Procedure : 2018/0166R(APP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0358/2018

Ingediende teksten :

A8-0358/2018

Debatten :

PV 13/11/2018 - 2
CRE 13/11/2018 - 2

Stemmingen :

PV 14/11/2018 - 14.1
CRE 14/11/2018 - 14.1
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0449

TUSSENTIJDS VERSLAG     
PDF 1685kWORD 286k
7.11.2018
PE 626.946v02-00 A8-0358/2018

over het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 – Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

(COM(2018)0322 – C8-0000/2018 – 2018/0166R(APP))

Begrotingscommissie

Corapporteurs: Jan Olbrycht, Isabelle Thomas, Janusz Lewandowski, Gérard Deprez

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 ADVIES van de Commissie begrotingscontrole
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie
 ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 ADVIES van de Commissie constitutionele zaken
 BRIEF VAN DE COMMISSIE BURGERLIJKE VRIJHEDEN, JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 – het standpunt van het Parlement ten aanzien van een akkoord

(COM(2018)0322 – C8-0000/2018 – 2018/0166R(APP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 mei 2018 met als titel "Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt, en verdedigt – Het meerjarig financieel kader 2021-2027" (COM(2018)0321),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2 mei 2018 voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021‑2027 (COM(2018)0322) en de voorstellen van de Commissie van 2 mei 2018 over het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (COM(2018)0325, COM(2018)0326, COM(2018)0327 en COM(2018)0328),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2 mei 2018 voor een Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (COM(2018)0323),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2 mei 2018 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten (COM(2018)0324),

–  gezien zijn resoluties van 14 maart 2018 over de voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020, en over de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(1),

–  gezien zijn resolutie van 30 mei 2018 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen(2),

–  gezien de bekrachtiging van de Overeenkomst van Parijs door het Europees Parlement op 4 oktober 2016(3) en door de Raad op 5 oktober 2016(4),

–  gezien resolutie 70/1 van de Algemene Vergadering van de VN van 25 september 2015 getiteld "Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling", die op 1 januari 2016 in werking trad,

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(5),

–  gezien artikel 99, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien het tussentijds verslag van de Begrotingscommissie, de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel en de Commissie begrotingscontrole, het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie constitutionele zaken en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0358/2018),

A.  overwegende dat artikel 311 VWEU vereist dat de Unie zich voorziet van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid uit te voeren;

B.  overwegende dat het huidige meerjarig financieel kader (MFK) 2014‑2020 voor de eerste keer minder ambitieus is dan zijn voorganger, zowel waar het vastleggings- als betalingskredieten betreft; overwegende dat de laattijdige vaststelling van het MFK en de sectorale wetgevingshandelingen een zeer negatief effect hebben gehad op de tenuitvoerlegging van de nieuwe programma's;

C.  overwegende dat al snel is gebleken dat het MFK niet toereikend is om in te spelen op een aantal crises, nieuwe internationale toezeggingen en nieuwe politieke uitdagingen die ten tijde van de vaststelling ervan niet in het MFK waren opgenomen en/of niet waren voorzien; overwegende dat het MFK met het oog op het waarborgen van de vereiste financiering de grenzen van het haalbare heeft bereikt, waarbij de flexibiliteitsbepalingen en speciale instrumenten in ongekende mate zijn gemobiliseerd nadat de beschikbare marges waren benut; overwegende dat er bezuinigingen ten aanzien van prioritaire EU-programma's inzake onderzoek en infrastructuur zijn doorgevoerd, slechts twee jaar na de vaststelling ervan;

D.  overwegende dat de aan het eind van 2016 uitgevoerde tussentijdse herziening van het MFK van essentieel belang is gebleken voor het verruimen van het potentieel van de bestaande flexibiliteitsbepalingen, maar niet tot een herziening van de MFK-maxima heeft geleid; overwegende dat deze herziening door zowel het Parlement als de Raad positief is beoordeeld;

E.  overwegende dat de totstandbrenging van het nieuwe MFK van doorslaggevend belang zal zijn voor de Unie met 27 lidstaten, aangezien hiermee een gemeenschappelijk langetermijnstandpunt kan worden uitgedragen en het nieuwe MFK de besluitvorming over toekomstige politieke prioriteiten mogelijk maakt en de Unie in staat stelt deze te verwezenlijken; overwegende dat het MFK 2021‑2027 de Unie de nodige middelen moet verschaffen om duurzame economische groei, onderzoek en innovatie te stimuleren, jongeren mondiger te maken, de uitdagingen van migratie doeltreffend aan te pakken, werkloosheid, aanhoudende armoede en sociale uitsluiting te bestrijden, de economische, sociale en territoriale cohesie verder te versterken, duurzaamheid, biodiversiteitsverlies en klimaatverandering aan te pakken, de veiligheid en defensie van de EU te versterken, haar buitengrenzen te beschermen en de buurlanden te ondersteunen;

F.  overwegende dat het, in het licht van de mondiale uitdagingen die de lidstaten niet alleen kunnen aanpakken, mogelijk moet zijn om Europese collectieve goederen te erkennen en gebieden te identificeren waar Europese uitgaven doeltreffender zouden zijn dan nationale uitgaven, teneinde de overeenkomstige financiële middelen naar het niveau van de Unie over te hevelen en aldus het strategische belang van de Unie te versterken zonder noodzakelijkerwijs de totale overheidsuitgaven te verhogen;

G.  overwegende dat de Commissie op 2 mei 2018 een reeks wetgevingsvoorstellen inzake het MFK 2021‑2027 en de eigen middelen van de EU heeft ingediend, gevolgd door wetgevingsvoorstellen gericht op het tot stand brengen van nieuwe EU‑programma's en ‑instrumenten;

1.  benadrukt dat het meerjarig financieel kader 2021‑2027 de verantwoordelijkheid en het vermogen van de Unie moet garanderen om in te spelen op nieuwe behoeften, bijkomende uitdagingen en nieuwe internationale verbintenissen, en om haar politieke prioriteiten en doelstellingen te verwezenlijken; wijst op de ernstige problemen die samengaan met de onderfinanciering van het MFK 2014‑2020 en herhaalt dat een herhaling van in het verleden gemaakte fouten moet worden voorkomen door ten behoeve van alle burgers voor de komende zeven jaar van meet af aan een sterke en geloofwaardige EU‑begroting te waarborgen;

2.  is van mening dat de voorstellen van de Commissie inzake het MFK 2021‑2027 en het stelsel van eigen middelen van de Unie het uitgangspunt moeten vormen voor de komende onderhandelingen; geeft uiting aan zijn standpunt ten aanzien van deze voorstellen in afwachting van het mandaat van de Raad voor de onderhandelingen, dat nog niet beschikbaar is;

3.  onderstreept dat het voorstel van de Commissie inzake het algemene niveau van het komende MFK, dat is vastgesteld op 1,08 % van het bni van de EU‑27 (ofwel 1,11 % na de opname van het Europees Ontwikkelingsfonds), wat het percentage van het bni betreft, in reële termen lager is dan het niveau van het huidige MFK; is van oordeel dat het voorgestelde MFK-niveau de Unie niet in staat zal stellen aan haar politieke verbintenissen te voldoen en op belangrijke toekomstige uitdagingen in te spelen; is derhalve voornemens te onderhandelen over de noodzakelijke verhoging;

4.  verklaart bovendien gekant te zijn tegen elke vermindering van het niveau van het reeds lang bestaande EU‑beleid dat in de Verdragen is verankerd, zoals het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid; is met name gekant tegen elke ingrijpende bezuiniging die een negatieve impact zal hebben op de aard en doelstellingen zelf van deze beleidsterreinen, bijvoorbeeld de voorgestelde bezuinigingen voor het Cohesiefonds of voor het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling; verzet zich in dit kader tegen het voorstel het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) te verlagen ondanks het verruimde toepassingsgebied ervan en de opname van de vier bestaande sociale programma's, met name het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

5.  benadrukt voorts het belang van de horizontale beginselen die ten grondslag moeten liggen aan het MFK en al het daarmee verband houdende beleid van de EU; herhaalt in verband hiermee zijn standpunt dat de EU haar engagement moet nakomen om een voortrekkersrol te vervullen met betrekking tot de uitvoering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN en betreurt het ontbreken van een duidelijk en zichtbaar engagement in deze zin in de voorstellen over het MFK; dringt daarom aan op de opname van de VN‑doelstellingen voor duurzame ontwikkeling in alle EU-beleidsmaatregelen en -initiatieven van het volgende MFK; benadrukt voorts dat alle programma's in het kader van het volgende MFK moeten stroken met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; benadrukt het belang van de verwezenlijking van de Europese pijler van sociale rechten, van de uitbanning van discriminatie, ook van LGBTI-personen, en van het creëren van een portefeuille voor minderheden, met inbegrip van de Roma, die alle van vitaal belang zijn voor de nakoming van de verbintenissen van de EU ten aanzien van een inclusief Europa; benadrukt dat de bijdrage van de EU aan de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen in de periode 2021‑2027 ten minste 25 % van de uitgaven in het kader van het MFK 2021-2027 en uiterlijk in 2027 ten minste 30 % van de uitgaven moet bedragen om aan haar verplichtingen uit hoofde van het Akkoord van Parijs te voldoen;

6.  betreurt in dit verband dat er ondanks de gezamenlijke verklaring over gendermainstreaming in de bijlage bij de MFK-verordening 2014‑2020 geen significante vooruitgang op dit gebied is geboekt en dat de Commissie bij de tussentijdse herziening van het MFK geen rekening heeft gehouden met de uitvoering ervan; betreurt ten zeerste dat gendermainstreaming in het MFK-voorstel volledig buiten beschouwing is gelaten en betreurt het gebrek aan duidelijke doelstellingen, vereisten en indicatoren voor gendergelijkheid in de voorstellen voor het relevante EU‑beleid; dringt erop aan dat de jaarlijkse begrotingsprocedures de volledige impact van het EU-beleid op gendergelijkheid evalueren en integreren (genderbudgettering); verwacht dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich er opnieuw toe verbinden om gendermainstreaming in het volgende MFK op te nemen, en dat er effectief toezicht op wordt uitgeoefend, ook tijdens de tussentijdse herziening van het MFK;

7.  onderstreept dat meer verantwoordingsplicht, vereenvoudiging, zichtbaarheid, transparantie en op prestaties gebaseerde budgettering de basis moeten vormen voor het volgende MFK; herinnert er in dit verband aan dat de toekomstige uitgaven meer gericht moeten zijn op prestaties en resultaten, op basis van ambitieuze en relevante prestatiedoelstellingen en een alomvattende en gedeelde definitie van Europese toegevoegde waarde; verzoekt de Commissie om, rekening houdend met de bovengenoemde horizontale beginselen, de verslaglegging over de prestaties te stroomlijnen, deze uit te breiden tot een kwalitatieve aanpak die ook milieu- en sociale indicatoren omvat, en duidelijk informatie te verstrekken over de belangrijkste uitdagingen die de EU nog moet aanpakken;

8.  is zich bewust van de grote uitdagingen waar de Unie voor staat en neemt ten volle zijn verantwoordelijkheid voor het tijdig vaststellen van een begroting die tegemoetkomt aan de behoeften, verwachtingen en zorgen van de EU‑burgers; is bereid om onmiddellijk onderhandelingen met de Raad aan te gaan teneinde de voorstellen van de Commissie te verbeteren en een realistisch MFK tot stand te brengen;

9.  brengt in herinnering dat het standpunt van het Parlement reeds duidelijk uiteen is gezet in zijn resoluties van 14 maart 2018 en 30 mei 2018, die tezamen zijn politiek standpunt voor het MFK 2021‑2027 en de eigen middelen vormen; herinnert eraan dat deze resoluties met een zeer grote meerderheid van stemmen zijn aangenomen, een gegeven dat duidelijk aangeeft dat er in het Parlement eenheid en bereidheid bestaat ten aanzien van de komende onderhandelingen;

10.  verwacht derhalve dat het MFK prioriteit op de politieke agenda van de Raad zal krijgen en betreurt het feit dat er nog geen merkelijke vooruitgang is geboekt; is van mening dat de periodieke bijeenkomsten tussen de opeenvolgende voorzitterschappen van de Raad en het onderhandelingsteam van het Parlement, dienen te worden opgeschaald en de weg vrij moeten maken voor officiële onderhandelingen; verwacht dat er vóór de verkiezingen voor het Europees Parlement van 2019 een solide overeenkomst zal zijn bereikt teneinde te voorkomen dat zich, zoals in het verleden, ernstige vertragingen voordoen met betrekking tot de start van nieuwe programma's als gevolg van de laattijdige vaststelling van het financieel kader; onderstreept dat dit tijdschema het nieuw verkozen Europees Parlement in staat zal stellen het MFK 2021‑2027 tijdens de verplichte tussentijdse herziening aan te passen;

11.  herinnert eraan dat ontvangsten en uitgaven bij de komende onderhandelingen als één pakket moeten worden behandeld; benadrukt derhalve dat er geen akkoord over het toekomstige MFK kan worden bereikt als er niet terzelfder tijd vooruitgang wordt geboekt inzake de nieuwe eigen middelen van de Unie;

12.  onderstreept dat alle elementen van het MFK/eigen middelen-pakket, met name de MFK-cijfers, op de onderhandelingstafel moeten blijven tot een definitieve overeenkomst is bereikt; herinnert er in dit verband aan dat het Parlement kritisch staat ten opzichte van de procedure die gevolgd is bij de vaststelling van de huidige MFK-verordening en ten opzichte van de dominante rol die de Europese Raad in dit proces heeft gespeeld door een onherroepelijk besluit te nemen over een aantal punten, waaronder de MFK-plafonds en verscheidene bepalingen in verband met het sectoraal beleid, en die daardoor de geest en de letter van de Verdragen heeft geschonden; is met name bezorgd over het feit dat de eerste elementen van de door het voorzitterschap van de Raad opgestelde "onderhandelingskaders" voor het MFK dezelfde logica volgen en kwesties bevatten waarover de Raad en het Parlement gezamenlijk moeten beslissen bij de goedkeuring van wetgeving tot vaststelling van nieuwe EU-programma's; is derhalve voornemens zijn eigen strategie dienovereenkomstig aan te passen;

13.  is van mening dat het unanimiteitsvereiste voor de vaststelling en herziening van de MFK-verordening het proces daadwerkelijk hindert; verzoekt de Europese Raad de overbruggingsclausule van artikel 312, lid 2, VWEU toe te passen om de vaststelling door de Raad van de MFK-verordening bij gekwalificeerde meerderheid mogelijk te maken;

14.  neemt deze resolutie aan teneinde zijn onderhandelingsmandaat toe te lichten met betrekking tot alle aspecten van de voorstellen van de Commissie, met inbegrip van concrete wijzigingen van zowel de voorgestelde MFK-verordening als van het Interinstitutioneel Akkoord (IIA); presenteert voorts een tabel met cijfers voor ieder EU‑beleidsterrein en ‑programma, in overeenstemming met de eerder in de MFK-resoluties opgenomen standpunten van het Parlement; benadrukt dat deze cijfers ook deel zullen uitmaken van het mandaat van het Parlement voor de komende wetgevingsonderhandelingen met betrekking tot de vaststelling van de EU‑programma's voor de periode 2021‑2027;

A. MFK-GERELATEERDE VERZOEKEN

15.  verzoekt de Raad derhalve naar behoren rekening te houden met onderstaande standpunten van het Parlement met het oog op het behalen van een positief resultaat bij de onderhandelingen inzake het MFK 2021‑2027 en het verkrijgen van de goedkeuring van het Parlement overeenkomstig artikel 312 VWEU;

Cijfers

16.  bevestigt opnieuw zijn formele standpunt dat het niveau van het MFK 2021‑2027 dient te worden vastgesteld op 1 324,1 miljard EUR in prijzen van 2018, ofwel 1,3 % van het bni van de EU‑27, teneinde een financieringsniveau voor essentiële EU‑beleidsmaatregelen te waarborgen op basis waarvan de EU‑27 haar missie en doelstellingen kan verwezenlijken;

17.  dringt er in dit verband op aan dat het volgende financieringsniveau voor EU‑programma's en -beleidsmaatregelen wordt gewaarborgd, in een volgorde die de structuur van het MFK weerspiegelt, zoals voorgesteld door de Commissie, en in de gedetailleerde tabel (bijlagen III en IV van deze resolutie) wordt overgenomen; dringt er op aan dat de desbetreffende maxima voor vastleggings- en betalingskredieten dienovereenkomstig worden aangepast, zoals bepaald in bijlage I en II van de huidige resolutie:

i.  verhoging van de begroting voor Horizon Europa tot 120 miljard EUR in prijzen van 2018;

ii.  verhoging van de toewijzing voor het InvestEU-fonds zodat het niveau ervan overeenstemt met het niveau 2014‑2020 van alle financieringsinstrumenten die in het nieuwe programma zijn opgenomen;

iii.  verhoging van het financieringsniveau voor de vervoersinfrastructuur via de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF‑Vervoer);

iv.  verdubbeling van de specifieke financiering voor het MKB (in vergelijking met COSME) in het kader van het programma voor de interne markt, om de toegang van het MKB tot de markt te verbeteren, het ondernemingsklimaat en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven te verbeteren en het ondernemerschap te bevorderen;

v.  verdere verhoging van het programma voor de interne markt om een nieuwe doelstelling inzake markttoezicht te financieren;

vi.  verdubbeling van het voorgestelde financieringsniveau voor de EU-fraudebestrijdingsprogramma en verhoging van het financieringsniveau voor het FISCALIS-programma;

vii.  invoering van een specifieke toewijzing voor duurzaam toerisme;

viii.  verdere versterking van het Europese ruimtevaartprogramma, met name ter versterking van SSA/GOVSATCOM en Copernicus;

ix.  handhaving van de financiering van het cohesiebeleid voor de EU‑27 op het niveau van de begroting 2014‑2020 in reële termen;

x.  verdubbeling van de middelen voor de aanpak van de jeugdwerkloosheid in het ESF+ (ten opzichte van het huidige jongerenwerkgelegenheidsinitiatief), waarbij de doeltreffendheid en toegevoegde waarde van de regeling worden gewaarborgd;

xi.  invoering van een specifieke toewijzing (5,9 miljard EUR) voor de kindergarantie om de armoede onder kinderen zowel binnen de EU als via haar externe acties aan te pakken;

xii.  verdrievoudiging van de huidige begroting voor het Erasmus+-programma;

xiii.  voorzien in een toereikend financieringsniveau voor het DiscoverEU-programma (Interrail);

xiv.  verhoging van de huidige financiering van het programma Creatief Europa;

xv.  verhoging van de huidige financiering voor het programma "Rechten en waarden" en invoering van een specifieke toewijzing voor een nieuw onderdeel "waarden van de Unie" (ten minste 500 miljoen euro) ter ondersteuning van maatschappelijke organisaties die op lokaal en nationaal niveau fundamentele waarden en democratie in de EU bevorderen;

xvi.  handhaving van de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) voor de EU‑27 op het niveau van de begroting 2014‑2020 in reële termen, en tegelijkertijd het oorspronkelijke bedrag van de landbouwreserve in de begroting opnemen;

xvii.  verhoging van 10 % voor het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, overeenkomstig de nieuwe missie van het fonds inzake de blauwe economie;

xviii.  verdubbeling van de huidige financiering voor het Life+-programma, met inbegrip van specifieke budgetten voor biodiversiteit en het beheer van het Natura 2000-netwerk;

xix.  invoering van een specifieke toewijzing (4,8 miljard EUR) voor een nieuw fonds voor een rechtvaardige energietransitie om de maatschappelijke, sociaaleconomische en milieueffecten op werknemers en gemeenschappen die worden getroffen door de overgang van steenkool en koolstofafhankelijkheid aan te pakken;

xx.  versterking van het instrument/de instrumenten ter ondersteuning van het nabuurschaps- en ontwikkelingsbeleid (3,5 miljard EUR) ter verdere bevordering van de financiering van een investeringsplan voor Afrika;

xxi.  herinvoering van ten minste het niveau van 2020 voor alle agentschappen, waarbij het door de Commissie voorgestelde hogere niveau wordt verdedigd, ook voor de agentschappen, waaraan nieuwe bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn toegekend, en wordt aangedrongen op een alomvattende aanpak van de financiering van vergoedingen;

xxii.  handhaving van het niveau van de financiering voor 2014‑2020 voor verschillende EU-programma's (bv. nucleaire ontmanteling, samenwerking met de landen en gebieden overzee (LGO)), met inbegrip van de programma's waarvoor wordt voorgesteld deze samen te voegen tot grotere programma's (bv. bijstand voor de meest behoeftigen, gezondheid, consumentenrechten) en waarvoor het voorstel van de Commissie dus in reële termen een verlaging inhoudt;

xxiii.  vaststelling, onder voorbehoud van bovengenoemde wijzigingen, van de financiële middelen voor alle andere programma's op het door de Commissie voorgestelde niveau, inclusief voor CEF-Energie, CEF-Digital, het programma "Digitaal Europa", het Europees Defensiefonds en humanitaire hulp;

18.  is voornemens een toereikend niveau van financiering te waarborgen op basis van het voorstel van de Commissie inzake "Migratie en grensbeheer" (rubriek 4) en "Veiligheid en defensie", met inbegrip van crisisrespons (rubriek 5); herhaalt het standpunt dat het sinds geruime tijd huldigt, namelijk dat extra politieke prioriteiten gepaard moeten gaan met extra financiële middelen, teneinde de bestaande beleidsmaatregelen en programma's en de financiering ervan in het kader van het MFK niet te ondermijnen;

