Procedure : 2018/2034(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0329/2018

Ingediende teksten :

A8-0329/2018

Debatten :

PV 22/10/2018 - 18
CRE 22/10/2018 - 18

Stemmingen :

PV 25/10/2018 - 13.16

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0432

VERSLAG     
PDF 528kWORD 62k
16.10.2018
PE 623.744v02-00 A8-0329/2018

over het werkgelegenheids- en sociaal beleid van de eurozone

(2018/2034(INI))

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

Rapporteur: Krzysztof Hetman

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het werkgelegenheids- en sociaal beleid van de eurozone

(2018/2034(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 3 en 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het witboek van de Commissie van 16 februari 2012 getiteld "Een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen" (COM(2012)0055),

–  gezien de artikelen 9, 145, 148, 149, 152, 153, 174 en 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven(1),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name titel IV (solidariteit),

–  gezien het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap,

–  gezien de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN, met name de doelstellingen 1, 3, 4, 5, 8, 10 en 13,

–  gezien het verslag van de vijf voorzitters van 22 juni 2015 getiteld "De voltooiing van Europa's Economische en Monetaire Unie",

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 14 mei 2018 over het economisch beleid van de eurozone(2),

–  gezien de conclusies van de Raad van 7 december 2015 over de bevordering van de sociale economie als centrale motor van economische en sociale ontwikkeling in Europa,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 mei 2018 getiteld "Europees semester 2018: landenspecifieke aanbevelingen" (COM(2018)0400),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2017 getiteld "Jaarlijkse groeianalyse 2018" (COM(2017)0690),

–  gezien het ontwerp van gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad van 22 november 2017 bij de mededeling van de Commissie van 22 november 2017 over de jaarlijkse groeianalyse 2018 (COM(2017)0674),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 22 november 2017 voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2017)0677), en het desbetreffende standpunt van het Parlement van 19 april 2018(3),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 22 november 2017 voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone (COM(2017)0770),

–  gezien het verslag van de Commissie van 22 november 2017 getiteld "Waarschuwingsmechanismeverslag 2018" (COM(2017)0771),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2017 getiteld "Ontwerpbegrotingsplannen 2018: Algemene beoordeling" (COM(2017)0800),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 inzake de oprichting van een Europese pijler van sociale rechten (COM(2017)0250),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 getiteld "Een initiatief om het evenwicht tussen werk en privéleven voor werkende ouders en mantelzorgers te ondersteunen" (COM(2017)0252),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 26 april 2017, getiteld 'Taking stock of the 2013 Recommendation on "Investing in children: breaking the cycle of disadvantage"' (Balans van de aanbeveling uit 2013 "Investeren in kinderen: de cyclus van benadeling doorbreken") (SWD(2017)0258),

–  gezien het Strategic Engagement for Gender Equality 2016-2019 van de Commissie en het Europees pact voor gendergelijkheid 2011-2020 en de conclusies van de Raad van 7 maart 2011(4),

–  gezien de Barcelona-kinderopvangdoelstellingen van 2002, nl. om in 2010 voor minimaal 90 % van de kinderen tussen de drie jaar en de leerplichtige leeftijd en voor minstens 33 % van de kinderen onder de drie jaar voor kinderopvang te zorgen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld "Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief" (COM(2016)0646),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 september 2016 voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (COM(2016)0604),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 getiteld "Stimuleren van Europese investeringen voor banen en groei: naar een tweede fase van het Europees Fonds voor strategische investeringen en een nieuw Europees extern investeringsplan" (COM(2016)0581),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 getiteld "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa – Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen" (COM(2016)0381),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juni 2016 getiteld "Een Europese agenda voor de deeleconomie" (COM(2016)0356),

–  gezien het pakket circulaire economie(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2016 getiteld "Europa investeert weer – Balans van het investeringsplan voor Europa en volgende stappen" (COM(2016)0359),

  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2016 getiteld "Lancering van een raadpleging over een Europese pijler van sociale rechten" (COM(2016)0127) en de bijlagen hierbij,

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2018 over trajecten voor de re‑integratie van werknemers die herstellen van letsel of ziekte in een hoogwaardige baan(6),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2018 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2018(7),

–  gezien zijn resolutie van 16 november 2017 over de bestrijding van ongelijkheid als hefboom om het scheppen van banen en groei te stimuleren(8),

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2017 over het economisch beleid van de eurozone(9),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over beleid ter garantie van een minimuminkomen als instrument om de armoede te bestrijden(10),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2017 over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa(11),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(12),

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief(13),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020(14),

–  gezien het verslag van de Commissie met als titel "Pension Adequacy Report 2018: Current and future income adequacy in old age in the EU",

–  gezien het Commissieverslag "The 2018 Ageing Report: Economic and Budgetary Projections for the EU Member States (2016‑2070)",

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 2 februari 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees platform voor de intensivering van de samenwerking bij het voorkomen en tegengaan van zwartwerk(15),

–  gezien het (herziene) Europees Sociaal Handvest en het Proces van Turijn, dat in 2014 werd gelanceerd met als doel het verdragsysteem van het Europees Sociaal Handvest binnen de Raad van Europa te versterken en het nauwer te laten aansluiten bij het recht van de Europese Unie(16),

–  gezien de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over het initiële verslag van de Europese Unie (september 2015),

–  gezien speciaal verslag nr. 5/2017 van de Europese Rekenkamer van maart 2017 getiteld: "Jeugdwerkloosheid – heeft het EU-beleid een verschil gemaakt? Een evaluatie van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A8‑0329/2018),

A.  overwegende dat het voor seizoen gecorrigeerde werkloosheidspercentage in de eurozone in juni 2018 8,3 % bedroeg, wat neerkomt op een daling ten opzichte van 9,0 % in juni 2017, en dat dit het laagste percentage in de eurozone sinds december 2008 is; overwegende dat het verschil in werkloosheidspercentage tussen de lidstaten van de eurozone significant is, waarbij de laagste werkloosheidspercentages in juni 2018 werden geregistreerd in Malta (3,9 %) en Duitsland (3,4 %), terwijl de hoogste werkloosheidspercentages werden opgetekend in Griekenland (20,2 % in april 2018) en Spanje (15,2 %), waar de arbeidsparticipatiegraad respectievelijk 57,8 % en 65,5 % was;

B.  overwegende dat het jeugdwerkloosheidspercentage in de eurozone in juni 2018 16,9 % bedroeg, tegenover 18,9 % in juni 2017; overwegende dat dit percentage ondanks de gestage daling, nog steeds onaanvaardbaar hoog is en meer dan dubbel zo hoog is dan de totale gemiddelde werkloosheid, met in bepaalde landen een op de drie jongeren die werkloos is; overwegende dat het in eerste instantie de lidstaten zijn die de jeugdwerkloosheid moeten aanpakken door regelgevingskaders voor de arbeidsmarkt, onderwijs- en opleidingsstelsels en actief arbeidsmarktbeleid te ontwikkelen en uit te voeren, om er onder andere voor te zorgen dat er fatsoenlijke banen voor fatsoenlijke lonen worden gecreëerd;

C.  overwegende dat het verschil in jeugdwerkloosheidspercentage tussen de lidstaten van de eurozone ook significant is, waarbij de laagste jeugdwerkloosheidspercentages in de eurozone in juni 2018 werden opgetekend in Malta (5,5 %) en Duitsland (6,2 %), terwijl de hoogste werden geregistreerd in Griekenland (42,3 % in april 2018), Spanje (34,1 %) en Italië (32,6 %);

