Procedure : 2018/2005(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0319/2018

Ingediende teksten :

A8-0319/2018

Debatten :

PV 25/10/2018 - 9
CRE 25/10/2018 - 9

Stemmingen :

PV 25/10/2018 - 13.23
CRE 25/10/2018 - 13.23

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0439

VERSLAG     
PDF 483kWORD 98k
12.10.2018
PE 622.206v02-00 A8-0319/2018

over het in goede banen leiden van de mondialisering: handelsaspecten

(2018/2005(INI))

Commissie internationale handel

Rapporteur: Joachim Schuster

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 ADVIES van de Commissie juridische zaken
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het in goede banen leiden van de mondialisering: handelsaspecten

(2018/2005(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de discussienota van de Commissie van 10 mei 2017 getiteld "Het in goede banen leiden van de mondialisering",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 september 2017 getiteld "Een evenwichtig en vooruitstrevend handelsbeleid om de mondialisering in goede banen te leiden" (COM(2017)0492),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 13 september 2017 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Europese Unie (COM(2017)0487),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Handel voor iedereen: Naar een meer verantwoordelijk handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497),

–  gezien zijn resolutie van 30 mei 2018 over het jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk handelsbeleid(1),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen(2),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2017 getiteld "Naar een digitale handelsstrategie"(3),

–  gezien het verslag van de Commissie van 13 september 2017 over de uitvoering van de strategie voor handelsbeleid "Handel voor iedereen: Zorgen voor een vooruitstrevend handelsbeleid om de mondialisering in goede banen te leiden" (COM(2017)0491),

–  gezien het verslag van de Commissie van 9 november 2017 over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten 1 januari 2016 - 31 december 2016 (COM(2017)0654),

–  gezien de op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN goedgekeurde resolutie getiteld "Transforming Our World: The 2030 Agenda for Sustainable Development",

–  gezien de tijdens de 26e zitting goedgekeurde resolutie 26/9 van de VN-Mensenrechtenraad en met name het daarin vervatte besluit tot instelling van een intergouvernementele werkgroep voor onbepaalde duur voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens, met als mandaat het uitwerken van een internationaal juridisch bindend instrument, aan de hand waarvan de activiteiten van transnationale ondernemingen en andere ondernemingen overeenkomstig het internationaal recht inzake de mensenrechten moeten worden gereguleerd,

–  gezien de VN-richtsnoeren over beoordelingen van het effect van handels- en investeringsovereenkomsten op de mensenrechten,

–  gezien de toespraak over de Staat van de Unie van 13 september 2017 door de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker,

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2017 over de gevolgen van de internationale handel en het handelsbeleid van de EU voor mondiale waardeketens(4),

–  gezien Verordening (EU) 2017/2321 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1036 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie, en Verordening (EU) 2016/1037 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie(5),

–  gezien zijn standpunt in eerste lezing van 16 maart 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een Uniesysteem voor zelfcertificering van passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor verantwoordelijke importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden(6),

–  gezien zijn standpunt in eerste lezing van 4 oktober 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing(7),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten(8),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over het internationaal handelsbeleid met de verplichtingen zoals door de klimaatverandering geboden(9),

–  gezien de artikelen 2 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het non-paper van de diensten van de Commissie van 26 februari 2018 getiteld "Feedback and way forward on improving the implementation and enforcement of Trade and Sustainable Development chapters in EU Free Trade Agreements",

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 14 juli 2015 over de stand van zaken ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten (SWD(2015)0144),

–  gezien het op 31 mei 2018 gepubliceerde OESO-richtsnoer inzake de zorgvuldigheidseisen voor verantwoord ondernemerschap,

–  gezien de Alliantie voor handel zonder foltering die op 18 september 2017 tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van start ging,

–  gezien het advies van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) van 10 april 2017 over de verbetering van de toegang tot rechtsmiddelen op het gebied van het bedrijfsleven en de mensenrechten op EU-niveau (1/2017),

–  gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en met name artikel 4, lid 1, inzake het verbod op slavernij en dwangarbeid,

–  gezien de beleidsnota van 2017 van het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en de WTO getiteld "Making trade an engine of growth for all: the case for trade and for policies to facilitate adjustment",

–  gezien de kernpuntennota van de OESO van 2017 getiteld "Making globalisation work: better lives for all"(10),

–  gezien de Unesco-overeenkomst van 1970 inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen te voorkomen en het Unidroit-verdrag van 1995 inzake gestolen of onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden getiteld "Naar een EU-strategie voor internationale culturele betrekkingen" (JOIN(2016)0029),

–  gezien de algemene verordening gegevensbescherming van de EU die sinds 25 april 2018 van kracht is(11),

–  gezien de artikelen 10 en 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 2010,

–  gezien de artikelen 167, 207, 208 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie juridische zaken (A8-0319/2018),

A.  overwegende dat de mondialisering een voortdurend proces is dat heeft geleid tot een nieuwe reeks politieke, economische en sociale uitdagingen voor de toekomst als gevolg van de snelle technologische vooruitgang, en overwegende dat vrijwel alle sectoren veranderingen zullen ondergaan; overwegende dat het wet- en regelgevingskader deze snelle ontwikkelingen niet kan bijbenen, waardoor belangrijke maatschappelijke verworvenheden in het gedrang komen;

B.  overwegende dat de inkomensongelijkheid op een historisch hoogtepunt is gebleven, maar dat het aandeel van de wereldbevolking dat in extreme armoede leeft van 44 % in 1980 naar 10 % in 2015 is gedaald; overwegende dat het Parlement het eens is met de Commissie dat de mondialisering ook uitdagingen meebrengt omdat de voordelen ervan ongelijk verdeeld zijn tussen mensen en regio's en dat, wanneer er geen actieve maatregelen worden genomen, het risico bestaat dat de mondialisering de effecten van de technologische vooruitgang en de recente economische crisis zal combineren en zal bijdragen tot nog grotere ongelijkheid en maatschappelijke polarisering;

C.  overwegende dat wereldwijde open handel en mondialisering positieve effecten hebben gehad doordat miljoenen mensen hierdoor uit de armoede zijn gehaald, en dat zij daardoor op zich kunnen bijdragen aan de economische groei, welvaart en concurrentiekracht van landen; overwegende dat de mondialisering ook uitdagingen meebrengt en dat de voordelen ervan ongelijk verdeeld zijn tussen mensen en regio's; overwegende dat mondialisering niet ten koste mag gaan van het milieu; overwegende dat onder er de EU-burgers steeds meer op aangedrongen wordt dat het handelsbeleid van de Unie ervoor moet zorgen dat goederen die in de EU op de markt worden gebracht in fatsoenlijke en duurzame omstandigheden zijn vervaardigd en dat de EU, in de evoluerende wereldwijde context, een handelsagenda op basis van waarden moet bevorderen;

D.  overwegende dat voor een op waarden gebaseerd open-handels- en investeringsbeleid een reeks doeltreffende begeleidende beleidsmaatregelen nodig is, om ervoor te zorgen dat de handelsliberalisering voor de EU en voor de bevolking en economie van derde landen zoveel mogelijk profijt en zo weinig mogelijk verlies oplevert; overwegende dat de tenuitvoerlegging van de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, bedoeld om de armoede uit de wereld te helpen en vooruitgang te boeken op sociaal en milieugebied, de benchmark moet worden voor het welslagen van het handelsbeleid van de Unie;

E.  overwegende dat protectionisme een simplistisch en zwak antwoord is op de uitdagingen die de mondialisering meebrengt; overwegende dat protectionistische beleidsmaatregelen die niet overeenkomstig WTO-regels worden toegepast, een domino-effect op allen zal hebben en importeurs, exporteurs en consumenten zal schaden; overwegende dat eerlijke en ethische handelsrelaties de norm moeten worden in internationale economische betrekkingen;

F.  overwegende dat de door menselijke activiteiten veroorzaakte klimaatverandering sneller toeneemt dan de meest pessimistische prognoses van de IPCC voorspellen, dat de biodiversiteit afneemt en dat de milieuvervuiling, met name in verband met de exploitatie van koolwaterstoffen, op middellange termijn het voortbestaan van ecosystemen, met name in de zeeën en oceanen, bedreigt;

G.  overwegende dat de EU gemachtigd is om beleidsmaatregelen op het gebied van de handel in culturele en audiovisuele diensten vast te stellen met het doel de diversiteit van culturele uitdrukkingsvormen alsmede cultureel erfgoed te beschermen en te bevorderen, en een bijdrage te leveren aan de verwezenlijking van duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 4 over kwaliteitsonderwijs; overwegende dat deze andere bepalingen ook het gemeenschappelijk handelsbeleid omvatten, zoals vastgelegd in artikel 207 VWEU;

H.  overwegende dat artikel 3, lid 3, VEU bevestigt dat "de EU [...] haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal [eerbiedigt] en [toeziet] op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed";

I.  overwegende dat Europa een rijke variëteit van tradities heeft en sterke culturele en creatieve industrieën, kleine en middelgrote ondernemingen en verschillende systemen voor publieke media-instanties en voor de publieke financiering van films, en overwegende dat de bevordering van culturele diversiteit, toegang tot cultuur en democratische dialoog een leidraad moeten blijven, in overeenstemming met de EU-benadering van internationale handel;

J.  overwegende dat de culturele en creatieve industrieën bijdragen tot het scheppen van fatsoenlijk werk en tot economische welvaart en goed zijn voor 2,6 % van het bbp van de EU, met een hoger groeipercentage dan de rest van de economie en overwegende dat deze sector een van de meest veerkrachtige sectoren was tijdens de financiële crisis; overwegende dat de ontwikkeling van de handel in goederen en diensten van de culturele en de creatieve sectoren een drijvende kracht zal zijn achter duurzame economische groei en het scheppen van banen in Europa;

K.  overwegende dat in de algemene verordening gegevensbescherming strenge normen voor de verwerking van persoonsgegevens zijn vastgesteld, die een bepaalde mate van verantwoordelijkheid vereisen van de kant van platforms en streamingdiensten bij de regulering van de internationale handel;

L.  overwegende dat het in goede banen leiden van mondialisering van de handel in cultuurgoederen een strikte naleving van alle internationale verdragen inzake de bescherming van cultureel erfgoed impliceert, met name van het Verdrag van Den Haag van 1954, de Unesco-overeenkomst van 1970 en het Unidroit-verdrag van 1995;

M.  overwegende dat interculturele dialoog respect en wederzijds begrip stimuleert, en eerlijker sociale en economische uitwisselingen aanmoedigt, inclusief handel, waardoor er praktijken kunnen worden ontwikkeld die de belangen van alle partijen op een meer evenwichtige en respectvolle wijze bevorderen, en waardoor oneerlijke praktijken zoals corrupte bepalingen en opgelegde unilaterale voorwaarden worden bestreden;

Het in goede banen leiden van de mondialisering

1.  is ingenomen met de discussienota van de Commissie over het in goede banen leiden van de mondialisering en is verheugd dat het zwaartepunt wordt gelegd bij het meer binnen handbereik brengen van de positieve gevolgen van de mondialisering, terwijl tegelijkertijd wordt onderstreept dat de negatieve gevolgen moeten worden aangepakt;

2.  beklemtoont dat de internationale handel niet alleen een beslissende rol speelt in de economische ontwikkeling en samenwerking tussen landen in de gemondialiseerde economie, maar ook van fundamentele invloed is op de vrede, op maatschappelijk en ecologisch duurzame groei, werkgelegenheid, de uitbanning van armoede en voedselonzekerheid, op mensenrechten en de bestrijding van de klimaatverandering; erkent derhalve de steeds groter wordende verantwoordelijkheid van de EU om in haar mondiale handelsbetrekkingen en externe betrekkingen bij te dragen tot het aanpakken van deze uitdagingen;

3.  wijst erop dat de controle op de handel in producten voor tweeërlei gebruik doeltreffend moet worden versterkt en dringt er dan ook op aan dat de verplichtingen van de Unie in het kader van het Internationaal Wapenhandelsverdrag consequent ten uitvoer worden gelegd;

Een balans

4.  merkt op dat landen en economieën door de mondialisering steeds sterker met elkaar verweven raken; merkt op dat dit heeft geleid tot de opkomst van internationale waardeketens en wijst erop dat de internationale arbeidsverdeling en de onderlinge afhankelijkheid van landen door deze waardeketens een herstructurering ondergaan; herinnert eraan dat de extreem complexe aard van deze waardeketens, het gebrek aan transparantie en de verwatering van aansprakelijkheid kunnen leiden tot een hoger risico van mensen- en arbeidsrechtenschendingen, feitelijke straffeloosheid voor milieudelicten en grootschalige belastingontwijking en -fraude; wijst nogmaals op de voordelen van een EU-handelsbeleid dat is gebaseerd op gemeenschappelijke regels en waarden, waaronder vraagstukken zoals mensenrechten, arbeidsomstandigheden en milieubescherming;

5.  merkt op dat de voordelen van de mondialisering ongelijk verdeeld zijn tussen regio's en binnen samenlevingen, waarbij sommige regio's en sectoren in grote mate profiteren, terwijl andere te kampen hebben met structurele veranderingen en toenemende werkloosheid; merkt op dat dit, samen met technologische verschuivingen zoals automatisering en digitalisering, binnen delen van de samenleving leidt tot groeiend scepticisme jegens en verwerping van de mondialisering; merkt op dat de financiële en economische crisis de inkomensverdeling heeft aangetast en het armoedeprobleem heeft verergerd; merkt op dat de gemiddelde Gini-coëfficiënt voor besteedbaar gezinsinkomen in 2014 hoger was dan de afgelopen dertig jaar het geval is geweest, maar een uiterst negatieve trend vertoonde in de bescheiden en gemiddelde inkomens; stelt vast dat de middenklasse in veel EU-lidstaten is gekrompen, en dat haar aandeel in het globaal inkomen eveneens is gedaald; is van mening dat de combinatie van een steeds kleiner wordende middenklasse, burgers die bang zijn om hun sociale en economische positie te verliezen, en scepsis ten aanzien van mondialisering kan leiden tot protectionisme als simplistisch antwoord op gedeelde angsten; merkt op dat noch een nationalistisch-protectionistisch beleid noch een ongewijzigd beleid in dit verband een passende reactie is;

6.  wijst erop dat het vooruitzicht van een duurzame en bloeiende binnenlandse toekomst de beperking van illegale migratiestromen naar Europa ondersteunt waardoor deze gemakkelijker te beheersen zijn;

7.  merkt op dat, wanneer de economie faalt, de democratie ook nadeel ondervindt; stelt vast dat de democratie nu vrijwel overal klappen krijgt; onderstreept dat de burgers sterker geëmancipeerd zijn dan ooit tevoren, maar dat velen van mening zijn dat de democratie hen niet langer goede diensten bewijst; wijst erop dat deze trend ertoe leidt dat autocratische en ondemocratische landen onze samenlevingen met succes als wapen gebruiken en profiteren van het verzet van de bevolking tegen de mondialisering;

