassa of de abundantie in het TAC-jaar (TAC = totaal toegestane vangsten), gedeeld door MSY Btrigger. De ICES hanteert deze overwegingen en deze adviesregel wanneer hij wetenschappelijk advies verstrekt over visserijsterfte en vangstopties.

___________

___________

24 Verzoek van de EU aan de ICES om FMSY-brandbreedtes te verstrekken voor bepaalde bestanden in de ICES-deelgebieden 5 tot en met 10.

24 Verzoek van de EU aan de ICES om FMSY-brandbreedtes te verstrekken voor bepaalde bestanden in de ICES-deelgebieden 5 tot en met 10.

Amendement    14

Voorstel voor een verordening

Overweging 16 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(16 bis)  Teneinde de in artikel 2, lid 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde doelstellingen te verwezenlijken is het passend het streefdoel voor de visserijsterfte (F) op een dusdanig niveau vast te stellen dat het exploitatieniveau voor de maximale duurzame opbrengst niet wordt overschreden. Dit exploitatieniveau moet zo snel mogelijk en geleidelijk toenemend voor alle bestanden waarop deze verordening van toepassing is uiterlijk tegen 2020 worden verwezenlijkt.

Amendement    15

Voorstel voor een verordening

Overweging 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(20)  De TAC-hoeveelheden voor langoustine in de westelijke wateren moeten kunnen worden vastgesteld als de som van de vangstbeperkingen voor elke functionele eenheid en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden in dat TAC-gebied. Dit sluit het vaststellen van maatregelen ter bescherming van specifieke functionele eenheden evenwel niet uit.

(20)  De TAC-hoeveelheden voor een langoustinebestand in de westelijke wateren moeten kunnen worden vastgesteld als de som van de vangstbeperkingen voor elke functionele eenheid en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden in het voor dit bestand gedefinieerde gebied. Dit sluit het vaststellen van maatregelen ter bescherming van specifieke functionele eenheden evenwel niet uit.

Amendement    16

Voorstel voor een verordening

Overweging 21 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(21 bis)  Er moet onmiddellijk een aantal verbodsbepalingen voor de visserij worden vastgesteld met betrekking tot zeebaars en witte koolvis, met name om de oudervissen van deze soorten te beschermen tijdens de voortplantingsperiode. Om de afnemende bestanden van zeebaars en witte koolvis te beschermen, moeten de lidstaten passende herstelmaatregelen nemen in zowel de commerciële als de recreatievisserij, zoals vastgesteld door het beste beschikbare wetenschappelijke bewijs.

Amendement    17

Voorstel voor een verordening

Overweging 22

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(22)  Wanneer de Raad in het kader van het vaststellen van de vangstmogelijkheden voor een bepaald bestand rekening houdt met een significante impact van de recreatievisserij, behoort hij over de mogelijkheid te beschikken een TAC vast te stellen voor commerciële vangsten die rekening houdt met de in het kader van de recreatievisserij gevangen hoeveelheden, en/of andere maatregelen te nemen ter beperking van de recreatievisserij, zoals meeneemlimieten en sluitingsperioden.

(22)  Wanneer de visserijsterfte in de recreatievisserij een significante impact heeft op een bestand dat beheerd wordt op basis van de MDO, moet de Raad individuele, niet-discriminerende vangstmogelijkheden kunnen vaststellen voor recreatievissers. Deze individuele vangstmogelijkheden voor de recreatievisserij moeten betrekking hebben op perioden die niet korter mogen zijn dan een maand, rekening houdend met de reële praktijken en vangsten in de recreatievisserij. Ook moet bij de recreatieve vangsten van bepaalde soorten met een hoge handelswaarde een deel van de staartvin worden verwijderd, om de mogelijkheid te beperken dat deze vangsten op illegale wijze worden gebruikt in het handelsverkeer.

Amendement    18

Voorstel voor een verordening

Overweging 23

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(23)  Met het oog op de naleving van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting dient het plan te voorzien in aanvullende beheersmaatregelen, die nader dienen te worden uitgewerkt overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(23)  Met het oog op de naleving van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting en om de negatieve gevolgen voor het ecosysteem tot een minimum te beperken dient het plan te voorzien in aanvullende beheersmaatregelen, met name maatregelen om teruggooi geleidelijk te vermijden en uit te bannen en de negatieve gevolgen van visserij voor het ecosysteem tot een minimum te beperken, rekening houdend met het beste beschikbare wetenschappelijke advies, die in voorkomend geval nader dienen te worden uitgewerkt overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013. Ook moet worden gespecificeerd dat de aanlandingsverplichting niet geldt voor de recreatievisserij. Indien geen gemeenschappelijke aanbevelingen worden ingediend, mag de Commissie gedelegeerde handelingen vaststellen.

Motivering

In artikel 2, lid 5, van de basisverordening van het GVB wordt bepaald dat teruggooi geleidelijk moet worden uitgebannen door ongewenste vangsten zoveel mogelijk te vermijden en te verminderen.

Amendement    19

Voorstel voor een verordening

Overweging 23 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(23 bis)  Met het oog op de bescherming van kwetsbare soorten en habitats, met name degenen die ernstig worden bedreigd en worden aangetast door visserijdruk, moeten in het plan beheersmaatregelen voor de betrokken visserijen worden vastgesteld, waaronder aanpassing van vistuig, aanpassing van de activiteiten van vaartuigen en aanpassing van de vaartuigen zelf. Het plan moet aanvullende beheersmaatregelen omvatten die overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 nader moeten worden gespecificeerd. De Commissie moet uitvoeringshandelingen kunnen vaststellen waarmee een analyse van het zeegebied wordt uitgevoerd en de vorm en het tijdschema voor de indiening en goedkeuring van beheersmaatregelen worden bepaald.

Amendement    20

Voorstel voor een verordening

Overweging 24 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(24 bis)  Het is wenselijk dat de Commissie jaarlijks verslag uitbrengt aan het Europees Parlement over de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen die gebruikt zijn voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden of de toepassing van de vrijwaringsmaatregelen door de Raad en dat de Commissie het Europees Parlement vooraf informeert over situaties waar het wetenschappelijk advies kan leiden tot grote verschillen bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden.

Amendement    21

Voorstel voor een verordening

Overweging 25

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(25)  Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dienen bepalingen te worden vastgesteld inzake de periodieke beoordeling door de Commissie, op basis van wetenschappelijk advies, van de toereikendheid en doeltreffendheid van de toepassing van deze verordening. Het plan dient uiterlijk op ... [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens om de vijf jaar te worden geëvalueerd. Een dergelijke periode biedt voldoende ruimte om de aanlandingsverplichting volledig uit te voeren, om geregionaliseerde maatregelen vast te stellen en uit te voeren en om zicht te krijgen op de gevolgen voor de bestanden en de visserij. Een kortere periode zou bovendien onwerkbaar zijn voor de wetenschappelijke instanties.

(25)  Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dienen bepalingen te worden vastgesteld inzake de beoordeling door de Commissie, op basis van wetenschappelijk advies, van de toereikendheid en doeltreffendheid van de toepassing van deze verordening. Het plan dient uiterlijk op ... [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] te worden geëvalueerd en de bepalingen ervan betreffende het kadermechanisme voor de Raadsbesluiten tot vaststelling van de vangstmogelijkheden rechtstreeks op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen moeten vervallen op 31 december … [zevende jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. Een dergelijke periode biedt voldoende ruimte om de aanlandingsverplichting volledig uit te voeren en om geregionaliseerde maatregelen vast te stellen en uit te voeren. Het is ook de minimumperiode die wetenschappelijke instanties nodig hebben om de effecten ervan op de bestanden en de visserij te evalueren en die vereist is om het Europees Parlement en de Raad in staat te stellen om zich uit te spreken over eventuele nieuwe voorstellen voor een meerjarig beheer van deze bestanden.