D.  overwegende dat andere lidstaten worden geconfronteerd met structurele uitdagingen op de arbeidsmarkt zoals een lage participatie, mismatches in vaardigheden en kwalificaties; overwegende dat er een stijgende behoefte is aan concrete maatregelen voor de integratie of re‑integratie van inactieven om tegemoet te komen aan de behoeften van de arbeidsmarkt;

E.  overwegende dat de totale arbeidsparticipatiegraad in de eurozone in 2017 71,0 % bedroeg, terwijl de arbeidsparticipatiegraad voor vrouwen 65,4 % bedroeg; overwegende dat de doelstelling voor de Europese Unie in het kader van de Europa 2020-strategie een arbeidsparticipatiegraad van 75 % is voor personen in de leeftijdscategorie 20‑64, met een grotere betrokkenheid van vrouwen en oudere werknemers en een betere integratie van migranten op de arbeidsmarkt; overwegende dat de participatiegraad in de eurozone eind 2016 het hoogste punt vóór de crisis oversteeg en in het tweede kwartaal van 2018 met 1,5 % toenam ten opzichte van hetzelfde kwartaal van het voorgaande jaar; overwegende echter dat dit nog altijd lager ligt dan de werkgelegenheidsniveaus die tien jaar geleden in sommige lidstaten werden geregistreerd, waarbij bedacht moet worden dat dit in oostelijke landen kan worden toegeschreven aan een langdurige afname van de totale bevolking en niet zozeer aan negatieve arbeidsmarktontwikkelingen; overwegende dat de dalende tendens van het aantal gewerkte uren per werknemer als gevolg van onvrijwillige deeltijdarbeid zorgwekkend is, met een lichte daling (0,3 %) in 2017 ten opzichte van het voorgaande jaar en nog steeds op een niveau dat ongeveer 3,0 % lager ligt dan in 2008(17);

F.  overwegende dat de arbeidsmarktsegmentatie vooral vrouwen, laaggeschoolden, jongeren en ouderen, mensen met een handicap en mensen met een migrantenachtergrond treft, die ook vaker in deeltijd en als uitzendkracht werken, wat naast afwijkende en atypische arbeidsvormen en schijnzelfstandigheid blijft aanhouden; overwegende dat de arbeidsparticipatiegraad van 55‑64-jarigen in 2017 57 % bedroeg in de EU, 10 procentpunten lager dan de algemene arbeidsparticipatiegraad, en dat de genderkloof in die leeftijdsgroep 13 procentpunten bedroeg, 3 procentpunten hoger dan het corresponderende percentage voor de totale bevolking in de werkende leeftijd; overwegende dat volgens de ontwikkelingen in de demografie het aantal oudere werknemers zal toenemen;

G.  overwegende dat universele toegang tot kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg een basisbehoefte is die lidstaten moeten waarborgen en waarin ze moeten investeren;

H.  overwegende dat in 2016 23,1 % van de mensen in de eurozone het risico liep op armoede of sociale uitsluiting, nog steeds hoger dan het percentage in 2009, en dat het armoedepercentage bij werkenden 9,5 % bedroeg; overwegende dat nog steeds 118 miljoen Europese burgers het risico lopen op armoede of sociale uitsluiting, 1 miljoen meer dan voor de crisis; overwegende dat de Europa 2020-doelstelling om het risico van armoede en sociale uitsluiting met 20 miljoen te verminderen ten opzichte van de benchmark van 2008, nog lang niet wordt gehaald; overwegende dat de cijfers inzake materiële ontbering weliswaar afnemen, maar dat de monetaire armoede en het armoederisico toenemen;

I.  overwegende dat de langdurige werkloosheid in de eurozone afneemt (van 5 % in 2016 tot 4,4 % in 2017), maar nog steeds 48,5 % van de totale werkloosheid uitmaakt, hetgeen onaanvaardbaar hoog is;

J.  overwegende dat volgens de jaarlijkse evaluatie van de Werkgelegenheids- en sociale ontwikkelingen in Europa ("Employment and Social Developments in Europe", ESDE) van 2018 de beperkte productiviteitsstijging per werkende die van invloed is op loonstijgingen, verband houdt met factoren zoals het hogere aandeel deeltijdbanen en het lagere aantal arbeidsuren;

K.  overwegende dat de participatiegraad in deeltijdarbeid en uitzendwerk in de eurozone sinds 2013 stabiel is gebleven, hoewel zij een groot aandeel van de totale werkgelegenheid blijven uitmaken, waarbij deeltijdwerk in 2017 goed was voor 21,2 % van alle overeenkomsten; overwegende dat het aandeel van deeltijdarbeid onder vrouwen aanzienlijk hoger is (31,4 %) dan dat onder mannen (8,2 %), wat significante gevolgen kan hebben voor het inkomen en het recht op uitkeringen; overwegende dat jongeren in 2016 veruit het grootste aandeel tijdelijke contracten hadden – 43,8 % van alle werknemers van 15 tot 24 jaar;

L.  overwegende dat de toereikendheid van de pensioenen nog steeds een uitdaging is, aangezien het risico van sociale uitsluiting toeneemt met de leeftijd en de pensioenkloof van 37 % tussen mannen en vrouwen nog steeds een uitdaging vormt voor veel oudere vrouwen en hun risico op armoede en sociale uitsluiting doet toenemen; overwegende dat de pensioenrechten van personen met een niet-standaardarbeidsovereenkomst en zelfstandigen lager zijn dan die van werknemers;

M.  overwegende dat de toegang tot sociale diensten, zoals kinderopvang, gezondheidszorg en diensten voor langdurige zorg of betaalbare diensten ter bevordering van de mobiliteit, een aanzienlijk effect heeft op de toereikendheid van het inkomen, met name voor personen met lage inkomens of die afhankelijk zijn van sociale bescherming;

1.  merkt op dat de economische situatie in de eurozone op dit moment weliswaar gunstig is en de totale werkgelegenheid gestaag toeneemt, maar dat het economisch herstel niet gelijk verdeeld is in de eurozone en dat er nog veel ruimte is voor verbetering in termen van economische convergentie, de bestrijding van jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid, genderongelijkheid, segmentatie en ongelijkheden op de arbeidsmarkt, met name voor kwetsbare groepen, en in termen van het terugdringen van het aantal mensen dat werkt onder hun kwalificatieniveau, armoede in het algemeen en armoede onder werkenden in het bijzonder, het uitbannen van kinderarmoede, en het stimuleren van productiviteit en loonstijging; merkt op dat de inkomensongelijkheid nog veel groter geweest zou zijn zonder de herverdelingseffecten van de sociale transfers, waardoor het percentage mensen dat het risico loopt op armoede in 2015 met een derde is gedaald (33,7 %); betreurt echter dat het effect ervan ontoereikend was en sterk uiteenliep in de lidstaten, waardoor de inkomensongelijkheid met meer dan 20 % afnam in België, Finland en Ierland, maar met minder dan 10 % in Estland, Griekenland, Italië, Letland en Portugal;

2.  benadrukt dat het genot van sociale rechten en een goed functionerend socialebeschermingsstelsel dat adequate bescherming biedt aan alle werkenden, ongeacht hun soort arbeidsverhouding, overeenkomst of arbeidsvorm, naast actief en duurzaam arbeidsmarktbeleid, een belangrijke voorwaarde zijn om armoede en sociale uitsluiting tegen te gaan, met name voor de meest kwetsbaren, en te zorgen voor inclusieve nationale arbeidsmarkten en de veerkracht en het concurrentievermogen van de economie van de eurozone als geheel te versterken;