8.  merkt op dat China en andere landen in Zuidoost-Azië op economisch gebied steeds belangrijker worden; vestigt de aandacht op de toenemende handels- en investeringsstromen in deze regio; wijst erop dat deze trend de komende jaren zal aanhouden; merkt op dat dit inhoudt dat de huidige internationale economische centra, Europa en Noord-Amerika, minder belangrijk worden en leidt tot nieuwe uitdagingen in verband met het behoud van een op waarden gebaseerd internationaal handelsbeleid; beklemtoont dat aanpassing aan deze nieuwe economische uitdagingen belangrijk is; herhaalt daarom dat het op regels en waarden gebaseerde multilaterale stelsel verder moet worden versterkt; onderstreept dat deze ontwikkelingen de Europese strategische belangen in gevaar kunnen brengen;

9.  merkt op dat technologie en innovatie dankzij de mondialisering sneller en breder verspreid zijn geraakt en dat technologie een belangrijk instrument kan zijn voor de handel; wijst erop dat de EU tot dusver nog geen strategie voor digitale handel heeft ontwikkeld en de voordelen die het internet en digital-ledgertechnologie kunnen opleveren voor de internationale handel nog niet heeft behandeld;

10.  merkt op dat China fors groeit en zijn marktaandeel vergroot, ten koste van Europa en Noord-Amerika; merkt op dat het "Eén gordel, één route"-initiatief een poging is van China om de grootste economische wereldmacht te worden; onderstreept dat de invloed van China, die niet alleen een economisch maar ook een strategisch aspect heeft, zich geleidelijk naar Europa zelf uitspreidt; ziet de strategie van "America First" als een poging van de Verenigde Staten om het hoofd te bieden aan de eigen neergang, en beschouwt dit beleid als destructief voor de op regels gebaseerde economische wereldorde;

11.  wijst erop dat de trans-Atlantische as de voorbije decennia steeds garant heeft gestaan voor de vrije en op waarden gebaseerde wereldhandel en deze rol in de toekomst opnieuw kan vervullen; stelt vast dat een trans-Atlantische overeenkomst in dit verband nieuwe impulsen kan geven;

12.  wijst erop dat de multilaterale economische wereldorde waarin de Wereldhandelsorganisatie (WTO) centraal staat, moeite heeft om deze diepgaande veranderingen en de veranderende belangen van landen te verwerken in internationale overeenkomsten; merkt op dat toenemende protectionisme in de Verenigde Staten en in andere landen, alsmede het gebrek aan aandacht voor de behoeften en verwachtingen van ontwikkelingslanden in internationale overeenkomsten, de WTO verzwakken; acht de Beroepsinstantie van de WTO van bijzonder belang voor het beslechten van handelsgeschillen en uit zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat de Verenigde Staten de benoeming van de leden van deze instantie blokkeren, waardoor de werking van de WTO wordt ondermijnd; vraagt de Commissie blijk te geven van flexibiliteit wanneer het erop aankomt de Beroepsinstantie van de WTO te hervormen, maar aan te dringen op een geschillenmechanisme in twee stappen; betreurt dat de SDG's te weinig worden opgenomen in de agenda voor wereldhandel en dat hiermee onvoldoende rekening wordt gehouden; is van mening dat de behoeften en verwachtingen van ontwikkelingslanden beter tot uitdrukking moeten komen in internationale overeenkomsten en in de ontwikkelingsronde van Doha;

Europees beleid

13.  merkt op dat de EU wordt geconfronteerd met de uitdaging om succesvol te functioneren in deze gewijzigde economische wereldorde, hetgeen betekent dat zij haar concurrentievermogen moet veiligstellen bij behoud van haar sociale en milieunormen, haar samenwerking met de opkomende economieën in Zuidoost-Azië, India, China en Latijns-Amerika moet versterken en het hoofd moet bieden aan het toenemende willekeurige protectionisme van de Verenigde Staten; wijst erop dat het belangrijk is om de economische wereldorde te herstructureren en de behoeften van ontwikkelingslanden en van de economisch en maatschappelijk misdeelden in de ontwikkelde landen in acht te nemen; benadrukt dat de verwezenlijking van de SDG's en de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs als overkoepelend raamwerk voor dit streven moeten dienen, waarbij beleidscoherentie ten aanzien van ontwikkeling voorop moet staan; onderstreept dat overheidsfinanciën, officiële ontwikkelingshulp en de mobilisatie van binnenlandse hulpbronnen noodzakelijke instrumenten zijn om de SDG's te verwezenlijken;

14.  benadrukt het belang van begeleidende beleidsmaatregelen ter ondersteuning van de positieve effecten en kansen van de mondialisering; onderstreept de behoefte aan gestructureerde, evenwichtige vrijhandelsovereenkomsten; herhaalt zijn steun aan het handelsbeleid van de Commissie en de bevordering van handelsbeleidsinstrumenten om de uitdagingen van de mondialisering te reguleren en aan te pakken;

15.  is van mening dat de Europese Unie een relevant steunkader biedt om progressieve regels inzake handel en investeringen te ontwikkelen, economische samenwerking en solidariteit tussen de volkeren te bevorderen en de strijd tegen de klimaatverandering aan te gaan; spoort de Unie aan haar initiatieven verder uit te diepen om de mondialisering beter te reguleren met behulp van doeltreffende steunmaatregelen;

16.  merkt op dat het voor de lidstaten lastig is om afzonderlijk het hoofd te bieden aan grensoverschrijdende uitdagingen zoals migratiestromen, financiële crises en belastingontwijking, terrorisme of klimaatverandering; onderstreept de gezamenlijke verantwoordelijkheid en de rol van de regio's en steden bij het in goede banen leiden van de mondialisering; merkt op dat de doeltreffendheid van Europese maatregelen afhangt van de door de lidstaten geleverde inspanningen;

17.  wijst erop dat de geschillen tussen de EU en de VS nieuwe uitdagingen met zich meebrengen voor de EU, maar ook meer kansen om nieuwe manieren te zoeken om de mondialisering te beheren, vorm te geven en als verantwoordelijkheid op te vatten;

De interne respons van Europa

18.  is het er met de Commissie eens dat het behoud van het internationale concurrentievermogen met waarborging van strenge sociale en milieunormen een eerste vereiste is voor een succesvolle Europese strategie; is ingenomen met de verdere versterking van de interne markt van de EU en de consolidering van de economische unie via harmonisering van de normen inzake sociale bescherming, lonen en levensstandaard; acht een dergelijke harmonisering van wezenlijk belang, aangezien een sterke interne markt een vereiste is voor de succesvolle tenuitvoerlegging van internationale strategieën;

19.  wijst erop dat het internationaal concurrentievermogen sterk afhankelijk is van het op succesvolle en sociaal en ecologisch verantwoorde wijze vormgeven van automatisering en digitalisering, waarbij de bescherming van de privacy van de Europese burgers gewaarborgd blijft; merkt op dat nieuwe technologieën, met name blockchain-technologie, het karakter van de internationale handel zullen veranderen; merkt op dat onze doelstellingen van het klimaatbeleid zo spoedig mogelijk moeten worden bereikt en dat de overschakeling naar hernieuwbare vormen van energie snel moet plaatsvinden; is van mening dat de EU dringend een echte en doeltreffende industriële strategie moet ontwikkelen teneinde externe kwetsbaarheden te beperken en tegelijkertijd de overgang naar een koolstofarme economie te bevorderen; is van mening dat op de kansen en uitdagingen die de mondialisering met zich meebrengt en de recente maatregelen van bepaalde derde landen moet worden gereageerd met een EU-handelsbeleid ten gunste van open en eerlijke handel met transparante regels en een sterk multilateraal systeem binnen de WTO;

20.  wijst erop dat, in overeenstemming met artikel 12 VWEU, waarin is bepaald dat met de eisen ter zake van consumentenbescherming rekening wordt gehouden bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en het optreden van de Unie op andere gebieden, een specifiek hoofdstuk over consumentenbescherming zou kunnen bijdragen tot het bereiken van een hoog niveau van consumentenbescherming aan de hand van wettelijke waarborgen, bijvoorbeeld inzake het reguleringsrecht en het voorzorgsbeginsel, maar dat dit ook tastbare voordelen zou opleveren voor consumenten en het consumentenvertrouwen, ook in online diensten, zou versterken, om aldus duurzame consumptie te bevorderen, het belang van de consument te integreren in de tenuitvoerlegging van handelsovereenkomsten en bij te dragen tot de doeltreffende handhaving van het consumentenrecht, ook in grensoverschrijdende situaties;

21.  wijst erop dat er voor kmo's een meer gelijk speelveld moet worden gewaarborgd; verzoekt de Commissie een Europese handelsstrategie voor kmo's vast te stellen om deze ondernemingen in internationale waardeketens op te nemen en handelsspecifieke obstakels, zoals niet-tarifaire belemmeringen, weg te nemen; wijst erop dat toegang tot informatie een van de grootste obstakels is die kmo's beletten om aan de markt deel te nemen, wat inhoudt dat de transparantie en steun moeten worden vergroot; dringt erop aan dat de Commissie in dit verband instrumenten ontwikkelt die de omgang met oorsprongsregels en de toepassing van preferenties voor kmo's vergemakkelijken; wijst op het grote potentieel van onbenutte preferenties en verzoekt de Commissie ambitieuze streefcijfers voor de verhoging van gebruikspercentages vast te stellen; wijst op de betekenis van kmo's voor het verwezenlijken van de SDG's; dringt erop aan specifieke hoofdstukken over de behoeften en belanden van kmo's op te nemen in handelsovereenkomsten, met name wat betreft vergemakkelijking van de markttoegang;

22.  merkt op dat doeltreffende handelsbeschermingsinstrumenten nodig zijn; is ingenomen met de recente hervorming van de handelsbeschermingsinstrumenten die op doeltreffende en evenredige wijze moet worden uitgevoerd teneinde sectoren en banen te beschermen tegen invoer met dumping en onrechtmatig gesubsidieerde invoer; bevestigt andermaal dat handelsbeschermingsinstrumenten niet voor protectionistische doeleinden mogen worden gebruikt; steunt de maatregelen die de Commissie heeft genomen nadat de VS tarieven oplegden aan de invoer van staal en aluminium; wijst erop dat er zo spoedig mogelijk regels voor het screenen van investeringen moeten worden vastgesteld om buitenlandse investeringen tegen te gaan die uitsluitend zijn gemotiveerd door industriebeleid en dienen om Europese technologieën te verwerven; wijst andermaal op de noodzaak van een krachtig Internationaal Aanbestedingsinstrument; is ingenomen met de moedige stappen die zijn gezet om de dimensie van sociale en milieudumping in die instrumenten op te nemen en vraagt de Commissie de ontwikkeling van solide methoden voort te zetten om ten volle rekening te houden met die dimensies, onder meer met betrekking tot sociale en milieunormen die van toepassing zijn in de exporterende landen;

23.  merkt op dat de lidstaten in antwoord op het verlies van banen als gevolg van de mondialisering hun arbeidsmarktbeleid en opleidingsaanbod moeten verbeteren; stelt evenwel vast dat er een hervorming van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) nodig is om het hoofd te bieden aan de nieuwe uitdagingen van de mondialisering, met inbegrip van een hervorming van de voorwaarden voor het ontvangen van steun; beklemtoont dat het EFG een proactiever instrument moet worden dat werknemers en bedrijven voorbereidt op de bestrijding van de negatieve gevolgen van de mondialisering; merkt op dat kleinere ondernemingen toegang moeten krijgen tot EFG-financiering; wijst erop dat het toepassingsgebied van het EFG moet worden uitgebreid naar andere door het beleid ingegeven aanpassingen en dat het fonds moet worden voorzien van een adequaat budget en van een passend controle- en evaluatiemechanisme;

24.  prijst de positieve stappen die de Commissie heeft genomen om de transparantie in vrijhandelsovereenkomsten te vergroten; verzoekt de Commissie als antwoord op scepsis ten aanzien van de mondialisering de transparantie betreffende handelsovereenkomsten verder te vergroten, het toezicht op de wet- en regelgeving van de EU te verbeteren en de participatie van haar burgers te versterken; verzoekt de Commissie in alle openheid onderhandelingen te voeren, aan de hand van een voortdurende dialoog met het Europees Parlement, nationale parlementen, sociale partners en het maatschappelijk middenveld; vraagt de Raad de nationale parlementen en het maatschappelijk middenveld te informeren en bij de onderhandelingen te betrekken voordat een onderhandelingsmandaat wordt goedgekeurd en tijdens de onderhandelingen; betreurt dat de Raad, in zijn conclusies van 22 mei, heeft beslist om de status quo te handhaven door de onderhandelingsrichtsnoeren van vrijhandelsovereenkomsten van de EU per geval bekend te maken; vraagt de Raad om alle onderhandelingsmandaten bekend te maken;

25.  beklemtoont dat er meer mondiale governance en regels nodig zijn om de mondialisering beter in goede banen te leiden; wijst op het belang van ondersteunend binnenlands beleid om het concurrentievermogen en de veerkracht van de EU te versterken;

26.  herinnert eraan dat EU-agrovoedingsproducten aan de hoogste normen ter wereld voldoen; vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat ingevoerde landbouwproducten voldoen aan de EU-normen en verzoekt de controle op ingevoerde agrovoedingsproducten te versterken, zowel op de plaats van herkomst als bij binnenkomst in de EU;

27.  wijst op het belang van een efficiënte uitvoering van de gesloten handelsovereenkomsten om ervoor te zorgen dat onze landbouwers ten volle kunnen profiteren van de exportmogelijkheden die worden geboden door dergelijke overeenkomsten, zoals de Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen de EU en Canada (CETA);

28.  benadrukt dat op wereldniveau nieuwe handelsregels en -voorschriften moeten worden ontwikkeld om de sociale, productie- en milieunormen in de agrovoedingssector te regelen en te harmoniseren;

29.  is verheugd over de handelsovereenkomst van de EU met Japan, de vierde grootste landbouwexportmarkt van de EU, die goede exportmogelijkheden zal verschaffen voor veel EU-landbouwproducten, zoals zuivelproducten;

30.  onderstreept het belang van, enerzijds, het opnemen van doeltreffende en snel beschikbare bilaterale vrijwaringsclausules die de tijdelijke schorsing van preferenties mogelijk maken indien, wegens de inwerkingtreding van de handelsovereenkomst, een toename van de import ernstige schade zou berokkenen of dreigen te berokkenen aan gevoelige sectoren, en anderzijds, de herziening van de bestaande multilaterale vrijwaringsmechanismen in Verordening (EU) nr. 1308/2013 (integrale-GMO-verordening)(12), die een preventieve rol moeten spelen voor gevoelige sectoren op basis van referentievolumedrempels en prijsdrempels die de automatische en opschortende inwerkingstelling van de vrijwaringsmechanismen mogelijk moeten maken zodra die drempels worden bereikt;