Amendement    22

Voorstel voor een verordening

Overweging 26

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(26)  Met het oog op een tijdige en evenredige aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, om flexibiliteit te waarborgen en om de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, dient de Commissie overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te worden gemachtigd om in aanvulling op deze verordening handelingen vast te stellen met betrekking tot herstelmaatregelen en de uitvoering van de aanlandingsverplichting. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201625. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(26)  Met het oog op een tijdige en evenredige aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, om flexibiliteit te waarborgen en om de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, dient de Commissie overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te worden gemachtigd om in aanvulling op deze verordening handelingen vast te stellen met betrekking tot herstelmaatregelen en de uitvoering van de aanlandingsverplichting. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging van de adviesraden van de betrokken segmenten overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201625. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

_________________

_________________

25 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

25 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

Amendement    23

Voorstel voor een verordening

Overweging 28

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(28)  Het gebruik van dynamische verwijzingen naar FMSY-bandbreedtes en naar instandhoudingsreferentiepunten garandeert dat die parameters, die van essentieel belang zijn voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden, actueel blijven en dat de Raad zich steeds kan baseren op de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen. Voorts dient die benadering, met dynamische verwijzingen naar de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen, ook voor het beheer van de bestanden in de Oostzee te worden gevolgd. Met "het beste beschikbare wetenschappelijke advies" wordt hier bedoeld: openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies dat wordt ondersteund door de meest actuele wetenschappelijke gegevens en methoden en dat is uitgebracht of beoordeeld door een onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Europese Unie of op internationaal niveau. Verordening (EU) 2016/113927 dient derhalve te worden gewijzigd.

(28)  Het gebruik van dynamische verwijzingen naar FMSY-bandbreedtes en naar instandhoudingsreferentiepunten garandeert dat die parameters, die van essentieel belang zijn voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden, actueel blijven en dat de Raad zich steeds kan baseren op de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen. Voorts dient die benadering, met dynamische verwijzingen naar de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen, ook gedurende zeven jaar worden gevolgd voor het beheer van de bestanden in de Oostzee. De Commissie moet ook een jaarlijks verslag indienen bij het Europees Parlement over de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen die gebruikt zijn en zij moet het Europees Parlement vooraf informeren over situaties waar het wetenschappelijk advies kan leiden tot grote verschillen bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden. Met "het beste beschikbare wetenschappelijke advies" wordt hier bedoeld: openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies dat intercollegiaal is getoetst door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) of andere deskundige wetenschappelijke instanties zoals de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES). Het wordt ondersteund door de meest actuele wetenschappelijke gegevens en methoden die beschikbaar zijn en zal aan de vereisten van artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voldoen.

_________________

 

27  Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad (PB L 191 van 15.7.2016, blz. 1).

 

Amendement    24

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – lid 1 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Bij deze verordening wordt een meerjarenplan (hierna "het plan" genoemd) vastgesteld voor de volgende demersale bestanden, met inbegrip van diepzeebestanden, in de westelijke wateren, en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren; voor bestanden die zich uitstrekken tot buiten de westelijke wateren, geldt het plan ook in de daaraan grenzende wateren:

1.  Bij deze verordening wordt een meerjarenplan (hierna "het plan" genoemd) vastgesteld voor de hierna opgesomde demersale bestanden, met inbegrip van diepzeebestanden, in de westelijke wateren en, voor bestanden die zich uitstrekken tot buiten de westelijke wateren, in de daaraan grenzende wateren die niet onder de soevereiniteit of rechtsmacht vallen van derde landen, alsmede voor de visserijen die deze bestanden exploiteren:

Amendement    25

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – lid 1 – punt 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4)  zeebaars (Dicentrarchus labrax) in de sectoren 4b, 4c, 7a, en 7d–h;

4)  zeebaars (Dicentrarchus labrax) in de sectoren 4b, 4c, 7a-b, 7d-h en 7j, in deelgebied 8 en in sector 9a;

Motivering

Zeebaars is een doelsoort van grote waarde. Beheer ervan op basis van de MDO is onontbeerlijk om de hulpbron optimaal te benutten. Het verspreidingsgebied van de soort is ruimer en er zijn geen wetenschappelijke aanwijzingen dat er biologische bestanden bestaan die afgescheiden zijn door de 48e breedtegraad (de indeling in zones door de ICES houdt vooral verband met verschillen in de beschikbaarheid van gegevens). Naast het hoogst oneerlijke karakter ervan dreigen de vangstbeperkingen van de Raad visserijactiviteit te verplaatsen naar het zuidelijke gebied en daar de druk op dit bestand nog te verhogen.

Amendement    26

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 – punt 23 – streepje 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

–  in het zuidelijk deel van de Golf van Biskaje (FU 25);

–  in het zuidelijk deel van de Golf van Biskaje (FU 23-24);

Motivering

De naam van de functionele eenheid in het voorstel van de Europese Commissie is onjuist.

Amendement    27

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 – punt 24 – streepje 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

–  in Westelijk Galicië (FU 26-27);

–  in Westelijk Galicië (FU 26);

Motivering

De naam van de functionele eenheid in het voorstel van de Europese Commissie is onjuist.

Amendement    28

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 – punt 24 – streepje 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

  in de Iberische wateren (FU 28-29);

Schrappen

Motivering

De naam van de functionele eenheid in het voorstel van de Europese Commissie is onjuist.

Amendement    29

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 – punt 24 – streepje 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

  ten noorden van Portugal (FU 27);

Motivering

De naam van de functionele eenheid in het voorstel van de Europese Commissie is onjuist.

Amendement    30

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 – punt 24 – streepje 2 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

  in Portugese wateren (zuiden van Portugal en de Algarve) (FU 28-29);

Motivering

De naam van de functionele eenheid in het voorstel van de Europese Commissie is onjuist.

Amendement    31

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – lid 1 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Wanneer in wetenschappelijk advies wordt aangegeven dat de geografische spreiding van de in de eerste alinea van dit lid vermelde bestanden is gewijzigd, kan de Commissie daarmee rekening houden door deze verordening te wijzigen bij een overeenkomstig artikel 15 vastgestelde gedelegeerde handeling tot aanpassing van de voornoemde gebieden. Die aanpassing strekt niet tot uitbreiding van de bestandsgebieden buiten de wateren van de Unie van de deelgebieden 4 tot en met 10 en de CECAF-sectoren 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0.

Wanneer in het beste wetenschappelijk advies dat beschikbaar is, met name dat van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), wordt aangegeven dat de geografische spreiding van de in de eerste alinea van dit lid vermelde bestanden is gewijzigd, kan de Commissie daarmee rekening houden door deze verordening te wijzigen bij een overeenkomstig artikel 15 vastgestelde gedelegeerde handeling tot aanpassing van de voornoemde gebieden. Die aanpassing strekt niet tot uitbreiding van de bestandsgebieden buiten de wateren van de Unie van de deelgebieden 4 tot en met 10 en de CECAF-sectoren 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0.

Amendement    32

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Wanneer de Commissie op basis van wetenschappelijk advies van oordeel is dat de lijst in de eerste alinea van lid 1 dient te worden gewijzigd, kan zij daartoe een voorstel indienen.

2.  Wanneer de Commissie op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies van oordeel is dat de lijst in de eerste alinea van lid 1 dient te worden gewijzigd, kan zij daartoe een voorstel indienen.

Amendement    33

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  Met betrekking tot de aangrenzende wateren in de zin van lid 1 van dit artikel zijn alleen de artikelen 4 en 6 en de maatregelen inzake vangstmogelijkheden krachtens artikel 7 van deze verordening van toepassing.