3.  is ingenomen met de verhoogde financiële steun die via het steunprogramma voor structurele hervormingen (SRSP) aan de lidstaten wordt verleend om hun hervormingen voort te zetten op het gebied van het scheppen van hoogwaardige banen om de werkgelegenheid te bevorderen, het terugdringen van de werkloosheid met nadruk op het aanpakken van langdurige werkloosheid en jeugdwerkloosheid en het streven naar loonstijging; is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de werkingssfeer van het SRSP uit te breiden tot landen die de euro niet als munt hebben, teneinde de economische en sociale convergentie in de gehele EU te bevorderen;

4.  neemt nota van de landenspecifieke aanbevelingen van de Commissie voor 2018, die een belangrijk onderdeel van het Europees semester vormen, en is verheugd over de speciale aandacht die daarin aan sociale uitdagingen wordt besteed; moedigt de Commissie aan ervoor te zorgen dat er samenhang is tussen de sociale en economische landenspecifieke aanbevelingen en de flexibiliteitsclausule in het stabiliteits- en groeipact te eerbiedigen, als opgenomen in het gemeenschappelijk overeengekomen standpunt over flexibiliteit binnen het stabiliteits- en groeipact; stelt met bezorgdheid vast dat slechts 50 % van de aanbevelingen voor 2017 geheel of gedeeltelijk ten uitvoer is gelegd en moedigt de lidstaten derhalve aan meer inspanningen te leveren om de aanbevelingen uit te voeren, met name op de volgende gebieden:

  – armoede en sociale uitsluiting, inclusief kinderarmoede en armoede onder werkenden, met name onder kwetsbare groepen,

  – jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid overeenkomstig de aanbeveling van de Raad betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt(18);

  – inkomensongelijkheden,

  – loonontwikkelingen

  – bestrijding van vroegtijdig schoolverlaten en het hoge aantal NEET's;

  – onderwijs, levenslang leren, beroepsonderwijs en -opleiding (VET);

  – de houdbaarheid en geschiktheid van pensioenregelingen;

  – gezondheidszorg, inclusief langdurige zorg;

  – veilige en flexibele werkgelegenheid

  – genderevenwicht, met name arbeidsmarktparticipatie, en de genderkloof en de pensioenkloof;

5.  benadrukt dan ook dat het scheppen van hoogwaardige banen, toegang tot sociale bescherming, ongeacht de arbeidsverhouding of het soort arbeidsovereenkomst, en loonstijging een aanzienlijk effect hebben op het verminderen van ongelijkheden, het risico op armoede en sociale uitsluiting, en ertoe zullen bijdragen dat de levensstandaard wordt verbeterd en het economisch herstel wordt ondersteund; benadrukt dat de hervormingen van de lidstaten, die de Commissie via de landenspecifieke aanbevelingen aanmoedigt, daarom in het bijzonder moeten worden gericht op beleid dat de productiviteit en het duurzame groeipotentieel verhoogt, het scheppen van hoogwaardige banen ondersteunt en ongelijkheid en armoede, voornamelijk kinderarmoede, vermindert; moedigt het creëren van arbeidsrelaties voor onbepaalde duur aan, waarbij het aanpassingsvermogen wordt gestimuleerd, een inclusieve arbeidsmarkt wordt bevorderd en gezorgd wordt voor een goed evenwicht tussen werk en privéleven;

6.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie van 13 maart 2018 met als titel "De uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten monitoren" (COM(2018)0130), waarin de pijler wordt afgestemd op de cyclus van het Europees semester door de prioriteiten van de Europese pijler van sociale rechten te weerspiegelen in de analyse van de genomen maatregelen en de geboekte vooruitgang op nationaal niveau; benadrukt dat de sociale doelstellingen en ‑verbintenissen van de EU op gelijke voet moeten staan met de economische doelstellingen; roept de Commissie en de lidstaten op de sociale rechten te versterken door de Europese pijler van sociale rechten (EPSR) zodanig ten uitvoer te leggen dat er een echte sociale dimensie van de EU tot stand wordt gebracht (door wetgeving, beleidsvormings- en financiële instrumenten op het passende niveau);

7.  merkt op dat de arbeidsmarkten van de landen van de eurozone sterk verschillen, hetgeen een uitdaging vormt voor hun goede werking; dringt daarom aan, zij het onverminderd het subsidiariteitsbeginsel, op goed opgezette arbeidsmarktbeleidsmaatregelen en -hervormingen die hoogwaardige banen scheppen, gelijke kansen en gelijke behandeling van werkenden bevorderen, en de sociale en solidaire economie, de gelijke toegang tot de arbeidsmarkt en de sociale bescherming vergemakkelijken, de sociale mobiliteit bevorderen, de werklozen re-integreren en ongelijkheden en wanverhoudingen tussen mannen en vrouwen bestrijden; verzoekt de lidstaten om sociaal en economisch beleid te ontwikkelen in overeenstemming met de beginselen van de aanbeveling van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten(19), en met name te zorgen voor de verstrekking van passende inkomenssteun, toegankelijke arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige diensten. Al deze elementen worden fundamenteel geacht voor duurzame resultaten;

8.  onderstreept dat de arbeidsparticipatiegraad moet worden verhoogd en dat er fatsoenlijke banen moeten worden gecreëerd, met name voor langdurig werklozen, laaggeschoolde, jongere en oudere werknemers, vrouwen, migranten, mensen met een handicap, minderheden en gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma, teneinde de Europa 2020-doelstelling van een arbeidsparticipatiegraad van ten minste 75 % te verwezenlijken en het risico op armoede, met name kinderarmoede en armoede onder werkenden, en sociale uitsluiting waarmee zij worden geconfronteerd, te beperken; benadrukt dat het aantal mensen dat in armoede leeft, moet worden verminderd om de Europa 2020-doelstelling om armoede terug te dringen met 20 miljoen mensen te verwezenlijken; benadrukt dat kinderarmoede moet worden teruggedrongen door de uitvoering van een EU-brede kindergarantie;

9.  verzoekt de lidstaten om acties en strategieën te ontwikkelen in overeenstemming met de Europese pijler van sociale rechten om tegemoet te komen aan de sociale behoeften van degenen voor wie de arbeidsmarkt niet toegankelijk is, bijvoorbeeld de mensen die met extreme achterstelling worden geconfronteerd zoals daklozen, kinderen en jongeren en mensen met chronische fysieke en mentale gezondheidsproblemen;

10.  verzoekt om nationale strategieën en coördinatie op EU-niveau om leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkten als antwoord op een toenemend aantal oudere werknemers in de EU-beroepsbevolking te bestrijden, door onder andere bewustmaking over Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(20), door afstemming van voorschriften op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk met het oog op duurzame werkgelegenheid, rekening houdend met nieuwe en opkomende beroepsrisico's, door de toegang tot levenslang leren te waarborgen en door een beter beleid ter bevordering van de combinatie van werk en gezinsleven;

11.  roept de lidstaten van de eurozone op ten volle profijt te trekken van de positieve economische vooruitzichten en door te gaan met arbeidsmarkthervormingen die gericht zijn op het creëren van banen die voorspelbare, zekere arbeidsovereenkomsten van onbeperkte duur en rechtszekere arbeidsovereenkomsten bevorderen die de algemene arbeidsvoorwaarden vaststellen, schijnzelfstandigheid voorkomen en aanpakken en zorgen voor adequate sociale bescherming, ongeacht de arbeidsverhouding of het soort overeenkomst; verzoekt de lidstaten de voorgestelde aanbeveling van de Raad met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming goed te keuren en uit te voeren en mensen met een afwijkende arbeidsvorm aan te moedigen deel te nemen aan socialebeschermingsstelsels; benadrukt het belang van de lopende onderhandelingen over een richtlijn betreffende voorspelbare en transparante arbeidsvoorwaarden;