31.  wijst erop dat het voor de EU van strategisch belang is om een hoge mate van voedselonafhankelijkheid te handhaven; is van mening dat de mondialisering van de handel de levensvatbaarheid van de EU-agrovoedingsproductie niet in gevaar mag brengen, aangezien dat op de lange termijn tot een soortgelijke afhankelijkheid van derde landen kan leiden als in de energiesector;

32.  merkt op dat de discussienota over het in goede banen leiden van de mondialisering het eerste document van de Commissie is waarin wordt vermeld dat het belangrijk is de dierenwelzijnsnormen te verbeteren via de agenda van de EU voor handel en investeringen; is ingenomen met de door de Commissie geuite bereidheid om te ijveren voor betere mondiale governance op dit gebied; vraagt de Commissie om dierenwelzijn uitdrukkelijk op te nemen in haar volgende strategie voor handelsbeleid en de herzieningsclausules in de bestaande vrijhandelsovereenkomsten te gebruiken om de bepalingen in verband met dierenwelzijn verder te verbeteren; vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat handelspreferenties afhankelijk zijn van naleving van de EU-normen inzake dierenwelzijn, hetgeen een gelijker speelveld waarborgt en rekening houdt met de wensen van de meeste EU-burgers; verzoekt de Commissie te erkennen dat hogere dierenwelzijnsnormen een belangrijke rol kunnen spelen bij het behalen van verschillende SDG's, met name voor gezondheid in verband met antimicrobiële resistentie, en voor klimaatverandering;

33.  benadrukt dat cultuur en onderwijs, inclusief een leven lang leren, gemeenschappelijke goederen zijn, dat toegang tot cultuur en onderwijs een mensenrecht is en dat cultuur en onderwijs niet mogen worden beschouwd of beheerd op dezelfde wijze als willekeurige goederen of diensten, maar moet worden gezien als gemeenschappelijke goederen die in stand moeten worden gehouden en voortdurend moeten worden verbeterd; dringt er daarom op aan dat culturele, audiovisuele en educatieve diensten, ook online, duidelijk moeten worden uitgesloten in handelsovereenkomsten tussen de Unie en derde landen, zoals het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP) met de Verenigde Staten;

34.  hamert daarom op de essentiële rol van het Unesco-Verdrag van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen voor internationale handelsovereenkomsten, die rekening moeten houden met de relevante bepalingen daarvan en deze moeten naleven;

35.  is van mening dat er op evenwichtige wijze moet worden onderhandeld over auteursrechten om ervoor te zorgen dat zij niet worden uitonderhandeld tot de laagste gemeenschappelijke noemer maar gericht zijn op zo goed mogelijke regels om cultureel erfgoed te beschermen, culturele diversiteit te bevorderen en te zorgen voor een inkomen voor degenen die werkzaam zijn in de culturele en mediasector, dat zij creativiteit, de verspreiding van kennis en inhoud en gebruikersrechten in het digitale tijdperk stimuleren en vergroten en dat zij een open en op regels gebaseerd handelskader vormen, hetgeen van essentieel belang is voor het welvaren van de culturele en creatieve industrieën in de Europese Unie;

36.  dringt er andermaal op aan dat de EU in handelsonderhandelingen met derde landen gebruik maakt van haar recht om maatregelen (met name van regelgevende en/of financiële aard) vast te stellen of te handhaven, inclusief een wettelijk bindende algemene bepaling op het gebied van bescherming en bevordering van culturele en taalverscheidenheid, cultureel erfgoed, vrijheid van meningsuiting, mediapluralisme en mediavrijheid, ongeacht de gebruikte technologie of het gebruikte distributieplatform;

37.  erkent gegevensbescherming als een grondrecht in de Europese Unie; dringt erop aan dat in handelsovereenkomsten hoge normen voor gegevensbescherming worden gewaarborgd door middel van wederzijdse adequaatheidsbesluiten tussen de Europese Unie en derde landen;

38.  acht het belangrijk om de regelingen van de Europese Unie voor geografische aanduidingen en traditionele specialiteiten verder te bevorderen en hierover bilaterale overeenkomsten met derde landen te blijven sluiten;

39.  verwelkomt het recente mandaat van de Raad aan de Commissie om namens de Europese Unie te onderhandelen over een verdrag tot oprichting van een multilateraal gerecht voor de beslechting van investeringsgeschillen (MIC) teneinde de beperkingen van het bestaande systeem voor geschillenbeslechting tussen investeerders en staten aan te pakken; merkt op dat het MIC zal fungeren als een permanent orgaan voor de beslechting van investeringsgeschillen en zal leiden tot een transparanter, coherenter en eerlijker systeem, dat grote voordelen zal meebrengen voor investeerders; is in dit verband voorts verheugd dat de Raad besloten heeft de richtsnoeren voor deze onderhandelingen eveneens openbaar te maken, iets waarop het Parlement in zijn streven naar meer transparantie op het gebied van internationale onderhandelingen al geruime tijd had aangedrongen;

De externe respons van Europa

40.  verzoekt de Commissie de SDG's en de Overeenkomst van Parijs tot de leidende beginselen van het EU-handelsbeleid te maken; merkt op dat de hervormingen die werden vermeld in de strategie "Handel voor iedereen" daartoe niet volstaan; verzoekt de Commissie uit te gaan van duurzaamheid als overkoepelend beginsel voor alle handelsovereenkomsten, onder meer door duurzaamheidsgerelateerde verplichtingen in ieder hoofdstuk op te nemen, evenals een specifiek hoofdstuk dat bijdraagt tot ondersteuning en bevordering van internationale verdragen inzake sociale, arbeids- en mensenrechten, en in multilaterale milieuovereenkomsten; merkt op dat de toepassing van deze bindende en afdwingbare bepalingen op passende wijze moet worden gecontroleerd opdat, zo nodig, procedures tot raadpleging van de regering kunnen worden opgestart en de speciale geschillenbeslechtingsmechanismen in gang kunnen worden gezet, zoals bepaald in het kader van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling; verzoekt de Raad en de Commissie meer ambitie aan de dag te leggen tijdens onderhandelingen met geïndustrialiseerde partnerlanden betreffende de IAO-verdragen waarnaar in de overeenkomst zal worden verwezen;

41.  verzoekt de Commissie in vrijhandelsovereenkomsten solide en uitgebreide hoofdstukken over duurzame ontwikkeling op te nemen teneinde de internationale handel te ondersteunen; is ingenomen met het 15-puntenplan van de Commissie om de EU-hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling doeltreffender te maken;

42.  wijst op het belang van een evenwichtig en progressief handelsbeleid om de uitdagingen van de mondialisering het hoofd te bieden met behulp van evenwichtige vrijhandelsovereenkomsten die reeds zijn gesloten of waarover nog wordt onderhandeld, bijvoorbeeld met Canada, Japan, Singapore, Australië, Nieuw-Zeeland, Vietnam en Mexico;

43.  vraagt de Commissie een ambitieus handelsbeleid na te streven en een open investeringsklimaat te handhaven; voegt daaraan toe dat de ratificatie van gesloten en ondertekende handelsovereenkomsten snel moet plaatsvinden zodat we de beloften aan onze partners kunnen nakomen;

44.  vraagt de Commissie in de vrijhandelsovereenkomsten van de EU regels betreffende de digitale handel, waaronder over grensoverschrijdende gegevensstromen, op te nemen om aan te tonen dat de handel in digitale goederen en diensten reële voordelen kan opleveren voor bedrijven en consumenten;

45.  feliciteert de Commissie met haar besluit om de nieuwe EU Cities for Fair and Ethical Trade Award in het leven te roepen;

46.  vraagt de Commissie na te gaan op welke manier distributed-ledgertechnologieën (DLT's) en blockchaintechnologie kunnen worden aangewend om de internationale handel te bevorderen, problemen in verband met onder meer transparantie en flexibiliteit aan te pakken, en namaak tegen te gaan;

47.  benadrukt dat de Agenda 2030 van de VN en de Klimaatovereenkomst van Parijs de benchmarks bieden om na te gaan in hoeverre het handelsbeleid van de EU bijdraagt tot de verwezenlijking van overeengekomen doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling; merkt op dat er, wanneer er voor het begin van onderhandelingen effectbeoordelingen worden uitgevoerd, rekening moet worden gehouden met de verwezenlijking van de SDG's; merkt op dat nationale duurzaamheidsstrategieën en uitvoeringsplannen met betrekking tot de Overeenkomst van Parijs enkele van de essentiële punten moeten zijn voor effectbeoordelingen; wijst erop dat handelsovereenkomsten en de mogelijke gevolgen daarvan moeten beantwoorden aan de vereisten van de SDG's; dringt er bij de Commissie op aan in haar toekomstige verslagen over de tenuitvoerlegging van vrijhandelsovereenkomsten een beoordeling te verstrekken, met inbegrip van gegevens, van de gevolgen van die overeenkomsten voor de verwezenlijking van de SDG's en de Overeenkomst van Parijs; merkt op dat overeenkomsten moeten worden aangepast indien delen daarvan de verwezenlijking van de SDG's of van de Overeenkomst van Parijs belemmeren;

48.  merkt op dat het systeem voor de tenuitvoerlegging van samenhangend ontwikkelingsbeleid van de Commissie moet worden toegesneden op SDG 17; wijst erop dat de wisselwerking tussen beleidsterreinen, zoals het handels-, landbouw-, visserij- en milieubeleid, het buitenlands en het fiscaal beleid, op coherente wijze door het maatschappelijk middenveld, de Commissie en de nationale parlementen moet worden beoordeeld; merkt op dat de schending van duurzaamheidsbepalingen moet leiden tot corrigerende maatregelen; dringt aan op een evaluatie van de beleidscoherentie op het gebied van ontwikkeling, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag van Lissabon inzake handelsgerelateerde wetgevingsvoorstellen; merkt op dat verantwoord ondernemerschap en het verantwoorde beheer van mondiale waardeketens essentieel zijn voor de verwezenlijking van de SDG's en dat in de Agenda 2030 wordt beklemtoond dat er dringend behoefte is aan een EU-actieplan inzake verantwoord ondernemerschap dat de samenhang van het beleid op EU-niveau zou bevorderen;

49.  wijst erop dat de ratificatie en tenuitvoerlegging van de belangrijkste arbeidsnormen van de IAO een prioriteit moeten zijn voor de tenuitvoerlegging van vrijhandelsovereenkomsten; merkt op dat het maatschappelijk middenveld en de sociale partners via bilaterale bijeenkomsten met de onderhandelende partners moeten worden betrokken bij de vormgevingsfase, de tenuitvoerleggingsfase en de monitoringfase na tenuitvoerlegging van overeenkomsten; merkt op dat er een doeltreffend en werkzaam mechanisme voor geschillenbeslechting moet worden ingevoerd, evenals doeltreffende toezichthoudende organen die het maatschappelijk middenveld bij een en ander betrekken;

50.  merkt op dat de EU de toeleveringsketens van hout, vis en conflictmineralen heeft gereguleerd en dat meerdere lidstaten stelsels van zorgvuldigheidseisen hebben ontwikkeld in verschillende sectoren, waaruit blijkt dat het nodig is een breed kader te ontwikkelen om een gelijk speelveld te garanderen; verzoekt de Commissie dan ook voor de gehele waardeketen met duidelijke verplichtingen met betrekking tot transparantie en zorgvuldigheid te komen, om tegemoet te komen aan de steeds complexer wordende waardeketens en de toenemende onderlinge afhankelijkheid van producenten, aangezien de zwakke handhaving van het arbeidsrecht en de normen voor veiligheid op het werk in landen waar voorraden worden ingekocht een dringend probleem blijft; vraagt de Commissie daartoe voort te bouwen op bestaande EU-wetgeving op het gebied van conflictmineralen en hout, evenals op de onlangs bekendgemaakte zorgvuldigheidsrichtsnoeren inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen van de OESO; merkt op dat de mondiale waardeketens sommige toeleveranciers er ook toe hebben gebracht de arbeidswetgeving te negeren, hun bedrijf naar landen buiten de EU te verplaatsen en werknemers in onveilige en onaanvaardbare omstandigheden te laten werken; herinnert eraan dat deze praktijken oneerlijke concurrentie creëren voor leveranciers die zich wel houden aan de arbeidswetgeving en de internationale normen en voor regeringen die de lonen en de levensstandaard willen verbeteren; benadrukt dat fatsoenlijke lonen en gedegen normen inzake veiligheid op het werk belangrijk zijn voor een duurzaam wereldwijd handelsstelsel en nieuwe mondiale waardeketens; verzoekt de Commissie de effecten van de opkomst van de mondiale waardeketens te bestuderen en te komen met concrete voorstellen om de omstandigheden in die ketens te verbeteren, en te ijveren voor een juridisch bindend kader voor de verantwoordingsplicht van de bedrijfswereld en voor maatschappelijk verantwoord ondernemen ten aanzien van fatsoenlijk werk, milieuduurzaamheid en eerbiediging van de mensenrechten, in nauw overleg met de IAO en de OESO; erkent dat het de voorkeur verdient dat de EU via multilaterale onderhandelingen naar een dergelijk bindend kader streeft in plaats van unilateraal ingrijpende maatregelen op te leggen; verzoekt de EU en de lidstaten blijk te geven van leiderschap en zich sterker te engageren tijdens beraadslagingen in de VN betreffende een bindend verdrag inzake bedrijfsleven en mensenrechten; vraagt de Commissie om zich, overeenkomstig de vier strategische doelstellingen van de IAO-agenda inzake waardig werk, in te zetten voor de naleving, bevordering en verwezenlijking van internationale arbeidsnormen en de fundamentele beginselen en rechten betreffende werknemers;

51.  wijst erop dat actieve maatregelen waarmee wordt gestreefd naar meer kansen voor vrouwen om te profiteren van de door een vrijhandelsovereenkomst geboden mogelijkheden, noodzakelijk zijn om de gendergelijkheidsdoelstelling te behalen; dringt erop aan dat handelsovereenkomsten een specifiek hoofdstuk over handel, gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen bevatten en maatregelen bieden die onder meer bedoeld zijn om te zorgen voor een beter evenwicht tussen werk en privéleven, toegang te verlenen tot sociale en gezondheidsdiensten en te streven naar een grotere deelname van door vrouwen geleide bedrijven (met name micro-ondernemingen en kmo's) aan openbare aanbestedingen teneinde de internationalisering van bedrijven van vrouwen en de deelname van vrouwen aan Mode 4-kansen te ondersteunen;