3.  Met betrekking tot de aangrenzende wateren in de zin van lid 1 van dit artikel zijn alleen de artikelen 4 en 6 en de maatregelen inzake vangstmogelijkheden krachtens artikel 7 van deze verordening, alsmede artikel 9, lid 3 bis, en artikel 9 bis van deze verordening van toepassing.

Amendement    34

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  Deze verordening is ook van toepassing op bijvangsten die in de westelijke wateren bij de visserij op de in lid 1 genoemde bestanden worden gevangen. Indien voor die bestanden echter FMSY-bandbreedtes en vrijwaringsmaatregelen inzake biomassa zijn vastgesteld bij andere rechtshandelingen van de Unie tot vaststelling van meerjarenplannen, zijn die bandbreedtes en maatregelen van toepassing.

4.  Deze verordening is ook van toepassing op bijvangsten die in de westelijke wateren bij de visserij op de in lid 1 genoemde demersale bestanden worden gevangen en moet ervoor zorgen dat alle biologische rijkdommen van de zee zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de MDO kan opleveren, in overeenstemming met artikel 2, lid 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Amendement    35

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – lid 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 bis.  Deze verordening bevat ook nadere bepalingen voor de uitvoering van maatregelen om de impact op het mariene milieu tot een minimum te beperken, met name de incidentele vangsten van beschermde soorten in de Uniewateren van de westelijke wateren voor alle visserijen die daar actief zijn. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarmee een analyse van het zeegebied wordt uitgevoerd en de vorm en het tijdschema voor de indiening en goedkeuring van beheersmaatregelen worden bepaald.

Amendement    36

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.  Deze verordening bevat ook nadere bepalingen met betrekking tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren van de westelijke wateren voor alle bestanden van soorten waarop de aanlandingsverplichting krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van toepassing is.

5.  Deze verordening bevat ook nadere bepalingen met betrekking tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren van de westelijke wateren voor bestanden van soorten waarop de aanlandingsverplichting krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van toepassing is en die in het kader van demersale visserij gevangen zijn.

Amendement    37

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6.  Deze verordening voorziet in technische maatregelen, als uiteengezet in artikel 8, voor alle bestanden in de westelijke wateren.

6.  Deze verordening voorziet in technische maatregelen voor commerciële en recreatievisserij, als uiteengezet in artikel 8, voor alle demersale bestanden in de westelijke wateren.

Amendement    38

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – alinea 1 – punt 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2)  "FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en bij de bestaande gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is van dien aard dat de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de maximale duurzame opbrengst. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;

2)  "FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en bij de bestaande gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is van dien aard dat de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de maximale duurzame opbrengst. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;

Amendement    39

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – alinea 1 – punt 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5)  "FMSY-puntwaarde": de waarde van de geraamde visserijsterfte die bij een bepaald visserijpatroon en bij de heersende milieuomstandigheden de maximale langetermijnopbrengst oplevert;

5)  "FMSY": de waarde van de geraamde visserijsterfte die bij een bepaald visserijpatroon en bij de heersende milieuomstandigheden de maximale langetermijnopbrengst oplevert;

Amendement    40

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – alinea 1 – punt 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

8)  "Blim": het referentiepunt voor bestandsomvang, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, onder hetwelk een verlaagde reproductiecapaciteit kan voorkomen;

8)  "Blim": het referentiepunt voor bestandsomvang, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, onder hetwelk een verlaagde reproductiecapaciteit kan voorkomen;

Amendement    41

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – alinea 1 – punt 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

9)  "MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa, of voor abundantie in het geval van langoustines, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, onder hetwelk specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren.

9)  "MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa, of voor abundantie in het geval van langoustines, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, onder hetwelk specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren;

Amendement    42

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – alinea 1 – punt 9 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

9 bis)  "Beste beschikbare wetenschappelijke advies" verwijst naar openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies dat wordt geschraagd door de meest recente wetenschappelijke gegevens en methoden en is afgegeven of intercollegiaal getoetst door een op internationaal of EU-niveau erkend onafhankelijk wetenschappelijk orgaan zoals het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) of de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), met inachtneming van de vereisten van artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1380/2012.

Amendement    43

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Het plan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met name door bij het visserijbeheer de voorzorgsbenadering toe te passen, en beoogt ervoor te zorgen dat de biologische rijkdommen van de zee zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de MDO kan opleveren.

1.  Het plan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met name door bij het visserijbeheer de voorzorgsbenadering toe te passen, en beoogt ervoor te zorgen dat de biologische rijkdommen van de zee zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de MDO kan opleveren. Naast het nastreven van duurzaamheid vanuit milieuoogpunt, wordt het plan uitgevoerd op een manier die in overeenstemming is met de doelstellingen om positieve economische, sociale en werkgelegenheidseffecten teweeg te brengen en tegelijkertijd bij te dragen aan de beschikbaarheid van levensmiddelen.

 

De graad van bevissing die de maximale duurzame opbrengst oplevert, wordt voor alle bestanden geleidelijk maar uiterlijk in 2020 bereikt en vanaf dat moment behouden.

Motivering

Het is belangrijk niet alleen rekening te houden met de milieudimensie, maar ook met de sociale en economische dimensie van visserij en aquacultuur, zoals ook wordt aangegeven in Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Amendement    44

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Het plan draagt bij tot het uitbannen van teruggooi door ongewenste vangsten zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken, alsook tot de uitvoering van de bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de onder deze verordening vallende bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden.

2.  Het plan draagt bij tot het uitbannen van teruggooi door ongewenste vangsten zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken, onder andere door het gebruik van innovatieve, selectieve soorten vistuig en vistechnieken, alsook tot de uitvoering, voor zover mogelijk, van de bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de onder deze verordening vallende bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden.

Amendement    45

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  Het plan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer teneinde ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het is in overeenstemming met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken, zoals omschreven in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG, en met de doelstellingen van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 2009/147/EG en de artikelen 6 en 12 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad.

3.  Het plan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer teneinde ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem, en in het bijzonder voor kwetsbare habitats en beschermde soorten, zoals zeezoogdieren, zeereptielen, zeevogels, diepzeeheuvels, diepzeeriffen en koraaltuinen of sponsdierkoloniën, tot een minimum worden beperkt en bij voorkeur worden voorkomen, en zeker te stellen dat vissers duurzaam en selectief blijven vissen. Het is in overeenstemming met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken, zoals omschreven in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG, en met de doelstellingen van Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad.

Amendement    46

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 – lid 4 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  bij te dragen tot de vervulling van andere relevante beschrijvende elementen in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG, in verhouding tot de rol die visserijen voor de vervulling ervan spelen.

b)  ervoor te zorgen dat de negatieve impact van visserijactiviteiten op het mariene ecosysteem, in het bijzonder op bedreigde habitats en beschermde soorten, zoals zeezoogdieren en zeevogels, tot een minimum wordt beperkt.

Motivering

Zeevogels, zeezoogdieren en reptielen worden in het hele gebied van de westelijke wateren incidenteel gevangen.

Amendement    47

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.  De maatregelen uit hoofde van het plan worden genomen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies. Wanneer er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, wordt een vergelijkbaar niveau van instandhouding van de betrokken bestanden nagestreefd.

5.  De maatregelen uit hoofde van het plan worden genomen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies. Het beste beschikbare wetenschappelijke advies wordt intercollegiaal getoetst door betrouwbare en deskundige wetenschappelijke instanties zoals de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) of het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV). Het wordt uiterlijk openbaar gemaakt wanneer deze maatregelen door de Commissie worden voorgesteld. Wanneer er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, wordt een vergelijkbaar niveau van instandhouding van de betrokken bestanden nagestreefd.

Amendement    48

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De ICES wordt verzocht die FMSY-bandbreedtes op basis van dit plan te verstrekken.

2.  De ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, wordt verzocht die FMSY-bandbreedtes op basis van dit plan te verstrekken.