12.  roept de lidstaten op om te investeren in zorgdiensten voor de hele levenscyclus, de Barcelona-doelstellingen van 2002 inzake kinderopvang te blijven nastreven en zorgdoelstellingen te ontwikkelen voor ouderen en niet-zelfstandige personen; is van mening dat de verlening van zorgdiensten binnen het gezin geen negatieve gevolgen mag hebben voor de sociale of pensioenuitkeringen; dringt er in dit verband bij de lidstaten op aan te zorgen voor een nationaal mechanisme voor de opbouw van voldoende pensioenrechten;

13.  roept de lidstaten van de eurozone op de genderkloof op het gebied van pensioenen te verkleinen en te zorgen voor gelijkheid tussen de generaties door te voorzien in fatsoenlijke en toereikende pensioenuitkeringen zodat armoede en sociale uitsluiting onder ouderen wordt uitgeroeid, en om tegelijkertijd te voorzien in duurzame en adequate pensioenstelsels, de arbeidsparticipatie aan hoogwaardige banen te bevorderen zodat meer wordt bijgedragen aan de overheidspensioenstelsels en de jongere generatie niet wordt overbelast; stelt met bezorgdheid vast dat in de meeste lidstaten van de eurozone de genderkloof op het gebied van pensioenen en het aantal vervroegde uittredingen nog steeds groot is; wijst erop dat de duurzaamheid van pensioenstelsels kan worden verbeterd door o.a. de werkloosheid te verlagen, zwartwerk doeltreffend te bestrijden, en migranten en vluchtelingen te integreren op de arbeidsmarkt; is verheugd over de aanbeveling van de Commissie in het verslag getiteld "Pension Adequacy Report 2018" over de behoefte aan een holistische benadering van de toereikendheid van ouderdomspensioenen en de financiële houdbaarheid van pensioenstelsels; vraagt ook om de situatie van de "oudste ouderen", wier pensioenuitkeringen in de loop van de tijd misschien gedaald zijn als gevolg van de inflatie, grondiger te analyseren;

14.  meent dat de lidstaten bij hun hervormingen van de stelsels voor sociale bescherming ernaar moeten streven de arbeidsmarktparticipatie te bevorderen van mensen die kunnen werken door werk lonend te maken; beklemtoont in dit verband dat inkomenssteun moet worden gericht op degenen die daar de grootste behoefte aan hebben;

15.  stelt vast dat het aantal vacatures in de eurozone in het eerste kwartaal van 2018 2,1 % bedroeg, tegen 1,9 % in 2017; benadrukt dat adequate vaardigheden kunnen worden verworven en dat de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden kan worden aangepakt door de kwaliteit, beschikbaarheid, betaalbaarheid en toegankelijkheid van onderwijs en opleiding, waaronder gerichte kwaliteitsopleidingen, te verbeteren, door de wederzijdse erkenning van kwalificaties te verbeteren, en maatregelen voor bijscholing en omscholing te versterken, met bijzondere aandacht voor basisvaardigheden en door niet-formele mogelijkheden voor volwassenenonderwijs te bieden, hetgeen passende steun vereist, zoals EU-financiering, onverminderd artikel 149 VWEU, en financiering op nationaal en regionaal niveau; dringt in dit verband aan op gerichte maatregelen ter ondersteuning van kwetsbare groepen, waaronder de Roma, mensen met een handicap, vroegtijdige schoolverlaters, langdurig werklozen en migranten en vluchtelingen; wijst op de noodzaak om de relevantie van beroepsopleiding voor de arbeidsmarkt te vergroten en maatregelen te nemen om de aantrekkelijkheid ervan ten opzichte van academische trajecten te vergroten; steunt voortzetting van de tenuitvoerlegging en monitoring van het bijscholingstrajecten-initiatief om ervoor te zorgen dat mensen fundamentele vaardigheden voor de 21e eeuw verwerven; verzoekt de lidstaten uitgebreide opleiding in digitale en ondernemersvaardigheden tot prioriteit te verheffen en in de context van bijscholing en omscholing rekening te houden met de verschuiving naar een digitale economie;

16.  is verontrust over het feit dat het gemiddelde van de algemene overheidsuitgaven voor onderwijs als percentage van het bbp in de EU19 tussen 2009 en 2016 gestaag is gedaald(21); benadrukt dat goed gefinancierde openbare onderwijsstelsels van vitaal belang zijn voor gelijkheid en sociale inclusie;

17.  constateert met grote bezorgdheid dat er nog steeds een groot aantal Europese burgers is met slechte lees- en schrijfvaardigheden en problemen met geletterdheid, waaronder functionele en media-ongeletterdheid, hetgeen ernstige zorgen baart als het gaat om een zinvolle en doeltreffende deelname aan het openbare leven en de arbeidsmarkt;

18.  moedigt de bevordering van duale onderwijsstelsels en andere vergelijkbare maatregelen aan; onderstreept dat doeltreffende dwarsverbanden tussen onderwijs, onderzoek, innovatie en de arbeidsmarkt een doorslaggevende bijdrage aan het scheppen van banen kunnen leveren;

19.  benadrukt dat een veilige en passende leeromgeving essentieel is voor het welzijn van scholieren/studenten en onderwijspersoneel;

20.  verzoekt de Commissie en de lidstaten specifieke maatregelen te ontwikkelen binnen het werkgelegenheids-, onderwijs- en sociaal beleid om te zorgen voor doeltreffende inclusie van mensen met een handicap en mensen uit randgroepen;

21.  wijst op de noodzaak om georganiseerde en moderne beroepskeuzeprogramma's in scholen te plannen en te promoten, met name op het platteland en in grens-, berg- en eilandgebieden;

22.  is voorstander van mobiliteit van scholieren/studenten, werknemers, sporters en kunstenaars in de EU en de eurozone; is evenwel bezorgd dat grote verschillen in levens- en arbeidsstandaard in de eurozone onbedoeld tot migratie aanzetten, hetgeen het effect van de zogeheten braindrain nog eens versterkt; wijst erop dat een essentiële voorwaarde voor het aanpakken van het verschijnsel "brain drain" het creëren van fatsoenlijke banen is, alsmede de bevordering van doeltreffende strategieën voor onderwijs, opleiding en beroepskeuze; dringt erop aan dat toekomstige beleidsmaatregelen op het vlak van onderwijs en werk dit verschijnsel daadkrachtig tegengaan, onder meer door de Europese onderwijsruimte volledig te ontwikkelen; onderstreept dat er een Europese scholieren/studentenkaart moet worden ontwikkeld om de onderwijsmobiliteit te stimuleren en de wederzijdse erkenning van certificaten, diploma's en beroepskwalificaties te vergemakkelijken, de administratieve lasten te verminderen en de kosten voor scholieren/studenten en voor onderwijs- en opleidingsinstellingen terug te dringen;

23.  benadrukt dat volgens de onderwijs- en opleidingsbenchmarks 2020 (ET 2020) in het jaar 2020 niet meer dan 15 % van de 15‑jarigen over te weinig vaardigheden zouden mogen beschikken op het gebied van lezen, wiskunde en wetenschappelijke vakken; spreekt zijn voldoening uit over de opname van de "onderprestatie in het onderwijs"-benchmark voor 15-jarigen (resultaten voor geringe prestaties op het gebied van wiskunde in de studie naar het programma voor internationale evaluatie van studenten (PISA)) in het nieuwe sociaal scorebord;