19.  is voornemens zijn steun te verlenen aan het voorstel van de Commissie inzake het waarborgen van een toereikend niveau van financiering voor een sterk, efficiënt en hoogwaardig Europees openbaar bestuur ten dienste van alle Europeanen; herinnert eraan dat de instellingen, organen en gedecentraliseerde agentschappen van de EU onder het huidige MFK een verlaging van het aantal personeelsleden met 5 % hebben doorgevoerd en is van mening dat een verdere verlaging onwenselijk is nu dit het verwezenlijken van het beleid van de Unie in gevaar zou brengen; herhaalt eens te meer sterk te zijn gekant tegen een herhaling van de zogenaamde herschikkingspool voor agentschappen;

20.  is vastberaden in de eerste jaren van het MFK 2021‑2027 een nieuwe betalingscrisis zoals die van de huidige periode te voorkomen; is van mening dat bij de vaststelling van het totale maximum voor betalingen rekening moet worden gehouden met het ongekende niveau van openstaande verplichtingen aan het eind van 2020, dat voortdurend toeneemt door grote vertragingen in de tenuitvoerlegging en dat in het kader van het volgende MFK moet worden weggewerkt; vraagt daarom het algemene betalingsniveau en de jaarlijkse betalingsplafonds, vooral aan het begin van de periode, op een passend niveau vast te stellen en daarbij ook rekening te houden met deze situatie; is voornemens om voor het komende MFK slechts een beperkt en degelijk beargumenteerd verschil tussen vastleggingen en betalingen te aanvaarden;

21.  presenteert in dit kader in de bijlagen III en IV van de huidige resolutie een tabel met de exacte voorgestelde cijfers voor ieder EU-beleidsterrein en -programma; verklaart dat het voor vergelijkingsdoeleinden voornemens is de door de Commissie voorgestelde structuur van de individuele EU‑programma's te handhaven, zonder afbreuk te doen aan de wijzigingen waar mogelijk om wordt verzocht tijdens de wetgevingsprocedure die voorafgaat aan de vaststelling van deze programma's;

Tussentijdse herziening

22.  onderstreept dat het van belang is de tussentijdse herziening van het MFK te handhaven, waarbij wordt voortgebouwd op het positieve precedent dat in het huidige kader is gecreëerd, en dringt aan op het volgende:

i.  een verplichte en juridisch bindende tussentijdse herziening, na een evaluatie van de werking van het MFK en rekening houdend met een beoordeling van de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de klimaatdoelstelling, de mainstreaming van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en gendergelijkheid, en het effect van vereenvoudigingsmaatregelen op de begunstigden;

ii.  het betreffende voorstel van de Commissie dient tijdig te worden gepresenteerd zodat het volgende Europees Parlement en de volgende Commissie in staat zijn een betekenisvolle aanpassing van het MFK 2021-2027 uit te voeren, in elk geval vóór 1 juli 2023;

iii.  deze herziening mag geen verlaging inhouden van eerder aan de lidstaten toegewezen bedragen;

Flexibiliteit

23.  verwelkomt de voorstellen van de Commissie inzake flexibiliteit als een goede basis voor de onderhandelingen; gaat akkoord met de globale structuur van de flexibiliteitsmechanismen in het MFK 2021‑2027; beklemtoont dat de speciale instrumenten verschillende doelstellingen hebben en tegemoetkomen aan verschillende behoeften en is gekant tegen elke poging om ze samen te voegen; is nadrukkelijk voorstander van de duidelijke bepaling dat zowel de vastleggings- als de betalingskredieten die het resultaat zijn van de mobilisering van speciale instrumenten, in de begroting moeten worden meegeteld naast en bovenop de desbetreffende MFK-maxima, en dat alle beperkingen voor de overkoepelende marge voor betalingen verwijderd moeten worden; dringt aan op de invoering van een aantal aanvullende verbeteringen, met inbegrip van:

i.  de aanvulling van de reserve van de Unie met een bedrag gelijk aan de ontvangsten uit boetes en dwangsommen;

ii.  het onmiddellijk opnieuw inzetten van vrijmakingen van het jaar n‑2, met inbegrip van de vastleggingen in het kader van het huidige MFK;

iii.  het ter beschikking stellen van de vervallen bedragen van de speciale instrumenten ten behoeve van alle speciale instrumenten, en niet alleen het flexibiliteitsinstrument;

iv.  een hogere toewijzing van middelen aan het flexibiliteitsinstrument, de reserve voor noodhulp, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en de marge voor onvoorziene uitgaven, de laatste zonder verplichte compensatie;

Duur

24.  onderstreept dat de duur van het MFK geleidelijk moet evolueren in de richting van een periode van vijf plus vijf jaar in combinatie met een verplichte tussentijdse herziening; aanvaardt dat het volgende MFK moet worden vastgesteld voor een periode van zeven jaar als overgangsoplossing die nog één keer toegepast moet worden; verwacht dat de gedetailleerde regelingen voor de uitvoering van een financieel kader van vijf plus vijf jaar bij de tussentijdse herziening van het MFK 2021-2027 zullen worden goedgekeurd;

Structuur

25.  is het eens met de algemene structuur van de door de Commissie voorgestelde zeven MFK-rubrieken, die grotendeels overeenkomt met het voorstel van het Parlement zelf; is van mening dat deze structuur een verhoogde transparantie en beter inzicht in de uitgaven van de EU mogelijk maakt, en tegelijkertijd de vereiste mate van flexibiliteit waarborgt; is het voorts eens met de totstandbrenging van "programmaclusters" die naar verwachting tot aanzienlijke vereenvoudiging en rationalisering van de begrotingsstructuur van de EU zullen leiden alsook tot de duidelijke afstemming van deze structuur met de MFK-rubrieken;

26.  constateert dat de Commissie voorstelt het aantal EU‑programma's met meer dan een derde te verminderen; benadrukt dat het standpunt van het Parlement met betrekking tot de structuur en samenstelling van de 37 nieuwe programma's bepaald zal worden in de loop van de behandeling van de desbetreffende sectorale wetgevingshandelingen; verwacht in elk geval dat de voorgestelde begrotingsnomenclatuur alle verschillende bestanddelen van alle programma's zal weerspiegelen, en wel zodanig dat de vereiste transparantie is gewaarborgd, alsook de mate van informatie die de begrotingsautoriteit nodig heeft om de jaarlijkse begroting vast te stellen en toezicht te houden op de tenuitvoerlegging ervan;

Eenheid van de begroting

27.  is verheugd over de voorgestelde opname van het Europees Ontwikkelingsfonds in de begroting van de Unie waarmee tegemoet wordt gekomen aan een reeds lang bestaande eis van het Parlement inzake niet-budgettaire instrumenten; herinnert eraan dat het beginsel van eenheid, dat bepaalt dat alle ontvangsten en uitgaven van de Unie in de begroting moeten worden opgenomen, een in het Verdrag opgenomen eis is alsook een democratische basisvoorwaarde;

28.  plaatst derhalve vraagtekens bij de logica en rechtvaardiging die ten grondslag liggen aan de invoering van instrumenten buiten de Uniebegroting om die de parlementaire controle van overheidsfinanciën onmogelijk maakt en de transparantie van de besluitvormingsprocessen ondermijnt; is van mening dat als gevolg van het instellen van dergelijke instrumenten het Parlement in zijn drievoudige bevoegdheid als wetgevings-, begrotings- en controleautoriteit wordt gepasseerd; is voorts van mening dat wanneer uitzonderingen noodzakelijk worden geacht om specifieke doelstellingen te verwezenlijken, bijvoorbeeld door middel van financieringsinstrumenten of trustfondsen, deze volledig transparant moeten zijn, ter dege gemotiveerd moeten worden met een aantoonbare additionaliteit en meerwaarde en moeten berusten op krachtige besluitvormingsprocedures en bepalingen inzake de verantwoordingsplicht;

29.  beklemtoont echter dat de opname van deze instrumenten in de begroting van de EU niet mag leiden tot een verlaging van de financiering voor andere beleidsmaatregelen en programma's van de EU; onderstreept daarom dat het algemene niveau van het komende MFK moet worden vastgesteld zonder rekening te houden met de toewijzing van 0,03 % van het bni van het EU dat overeenstemt met het Europees Ontwikkelingsfonds, die moet worden toegevoegd bovenop de overeengekomen maxima;

30.  benadrukt dat de MFK-maxima geen belemmering mogen vormen voor de financiering van de beleidsdoelstellingen van de Unie via de begroting van de Unie; verwacht derhalve dat een opwaartse herziening van de MFK-plafonds zal zijn gewaarborgd wanneer dat dit nodig is voor de financiering van nieuwe beleidsdoelstellingen, zonder dat hierbij een beroep hoeft te worden gedaan op intergouvernementele financieringsmethoden;

B.  WETGEVINGSKWESTIES

Rechtsstaat

31.  benadrukt het belang van het nieuwe mechanisme dat eerbiediging van de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) verankerde waarden waarborgt, waarbij lidstaten die deze waarden niet eerbiedigen hiervan financiële gevolgen ondervinden; benadrukt echter dat de uiteindelijke begunstigden van de begroting van de Unie op geen enkele manier gestraft mogen worden voor door hun overheden begane schendingen van de rechtsstaat en grondrechten; onderstreept derhalve dat dergelijke maatregelen de verplichting van overheidsinstanties of van lidstaten tot het doen van betalingen aan uiteindelijke begunstigden of ontvangers, onverlet laten;

Gewone wetgevingsprocedure en gedelegeerde handelingen

32.  benadrukt dat de programmadoelstellingen en uitgavenprioriteiten, financiële toewijzingen, subsidiabiliteit, selectie- en gunningscriteria, voorwaarden, definities en berekeningsmethoden in de desbetreffende wetgeving moeten worden vastgesteld, met volledige inachtneming van de prerogatieven van het Parlement als medewetgever; benadrukt dat wanneer dergelijke maatregelen, die belangrijke beleidskeuzes kunnen inhouden, niet in de basishandeling zijn opgenomen, deze door middel van gedelegeerde handelingen moeten worden vastgesteld; is in dit opzicht van mening dat meerjarige en/of jaarlijkse werkprogramma's in het algemeen door middel van gedelegeerde handelingen dienen te worden vastgesteld;

33.  verklaart voornemens te zijn om, waar nodig, de bepalingen inzake bestuur, verantwoordingsplicht, transparantie en parlementair toezicht, inzake de versterking van de positie van de lokale en regionale autoriteiten en hun partners, alsook inzake de betrokkenheid van ngo's en het maatschappelijk middenveld bij de volgende generatie programma's, te versterken; is ook van plan om, waar nodig, de samenhang en synergieën tussen en binnen de verschillende fondsen en beleidslijnen te verbeteren en te verduidelijken; erkent de noodzaak van meer flexibiliteit bij de toewijzing van middelen binnen bepaalde programma's, maar benadrukt dat dit niet ten koste mag gaan van de oorspronkelijke en langetermijnbeleidsdoelstellingen, van de voorspelbaarheid en van de rechten van het Parlement;

Herzieningsclausules

34.  wijst erop dat gedetailleerde en doeltreffende herzieningsclausules in de individuele MFK-programma's en -instrumenten dienen te worden opgenomen teneinde erop toe te zien dat hier betekenisvolle beoordelingen van worden uitgevoerd en dat het Parlement vervolgens volledig betrokken is bij alle beslissingen inzake de vereiste aanpassingen;

Wetgevingsvoorstellen

35.  roept de Commissie op de desbetreffende wetgevingsvoorstellen in te dienen naast de reeds ingediende voorstellen, en met name een voorstel voor een verordening tot instelling van een fonds voor een rechtvaardige energietransitie en een specifiek programma voor duurzaam toerisme; steunt voorts de invoering van de Europese kindergarantie in het ESF+, de integratie van een specifiek onderdeel "waarden van de Unie" in het programma "Rechten en waarden" en een herziening van de verordening tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie; betreurt dat de desbetreffende voorstellen van de Commissie geen maatregelen bevatten die voldoen aan de vereisten van artikel 174 VWEU met betrekking tot de meest noordelijke regio's met een zeer geringe bevolkingsdichtheid en insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden; is van mening dat een voorstel tot herziening van het Financieel Reglement dient te volgen wanneer dit noodzakelijk blijkt als gevolg van de MFK-onderhandelingen;

C. EIGEN MIDDELEN

36.  benadrukt dat het huidige stelsel van eigen middelen uiterst complex, onbillijk en ondoorzichtig en voor de burgers van de EU volledig onbegrijpelijk is; pleit derhalve nogmaals voor een vereenvoudigd stelsel dat voor de EU‑burgers beter te begrijpen is;

37.  is in dit opzicht verheugd over de op 2 mei 2018 goedgekeurde reeks voorstellen van de Commissie inzake een nieuw stelsel van eigen middelen en ziet dit als een belangrijke stap richting een ambitieuzere hervorming; verzoekt de Commissie rekening te houden met Advies nr. 5/2018 van de Europese Rekenkamer betreffende het voorstel van de Commissie inzake een nieuw stelsel van eigen middelen van de Europese Unie, waarin wordt onderstreept dat de berekeningen moeten worden verbeterd en dat het stelsel verder moet worden vereenvoudigd;

38.  herinnert eraan dat de invoering van nieuwe eigen middelen een tweeledig doel moet dienen: ten eerste om het aandeel van de bni-bijdragen aanzienlijk te verminderen en ten tweede om een adequate financiering van de EU-uitgaven in het kader van het meerjarig financieel kader voor de periode na 2020 te waarborgen;

39.  is voorstander van de voorgestelde modernisering van de bestaande eigen middelen, onder meer door:

–  de douanerechten als traditionele eigen middelen voor de EU ongewijzigd te laten, maar het percentage dat de lidstaten als "inningskosten" inhouden te verlagen en opnieuw het aanvankelijke percentage, namelijk 10 %, te hanteren;

–  de op de belasting over de toegevoegde waarde gebaseerde eigen middelen te vereenvoudigen door de introductie van een uniform afroepingspercentage zonder uitzonderingen;

–  handhaving van de op het bni gebaseerde eigen middelen teneinde het aandeel hiervan in de EU-financiering geleidelijk de 40 % te laten naderen met behoud van de balancerende werking ervan;

40.  vraagt in dit kader, overeenkomstig het voorstel van de Commissie, om de geprogrammeerde invoering van een pakket van nieuwe eigen middelen dat, zonder de fiscale lasten te verzwaren voor de Europese burgers, zou overeenstemmen met twee essentiële doelstellingen van de EU die een onmiskenbare en onvervangbare Europese meerwaarde bieden:

–  de goede werking, consolidatie en versterking van de interne markt, met name door toepassing van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) als basis voor nieuwe eigen middelen door de vaststelling van een uniform heffingstarief op de ontvangsten uit de CCCTB, en de belasting van grote ondernemingen in de digitale sector die profiteren van de interne markt;

–  de strijd tegen de klimaatverandering en de versnelling van de energietransitie door maatregelen die onder meer betrekking hebben op een aandeel van de inkomsten van het emissiehandelssysteem;

–  de strijd voor de bescherming van het milieu via een bijdrage op basis van de hoeveelheid niet-gerecyclede plastic verpakkingen;

41.  dringt aan op uitbreiding van de lijst van mogelijke nieuwe eigen middelen in de komende jaren, met onder meer:

–  eigen middelen op basis van een belasting op financiële transacties (FTT), waarbij alle lidstaten worden opgeroepen overeenstemming te bereiken over een efficiënte regeling;

–  de invoering van een mechanisme voor een koolstofgrenscorrectie als nieuwe eigenmiddelenbron voor de EU‑begroting, wat moet leiden tot een gelijk speelveld in de internationale handel en tot minder productieverplaatsingen doordat de kosten van de klimaatverandering geïnternaliseerd worden in de prijs van ingevoerde goederen;

42.  is groot voorstander van de afschaffing van alle kortingen en andere correctiemechanismen, in voorkomend geval door middel van een beperkte periode van uitfasering;

43.  dringt aan op de invoering van andere ontvangsten die extra inkomsten voor de EU‑begroting zouden vormen zonder dat dit een overeenkomstige verlaging van de bni-bijdragen met zich meebrengt:

–  door ondernemingen te betalen boetes voor het schenden van de regelgeving van de Unie of voor te late betalingen van bijdragen;

–  de opbrengsten van boetes die voortvloeien uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met inbegrip van forfaitaire bedragen of dwangsommen die aan de lidstaten zijn opgelegd als gevolg van inbreukprocedures;

44.  onderstreept bovendien het belang van de invoering van andere vormen van inkomsten, in overeenstemming met de voorstellen van de Commissie, in het geval van:

–  vergoedingen die betaald moeten worden voor de toepassing van mechanismen die in rechtstreeks verband met de EU staan, zoals het Europees Systeem voor reisinformatie en ‑autorisatie (Etias);

–  seigniorage, in de vorm van bestemmingsontvangsten, voor het financieren van een nieuwe stabilisatiefunctie voor investeringen;

45.  benadrukt dat het van belang is de geloofwaardigheid van de EU-begroting ten opzichte van de financiële markten te waarborgen, hetgeen een verhoging van de maxima van de eigen middelen impliceert;

46.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen om de paradoxale situatie op te lossen waarbij bijdragen van het Verenigd Koninkrijk aan de vóór 2021 nog te betalen vastleggingen in de begroting (RAL) zullen worden opgenomen als algemene inkomsten en dus worden meegeteld bij de vaststelling van het plafond voor de eigen middelen, maar dat hetzelfde plafond zal worden berekend op basis van het bni van de EU‑27, dus zonder het Verenigd Koninkrijk, zodra dat land uit de EU is getreden; is van mening dat de bijdragen van het Verenigd Koninkrijk daarentegen moeten worden berekend bovenop het plafond voor de eigen middelen;

47.  vestigt de aandacht op het feit dat de douane-unie een belangrijke bron van de financiële capaciteit van de Unie is; benadrukt in dit verband dat de douanecontrole en het douanemanagement in de hele Unie moeten worden geharmoniseerd om fraude en onregelmatigheden die de financiële belangen van de Unie schaden, te voorkomen en te bestrijden;

48.  is groot voorstander van de indiening door de Commissie van een voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie; herinnert eraan dat de goedkeuring van het Parlement voor deze verordening vereist is; herinnert eraan dat deze verordening integraal deel uitmaakt van het pakket eigen middelen dat door de Commissie is voorgesteld en verwacht dat de Raad de vier bijbehorende teksten over de eigen middelen behandelt als één pakket, samen met het MFK;

D.  WIJZIGINGEN OP HET VOORSTEL VOOR EEN VERORDENING BETREFFENDE HET MFK 2021-2027

49.  is van mening dat het voorstel voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021‑2027 als volgt moet worden gewijzigd:

Wijziging    1

Voorstel voor een verordening

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(1)  Omdat er een voldoende mate van voorspelbaarheid nodig is met het oog op de voorbereiding en uitvoering van de investeringen voor de middellange termijn, dient de looptijd van het meerjarig financieel kader (MFK) te worden vastgesteld op zeven jaar met ingang van 1 januari 2021.

(1)  Omdat er een voldoende mate van voorspelbaarheid nodig is met het oog op de voorbereiding en uitvoering van de investeringen voor de middellange termijn en er behoefte is aan democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht, dient de looptijd van dit meerjarig financieel kader (MFK) te worden vastgesteld op zeven jaar met ingang van 1 januari 2021, met op termijn een overgang naar een periode van vijf plus vijf jaar in overeenstemming met de politieke cyclus van het Europees Parlement en de Commissie.

Wijziging    2

Voorstel voor een verordening

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(2)  De jaarlijkse maxima voor de vastleggingskredieten per uitgavencategorie en de jaarlijkse maxima voor betalingskredieten die bij het MFK worden vastgesteld, moeten de toepasselijke maxima voor de vastleggingskredieten en de eigen middelen in acht nemen die worden vastgesteld overeenkomstig het besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie, dat wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 311, derde alinea, VWEU.

(2)  In het MFK dienen jaarlijkse maxima voor de vastleggingskredieten per uitgavencategorie en jaarlijkse maxima voor betalingskredieten te worden vastgesteld teneinde een geordende ontwikkeling van de uitgaven van de Europese Unie te waarborgen binnen de grenzen van de eigen middelen, waarbij tegelijkertijd wordt gewaarborgd dat de Unie in staat is in de middelen te voorzien die nodig zijn voor het verwezenlijken van haar doelstellingen en beleid overeenkomstig artikel 311, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en zij aan haar verplichtingen tegenover derden uit hoofde van artikel 323 VWEU kan voldoen.

Wijziging    3

Voorstel voor een verordening

Overweging 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

(2 bis)  De hoogte van de maximumbedragen moet worden bepaald op basis van de bedragen die nodig zijn voor de financiering en uitvoering van de programma's en beleidsmaatregelen van de Unie, alsook voor de vereiste marges die moeten worden aangehouden voor eventuele aanpassingen aan toekomstige behoeften. Bij vaststelling van de maxima voor de betalingskredieten moet bovendien rekening worden gehouden met de grote hoeveelheid openstaande verplichtingen die eind 2020 verwacht worden. De bedragen die in deze verordening alsook in de basishandelingen voor de programma's voor de periode 2021‑2027 worden vastgesteld, moeten worden uitgedrukt in prijzen van 2018 en omwille van de eenvoud en de voorspelbaarheid worden bijgesteld op basis van een vaste deflator van 2 % per jaar.

Wijziging    4

Voorstel voor een verordening

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(3)  Indien gebruik moet worden gemaakt van de garanties die zijn verleend binnen de algemene begroting van de Unie voor financiële bijstand aan lidstaten die is goedgekeurd overeenkomstig artikel 208, lid 1,] van Verordening (EU) nr. [xxx/201x] van het Europees Parlement en de Raad (hierna "het Financieel Reglement" genoemd), dient het noodzakelijke bedrag ter beschikking te worden gesteld boven de maxima van de vastleggings- en betalingskredieten van het MFK met inachtneming van het maximum van de eigen middelen.