52.  merkt op dat het gezien de aanvallen op de multilaterale economische wereldorde, van essentieel belang is om deze orde te handhaven, daar het terugvallen op protectionisme schadelijke gevolgen zou hebben en tot een handelsoorlog zou leiden; merkt op dat de multilaterale orde alleen kan worden gehandhaafd als deze wordt hervormd; is van mening dat de Agenda 2030 van de VN en de Klimaatovereenkomst van Parijs beter in die orde moeten worden geïntegreerd, wil zij kunnen worden behouden; verzoekt de Commissie zich actief in te zetten voor deblokkering van het beroepsorgaan van de WTO en voor internationale samenwerking bij de bestrijding van oneerlijke concurrentie en protectionisme, die schadelijk zijn voor zowel bedrijven als consumenten; merkt op dat open en eerlijke handel die de SDG's verwezenlijkt en die ruimte geeft aan de behoeften van ontwikkelingslanden, zoals vermeld in de strategie "Handel voor iedereen", voor de EU voorop zou moeten staan; merkt op dat, aangezien multilaterale initiatieven momenteel weinig kans van slagen hebben, de EU in de tussentijd moet streven naar bilaterale en plurilaterale overeenkomsten, waarin eerlijke handel een van de leidende beginselen is, maar is van mening dat de huidige situatie de EU de kans biedt sterk leiderschap te tonen bij de duurzame en levenskrachtige hervorming van de multilaterale handelsorde;

53.  merkt op dat open, eerlijke en duurzame handel uit economisch oogpunt wenselijk is en cruciale politieke gevolgen heeft; merkt op dat het, in het licht van de strategie "America First" en van het nieuwe "Eén gordel, één route"-initiatief, van cruciaal strategisch belang is dat Europa de handel gebruikt als instrument ter bevordering van democratische en duurzame ontwikkeling alsmede verbetering van de dialoog en de technische bijstand, met name in de landen van het Oostelijk Partnerschap, evenals in de Afrikaanse partnerlanden; wijst erop dat handel en investeringen in partnerlanden gekoppeld moeten zijn aan strategieën voor duurzame ontwikkeling; vraagt de Commissie aan te dringen op een coherente tenuitvoerlegging van de associatieovereenkomsten met de landen van het Oostelijk Partnerschap; roept de Commissie op tot ontwikkeling, op de middellange termijn, van een strategie voor de opbouw van stabiele betrekkingen met het Gemenebest van onafhankelijke staten (GOS); merkt op dat bij de tenuitvoerlegging van de economische partnerschapsovereenkomsten met de Afrikaanse regio's en landen handel niet het aspect is dat belangrijk is, maar dat de koppeling daarvan met de vereisten van duurzame ontwikkeling in de Afrikaanse landen van essentieel belang is; verzoekt de Commissie te ijveren voor een grotere capaciteit van de regeringen om met duurzame en inclusieve economische ontwikkeling verband houdende kwesties op te nemen in hun nationale handelsstrategieën en -programma's; herinnert eraan dat de EU er belang bij heeft om de samenwerking inzake handelsvraagstukken met internationale organisaties zoals de VN, de IAO, de OESO en de Wereldbank te intensiveren, in het licht van de uitdagingen van de mondialisering; betreurt in dit verband dat de Unie en de meeste lidstaten er niet in zijn geslaagd het streefcijfer van 0,7 % van het bni voor de financiering van ontwikkelingssamenwerking te bereiken;

54.  benadrukt dat wereldwijde governance van de handel een integratie van de handel mogelijk zou moeten maken die echte mogelijkheden creëert voor duurzame ontwikkeling; wijst er in dit verband op dat de huidige WTO-architectuur voor bijzondere en gedifferentieerde behandeling (SDT) niet de verwachte resultaten oplevert; benadrukt dat de SDT-bepalingen doeltreffender en inzetbaarder moeten worden voor ontwikkelingslanden;

55.  wijst erop dat handelsovereenkomsten negatieve gevolgen kunnen hebben voor de voedselzekerheid in ontwikkelingslanden; verzoekt de EU plaatselijke voedselproductie te beschermen en schadelijke gevolgen van goedkope invoer te voorkomen, ook in het kader van de economische partnerschapsovereenkomsten;

56.  betreurt het feit dat ten minste 218 miljoen kinderen worden uitgebuit via kinderarbeid, met name om kosten te drukken; roept de EU op ervoor te zorgen dat goederen die in de EU worden verhandeld volgens regelingen voor ethische certificering geen banden hebben met gedwongen arbeid en kinderarbeid, teneinde te garanderen dat de etiketten "eerlijk" en "ethisch" op betrouwbare wijze worden gebruikt en de consument een weloverwogen keuze kan maken;

57.  constateert dat er tot dusverre slechts één volledige economische partnerschapsovereenkomst (EPO) is gesloten; roept de EU dan ook op aandacht te schenken aan de problemen waarmee ontwikkelingslanden met betrekking tot EPO's in het post-Cotonou-proces te maken hebben; onderstreept met name dat er een uitgebreide analyse moet worden gemaakt van hun impact op de economieën van de Afrikaanse landen en hun respectieve arbeidsmarkten, en dat de intraregionale handel in Afrika moet worden bevorderd;

58.  betreurt dat er per jaar een bedrag dat hoger is dan de totale jaarlijkse officiële ontwikkelingshulp in de vorm van illegale geldstromen uit Afrika wegsijpelt; wijst op de schadelijke gevolgen van belastingontduiking voor ontwikkelingslanden, waardoor er met name veel overheidsgeld verloren gaat dat gebruikt zou kunnen worden om de economische groei, de bescherming van het milieu en de openbare dienstverlening te verbeteren maar ook om bij te dragen aan de sociale samenhang; spoort de Commissie aan om bij de onderhandelingen over handelsovereenkomsten van het bestrijden van dit ernstige probleem een prioriteit te maken en daartoe alle beschikbare middelen in te zetten; dringt erop aan dat in door de EU gesloten vrijhandelsovereenkomsten en preferentiële handelsregelingen krachtige bepalingen ter bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking worden opgenomen;

59.  herhaalt zijn oproep om doeltreffende instrumenten in het leven te roepen om belastingontduiking en -ontwijking wereldwijd te bestrijden en de samenwerking op het gebied van belastingvraagstukken met ontwikkelingslanden te verbeteren, met inbegrip van de mobilisering van binnenlandse inkomsten;

60.  herinnert eraan dat er een intergouvernementeel VN-orgaan moet worden opgericht om op voet van gelijkheid met de ontwikkelingslanden de hervorming van wereldwijde belastingregels in gang te zetten;

61.  is er groot voorstander van om digitale technologieën en diensten nog meer tot een algemeen onderdeel van het EU-ontwikkelingsbeleid te maken; verzoekt de Commissie de investeringen in de ontwikkeling van digitale infrastructuur op het zuidelijk halfrond te verhogen;

62.  is ingenomen met het EU-plan voor externe investeringen dat tot doel heeft duurzame groei, investeringen en het scheppen van banen in ontwikkelingslanden aan te moedigen; roept op tot uitbreiding van het huidige EIB-mandaat voor externe leningen, om de rol van het EIB bij het tot stand brengen van duurzame ontwikkeling te vergroten - door middel van blending, cofinanciering van projecten en ontwikkeling van de lokale particuliere sector - met bijzondere aandacht voor de minst ontwikkelde landen en fragiele staten;

63.  is ingenomen met de in 2017 geactualiseerde "Aid for Trade"-strategie van de Commissie die tot doel heeft de EU-steun aan ontwikkelingslanden te verbeteren en te moderniseren; roept op tot meer inspanningen en meer financiële toezeggingen van de EU in het kader van "Aid for Trade"-initiatieven, teneinde ontwikkelingslanden, met name de minst ontwikkelde landen, te helpen bij het tot stand brengen van welvaart via handel en investeringen, en hun maatregelen ter verwezenlijking van de SDG's te steunen.

°

°  °

64.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0230.

(2)

PB C 101 van 16.3.2018, blz. 30.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0488.

(4)

PB C 337 van 20.9.2018, blz. 33.

(5)

PB L 338 van 19.12.2017, blz. 1.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0090.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0369.

(8)

PB C 99E van 3.4.2012, blz. 31.

(9)

PB C 99E van 3.4.2012, blz. 94.

(10)

OESO, C/MIN(2017)2.

(11)

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(12)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (3.9.2018)

aan de Commissie internationale handel

inzake het in goede banen leiden van de mondialisering: handelsaspecten

(2018/2005(INI))

Rapporteur voor advies: Cristian Dan Preda

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat officiële ontwikkelingshulp een uniek en waardevol middel is in de wereldwijde strijd tegen armoede, ongelijkheid en marginalisering; benadrukt dat weliswaar alle financieringsbronnen belangrijk zijn voor duurzame ontwikkeling, maar ontwikkelingshulp resultaten tot stand kan brengen die andere bronnen niet bewerkstelligen; wijst erop dat het nodig is ervoor te zorgen dat handel een doeltreffend instrument wordt om de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) te verwezenlijken en dat de particuliere sector, mits in overeenstemming met internationaal overeengekomen beginselen inzake doeltreffendheid van ontwikkeling, kan bijdragen aan de totstandbrenging van inclusieve en duurzame ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030; onderstreept dat een nieuw evenwicht gevonden moet worden tussen de handels- en investeringswetgeving en de mensenrechtenwetgeving, met name in de mondiale toeleveringsketens;

2.   benadrukt dat particuliere ondernemingen die actief zijn op het gebied van ontwikkeling hun bijdrage moeten leveren aan het bereiken van de Agenda 2030, en zich moeten houden aan gemeenschappelijke waarden en beginselen, zoals de internationaal overeengekomen beginselen inzake doeltreffendheid van ontwikkeling, namelijk eigen zeggenschap, afstemming, harmonisatie en verantwoordelijkheidsplicht, en dat ontwikkelingsdoelstellingen voorop zouden moeten staan; herinnert aan de verplichtingen die de particuliere sector moet nakomen overeenkomstig de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten (UNGP's) en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, als het gaat om transparantie en eerbiediging van de mensenrechten; moedigt de EU en de lidstaten in dit verband aan een samenhangend kader van verplichte zorgvuldigheidsvereisten op het gebied van mensenrechten voor toeleveringsketens te ontwerpen dat gebaseerd is op de lering die is getrokken uit eerdere EU-initiatieven;

3.  doet een beroep op de EU om ervoor te zorgen dat haar activiteiten met ontwikkelingslanden, zowel op het gebied van ontwikkeling als van handel, zijn gebaseerd op een evenwichtig kader tussen gelijkwaardige partners, dat zij stroken met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling zoals vastgelegd in artikel 208 VWEU en dat zij zijn gericht op de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten; spoort de EU met kracht aan haar werkzaamheden voor de operationalisering van haar op rechten gebaseerde benadering in alle ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten, voort te zetten;

4.  waarschuwt voor het ontwikkelen van een tweesporenbeleid wat betreft de rechten en verplichtingen van ondernemingen in overeenkomsten inzake investeringen en handel; merkt op dat vrijwillige maatregelen om de zorgvuldigheid te bevorderen ontoereikend kunnen zijn en dat de rechten van de beleggers moeten worden aangepast aan hun verplichtingen op het gebied van de naleving van de mensenrechten, de arbeidsnormen en de milieuwetgeving; wijst, gezien het feit dat de Commissie heeft voorgesteld een multilaterale investeringsrechtbank op te richten als permanent orgaan voor de handhaving van rechten van investeerders, op het belang om dergelijke onevenwichtigheden aan te pakken en verzoekt de EU actief deel te nemen aan constructieve onderhandelingen over een bindend VN-instrument inzake bedrijfsleven en mensenrechten, teneinde het primaat van de mensenrechten te behouden;

5.  wijst andermaal op de noodzaak om de extraterritoriale mensenrechtenverplichtingen van de lidstaten, zoals vastgesteld in de beginselen van Maastricht, volledig na te komen en om voort te bouwen op de verschillende instrumenten van de Raad van Europa, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM);

6.  onderstreept dat handel geen doel op zich is, maar dat een inclusief, op regels gebaseerd, vrij en eerlijk handelsbeleid, in overeenstemming met de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's), kan bijdragen tot de uitbanning van armoede, de belangrijkste doelstelling van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de EU, het terugdringen van ongelijkheid en het scheppen van fatsoenlijke banen; verzoekt te zorgen voor duurzame consumptie- en productiepatronen; onderstreept de noodzaak dat de ontwikkelingslanden die handelspartners van de EU zijn zorgen voor goed bestuur en eerbiediging van de rechtsstaat;

7.  benadrukt dat wereldwijde governance van de handel een integratie van de handel mogelijk zou moeten maken die echte mogelijkheden creëert voor duurzame ontwikkeling; wijst er in dit verband op dat de huidige WTO-architectuur van de bijzondere en gedifferentieerde behandeling (SDT) niet de verwachte resultaten oplevert; benadrukt dat SDT-bepalingen doeltreffender en operationeler moeten worden voor ontwikkelingslanden;

8.  herinnert aan de noodzaak om het principe van beleidscoherentie voor ontwikkeling te versterken, volgens hetwelk bij het beleid dat gevolgen kan hebben voor ontwikkelingslanden rekening moet worden gehouden met de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking; verzoekt de EU de gevolgen van haar handels- en begrotingsbeleid voor ontwikkelingslanden stelselmatig te evalueren en erop toe te zien dat haar investerings- en handelsovereenkomsten bepalingen voor onafhankelijke ex-ante en ex-post effectbeoordelingen inzake de mensenrechten, afdwingbare zorgvuldigheidsvereisten en een doeltreffend verantwoordingsmechanisme bevatten;

9.  wijst erop dat handelsovereenkomsten negatieve gevolgen kunnen hebben voor de voedselzekerheid in ontwikkelingslanden; verzoekt de EU plaatselijke voedselproductie te beschermen en schadelijke gevolgen van goedkope invoer te voorkomen, ook in het kader van de economische partnerschapsovereenkomsten;

10.  herhaalt dat de gevolgen van het handelsbeleid voor het milieu ongelijk verdeeld zijn; verzoekt derhalve de EU om milieuduurzaamheid, duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, landrechten en daadwerkelijke aandacht voor lokale en inheemse gemeenschappen in het handelsbeleid van de EU te mainstreamen;

11.  merkt op dat bilaterale en regionale vrijhandelsovereenkomsten strengere bepalingen kunnen bevatten dan die welke door de WTO zijn vastgesteld, en dat deze bepalingen nationale regeringen aanzienlijke beperkingen kunnen opleggen; stelt met name met bezorgdheid vast dat in regionale en bilaterale vrijhandelsovereenkomsten, waaronder economische-partnerschapsovereenkomsten met ACS-landen, niet voldoende aandacht wordt besteed aan de noodzaak voor ontwikkelingslanden om beleidsmaatregelen te treffen die hun voedselzekerheid en plattelandsontwikkeling ten goede komen, en dat ontwikkelingslanden dikwijls wordt belet gebruik te maken van de flexibiliteit in de WTO-akkoorden;