24.  herinnert eraan dat in 2020 volgens de ET 2020-benchmarks ten minste 95 % van alle kinderen (vanaf 4 jaar tot de leerplichtige leeftijd) zouden moeten deelnemen aan voorschools onderwijs; benadrukt dat het sociaal scorebord voor het onderwerp "voorschoolse opvang" slechts één indicator kent, voor kinderen onder de drie jaar in formele opvang; merkt op dat er geen informatie is over de opvang van oudere kinderen onder de leerplichtige leeftijd, evenals informatie over de omvang van kinderopvang gemeten in het aantal opvanguren;

25.  houdt rekening met de positieve rol van open onderwijs en open universiteiten bij het verwerven van kennis en vaardigheden, met name online scholingsprogramma's voor werknemers, daar dit een dynamische vorm van leren is die beantwoordt aan de huidige behoeften en belangen van de deelnemers;

26.  herhaalt zijn verzoek om het Erasmus+-budget in het volgende Meerjarig Financieel Kader (MFK) ten minste te verdrievoudigen, teneinde veel meer jongeren, jongerenorganisaties en scholieren in het secundair onderwijs alsmede het leerlingstelsel in heel Europa te bereiken; verzoekt om bijzondere aandacht te besteden aan de deelname aan het programma van mensen met een achtergrond van sociaaleconomische achterstand, evenals van personen met een handicap, overeenkomstig de verplichtingen van de EU en de lidstaten krachtens het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD);

27.  herinnert aan het strategische potentieel van de culturele en creatieve sector als motor voor banen en rijkdom in de EU; onderstreept dat de culturele en creatieve sector 11,2 % van alle particuliere ondernemingen en 7,5 % van alle werknemers in de totale EU‑economie omvat, en 5,3 % van de totale Europese bruto toegevoegde waarde vertegenwoordigt; onderstreept de rol van de culturele en creatieve sector bij het behoud en de bevordering van de Europese culturele en taalverscheidenheid en de bijdrage van deze sector aan economische groei, innovatie en werkgelegenheid, met name voor werkgelegenheid voor jongeren;

28.  wijst erop dat adequate investering en planning op het gebied van onderwijs, met name wat betreft digitale vaardigheden en programmering, van essentieel belang zijn om de concurrentiepositie van de Unie veilig te stellen, evenals de beschikbaarheid van geschoolde werknemers en de inzetbaarheid van werknemers;

29.  verzoekt de Commissie jongeren stimulansen en technische bijstand te bieden voor het opzetten van een eigen bedrijf en maatregelen voor te stellen om ondernemerschap te promoten, ook via schoolprogramma's in de lidstaten;

30.  benadrukt dat er hervormingen moeten worden doorgevoerd die de arbeidsmarkt en de werknemers voorbereiden op de digitale transformatie voor mensen van alle leeftijden en ongeacht hun achtergrond, op basis van een flexibele, op de leerling gerichte benadering, met name door te zorgen voor adequate mogelijkheden voor levenslang leren en opleidingen in digitale vaardigheden, wat van cruciaal belang is in een kenniseconomie; benadrukt het belang van levenslange loopbaanbegeleiding om te waarborgen dat mensen geschikte, flexibele en hoogwaardige opleidings- en carrièrepaden volgen; herinnert in dit verband eraan dat moeilijk kan worden voorspeld welke vaardigheden er nodig zullen zijn omdat de arbeidsmarkt snel verandert en benadrukt in dat verband het belang van transversale vaardigheden zoals communicatie, probleemoplossing, creativiteit en het vermogen om te leren, die mensen veerkrachtiger maken en hen beter in staat stellen zich gedurende hun hele leven aan te passen aan veranderingen en nieuwe vaardigheden te verwerven; onderstreept dat ervoor gezorgd moet worden dat nationale socialebeschermingsstelsels werknemers adequate bescherming bieden, ook bij nieuwe vormen van werk en nieuwe soorten overeenkomsten, en om de dekking te verbeteren van mensen die niet kunnen werken of geen baan kunnen vinden; roept de lidstaten op een arbeidsmarktbeleid te ontwikkelen dat de mobiliteit tussen sectoren en de omscholing van werknemers ondersteunt, wat steeds belangrijker zal worden naarmate onze arbeidsmarkten zich aanpassen aan de digitale transformatie van onze economieën; benadrukt dat er met het oog op een ​eerlijke transformatie voor gezorgd moet worden dat zowel vakbonden als werkgeversorganisaties bij het proces worden betrokken;

31.  roept de lidstaten van de eurozone op de nodige hervormingen door te voeren en de sociale investeringen te verhogen om de toegankelijkheid, beschikbaarheid, betaalbaarheid, de kwaliteit en de kosteneffectiviteit van hun gezondheidszorgstelsels te waarborgen; verzoekt om een hernieuwde Europese doelstelling om het aantal gezonde levensjaren aanzienlijk te verhogen door in het gezondheidsbeleid van de EU voorrang te geven aan preventie, naast curatieve maatregelen; dringt aan op het uitvoeren van gezondheidsbevorderingscampagnes;

32.  verzoekt om een Europese strategie voor hoogwaardige en toegankelijke systemen voor langdurige zorg, waarbij wordt gestreefd naar een op rechten en de gemeenschap gebaseerde benadering van langdurige zorg en ondersteuning; verzoekt om sterk te investeren in diensten voor langdurige zorg om de verwachte toegenomen behoeften in het licht van de demografische veranderingen voor te bereiden; erkent dat de sector van de langdurige zorg ontoereikende arbeidsomstandigheden kent en dringt aan op een herwaardering van de zorg en de arbeidsomstandigheden in zorgdiensten als manier om de kwaliteit van de langdurige zorg te waarborgen;

33.  wijst op de noodzaak van goed opgezet beleid voor een beter evenwicht tussen werk en privéleven, met inbegrip van betaalbare kinderopvang, opvang voor de jongste kinderen en langdurige opvang, door een nieuw evenwicht aan te brengen tussen de zorgtaken van mannen en vrouwen, door aanpasbare werkregelingen te bevorderen en het opnemen van voordelig en betaald moederschaps-, vaderschaps-, ouderschaps- en zorgverlof; is van mening dat de goedkeuring van de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers een noodzakelijke stap is in de richting van een beter evenwicht tussen werk en privéleven; dringt bovendien aan op een Europees initiatief inzake sociale bescherming en diensten voor mantelzorgers;

34.  benadrukt het belang dat de gestructureerde dialoog en de deelname van werkgeversorganisaties, vakbonden en maatschappelijke organisaties aan de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleid en hervormingen op werkgelegenheids- en sociaal gebied worden versterkt en dat zij actief worden betrokken in het Europees semester;

35.  is van mening dat het mondiale concurrentievermogen kan worden gehandhaafd en verbeterd door middel van een duidelijk, eenvoudig en flexibel regelgevingskader voor de arbeidsmarkt in de lidstaten, dat tegelijkertijd hoge arbeidsnormen handhaaft;

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(2)

PB C 179 van 25.5.2018, blz. 1.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0181.

(4)

PB C 155 van 25.5.2011, blz. 10.

(5)

Richtlijnen (EU) 2018/849, 2018/850, 2018/851 en 2018/852.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0325.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0078.

(8)

PB C 356 van 4.10.2018, blz. 89.

(9)

PB C 346 van 27.9.2018, blz. 200.

(10)

PB C 346 van 27.9.2018, blz. 156.

(11)

PB C 337 van 20.9.2018, blz. 135.

(12)

PB C 242 van 10.7.2018, blz. 24.

(13)

PB C 76 van 28.2.2018, blz. 93.

(14)

PB C 366 van 27.10.2017, blz. 117.

(15)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0033.