(3)  Indien gebruik moet worden gemaakt van de garanties die zijn verleend binnen de algemene begroting van de Unie voor financiële bijstand aan lidstaten die is goedgekeurd overeenkomstig artikel 208, lid 1,] van Verordening (EU) nr. [xxx/201x] van het Europees Parlement en de Raad (hierna "het Financieel Reglement" genoemd), dient het noodzakelijke bedrag ter beschikking te worden gesteld boven de maxima van de vastleggings- en betalingskredieten van het MFK en dient dit bedrag derhalve in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van het maximum van de eigen middelen.

Wijziging    5

Voorstel voor een verordening

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(4)  In het MFK dient geen rekening te worden gehouden met de begrotingsonderdelen die worden gefinancierd met bestemmingsontvangsten in de zin van het Financieel Reglement.

(4)  Begrotingsonderdelen die worden gefinancierd met bestemmingsontvangsten in de zin van het Financieel Reglement moeten niet worden meegeteld bij de vaststelling van de MFK-maxima; het is echter wel zaak erop toe te zien dat tijdens de vaststelling en uitvoering van de jaarlijkse begrotingsprocedure alle beschikbare informatie in volledig transparante vorm bekend wordt gemaakt.

Wijziging    6

Voorstel voor een verordening

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(6)  Er dient specifiek de grootst mogelijke flexibiliteit te worden betracht om de Unie in staat te stellen overeenkomstig artikel 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) aan haar verplichtingen te voldoen.

(6)  In het kader van het MFK dient de grootst mogelijke flexibiliteit te worden betracht, met name om te waarborgen dat de Unie in staat is overeenkomstig de artikelen 311 en 323 van het VWEU aan haar verplichtingen te voldoen.

Wijziging    7

Voorstel voor een verordening

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(7)  De volgende speciale instrumenten zijn noodzakelijk om de Unie in staat te stellen op specifieke onvoorziene omstandigheden te reageren, of om de financiering van duidelijk omschreven uitgaven mogelijk te maken die niet zouden kunnen worden gefinancierd binnen de grenzen van de beschikbare maxima voor één of meer uitgavenrubrieken als in het MFK vastgesteld, en aldus de begrotingsprocedure vlot te doen verlopen: het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, de reserve voor noodhulp, de overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie), het flexibiliteitsinstrument en de marge voor onvoorziene uitgaven. De reserve voor noodhulp is niet bedoeld voor het aanpakken van de gevolgen van marktgerelateerde crises die de landbouwproductie of -distributie treffen. Er moeten daarom specifieke bepalingen worden vastgesteld om vastleggingskredieten en bijbehorende betalingskredieten in de begroting op te nemen welke de in het MFK vastgestelde maxima overschrijden wanneer het noodzakelijk is speciale instrumenten in te zetten.

(7)  De volgende speciale instrumenten zijn noodzakelijk om de Unie in staat te stellen op specifieke onvoorziene omstandigheden te reageren, of om de financiering van duidelijk omschreven uitgaven mogelijk te maken die niet zouden kunnen worden gefinancierd binnen de grenzen van de beschikbare maxima voor één of meer uitgavenrubrieken als in het MFK vastgesteld, en aldus de jaarlijkse begrotingsprocedure vlot te doen verlopen: het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, de reserve voor noodhulp, de overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie voor vastleggingen), het flexibiliteitsinstrument en de marge voor onvoorziene uitgaven. Er moeten daarom specifieke bepalingen worden vastgesteld om vastleggingskredieten en bijbehorende betalingskredieten in de begroting op te nemen welke de in het MFK vastgestelde maxima overschrijden wanneer het noodzakelijk is speciale instrumenten in te zetten.

Wijziging    8

Voorstel voor een verordening

Overweging 7 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

(7 bis)  Meer in het bijzonder moeten de Unie en haar lidstaten weliswaar al het mogelijke doen om te waarborgen dat de door de begrotingsautoriteit goedgekeurde vastleggingen op effectieve wijze voor hun oorspronkelijke doel worden gebruikt, maar moet het ook mogelijk zijn niet-uitgevoerde of vrijgemaakte vastleggingskredieten via de reserve van de Unie voor vastleggingen te mobiliseren, mits dit begunstigden niet de gelegenheid geeft de desbetreffende doorhalingsregels te omzeilen.

Wijziging    9

Voorstel voor een verordening

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(9)  Er moeten regels worden opgesteld voor andere situaties die een aanpassing van het MFK kunnen vereisen. Deze aanpassingen kunnen verband houden met de vertraagde goedkeuring van nieuwe regels of programma's in gedeeld beheer, of met overeenkomstig de desbetreffende basishandelingen goedgekeurde maatregelen verbonden aan behoorlijk economisch bestuur of de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten.

(9)  Er moeten regels worden opgesteld voor andere situaties die een aanpassing van het MFK kunnen vereisen. Deze aanpassingen kunnen verband houden met de vertraagde goedkeuring van nieuwe regels of programma's in gedeeld beheer, of met de schorsing van begrotingsvastleggingen overeenkomstig de desbetreffende basishandelingen.

Wijziging    10

Voorstel voor een verordening

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(10)  Halverwege de uitvoering van het MFK moet de werking ervan worden geëvalueerd. De resultaten van deze evaluatie dienen in iedere herziening van deze verordening voor de resterende jaren van het MFK in aanmerking te worden genomen.

(10)  Teneinde nieuwe beleidsmaatregelen en prioriteiten in aanmerking te kunnen nemen, moeten de werking en uitvoering van het MFK halverwege de uitvoering ervan worden geëvalueerd, met inbegrip van een verslag waarin de methoden voor de praktische uitvoering van een financieel kader van vijf plus vijf jaar uiteen worden gezet.

Wijziging    11

Voorstel voor een verordening

Overweging 10 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

(10 bis)  Om te voldoen aan de verbintenis van de Unie om voorop te lopen bij de uitvoering van de VN‑doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, met inbegrip van gendergelijkheid, wordt bij de herziening van het MFK rekening gehouden met de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering ervan in alle beleidsmaatregelen en initiatieven van de EU in het kader van het MFK 2021‑2027, gemeten aan de hand van door de Commissie opgestelde prestatie-indicatoren, alsook met de vooruitgang bij de integratie van gendermainstreaming in alle EU‑activiteiten. Bij de voorbereiding van de herziening van het MFK wordt ook rekening gehouden met de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de algemene doelstelling om in de periode 2021‑2027 van het MFK 25 % van de EU‑uitgaven aan het behalen van de klimaatdoelstellingen te besteden, en met de verwezenlijking van een jaarlijkse uitgavendoelstelling van 30 % zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2027, gemeten op basis van hervormde prestatie-indicatoren die een onderscheid maken tussen mitigatie en aanpassing. Bij de herziening moet ook, in overleg met de nationale en lokale belanghebbenden, worden beoordeeld of de goedgekeurde vereenvoudigingsmaatregelen daadwerkelijk hebben geleid tot een vermindering van de bureaucratische rompslomp voor de begunstigden bij de uitvoering van de programma's.

Wijziging    12

Voorstel voor een verordening

Overweging 12 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

(12 bis)  Alle uitgaven op het niveau van de Unie die zijn toegewezen aan de tenuitvoerlegging van het Uniebeleid op basis van de Verdragen worden als uitgaven van de Unie beschouwd in de zin van artikel 310, lid 1 VWEU, en dienen derhalve te worden opgenomen in de begroting van de Unie overeenkomstig de in artikel 314 VWEU vastgelegde begrotingsprocedure, waarmee wordt gewaarborgd dat de fundamentele beginselen van democratische vertegenwoordiging van de burgers bij de besluitvormingsprocessen, de parlementaire controle van overheidsfinanciën en de transparantie van de besluitvormingsprocessen worden geëerbiedigd. De MFK-maxima mogen geen belemmering vormen voor de financiering van de beleidsdoelstellingen van de Unie via de begroting van de Unie. Het is derhalve noodzakelijk te voorzien in een opwaartse herziening van het MFK op de momenten dat dit nodig is voor de financiering van Uniebeleid, met name voor nieuwe beleidsdoelstellingen, zonder dat hierbij een beroep hoeft te worden gedaan op intergouvernementele of quasi-intergouvernementele financieringsmethoden.

Wijziging    13

Voorstel voor een verordening

Overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(13)  Verder zijn specifieke regels nodig in verband met grootschalige infrastructuurprojecten waarvan de looptijd de periode die voor het MFK is vastgesteld, ruim overschrijdt. Er dienen maximumbedragen te worden vastgesteld voor de bijdragen uit de algemene begroting van de Unie aan deze projecten om er aldus voor te zorgen dat zij geen gevolgen hebben voor andere projecten die uit die begroting worden gefinancierd.

(13)  Verder zijn specifieke regels nodig in verband met grootschalige infrastructuurprojecten waarvan de looptijd de periode die voor het MFK is vastgesteld, ruim overschrijdt. De financiering van deze grootschalige projecten, die van strategisch belang zijn voor de Unie, moet worden gewaarborgd in de algemene begroting van de Unie, maar er dienen maximumbedragen te worden vastgesteld voor bijdragen van de Unie aan deze projecten, zodat eventuele kostenoverschrijdingen geen gevolgen hebben voor andere projecten die uit die begroting worden gefinancierd;

Wijziging    14

Voorstel voor een verordening

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(14)  In de begrotingsprocedure dienen algemene regels voor interinstitutionele samenwerking te worden vastgelegd.

(14)  In de begrotingsprocedure dienen algemene regels voor transparantie en interinstitutionele samenwerking te worden vastgelegd, met inachtneming van de begrotingsbevoegdheden van de instellingen als vastgesteld in de Verdragen, teneinde erop toe te zien dat begrotingsbesluiten zo transparant mogelijk worden genomen met zo min mogelijk afstand tot de burgers, zoals bepaald in artikel 10, lid 3, VWEU, en dat de begrotingsprocedure vlot verloopt, zoals bepaald in artikel 312, lid 3, tweede alinea, VWEU.

Wijziging    15

Voorstel voor een verordening

Overweging 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

(15)  De Commissie dient vóór 1 juli 2025 een voorstel voor een nieuw MFK in te dienen opdat de instellingen dit voorstel ruim vóór de aanvang van het volgend MFK kunnen aannemen. Overeenkomstig artikel 312, lid 4, VWEU blijven de maximumbedragen betreffende het laatste door deze verordening bestreken jaar van toepassing indien vóór het verstrijken van het bij deze verordening vastgestelde MFK geen nieuw financieel kader is vastgesteld,

(15)  De Commissie dient vóór 1 juli 2025 een voorstel voor een nieuw MFK in te dienen. Dit tijdschema geeft de nieuwe Commissie voldoende tijd om haar voorstellen te formuleren en stelt het Europees Parlement dat in 2024 verkozen wordt in staat om zijn eigen standpunt te formuleren inzake het MFK na 2027. Dit stelt de instellingen bovendien in staat dit voorstel ruim vóór de aanvang van het volgend MFK aan te nemen. Overeenkomstig artikel 312, lid 4, VWEU blijven de maximumbedragen betreffende het laatste door deze verordening bestreken jaar van toepassing indien vóór het verstrijken van het bij deze verordening vastgestelde MFK geen nieuw financieel kader is vastgesteld,

Wijziging    16

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 1 – artikel 3 – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Inachtneming van het maximum van de eigen middelen

Samenhang met de eigen middelen

Wijziging    17

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 1 – artikel 3 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

4.  Voor elk van de door het MFK bestreken jaren mag het totaalbedrag van de benodigde kredieten voor betalingen, na jaarlijkse aanpassing en met inachtneming van andere aanpassingen en herzieningen, en het bepaalde in artikel 2, leden 2 en 3, niet tot een hoger afroepingspercentage van de eigen middelen leiden dan het maximum dat is vastgesteld overeenkomstig het geldende besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (hierna "het eigenmiddelenbesluit" genoemd), dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 311, derde alinea, VWEU.

4.  Voor elk van de door het MFK bestreken jaren mag het totaalbedrag van de benodigde kredieten voor betalingen, na jaarlijkse aanpassing en met inachtneming van andere aanpassingen en herzieningen, en het bepaalde in artikel 2, leden 2 en 3, niet zodanig zijn dat het afroepingspercentage van de eigen middelen de grenzen van de eigen middelen van de Unie overschrijdt, onverminderd de verplichting van de Unie zich te voorzien van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid uit te voeren overeenkomstig artikel 311, eerste alinea, VWEU, en de verplichting van de instellingen om te waarborgen dat de Unie de beschikking heeft over de financiële middelen die nodig zijn voor het voldoen aan haar juridische verplichtingen jegens derden in overeenstemming met artikel 323, VWEU.

Wijziging    18

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 1 – artikel 3 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

5.  Indien nodig worden de in het MFK vastgestelde maxima verlaagd om ervoor te zorgen dat het overeenkomstig het geldende eigenmiddelenbesluit vastgestelde maximum van de eigen middelen in acht wordt genomen.

Schrappen

Wijziging    19

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 2 – artikel 5 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

4.  Onverminderd de artikelen 6, 7 en 8 worden er geen andere technische aanpassingen verricht ten aanzien van het betrokken jaar, noch in de loop van het begrotingsjaar, noch bij wijze van correctie achteraf in latere jaren.

Schrappen

Wijziging    20

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 2 – artikel 7 – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Aanpassingen in verband met maatregelen verbonden aan behoorlijk economisch bestuur of de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten

Aanpassingen in verband met de schorsing van begrotingsvastleggingen

Wijziging    21

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 2 – artikel 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Wanneer een schorsing van begrotingsvastleggingen betreffende de fondsen van de Unie overeenkomstig de desbetreffende basishandelingen wordt opgeheven in de context van maatregelen in verband met gezond economisch bestuur of de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, worden de bedragen van de geschorste vastleggingen naar de volgende jaren overgedragen en worden de desbetreffende maxima van het MFK dienovereenkomstig aangepast. Kredieten die zijn geschorst voor jaar n, kunnen na jaar n+2 niet opnieuw op de begroting worden opgevoerd.

Wanneer een schorsing van begrotingsvastleggingen overeenkomstig de desbetreffende basishandelingen wordt opgeheven, worden de overeenkomstige bedragen naar de volgende jaren overgedragen en worden de desbetreffende maxima van het MFK dienovereenkomstig aangepast. Kredieten die zijn geschorst voor jaar n, kunnen na jaar n+2 niet opnieuw op de begroting worden opgevoerd. Vanaf jaar n+3 wordt een bedrag gelijk aan de geschorste vastleggingen opgevoerd in de in artikel 12 bedoelde reserve van de Unie voor vastleggingen.

Wijziging    22

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 – artikel 10 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

1.  Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, waarvan de doelstellingen en het toepassingsgebied zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad, mag het jaarlijkse maximumbedrag van 600 miljoen EUR (prijzen van 2018) niet overschrijden. Op 1 oktober van elk jaar is ten minste een vierde van dat jaarlijkse bedrag nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van het begrotingsjaar ontstaan. Het in jaar n niet gebruikte deel van het jaarlijkse bedrag kan tot jaar n+1 worden gebruikt. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Het gedeelte van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt.

1.  Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie heeft tot doel financiële bijstand mogelijk te maken in het geval van grote rampen op het grondgebied van een van de lidstaten of kandidaat-lidstaten zoals vastgesteld in de desbetreffende basishandeling, en mag het jaarlijkse maximumbedrag van 1 miljard EUR (prijzen van 2018) niet overschrijden. Op 1 oktober van elk jaar is ten minste een vierde van dat jaarlijkse bedrag nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van het begrotingsjaar ontstaan. Het in jaar n niet gebruikte deel van het jaarlijkse bedrag kan tot jaar n+1 worden gebruikt. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Het gedeelte van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt.

Wijziging    23

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 – artikel 10 – lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

1 bis.  De kredieten voor het Solidariteitsfonds van de Europese Unie worden als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie.

Wijziging    24

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 – artikel 11 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

2.  Het jaarlijkse bedrag van de reserve wordt vastgesteld op 600 miljoen EUR (prijzen van 2018) en kan worden aangewend tot jaar n+1 overeenkomstig het Financieel Reglement. De reserve wordt als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Het gedeelte van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt. Op 1 oktober van elk jaar is ten minste een vierde van het jaarlijkse bedrag voor jaar n nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van dat jaar ontstaan. Niet meer dan de helft van het tot 30 september van elk jaar beschikbare bedrag mag worden gebruikt voor respectievelijk interne of externe acties. Vanaf 1 oktober mag het resterende deel van het beschikbare bedrag voor interne of externe acties worden gebruikt om de behoeften te dekken die tot het einde van dat jaar ontstaan.

2.  Het jaarlijkse bedrag van de reserve voor noodhulp wordt vastgesteld op 1 miljard EUR (prijzen van 2018) en kan worden aangewend tot jaar n+1 overeenkomstig het financieel reglement. De reserve wordt als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Het gedeelte van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt. Op 1 oktober van elk jaar is ten minste 150 miljoen EUR (prijzen van 2018) van het jaarlijkse bedrag voor jaar n nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van dat jaar ontstaan. Niet meer dan de helft van het tot 30 september van elk jaar beschikbare bedrag mag worden gebruikt voor respectievelijk interne of externe acties. Vanaf 1 oktober mag het resterende deel van het beschikbare bedrag voor interne of externe acties worden gebruikt om de behoeften te dekken die tot het einde van dat jaar ontstaan.

Wijziging    25

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 – artikel 12 – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie)

Overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie voor vastleggingen)

Wijziging    26

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 – artikel 12 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

1.  De overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie) die beschikbaar worden gesteld boven de maxima die in het MFK zijn vastgesteld voor de jaren 2022 tot en met 2027, omvat:

(a) de marges die beschikbaar blijven onder de MFK-maxima voor vastleggingen van het jaar n-1;

(b) vanaf 2023, naast de onder a) bedoelde marges, een bedrag gelijk aan de vrijmakingen van kredieten tijdens jaar n-2, onverminderd artikel 15] van het Financieel Reglement.

1.  De overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie voor vastleggingen) die beschikbaar worden gesteld boven de maxima die in het MFK zijn vastgesteld voor de jaren 2021 tot en met 2027, omvat:

(a) de marges die beschikbaar blijven onder de MFK-maxima voor vastleggingen van voorgaande jaren;

(a bis) niet-uitgevoerde vastleggingskredieten van het jaar n‑1;

(b) een bedrag gelijk aan de vrijmakingen van kredieten tijdens jaar n-2, onverminderd artikel [15] van het Financieel Reglement;

(b bis) een bedrag gelijk aan het bedrag van de geschorste vastleggingen van het jaar n‑3 die niet meer in de begroting opgenomen mogen worden overeenkomstig artikel 7;

(b bis bis) een bedrag gelijk aan het bedrag van de ontvangsten uit boetes en dwangsommen.

Wijziging    27

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 – artikel 12 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

2.  De overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie) of een deel ervan mogen door het Europees Parlement en de Raad worden gebruikt in het kader van de begrotingsprocedure overeenkomstig artikel 314 VWEU.

2.  De overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie voor vastleggingen) of een deel ervan mogen door het Europees Parlement en de Raad worden gebruikt in het kader van de begrotingsprocedure overeenkomstig artikel 314 VWEU. De marges van jaar n kunnen via de reserve van de Unie voor vastleggingen voor het jaar n en het jaar n+1 worden gebruikt op voorwaarde dat dit niet strijdig is met hangende of geplande gewijzigde begrotingen.

Wijziging    28

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 – artikel 12 – lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

3.  Aan het eind van 2027 worden de bedragen die nog beschikbaar zijn uit hoofde van de reserve van de Unie voor vastleggingen, tot 2030 overgedragen naar het volgende MFK.

Wijziging    29

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 – artikel 13 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Het flexibiliteitsinstrument mag worden gebruikt voor de financiering, voor een gegeven begrotingsjaar, van nauwkeurig bepaalde uitgaven die niet binnen de voor een of meer andere rubrieken beschikbare maxima zouden kunnen worden gefinancierd. Voor het flexibiliteitsinstrument wordt, met inachtneming van de tweede alinea, een jaarlijks maximumbedrag bepaald van 1 000 miljoen EUR (prijzen van 2018).

Het flexibiliteitsinstrument mag worden gebruikt voor de financiering, voor een gegeven begrotingsjaar, van nauwkeurig bepaalde uitgaven die niet binnen de voor een of meer andere rubrieken beschikbare maxima zouden kunnen worden gefinancierd, of in het kader van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en de reserve voor noodhulp. Voor het flexibiliteitsinstrument wordt, met inachtneming van de tweede alinea, een jaarlijks maximumbedrag bepaald van 2 miljard EUR (prijzen van 2018).

Wijziging    30

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 – artikel 14 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

1.  Er wordt een marge voor onvoorziene uitgaven van ten hoogste 0,03 % van het bruto nationaal inkomen van de Unie buiten de maxima van het MFK gevormd als laatste redmiddel om op onvoorziene omstandigheden te reageren. Deze mag uitsluitend in samenhang met een gewijzigde of jaarlijkse begroting worden aangesproken.

1.  Er wordt een marge voor onvoorziene uitgaven van ten hoogste 0,05 % van het bruto nationaal inkomen van de Unie buiten de maxima van het MFK gevormd als laatste redmiddel om op onvoorziene omstandigheden te reageren. Deze mag uitsluitend in samenhang met een gewijzigde of jaarlijkse begroting worden aangesproken. Deze mag voor zowel vastleggings- als betalingskredieten worden gebruikt, dan wel alleen voor betalingskredieten.

Wijziging    31

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 – artikel 14 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

2.  De marge voor onvoorziene uitgaven wordt per jaar slechts aangesproken voor een maximumbedrag dat wordt vastgesteld in de jaarlijkse technische aanpassing van het MFK, en blijft binnen het plafond van de eigen middelen.

2.  De marge voor onvoorziene uitgaven wordt per jaar slechts aangesproken voor een maximumbedrag dat wordt vastgesteld in de jaarlijkse technische aanpassing van het MFK.

Wijziging    32

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 – artikel 14 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

3.  De uit de marge voor onvoorziene uitgaven beschikbaar gestelde middelen worden volledig verrekend met de marges in een of meer rubrieken van het MFK voor het lopende begrotingjaar of voor toekomstige begrotingsjaren.