Amendement    49

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 5 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserij;

a)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde en/of meersoortenvisserij, met name om de sociaal-economische beperkingen die aan de visserijen worden opgelegd, te verminderen;

Amendement    50

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 5 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken.

c)  om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken, behalve in situaties waarin de consequenties van verstikking of van andere fenomenen die de activiteit van bepaalde vloten stilleggen of negatief beïnvloeden, worden gecompenseerd.

Amendement    51

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

6 bis.  Om te voorkomen dat kortetermijnbeheer de uitvoering van meerjarig beheer in de weg staat en om de deelname van belanghebbenden in de besluitvorming te bevorderen, is het mogelijk exploitatieregels binnen het kader van deze verordening goed te keuren via regionalisering.

Amendement    52

Voorstel voor een verordening

Artikel 5 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Wanneer geen adequate wetenschappelijke informatie beschikbaar is, worden die bestanden beheerd volgens de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

2.  Wanneer geen adequate wetenschappelijke informatie beschikbaar is, worden die bestanden beheerd volgens de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en moet worden gezorgd voor een niveau van instandhouding dat ten minste vergelijkbaar is met exploitatieniveaus in overeenstemming met de MDO zoals vereist volgens artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Amendement    53

Voorstel voor een verordening

Artikel 5 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt bij het beheer van gemengde visserij op de in artikel 1, lid 4, van de onderhavige verordening bedoelde bestanden in aanmerking genomen dat het moeilijk is alle bestanden tegelijkertijd op MDO-niveau te bevissen, vooral in gevallen waarin dit zou leiden tot een vroegtijdige sluiting van de visserij.

3.  Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt bij het beheer van gemengde en/of meersoortenvisserij op de in artikel 1, lid 4, van de onderhavige verordening bedoelde bestanden in aanmerking genomen dat het moeilijk is alle bestanden tegelijkertijd op MDO-niveau te bevissen, vooral in gevallen waarin dit zou leiden tot een vroegtijdige sluiting van de visserij.

Amendement    54

Voorstel voor een verordening

Artikel 6 – alinea 1 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De ICES wordt verzocht op basis van dit plan opgave te doen van de volgende instandhoudingsreferentiepunten voor de bescherming van de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden:

De ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, wordt verzocht in overeenstemming met de definitie van best beschikbaar wetenschappelijk advies op basis van dit plan opgave te doen van de volgende instandhoudingsreferentiepunten voor de bescherming van de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden:

Amendement    55

Voorstel voor een verordening

Artikel 7 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Wanneer wetenschappelijk advies erop wijst dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden voor een bepaald jaar lager is dan MSY Btrigger, worden passende herstelmaatregelen getroffen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel weer boven het niveau wordt gebracht dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder worden, in afwijking van artikel 4, leden 3 en 5, de vangstmogelijkheden vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die is teruggebracht tot onder het bovenste segment van de FMSY-bandbreedte, rekening houdend met de afname van de biomassa.

1.  Wanneer wetenschappelijk advies erop wijst dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde demersale bestanden voor een bepaald jaar lager is dan MSY Btrigger, worden passende herstelmaatregelen getroffen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel weer boven het niveau wordt gebracht dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder worden, in afwijking van artikel 4, leden 3 en 5, de vangstmogelijkheden vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die is teruggebracht tot onder het bovenste segment van de FMSY-bandbreedte, rekening houdend met de afname van de biomassa.

Amendement    56

Voorstel voor een verordening

Artikel 7 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Wanneer wetenschappelijk advies erop wijst dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden lager is dan Blim, worden verdere herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel weer boven het niveau wordt gebracht dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder kunnen die herstelmaatregelen, in afwijking van artikel 4, leden 3 en 5, inhouden dat de gerichte visserij voor het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid wordt geschorst en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.

2.  Wanneer wetenschappelijk advies erop wijst dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde demersale bestanden lager is dan Blim, worden verdere herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel weer boven het niveau wordt gebracht dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder kunnen die herstelmaatregelen, in afwijking van artikel 4, leden 3 en 5, inhouden dat de gerichte visserij voor het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid wordt geschorst en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.

Amendement    57

Voorstel voor een verordening

Artikel 7 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  Onverminderd artikel 4, lid 1, kunnen het daar bedoelde streefdoel voor visserijsterfte binnen de FMSY-bandbreedtes en het streefdoel dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel weer boven het niveau komt dat de MDO kan opleveren overeenkomstig lid 1 of 2 van dit artikel, geleidelijk toenemend worden gerealiseerd over een periode van maximum drie jaar, als dit nodig blijkt te zijn door de economische of sociale gevolgen of de gevolgen op het gebied van werkgelegenheid voor de betrokken visserijactiviteiten.

Motivering

In het geval van een bestand dat niet MDO-conform wordt geëxploiteerd, zijn de sociaal-economische gevolgen voor de visserij rechtstreeks afhankelijk van de snelheid waarmee de Raad deze situatie corrigeert, zoals hij verplicht is, door middel van een vermindering van de vangstmogelijkheden. Daarom moet een redelijke termijn worden bepaald om te garanderen dat de FMSY wordt gerealiseerd binnen een vastgestelde termijn, maar volgens een geleidelijke aanpak over verscheidene visserijseizoenen om de sociaal-economische gevolgen te beperken.

Amendement    58

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 – lid 1 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 15 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van de onderhavige verordening wat de volgende technische maatregelen betreft:

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 15 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van de onderhavige verordening wat de volgende technische maatregelen voor visserijen die de demersale bestanden in de westelijke wateren exploiteren betreft:

Amendement    59

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 – lid 1 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  de specificatie van kenmerken van vistuig en voorschriften betreffende het gebruik ervan, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;

a)  de specificatie van kenmerken van vistuig en voorschriften betreffende het gebruik ervan, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen, met name van jonge exemplaren, of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;

Amendement    60

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen dragen bij tot de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen.

2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen dragen bij tot de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen en zijn van toepassing op zowel de commerciële als de recreatievisserij.

Amendement    61

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 8 bis

 

Zones en perioden met een visserijverbod voor zeebaars

 

1.  Commerciële en recreatievisserij op zeebaars zijn verboden in de westelijke wateren in de ICES-sectoren 4b en 4c tussen 1 februari en 30 april. In deze zones is het verboden aan de kust gevangen zeebaars aan boord te houden, over te laden, te verplaatsen of aan te landen, alsmede te behouden.

 

2.  Het is voor vissersvaartuigen van de Unie eveneens verboden om te vissen op zeebaars in de ICES-sectoren 7b, 7c, 7j en 7k, alsmede in de wateren van de ICES-sectoren 7a en 7g die zich meer dan 12 zeemijl van de basislijn die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen, bevinden. Het is voor vissersvaartuigen van de Unie verboden om in die zones gevangen zeebaars aan boord te hebben, over te laden, te verplaatsen of aan te landen.

Motivering

De laatste jaren heeft de Raad in de TAC- en quotaverordeningen maatregelen vastgesteld ter bescherming van zeebaars, met name tijdens een deel van de voortplantingsperiode. Deze technische maatregelen moeten door de medewetgevers worden vastgesteld op duurzame wijze en niet in het kader van een beschikking van de Raad inzake vangstmogelijkheden. Bescherming is ook nodig voor witte koolvis, ter voorkoming van overbevissing op hergroeperingen van paaiende exemplaren, die zou leiden tot een identieke situatie als degene waarin zeebaars momenteel verkeert.

Amendement    62

Voorstel voor een verordening

Artikel 9 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  Onverminderd artikel 7 mag de totale toegestane vangst voor de langoustinebestanden in de westelijke wateren de som zijn van de vangstbeperkingen voor de functionele eenheden en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden.

3.  Onverminderd artikel 7 mag de totale toegestane vangst voor een gegeven langoustinebestand de som zijn van de vangstbeperkingen voor de functionele eenheden en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden van de voor dit bestand gedefinieerde zones.