12.  betreurt het feit dat ten minste 218 miljoen kinderen worden uitgebuit als arbeidskrachten, met name om de kosten te drukken; roept de EU op ervoor te zorgen dat goederen die in de EU worden verhandeld volgens regelingen voor ethische certificering geen banden hebben met gedwongen arbeid en kinderarbeid, teneinde te garanderen dat de etiketten "eerlijk" en "ethisch" op betrouwbare wijze worden gebruikt en de consument een weloverwogen keuze kan maken;

13.  merkt op dat de toename van bilaterale en regionale vrijhandelsovereenkomsten vragen doet rijzen in verband met de coherentie van de mondiale handelsgovernance, en de centrale rol van de WTO bij het vaststellen van wereldwijd geldende regelgeving ondermijnt; wijst tegen deze achtergrond opnieuw op het belang van de multilaterale op regels gebaseerde orde, volgens welke alle landen gelijk vertegenwoordigd zijn, als de meest doeltreffende manier om tot inclusieve mondiale handel te komen; onderstreept het belang van afdwingbare bepalingen inzake sociale, arbeids- en milieunormen in handelsovereenkomsten en is ingenomen met de toezegging van de Commissie om in handelsovereenkomsten bindende hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling op te nemen; benadrukt dat de naleving van deze bepalingen moet worden afgedwongen door middel van doeltreffende controlemechanismen die individuele personen in staat stellen verhaal te halen; verzoekt om opname, in met ontwikkelingslanden gesloten handelsovereenkomsten, van begeleidende maatregelen, waaronder financiële steun, ter ondersteuning van de inspanningen die zij zich getroosten om internationaal overeengekomen sociale en milieunormen na te leven en toe te passen; herhaalt zijn verzoek om meer transparantie in de handel in natuurlijke hulpbronnen;

14.  herinnert eraan dat Afrika wereldwijd gezien nog steeds aan de zijlijn staat, en verzoekt de EU de ambitie van dit continent om een werkelijke intra-Afrikaanse markt tot stand te brengen, te ondersteunen en geen stappen te nemen die deze ambitie in de weg zouden kunnen staan; onderstreept in dit opzicht de noodzaak om de ontwikkeling en de positieve impact van migratie en mobiliteit te optimaliseren;

15.  verzoekt de EU rekening te houden met de verschillende mate van ontwikkeling en capaciteit van ontwikkelingslanden en de Afrikaanse landen te ondersteunen bij het verbeteren van hun productie- en verwerkingscapaciteit zodat zij minder afhankelijk worden van grondstoffen en eenvoudige verwerkte producten, hun concurrentievermogen evenals hun aanwezigheid op de wereldmarkt kunnen opvoeren en kunnen bijdragen aan het scheppen van kwaliteitsbanen en met name de rol van vrouwen in de formele en informele economie kunnen vergroten; onderstreept dat alle handelsovereenkomsten met ontwikkelingslanden moeten voorzien in voldoende asymmetrische liberaliseringsregelingen, bescherming van opkomende sectoren, oorsprongsregels die ontwikkeling begunstigen, en doeltreffende vrijwaringsclausules;

16.  steunt de oprichting van een continentale vrijhandelszone in Afrika; benadrukt dat economische partnerschapsovereenkomsten een belangrijk instrument kunnen vormen voor de bevordering van regionale integratie en duurzame ontwikkeling door handel, indien zij vergezeld gaan van passende structurele maatregelen en naar behoren gemonitord worden; onderstreept de noodzaak om de bevordering van de mensenrechten en de verwezenlijking van de Agenda 2030 centraal te stellen; onderstreept het belang van engagement met partnerlanden om tot eigen zeggenschap op het niveau van de overheid en het maatschappelijk middenveld te komen; benadrukt in dit verband het cruciale belang van het eerbiedigen, zoals is vastgelegd in SDG 17.15, van het recht van partnerlanden regels te stellen en de juiste beslissingen te nemen voor hun eigen nationale context, en tegemoet te komen aan de behoeften van hun bevolking, en het belang dat deze landen hun verplichtingen op het gebied van mensenrechten en andere internationale verbintenissen nakomen; benadrukt dat de toekomstige ACS-EU-betrekkingen gebaseerd moeten worden op een rechtvaardig en evenwichtig kader tussen gelijkwaardige partners;

17.  constateert dat er tot dusverre slechts één volledige economische partnerschapsovereenkomst (EPO) is gesloten; roept de EU dan ook op aandacht te schenken aan de problemen waarmee ontwikkelingslanden met betrekking tot EPO's in het post-Cotonou-proces te maken hebben; onderstreept met name dat er een uitgebreide analyse moet worden gemaakt van hun impact op de economieën van de Afrikaanse landen en hun respectieve arbeidsmarkten, en dat de intraregionale handel in Afrika moet worden bevorderd;

18.  betreurt het dat er elk jaar een bedrag dat hoger is dan de totale jaarlijkse officiële ontwikkelingshulp uit Afrika wegsijpelt in de vorm van illegale geldstromen; wijst op de schadelijke gevolgen van belastingontduiking voor ontwikkelingslanden, waardoor er met name veel overheidsgeld verloren gaat dat gebruikt zou kunnen worden om de economische groei, de bescherming van het milieu en de openbare dienstverlening te verbeteren maar ook om bij te dragen aan de sociale samenhang; spoort de Commissie aan om bij de onderhandelingen over handelsovereenkomsten van het bestrijden van dit ernstige probleem een prioriteit te maken en daartoe alle beschikbare middelen in te zetten; dringt erop aan dat in door de EU gesloten vrijhandelsovereenkomsten en preferentiële handelsregelingen krachtige bepalingen ter bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking worden opgenomen;

19.  herhaalt zijn oproep doeltreffende instrumenten in het leven te roepen om belastingontduiking en -ontwijking wereldwijd te bestrijden en de samenwerking op het gebied van belastingvraagstukken met ontwikkelingslanden te verbeteren, met inbegrip van de mobilisering van binnenlandse inkomsten;

20.  herinnert eraan dat er een intergouvernementeel VN-orgaan moet worden opgericht om op voet van gelijkheid met de ontwikkelingslanden de hervorming van wereldwijde belastingregels in gang te zetten;

21.  herinnert aan de gevolgen die het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de EU op ontwikkelingslanden heeft; verzoekt de EU in dit verband ervoor te zorgen dat het toekomstige GLB oplossingen zal bieden voor de problemen die verband houden met het huidige, op uitvoer gerichte landbouwmodel, door de interne markten en korte voedselvoorzieningsketens van de EU op duurzame wijze te bevorderen, zodat enerzijds de ontwikkeling van ontwikkelingslanden niet wordt belemmerd en anderzijds gezorgd kan worden voor veerkracht ten opzichte van externe schokken;

22.  benadrukt dat het belangrijk is het handelsbeleid aan te passen en af te stemmen op de ondersteuning van nationale inspanningen ter bestrijding van de klimaatverandering in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs;

23.  herinnert eraan dat in artikel 8 VWEU het volgende wordt bepaald: "Bij elk optreden streeft de Unie ernaar de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen."; merkt met bezorgdheid op dat het moeilijk blijft om de verhouding tussen handel en gender te beoordelen, op grond van een aantal factoren waaronder een gebrek aan gegevens; benadrukt dat het van belang is beter inzicht te verkrijgen in genderdynamieken die verband houden met handelsovereenkomsten; dringt erop aan dat alle handelsovereenkomsten van de EU gendergelijkheid bevorderen en streven naar het terugdringen van ongelijkheden;

24.  dringt aan op transparantie in handelsovereenkomsten en op volledige participatie van het maatschappelijk middenveld van de betrokken partnerlanden bij de onderhandelingen over en tenuitvoerlegging van toekomstige handelsovereenkomsten;

25.  is er groot voorstander van digitale technologieën en diensten nog meer tot een algemeen onderdeel van het EU-ontwikkelingsbeleid te maken; verzoekt de Commissie de investeringen in de ontwikkeling van digitale infrastructuur op het zuidelijk halfrond te verhogen;

26.  is ingenomen met het EU-plan voor externe investeringen dat tot doel heeft duurzame groei, investeringen en het scheppen van banen in ontwikkelingslanden aan te moedigen; roept op tot uitbreiding van het huidige EIB-mandaat voor externe leningen, om de rol van het EIB bij het tot stand brengen van duurzame ontwikkeling te vergroten - door middel van blending, cofinanciering van projecten en ontwikkeling van de lokale particuliere sector - met bijzondere aandacht voor de minst ontwikkelde landen en fragiele staten;

27.  onderstreept dat er grote lacunes bestaan op het gebied van transparantie en traceerbaarheid, hetgeen ernstige twijfel doet ontstaan aan de integriteit van verschillende regelingen voor ethische audits en certificering in toeleveringsketens;

28.  is ingenomen met de in 2017 geactualiseerde "Aid for Trade"-strategie van de Commissie die tot doel heeft de EU-steun aan ontwikkelingslanden te verbeteren en te moderniseren; roept op tot meer inspanningen en meer financiële toezeggingen van de EU in het kader van "Aid for Trade"-initiatieven, teneinde ontwikkelingslanden, met name de minst ontwikkelde landen, te helpen bij het tot stand brengen van welvaart via handel en investeringen, en hun maatregelen ter verwezenlijking van de SDG's te steunen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

29.8.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

1

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Mireille D’Ornano, Heidi Hautala, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Stelios Kouloglou, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Lola Sánchez Caldentey, Jean-Luc Schaffhauser, Elly Schlein, Mirja Vehkaperä, Bogdan Brunon Wenta, Anna Záborská, Joachim Zeller, Željana Zovko

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Frank Engel, Ádám Kósa, Cécile Kashetu Kyenge, Paul Rübig, Kathleen Van Brempt

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

20

+

ALDE

Beatriz Becerra Basterrechea, Mirja Vehkaperä

EFDD

Ignazio Corrao, Mireille D’Ornano

GUE/NGL

Stelios Kouloglou, Lola Sánchez Caldentey

PPE

Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Ádám Kósa, Paul Rübig, Bogdan Brunon Wenta, Joachim Zeller, Željana Zovko

S&D

Cécile Kashetu Kyenge, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Elly Schlein, Kathleen Van Brempt

VERTS/ALE

Heidi Hautala, Maria Heubuch

1

-

ENF

Jean-Luc Schaffhauser

2

0

PPE

Frank Engel, Anna Záborská

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (22.6.2018)

aan de Commissie internationale handel

inzake het in goede banen leiden van de mondialisering: handelsaspecten

(2018/2005(INI))

Rapporteur voor advies: Karin Kadenbach

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  neemt kennis van de mededeling van de Commissie getiteld "Een evenwichtig en vooruitstrevend handelsbeleid om de mondialisering in goede banen te leiden"(1), maar vindt dat die niet ver genoeg gaat wat de bescherming van EU-landbouwers betreft; maakt zich zorgen over het gebrek aan aandacht in deze mededeling voor de ongelijke effecten van de mondialisering, onder meer vanuit het perspectief van de landbouwsector, die wordt getroffen door onevenwichtige concurrentie op zowel de EU-markt als de buitenlandse markten, met verscheidene wereldwijde spelers die intensieve, exportgeoriënteerde en sterk concurrerende landbouwsystemen hebben ontwikkeld, waardoor een mondiaal gelijk speelveld in de landbouwsector niet gewaarborgd is;

2.  erkent dat de EU verreweg de grootste exporteur is van agrovoedingsmiddelen; wijst in dit verband op het dubbele fenomeen dat de EU enerzijds haar marktgerichtheid en de verenigbaarheid met de WTO-regels moet behouden, terwijl anderzijds specifieke landbouwsectoren niet bestand zijn tegen een volledige handelsliberalisering en ongebreidelde concurrentie bij de import;

3.  wijst erop dat de mondialisering van de handel voordelen met zich meebrengt zoals groei, een betere levensstandaard en betere economische kansen, maar dat de voordelen niet altijd gelijk verdeeld zijn tussen of binnen landen;

4.  herinnert eraan dat de EU-landbouwsector een groot exportpotentieel heeft, dat moet worden ondersteund door evenwichtige handelsovereenkomsten met derde landen;

5.  herinnert eraan dat het EU-handelsbeleid niet alleen over belangen gaat, maar ook over waarden;

6.  benadrukt dat het beleid inzake handel en landbouw met elkaar vervlochten is, en dat het EU-handelsbeleid een instrument is voor het bevorderen van de landbouwbelangen van de EU en daarom kan bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB);

7.  wijst erop dat het handels- en landbouwbeleid de kern vormen van de uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de bijbehorende duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's); merkt op dat door te streven naar een inclusief, vrij en eerlijk handelsbeleid en de handel in overeenstemming te brengen met de SDG's een aanzienlijke bijdrage kan worden geleverd aan het wereldwijd uitbannen van armoede en honger;

8.  roept de EU op systematisch de gevolgen van haar handelsbeleid op de duurzameontwikkelingsdoelstellingen te beoordelen, en vraagt een beoordelingsmechanisme in te stellen om de samenhang van alle EU-strategieën en beleidsmaatregelen te verzekeren;

9.  erkent in dit verband dat de WTO een onderhandelingsforum is dat handelsregels vaststelt, en dat de WTO-lidstaten zelf beslissen hoever ze willen gaan inzake het opheffen van handelsbelemmeringen en -verstoringen; herinnert eraan dat de EU via bilaterale overeenkomsten handelsvoorwaarden kan instellen die verder gaan dan het WTO-vangnet;

10.  benadrukt dat het in goede banen leiden van de mondialisering inhoudt dat er zowel moet worden gewerkt aan een grotere wereldwijde discipline om oneerlijke concurrentie en verstoring van de handel te voorkomen in de landbouwsector, als aan het vermijden van blootstelling van gevoelige EU-landbouwsectoren aan concurrentie van ingevoerde producten waarvoor geen gelijkwaardige regels, kosten en beperkingen gelden met betrekking tot kwaliteitsnormen en voedselveiligheid; benadrukt dat de EU voor hoge normen ijvert op het gebied van dierenwelzijn, het milieu, fundamentele arbeids- en sociale rechten, voedselveiligheid en consumentenbescherming, om er maar enkele te noemen; herinnert eraan dat alle invoer in de EU moet voldoen aan de EU-normen inzake voedselveiligheid en dierenwelzijn volgens het Europese systeem "van boer tot bord";

11.  benadrukt dat er een instrument moet worden ingevoerd om opnieuw eerlijkere concurrentievoorwaarden in te stellen en actie te ondernemen tegen landen en ondernemingen die zich inlaten met oneerlijke concurrentie; is van mening dat een striktere toepassing van de EU-regels er ook voor zal zorgen dat alle ondernemingen die in de EU aanwezig of actief zijn en die de regels overtreden, daadwerkelijk worden gestraft;