Schrappen

Wijziging    33

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 3 – artikel 14 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

4.  De overeenkomstig lid 3 verrekende middelen mogen niet verder binnen het MFK worden aangewend. Gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven mag niet leiden tot overschrijding van de totale maxima die in het MFK voor de vastleggings- en betalingskredieten voor het lopende begrotingsjaar en voor toekomstige begrotingsjaren zijn vastgesteld.

Schrappen

Wijziging    34

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 4 – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Evaluatie en herziening van het MFK

Herzieningen

Wijziging    35

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 4 – artikel 15 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

1.  Onverminderd artikel 3, lid 2, de artikelen 16 tot en met 20, en artikel 24, kan het MFK in geval van onvoorziene omstandigheden worden herzien met inachtneming van het overeenkomstig het geldende eigenmiddelenbesluit vastgestelde maximum van de eigen middelen.

 

1.  Onverminderd artikel 3, lid 2, de artikelen 16 tot en met 20, en artikel 24, worden de desbetreffende MFK-maxima opwaarts herzien in het geval dit nodig is om de financiering van het Uniebeleid te vergemakkelijken, met name waar het nieuwe beleidsdoelstellingen betreft, en in omstandigheden waarin anders aanvullende intergouvernementele of quasi-intergouvernementele financieringsmethoden zouden moeten worden ingericht die de in artikel 314 VWEU bedoelde begrotingsprocedure zouden omzeilen.

Wijziging    36

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 4 – artikel 15 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

3.  Bij een voorstel tot herziening van het MFK overeenkomstig lid 1 worden de mogelijkheden onderzocht voor een herschikking van uitgaven tussen de programma's die onder de rubriek vallen waarop de herziening betrekking heeft, met name op basis van een verwachte onderbesteding van de kredieten.

Schrappen

Wijziging    37

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 4 – artikel 16 – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Tussentijdse evaluatie van het MFK

Tussentijdse herziening van het MFK

Wijziging    38

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 4 – artikel 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Vóór 1 januari 2024 presenteert de Commissie een evaluatie van de werking van het MFK. Deze evaluatie gaat zo nodig vergezeld van passende voorstellen.

Vóór 1 juli 2023 presenteert de Commissie een wetgevingsvoorstel inzake de herziening van deze verordening overeenkomstig de in het VWEU bedoelde procedures op basis van een evaluatie van de werking van het MFK. Onverminderd artikel 6 van deze verordening zal deze herziening geen verlaging inhouden van eerder aan de lidstaten toegewezen bedragen.

 

Bij de opstelling van het voorstel wordt rekening gehouden met een beoordeling van:

-  vooruitgang in de richting van de algemene doelstelling om in de periode 2021‑2027 van het meerjarig financieel kader 25 % van de EU-uitgaven aan klimaatdoelstellingen bij te dragen, en zo spoedig mogelijk naar een jaarlijkse uitgavendoelstelling van 30 %;

-  de mainstreaming van de doelstellingen van de VN inzake duurzame ontwikkeling;

-  de mainstreaming van het genderperspectief in de begroting van de Unie (gender budgettering);

-  het effect van vereenvoudigingsmaatregelen op de vermindering van de administratieve rompslomp voor de begunstigden bij de uitvoering van de financiële programma's, uit te voeren in overleg met de belanghebbenden;

Wijziging    39

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 4 – artikel 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Wanneer de Commissie het Europees Parlement en de Raad in kennis stelt van de resultaten van de technische aanpassingen van het MFK, dient zij waar nodig tevens een voorstel in tot herziening van het totale bedrag van de kredieten voor betalingen die zij in het licht van de uitvoering van de begroting nodig acht om een goed beheer van de jaarlijkse maxima voor de betalingskredieten en in het bijzonder de geordende ontwikkeling ervan ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen te waarborgen.

Wanneer de Commissie het Europees Parlement en de Raad in kennis stelt van de resultaten van de technische aanpassingen van het MFK, of wanneer de betalingsplafonds de Unie mogelijk beletten aan haar juridische verbintenissen te voldoen, dient zij tevens een voorstel in tot herziening van het totale bedrag van de kredieten voor betalingen die zij in het licht van de uitvoering van de begroting nodig acht om een goed beheer van de jaarlijkse maxima voor de betalingskredieten en in het bijzonder de geordende ontwikkeling ervan ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen te waarborgen.

Wijziging    40

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 5 – artikel 21 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

1.  Een maximumbedrag van 14 196 miljoen EUR (in prijzen van 2018) wordt voor de grootschalige projecten in het kader van Verordening XXXX/XX van het Europees Parlement en de Raad - ruimtevaartprogramma] uit de algemene begroting van de Unie ter beschikking gesteld voor de periode 2021-2027.

1.  Voor de Europese satellietnavigatieprogramma's (EGNOS en Galileo) en Copernicus (het Europees programma voor aardobservatie) is voor de periode 2021‑2027 een maximumbedrag uit de algemene begroting van de Unie gezamenlijk beschikbaar. Dit maximumbedrag wordt vastgesteld op 15 % boven de indicatieve bedragen vastgesteld voor beide grootschalige projecten in het kader van Verordening XXXX/XX van het Europees Parlement en de Raad - ruimtevaartprogramma]. Een verhoging binnen dit maximumbedrag wordt gefinancierd uit de marges of de speciale instrumenten en mag niet leiden tot bezuinigingen op andere programma's en projecten.

Wijziging    41

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 5 – artikel 21 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

2 bis.  Indien zich aanvullende financieringsbehoeften van de Uniebegroting voordoen voor bovenstaande grootschalige projecten, zal de Commissie een voorstel doen de MFK-maxima dienovereenkomstig te wijzigen.

Wijziging    42

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 6 – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure

Transparantie en interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure

Wijziging    43

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 6 – artikel 22

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure

Transparantie en interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure

Wijziging    44

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 6 – artikel 22 – alinea 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

Zowel het Europees Parlement als de Raad worden door leden van de respectievelijke instellingen vertegenwoordigd bij bijeenkomsten op politiek niveau.

Wijziging    45

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 6 – artikel 22 – lid 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

6 bis.  Het Europees Parlement en de Raad bepalen hun respectieve standpunten over de ontwerpbegroting op openbare zittingen.

Wijziging    46

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 6 – artikel 23

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

De algemene begroting van de Unie omvat alle uitgaven en inkomsten van de Unie en Euratom, overeenkomstig artikel 7] van het Financieel Reglement, inclusief uitgaven ten gevolge van een besluit ter zake dat de Raad met eenparigheid van stemmen vaststelt, na raadpleging van het Europees Parlement, in het kader van artikel 332 VWEU.

De algemene begroting van de Unie omvat alle uitgaven en inkomsten van de Unie en Euratom, overeenkomstig artikel 310, lid 1, VWEU, inclusief uitgaven ten gevolge van een besluit ter zake dat de Raad met eenparigheid van stemmen vaststelt, na raadpleging van het Europees Parlement, in het kader van artikel 332 VWEU.

 

Wijziging    47

Voorstel voor een verordening

Hoofdstuk 7 – artikel 24

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Vóór 1 juli 2025 dient de Commissie een voorstel in voor een nieuw meerjarig financieel kader.

Vóór 1 juli 2023 dient de Commissie samen met haar voorstellen voor de tussentijdse herziening een verslag in waarin de methoden voor de praktische uitvoering van een financieel kader van vijf plus vijf jaar uiteen worden gezet.

 

Vóór 1 juli 2025 dient de Commissie een voorstel in voor een nieuw meerjarig financieel kader.

 

Indien vóór 31 december 2027 geen verordening van de Raad tot bepaling van een nieuw MFK is vastgesteld, blijven de maxima voor het laatste door het bestaand MFK bestreken jaar en andere bepalingen van deze verordening van toepassing totdat een nieuwe verordening is vastgesteld. Indien na 2020 nieuwe lidstaten tot de Europese Unie toetreden, wordt het verlengd financieel kader zo nodig herzien om rekening te houden met de toetreding.

E.  WIJZIGINGEN OP HET VOORSTEL VOOR EEN INTERINSTITUTIONEEL AKKOORD

50.  Benadrukt dat het voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer, naar aanleiding van de resultaten van de onderhandeling over en vaststelling van een nieuwe MFK-verordening als volgt moet worden gewijzigd:

Wijziging    48

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel I

Afdeling A – punt 6 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

6 bis.  In afzonderlijke tabellen worden indicatief gegevens verschaft over de operaties die niet in de algemene begroting van de Unie zijn opgenomen en over de vermoedelijke ontwikkeling van de verschillende categorieën eigen middelen van de Unie. Deze gegevens worden jaarlijks bijgewerkt, samen met de documenten die bij de ontwerpbegroting worden gevoegd.

Wijziging    49

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel I

Afdeling A – punt 7

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

7.  De instellingen zorgen er tijdens de begrotingsprocedure en op het ogenblik van de goedkeuring van de begroting met het oog op een goed financieel beheer zoveel mogelijk voor dat onder de maxima van de verschillende rubrieken van het MFK toereikende marges beschikbaar blijven.

7.  De instellingen zorgen er tijdens de begrotingsprocedure en op het ogenblik van de goedkeuring van de begroting met het oog op een goed financieel beheer zoveel mogelijk voor dat onder de maxima van de verschillende rubrieken van het MFK toereikende bedragen binnen de marges beschikbaar blijven of binnen de beschikbare speciale instrumenten.

Wijziging    50

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel I

Afdeling A – punt 8

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Actualisering van de prognoses voor betalingskredieten na 2027

8.  De Commissie actualiseert de prognoses voor de betalingskredieten na 2027 in 2024.

Bij die actualisering wordt rekening gehouden met alle relevante informatie, met name de daadwerkelijke uitvoering van de begrotingskredieten voor vastleggingen en de begrotingskredieten voor betalingen alsmede met de prognoses voor de uitvoering. Tevens worden de regels beoordeeld die zijn vastgesteld om een geordende ontwikkeling van de betalingskredieten ten opzichte van de vastleggingskredieten en de groeiprognoses voor het bruto nationaal inkomen (bni) van de Unie te waarborgen.

Actualisering van de prognoses voor betalingskredieten

8.  Ieder jaar actualiseert de Commissie de prognoses voor de betalingskredieten tot en na 2027.

Bij die actualisering wordt rekening gehouden met alle relevante informatie, met name de daadwerkelijke uitvoering van de begrotingskredieten voor vastleggingen en de begrotingskredieten voor betalingen alsmede met de prognoses voor de uitvoering. Tevens worden de regels beoordeeld die zijn vastgesteld om een geordende ontwikkeling van de betalingskredieten ten opzichte van de vastleggingskredieten en de groeiprognoses voor het bruto nationaal inkomen (bni) van de Unie te waarborgen.

Wijziging    51

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel I

Afdeling B – punt 9

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

9.  Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving naar de betrokken begrotingsonderdelen in.

Overschrijvingen betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering geschieden overeenkomstig het Financieel Reglement.

9.  Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, stelt de Commissie voor middelen uit het fonds beschikbaar te stellen. Het besluit om middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering beschikbaar te stellen, wordt door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk genomen.

Tegelijk met haar voorstel voor een besluit om middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering beschikbaar te stellen, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving naar de betrokken begrotingsonderdelen in.

Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt de kwestie tijdens de volgende begrotingstrialoog besproken.

Overschrijvingen betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering geschieden overeenkomstig het Financieel Reglement.

Wijziging    52

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel I

Afdeling B – punt 10

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

10.  Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, doet de Commissie een voorstel voor het passende begrotingsinstrument overeenkomstig het Financieel Reglement.

10.  Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, doet de Commissie een voorstel om middelen uit het fonds beschikbaar te stellen. Het besluit om middelen uit het solidariteitsfonds beschikbaar te stellen, wordt door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk genomen.

Tegelijk met haar voorstel voor een besluit om middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie beschikbaar te stellen, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving naar de betrokken begrotingsonderdelen in.

Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt de kwestie tijdens de volgende begrotingstrialoog besproken.

Overschrijvingen voor het Solidariteitsfonds geschieden overeenkomstig het financieel reglement.

Wijziging    53

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel I

Afdeling B – punt 11

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

11.  Wanneer de Commissie van oordeel is dat de reserve voor noodhulp moet worden aangesproken, legt zij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving uit de reserve naar de overeenkomstige begrotingsonderdelen voor overeenkomstig het Financieel Reglement.

11.  Wanneer de Commissie van oordeel is dat de reserve voor noodhulp moet worden aangesproken, legt zij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving uit de reserve naar de overeenkomstige begrotingsonderdelen voor overeenkomstig het Financieel Reglement.

Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt de kwestie tijdens de volgende begrotingstrialoog besproken.

Wijziging    54

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel I

Afdeling B – punt 12

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Flexibiliteitsinstrument

 

12.  De Commissie doet een voorstel voor de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument nadat zij alle mogelijkheden heeft onderzocht om kredieten te herschikken binnen de rubriek die aanvullende uitgaven vergt.

In het voorstel worden de te dekken behoeften en het bedrag vermeld. Een dergelijk voorstel kan worden gedaan met betrekking tot een ontwerpbegroting of een ontwerp van gewijzigde begroting.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen gebruikmaken van het flexibiliteitsinstrument in het kader van de in artikel 314 VWEU vastgestelde begrotingsprocedure.

Flexibiliteitsinstrument

 

12.  De Commissie doet een voorstel voor de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument nadat zij de marges binnen de desbetreffende rubrieken heeft benut.

In het voorstel worden de te dekken behoeften en het bedrag vermeld.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen gebruikmaken van het flexibiliteitsinstrument in het kader van de in artikel 314 VWEU vastgestelde begrotingsprocedure.

Wijziging    55

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel I

Afdeling B – punt 13

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

13.  De Commissie stelt gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven, of van een deel ervan voor, nadat zij alle andere financiële mogelijkheden grondig heeft onderzocht. Een dergelijk voorstel kan worden gedaan met betrekking tot een ontwerpbegroting of een ontwerp van gewijzigde begroting.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen gebruikmaken van de marge voor onvoorziene uitgaven in het kader van de in artikel 314 VWEU vastgestelde begrotingsprocedure.

13.  De Commissie stelt gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven, of van een deel ervan voor, nadat zij alle andere financiële mogelijkheden grondig heeft onderzocht.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen gebruikmaken van de marge voor onvoorziene uitgaven in het kader van de in artikel 314 VWEU vastgestelde begrotingsprocedure.

Wijziging    56

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel II

Afdeling A – punt 14 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

14 bis.  Teneinde de vaststelling of herziening van een nieuw MFK te vergemakkelijken en uitvoering te geven aan artikel 312, lid 5, VWEU, komen de instellingen regelmatig bijeen, en wel in de vorm van:

 

-  bijeenkomsten van de voorzitters overeenkomstig artikel 324 van het Verdrag;

 

-  voor- en nabesprekingen tussen een delegatie van het Europees Parlement en het voorzitterschap van de Raad, voor en na relevante bijeenkomsten van de Raad;

 

-  informele trilaterale bijeenkomsten tijdens de besprekingen van de Raad die tot doel hebben de standpunten van het Parlement in de door het voorzitterschap van de Raad geproduceerde documenten op te nemen;

 

-  trialogen zodra zowel het Parlement als de Raad hun onderhandelingsmandaten hebben vastgesteld;

 

-  aanwezigheid van het voorzitterschap van de Raad bij bijeenkomsten van de betrokken commissie van het Parlement, en aanwezigheid van het onderhandelingsteam van het Parlement bij bijeenkomsten van de betreffende Raadsformatie.

 

Het Parlement en de Raad zenden elkaar alle documenten toe die formeel zijn aangenomen in hun respectieve voorbereidende instanties of die formeel namens hen zijn ingediend, zodra deze beschikbaar zijn.

Wijziging    57

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel II

Afdeling B – punt 15 – streepje 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

-  de ontvangsten, uitgaven, activa en passiva van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF), het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), en andere mogelijke toekomstige mechanismen;

-  de ontvangsten, uitgaven, activa en passiva van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF), het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM), en andere mogelijke toekomstige mechanismen, die niet uit de begroting van de Unie worden gefinancierd, maar in stand worden gehouden ter ondersteuning van de beleidsdoelstellingen van de Unie uit hoofde van de Verdragen;

Wijziging    58

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel II

Afdeling B – punt 15 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

15 bis.  Bij de uitvoering van autonome overschrijvingen overeenkomstig artikel 30, lid 1, van het Financieel Reglement, stelt de Commissie de begrotingsautoriteit onmiddellijk op de hoogte van de gedetailleerde redenen voor dergelijke overschrijvingen. Indien het Parlement of de Raad bedenkingen ten aanzien van een autonome overschrijving uit, zal de Commissie hierop reageren en de overschrijving in voorkomend geval ongedaan maken.

Wijziging    59

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Deel III

Afdeling A – punt 24 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

24 bis.  Indien de begrotingsautoriteit in het kader van de begrotingsprocedure besluit tot specifieke verhogingen over te gaan, verrekent de Commissie deze niet in de financiële programmering voor de daaropvolgende jaren, tenzij de begrotingsautoriteit hier uitdrukkelijk om verzoekt.

Wijziging    60

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel A – punt 1 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

1 bis.  De instellingen verbinden zich ertoe elkaar tijdens de recesperiodes geen niet-urgente begrotingsposities, overschrijvingen of andere kennisgevingen te doen toekomen die onderhevig zijn aan een uiterste termijn, teneinde te waarborgen dat de instellingen hun procedurele prerogatieven naar behoren kunnen uitoefenen.

De diensten van de instellingen geven elkaar tijdig de recesdata van hun respectieve instellingen door.

Wijziging    61

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel B – punt 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

2.  Tijdig vóór de aanneming van de ontwerpbegroting door de Commissie wordt een trialoog belegd om de mogelijke begrotingsprioriteiten voor het komende begrotingsjaar te bespreken.

2.  Tijdig vóór de aanneming van de ontwerpbegroting door de Commissie wordt een trialoog belegd om de mogelijke begrotingsprioriteiten voor het komende begrotingsjaar te bespreken, alsook eventuele vragen naar aanleiding van de uitvoering van de begroting voor het huidige financiële jaar.

Wijziging    62

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel C – punt 8

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

8.  Ter wille van loyale en deugdelijke samenwerking zeggen het Europees Parlement en de Raad toe gedurende de volledige begrotingsprocedure en met name gedurende de bemiddelingsprocedure geregelde en actieve contacten op alle niveaus te onderhouden door middel van hun respectieve onderhandelaars. Het Europees Parlement en de Raad verbinden zich ertoe tijdig en permanent op formeel en informeel niveau relevante informatie en documenten uit te wisselen en gedurende de bemiddelingsperiode in samenwerking met de Commissie technische of informele bijeenkomsten te houden. De Commissie zorgt voor tijdige en gelijke toegang tot informatie en documenten voor het Europees Parlement en de Raad.

8.  Ter wille van loyale en deugdelijke samenwerking zeggen het Europees Parlement en de Raad toe gedurende de volledige begrotingsprocedure en met name gedurende de bemiddelingsprocedure geregelde en actieve contacten op alle niveaus te onderhouden door middel van hun respectieve onderhandelaars. Het Europees Parlement en de Raad verbinden zich ertoe tijdig en permanent op formeel en informeel niveau relevante informatie en documenten uit te wisselen, met name door elkaar alle procedurele documenten toe te zenden die hun respectieve voorbereidende instanties hebben aangenomen, zodra deze beschikbaar zijn. Zij verbinden zich er eveneens toe gedurende de bemiddelingsperiode in samenwerking met de Commissie technische of informele bijeenkomsten te houden. De Commissie zorgt voor tijdige en gelijke toegang tot informatie en documenten voor het Europees Parlement en de Raad.

Wijziging    63

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel D – punt 12 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

12 bis.  Het Europees Parlement en de Raad bepalen hun respectieve standpunten over de ontwerpbegroting op openbare zittingen.

Wijziging    64

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel E – punt 15 – laatste zin

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

15.  Het Europees Parlement en de Raad worden op een passend niveau vertegenwoordigd in het bemiddelingscomité, zodanig dat elke delegatie haar respectieve instelling politiek kan binden en er werkelijk vooruitgang kan worden geboekt met het oog op een definitief akkoord.

15.  Het Europees Parlement en de Raad worden elk door leden van beide instellingen vertegenwoordigd in het bemiddelingscomité, zodat elke delegatie haar respectieve instelling politiek kan binden en er werkelijk vooruitgang kan worden geboekt met het oog op een definitief akkoord.

Wijziging    65

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel E – punt 19

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

19.  De data voor de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité en de trialogen worden van tevoren overeengekomen door de instellingen.

19.  De data voor de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité en de trialogen worden van tevoren overeengekomen door de instellingen. Aanvullende bijeenkomsten, ook op technisch niveau, kunnen gedurende de bemiddelingsprocedure naar wens worden georganiseerd.

Wijziging    66

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel E – punt 21 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

 

21 bis.  Teneinde de bemiddelingsperiode van 21 dagen voorzien in het Verdrag optimaal te benutten en de instellingen de mogelijkheid te bieden om hun respectieve onderhandelingsposities bij te stellen, verbinden het Europees Parlement en de Raad zich ertoe de stand van zaken van de bemiddelingsprocedure te evalueren bij iedere vergadering van hun relevante voorbereidende instanties die in voornoemde periode plaatsvindt, en om hiermee niet te wachten tot de laatste fase daarvan.

Wijziging    67

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel G – titel

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

Deel G.  Reste à liquider (RAL)

Deel G.  Begrotingsuitvoering, betalingen en reste à liquider (RAL)

Wijziging    68

Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord

Bijlage

Deel G – punt 36

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijziging

36.  Aangezien voor een geordende ontwikkeling van de totale kredieten voor betalingen ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen moet worden gezorgd teneinde een abnormale verschuiving van RAL van het ene jaar naar het andere te vermijden, komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeen nauwlettend toe te zien op het niveau van de RAL, zodat het risico kan worden beperkt dat de uitvoering van de programma's van de Unie aan het einde van de looptijd van het MFK wordt belemmerd door een gebrek aan betalingskredieten.