(16)

https://www.coe.int/en/web/turin-european-social-charter/turin-process

(17)

http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=738&langId=en&pubId=8030&furtherPubs=yes

(18)

PB C 67 van 20.2.2016, blz. 1.

(19)

PB L 307 van 18.11.2018, blz. 11.

(20)

PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.

(21)

Gegevens van Eurostat.


TOELICHTING

In tegenstelling tot vroeger heeft de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken dit jaar voor het eerst geen advies voor de Commissie economische en monetaire zaken opgesteld, maar een apart verslag over het werkgelegenheids- en sociaal beleid van de eurozone. De rapporteur juicht deze ontwikkeling toe, omdat hij er vast van overtuigd is dat de werkgelegenheids- en sociale aspecten een vitaal en immanent onderdeel vormen van het algemene economische beleid en de sociale cohesie en daarom passende aandacht verdienen. Het scheppen van banen draagt bij tot de economische ontwikkeling door de vraag te ondersteunen, ongelijkheden te verminderen en de levensstandaard te verbeteren.

De Europese economie groeit en de positieve vooruitzichten zijn zichtbaar op het gebied van overheidsfinanciën, investeringen en werkgelegenheid. Het bbp van de EU is al hoger dan vóór de crisis en het werkloosheidspercentage in de eurozone bedroeg in januari 2018 8,6 %, het laagste cijfer sinds eind 2008. Dankzij de hervormingen die reeds in de lidstaten werden doorgevoerd en de bijdragen van het investeringsplan voor Europa zijn de investeringen zich beginnen te herstellen. Het is belangrijk dat we ten volle profijt trekken van deze vooruitgang en, zoals voorzitter Juncker in zijn toespraak over de staat van de Unie heeft benadrukt, dat we het Europese dak repareren zolang de zon schijnt. Hoewel de algemene economische omstandigheden in Europa positief zijn, is er ruimte voor verbeteringen, met name op het gebied van jeugdwerkloosheid, segmentatie en ongelijkheid op de arbeidsmarkt, armoede onder werkenden, productiviteit, loonstijging, pensioenen, socialebeschermings- en gezondheidszorgstelsels. De mededelingen van de Commissie over landenspecifieke aanbevelingen bevatten een goede analyse van de behoeften aan hervormingen en vormen een belangrijk onderdeel van de cyclus van het Europees semester. De rapporteur is verheugd over het feit dat de Europese pijler van sociale rechten vanaf dit jaar in het semester wordt geïntegreerd. Tegelijkertijd maakt de rapporteur zich echter zorgen over de ontoereikende mate van tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten door de lidstaten: volgens de gegevens van de Commissie is sinds het begin van het Europees semester immers slechts 9 % van de aanbevelingen volledig en maar liefst 30 % van de aanbevelingen op beperkte wijze of helemaal niet ten uitvoer gelegd. Nog zorgwekkender is dat deze situatie een negatieve tendens vertoont, aangezien in 2017 slechts 1 % van de aanbevelingen volledig werd uitgevoerd en maar liefst 50 % van de aanbevelingen met beperkte of geen vooruitgang werd uitgevoerd. Deze situatie vormt een ernstige belemmering voor de vooruitgang van de hervormingen van de EU en moet dringend worden aangepakt.

De rapporteur beklemtoont dat de daling van de werkloosheid alleen onvoldoende is. Europa moet werkelijk inclusieve arbeidsmarkten tot stand brengen die hoogwaardige banen bieden voor iedereen, met inbegrip van kansarme groepen zoals vrouwen, jongeren en personen met een handicap en personen met een migrantenachtergrond. De hervormingen in de lidstaten moeten betrouwbare arbeidsovereenkomsten bevorderen, schijnzelfstandigheid aanpakken en adequate sociale bescherming voor alle soorten overeenkomsten bevorderen. Zij moeten ook een vlotte toegang tot en herintreding op de arbeidsmarkt mogelijk maken door de arbeidsmobiliteit te bevorderen, re-integratiemaatregelen en passende opleiding voor werklozen aan te bieden en gelijke kansen te bevorderen. Ook moet het hoofd worden geboden aan de uitdagingen als gevolg van snel veranderende werkpatronen en digitale transformatie. Werknemers moeten over adequate vaardigheden beschikken en daarom moet er worden voorzien in mogelijkheden voor een leven lang leren en bijscholing en omscholing. De rapporteur ziet ook dat er behoefte is aan beleid voor een beter evenwicht tussen werk en privéleven, dat flexibele werkregelingen, het opnemen van voordelig ouderschapsverlof en meer investeringen in betaalbare en kwalitatief hoogwaardige kinderopvang mogelijk maakt.


ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (12.7.2018)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake het werkgelegenheids- en sociaal beleid van de eurozone

(2018/2034(INI))

Rapporteur voor advies: Nikolaos Chountis

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is verontrust over de aanhoudende sociaaleconomische verschillen in de eurozone; is van mening dat gelijke toegang tot inclusief kwaliteitsonderwijs en mogelijkheden voor een leven lang leren voor allen een voorwaarde vormt voor sociaaleconomische convergentie; wijst in dit verband op de aanhoudende verschillen tussen de lidstaten en maatschappelijke groeperingen wat de belangrijkste onderwijsindicatoren van de EU betreft;

2.  is ernstig verontrust over het feit dat het gemiddelde van de algemene overheidsuitgaven voor onderwijs als percentage van het bbp in de EU19 tussen 2009 en 2016 gestaag is gedaald(1); betreurt dat de onderwijs- en opleidingssector zwaar te lijden heeft gehad van het bezuinigingsbeleid en onderstreept dat van voldoende middelen voorziene openbare onderwijsstelsels essentieel zijn om gelijke behandeling en sociale inclusie te bewerkstelligen; dringt dan ook aan op een verschuiving in de macro-economische beleidsprioriteiten van de eurozone naar hogere overheidsuitgaven voor onderwijs en opleiding als investeringen met een krachtig multiplicatoreffect; verzoekt de Commissie een indicator voor uitgaven (met name overheidsuitgaven) voor onderwijs als percentage van het bbp (of per scholier/student) in het sociaal scorebord op te nemen, teneinde de prestaties van de lidstaten te volgen;

3.  benadrukt dat een sociale achterstand vaak slechte onderwijsresultaten voorspelt, en vice versa; onderstreept daarnaast dat in de huidige voortdurend veranderende kenniseconomie inzetbaarheid, ook van scholieren met verder vergelijkbare "harde" vaardigheden, vaak voor een niet te verwaarlozen deel afhankelijk is van "zachtere" vaardigheden (communicatie, kritisch denken, samenwerking, creatieve innovatie, zelfvertrouwen en "leren leren"), naast lezen en wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid; benadrukt dat een van voldoende middelen voorzien systeem voor kwaliteitsonderwijs en een leven lang leren, dat het recht op leren bevordert door middel van begeleidende en ondersteunende maatregelen met inbegrip van een doeltreffend systeem van beurzen, deze vicieuze cirkel kan helpen doorbreken en sociale inclusie en gelijke kansen kan bevorderen;

4.  benadrukt dat de jeugdwerkloosheid, ondanks de aantrekkende economie in de eurozone en de toenemende werkgelegenheid, in sommige lidstaten onaanvaardbaar hoog blijft en dat het percentage jeugdwerkloosheid weliswaar sinds 2013 gedaald is maar van lidstaat tot lidstaat nog steeds sterk verschilt;

5.  constateert met grote bezorgdheid dat er nog steeds een groot aantal Europese burgers is met slechte lees- en schrijfvaardigheden en problemen met geletterdheid, waaronder functionele en media-ongeletterdheid, hetgeen ernstige zorgen baart als het gaat om een zinvolle en doeltreffende deelname aan het openbare leven en de arbeidsmarkt;