Amendement    63

Voorstel voor een verordening

Artikel 9 – lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.  Voor de visbestanden en -soorten in artikel 1, leden 1 en 4, waarvoor op het niveau van de Unie met het oog op de instandhouding van de hulpbronnen een visserijverbod geldt dat op jaarbasis is vastgesteld in het kader van de besluiten inzake vangstmogelijkheden, of een seizoensgebonden visserijverbod, kan de Raad niettemin uitzonderlijke vangstmogelijkheden vaststellen voor bepaalde specifieke visserijen, om met name rekening te houden met het beperkte of onvermijdelijke karakter van deze vangsten gezien het sociaal-economische belang van deze visserijen.

 

Deze afwijkende vangstmogelijkheden blijven beperkt en neutraliseren niet op significante wijze het effect op de instandhouding van het bestand dat het gevolg is van het tijdelijke visserijverbod in kwestie.

Amendement    64

Voorstel voor een verordening

Artikel 9 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatievisserij aanzienlijke gevolgen heeft voor de visserijsterfte bij een bepaald bestand, houdt de Raad bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden rekening met die recreatievisserij en kan zij daaraan een beperking opleggen om te vermijden dat het totale streefdoel voor visserijsterfte wordt overschreden.

Schrappen

Motivering

Vervangen door artikel 9 bis (nieuw).

Amendement    65

Voorstel voor een verordening

Artikel 9 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 9 bis

 

Recreatievisserij

 

1.  Bij de toewijzing van de hun ter beschikking staande vangstmogelijkheden als bedoeld in artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 houden de lidstaten rekening met de visserijsterfte in de recreatievisserij, om te voorkomen dat het totale streefdoel voor visserijsterfte wordt overschreden.

 

Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatievisserij aanzienlijke gevolgen heeft voor de visserijsterfte bij een in artikel 1, lid 1, van deze verordening opgenomen bestand, kan de Raad individuele, niet-discriminerende vangstmogelijkheden vaststellen voor recreatievissers.

 

2.  Bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor de recreatievisserij baseert de Raad zich op transparante, objectieve criteria, onder andere criteria van ecologische, sociale en economische aard. De criteria die worden gehanteerd, kunnen onder meer betrekking hebben op de impact van deze visserij op het milieu, het maatschappelijke belang van deze activiteit en de bijdrage ervan aan de economie in de kustgebieden.

 

3.  De lidstaten nemen de nodige proportionele maatregelen voor het controleren en verzamelen van gegevens voor een betrouwbare schatting van het effectieve niveau van de in lid 1 bedoelde vangsten.

Motivering

Overeenkomstig de logica van artikel 17 van de basisverordening houden de lidstaten rekening met elke visserijsterfte. De recreatievisserij is vaak zwak tegenover de onzekerheid met betrekking tot de reële visserijsterfte als gevolg van de beroepsvisserij, zodat er geen onoverkomelijk probleem ontstaat wat de toewijzing of de naleving van de quota betreft. Het GVB (overweging 3) erkent ook dat recreatieve visserij in de eerste plaats onder de bevoegdheid valt van de lidstaten. Als zij een significante impact heeft op een MDO-conform beheerd bestand, kan deze visserij worden onderworpen aan billijke, evenredige maatregelen op EU-niveau.

Amendement    66

Voorstel voor een verordening

Artikel 9 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 9 ter

 

Markering van vangsten in de recreatievisserij

 

1.  De exemplaren van zeebaars, kabeljauw, witte koolvis en tong die gevangen zijn in de in artikel 1, lid 1, genoemde zones van de bestanden van deze soorten, krijgen een markering wanneer zij door een recreatievisser worden behouden.

 

2.  Deze markering bestaat uit het verwijderen van het onderste of bovenste deel van de staartvin, waarbij evenwel het meten van de grootte van de vis niet wordt verhinderd.

 

3.  Deze markering geschiedt onmiddellijk na de vangst en het doden, hetzij op de oever, hetzij nadat de vis aan boord is gebracht, in het geval van recreatievisserij vanaf een vaartuig. Exemplaren die aan boord van een vaartuig van de recreatievisserij zijn gebracht en daar levend en in goede conditie worden gehouden alvorens te worden vrijgelaten, worden evenwel niet gemarkeerd.

Amendement    67

Voorstel voor een verordening

Artikel 10 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor alle bestanden van soorten in de westelijke wateren waarvoor de aanlandingsverplichting geldt krachtens artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 15 van de onderhavige verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen aan te nemen tot aanvulling van deze verordening middels de vaststelling van nadere bepalingen met betrekking tot de aanlandingsverplichting, als bedoeld in artikel 15, lid 5, onder a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Voor alle bestanden van demersale soorten in de westelijke wateren waarvoor de aanlandingsverplichting geldt krachtens artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en voor incidentele vangsten van pelagische soorten in visserijen die in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden exploiteren waarvoor de aanlandingsverplichting geldt, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 15 van de onderhavige verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen aan te nemen tot aanvulling van deze verordening middels de vaststelling van nadere bepalingen met betrekking tot de aanlandingsverplichting, als bedoeld in artikel 15, lid 5, onder a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Amendement    68

Voorstel voor een verordening

Artikel 10 – alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde aanlandingsverplichting is niet van toepassing op de recreatievisserij, met inbegrip van de gevallen waar de Raad individuele vangstmogelijkheden vaststelt uit hoofde van artikel 9 bis van deze verordening.

Motivering

Bepaling die duidelijk specificeert dat de pleziervisserij niet onderworpen is aan de aanlandingsverplichting (onverenigbaarheid met de inachtneming van de minimummaten om een vis te behouden of met de praktijk van de sportvisserij om vissen te vangen/terug te gooien).

Amendement    69

Voorstel voor een verordening

Artikel 10 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 10 bis

 

Ambachtelijke en kustvisserij in de ultraperifere gebieden

 

In deze verordening wordt rekening gehouden met de beperkingen in verband met de grootte van de vaartuigen van de ambachtelijke en kustvisserij die in de ultraperifere gebieden worden gebruikt. De aanlanding van bijvangsten moet dienovereenkomstig worden toegestaan voor zover dit de impact op de paaibiomassa niet verergert.

Amendement    70

Voorstel voor een verordening

Artikel 11 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten geven voor elk van de in artikel 1, lid 1, van deze verordening bedoelde ICES-zones overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vismachtigingen af aan vaartuigen die hun vlag voeren en die in dat gebied visserijactiviteiten uitvoeren. De lidstaten kunnen in die vismachtigingen ook de in kW uitgedrukte totale capaciteit van de vaartuigen die gebruikmaken van een specifiek vistuig, beperken.

1.  De lidstaten geven voor de in artikel 1, lid 1, van deze verordening bedoelde ICES-zones overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vismachtigingen af aan vaartuigen die hun vlag voeren en die in dat gebied visserijactiviteiten uitvoeren.

Amendement    71

Voorstel voor een verordening

Artikel 11 – lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.  De lidstaten kunnen in de in lid 1 bedoelde vismachtigingen ook de totale capaciteit beperken van de in genoemd lid bedoelde vaartuigen die gebruikmaken van een specifiek vistuig.

Amendement    72

Voorstel voor een verordening

Artikel 11 – lid 1 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 ter.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 13 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen om beperkingen op te leggen van de totale capaciteit van de vloten van de betrokken lidstaten, om de verwezenlijking van de in artikel 3 vermelde doelstellingen te faciliteren.

Amendement    73

Voorstel voor een verordening

Artikel 13 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in de artikelen 8 en 10 van de onderhavige verordening genoemde maatregelen.

1.  Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in de artikelen 8, 10 en 11b van de onderhavige verordening genoemde maatregelen.