 

Om in alle hoofdstukken een houdbaar beheer en profiel van de betalingen te waarborgen, worden in alle rubrieken de doorhalingsregels, en met name de regels inzake automatische doorhalingen, strikt toegepast.

 

Tijdens de begrotingsprocedure komen de instellingen regelmatig bijeen teneinde de stand van zaken en de vooruitzichten betreffende de uitvoering van de begroting in het lopende jaar en in de toekomstige jaren gezamenlijk te beoordelen. Dat gebeurt in de vorm van specifieke interinstitutionele bijeenkomsten op het passende niveau, voorafgaand waaraan de Commissie per fonds en per lidstaat een gedetailleerde stand van zaken zal geven met betrekking tot de uitvoering van betalingen, ontvangen terugbetalingsverzoeken en herziene prognoses. Teneinde ervoor te zorgen dat de Unie aan al haar financiële verplichtingen die voortvloeien uit bestaande en toekomstige verbintenissen in de periode 2021-2027 kan voldoen overeenkomstig artikel 323 VWEU, analyseren en bespreken het Europees Parlement en de Raad met name de ramingen van de Commissie inzake het vereiste niveau van de betalingskredieten.

36.  Aangezien voor een geordende ontwikkeling van de totale kredieten voor betalingen ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen moet worden gezorgd teneinde een abnormale verschuiving van RAL van het ene jaar naar het andere te vermijden, komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeen nauwlettend toe te zien op de betalingsprognoses en het niveau van de RAL, zodat het risico kan worden beperkt dat de uitvoering van de programma's van de Unie aan het einde van de looptijd van het MFK wordt belemmerd door een gebrek aan betalingskredieten.

 

Tijdens de begrotingsprocedure komen de instellingen regelmatig bijeen teneinde de stand van zaken en de vooruitzichten betreffende de uitvoering van de begroting in het lopende jaar en in de toekomstige jaren gezamenlijk te beoordelen. Dat gebeurt in de vorm van specifieke interinstitutionele bijeenkomsten op het passende niveau, voorafgaand waaraan de Commissie per fonds en per lidstaat een gedetailleerde stand van zaken zal geven met betrekking tot de uitvoering van betalingen, ontvangen terugbetalingsverzoeken en herziene prognoses voor de korte tot lange termijn. Teneinde ervoor te zorgen dat de Unie aan al haar financiële verplichtingen die voortvloeien uit bestaande en toekomstige verbintenissen in de periode 2021‑2027 kan voldoen overeenkomstig artikel 323 VWEU, analyseren en bespreken het Europees Parlement en de Raad met name de ramingen van de Commissie inzake het vereiste niveau van de betalingskredieten.

°

°           °

51.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Bijlage I – MFK 2021-2027: maxima en instrumenten buiten de maxima (in prijzen van 2018)

(miljoen EUR – in prijzen van 2018)

 

Voorstel van de Commissie

Standpunt van het Parlement

Vastleggingskredieten

Totaal

2021-2027

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

2021-2027

I. Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

166 303

31 035

31 006

31 297

30 725

30 615

30 757

30 574

216 010

II. Cohesie en waarden

391 974

60 026

62 887

64 979

65 785

66 686

69 204

67 974

457 540

Waarvan: Economische, sociale en territoriale cohesie

330 642

52 143

52 707

53 346

53 988

54 632

55 286

55 994

378 097

III. Natuurlijke hulpbronnen en milieu

336 623

57 780

57 781

57 789

57 806

57 826

57 854

57 881

404 718

IV. Migratie en grensbeheer

30 829

3 227

4 389

4 605

4 844

4 926

5 066

5 138

32 194

V. Veiligheid en defensie

24 323

3 202

3 275

3 223

3 324

3 561

3 789

4 265

24 639

VI. Nabuurschap en internationaal beleid

108 929

15 368

15 436

15 616

15 915

16 356

16 966

17 729

113 386

VII. Europees openbaar bestuur

75 602

10 388

10 518

10 705

10 864

10 910

11 052

11 165

75 602

Waarvan: Administratieve uitgaven van de instellingen

58 547

8 128

8 201

8 330

8 432

8 412

8 493

8 551

58 547

TOTAAL VASTLEGGINGSKREDIETEN

1 134 583

181 025

185 293

188 215

189 262

190 880

194 688

194 727

1 324 089

als % van het bni

1,11 %

1,29 %

1,31 %

1,31 %

1,30 %

1,30 %

1,31 %

1,29 %

1,30 %

TOTAAL BETALINGSKREDIETEN

1 104 805

174 088

176 309

186 391

187 490

188 675

189 961

191 398

1 294 311

als % van het bni

1,08 %

1,24 %

1,24 %

1,30 %

1,29 %

1,28 %

1,28 %

1,27 %

1,27 %

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BUITEN DE MFK-MAXIMA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reserve voor noodhulp

4 200

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

7 000

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG)

1 400

200

200

200

200

200

200

200

1 400

Solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU)

4 200

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

7 000

Flexibiliteitsinstrument

7 000

2 000

2 000

2 000

2 000

2 000

2 000

2 000

14 000

Europese investeringsstabilisatiefunctie

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

Europese vredesfaciliteit

9 223

753

970

1 177

1 376

1 567

1 707

1 673

9 223

TOTAAL BUITEN DE MFK-MAXIMA

26 023

4 953

5 170

5 377

5 576

5 767

5 907

5 873

38 623

TOTAAL MFK + BUITEN DE MFK-MAXIMA

1 160 606

185 978

190 463

193 592

194 838

196 647

200 595

200 600

1 362 712

als % van het bni

1,14 %

1,32 %

1,34 %

1,35 %

1,34 %

1,34 %

1,35 %

1,33 %

1,34 %

Bijlage II – MFK 2021-2027: maxima en instrumenten buiten de maxima (in lopende prijzen)

(miljoen EUR – lopende prijzen)

 

Voorstel van de Commissie

Standpunt van het Parlement

Vastleggingskredieten

Totaal

2021-2027

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

2021-2027

I. Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

187 370

32 935

33 562

34 555

34 601

35 167

36 037

36 539

243 395

II. Cohesie en waarden

442 412

63 700

68 071

71 742

74 084

76 601

81 084

81 235

516 517

Waarvan: Economische, sociale en territoriale cohesie

373 000

55 335

57 052

58 899

60 799

62 756

64 776

66 918

426 534

III. Natuurlijke hulpbronnen en milieu

378 920

61 316

62 544

63 804

65 099

66 424

67 785

69 174

456 146

IV. Migratie en grensbeheer

34 902

3 425

4 751

5 084

5 455

5 658

5 936

6 140

36 448

V. Veiligheid en defensie

27 515

3 397

3 545

3 559

3 743

4 091

4 439

5 098

27 872

VI. Nabuurschap en internationaal beleid

123 002

16 308

16 709

17 242

17 923

18 788

19 878

21 188

128 036

VII. Europees openbaar bestuur

85 287

11 024

11 385

11 819

12 235

12 532

12 949

13 343

85 287

Waarvan: Administratieve uitgaven van de instellingen

66 028

8 625

8 877

9 197

9 496

9 663

9 951

10 219

66 028

TOTAAL VASTLEGGINGSKREDIETEN

1 279 408

192 105

200 567

207 804

213 140

219 261

228 107

232 717

1 493 701

als % van het bni

1,11 %

1,29 %

1,31 %

1,31 %

1,30 %

1,30 %

1,31 %

1,29 %

1,30 %

TOTAAL BETALINGSKREDIETEN

1 246 263

184 743

190 843

205 790

211 144

216 728

222 569

228 739

1 460 556

als % van het bni

1,08 %

1,24 %

1,24 %

1,30 %

1,29 %

1,28 %

1,28 %

1,27 %

1,27 %

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BUITEN DE MFK-MAXIMA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reserve voor noodhulp

4 734

1 061

1 082

1 104

1 126

1 149

1 172

1 195

7 889

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG)

1 578

212

216

221

225

230

234

239

1 578

Solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU)

4 734

1 061

1 082

1 104

1 126

1 149

1 172

1 195

7 889

Flexibiliteitsinstrument

7 889

2 122

2 165

2 208

2 252

2 297

2 343

2 390

15 779

Europese investeringsstabilisatiefunctie

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

Europese vredesfaciliteit

10 500

800

1 050

1 300

1 550

1 800

2 000

2 000

10 500

TOTAAL BUITEN DE MFK-MAXIMA

29 434

5 256

5 596

5 937

6 279

6 624

6 921

7 019

43 633

TOTAAL MFK + BUITEN DE MFK-MAXIMA

1 308 843

197 361

206 163

213 741

219 419

225 885

235 028

239 736

1 537 334

als % van het bni

1,14 %

1,32 %

1,34 %

1,35 %

1,34 %

1,34 %

1,35 %

1,33 %

1,34 %

Bijlage III – MFK 2021-2027: onderverdeling per programma (in prijzen van 2018)

N.B.: voor vergelijkingsdoeleinden houdt de tabel de door de Commissie voorgestelde structuur van de individuele EU-programma's aan, zonder afbreuk te doen aan de wijzigingen waar mogelijk om wordt verzocht tijdens de wetgevingsprocedure die voorafgaat aan de vaststelling van deze programma's.

(miljoen EUR – in prijzen van 2018)

 

2014-2020 MFK (EU-27 + EOF)

Commissievoorstel 2021-2027

Standpunt van het Parlement

2021-2027

I. Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

116 361

166 303

216 010

1. Onderzoek en innovatie

69 787

91 028

127 537

Horizon Europa

64 674

83 491

120 000

Euratom-programma voor onderzoek en opleiding

2 119

2 129

2 129

Internationale thermonucleaire experimentele reactor (ITER)

2 992

5 406

5 406

Overige

2

2

2

2. Europese strategische investeringen

31 886

44 375

51 798

InvestEU-fonds

3 968

13 065

14 065

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (totale bijdrage H1)

met inbegrip van:

17 579

21 721

28 083

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – vervoer

12 393

11 384

17 746

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – energie

4 185

7 675

7 675

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – digitaal

1 001

2 662

2 662

Programma Digitaal Europa

172

8 192

8 192

Overige

9 097

177

177

Gedecentraliseerde agentschappen

1 069

1 220

1 281

3. Eengemaakte markt

5 100

5 672

8 423

Programma voor de eengemaakte markt (met inbegrip van Cosme)

3 547

3 630

5 823

Fraudebestrijdingsprogramma van de EU

156

161

322

Samenwerking op het gebied van belastingen (Fiscalis)

226

239

300

Samenwerking op het gebied van douane (Customs)

536

843

843

Duurzaam toerisme

 

 

300

Overige

61

87

87

Gedecentraliseerde agentschappen

575

714

748

4. Ruimtevaart

11 502

14 404

15 225

Europees ruimtevaartprogramma

11 308

14 196

15 017

Gedecentraliseerde agentschappen

194

208

208

Marge

-1 913

10 824

13 026

II. Cohesie en waarden

387 250

391 974

457 540

5. Regionale ontwikkeling en cohesie

272 647

242 209

272 647

EFRO + Cohesiefondsmet inbegrip van:

 

272 411

241 996

272 411

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

196 564

200 622

 

Cohesiefonds

75 848

41 374

 

Waarvan: bijdragen aan de Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – vervoer

11 487

10 000

 

Steun voor de Turks-Cypriotische gemeenschap

236

213

236

6. Economische en monetaire unie

273

22 281

22 281

Steunprogramma voor hervormingen

185

22 181

22 181

Bescherming van de euro tegen valsemunterij

7

7

7

Overige

81

93

93

7. Investeren in mensen, sociale cohesie en waarden

115 729

123 466

157 612

Europees Sociaal Fonds+ (met inbegrip van 5,9 miljard EUR voor een kindergarantie)

96 216

89 688

106 781

Waarvan: gezondheid, werkgelegenheid en sociale innovatie

1 075

1 042

1 095

Erasmus+

13 699

26 368

41 097

Europees Solidariteitskorps

373

1 113

1 113

Creatief Europa

1 403

1 642

2 806

Justitie

316

271

316

Rechten en waarden, met inbegrip van tenminste 500 miljoen EUR voor een onderdeel waarden van de Unie

594

570

1 627

Overige

1 158

1 185

1 185

Gedecentraliseerde agentschappen

1 971

2 629

2 687

Marge

-1 399

4 018

4 999

III. Natuurlijke hulpbronnen en milieu

399 608

336 623

404 718

8. Landbouw- en maritiem beleid

390 155

330 724

391 198

ELGF + Elfpo

met inbegrip van:

382 855

324 284

383 255

Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

286 143

254 247

 

Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)

96 712

70 037

 

Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

6 243

5 448

6 867

Overige

962

878

962

Gedecentraliseerde agentschappen

95

113

113

9. Milieu en klimaatmaatregelen

3 492

5 085

11 520

Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE)

3 221

4 828

6 442

Fonds voor eerlijke energietransitie

 

 

4 800

Gedecentraliseerde agentschappen

272

257

278

Marge

5 960

814

1 999

IV. Migratie en grensbeheer

10 051

30 829

32 194

10. Migratie

7 180

9 972

10 314

Fonds voor asiel en migratie

6 745

9 205

9 205

Gedecentraliseerde agentschappen*

435

768

1 109

11. Grensbeheer

5 492

18 824

19 848

Fonds voor geïntegreerd grensbeheer

2 773

8 237

8 237

Gedecentraliseerde agentschappen*

2 720

10 587

11 611

Marge

-2 621

2 033

2 033

V. Veiligheid en defensie

1 964

24 323

24 639

12. Veiligheid

3 455

4 255

4 571

Fonds voor interne veiligheid

1 200

2 210

2 210

Ontmanteling van kerninstallaties

met inbegrip van:

1 359

1 045

1 359

Ontmanteling van kerninstallaties (Litouwen)

459

490

692

Nucleaire veiligheid en ontmanteling (o.a. voor Bulgarije en Slowakije)

900

555

667

Gedecentraliseerde agentschappen

896

1 001

1 002

13. Defensie

575

17 220

17 220

Europees Defensiefonds

575

11 453

11 453

Militaire mobiliteit

0

5 767

5 767

14. Crisisrespons

1 222

1 242

1 242

Uniemechanisme voor civiele bescherming (rescEU)

560

1 242

1 242

Overige

662

p.m.

p.m.

Marge

-3 289

1 606

1 606

VI. Nabuurschap en internationaal beleid

96 295

108 929

113 386

15. Extern optreden

85 313

93 150

96 809

Instrument(en) ter ondersteuning van het nabuurschaps- en ontwikkelingsbeleid, met inbegrip van de opvolger van het EOF en een investeringsplan voor Afrika

71 767

79 216

82 716

Humanitaire hulp

8 729

9 760

9 760

Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)

2 101

2 649

2 649

Landen en gebieden overzee (incl. Groenland)

594

444

594

Overige

801

949

949

Gedecentraliseerde agentschappen

144

132

141

16. Pretoetredingssteun

13 010

12 865

13 010

Pre-Accession Assistance

13 010

12 865

13 010

Marge

-2 027

2 913

3 567

VII. Europees openbaar bestuur

70 791

75 602

75 602

Europese scholen en pensioenen

14 047

17 055

17 055

Administratieve uitgaven van de instellingen

56 744

58 547

58 547

 

 

 

 

TOTAAL

1 082 320

1 134 583

1 324 089

als % van het bni (EU-27)

1.16 %

1.11 %

1.30 %

* Het bedrag van het EP voor gedecentraliseerde agentschappen in clusters 10 en 11 omvat de financiële gevolgen van de voorstellen van de Commissie van 12 september 2018 voor EASO en de Europese grens- en kustwacht.

Bijlage IV – MFK 2021-2027: onderverdeling per programma (in lopende prijzen)

(miljoen EUR – lopende prijzen)

 

2014-2020 MFK (EU-27 + EOF)

Commissievoorstel 2021-2027

Standpunt van het Parlement

2021-2027

I. Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

114 538

187 370

243 395

1. Onderzoek en innovatie

68 675

102 573

143 721

Horizon Europa

63 679

94 100

135 248

Euratom-programma voor onderzoek en opleiding

2 085

2 400

2 400

Internationale thermonucleaire experimentele reactor (ITER)

2 910

6 070

6 070

Overige

1

3

3

2. Europese strategische investeringen

31 439

49 973

58 340

InvestEU-fonds

3 909

14 725

15 852

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (totale bijdrage H1)

met inbegrip van:

17 435

24 480

31 651

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – vervoer

12 281

12 830

20 001

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – energie

4 163

8 650

8 650

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – digitaal

991

3 000

3 000

Programma Digitaal Europa

169

9 194

9 194

Overige

8 872

200

200

Gedecentraliseerde agentschappen

1 053

1 374

1 444

3. Eengemaakte markt

5 017

6 391

9 494

Programma voor de eengemaakte markt (met inbegrip van Cosme)

3 485

4 089

6 563

Fraudebestrijdingsprogramma van de EU

153

181

363

Samenwerking op het gebied van belastingen (Fiscalis)

222

270

339

Samenwerking op het gebied van douane (Customs)

526

950

950

Duurzaam toerisme

 

 

338

Overige

59

98

98

Gedecentraliseerde agentschappen

572

804

843

4. Ruimtevaart

11 274

16 235

17 160

Europees ruimtevaartprogramma

11 084

16 000

16 925

Gedecentraliseerde agentschappen

190

235

235

Marge

-1 866

12 198

14 680

II. Cohesie en waarden

380 738

442 412

516 517

5. Regionale ontwikkeling en cohesie

268 218

273 240

307 578

EFRO + Cohesiefondsmet inbegrip van:

 

267 987

273 000

307 312

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

193 398

226 308

 

Cohesiefonds

74 589

46 692

 

Waarvan: bijdragen aan de Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – vervoer

11 306

11 285

 

Steun voor de Turks-Cypriotische gemeenschap

231

240

266

6. Economische en monetaire unie

275

25 113

25 113

Steunprogramma voor hervormingen

188

25 000

25 000

Bescherming van de euro tegen valsemunterij

7

8

8

Overige

79

105

105

7. Investeren in mensen, sociale cohesie en waarden

113 636

139 530

178 192

Europees Sociaal Fonds+ (met inbegrip van 5,9 miljard EUR in prijzen van 2018 voor een kindergarantie)

94 382

101 174

120 457

Waarvan: gezondheid, werkgelegenheid en sociale innovatie

1 055

1 174

1 234

Erasmus+

13 536

30 000

46 758

Europees Solidariteitskorps

378

1 260

1 260

Creatief Europa

1 381

1 850

3 162

Justitie

 

305

356

Rechten en waarden, met inbegrip van tenminste 500 miljoen EUR in prijzen van 2018 voor een onderdeel waarden van de Unie

 

642

1 834

Overige

1 131

1 334

1 334

Gedecentraliseerde agentschappen

1 936

2 965

3 030

Marge

-1 391

4 528

5 634

III. Natuurlijke hulpbronnen en milieu

391 849

378 920

456 146

8. Landbouw- en maritiem beleid

382 608

372 264

440 898

ELGF + Elfpo

met inbegrip van:

375 429

365 006

431 946

Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

280 351

286 195

 

Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)

95 078

78 811

 

Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

6 139

6 140

7 739

Overige

946

990

1 085

Gedecentraliseerde agentschappen

94

128

128

9. Milieu en klimaatmaatregelen

3 437

5 739

12 995

Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE)

3 170

5 450

7 272

Fonds voor eerlijke energietransitie

 

 

5 410

Gedecentraliseerde agentschappen

267

289

313

Marge

5 804

918

2 254

IV. Migratie en grensbeheer

9 929

34 902

36 448

10. Migratie

7 085

11 280

11 665

Fonds voor asiel en migratie

6 650

10 415

10 415

Gedecentraliseerde agentschappen*

435

865

1 250

11. Grensbeheer

5 439

21 331

22 493

Fonds voor geïntegreerd grensbeheer

2 734

9 318

9 318

Gedecentraliseerde agentschappen*

2 704

12 013

13 175

Marge

-2 595

2 291

2 291

V. Veiligheid en defensie

1 941

27 515

27 872

12. Veiligheid

3 394

4 806

5 162

Fonds voor interne veiligheid

1 179

2 500

2 500

Ontmanteling van kerninstallaties

met inbegrip van:

1 334

1 178

1 533

Ontmanteling van kerninstallaties (Litouwen)

451

552

780

Nucleaire veiligheid en ontmanteling (o.a. voor Bulgarije en Slowakije)

883

626

753

Gedecentraliseerde agentschappen

882

1 128

1 129

13. Defensie

590

19 500

19 500

Europees Defensiefonds

590

13 000

13 000

Militaire mobiliteit

0

6 500

6 500

14. Crisisrespons

1 209

1 400

1 400

Uniemechanisme voor civiele bescherming (rescEU)

561

1 400

1 400

Overige

648

p.m.

p.m

Marge

-3 253

1 809

1 809

VI. Nabuurschap en internationaal beleid

93 381

123 002

128 036

15. Extern optreden

82 569

105 219

109 352

Instrument(en) ter ondersteuning van het nabuurschaps- en ontwikkelingsbeleid, met inbegrip van de opvolger van het EOF en een investeringsplan voor Afrika

70 428

89 500

93 454

Humanitaire hulp

8 561

11 000

11 000

Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)

2 066

3 000

3 000

Landen en gebieden overzee (incl. Groenland)

582

500

669

Overige

790

1 070

1 070

Gedecentraliseerde agentschappen

141

149

159

16. Pretoetredingssteun

12 799

14 500

14 663

Pretoetredingssteun

12 799

14 500

14 663

Marge

-1 987

3 283

4 020

VII. Europees openbaar bestuur

69 584

85 287

85 287

Europese scholen en pensioenen

13 823

19 259

19 259

Administratieve uitgaven van de instellingen

55 761

66 028

66 028

 

 

 

 

TOTAAL

1 061 960

1 279 408

1 493 701

als % van het bni (EU-27)

1,16 %

1,11 %

1,30 %

* Het bedrag van het EP voor gedecentraliseerde agentschappen in clusters 10 en 11 omvat de financiële gevolgen van de voorstellen van de Commissie van 12 september 2018 voor EASO en de Europese grens- en kustwacht.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0075 en P8_TA(2018)0076.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0226.