6.  pleit voor bevordering van beleidsmaatregelen zoals de invoering van duale onderwijsstelsels; onderstreept dat doeltreffende dwarsverbanden tussen onderwijs, onderzoek, innovatie en de arbeidsmarkt een doorslaggevende bijdrage aan het scheppen van banen kunnen leveren;

7.  benadrukt dat een veilige en adequate leeromgeving essentieel is voor het welzijn van scholieren/studenten en onderwijspersoneel; roept de lidstaten in dit verband op omvangrijke investeringen te doen in het onderhoud van publieke voorzieningen, met name scholen, en in het wegnemen van fysieke belemmeringen;

8.  verzoekt de Commissie en de lidstaten specifieke maatregelen te ontwikkelen binnen het werkgelegenheids-, onderwijs- en sociaal beleid om te zorgen voor doeltreffende inclusie van mensen met een handicap en mensen uit randgroepen;

9.  wijst op de noodzaak om georganiseerde en moderne beroepskeuzeprogramma's in scholen te plannen en te promoten, met name op het platteland en in grens-, berg- en eilandgebieden;

10.  is voorstander van mobiliteit van scholieren/studenten, werknemers, sporters en kunstenaars in de EU en de eurozone; is evenwel bezorgd dat grote verschillen in levens- en arbeidsstandaard in de eurozone onbedoeld tot migratie aanzetten, hetgeen het effect van de zogeheten braindrain nog eens versterkt; wijst erop dat een essentiële voorwaarde voor het aanpakken van het verschijnsel "brain drain" het creëren van fatsoenlijke banen is, alsmede de bevordering van doeltreffende strategieën voor onderwijs, opleiding en beroepskeuze; dringt erop aan dat toekomstige beleidsmaatregelen op het vlak van onderwijs en werk dit verschijnsel daadkrachtig tegengaan, onder meer door de Europese onderwijsruimte volledig te ontwikkelen; onderstreept dat er een Europese scholieren/studentenkaart moet worden ontwikkeld om de onderwijsmobiliteit te stimuleren en de wederzijdse erkenning van certificaten, diploma's en beroepskwalificaties te vergemakkelijken, de administratieve lasten te verminderen en de kosten voor scholieren/studenten en voor onderwijs- en opleidingsinstellingen terug te dringen;

11.  benadrukt dat volgens de onderwijs- en opleidingsbenchmarks 2020 (ET 2020) in het jaar 2020 niet meer dan 15 % van de 15-jarigen over te weinig vaardigheden zouden mogen beschikken op het gebied van lezen, wiskunde en wetenschappelijke vakken; spreekt zijn voldoening uit over de opname van de "onderprestatie in het onderwijs"-benchmark voor 15-jarigen (resultaten voor geringe prestaties op het gebied van wiskunde in de studie naar het programma voor internationale evaluatie van studenten (PISA)) in het nieuwe sociaal scorebord; verzoekt de Commissie evenwel onderpresteren op het gebied van lezen en/of wetenschappelijke geletterdheid eveneens op te nemen;

12.  herinnert eraan dat in 2020 volgens de ET 2020-benchmarks ten minste 95 % van alle kinderen (vanaf 4 jaar tot de leerplichtige leeftijd) zouden moeten deelnemen aan voorschools onderwijs; benadrukt dat het sociaal scorebord voor het onderwerp "voorschoolse opvang" slechts één indicator kent, voor kinderen onder de drie jaar in formele opvang; merkt op dat er geen informatie is over de opvang van oudere kinderen onder de leerplichtige leeftijd, evenals informatie over de omvang van kinderopvang gemeten in het aantal opvanguren;

13.  houdt rekening met de positieve rol van open onderwijs en open universiteiten bij het verwerven van kennis en vaardigheden, met name online scholingsprogramma's voor werknemers, daar dit een dynamische vorm van leren is die beantwoordt aan de huidige behoeften en belangen van de deelnemers;

14.  beschouwt kinderarmoede als een belangrijke kwestie, waartegen Europa alles uit de kast moet halen; vraagt om snelle tenuitvoerlegging van een kindergarantie in alle lidstaten, zodat elk kind dat momenteel een risico loopt op armoede, toegang krijgt tot gratis gezondheidszorg, onderwijs en kinderopvang, behoorlijke huisvesting en gezonde voeding; benadrukt het belang van prenatale zorg en ontwikkeling in de vroege jeugd; roept op tot inclusieve onderwijsstelsels op alle niveaus, waaronder naschoolse opvang; onderstreept dat de tenuitvoerlegging van de kindergarantie adequate financiering op nationaal en Europees niveau vereist; dringt dan ook aan op verhoging van de financiering hiervoor, mogelijk via het Europees Sociaal Fonds en een nieuw convergentie-instrument voor de eurozone; vraagt dat nationale overheidsinvesteringen in de kindergarantie worden overwogen binnen een "zilveren regel voor sociale investering" in het kader van het stabiliteits- en groeipact;

15.  onderstreept dat een van de doelstellingen van de jongerengarantie is te waarborgen dat alle jongeren onder de 25 jaar een aanbod van goede kwaliteit krijgen voor werk, voortgezet onderwijs, een leerlingplaats of een stage binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of het formeel onderwijs hebben verlaten; dringt dan ook aan op volledige tenuitvoerlegging van de jongerengarantie, met de klemtoon op een hoogwaardig aanbod en doeltreffende handreikingen naar alle NEET-jongeren(2); benadrukt dat hiertoe adequate financiering nodig is in het komende meerjarig financieel kader (post-2020 MFK), waaronder een verhoging van het Europees Sociaal Fonds en een verhoging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief tot ten minste 21 miljard EUR; verzoekt de nationale overheidsinvesteringen in de jongerengarantie en de integratie van langdurig werklozen te beschouwen als een "zilveren regel voor sociale investering" in het kader van het stabiliteits- en groeipact;

16.  steunt een vaardighedengarantie, als nieuw recht voor iedereen om fundamentele vaardigheden te verwerven voor de 21e eeuw, inclusief digitale geletterdheid; is van mening dat de vaardighedengarantie tevens een individuele beoordeling moet omvatten van de leerbehoeften, evenals een kwalitatief hoogwaardig leeraanbod en systematische validatie van verworven vaardigheden en competenties, zodat ze eenvoudig kunnen worden erkend op de arbeidsmarkt; onderstreept dat de vaardighedengarantie een belangrijke sociale investering is die adequate financiering op nationaal en Europees niveau vereist; dringt dan ook aan op verhoging van de financiering voor de vaardighedengarantie, mogelijk via meer middelen voor het Europees Sociaal Fonds en een nieuw convergentie-instrument voor de eurozone;

17.  herhaalt het verzoek van het Europees Parlement om het Erasmus+-budget in het volgende MFK ten minste te verdrievoudigen, teneinde veel meer jongeren, jongerenorganisaties en scholieren in het secundair onderwijs alsmede het leerlingstelsel in heel Europa te bereiken; verzoekt om bijzondere aandacht te besteden aan de deelname aan het programma van mensen met een achtergrond van sociaaleconomische achterstand, evenals van personen met een handicap, overeenkomstig de verplichtingen van de EU en de lidstaten krachtens het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD);