Amendement    74

Voorstel voor een verordening

Artikel 13 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Voor de toepassing van lid 1 van het onderhavige artikel kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de noordwestelijke wateren en lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de zuidwestelijke wateren gemeenschappelijke aanbevelingen indienen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor de eerste keer niet later dan twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 14. De lidstaten kunnen dergelijke aanbevelingen ook indienen wanneer zij dat noodzakelijk achten, met name wanneer de toestand van een van de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, plotseling verandert. Gemeenschappelijke aanbevelingen inzake maatregelen betreffende een bepaald kalenderjaar worden uiterlijk op 1 juli van het voorgaande jaar ingediend.

2.  Voor de toepassing van lid 1 van het onderhavige artikel kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de noordwestelijke wateren en lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de zuidwestelijke wateren gemeenschappelijke aanbevelingen indienen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor de eerste keer niet later dan twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 14. De lidstaten kunnen ook verdere aanbevelingen indienen wanneer noodzakelijk, met name wanneer de toestand van een van de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, verandert, alsmede om een plan op te stellen met maatregelen om de ecosysteemgerichte benadering op het visserijbeheer in de westelijke wateren toe te passen. Gemeenschappelijke aanbevelingen inzake maatregelen betreffende een bepaald kalenderjaar worden uiterlijk op 1 juli van het voorgaande jaar ingediend, of zo snel mogelijk wanneer deze gemeenschappelijke aanbevelingen bedoeld zijn om noodsituaties die door het nieuwste wetenschappelijke advies zijn blootgelegd, aan te pakken.

Motivering

Overeenkomstig artikel 9 van de GVB-verordening.

Amendement    75

Voorstel voor een verordening

Artikel 13 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 13 bis

 

Follow-up en voorafgaande kennisgeving van wijzigingen van het wetenschappelijk advies

 

1.  Jaarlijks dient de Commissie uiterlijk op 1 april een verslag in bij het Europees Parlement over de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen die als basis hebben gediend voor de Raadsbesluiten tot vaststelling van de vangstmogelijkheden die met toepassing van deze verordening zijn genomen tussen 1 februari van het voorgaande jaar en 31 januari van het lopende jaar.

 

Dit verslag omvat in het bijzonder voor alle betrokken visbestanden en ‑soorten de vangstmogelijkheden die door de Raad zijn vastgesteld krachtens artikel 4, artikel 5 en, in voorkomend geval, artikel 7 van deze verordening, met vermelding van de overeenkomstige waarden uitgedrukt in visserijsterftecijfers. Deze gegevens worden vergeleken met de wetenschappelijke referentie-adviezen voor de brandbreedtes voor visserijsterfte (MSY Flower, FMSY en MSY Fupper en de overeenkomstige vangstmogelijkheden) en voor de ramingen van de paaibiomassa en de biomassareferentiedrempels (MSY Btrigger en Blim).

 

2.  De Commissie brengt het Europees Parlement zo spoedig mogelijk nadat zij er kennis van heeft gekregen, en in elk geval vóór de vaststelling van een nieuw Raadsbesluit tot vaststelling van vangstmogelijkheden, op de hoogte van de situaties waar de recentste FMSY-waarden overeenkomen met schommelingen van de vangstmogelijkheden die meer dan 20 % afwijken van de vangstmogelijkheden die overeenkomen met de FMSY-puntwaarden van het wetenschappelijk advies dat heeft gediend voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor de lopende periode. De Commissie brengt het Europees Parlement ook zo spoedig mogelijk, en in elk geval vóór de vaststelling van een nieuw Raadsbesluit, op de hoogte van de gevallen waar de wetenschappelijke adviezen betreffende de verschillende referentieniveaus voor de paaibiomassa het nemen van vrijwaringsmaatregelen op grond van artikel 7 verantwoorden.

Amendement    76

Voorstel voor een verordening

Artikel 14 – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Evaluatie van het plan

Evaluatie en uitvoering van het plan

Motivering

De bepalingen die het kader vormen voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden en de vrijwaringsmaatregelen die de Raad neemt op grond van dit plan, zijn rechtstreeks gekoppeld aan de wetenschappelijke adviezen en de ontwikkelingen hiervan. Er wordt evenwel voorgesteld om deze situatie niet onbeperkt te laten voortbestaan en dit rechtskader te handhaven gedurende een beperkte periode. Het behoort toe aan de Commissie om een toekomstig kader voor te stellen en aan het Parlement en de Raad om zich op basis hiervan uit te spreken.

Amendement    77

Voorstel voor een verordening

Artikel 14 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Uiterlijk op [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens om de vijf jaar brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten en de effecten van het plan op de bestanden waarop deze verordening van toepassing is en op de visserijen die deze bestanden exploiteren, met name met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3.

Uiterlijk op [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten en de effecten van het plan op de bestanden waarop deze verordening van toepassing is en op de visserijen die deze bestanden exploiteren, met name met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3.

Motivering

De bepalingen die het kader vormen voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden en de vrijwaringsmaatregelen die de Raad neemt op grond van dit plan, zijn rechtstreeks gekoppeld aan de wetenschappelijke adviezen en de ontwikkelingen hiervan. Er wordt evenwel voorgesteld om deze situatie niet onbeperkt te laten voortbestaan en dit rechtskader te handhaven gedurende een beperkte periode. Het behoort toe aan de Commissie om een toekomstig kader voor te stellen en aan het Parlement en de Raad om zich op basis hiervan uit te spreken.

Amendement    78

Voorstel voor een verordening

Artikel 15 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De in artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

2.  De in artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10, alsmede in artikel 11, lid 1 ter, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

Amendement    79

Voorstel voor een verordening

Artikel 15 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10, alsmede in artikel 11, lid 1 ter, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

Amendement    80

Voorstel voor een verordening

Artikel 15 – lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6.  Een overeenkomstig artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

6.  Een overeenkomstig artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10, alsmede artikel 11, lid 1 ter, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Amendement    81

Voorstel voor een verordening

Artikel 17 – alinea 1 – punt 1

Verordening (EU) 2016/1139

Artikel 2 – alinea 1 – punt 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2)  "FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en bij de bestaande gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is van dien aard dat de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de maximale duurzame opbrengst. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;

2)  "FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en bij de bestaande gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is van dien aard dat de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de maximale duurzame opbrengst. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;

Amendement    82

Voorstel voor een verordening

Artikel 17 – alinea 1 – punt 1

Verordening (EU) 2016/1139

Artikel 2 – alinea 1 – punt 8

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

8)  "Blim": het referentiepunt voor bestandsomvang, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, onder hetwelk een verlaagde reproductiecapaciteit kan voorkomen;

8)  "Blim": het referentiepunt voor bestandsomvang, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, onder hetwelk een verlaagde reproductiecapaciteit kan voorkomen;

Amendement    83

Voorstel voor een verordening

Artikel 17 – alinea 1 – punt 1

Verordening (EU) 2016/1139

Artikel 2 – alinea 1 – punt 9

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

9)  "MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, onder hetwelk specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren;

9)  "MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, onder hetwelk specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren;

Amendement    84

Voorstel voor een verordening

Artikel 17 – alinea 1 – punt 2

Verordening (EU) 2016/1139

Artikel 4 – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De ICES wordt verzocht die FMSY-bandbreedtes op basis van dit plan te verstrekken.

2.  De ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, wordt verzocht die FMSY-bandbreedtes op basis van dit plan te verstrekken.

Amendement    85

Voorstel voor een verordening

Artikel 17 – alinea 1 – punt 2

Verordening (EU) 2016/1139

Artikel 4 – lid 5 – letter c

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken.

c)  om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken, behalve in situaties waarin de consequenties van verstikking of van andere fenomenen die de activiteit van bepaalde vloten stopzetten of negatief beïnvloeden, worden gecompenseerd.