(3)

PB C 215 van 19.6.2018, blz. 249.

(4)

PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1.

(5)

PB C 242 van 10.7.2018, blz. 24.


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (11.10.2018)

aan de Begrotingscommissie

inzake het tussentijds verslag over het MFK 2021-2027 – het standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

(COM(2018)03222018/0166R(APP))

Rapporteur voor advies: Marietje Schaake

PA_Consent_Interim

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de Begrotingscommissie als bevoegde commissie onderstaande suggesties in haar verslag op te nemen:

1.  benadrukt, in het licht van de toenemende uitdagingen die de mondiale en regionale stabiliteit beïnvloeden, dat de kredieten voor het externe optreden van de EU in het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) aanzienlijk moeten worden verhoogd en dat tegelijkertijd het buitenlandse beleid van de EU, gebaseerd op de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en grondrechten, moet worden gehandhaafd; wijst op de bescheiden verhoging (in reële termen) van de financiering die is voorgesteld door de Commissie en dringt aan op een verdere relatieve verhoging van de kredieten voor extern optreden, die in de interinstitutionele onderhandelingen moet worden gehandhaafd;

2.  herinnert aan zijn standpunt dat het Europees nabuurschapsinstrument, het instrument voor pre-toetredingssteun (IPA III) en het Europees instrument voor democratie en mensenrechten, inclusief hun doelen en doelstellingen, moeten worden gehandhaafd als onafhankelijke instrumenten vanwege hun specifieke karakter en benadrukt dat concurrentie tussen de verschillende beleidsterreinen moet worden vermeden; dringt erop aan de koppeling tussen thematische en geografische programma's te versterken, gezien het horizontale karakter van tal van kwesties zoals mensenrechten, gendergelijkheid, non-discriminatie van personen met een handicap of klimaatverandering; herinnert tevens aan zijn verzoek om de bestaande financiële balans in de toewijzing van middelen tussen het zuidelijke en het oostelijke nabuurschap van de EU te handhaven;

3.  herinnert eraan dat het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP) het enige EU-instrument is voor de preventie van niet-militaire conflicten door middel van bemiddeling, dialoog en verzoening; betreurt dat belangrijke aspecten van het IcSP zoals de steun aan verzoeningscommissies, acties inzake kindsoldaten, de strijd tegen het illegale gebruik van vuurwapens of de rehabilitatie van slachtoffers van wapengeweld niet opgenomen zijn in het huidige Commissievoorstel tot instelling van het Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI);

4.  is ingenomen met het voorstel voor de opneming van het Europees Ontwikkelingsfonds in de EU-begroting en dringt aan op een versterking van de controlebevoegdheden van het Parlement;

5.  dringt erop aan specifieke doelstellingen op te nemen met betrekking tot de genderdimensie, door het beschikbare krediet daarvoor te verhogen;

6.  herhaalt dat hervorming van de huidige architectuur van externe financieringsinstrumenten de verantwoordingsplicht, transparantie, democratische en parlementaire controle, efficiëntie en samenhang moet versterken, waarbij rekening gehouden moet worden met de strategische prioriteiten van de Unie; benadrukt dat deze doelstellingen niet kunnen worden bereikt zonder een solide governancestructuur die politieke controle mogelijk maakt, op een strategie berust, inclusief en verantwoordingsplichtig is, en die duidelijke doelstellingen, benchmarks, follow-up- en evaluatiemechanismen omvat, inclusief een verbeterde, op prestaties gebaseerde begrotingsaanpak; benadrukt bovendien dat ervoor gezorgd moet worden dat het maatschappelijk middenveld betrokken wordt bij het opzetten en uitvoeren van het externe optreden van de EU; betreurt dat de Commissievoorstellen voor het NDICI en het IPA III praktisch geen bepalingen inzake governance-aspecten bevatten, en dat er geen specifiek mechanisme is voorzien om het Europees Parlement te betrekken bij de strategische keuzes inzake prioriteiten en financiering; merkt derhalve op dat de voorstellen in hun huidige vorm niet aanvaardbaar zijn;

7.  erkent dat er meer flexibiliteit nodig is; dringt er echter op aan dat fondsen die gebruikt worden in het kader van de 'nieuwe uitdagingen en prioriteiten' niet mogen worden gebruikt om andere doelstellingen te verwezenlijken zoals migratiebeheer en veiligheid, en dat verhoogde flexibiliteit niet ten koste mag gaan van langetermijndoelstellingen en niet mag leiden tot een verminderde mogelijkheid voor het Europees Parlement om zijn politieke sturings- en toetsingsrechten uit te oefenen; is van mening dat duidelijke criteria voor het toewijzen van middelen uit de reserve en een passend toezichtmechanisme moeten worden vastgesteld;

8.  heeft scherpe kritiek op het feit dat in de toewijzingen op basis van prestaties van artikel 17 "samenwerking inzake migratie" een van de criteria is voor de toewijzing van bijkomende financiële middelen; benadrukt dat het oorspronkelijke doel van het "meer voor meer"-beginsel was sterkere partnerschappen tot stand te brengen met de buurlanden die meer vooruitgang boeken in de richting van democratische hervormingen en dat "samenwerking inzake migratie" deze aanpak en de eerbiediging door de EU van de beginselen van artikel 21 VEU ernstig in het gedrang brengt;

9.  benadrukt de noodzaak van meer democratisch debat over de externe bijstand van de EU, onder meer door een grotere betrokkenheid van het Europees Parlement bij de strategische politieke sturing van de EU-instrumenten voor extern optreden;

10.  benadrukt dat uitgaven van het defensiecluster alleen mogen worden uitgegeven voor defensiedoeleinden zoals het defensiegerelateerde deel van acties in het kader van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), het Europees Defensiefonds en het programma Horizon Europa, met inbegrip van infrastructuur en middelen voor tweeërlei gebruik als essentiële factoren voor een doeltreffender defensie en meer civiel-militaire synergie.

11.  verzoekt de Commissie genderbudgettering toe te passen overeenkomstig artikel 8 VWEU.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Tussentijds verslag over het MFK 2021-2027 - Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

Document- en procedurenummers

2018/0166R(APP)

Bevoegde commissie

 

BUDG

 

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

AFET

13.9.2018

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Marietje Schaake

10.7.2018

Datum goedkeuring

9.10.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

4

11

Bij de eindstemming aanwezige leden

Michèle Alliot-Marie, Francisco Assis, Petras Auštrevičius, Goffredo Maria Bettini, Victor Boştinaru, Klaus Buchner, Fabio Massimo Castaldo, Lorenzo Cesa, Javier Couso Permuy, Andi Cristea, Georgios Epitideios, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Manolis Kefalogiannis, Tunne Kelam, Wajid Khan, Andrey Kovatchev, Eduard Kukan, Arne Lietz, Barbara Lochbihler, Sabine Lösing, Ramona Nicole Mănescu, David McAllister, Clare Moody, Javier Nart, Pier Antonio Panzeri, Ioan Mircea Paşcu, Tonino Picula, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Michel Reimon, Sofia Sakorafa, Jean-Luc Schaffhauser, Jordi Solé, Dobromir Sośnierz, Dubravka Šuica, Charles Tannock, László Tőkés, Ivo Vajgl, Anders Primdahl Vistisen

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Ana Gomes, Andrzej Grzyb, Norica Nicolai, Gilles Pargneaux, Helmut Scholz, Igor Šoltes, Bodil Valero, Marie-Christine Vergiat, Željana Zovko

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Ivan Štefanec

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

35

+

ALDE

Petras Auštrevičius, Javier Nart, Norica Nicolai, Jozo Radoš, Ivo Vajgl

ECR

Charles Tannock

EFDD

Fabio Massimo Castaldo

PPE

Michèle Alliot-Marie, Lorenzo Cesa, Andrzej Grzyb, Manolis Kefalogiannis, Tunne Kelam, Andrey Kovatchev, Eduard Kukan, David McAllister, Ramona Nicole Mănescu, Cristian Dan Preda, Ivan Štefanec, Dubravka Šuica, László Tőkés, Željana Zovko

S&D

Francisco Assis, Goffredo Maria Bettini, Victor Boştinaru, Andi Cristea, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Ana Gomes, Wajid Khan, Arne Lietz, Clare Moody, Pier Antonio Panzeri, Gilles Pargneaux, Ioan Mircea Paşcu, Tonino Picula

4

-

ECR

Anders Primdahl Vistisen

ENF

Jean-Luc Schaffhauser

NI

Georgios Epitideios, Dobromir Sośnierz

11

0

GUE/NGL

Javier Couso Permuy, Sabine Lösing, Sofia Sakorafa, Helmut Scholz, Marie-Christine Vergiat

VERTS/ALE

Klaus Buchner, Barbara Lochbihler, Michel Reimon, Jordi Solé, Igor Šoltes, Bodil Valero

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (17.10.2018)

aan de Begrotingscommissie

inzake het tussentijds verslag over het MFK 2021-2027 – het standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

(2018/0166R(APP))

Rapporteur voor advies: Željana Zovko

PA_Consent_Interim

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar verslag op te nemen:

1.  herinnert aan artikel 208 VWEU, op grond waarvan het beleid van de Unie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking moet worden gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie, waarvan het hoofddoel is de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen; benadrukt het feit dat het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie en dat van de lidstaten elkaar completeren en versterken; herinnert aan artikel 21, lid 2, VEU, waarin bepaald wordt dat het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe optreden van de EU; roept op tot volledige nakoming van de juridische verplichtingen op grond van het VEU en het VWEU en tot een ontwikkelingsgericht extern instrument in het volgende MFK 2021-2027;

2.  herinnert eraan dat de huidige niveaus van de officiële ontwikkelingshulp (ODA) van de EU in de toekomstige externe rubriek van het MFK moeten worden verhoogd en is ingenomen met de bescheiden stijging (in prijzen van 2018) die door de Commissie wordt voorgesteld;

3.  neemt ter kennis dat uit het voorstel voor een instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI) een nieuwe benadering van het buitenlands beleid en het ontwikkelingsbeleid blijkt die niet strookt met artikel 208 VWEU; benadrukt dat de uitroeiing van de armoede het uiteindelijke doel van het ontwikkelingsbeleid van de EU moet zijn en dat de uitroeiing van de armoede, de duurzame menselijke, ecologische en economische ontwikkeling, het aanpakken van ongelijkheid, onrecht en uitsluiting, goed bestuur en vrede en veiligheid de primaire doelstellingen van de externe financieringsinstrumenten van de EU in het volgende MFK moeten zijn, alsmede het verwezenlijken van haar verplichtingen ten aanzien van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's), overeenkomstig artikel 208, lid 2, VWEU;

4.  herinnert eraan dat het engagement van de EU voor de tenuitvoerlegging van de SDG's, de actieagenda van Addis Abeba over financiering voor ontwikkeling en de klimaatovereenkomst van Parijs, als leidraad moeten dienen voor haar ontwikkelingsbeleid; is van mening dat de steun van de EU voor deze tenuitvoerlegging in ontwikkelingslanden gekenmerkt moet blijven door een aanpak op basis van rechten en gericht moet zijn op langetermijndoelstellingen zoals het uitbannen van armoede, het aanpakken van ongelijkheid, onrecht en uitsluiting, het bevorderen van democratisch bestuur en mensenrechten, gendergelijkheid, onder meer door het bevorderen van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld, en het bevorderen van duurzame en inclusieve ontwikkeling, met name in de minst ontwikkelde landen (MOL's);

5.  onderstreept het feit dat met het volgende MFK gewaarborgd moet zijn dat de externe instrumenten beleidsgestuurd zijn en de meest effectieve manier dienen om de doelstellingen van de beleidsterreinen in kwestie, zoals vastgelegd in het Verdragen, te verwezenlijken; herinnert eraan dat de binnenlandse belangen van de EU geen leidraad mogen zijn voor haar agenda op het gebied van nabuurschap, ontwikkeling, humanitaire hulp en internationale samenwerking; onderstreept zijn bezwaar tegen de instrumentalisering van hulpverlening;

6.  stelt vast dat de nieuwe financieringsbehoeften die voortvloeien uit de verslechtering van de veiligheidsomstandigheden in de buurlanden van de Europese Unie en de toename van de migratiestromen naar de Unie, meer middelen in het komende MFK vergen; merkt op dat de nieuwe uitdagingen samen met de SDG's moeten worden aangepakt; is van mening dat de creatie van het NDICI de problemen dreigt te vergroten waarop is gewezen in het kader van de tussentijdse evaluatie van de externe financieringsinstrumenten, namelijk dat de toenemende vraag vanuit andere beleidsterreinen het ontwikkelingsbeleid van de EU heeft afgeleid van armoedebestrijding; onderstreept het feit dat de opname van het EOF in de begroting weliswaar zeer wenselijk is, maar niet mag worden begrepen als een verhoging van de middelen voor ontwikkeling;

7.  herinnert eraan dat de toewijzing van steun aan landen in het kader van de internationale samenwerkingsprogramma's van de EU het buitenlands beleid moet aanvullen, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat ontwikkelingsfinanciering alleen gebruikt wordt voor doelstellingen en streefdoelen op het gebied van ontwikkeling en niet om uitgaven te dekken in verband met de verwezenlijking van andere doelstellingen, bijvoorbeeld met betrekking tot grenscontroles of maatregelen tegen migratie;

8.  merkt op dat het ontwerp van het samenwerkingsinstrument voldoende flexibiliteit moet bieden om de programma's af te stemmen op de specifieke behoeften van derde landen; herhaalt dat een aanzienlijk deel van de EU-steun moet worden toegewezen aan de minst ontwikkelde landen (MOL's), als primaire begunstigden van de ODA; benadrukt het feit dat het garanderen van efficiëntie, effectiviteit, zichtbaarheid en beleidssamenhang met betrekking tot ontwikkeling tijdens de uitvoering, het garanderen van de participatie van maatschappelijke organisaties en de tenuitvoerlegging van de op rechten gebaseerde aanpak van ontwikkelingssamenwerking, alsmede de invoering van een benchmark van 20 % van de middelen voor sociale basisdiensten, essentiële aspecten van ontwikkeling zijn die in de volgende MFK-cyclus behouden moeten blijven en verbeterd moeten worden;

9.  benadrukt het feit dat gendergelijkheid, de rechten van vrouwen en meisjes en de versterking van hun positie een belangrijke doelstelling moeten zijn in alle programma's, zowel geografische als thematische; is van mening dat de EU-begroting gendergevoelig en conflictgevoelig moet zijn;

10.  stelt vast dat het voorgestelde NDICI diverse flexibiliteitsmechanismen bevat, zoals reserves, buffers en kaders voor snelle respons; onderstreept dat terdege rekening moet worden gehouden met de gevolgen van verhoogde flexibiliteit voor de voorspelbaarheid van de ODA; dringt aan op meer parlementair toezicht en een duidelijkere uitwerking wat het beheer en de structuren ervan betreft; stelt bezorgd vast dat in de doelstellingen niet expliciet wordt verwezen naar armoedebestrijding, duurzame ontwikkeling, de SDG's en bestrijding van ongelijkheid; onderstreept het feit dat deze prioriteiten expliciet moeten worden weerspiegeld in de doelstellingen van het voorgestelde instrument teneinde resultaten te boeken inzake de consensus voor ontwikkeling;

11.  vestigt de aandacht op de niet nagekomen internationale verplichtingen van de EU om vóór 2030 de ODA op te trekken tot 0,7 % van het bruto nationaal inkomen (bni), waarvan 20 % voor menselijke ontwikkeling en sociale inclusie en 0,2 % van het bni voor de MOL's, en om voor een financiering van de klimaatactie in de ontwikkelingslanden te zorgen die nieuw is en ter aanvulling dient; bekrachtigt dat deze verplichtingen naar behoren in aanmerking moeten worden genomen in het MFK 2021-2027;

12.  is ingenomen met het voorstel dat 92 % van de financiering in het kader van het instrument moet voldoen aan de criteria voor de ODA en vraagt om deze regel te handhaven; vraagt om gedurende de volledige looptijd van het NDICI jaarlijks ten minste 20 % van de ODA in alle programma's, zowel geografische als thematische, specifiek te bestemmen voor sociale inclusie en menselijke ontwikkeling, teneinde de verstrekking van sociale basisdiensten, zoals gezondheid (met inbegrip van voeding), onderwijs en sociale bescherming, te ondersteunen en te versterken, met name ten aanzien van de meest gemarginaliseerde personen, waaronder vrouwen en kinderen; vraagt dat jaarlijks in alle programma's, zowel geografische als thematische, ten minste 85 % van de ODA wordt bestemd voor acties met gendergelijkheid, de rechten van vrouwen en meisjes en emancipatie als voornaamste of belangrijke doelstelling, voor de volledige duur van de acties; is voorts van mening dat 20 % van deze acties gendergelijkheid, de rechten van vrouwen en meisjes en emancipatie als hoofddoelstelling moeten hebben; dringt erop aan dat 50 % van het instrument als geheel wordt ingezet om bij te dragen aan doelstellingen en acties op het gebied van klimaat en milieu;

13.  is van mening dat de EU-begroting gendergevoelig en conflictgevoelig moet zijn en verzoekt de Commissie een genderbewuste budgettering toe te passen;

14.  herinnert eraan dat de toewijzing van steun aan landen niet afhankelijk mag zijn van migratiedeals met de EU en dat financiering niet mag worden weggeleid van arme landen en regio's naar de landen van herkomst van de migranten of de landen van doorvoer naar Europa, louter omdat zij aan de migratieroute liggen;

15.  bekrachtigt zijn steun voor de opneming van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) in de begroting van de Unie waarbij eveneens moet worden voorzien in de volledige additionaliteit van de aldus overgedragen middelen;

16.  is verheugd over de instelling van een instrument voor samenwerking met de landen en gebieden overzee, met als doel de duurzame ontwikkeling van deze landen en gebieden en de wereldwijde bevordering van de waarden en normen van de Unie; benadrukt evenwel het feit dat dit instrument voorzien moet worden van adequate financiële middelen, met een uitsplitsing die beter afgestemd is op de behoeften en evenwichtiger is met betrekking tot de verschillende landen en gebieden overzee;

17.  neemt kennis van de aanzienlijke inspanningen van de Commissie om de toewijzing voor het begrotingsonderdeel voor humanitaire hulp in het volgende MFK te verhogen; merkt echter op dat deze toename nog niet in overeenstemming is met het niveau van de behoeften, die sinds 2011 meer dan verdubbeld zijn;

18.  benadrukt dat het van essentieel belang is dat het volgende MFK in zijn geheel in overeenstemming is met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, als bekrachtigd in artikel 208 VWEU, en bijdraagt tot de verwezenlijking van de SDG's;

19.  roept in herinnering dat gendergelijkheid in de EU-Verdragen verankerd is en in alle EU-activiteiten moet worden opgenomen om in de praktijk gelijkheid te bewerkstelligen; benadrukt dat genderbewust budgetteren een wezenlijk deel moet uitmaken van het MFK door een duidelijke verplichting op te nemen in de MFK-verordening;

20.  is verheugd over het verruimde toepassingsgebied en de verhoging van de toewijzing aan de reserve voor noodhulp om ook te kunnen reageren op interne crises; herinnert eraan dat moet worden gegarandeerd dat prioriteit wordt verleend aan acute humanitaire crises buiten de EU;

21.  benadrukt het feit dat de kans van het volgende MFK moet worden gegrepen om financiële steun te verlenen aan operaties in het kader van de koppeling van hulp, herstel en ontwikkeling (LRRD); benadrukt het feit dat voor de tenuitvoerlegging van de koppeling tussen humanitaire hulp en ontwikkeling moet worden gezorgd voor complementariteit van de ontwikkelings- en humanitaire activiteiten en voor een cultuuromslag van de nadruk op de EU als donor naar meer operationele flexibiliteit en het nemen van risico's om de LRRD, de weerbaarheid van mensen en hun gemeenschappen, snel herstel en wederopbouw te ondersteunen; roept op tot meer meerjarige planning en financiering van de humanitaire activiteiten van de EU en de systematische invoering van crisismechanismen voor EU-ontwikkelingsactiviteiten om de partners van de EU in staat te stellen daadwerkelijk aan de tenuitvoerlegging van de koppeling bij te dragen;

22.  onderstreept het feit dat in het MFK 2021-2027 het toezicht op en de controle van de middelen door het Parlement behouden moeten blijven en verbeterd moeten worden, met een duidelijk mechanisme en besluitvormingsproces voor de uitbetaling van niet-toegewezen middelen, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat het Parlement een impact heeft in de programmerings- en uitvoeringsfase van de externe financieringsinstrumenten; herhaalt het feit dat elk voorstel voor meer flexibiliteit gecompenseerd moet worden door een verbetering van de transparantie en van het afleggen van rekenschap.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Tussentijds verslag over het MFK 2021-2027 – Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

Document‑ en procedurenummers

2018/0166R(APP)

Bevoegde commissie

 

BUDG

 

 

 

 

Advies uitgebracht door

 Datum bekendmaking

DEVE

13.9.2018

Rapporteur voor advies

 Datum benoeming

Željana Zovko

11.7.2018

Vervangen rapporteur voor advies

Frank Engel

Behandeling in de commissie

30.8.2018

 

 

 