12.  herinnert eraan dat de EU-agrovoedingsproducten aan de hoogste normen ter wereld voldoen; vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat ingevoerde landbouwproducten voldoen aan de EU-normen en verzoekt de controle op ingevoerde agrovoedingsmiddelen te versterken, zowel op de plaats van herkomst als bij binnenkomst in de EU;

13.  dringt aan op gemeenschappelijke maatregelen inzake productinformatie en -etikettering en op de invoering van een verplicht systeem van oorsprongsetikettering;

14.  benadrukt dat handelsovereenkomsten evenwichtig moeten zijn, waarborgen moeten bevatten voor gevoelige EU-landbouwsectoren, eerlijke concurrentie moeten bevorderen en de geografische aanduidingen van de EU en haar strenge normen inzake milieu, voedselveiligheid en dierenwelzijn moeten handhaven;

15.  dringt erop aan dat het voorzorgsbeginsel zoals vastgesteld in artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt opgenomen in alle handelsovereenkomsten waarover momenteel wordt onderhandeld en alle toekomstige handelsovereenkomsten om, wanneer nodig, een hoger beschermingsniveau te garanderen door preventieve besluitvorming in geval van risico voor de menselijke gezondheid of het milieu, zonder beperkingen van handelspartners en de WTO;

16.  herinnert eraan dat het voorzorgsbeginsel zoals vastgesteld in het kader van de WTO-overeenkomst niet hetzelfde is als het voorzorgsbeginsel dat in de EU wordt toegepast; verzoekt daarom dat, in tegenstelling tot de geldende WTO-bepalingen, voorzorgsmaatregelen kunnen worden genomen in geval van een gerechtvaardigd vermoeden zonder wetenschappelijk bewijs (bijv. handelsbeperkende maatregelen zoals een invoerverbod en het weigeren van een handelsvergunning); vraagt daarom dat de bewijslast met betrekking tot wetenschappelijk bewijs komt te liggen bij de voorstander, ontwikkelaar, producent of invoerder van stoffen of producten die als schadelijk voor de menselijke gezondheid of het milieu worden beschouwd, in het bijzonder wat betreft minder strenge sanitaire en fytosanitaire normen, hygiëneproblemen in vleesverwerkingsbedrijven en mogelijke residuen van gewasbeschermingsmiddelen;

17.  wijst erop dat handelsovereenkomsten cruciaal zijn om eventuele nieuwe kansen te creëren ter bevordering van EU-belangen met betrekking tot verwerkte en onverwerkte levensmiddelen; wijst er voorts op dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan een grotere transparantie van handelsovereenkomsten, die tevens een groot risico inhouden voor gevoeligere landbouwsectoren in de EU die reeds zijn getroffen door de crisis of erg te lijden hebben gehad onder prijsvolatiliteit en die bijgevolg een speciale behandeling moeten krijgen, waarbij de desbetreffende producten indien nodig buiten de overeenkomst moeten worden gehouden en gebruik moet worden gemaakt van met de WTO verenigbare instrumenten om een gelijk speelveld te waarborgen tussen landbouwers in de EU en in derde landen;

18.  verzoekt dringend de grootste voorzichtigheid aan de dag te leggen met betrekking tot de liberalisering van de toegang tot de markt in kwetsbare landbouwsectoren; dringt erop aan dat er voorafgaand aan de start van onderhandelingen systematische effectbeoordelingen worden verricht die worden voorbereid door de Commissie, om specifiek rekening te houden met die gevoeligheden en specifieke strategieën op te stellen om te waarborgen dat de landbouwsector geen schade zal lijden; vestigt de aandacht op de toenemende invloed van externe factoren en speculatie op de wereldwijde agrovoedingsmiddelenmarkt; merkt op dat het voor sommige landbouwsectoren dikwijls de cumulatieve impact van een aantal overeenkomsten is, in plaats van de impact van één vrijhandelsakkoord, die schade kan toebrengen op het gebied van prijzen en productie; verzoekt de Commissie daarom de informatie waarover zij beschikt in verband met de mogelijke gevolgen van toegenomen concurrentie voor kwetsbare landbouwsectoren als de rundvleesproductie regelmatig bij te werken, aangezien het hier om lage-inkomenssectoren gaat die kwetsbaar zijn voor concurrentie;

19.  is van mening dat een verdere openstelling van de EU-markt in gevoelige landbouwsectoren, in het kader van handelsovereenkomsten, rampzalige gevolgen kan hebben voor de EU-producenten; herinnert de Commissie er daarom aan dat het onaanvaardbaar zou zijn de belangen van de EU-landbouw en de gevoelige EU-landbouwsectoren op te offeren om een handelsovereenkomst te bereiken;

20.  wijst op het belang van een efficiënte uitvoering van de gesloten handelsovereenkomsten om ervoor te zorgen dat onze landbouwers ten volle kunnen genieten van de exportmogelijkheden die worden geboden door dergelijke overeenkomsten, zoals in het geval van de Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen de EU en Canada (CETA);

21.  benadrukt dat op wereldniveau nieuwe handelsregels en -voorschriften moeten worden ontwikkeld om de sociale, productie- en milieunormen in de agrovoedingssector te regelen en te harmoniseren;

22.  benadrukt onze verantwoordelijkheid tegenover ontwikkelingslanden; vraagt gebruik te maken van indicatoren die eerlijke en duurzame handel voor arme gemeenschappen bevorderen, niet enkel handel op zich; herinnert eraan dat de SDG's moeten worden opgenomen in het handelsbeleid op alle niveaus om het risico op schade aan de bestaansmiddelen van personen te voorkomen, door echte kansen te bieden aan ontwikkelingslanden en ervoor te zorgen dat ontwikkelingssamenwerking, die ook gericht is op de versterking van de landbouwproductie in die landen, niet wordt ondermijnd door handelsovereenkomsten;

23.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de richting die de lopende onderhandelingen over vrijhandel met Mercosur momenteel uitgaan, die volgens gelekte informatie niet zou leiden naar een eerlijke en evenwichtige overeenkomst; neemt er nota van dat de Commissie van plan is alle lopende onderhandelingen te versnellen; is echter van mening dat de onderhandelingen in de eerste plaats tot doel moeten hebben een evenwichtig resultaat te bereiken voor alle landbouwsectoren, en dat dit voorrang moet krijgen op een snelle afronding; is bezorgd dat de afronding van de onderhandelingen kan leiden tot belangrijke concessies in sectoren als die van rundvlees, suiker, pluimvee, sinaasappelsap, rijst en biobrandstoffen, waardoor de levensvatbaarheid van de lokale productie in vele regio's van de EU en vooral in achterstandsgebieden mogelijk op de helling komt te staan en er een rechtstreekse neerwaartse druk op de prijzen van EU-producenten kan ontstaan; herinnert eraan dat in het verslag van de Commissie van 2016 over de cumulatieve economische effecten van toekomstige handelsakkoorden op de EU-landbouw een scherpe daling van de prijs van rundvlees en een daling van de prijs van boter en schapen werd voorspeld als gevolg van lopende en recent afgeronde onderhandelingen;

24.  wijst erop dat de Commissie 20 Braziliaanse bedrijven heeft geschrapt van de lijst van instellingen die momenteel een vergunning hebben om vlees- en pluimveeproducten uit te voeren naar de EU, als gevolg van tekortkomingen die zijn vastgesteld in het Braziliaanse controlesysteem en de flagrante onregelmatigheden op het gebied van gezondheid, identificatie en traceerbaarheid van dit systeem, zoals is gebleken uit de verschillende schandalen van maart 2017 in de rund- en kalfsvleessector en van maart 2018 in de pluimveevleessector; roept de Commissie op pluimvee-, rund- en kalfsvlees buiten de vrijhandelsonderhandelingen met Mercosur te houden tot het Braziliaanse vleesschandaal naar behoren is onderzocht en er een volledig sluitende waarborg is verschaft dat de Zuid-Amerikaanse invoer van vlees voldoet aan de EU-regels;

25.  wijst erop dat de EU in het licht van de WTO-crisis en het toenemende protectionisme van de VS wordt geconfronteerd met de kans en de noodzaak zich op te stellen als een partij die mondiale oplossingen in de internationale handel kan aanreiken, o.a. wegens haar uitgebreide ervaring in het harmoniseren van normen, die ze heeft verworven tijdens de oprichting van de gemeenschappelijke markt en tijdens het proces van de integratie in deze markt van landen van het vroegere socialistische blok;

26.  is verheugd over de handelsovereenkomst van de EU met Japan, de vierde grootste landbouwexportmarkt van de EU, die goede exportmogelijkheden zal verschaffen voor vele EU-landbouwproducten, zoals zuivelproducten;

27.  wijst op de bezwaren die het heeft geformuleerd in zijn twee resoluties van 26 oktober 2017 over het onderhandelingsmandaat voor de handelsbesprekingen met Australië en Nieuw-Zeeland(2) en de nadruk die het Parlement legt op de noodzaak in te zien "dat een aantal gevoelige landbouwproducten een passende behandeling moet krijgen, bijvoorbeeld door tariefcontingenten of adequate overgangsperioden, en er voldoende rekening moet worden gehouden met de cumulatieve impact van handelsovereenkomsten op het gebied van landbouw en de meest gevoelige sectoren mogelijk buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de onderhandelingen"; neemt er nota van dat de Commissie de onderhandelingen met Australië en Nieuw-Zeeland wil afronden tegen maart 2019 en de onderhandelingen in een versneld tempo wil voeren, maar benadrukt dat een snelle afronding van de onderhandelingen niet ten nadele van enige sector mag zijn, in het bijzonder de EU-landbouwsector;

28.  wijst op zijn resolutie van 3 mei 2018 over de huidige situatie en toekomstperspectieven van de sector schapen en geiten in de EU, en met name op paragraaf 62, waarin de Commissie dringend wordt verzocht voorzichtig te zijn bij het onderhandelen van de nieuwe vrijhandelsovereenkomsten met Nieuw-Zeeland en Australië in afwachting van haar analyse van de gevolgen van de brexit voor de schapen- en geitenhouderij, in het bijzonder met betrekking tot de toekomst van het contingent van 287 000 ton equivalent geslacht gewicht voor schapenvlees dat door de EU is toegekend aan Nieuw-Zeeland; wijst erop dat er rekening mee moet worden gehouden dat Nieuw-Zeeland en Australië de afgelopen jaren meer vers en gekoeld vlees zijn gaan uitvoeren en de traditionele uitvoer van bevroren vlees hebben afgebouwd, waardoor hun effect op de EU-markt voor vers vlees toeneemt en de prijzen die aan EU-producenten worden betaald, dalen, en is van mening dat de lopende handelsbesprekingen moeten worden aangegrepen om die posten op te splitsen in afzonderlijke contingenten;

29.  onderstreept het belang van, enerzijds, het opnemen van doeltreffende en snel beschikbare bilaterale vrijwaringsclausules die de tijdelijke schorsing van voorkeursregelingen mogelijk maken indien, wegens de inwerkingtreding van de handelsovereenkomst, een toename van de import ernstige schade zou berokkenen of dreigen te berokkenen aan gevoelige sectoren, en anderzijds, de herziening van de bestaande multilaterale vrijwaringsmechanismen in Verordening (EU) nr. 1308/2013 (integrale-GMO-verordening)(3), die een preventieve rol moeten spelen voor gevoelige sectoren op basis van referentievolumedrempels en prijsdrempels die de automatische en opschortende inwerkingstelling van de vrijwaringsmechanismen mogelijk moeten maken van zodra die drempels worden bereikt;

30.  wijst erop dat het totale aantal boerderijen in de EU tussen 2005 en 2013 met 26 % is gedaald; wijst erop dat de landbouwproductie in sommige lidstaten nu plaatsvindt in minder talrijke, grotere en kapitaalintensievere boerderijen, en wijst erop dat dit consolideringsproces zich naar verwachting zal voortzetten en gevolgen heeft en zal blijven hebben voor de generatievernieuwing, in het bijzonder met betrekking tot de toegang tot land en het behoud van de leefbaarheid van boerderijen;

31.   onderstreept hoe belangrijk het is dat de lidstaten in verband met het screenen van buitenlandse directe investeringen (BDI) op de EU-markt met elkaar blijven praten en een degelijke coördinatie tot stand brengen, in het bijzonder op het gebied van landbouwgronden en bosarealen; beklemtoont dat moet worden voorkomen dat al te veel landbouwgronden en bossen in buitenlandse handen terechtkomen; wijst in dit verband op zijn resolutie van 27 april 2017 over de stand van zaken in verband met de concentratie van landbouwgrond in de EU(4) en roept de Europese Commissie op de richtsnoeren betreffende de wettelijke beperkingen inzake de tussenkomst van lidstaten voor het reguleren van de aankoop van land, die in de herfst van 2017 zijn bekendgemaakt, te verduidelijken en aan te vullen met de invoering van bijkomende goede praktijken die landroof veel moeilijker maken; meent dat de Commissie nog niet al het mogelijke heeft gedaan om landroof in de EU op doeltreffende wijze te verminderen; benadrukt dat handelsovereenkomsten in voorkomend geval ook de vrijwillige richtsnoeren van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) voor een verantwoord beheer van het beschikkingsrecht over land, visgronden en bossen moeten volgen;

32.  wijst erop dat het voor de EU van strategisch belang is om een hoge mate van voedselonafhankelijkheid te handhaven; is van mening dat de mondialisering van de handel de levensvatbaarheid van de EU-agrovoedingsproductie niet in het gedrang mag brengen, aangezien dat op de lange termijn tot een soortgelijke afhankelijkheid van derde landen kan leiden als in de energiesector;

33.   verzoekt de Commissie krachtig te reageren op de aanvallen van de VS op de met de WTO verenigbare mechanismen van het GLB door ongerechtvaardigde handelsbeschermingsmaatregelen op te leggen, en dit beleid, dat essentieel is voor onze landbouwers en de plattelandsgebieden van de EU, te verdedigen; wijst in dit verband op zijn resolutie van 15 maart 2018 over de aanval van de VS op de landbouwsteun van de EU in het kader van het GLB (in de context van Spaanse olijven)(5); benadrukt dat het Amerikaanse besluit, dat de wettelijkheid van ons GLB in vraag stelt, een aanval vormt op de inspanningen die EU-landbouwers tientallen jaren lang hebben gedaan om te voldoen aan de internationale regels, en is verontrust over de mogelijke proliferatie van deze maatregelen naar andere begunstigden van betalingen in het kader van het GLB; erkent het belang van de WTO voor het verzekeren van een vlot verloop van de wereldhandel in een tijd waarin het protectionisme terrein wint;

34.   vestigt de aandacht op de toenemende effecten van externe factoren op de situatie van de EU-agrovoedingssector en wijst erop dat handelsbelemmeringen hinderpalen opwerpen voor EU-landbouwers door de uitvoer van landbouwproducten te beperken, zonder uit het oog te verliezen dat de importstructuur en productiestructuur in de exportmarkt op lange termijn veranderen; wijst erop dat EU-landbouwproducten nog steeds van de Russische markt worden geweerd;