18.  verzoekt om toepassing van een "zilveren regel" voor sociale investering bij de tenuitvoerlegging van het stabiliteits- en groeipact, door ervan uit te gaan dat bepaalde publieke sociale investeringen met een duidelijk positieve impact op de economische groei (bijvoorbeeld de kindergarantie, de jongerengarantie en de vaardighedengarantie) in aanmerking komen voor een gunstige behandeling bij de beoordeling van de overheidstekorten en de naleving van de 1/20e-regel voor de schuld; beklemtoont dat begrotingsconsolidatie de nationale cofinanciering van Europese financiering voor sociale investeringen niet mag ondermijnen;

19.  spoort aan tot adequate financiering in het kader van het volgende MFK om tegemoet te komen aan de groeiende behoeften: verzoekt in het bijzonder om:

(a)  versterking van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, met ten minste 3 miljard EUR per jaar aan financiering, via een specifieke begrotingslijn;

(b)  aanzienlijke verhoging van het budget van het Europees Sociaal Fonds;

20.  herinnert aan het strategische potentieel van de culturele en creatieve sector als motor voor banen en rijkdom in de EU; onderstreept dat de culturele en creatieve sector 11,2 % van alle particuliere ondernemingen en 7,5 % van alle werknemers in de totale EU-economie omvat, en 5,3 % van de totale Europese bruto toegevoegde waarde vertegenwoordigt; onderstreept de rol van de culturele en creatieve sector bij behoud en bevordering van de Europese culturele en taalverscheidenheid en de bijdrage van deze sector aan economische groei, innovatie en werkgelegenheid, met name voor werkgelegenheid voor jongeren;

21.  roept de Commissie op om mogelijke synergieën tussen EU-beleidsmaatregelen ten volle te benutten, teneinde de financiering die beschikbaar is in het kader van EU‑programma's (zoals Horizon 2020, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, Erasmus+, het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI), Creatief Europa en COSME) en de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) effectief te gebruiken om meer projecten in de culturele en creatieve sector te ondersteunen; merkt op dat vooral voor Creatief Europa, Horizon 2020 en de structuurfondsen (EFRO en ESF) de rol en het effect van de culturele en creatieve sector op groei, werkgelegenheid en territoriale samenhang specifiek geëvalueerd en verder gepromoot moeten worden; benadrukt dat dit proces moet leiden tot een solide en coherente basis voor de herziening van het MFK en de architectuur van de EU‑programma's na 2020;

22.  dringt aan op een grondige herziening van de beleidsmaatregelen van de EU en de lidstaten op het gebied van onderwijs, opleiding en vaardigheden, met het doel het verschijnsel van voortijdig schoolverlaten en het groeiende aantal NEET's te bestrijden en aldus tot op inclusie gericht onderwijs en een leven lang leren te komen; onderstreept dat deze beleidsmaatregelen ten behoeve van jongeren, die ook gericht moeten zijn op een leven lang leren, de persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling op holistische wijze moeten bevorderen en niet uitsluitend ontworpen mogen worden om aan de vraag van de arbeidsmarkt te voldoen;

23.  wijst erop dat adequate investering en planning op het gebied van onderwijs, met name wat betreft digitale vaardigheden en programmering, van essentieel belang zijn om de concurrentiepositie van de Unie te verzekeren, evenals de beschikbaarheid van geschoolde werknemers en de inzetbaarheid van werknemers;

24.  verzoekt de Commissie jongeren stimulansen en technische bijstand te bieden voor het opzetten van een eigen bedrijf en maatregelen voor te stellen om ondernemerschap te promoten, ook via schoolprogramma's in de lidstaten;

25.  verzoekt de nationale autoriteiten bedrijven onder meer via belastingverlichting of stimulansen voor sociale premies aan te moedigen te investeren in de scholing van hun werknemers en het rekruteren van jongeren die onlangs hun diploma van het secundair of hoger onderwijs hebben behaald;

26.  is van mening dat een betere afstemming tussen vaardigheden en banen en een betere wederzijdse erkenning van kwalificaties noodzakelijk zijn om tekorten aan vaardigheden en discrepanties tussen aangeboden en gevraagde vaardigheden in de Unie aan te pakken;

27.  erkent en veroordeelt de slechte arbeidsomstandigheden waarmee professionele sporters vaak te maken krijgen, zoals schijnzelfstandigheid, niet-betaling van loon, een ontoereikend niveau van gezondheidszorg en pensioenvoorziening, en wijst erop dat het bestaande regelgevingskader moet worden verbeterd; verzoekt de Commissie een breed actieplan voor de bevordering van fatsoenlijke arbeidsomstandigheden voor professionele sporters voor te leggen, beginnend met de landen in de eurozone en met deelname van alle relevante sociale partners in de sportsector.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

11.7.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

2

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Nikolaos Chountis, Silvia Costa, Damian Drăghici, Angel Dzhambazki, Jill Evans, María Teresa Giménez Barbat, Petra Kammerevert, Svetoslav Hristov Malinov, Rupert Matthews, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Michaela Šojdrová, Helga Trüpel, Sabine Verheyen, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Elena Gentile, Sylvie Guillaume, Morten Løkkegaard, Liadh Ní Riada, Algirdas Saudargas

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Ivo Vajgl

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

22

+

EFDD

Isabella Adinolfi

GUE/NGL

Nikolaos Chountis, Liadh Ní Riada

PPE

Andrea Bocskor, Svetoslav Hristov Malinov, Algirdas Saudargas, Michaela Šojdrová, Sabine Verheyen, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver

S&D

Silvia Costa, Damian Drăghici, Elena Gentile, Sylvie Guillaume, Petra Kammerevert, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Julie Ward

Verts/ALE

Jill Evans, Helga Trüpel

2

-

ECR

Angel Dzhambazki, Rupert Matthews

4

0

ALDE

María Teresa Giménez Barbat, Morten Løkkegaard, Ivo Vajgl

ENF

Dominique Bilde

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Gegevens van Eurostat.

(2)

NEET-jongeren: jongeren die niet werken en geen onderwijs of opleiding volgen (not in employment, education or training).


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

9.10.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

30

8

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Brando Benifei, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Arne Gericke, Marian Harkin, Krzysztof Hetman, Czesław Hoc, Agnes Jongerius, Rina Ronja Kari, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Miapetra Kumpula-Natri, Dietmar Köster, Kostadinka Kuneva, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Joëlle Mélin, Anthea McIntyre, Elisabeth Morin-Chartier, Georgi Pirinski, Dennis Radtke, Sofia Ribeiro, Claude Rolin, Siôn Simon, Romana Tomc, Yana Toom, Ulrike Trebesius, Lampros Fountoulis, Renate Weber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Amjad Bashir, Ivari Padar, Csaba Sógor, Tom Vandenkendelaere,

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

30

+

ALDE

Enrique Calvet Chambon, Marian Harkin, Yana Toom, Renate Weber

PPE

David Casa, Krzysztof Hetman, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jérôme Lavrilleux, Verónica Lope Fontagné, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Dennis Radtke, Sofia Ribeiro, Claude Rolin, Csaba Sógor, Romana Tomc, Tom Vandenkendelaere

S&D

Guillaume Balas, Brando Benifei, Vilija Blinkevičiūtė, Ole Christensen, Agnes Jongerius, Javi López, Jan Keller, Miapetra Kumpula-Natri, Dietmar Köster, Ivari Padar, Georgi Pirinski, Siôn Simon

Verts/ALE

Jean Lambert

8

-

ECR

Amjad Bashir, Arne Gericke, Czesław Hoc, Anthea McIntyre, Ulrike Trebesius

ENF

Dominique Martin, Joëlle Mélin

NI

Lampros Fountoulis

4

0

EFDD

Laura Agea

GUE/NGL

Rina Ronja Kari, Kostadinka Kuneva

PPE

Ádám Kósa

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 22 oktober 2018Juridische mededeling