Amendement    86

Voorstel voor een verordening

Artikel 17 – alinea 1 – punt 3

Verordening (EU) 2016/1139

Artikel 4 bis – alinea 1 – inleidende formule

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De ICES wordt verzocht op basis van dit plan opgave te doen van de volgende instandhoudingsreferentiepunten voor de bescherming van de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden:

De ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, wordt verzocht op basis van dit plan opgave te doen van de volgende instandhoudingsreferentiepunten voor de bescherming van de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden:

Amendement    87

Voorstel voor een verordening

Artikel 17 – alinea 1 – punt 4

Verordening (EU) 2016/1139

Artikel 5 – lid 3 – letter b

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  maatregelen krachtens de artikelen 7 en 8 van deze verordening.

b)  maatregelen krachtens artikel 8 van deze verordening.

Amendement    88

Voorstel voor een verordening

Artikel 17 – alinea 1 – lid 4 bis (nieuw)

Verordening (EU) 2016/1139

Artikel -15 (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 bis.   Het volgende artikel wordt in Hoofdstuk IX ingevoegd:

 

"Artikel -15

 

Follow-up en voorafgaande kennisgeving van wijzigingen van het wetenschappelijk advies

 

1.  Jaarlijks dient de Commissie uiterlijk op 1 april een verslag in bij het Europees Parlement over de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen die als referentie hebben gediend voor de Raadsbesluiten tot vaststelling van de vangstmogelijkheden die met toepassing van deze verordening zijn genomen tussen 1 februari van het voorgaande jaar en 31 januari van het lopende jaar.

 

Dit verslag omvat in het bijzonder voor alle betrokken visbestanden en ‑soorten de vangstmogelijkheden die door de Raad zijn vastgesteld krachtens artikel 4, artikel 5 en, in voorkomend geval, artikel 7 van deze verordening, met vermelding van de overeenkomstige waarden uitgedrukt in visserijsterftecijfers. Deze gegevens worden vergeleken met de wetenschappelijke referentie-adviezen voor de brandbreedtes voor visserijsterfte (MSY Flower, FMSY en MSY Fupper en de overeenkomstige vangstmogelijkheden) en voor de ramingen van de paaibiomassa en de biomassareferentiedrempels (MSY Btrigger en Blim).

 

2.  De Commissie brengt het Europees Parlement zo spoedig mogelijk nadat zij er kennis van heeft gekregen, en in elk geval vóór de vaststelling van een nieuw Raadsbesluit tot vaststelling van vangstmogelijkheden, op de hoogte van de situaties waar de recentste wetenschappelijke FMSY-waarden overeenkomen met schommelingen van de vangstmogelijkheden die meer dan 20 % afwijken van de vangstmogelijkheden die overeenkomen met de FMSY-waarden van het wetenschappelijk advies dat heeft gediend voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor de lopende periode. De Commissie brengt het Europees Parlement ook zo spoedig mogelijk, en in elk geval vóór de vaststelling van een nieuw Raadsbesluit, op de hoogte van de gevallen waar de wetenschappelijke adviezen betreffende de verschillende referentieniveaus voor de paaibiomassa het nemen van vrijwaringsmaatregelen op grond van artikel 7 verantwoorden.";

Amendement    89

Voorstel voor een verordening

Artikel 17 – alinea 1 – punt 4 ter (nieuw)

Verordening (EU) 2016/1139

Artikel 15

 

Bestaande tekst

Amendement

 

4 ter.   Artikel 15 wordt vervangen door:

Artikel 15

"Artikel 15

Evaluatie van het plan

Evaluatie en uitvoering van het plan

Uiterlijk op 21 juli 2019 en vervolgens om de vijf jaar brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten en de effecten van het plan op de bestanden waarop deze verordening van toepassing is en op de visserijen die deze bestanden exploiteren, met name met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3. De Commissie kan op een vroegere datum verslag uitbrengen indien alle lidstaten of de Commissie zelf dat noodzakelijk achten.

Uiterlijk op 21 juli 2019 en vervolgens na vijf jaar brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten en de effecten van het plan op de bestanden waarop deze verordening van toepassing is en op de visserijen die deze bestanden exploiteren, met name met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3.

 

De artikelen 4 tot en met 6 van deze verordening zijn van toepassing tot en met 31 december... [zeven jaar na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening].";

(1)

Nog niet in het Publicatieblad verschenen.


TOELICHTING

Voorstel van de Commissie

De Commissie heeft op 23 maart 2018 een voorstel voor een verordening tot vaststelling van een meerjarig beheersplan voor de visserijen in de westelijke wateren (de Atlantische Oceaan en Kanaal) gepubliceerd. De Commissie stelt ook voor het meerjarige beheersplan voor bepaalde visserijen in de Oostzee(1) ("plan voor de Oostzee") te wijzigen.

De basisverordening van het gemeenschappelijk visserijbeleid(2) bevordert de invoering van meerjarige beheersplannen. Deze dienen twee doelstellingen: de beheersmaatregelen worden voorspelbaarder dankzij een programmering op lange termijn en er wordt rekening gehouden met de specifieke kenmerken en de bijdragen van de belanghebbenden via een geregionaliseerde aanpak van deze plannen per zeegebied. Doel is de invoering van een geregionaliseerd kader voor visserijbeheer met het oog op een exploitatie van de visbestanden overeenkomstig de maximale duurzame opbrengst (MDO).

Twee meerjarenplannen zijn op deze manier al door het Europees Parlement en de Raad goedgekeurd: het plan voor de Oostzee, goedgekeurd in 2016, en het plan voor de Noordzee, goedgekeurd in 2018(3).

Naast het voorstel waarop dit verslag betrekking heeft, worden momenteel twee andere voorstellen voor een plan door de medewetgevers onderzocht: een meerjarig beheersplan voor de Adriatische Zee en een plan voor het westelijke Middellandse Zeegebied.

Met dit voorstel voor de westelijke wateren heeft de Commissie in essentie de bepalingen overgenomen van de meerjarenaanpak van het visserijbeheer die onlangs is overeengekomen in het plan voor de Noordzee. De begeleidende wijziging van het plan voor de Oostzee is bedoeld om ook dit laatste met deze aanpak in overeenstemming te brengen.

In dit verslag wordt het voorstel voor een meerjarenplan voor de westelijke wateren onderzocht en wordt voorgesteld hierin bepaalde wijzigingen aan te brengen.

Standpunt van de rapporteur

De rapporteur looft het werk van de Commissie en de medewetgevers voor de ontwikkeling van meerjarenplannen voor een geregionaliseerd beheer van de visserij en van de instandhouding van de visbestanden. Hij is van mening dat de plannen voor de Oostzee en de Noordzee een solide referentiebasis zijn voor het meerjarige beheersplan voor de westelijke wateren. Niettemin stelt hij een aantal wijzigingen voor ten opzichte van de aanpak van het plan voor de Noordzee, om dit aan te passen aan bepaalde institutionele realiteiten en beter rekening te houden met bepaalde specifieke kenmerken van het betrokken zeebekken.

Met het oog hierop doet de rapporteur de volgende voorstellen:

De instandhouding van de bestanden garanderen in overeenstemming met de sociaal-economische realiteit

De rapporteur wenst een betere begeleiding van de werkwijze voor de gelijktijdige realisatie van twee doelstellingen: de hulpbronnen in stand houden en rekening houden met de sociaal-economische realiteit. Als de toestand van een bestand het niet mogelijk maakt om het op MDO-niveau te exploiteren, met name wanneer deze toestand vrijwaringsmaatregelen overeenkomstig dit plan verantwoordt, stelt de rapporteur voor een termijn te bepalen van drie jaar om de MDO te realiseren, zodat de sociaal-economische effecten kunnen worden beperkt door de inspanningen van de sector te spreiden over diverse seizoenen.