Datum goedkeuring

9.10.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

1

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Mireille D’Ornano, Nirj Deva, Enrique Guerrero Salom, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Stelios Kouloglou, Linda McAvan, Norbert Neuser, Vincent Peillon, Lola Sánchez Caldentey, Eleni Theocharous, Mirja Vehkaperä, Bogdan Brunon Wenta, Joachim Zeller, Željana Zovko, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Thierry Cornillet, Cécile Kashetu Kyenge, Ádám Kósa, Florent Marcellesi, Paul Rübig, Kathleen Van Brempt

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Kati Piri

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

21

+

ALDE

Beatriz Becerra Basterrechea, Thierry Cornillet, Mirja Vehkaperä

ECR

Nirj Deva, Eleni Theocharous

EFDD

Ignazio Corrao

GUE/NGL

Stelios Kouloglou, Lola Sánchez Caldentey

PPE

Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Ádám Kósa, Bogdan Brunon Wenta, Anna Záborská, Joachim Zeller, Željana Zovko

S&D

Enrique Guerrero Salom, Cécile Kashetu Kyenge, Linda McAvan, Norbert Neuser, Vincent Peillon, Kati Piri, Kathleen Van Brempt

1

-

EFDD

Mireille D’Ornano

3

0

PPE

Paul Rübig

VERTS/ALE

Maria Heubuch, Florent Marcellesi

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie internationale handel (15.10.2018)

aan de Begrotingscommissie

inzake het tussentijds verslag over het MFK 2021-2027 – het standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

(COM(2018)03222018/0166R(APP))

Rapporteur voor advies: Helmut Scholz

PA_Consent_Interim

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar verslag op te nemen:

Aanbevelingen

1.  is van oordeel dat, wanneer een nieuw en alomvattend instrument voor extern optreden wordt aangenomen door de medewetgevers, in de titel ervan uitdrukkelijk naar "handel" moet worden verwezen, bijvoorbeeld "Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling, handel en internationale samenwerking";

2.  verwelkomt de verhoging van de kredieten voor maatregelen onder rubriek 6, "Nabuurschap en internationaal beleid", in het voorstel van de Commissie voor het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027, en vraagt dat de middelen voor internationale handel binnen dat begrotingsonderdeel evenredig verhoogd worden (met 30 %) en dat voorzien wordt in specifieke kredieten voor handel;

3.  benadrukt dat het MFK gericht is op de uitvoering van beleid; is in dit verband ingenomen met het feit dat de ambitieuze strategie "Handel voor iedereen" gestoeld is op een op waarden gebaseerd handelsbeleid, d.w.z. eerlijke en ethische handelsbeginselen; pleit voor een MFK 2021-2027 dat voorziet in voldoende middelen, en voor politieke en administratieve steun voor de verdere ontwikkeling van het handelsbeleid van de Unie mogelijk wordt gemaakt, ter ondersteuning van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties (Sustainable Development Goals – SDG's), aan de hand van coherente strategieën; is bezorgd over het ontbreken van een duidelijke en zichtbare daartoe strekkende toezegging in de MFK-voorstellen; benadrukt dat de SDG-doelstellingen naar behoren in aanmerking moeten worden genomen om duurzame economische groei en stabiliteit, werkgelegenheid en duurzame ontwikkeling van de Europese Unie en van derde landen, met name ontwikkelingslanden, tot stand te brengen; herinnert eraan dat de uitvoering van de SDG's het interne en externe beleid van de EU betreft; dringt daarom aan op de integratie van de SDG's in al het EU-beleid, waaronder het handelsbeleid en de initiatieven van het volgende MFK; benadrukt dat de bijdrage aan de tenuitvoerlegging van Agenda 2030 gebruikt moet worden als benchmark voor het politieke succes; benadrukt dat, om de SDG's 2 en 6 te kunnen verwezenlijken, bijzondere aandacht nodig is voor het voorzien in genoeg voedsel van goede kwaliteit, schoon water en de bouw van extra installaties voor de verwijdering van afvalwater; vestigt bovendien de aandacht op de omvang en de gevolgen van de energiearmoede in ontwikkelingslanden en dringt aan op extra maatregelen om, met name in afgelegen plattelandsgebieden en gebieden die niet op het energienetwerk zijn aangesloten, de energiearmoede terug te dringen overeenkomstig SDG 7; benadrukt dat de middelen voor "hulp voor handel"-initiatieven moet worden verhoogd;

4.  onderstreept dat de opzet van toekomstige instrumenten voor externe financiering dezelfde flexibiliteit moet behouden als de huidige instrumenten (zoals het partnerschapsinstrument) voor de financiering van handelsgerelateerde taken en zaken als interne adviesgroepen (DAG's); dringt aan op een verhoging van de bedragen die voor dergelijke begeleidende maatregelen ter beschikking worden gesteld; merkt op dat een van de doelstellingen van de externe instrumenten van de Unie de openbare diplomatie is om in derde landen vertrouwen en begrip op te bouwen voor het EU-beleid; benadrukt dat de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld van het grootste belang is, en erkent het belang van DAG's als krachtige instrumenten voor de correcte uitvoering van handelspartnerschapsovereenkomsten; stelt niettemin met bezorgdheid vast dat zij in de begroting ondergewaardeerd zijn en te lijden hebben onder een gebrek aan capaciteit, met name in derde landen; dringt daarom aan op hogere toewijzingen ter ondersteuning van de deelname van maatschappelijke organisaties in de partnerlanden aan hun respectieve DAG's;

5.  vraagt andermaal om voldoende middelen om handelsovereenkomsten vooraf, tussentijds en achteraf te evalueren, en om de gebruikte methodologie te herzien, rekening houdend met de cumulatieve effecten en de gevolgen voor het verwezenlijken van de SDG's en voor de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, is van mening dat de Europese Unie meer rekening moet houden met de sociale, gezondheids- en milieueffecten van haar handelsbetrekkingen en overeenkomsten bij de evaluatie van de huidige en toekomstige scenario's; benadrukt daarnaast de behoefte aan naar gender opgesplitste gegevens; vraagt de Commissie nauw samen te werken met de wetenschappelijke diensten van de UNCTAD en de OESO;

6.  stelt vast dat de sluiting van elke nieuwe handelsovereenkomst een aanzienlijk inkomstenverlies voor de eigen middelen van de Unie kan inhouden; verzoekt de Commissie deze verliezen nauwkeurig te meten en het Parlement de cijfers te bezorgen voor elke gesloten overeenkomst; stelt vast dat de lidstaten 20 % van de douanerechten op invoer van buiten de EU als inningskosten inhouden; steunt het voorstel om dit percentage in het MFK 2021-2027 te verlagen tot 10 % ten behoeve van de eigenmiddelenbegroting van de Unie; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer inspanningen te leveren tegen douanefraude;

7.  vestigt de aandacht op het feit dat de douane-unie een van de belangrijkste bronnen van de financiële capaciteit van de Europese Unie is; roept daarom op tot een striktere en homogenere toepassing van het douanewetboek van de Unie; herhaalt zijn bezorgdheid naar aanleiding van een verslag van het OLAF uit 2017(1), waarin wordt gesuggereerd dat importeurs in het Verenigd Koninkrijk een groot bedrag aan douanerechten hebben ontdoken door gebruik te maken van fictieve en valse facturen en onjuiste douaneaangiften bij invoer; erkent dat verdere inspecties van de Commissie een aanzienlijke toename van de omvang van deze onderwaarderingsfraude in het Verenigd Koninkrijk aan het licht hebben gebracht; herinnert eraan dat het Verenigd Koninkrijk, ondanks het feit dat het sinds 2007 op de hoogte is gesteld van de risico's van fraude met betrekking tot de invoer van textiel en schoeisel van oorsprong uit de Volksrepubliek China en ondanks het verzoek om passende risicobeheersingsmaatregelen te nemen, geen maatregelen heeft genomen om fraude te voorkomen; neemt met bezorgdheid kennis van de bevindingen van het OLAF dat als gevolg van "aanhoudende nalatigheid van de douane van het VK" de EU 1,987 miljard EUR aan heffingen is misgelopen, en verzoekt het Verenigd Koninkrijk de boete van 2,7 miljard EUR te betalen, zoals verzocht door de Commissie;

8.  herhaalt dat het handelsbeleid en het ontwikkelingsbeleid complementaire elementen zijn van het externe beleid van de Unie, die een integrerend deel uitmaken van de Europese consensus inzake ontwikkeling, en dat de beginselen van doeltreffendheid van de hulp ook moeten worden toegepast op "hulp voor handel"; herinnert aan de verbintenis van de Unie en de meeste van haar lidstaten om de officiële ontwikkelingshulp (ODA) tegen 2030 op te trekken tot 0,7 % van het bbp, waarbij 20 % van de ODA van de EU naar acties voor sociale integratie en menselijke ontwikkeling gaat en 0,2 % van het bni van de Unie wordt besteed aan ODA voor de minst ontwikkelde landen;

9.  benadrukt dat macrofinanciële bijstand in het volgende MFK sterk afhankelijk moet worden gemaakt van economische en sociale vorderingen;

10.  benadrukt dat de cruciale rol van kmo's voor de economie van de Unie tot uiting moet komen in een omvattende en samenhangende strategie die Europese kmo's een ondernemingsvriendelijk klimaat aanreikt en hun internationale handels- en investeringsmogelijkheden bevordert; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de doeltreffendheid en doelmatigheid van de diverse initiatieven (zowel particuliere als van de lidstaten zelf) ter bevordering van de internationalisering van kmo's, ook onder het Partnerschapsinstrument, te beoordelen en te verbeteren, en dit ook te doen voor andere financieringsinstrumenten van de Unie ter ondersteuning van kmo's, zoals Cosme, om ervoor te zorgen dat ze elkaar aanvullen en een Europese meerwaarde bieden; roept de Commissie op de internationaliseringsprogramma's voor kmo's verder te financieren en te trachten te voorzien in een calculator voor oorsprongsregels op maat van kmo's waarmee zij met name gebruik zouden kunnen maken van de in het kader van bestaande overeenkomsten beschikbare preferenties teneinde de benuttingsgraad van de preferenties te verhogen; merkt op dat de toegang van kmo's tot de externe financieringsinstrumenten verbeterd moet worden door middel van minder complexe en gebruikersvriendelijker regelgeving, wat een flexibeler gebruik van de fondsen kan faciliteren en tegelijkertijd kmo's kan helpen om internationale ervaring op te doen; benadrukt dat kmo's betere informatie moeten krijgen en bewust gemaakt moeten worden van de bestaande instrumenten, vooral op nationaal niveau;

11.  raadt aan robuuste en consistente toezichts- en beoordelingsmechanismen, met inbegrip van de mechanismen die vereist zijn om aan de verplichtingen in het kader van de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling te voldoen, op te nemen in de opzet van toekomstige instrumenten, om meer verantwoordingsplicht, transparantie, democratisch toezicht door het Parlement en een verbeterde gerichtheid van de uitgaven te verzekeren; vraagt dat voldoende begrotingsreserves worden toegewezen in de opzet van toekomstige financiële instrumenten, dat personeel wordt toegewezen aan het directoraat-generaal Handel van de Commissie om de toenemende taken uit te voeren, dat toezicht plaatsvindt op de uitvoering van handelsovereenkomsten en dat handelsbeschermingsinstrumenten ingezet worden, met name om het multilateralisme bij de ontwikkeling van mondiale handelsvoorschriften en -regelgeving te verdedigen en bevorderen, dat de WTO hervormd wordt en dat het handelsbeleid en de handelsregels beter geïntegreerd worden in het kader van het systeem van de Verenigde Naties; verzoekt om extra steun van de Unie voor de parlementaire dimensie van de WTO, onder meer door meer financiële en personele steun voor het desbetreffende secretariaat; benadrukt dat het noodzakelijk is voldoende financiële middelen ter beschikking te stellen om een regelmatige en efficiënte controle mogelijk te maken van de verplichtingen die voortvloeien uit de hoofdstukken inzake handel en duurzame ontwikkeling door internationale organisaties zoals de IAO-missies, en toezicht en onderzoek door andere VN-organisaties;

12.  roept de Commissie op om via de externe financieringsinstrumenten voldoende middelen te reserveren voor samenwerking en technische bijstand met derde landen, met name ontwikkelingslanden, voor de noodzakelijke begeleidende maatregelen voor handelsgerelateerde wetgeving, zoals de verordening tot vaststelling van verplichtingen inzake de toeleveringsketen voor importeurs van tin, tantaal en wolfraam, hun ertsen, en goud afkomstig uit door conflicten getroffen en risicovolle gebieden, het Kimberley-proces, alsmede het vlaggenschipinitiatief van de Commissie inzake de kledingsector en soortgelijke initiatieven en het Global Compact van de VN;

13.  is van mening dat het Europees Garantiefonds voor externe maatregelen een doeltreffend en doelmatig mechanisme is om de risico's te dekken die verband houden met leningoperaties van de Unie in derde landen; dringt erop aan dat er meer leningen beschikbaar worden gesteld om kmo's te ondersteunen en sociale en economische infrastructuur te ontwikkelen in de regio's die het zwaarst door de migratie- en vluchtelingencrisis worden getroffen;

14.  wijst erop dat steun voor handelsbevordering in de partnerlanden een belangrijke taak moet blijven in het MFK, maar beveelt aan om meer nadruk te leggen op de verkorting van de doorlooptijd op de lokale en regionale markten, om de steun voor opslagfaciliteiten voor vis en landbouwproducten te verhogen en om de stimulansen voor een eerlijke en ethische handel met de Unie te versterken.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Tussentijds verslag over het MFK 2021-2027 - Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

Document- en procedurenummers

2018/0166R(APP)

Bevoegde commissie

 

BUDG

 

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

INTA

13.9.2018

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Helmut Scholz

23.8.2018

Behandeling in de commissie

30.8.2018

 

 

 

Datum goedkeuring

11.10.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

28

8

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laima Liucija Andrikienė, Maria Arena, Tiziana Beghin, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Christofer Fjellner, Eleonora Forenza, Karoline Graswander-Hainz, Christophe Hansen, Heidi Hautala, Yannick Jadot, France Jamet, Elsi Katainen, Jude Kirton-Darling, Danilo Oscar Lancini, Bernd Lange, David Martin, Anne-Marie Mineur, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Tokia Saïfi, Helmut Scholz, Joachim Schuster, Adam Szejnfeld, William (The Earl of) Dartmouth, Jan Zahradil

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Goffredo Maria Bettini, Sander Loones, Fernando Ruas, Paul Rübig, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Beatriz Becerra Basterrechea, Czesław Hoc, Stanisław Ożóg, Jozo Radoš, Anders Sellström

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

28

+

ALDE

Beatriz Becerra Basterrechea, Elsi Katainen, Jozo Radoš

GUE/NGL

Eleonora Forenza, Helmut Scholz

PPE

Laima Liucija Andrikienė, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Christofer Fjellner, Christophe Hansen, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Fernando Ruas, Paul Rübig, Tokia Saïfi, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Anders Sellström, Adam Szejnfeld

S&D

Maria Arena, Goffredo Maria Bettini, Karoline Graswander-Hainz, Jude Kirton-Darling, Bernd Lange, David Martin, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Joachim Schuster

VERTS/ALE

Heidi Hautala, Yannick Jadot

8

-

ECR

Czesław Hoc, Sander Loones, Stanisław Ożóg, Jan Zahradil

EFDD

Tiziana Beghin, William (The Earl of) Dartmouth

ENF

France Jamet, Danilo Oscar Lancini

1

0

GUE/NGL

Anne-Marie Mineur

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

"Verslag van het OLAF 2016 – Zeventiende verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding”, 1 januari t/m 31 december 2016", Europees Bureau voor fraudebestrijding, 2017.


ADVIES van de Commissie begrotingscontrole (11.10.2018)

aan de Begrotingscommissie

inzake het tussentijds verslag over het MFK 2021-2027 – het standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

(COM(2018)03222018/0166R(APP))

Corapporteurs voor advies: Inés Ayala Sender, Gerben-Jan Gerbrandy

PA_Consent_Interim

SUGGESTIES

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar tussentijds verslag over de verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 en over het besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie op te nemen:

MFK-voorstel

1.  herinnert aan de Europese begrotingsbeginselen van eenheid, waarachtigheid, jaarperiodiciteit, evenwicht, universaliteit, specialiteit, prestaties, goed financieel beheer en transparantie, die bij het opstellen van het meerjarig financieel kader (MFK) in acht moeten worden genomen;

2.  benadrukt dat het MFK 2021-2027 een begroting met echte Europese meerwaarde mogelijk moet maken met toereikende financiering om de ambities te verwezenlijken en met meer aandacht voor stabiliteit, eenvoud, prestaties en resultaten, zodat de middelen beter en op doeltreffender wijze uitgegeven worden, de operationele kosten laag blijven, de middelen efficiënt worden toegewezen, er sprake is van billijkheid en meer verantwoordingsplicht en transparantie in verband met de middelen van de Unie, waardoor het proces beter te begrijpen is voor de Europese burgers;

Bedragen(1)

3.  merkt op dat er volgens de Europese Rekenkamer in het voorstel van de Commissie voor het MFK 2021-2027 sprake is van een stijging van 18 % in lopende prijzen ten opzichte van het MFK 2014-2020: van 1 087 miljard naar 1 279 miljard EUR; benadrukt echter dat als er rekening wordt gehouden met de inflatie, de bedragen voor begunstigden in het VK tijdens het MFK 2014-2020 en de opname van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) in de begroting, de werkelijke stijging slechts 5 % bedraagt; wijst erop dat er volgens de ramingen van de Commissie bij het hanteren van dezelfde vergelijkende grondslag, namelijk het percentage van het bruto nationaal inkomen (bni), zelfs sprake is van een daling van 1,16 % naar 1,08 %, en van 11 % als de opname van het EOF ook wordt meegeteld;

4.  merkt op dat de Commissie voorstelt de financiering voor de MFK-rubriek "Natuurlijke hulpbronnen en milieu" met 16 % te verlagen, wat concreet inhoudt:

–  een bezuiniging van 15 % op het GLB als geheel (een bezuiniging van 11 % op rechtstreekse betalingen en een bezuiniging van 27 % op de programma's voor plattelandsontwikkeling),

–  volgens de cijfers van het Parlement, een toename van 38 % voor het programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE), dat slechts een klein gedeelte zal blijven vormen van de rubriek "Natuurlijke hulpbronnen en milieu", namelijk 2 %;

5.  merkt op dat er voor de voorgestelde uitgaven voor de rubriek "Cohesie en waarden" een stijging van 1 % is vastgesteld, maar dat er ingrijpende veranderingen op programmaniveau plaatsvinden, aangezien er voor de drie fondsen van het cohesiebeleid samen, te weten het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds en het Europees Sociaal Fonds (ESF) 10 % minder middelen worden uitgetrokken, dat wil zeggen:

–  2 % meer voor het EFRO,

–  45 % minder voor het Cohesiefonds,

–  7 % minder voor het ESF, ondanks het uitgebreidere toepassingsgebied en het feit dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief erin is opgenomen;

6.  stelt met bezorgdheid vast dat de Commissie in de verordening gemeenschappelijke bepalingen de nationale toewijzingen voor het cohesiebeleid niet heeft uitgesplitst in bedragen voor het EFRO, het Cohesiefonds en het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+);

7.  constateert dat andere programma's zullen worden geschaard onder de rubriek "Cohesie en waarden", zoals Erasmus+ waarvoor de Commissie 77 % aan extra financiering voorziet (d.w.z. 7 % voor de nieuwe rubriek "Cohesie en waarden");

8.  merkt op dat de Commissie voorstelt om de financiering voor de andere MFK-rubrieken te verhogen met 115 miljard EUR, oftewel 11 % van het huidige MFK;

9.  stelt vast dat de Commissie een verschuiving van het zwaartepunt voorstelt naar de rubrieken "Migratie en grensbeheer" en "Veiligheid en defensie", die bijna 5 % van de hele begroting zullen beslaan in plaats van 1 % nu, en constateert dat de uitgaven onder "Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid" zullen stijgen van 11 % naar 15 %;

Strategische planning

10.  constateert dat de Commissie van plan is de structuur en de programma's van de EU-begroting volledig in overeenstemming te brengen met de positieve agenda van de Unie voor na 2020, zoals overeengekomen in Bratislava en Rome(2); merkt op dat de verklaringen en de routekaart die zijn aangenomen in Bratislava en Rome niet per se moeten worden gezien als een strategische visie voor de lange termijn met doelstellingen en indicatoren voor alle beleidsterreinen van de Unie;

11.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een langetermijnvisie op de positie van de Europese Unie in een geglobaliseerde wereld te formuleren, die wordt ondersteund door correct toegepast beleid aan de hand van beleidsdoelstellingen voor de lange termijn, waarmee de EU de huidige en toekomstige uitdagingen het hoofd kan bieden; merkt op dat anders de meerwaarde van het MFK-voorstel mogelijk teniet wordt gedaan;

12.  wijst erop dat de Europa 2020-strategie zal aflopen vóór het begin van de nieuwe MFK-periode, en dat er nog niet is besloten tot een nieuwe reeks strategische EU-doelen; benadrukt dat er verdere strategische beleidsplanning nodig is van de kant van de Commissie, en wijst erop dat overheidsbegrotingen vastgesteld moeten worden nadat de politieke doelstellingen voor de lange termijn bepaald zijn en het beleid is opgesteld volgens een algemene visie voor de EU, en betreurt het dan ook dat het nieuwe MFK-voorstel deze noodzaak niet volledig weerspiegelt;

13.  benadrukt dat de lidstaten en de Commissie de behoeften voor financiering van de Unie eerst goed moeten beargumenteren en de te behalen strategische doelen en de gewenste resultaten moeten definiëren alvorens een planning te maken van de uitgaven met de bijbehorende indicatoren;