35.  dringt er bij de Commissie op aan op haar beurt een onderzoek in te stellen naar mogelijke handelsverstorende landbouwsubsidies van de VS, zoals de steun aan de amandelsector;

36.  roept de EU op voorstellen te doen in de WTO voor het bevorderen van transparantie op het gebied van subsidies aan de industrie en het beperken van het gebruik van schadelijke subsidies in de landbouwsector;

37.  uit zijn bezorgdheid over de stijging met 40 % van de invoer van Indicarijst uit Cambodja sinds 2009 ten gevolge van de "alles behalve wapens"-regeling voor rechtenvrije invoer, en over het voornemen om in het kader van de vrijhandelsovereenkomst waarover met Mercosur wordt onderhandeld een rechtenvrij contingent van 45 000 ton toe te kennen aan producenten van Japonicarijst uit die regio; is van mening dat de Commissie een studie moet verrichten naar de effecten op de EU-rijstsector, die in sommige regio's al tekenen van instorting vertoont, van alle handelsconcessies die nu al bestaan of waarover momenteel wordt onderhandeld en die bedoeld zijn om de invoer van deze producten in de EU te bevorderen;

38.  is verheugd over het initiatief van de Commissie om een adviesgroep over EU-handelsbesprekingen op te richten, bestaande uit vertegenwoordigers van een brede en evenwichtige groep van belanghebbende partijen; dringt er ten stelligste op aan dat er in de samenstelling van een dergelijke groep wordt gezorgd voor een sterke vertegenwoordiging van EU-landbouworganisaties, met inbegrip van kleinschalige, middelgrote en zelfvoorzienende landbouwers, gezien de grote gevolgen van de meeste van die besprekingen voor de landbouwsector;

39.  uit zijn bezorgdheid over de consequenties van de brexit voor de landbouwsector en verzoekt de Commissie rekening te houden met de lopende brexitonderhandelingen en de gevolgen van de brexit voor de landbouwsector van de EU bij de uitvoering van haar agenda van intensieve handel;

40.  waarschuwt voor het gevaar van een ernstig onevenwicht in de landbouwbepalingen van handelsovereenkomsten ten nadele van de EU, en voor de tendens om landbouw als pasmunt te gebruiken voor een grotere toegang tot de markt van derde landen voor industriële goederen en diensten; wijst erop dat de landbouwsector zelf bitter weinig informatie krijgt voordat de overeenkomsten zijn gesloten; neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor het nemen van tegenmaatregelen als reactie op het opleggen door de VS van invoerrechten voor staal en aluminium uit de EU; merkt op dat deze maatregelen geen negatieve gevolgen mogen hebben voor EU-landbouwers;

41.  verzoekt de Commissie een openbaar register bij te houden van alle vergaderingen met belangengroepen en lobbyisten in het kader van onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten;

42.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de aanbevelingen van de adviesgroep bindend en afdwingbaar zijn;

43.  is verheugd dat de Commissie haar aanbevelingen in verband met onderhandelingsrichtsnoeren voor handelsovereenkomsten voortaan zal publiceren en die aanbevelingen automatisch zal doorsturen naar de nationale parlementen, en dat ze deze tevens beschikbaar stelt voor het publiek.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.6.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

33

2

9

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Richard Ashworth, José Bové, Daniel Buda, Nicola Caputo, Matt Carthy, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Diane Dodds, Jørn Dohrmann, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Luke Ming Flanagan, Karine Gloanec Maurin, Beata Gosiewska, Martin Häusling, Esther Herranz García, Jan Huitema, Peter Jahr, Ivan Jakovčić, Zbigniew Kuźmiuk, Norbert Lins, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Giulia Moi, Ulrike Müller, Maria Noichl, Marijana Petir, Bronis Ropė, Maria Lidia Senra Rodríguez, Czesław Adam Siekierski, Marc Tarabella, Maria Gabriela Zoană, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Franc Bogovič, Karin Kadenbach, Elsi Katainen, Anthea McIntyre, Momchil Nekov, Miguel Viegas

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Krzysztof Hetman

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

33

+

ECR

Jørn Dohrmann, Beata Gosiewska, Zbigniew Kuźmiuk, Anthea McIntyre

EFDD

Marco Zullo

ENF

Philippe Loiseau

GUE/NGL

Matt Carthy, Luke Ming Flanagan, Miguel Viegas

NI

Dianne Dodds

PPE

Richard Ashworth, Franc Bogovič, Daniel Buda, Michel Dantin, Albert Deß, Norbert Erdős, Esther Herranz García, Krzysztof Hetman, Peter Jahr, Norbert Lins, Mairead McGuinness, Marijana Petir, Czesław Adam Siekierski

S&D

Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Nicola Caputo, Paolo De Castro, Karine Gloanec Maurin, Karin Kadenbach, Momchil Nekov, Maria Noichl, Marc Tarabella, Maria Gabriela Zoană

2

-

EFDD

John Stuart Agnew

GUE/NGL

Maria Lidia Senra Rodríguez

9

0

ALDE

Jan Huitema, Ivan Jakovčić, Elsi Katainen, Ulrike Müller

EFDD

Giulia Moi

PPE

Herbert Dorfmann

VERTS/ALE

José Bové, Martin Häusling, Bronis Ropė

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

COM(2017)0492.

(2)

Aangenomen teksten, respectievelijk P8_TA(2017)0419 en P8_TA(2017)0420.

(3)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0197.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0091.


ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (26.6.2018)

aan de Commissie internationale handel

inzake het in goede banen leiden van de mondialisering: handelsaspecten

(2018/2005(INI))

Rapporteur voor advies: Francis Zammit Dimech

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien de artikelen 167 en 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 12 van het VN-Verdrag inzake de bescherming en bevordering van de verscheidenheid van culturele uitdrukkingsvormen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 mei 2007 over een Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering (COM(2007)0242) en gezien de resolutie van de Raad van 16 november 2007 over een Europese agenda voor cultuur(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 september 2012 getiteld "Steun aan culturele en creatieve sectoren ten behoeve van groei en banen in de EU" (COM(2012) 537),

–  gezien de Unesco-Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen van 1970 en het Verdrag van Unidroit inzake gestolen of onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen van 1995,

–  gezien artikel 27 van de Universele Verklaring inzake de rechten van de mens over het recht om deel te nemen aan het culturele leven,

–  gezien Richtlijn 2012/28/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 inzake bepaalde toegestane gebruikswijzen van verweesde werken(2),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden getiteld "Naar een EU-strategie voor internationale culturele betrekkingen" (JOIN(2016)0029),

–  gezien de algemene verordening gegevensbescherming van de EU die al sinds 25 april 2018 van kracht is(3),

–  gezien de artikelen 10 en 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 2010,

A.  overwegende dat de EU gemachtigd is om beleidsmaatregelen op het gebied van de handel in culturele en audiovisuele diensten vast te stellen met het doel de diversiteit van culturele uitdrukkingsvormen alsmede cultureel erfgoed te beschermen en te bevorderen, en een bijdrage te leveren aan de verwezenlijking van duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 4 over kwalitatief onderwijs; overwegende dat deze andere bepalingen ook het gemeenschappelijk handelsbeleid omvatten, zoals vastgelegd in artikel 207 VWEU;

B.  overwegende dat artikel 3, lid 3, VEU bevestigt dat "de EU [...] haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal [eerbiedigt] en [toeziet] op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed";

C.  overwegende dat het VN-Verdrag inzake de bescherming en bevordering van de verscheidenheid van culturele uitdrukkingsvormen oproept tot bilaterale, regionale en internationale samenwerking om de diversiteit van culturele uitdrukkingsvormen te beschermen en te stimuleren, alsmede een interculturele dialoog aan te moedigen om bruggen tussen volkeren te bouwen;

D.  overwegende dat de EU de verantwoordelijkheid op zich moet nemen om haar Europese agenda voor cultuur in een mondialiserende wereld te moderniseren, wat inhoudt dat zij een nauwkeurige definitie moet geven van mediadiensten en een duidelijk kader moet scheppen voor de media in openbare instellingen en particuliere bedrijven in Europa;

E.  overwegende dat de vrije stroom van informatie, inclusief toegang tot Europese nieuwszenders, kan zorgen voor een beter bestuur in de ontwikkelingswereld;

F.  overwegende dat de EU intellectuele-eigendomsrechten verder moet ontwikkelen om de wettelijke exploitatie te dekken van verweesde werken in musea, archieven, bibliotheken en andere onderzoeksfaciliteiten die cultureel erfgoed beheren;

G.  overwegende dat Europa een rijke variëteit van tradities heeft en sterke culturele en creatieve industrieën, kleine en middelgrote ondernemingen en verschillende organen voor publieke media en verschillende systemen voor de publieke financiering van films, en overwegende dat de bevordering van culturele diversiteit, toegang tot cultuur en democratische dialoog een leidraad moeten blijven, in overeenstemming met EU-benadering van internationale handel;

H.  overwegende dat in de context van mondialisering, internationale samenwerking en uitwisseling, een brede definitie van cultuur nodig is om er zowel nieuwe hybride vormen van culturele expressie als materieel en immaterieel cultureel erfgoed onder te laten vallen, inclusief inheemse en traditionele kunstpraktijken, om het fluïde en steeds veranderende karakter van cultuur te weerspiegelen;

I.  overwegende dat de culturele en creatieve industrieën bijdragen tot het scheppen van fatsoenlijk werk en tot economische welvaart en goed zijn voor 2,6 % van het bbp van de EU, met een hoger groeipercentage dan de rest van de economie en overwegende dat deze sector een van de meest veerkrachtige sectoren was tijdens de financiële crisis; overwegende dat de ontwikkeling van de handel in goederen en diensten van de culturele en de creatieve sectoren een drijvende kracht zal zijn achter economisch duurzame groei en het scheppen van banen in Europa;

J.  overwegende dat in de verordening gegevensbescherming strenge normen voor de verwerking van persoonsgegevens worden vastgesteld, die een bepaalde mate van verantwoordelijkheid vereisen van de kant van de platforms en streamingsdiensten bij de regulering van de internationale handel;

K.  overwegende dat de EU een overschot heeft in de handel van culturele goederen en culturele diensten met de rest van de wereld;

L.  overwegende dat de EU een tekort heeft in de handel van audiovisuele en aanverwante diensten;

M.  overwegende dat de culturele en taaldiversiteit een van de kernwaarden van de EU vormt en deel uitmaakt van haar beleid op het gebied van culturele diplomatie;

N.  overwegende dat innovatie en creativiteit nodig zijn om te zorgen voor een duurzamer ontwikkeling van steden, regio’s en samenlevingen als geheel, en essentieel zijn om oplossingen te vinden voor de problemen waar onze samenlevingen mee kampen;

O.  overwegende dat de bescherming van de persoonsgegevens en het recht op bescherming van de privésfeer grondrechten zijn en daarom ononderhandelbaar zijn in handelsovereenkomsten;

P.  overwegende dat het Europees Jaar van het cultureel erfgoed 2018 ook een toezegging omvat om de illegale handel in cultuurgoederen te bestrijden;

Q.  overwegende dat cultuur een drijvende kracht is voor innovatie en gedragsverandering doordat er nieuwe levensstijlen en paradigma’s voor duurzame ontwikkeling worden gecreëerd, dat er vanuit de gemeenschap en van onderop initiatieven kunnen ontstaan die noodzakelijk zijn voor een lokaal begrip van mondialisering en duurzame ontwikkeling, en dat cultuur zo bijdraagt tot en faciliterend werkt voor de verwezenlijking van veel bestaande doelstellingen voor duurzame ontwikkeling;

R.  overwegende dat het in goede banen leiden van mondialisering van de handel in cultuurgoederen een strikte naleving van alle internationale verdragen inzake de bescherming van cultureel erfgoed impliceert, met name van het Verdrag van Den Haag van 1954, de Unesco-overeenkomst van 1970 en het Verdrag van Unidroit van 1995;

S.  overwegende dat ambachten en de productie van kunstwerken bijzonder belangrijk zijn voor plaatselijke ontwikkeling;

T.  overwegende dat interculturele dialoog respect en wederzijds begrip stimuleert, en eerlijker sociale en economische uitwisselingen aanmoedigt, inclusief handel, waardoor er praktijken kunnen worden ontwikkeld die de belangen van alle partijen bevorderen op een meer evenwichtige en respectvolle wijze om oneerlijke praktijken zoals corrupte bepalingen en opgelegde unilaterale voorwaarden te bestrijden;

1.  benadrukt dat cultuur en onderwijs, inclusief levenslang leren, gemeenschappelijke goederen zijn, dat toegang tot cultuur en onderwijs een mensenrecht is en dat cultuur en onderwijs niet mogen worden beschouwd of beheerd op dezelfde wijze als willekeurige goederen of diensten, maar als gemeenschappelijke goederen die in stand moeten worden gehouden en moeten worden verbeterd; dringt er daarom op aan dat culturele, audiovisuele en educatieve diensten, ook online, duidelijk moeten worden uitgesloten in handelsovereenkomsten tussen de Unie en derde landen, zoals TTIP;

2.  hamert daarom op de essentiële rol van het Unesco-Verdrag van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen voor internationale handelsovereenkomsten, waarin rekening gehouden moet worden met de relevante bepalingen ervan en waarin deze moeten worden nageleefd;

3.  benadrukt dat mondialisering een gunstige gelegenheid vormt voor de culturele en creatieve industrieën van de Europese Unie door de verbeterde toegang tot Europese cultuur die zij de rest van de wereld biedt en het ontstaan van een mondiale kweekvijver voor talent;

4.  is van mening dat er op evenwichtige wijze moet worden onderhandeld over auteursrechten om ervoor te zorgen dat zij niet worden uitonderhandeld tot de laagste gemeenschappelijke noemer maar gericht zijn op zo goed mogelijke regels om cultureel erfgoed te beschermen, culturele diversiteit te bevorderen en te zorgen voor een inkomen voor degenen die werkzaam zijn in de culturele en mediasector, dat zij creativiteit, de verspreiding van kennis en inhoud en gebruikersrechten in het digitale tijdperk stimuleren en vergroten, en dat zij een open en op regels gebaseerd handelskader vormen dat van essentieel belang is voor het welvaren van de culturele en creatieve industrieën in de Europese Unie;

5.  dringt er andermaal op aan dat de EU in handelsonderhandelingen met derde landen gebruik maakt van haar recht om maatregelen (met name van regelgevende en/of financiële aard) vast te stellen of te handhaven, inclusief een wettelijk bindende algemene bepaling, op het gebied van bescherming en bevordering van culturele en taalverscheidenheid, cultureel erfgoed, vrijheid van meningsuiting, mediapluralisme en mediavrijheid, ongeacht de gebruikte technologie of het gebruikte distributieplatform;