Volgens dezelfde logica stelt de rapporteur voor de mogelijkheid te geven aan de Raad om vangstmogelijkheden vast te stellen voor bepaalde beroepen, wanneer voor een soort een tijdelijk visverbod geldt (voor een seizoen of voor een jaar). Deze aanpak is door de Raad al in de praktijk gebracht voor zeebaars bij de vaststelling van de TAC's en quota voor 2018(4). De rapporteur acht deze aanpak verantwoord, omdat hij een zekere flexibiliteit mogelijk maakt, zodat rekening kan worden houden met beroepen waarvan de activiteit afhankelijk is van deze soort. De rapporteur is van mening dat deze maatregel in de meerjarenplannen moet worden ingepast.

Op evenredige en billijke wijze rekening houden met de recreatievisserij

De rapporteur is van mening dat het beheer van de recreatievisserij in essentie onder de bevoegdheid valt van de nationale autoriteiten. Toch benadrukt hij het feit dat erkend moet worden dat vele Europese burgers op deze activiteit gesteld zijn en dat deze sector sociaal-economisch belangrijk is. Wanneer de recreatievisserij een significante impact kan hebben op de instandhouding van een bestand, kan zij worden beheerd op het niveau van de Unie. Zij moet evenwel een billijke behandeling krijgen die overeenkomt met die van de beroepsvisserij. Daarom is de rapporteur van mening dat in dit plan ook de voorwaarden moeten worden vastgesteld voor het beheer van de recreatievisserij, om deze sector voorspelbaarheid te bieden.

De rapporteur steunt het beginsel in het plan voor de Noordzee dat de Raad maatregelen ten aanzien van de recreatievisserij kan nemen, wanneer deze een significante impact heeft op de sterfte van een soort. Deze maatregelen zijn evenwel slechts verantwoord en billijk, als zij betrekking hebben op een bestand dat MDO-conform beheerd wordt en als zij beperkt blijven tot maatregelen die onder de bevoegdheid vallen van de Raad. De vaststelling van vangstmogelijkheden voor de recreatievisserij moet dus gebeuren op individuele en niet-discriminerende basis. Daarom stelt de rapporteur ook voor dat deze individuele vangstbeperkingen worden vastgesteld voor een periode van ten minste één maand. Om het risico te verminderen van valse recreatievisserij en illegale verkoop van vis die door bepaalde vissers gevangen is onder het mom van recreatievisserij, stelt de rapporteur voor dat de vangsten van bepaalde soorten (zeebaars, kabeljauw, witte koolvis en tong) onmiddellijk moeten worden gemarkeerd. De rapporteur wenst ook dat in het plan duidelijk wordt bepaald dat de aanlandingsverplichting niet van toepassing is op recreatievisserij.

De rol van het Europees Parlement versterken bij de follow-up van het verband tussen wetenschappelijke adviezen en besluiten van de Raad en het Parlement in staat stellen op termijn zijn rol als medewetgever te spelen

Het meerjarenplan voor de Oostzee heeft een meerjarenaanpak van het visserijbeheer bevestigd op basis van referenties voor visserijsterfte (F) en biomassa (B) van de bestanden. De kwantitatieve waarden van deze referenties, die gebaseerd zijn op wetenschappelijk advies, worden door de medewetgevers in de verordening vastgesteld. Bijgevolg zou de regelmatige herziening van de wetenschappelijke adviezen evenwel een snelle en regelmatige herziening van deze kwantitatieve waarden door de medewetgevers verantwoorden.

Wegens deze dynamiek van de wetenschappelijke adviezen wordt in het plan voor de Noordzee een kader ingesteld voor de beheersbesluiten inzake de vangstmogelijkheden door de Raad, dat rechtstreeks afhangt van de waarden van de referenties die worden verstrekt door de beschikbare wetenschappelijke adviezen (dus met name voor de meest recente gegevens). Deze verordening voor de Noordzee omvat dus geen kwantitatieve waarde voor de visserijsterfte, noch voor het niveau van de biomassa van de bestanden. Deze referenties worden vastgesteld door de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en dienen, gewoonlijk op jaarbasis, rechtstreeks voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden door de Raad.

De Commissie heeft voorgesteld de visserijen in de westelijke wateren te beheren volgens hetzelfde principe als de Noordzee (en het plan voor de Oostzee te herzien op dezelfde manier). De rapporteur is er voorstander van dat het beheer van de visserij gebaseerd is op de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen. Hij wil evenwel de mogelijkheden voor het Europees Parlement verbeteren om dit proces te controleren en de rol van medewetgever van het Parlement met betrekking tot het meerjarenbeheer van de visserij vrijwaren. Daarom stelt hij het volgende voor:

•  een regelmatige controle achteraf: de Commissie moet jaarlijks bij het Europees Parlement een verslag indienen over de overeenstemming tussen de beschikbare wetenschappelijke adviezen en de op basis hiervan door de Raad genomen besluiten,

•  informatie vooraf bij belangrijke schommelingen: de Commissie moet het Parlement op de hoogte brengen, voordat de Raad zijn besluit neemt, van situaties die kunnen leiden tot aanzienlijke veranderingen van de vangstmogelijkheden (afwijking met meer dan 20 % van de nieuwe TAC die overeenstemt met de nieuwe FMSY-waarde),

•  een uitdovingclausule, na zeven jaar, voor de beheersbepalingen die rechtstreeks gebaseerd zijn op de dynamische wetenschappelijke adviezen, om de wetgevers de mogelijkheid te bieden om dit mechanisme te evalueren en zo nodig te wijzigen, wanneer zij het kader onderzoeken voor de periode na dit tijdstip.

(1)

Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren.

(2)

Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid.

(3)

2016/0238(COD); Verordening... ; PB ...

(4)

Zie artikel 9 van Verordening (EU) 2018/120 van de Raad van 23 januari 2018 tot vaststelling, voor 2018, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie, van toepassing zijn.


PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Meerjarenplan voor de visbestanden in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1139 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de Oostzee, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008

Document- en procedurenummers

COM(2018)0149 – C8-0126/2018 – 2018/0074(COD)

Datum indiening bij EP

23.3.2018

 

 

 

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

PECH

16.4.2018

 

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Alain Cadec

26.4.2018

 

 

 

Behandeling in de commissie

24.4.2018

11.7.2018

29.8.2018

 

Datum goedkeuring

9.10.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

15

6

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Clara Eugenia Aguilera García, Renata Briano, Alain Cadec, Linnéa Engström, Sylvie Goddyn, Carlos Iturgaiz, Werner Kuhn, António Marinho e Pinto, Gabriel Mato, Norica Nicolai, Ulrike Rodust, Remo Sernagiotto, Ricardo Serrão Santos, Ruža Tomašić

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Nicola Caputo, Ole Christensen, Rosa D’Amato, Giuseppe Ferrandino, Elisabetta Gardini, Anja Hazekamp, Francisco José Millán Mon, Nosheena Mobarik

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Klaus Buchner, Tadeusz Zwiefka

Datum indiening

10.10.2018


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

15

+

ALDE

António Marinho e Pinto, Norica Nicolai

ECR

Nosheena Mobarik, Remo Sernagiotto, Ruža Tomašić

EFDD

Rosa D'Amato

ENF

Sylvie Goddyn

PPE

Alain Cadec, Carlos Iturgaiz, Werner Kuhn, Gabriel Mato, Francisco José Millán Mon

S&D

Clara Eugenia Aguilera García, Renata Briano, Giuseppe Ferrandino

6

-

GUE/NGL

Anja Hazekamp

PPE

Tadeusz Zwiefka

S&D

Ole Christensen, Ulrike Rodust

VERTS/ALE

Marco Affronte, Linnéa Engström

1

0

S&D

Ricardo Serrão Santos

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 17 oktober 2018Juridische mededeling