6.  dringt er bij de Commissie op aan toegang tot Europese informatiediensten in toekomstige handelsovereenkomsten te bevorderen;

7.  is van mening dat culturele en educatieve uitwisselingen tussen de EU en haar partners bijdragen tot een wederzijds duurzame ontwikkeling, groei, sociale cohesie, democratie, economische welvaart en het scheppen van fatsoenlijk werk, in overeenstemming met de agenda voor waardig werk van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), inclusief in de coöperatieve sector;

8.  is van mening dat in een gemondialiseerde wereld redactionele verantwoordelijkheid in mediadiensten en online-platforms een belangrijk instrument zou moeten zijn ter bestrijding van nepnieuws en haatzaaien en dat in handelsovereenkomsten eerlijke concurrentie in advertentie-activiteiten moet worden bewerkstelligd;

9.  wijst er nogmaals op dat cultuur- en onderwijsbeleid, op basis van democratische en gedeelde waarden, alsmede toegang tot cultureel erfgoed, van essentieel belang zijn om te zorgen voor sociale cohesie, solidariteit, actieve deelname van burgers, veerkracht en eerlijke verdeling van welvaart en concurrentievermogen, en dat zij burgers kunnen voorzien van de kennis en de sociale en overdraagbare vaardigheden, zoals interculturele vaardigheden, ondernemerschap, probleemoplossend vermogen, creativiteit en kritisch denken, die nodig zijn om je te verhouden tot mondialisering; moedigt aan dat de kwaliteitsnetwerken van universiteiten, scholen en musea, ter bevordering van wederzijds leren en de erkenning van academische kwalificaties en de bevordering van mondiaal burgerschap, worden versterkt;

10.  dringt aan op mainstreaming van onderwijs in duurzaamheid, eerlijke handel en ecologisch burgerschap in alle disciplines, met name het aanleren van ondernemerschap, inclusief sociaal ondernemerschap, digitale geletterdheid en vaardigheden;

11.  verzoekt de Commissie en de lidstaten op maat gesneden kwaliteitsregelingen voor inclusieve mobiliteit, onderwijs, culturele en taalkundige uitwisseling, en wetenschappelijke samenwerking te bevorderen en te ontwikkelen om internationale samenwerking en de uitwisseling van kennis mogelijk te maken, en STEM (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde) uit te breiden tot STEAM (wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde); verzoekt de Commissie en de lidstaten onderwijs en opleiding verder te stimuleren en onderzoek te financieren als het instrument waarmee mondialisering het effectiefst kan functioneren en de beste manier om grenzen te slechten;

12.  wijst op de specifieke rol die cultuur vervult op het vlak van buitenlandse betrekkingen en ontwikkelingsbeleid, met name inzake de oplossing en preventie van conflicten, vredestichting en de ontvoogding van de lokale bevolking; is daarom van mening dat er een ambitieuze en solide culturele strategie nodig is, die culturele diplomatie moet omvatten, om een nieuwe consensus inzake ontwikkeling te bereiken;

13.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan bestaande EU-structuren verder te ontwikkelen voor toekomstige maatregelen op het gebied van culturele diplomatie, en concrete EU-initiatieven te ontplooien en bestaande programma’s voort te zetten in overeenstemming met de beginselen van solidariteit en duurzaamheid welke tot doel hebben armoede terug te dringen en internationale ontwikkeling te bevorderen;

14.  herinnert eraan dat sport een economische activiteit is die in hoge mate gemondialiseerd is, maar ook een sociaal instrument voor inclusie, emancipatie en individuele en collectieve ontwikkeling; herinnert er derhalve aan dat er gezorgd moet worden voor strenge normen op het gebied ethiek en transparantie bij de governance van de internationale handel en economische activiteit in de sportsector;

15.  herinnert eraan dat er gezorgd moet worden voor transparantie en democratie in handelsovereenkomsten en besluitvormingsprocessen, en moedigt burgers wier arbeidsomstandigheden, milieu, gezondheid en welzijn worden aangetast aan deel te nemen aan die besluitvormingsprocessen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

19.6.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

25

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Silvia Costa, Angel Dzhambazki, Jill Evans, María Teresa Giménez Barbat, Petra Kammerevert, Svetoslav Hristov Malinov, Curzio Maltese, Rupert Matthews, Stefano Maullu, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Michaela Šojdrová, Yana Toom, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marlene Mizzi, Liliana Rodrigues, Algirdas Saudargas, Remo Sernagiotto, Francis Zammit Dimech

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

25

+

ALDE

María Teresa Giménez Barbat, Yana Toom

ECR

Angel Dzhambazki, Rupert Matthews, Remo Sernagiotto

ENF

Dominique Bilde

GUE/NGL

Curzio Maltese

PPE

Andrea Bocskor, Svetoslav Hristov Malinov, Stefano Maullu, Algirdas Saudargas, Michaela Šojdrová, Bogdan Brunon Wenta, Francis Zammit Dimech, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver

S&D

Silvia Costa, Petra Kammerevert, Krystyna Łybacka, Marlene Mizzi, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Liliana Rodrigues, Julie Ward

VERTS/ALE

Jill Evans

0

-

 

 

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB C 287 van 29.11.2007, blz. 1.

(2)

PB L 299 van 27.10.2012, blz. 5.

(3)

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).


ADVIES van de Commissie juridische zaken (5.9.2018)

aan de Commissie internationale handel

inzake het in goede banen leiden van de mondialisering: handelsaspecten

(2018/2005(INI))

Rapporteur voor advies: Gilles Lebreton

SUGGESTIES

De Commissie juridische zaken verzoekt de bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is ingenomen met de discussienota over het in goede banen leiden van de mondialisering en is verheugd dat het zwaartepunt wordt gelegd bij het meer binnen handbereik brengen van de positieve gevolgen van de mondialisering, terwijl tegelijkertijd wordt onderstreept dat de negatieve gevolgen moeten worden aangepakt;

2.  meent dat de mondialisering voor bedrijven en burgers talrijke voordelen met zich brengt; erkent tegelijkertijd dat de mondialisering ook aanleiding geeft tot problemen, die door de Europese Unie moeten worden aangepakt;

3.  merkt op dat het van wezenlijk belang is om zowel de interne markt van de EU te versterken als de economische unie op eerlijke en coherente wijze te consolideren, aangezien een sterke interne markt een vereiste is voor de succesvolle tenuitvoerlegging van internationale strategieën; wijst erop dat alle EU-instellingen moeten zorgen voor meer samenhang tussen het handelsbeleid en andere interne en externe beleidsmaatregelen van de EU, om te waarborgen dat het handelsbeleid bijdraagt tot de verwezenlijking van de algemene economische en politieke doelstellingen van de Unie, met name duurzame ontwikkeling;

4.  beklemtoont dat de internationale handel een belangrijke rol speelt in de manier waarop de mondialisering zich ontwikkelt; wijst erop dat de wetgever daarom onder meer bijzondere aandacht moet besteden aan de volgende rechtsgebieden, die onder internationale handelsovereenkomsten vallen: intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van auteursrechten, handelsmerken en octrooien, gegevensbescherming en strengere transparantieverplichtingen, voedselveiligheidsvoorschriften en milieunormen;

5.  herinnert aan en verwelkomt de verbintenis van de Europese Unie om een transparant en verantwoordelijk handelsbeleid na te streven dat uitgaat van de positieve aspecten van de mondialisering, een eerlijke verdeling van de voordelen van de handel waarborgt overeenkomstig de beginselen van solidariteit en duurzaamheid, en moderne oplossingen biedt voor de realiteit van de hedendaagse economie in een wereld waar technologie een steeds grotere rol speelt, zodat alle burgers en bedrijven, met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), van de voordelen van dit beleid kunnen profiteren;

6.  erkent gegevensbescherming als een grondrecht in de Europese Unie; dringt erop aan dat in handelsovereenkomsten hoge normen voor gegevensbescherming worden gewaarborgd door middel van wederzijdse adequaatheidsbesluiten tussen de Europese Unie en derde landen;

7.  benadrukt dat de instellingen van de EU, om de burgers beter te beschermen tegen grootschalige mondialisering, een doeltreffend en permanent antwoord moeten bieden op de uitdagingen met betrekking tot privacy, gegevensbescherming en cyberbeveiliging;

8.  acht het belangrijk om de regelingen van de Europese Unie voor geografische aanduidingen en traditionele specialiteiten verder te bevorderen en hierover bilaterale overeenkomsten met derde landen te blijven sluiten;

9.  herinnert aan advies 2/15 van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en de lidstaten met betrekking tot de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Singapore, waarin het Hof stelt dat de Europese Unie exclusief bevoegd is voor alle handelsgerelateerde aangelegenheden, met uitzondering van indirecte buitenlandse investeringen, geschillenbeslechting tussen investeerders en staten over alle soorten investeringen, en aanvullende bepalingen met betrekking tot indirecte buitenlandse investeringen; verwelkomt de uitspraak van het Hof, die juridische duidelijkheid schept voor alle toekomstige EU-overeenkomsten met derde landen, inclusief met het Verenigd Koninkrijk nadat het de Unie heeft verlaten;

10.  verwelkomt het recente mandaat van de Raad aan de Commissie om namens de Europese Unie te onderhandelen over een verdrag tot oprichting van een multilateraal gerecht voor de beslechting van investeringsgeschillen (MIC) teneinde de beperkingen van het bestaande systeem voor geschillenbeslechting tussen investeerders en staten aan te pakken; merkt op dat het MIC zal fungeren als een permanent orgaan voor de beslechting van investeringsgeschillen en zal leiden tot een transparanter, coherenter en eerlijker systeem, dat grote voordelen biedt voor investeerders; is voorts verheugd dat de Raad besloten heeft de richtsnoeren voor deze onderhandelingen openbaar te maken, waarop het Parlement in zijn streven naar meer transparantie op het gebied van internationale onderhandelingen al geruime tijd had aangedrongen;

11.  verwelkomt de initiatieven van de Unie om een billijk evenwicht te vinden tussen onvervalste concurrentie en beschermingsmaatregelen, zoals antidumpingmaatregelen met betrekking tot invoer uit derde landen;

12.  benadrukt dat strenge Europese normen met betrekking tot sociale bescherming, arbeidsomstandigheden, het milieu, de consumenten en de grondrechten als grondslag voor de welvaart van de Unie moeten worden bevorderd door middel van handelsbeleidsinstrumenten die worden ingezet in overeenstemming met de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling; onderstreept in dit verband dat de Europese Unie erop moet toezien dat internationale overeenkomsten gebaseerd zijn op deze normen, om ervoor te zorgen dat de mondialisering alle Europeanen ten goede komt en dat de economische, sociale en milieueffecten ervan positief zijn voor particulieren en bedrijven, zowel binnen als buiten Europa;

13.  wijst er in dit verband op dat de mondiale governance en de mondiale regels moeten worden versterkt om handelsoorlogen te voorkomen;

14.  verzoekt de Commissie meer aandacht te besteden aan de interne beleidsmaatregelen van bepaalde EU-partners die het op regels gebaseerde multilaterale handelssysteem kunnen ondermijnen, en de nodige tegenmaatregelen te nemen;

15.  wijst erop dat de mondialisering door 45 % van de Europeanen als een bedreiging wordt gezien en verzoekt de Commissie een campagne op te zetten om de positieve aspecten van de mondialisering te bevorderen, met name in regio's waar de gevolgen ervan overwegend negatief zijn; verzoekt de Commissie de meest doeltreffende maatregelen vast te stellen en uit te voeren om kmo's die nog steeds te lijden hebben onder de gevolgen van de economische crisis en de mondialisering te ondersteunen;

16.  merkt op dat vrije, eerlijke en duurzame handel met het oog op de economie wenselijk is en cruciale politieke gevolgen heeft; merkt voorts op dat Europa handel moet gebruiken als instrument voor de bevordering van democratische en duurzame ontwikkeling in de wereld.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.9.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

11

6

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marie-Christine Boutonnet, Jean-Marie Cavada, Mady Delvaux, Rosa Estaràs Ferragut, Laura Ferrara, Gilles Lebreton, Emil Radev, Julia Reda, Evelyn Regner, Pavel Svoboda, Francis Zammit Dimech, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Luis de Grandes Pascual, Pascal Durand, Angel Dzhambazki, Jytte Guteland, Jiří Maštálka, Angelika Niebler, Răzvan Popa

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

11

+

ECR

Angel Dzhambazki

EFDD

Laura Ferrara

ENF

Marie-Christine Boutonnet, Gilles Lebreton

PPE

Rosa Estaràs Ferragut, Luis de Grandes Pascual, Angelika Niebler, Emil Radev, Pavel Svoboda, Francis Zammit Dimech, Tadeusz Zwiefka

6

-

GUE/NGL

Jiří Maštálka

S&D

Mady Delvaux, Jytte Guteland, Răzvan Popa, Evelyn Regner

VERTS/ALE

Julia Reda

2

0

ALDE

Jean-Marie Cavada

VERTS/ALE

Pascal Durand

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.9.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

0

9

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laima Liucija Andrikienė, Maria Arena, Tiziana Beghin, David Borrelli, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Karoline Graswander-Hainz, Christophe Hansen, Nadja Hirsch, France Jamet, Jude Kirton-Darling, Danilo Oscar Lancini, Bernd Lange, David Martin, Emmanuel Maurel, Emma McClarkin, Anne-Marie Mineur, Sorin Moisă, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Tokia Saïfi, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Joachim Schuster, Adam Szejnfeld, William (The Earl of) Dartmouth, Iuliu Winkler

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Reimer Böge, Klaus Buchner, Dita Charanzová, Fernando Ruas, Pedro Silva Pereira, Ramon Tremosa i Balcells

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Pascal Durand, Angel Dzhambazki, Czesław Hoc, Martin Schirdewan


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

29

+

ALDE

Dita Charanzová, Nadja Hirsch, Marietje Schaake, Ramon Tremosa i Balcells

ECR

Angel Dzhambazki, Czesław Hoc, Emma McClarkin

EFDD

William (The Earl of) Dartmouth

NI

David Borrelli

PPE

Laima Liucija Andrikienė, Reimer Böge, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Christophe Hansen, Sorin Moisă, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Fernando Ruas, Tokia Saïfi, Adam Szejnfeld, Iuliu Winkler

S&D

Jude Kirton-Darling, Bernd Lange, David Martin, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Joachim Schuster, Pedro Silva Pereira

VERTS/ALE

Klaus Buchner, Pascal Durand

0

-

 

 

9

0

EFDD

Tiziana Beghin

ENF

France Jamet, Danilo Oscar Lancini

GUE/NGL

Anne-Marie Mineur, Martin Schirdewan, Helmut Scholz

S&D

Maria Arena, Karoline Graswander-Hainz, Emmanuel Maurel

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 19 oktober 2018Juridische mededeling