Politieke prioriteiten en presentatie van de EU-begroting

14.  toont zich verheugd dat de nieuwe programma's zullen worden gebundeld in beleidsclusters, hetgeen zal worden weerspiegeld in de titels van de jaarlijkse begroting; spreekt de hoop uit dat dit meer duidelijkheid zal verschaffen over de manier waarop deze programma's zullen bijdragen aan de beleidsdoelstellingen;

15.  is verheugd over de algemene modernisering en vereenvoudiging van de begroting en over de ambitie om een grotere mate van stroomlijning, flexibiliteit en transparantie te bewerkstelligen;

16.  is ingenomen met het feit dat de Commissie van plan is vanaf 2021 beleidsterreinen af te stemmen op programmaclusters, en dat daardoor de jaarlijkse begroting meer synchroon zal lopen met de rubrieken van het MFK;

17.  wijst erop dat de Commissie begrotingscontrole (CONT) de Commissie er meermalen om heeft verzocht de begroting van de Unie te presenteren volgens de door het Parlement goedgekeurde politieke doelstellingen van het MFK; is van mening dat de begrotingsautoriteit hierdoor de voorbereiding en de tenuitvoerlegging van de begroting gemakkelijker zal kunnen controleren en opvolgen;

18.  herinnert eraan dat de financiering voor beleid en projecten in overeenstemming moet zijn met de klimaat- en energiedoelstellingen en de verbintenissen die zijn aangegaan met de Overeenkomst van Parijs; wijst er dan ook op dat ten minste 30 % van de EU-uitgaven moet bijdragen aan de klimaatdoelstellingen, en is het ermee eens dat dit het best kan worden aangepakt door klimaatuitgaven te integreren in alle EU-programma's; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om erop toe te zien dat dit gebeurt op coherente en alomvattende wijze, aansluitend bij de strategische planning;

19.  wijst erop dat er een gebrek is aan duidelijke investeringen in verband met de doelstellingen van de EU-pijler van sociale rechten die is vastgesteld door de drie instellingen;

20.  betreurt het gebrek aan afstemming van het voorgestelde MFK op de 17 doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de VN voor 2030, die de geleidelijke overgang naar een duurzame Europese samenleving ondersteunen;

21.  verzoekt de Commissie voortdurend voldoende leiderschap en inzet aan de dag te leggen op de strategische terreinen, en roept de Commissie op te zorgen voor een toename van de algehele zichtbaarheid van de financiering voor het grote publiek;

Vereenvoudiging en prestaties

22.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om het aantal uitgavenprogramma's met een derde terug te brengen en de regels coherenter te maken; benadrukt dat alle onnodige regels, vereisten en procedures moeten worden geschrapt om het begunstigden makkelijker te maken;

23.  vraagt zich af waarom de Commissie twee reeksen doelstellingen en indicatoren hanteert om de prestaties van haar financiële beheer te meten: aan de ene kant evalueren de directoraten‑generaal van de Commissie in hun jaarlijkse activiteitenverslagen de verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vastgelegd in hun beheersplan, en aan de andere kant meet de Commissie de prestaties van uitgavenprogramma's aan de hand van de programmaverklaringen over de operationele uitgaven, die bij de ontwerpbegroting zijn gevoegd;

24.  herinnert eraan dat het huidige prestatiekader van de programma's dat is neergelegd in de programmaverklaringen 716 verschillende indicatoren bevat waarmee de prestaties van 61 algemene en 228 specifieke doelstellingen worden gemeten;

25.  verzoekt de Commissie:

a)  de verslaglegging over prestaties te stroomlijnen door:

–  het aantal doelstellingen en indicatoren dat zij voor haar verschillende prestatieverslagen gebruikt, verder terug te brengen en zich te concentreren op de doelstellingen en indicatoren waarmee de prestaties van de begroting van de Unie het beste kunnen worden gemeten met het oog op vereenvoudiging, transparantie en betere controle;

–  vaker een kwalitatieve benadering te hanteren en milieu- en sociale indicatoren op te nemen om de impact van EU-beleid op milieu- en sociale beleidsmaatregelen te kunnen meten;

–  financiële informatie zodanig te presenteren dat deze kan worden vergeleken met de informatie over prestaties, zodat het verband tussen uitgaven en prestaties duidelijk is;

b)  de verslaglegging over prestaties evenwichtiger te maken door de informatie over de belangrijkste uitdagingen van de EU die nog moeten worden aangepakt duidelijk weer te geven;

c)  een verklaring bij te voegen over de kwaliteit van de gerapporteerde gegevens over de prestaties;

Uitgavenanalyse bij het MFK-voorstel

26.  betreurt het dat de Commissie alleen een uitgavenanalyse heeft uitgevoerd in plaats van alle grote programma's van het huidige MFK te analyseren met behulp van een "zero-based"-begrotingsbenadering: stelt vast dat de beperkte evaluatie evenwel bedoeld is als combinatie van:

–  een strategische evaluatie (gericht op het verlenen van prioriteit aan programma's volgens hun meerwaarde voor en samenhang met EU-doelstellingen) en

–  een efficiëntieanalyse (om de resultaten van de bestaande programma's te verbeteren);

27.  betreurt het dat bovengenoemde uitgavenanalyse geen uitvoerige evaluatie heeft opgeleverd om de echte meerwaarde van de programma's aan te tonen;

28.  wijst erop dat de programmering van de begroting moet worden afgestemd op de wetgevingscycli zodat het Parlement het politieke kader voor elk van de volgende vijf jaar kan vaststellen; beschouwt het MFK 2021-2027 als een overgangsperiode van een zevenjarige begroting naar een nieuwe formule, die aansluit op de wetgevingsperiodes van vijf jaar en de beleidsmaatregelen waarvoor programmering op de langere termijn vereist is niet in gevaar brengt;

29.  vindt het verheugend dat de Commissie inziet dat het MFK moet worden afgestemd op de politieke en institutionele cycli, en is van mening dat het organiseren van een tussentijdse evaluatie uiterlijk aan het eind van 2023 een stap vooruit betekent in de richting van de geleidelijke afstemming van de duur van het MFK op de vijfjaarlijkse politieke cyclus van de EU-instellingen;

Meerwaarde voor de EU

30.  herinnert eraan dat de Commissie in de discussienota over de toekomst van de EU-financiën(3) een lijst met zeven criteria voorstelde om de meerwaarde voor de EU te kunnen beoordelen, en erop wees dat de financiële steun van de EU voor programma's moet afhangen van de resultaten van die beoordeling(4); vindt het zorgelijk dat een transparante definitie van "meerwaarde voor de EU" ontbreekt en niet op korte termijn verwacht wordt;

31.  constateert dat volgens de discussienota alleen programma's met een zeer grote meerwaarde voor de EU volledige EU-financiering mogen ontvangen, dat voor de programma's met gemiddelde tot grote meerwaarde voor de EU de financiering beperkt moet blijven en dat er geen financiering moet worden verstrekt voor programma's waarvan de meerwaarde voor de EU beperkt is;

32.  betreurt het dat in de gepubliceerde uitgavenanalyse geen systematische beoordeling wordt gegeven van programma's op basis van de criteria die de Commissie heeft gedefinieerd voor meerwaarde voor de EU en er ook geen algemene conclusies worden getrokken over de meerwaarde voor de EU van elk programma; verzoekt de Commissie een vastomlijnd en verhelderend concept van "meerwaarde voor de EU" uit te werken en te hanteren op basis van de zeven criteria uit de discussienota;

33.  stelt vast dat de Commissie de samenhang met de EU-doelstellingen voor 2021-2027 niet adequaat heeft kunnen beoordelen, aangezien de strategische doelstellingen voor de periode na 2020 nog moeten worden vastgesteld, waardoor het moeilijk is de meerwaarde voor de EU aan te geven en te controleren, die hoe dan ook een stijgende lijn moet blijven vertonen, vooral op het vlak van de economische, sociale en territoriale cohesie van de EU;

34.  wijst erop dat de Europese begroting moet voldoen aan de verplichting om op passende wijze in te spelen op de eisen en ambities van het Europese beleid en om meerwaarde te bieden voor de Unie;

Flexibiliteit en verantwoordingsplicht

35.  is ingenomen met de voorstellen van de Commissie om de begroting van de EU beter te laten inspelen op veranderende omstandigheden door de algemene flexibiliteit te vergroten en toereikende kredieten beschikbaar te stellen voor onvoorziene omstandigheden zonder afbreuk te doen aan monitoring en controle; is met name verheugd over de voorstellen om het plafond voor de eigen middelen te verhogen, het verschil tussen de totale betalingskredieten en de totale vastleggingskredieten te verkleinen, de limieten voor de overkoepelende marge voor de betalingen af te schaffen, de omvang en reikwijdte van speciale instrumenten buiten het MFK (het flexibiliteitsinstrument, de reserve voor noodhulp, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering) te vergroten, de reserve voor noodhulp uit te breiden tot operaties binnen de EU en de overkoepelende marge voor vastleggingen uit te breiden en om te dopen tot "de reserve van de Unie";

36.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om het EOF op te nemen in de EU-begroting en dit fonds te onderwerpen aan dezelfde beginselen en regels als andere programma's die worden gefinancierd uit de EU-begroting, maar benadrukt dat er een consistente mate van verantwoording en transparantie moet worden gewaarborgd in verband met de middelen die worden uitgegeven om de EU-doelstellingen te verwezenlijken via de EU-begroting en de middelen die nog altijd daarbuiten zullen worden uitgegeven;

37.  hamert erop dat er mandaten voor openbare controles moeten worden opgezet voor alle soorten financiering van EU-beleid op EU- en nationaal niveau, en dat de Europese Rekenkamer moet worden benoemd als de controleur van organen die worden opgezet om EU-beleid ten uitvoer te leggen, waaronder EU-organen als het Europees Defensieagentschap en het voorgestelde Europees Monetair Fonds en organen die zijn opgezet met overeenkomsten buiten het rechtssysteem van de EU zoals het Europees Stabiliteitsmechanisme en de Europese Investeringsbank in verband met zijn niet aan de EU-begroting gekoppelde activiteiten;

Bezuinigingen op het GLB en cohesie

38.  wijst op de bezuinigingen die de Commissie heeft voorgesteld op het GLB en het cohesiebeleid, en beschouwt ze als een noodzakelijke stap in de richting van meer doeltreffende en doelgerichte uitgaven;

39.  vreest dat de bezuinigingen op het GLB ertoe zullen leiden dat veel landbouwers hun professionele activiteiten niet kunnen blijven uitoefenen; is van mening dat doeltreffender steun in het kader van het GLB een absolute vereiste is om deze negatieve effecten te beperken;

40.  wijst op de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer in verband met de mededeling van de Commissie over de toekomst van het GLB, namelijk dat er met het nieuwe uitvoeringssysteem zowel ambitieuze als relevante prestatiedoelstellingen moeten worden behaald die gebaseerd zijn op statistisch en wetenschappelijk bewijs, afgestemd zijn op de EU-doelstellingen, gekenmerkt worden door een solide verantwoordings- en controleketen en gebaseerd zijn op een intensievere monitoring van prestaties, de beoordeling van beleidsprestaties en een stevig evaluatiekader;

41.  benadrukt dat de financieringsregelingen van het GLB vooral ten goede moeten komen aan kleine landbouwbedrijven, ecologisch en geografisch gezien problematische gebieden en dunbevolkte regio's, in overeenstemming met de strategische doelstellingen van de EU;

42.  merkt op dat het voorstel van de Commissie om het nieuwe GLB vorm te geven op basis van strategische plannen die moeten worden opgesteld door de lidstaten, hen er mogelijk toe zal verplichten meer verantwoordelijkheid op zich te nemen voor het landbouwbeleid en budgettering; constateert daarnaast dat daardoor het risico op uiteenlopend en complexer financieel beheer van het GLB kan toenemen en wettige controles bemoeilijkt kunnen worden;

43.  wijst op de bezuinigingen op de programma's voor plattelandsontwikkeling, namelijk 27 % in totaal, uitgesplitst in 45 % voor het Cohesiefonds en 10 % voor het Europees Sociaal Fonds; verzoekt de Commissie echter alles te doen wat in haar macht ligt om de ongelijkheden en de grote verschillen tussen stedelijke en plattelandsgebieden te overbruggen, het tij van steeds verdergaande divergentie te keren en versnippering tegen te gaan;

Eigen middelen

44.  is ingenomen met de drie nieuwe categorieën eigen middelen: een percentage van de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), een percentage van 20 % van de inkomsten uit de handel in emissierechten en een nationale bijdrage die berust op de hoeveelheid niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval in elke lidstaat; herinnert er in dit verband aan dat het voorgestelde stelsel van eigen middelen de totale fiscale lasten voor de Europese belastingbetalers niet mag vergroten en dat dit moet leiden tot een evenredige verlaging van de bijdrage van de lidstaten aan de EU-begroting;

45.  spoort de Commissie aan aanvullende voorstellen voor nieuwe eigen middelen te doen om te komen tot een zelfvoorzienende EU-begroting op de middellange termijn; is van mening dat het percentage nieuwe echte eigen middelen een grote rol moet spelen bij de inkomsten van de EU-begroting;

46.  wijst erop dat het huidige systeem van correcties en kortingen moet worden afgeschaft, en schaart zich achter het voorstel van de Commissie om alle kortingen uiterlijk in 2025 uit te faseren, hetgeen zal leiden tot een eenvoudigere en transparantere structuur;

47.  steunt het voorstel van de Commissie om het percentage van de douanerechten dat door de lidstaten wordt ingehouden als "inningskosten" te verlagen naar 10 %;

48.  pleit voor het behoud van de btw als bron van eigen middelen voor de EU maar wel na een grondige vereenvoudiging ervan;

49.  denkt dat de financiering van de EU stabieler, duurzamer, voorspelbaarder, transparanter en begrijpelijker moet zijn voor EU-burgers;

50.  merkt op dat conditionaliteit in de EU als overkoepelende doelstelling heeft om de integratie in en de cohesie tussen de lidstaten te bevorderen; is van mening dat gedegen logische conditionaliteit onder andere moet bestaan uit stimulerende maatregelen waarmee de lidstaten zich nauwer betrokken voelen bij het Europese project, er wordt bijgedragen aan het geplande resultaat en misbruik van EU-fondsen wordt voorkomen;

51.  verzoekt de Commissie opheldering te verschaffen over de berekening van de nationale bijdrage die berust op de hoeveelheid niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval in de lidstaten en de manier waarop die bijdrage zal worden geïnd; verzoekt de Commissie een reeks monitoringinstrumenten in het leven te roepen om de lidstaten te helpen een gemeenschappelijke methode op te zetten voor de inning en de berekening van die bijdrage;

52.  stelt met bezorgdheid vast dat het wetgevingsvoorstel over de CCCTB nog niet is aangenomen en dat zelfs niet bij benadering bekend is wanneer daarover overeenstemming zal worden bereikt in de Raad; is van mening dat de CCCTB om die reden niet kan worden beschouwd als een echte bron van eigen middelen voor de volgende programmeringsperiode; dringt er bij de Commissie op aan overeenstemming te bereiken over dit onderwerp, gezien het belang van de CCCTB voor de aanpak van het probleem van belastingontwijking door multinationals;

53.  is ingenomen met het beginsel dat toekomstige inkomsten uit EU-beleid op de EU‑begroting moeten worden bijgeschreven, aangezien deze een echte inkomstenbron voor de EU vormen;

54.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de lidstaten om te zorgen voor de versterking van de bestaande systemen van controle en de preventie van fraude en onregelmatigheden die de financiële belangen van de EU schaden;

55.  benadrukt in dit verband dat de ongelijkheden bij douanesystemen in de hele EU, die een enorm risico vormen voor de financiële belangen van de EU, moeten worden opgeheven, en verzoekt de Commissie het douanebeheer in de hele EU te harmoniseren om smokkel van goederen en belastingfraude doeltreffend te kunnen bestrijden.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Tussentijds verslag over het MFK 2021-2027 - Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

Document- en procedurenummers

2018/0166R(APP)

Bevoegde commissie

 

BUDG

 

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

CONT

13.9.2018

Datum goedkeuring

10.10.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

16

2

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Inés Ayala Sender, Jonathan Bullock, Tamás Deutsch, Luke Ming Flanagan, Ingeborg Gräßle, Jean-François Jalkh, Arndt Kohn, Gilles Pargneaux, Georgi Pirinski, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Petri Sarvamaa, Derek Vaughan, Tomáš Zdechovský, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Iris Hoffmann, Andrey Novakov, Julia Pitera, Miroslav Poche

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

16

+

ALDE

Nedzhmi Ali

PPE

Tamás Deutsch, Ingeborg Gräßle, Andrey Novakov, Julia Pitera, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Petri Sarvamaa, Tomáš Zdechovský, Joachim Zeller

S&D

Inés Ayala Sender, Iris Hoffmann, Arndt Kohn, Gilles Pargneaux, Georgi Pirinski, Miroslav Poche, Derek Vaughan

2

-

EFDD

Jonathan Bullock

ENF

Jean-François Jalkh

1

0

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

15.10.2018

STANDPUNT IN DE VORM VAN AMENDEMENTEN

van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

aan de Begrotingscommissie

betreffende het tussentijds verslag over het meerjarig financieel kader 2021‑2027 - Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

(2018/0166R(APP))

Namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken: Marita Ulvskog (voorzitter)

Standpunt

AMENDEMENTEN

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken dient bij de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande amendementen in:

Amendement    1

namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zakenOntwerpresolutie

Overweging E bis (nieuw)

Ontwerpresolutie

Amendement

 

E bis.  overwegende dat er een verband is tussen de programmering voor de fondsen van de Unie en het Europees Semester en de desbetreffende landspecifieke aanbevelingen; overwegende dat de fondsen van de Unie bedoeld zijn om de in artikel 174 VWEU genoemde doelstellingen te verwezenlijken teneinde de economische, sociale en territoriale samenhang van de Unie te versterken en de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's te verkleinen;

Amendement    2

namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zakenOntwerpresolutie

Paragraaf 5

Ontwerpresolutie

Amendement

5.  benadrukt voorts het belang van de horizontale beginselen die ten grondslag moeten liggen aan het MFK en al het daarmee verband houdende beleid van de EU; herhaalt in verband hiermee zijn standpunt dat de EU haar engagement moet nakomen om een voortrekkersrol te vervullen met betrekking tot de uitvoering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG's) en betreurt het ontbreken van een duidelijk en zichtbaar engagement in deze zin in de voorstellen over het MFK; dringt daarom aan op de integratie van de SDG's in alle EU-beleid en -initiatieven van het volgende MFK; benadrukt voorts dat de uitbanning van discriminatie essentieel is voor het nakomen van de verbintenissen van de EU ten aanzien van een inclusief Europa, en betreurt het ontbreken van verbintenissen op het gebied van gendermainstreaming en gendergelijkheid in het EU-beleid dat met de voorstellen voor het MFK gepresenteerd is; onderstreept ook zijn standpunt dat op grond van de Overeenkomst van Parijs de klimaatgerelateerde uitgaven aanzienlijk moeten worden opgetrokken ten opzichte van het huidige MFK en zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2017 bij 30 % moeten liggen;

5.  benadrukt voorts het belang van de horizontale beginselen die ten grondslag moeten liggen aan het MFK en al het daarmee verband houdende beleid van de EU; herhaalt in verband hiermee zijn standpunt dat de EU haar engagement moet nakomen om een voortrekkersrol te vervullen met betrekking tot de uitvoering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG's) en betreurt het ontbreken van een duidelijk en zichtbaar engagement in deze zin in de voorstellen over het MFK; dringt daarom aan op de integratie van de SDG's in alle EU-beleid en -initiatieven van het volgende MFK; benadrukt voorts dat het belangrijk is de Europese pijler van sociale rechten te verwezenlijken om een veerkrachtig sociaal Europa tot stand te brengen, dat de uitbanning van discriminatie essentieel is voor het nakomen van de verbintenissen van de EU ten aanzien van een inclusief Europa, en betreurt het ontbreken van verbintenissen op het gebied van gendermainstreaming en gendergelijkheid in het EU-beleid dat met de voorstellen voor het MFK gepresenteerd is; onderstreept ook zijn standpunt dat op grond van de Overeenkomst van Parijs de klimaatgerelateerde uitgaven aanzienlijk moeten worden opgetrokken ten opzichte van het huidige MFK en zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2027 bij 30 % moeten liggen;

Amendement    3

namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zakenOntwerpresolutie

Paragraaf 4

Ontwerpresolutie

Amendement

4.  geeft bovendien aan te zijn gekant tegen iedere verlaging van het niveau van essentiële EU-beleidsmaatregelen, met inbegrip van het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) van de EU; is met name gekant tegen elke ingrijpende bezuiniging die een negatieve impact zal hebben op de aard en doelstellingen zelf van deze beleidsterreinen, bijvoorbeeld de voorgestelde bezuinigingen voor het Cohesiefonds of voor het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling; verzet zich in dit kader tegen het voorstel het Europees Sociaal Fonds te verlagen ondanks het verruimde toepassingsgebied ervan en de opname van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

4.  geeft bovendien aan te zijn gekant tegen iedere verlaging van het niveau van essentiële EU-beleidsmaatregelen, met inbegrip van het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) van de EU; is met name gekant tegen elke ingrijpende bezuiniging die een negatieve impact zal hebben op de aard en doelstellingen zelf van deze beleidsterreinen, bijvoorbeeld de voorgestelde bezuinigingen voor het Cohesiefonds of voor het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling; verzet zich in dit kader tegen het voorstel het Europees Sociaal Fonds Plus te verlagen ondanks het verruimde toepassingsgebied ervan en de opname van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen, het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie en het gezondheidsprogramma;

Amendement    4

namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zakenOntwerpresolutie

Paragraaf 5 bis (nieuw)

Ontwerpresolutie

Amendement

 

5 bis.  benadrukt dat het voorgestelde verband tussen de programmering voor de structuurfondsen, hun beleidsdoelstellingen en het Europees Semester, en met name de landspecifieke aanbevelingen, moet worden verduidelijkt en dat hierbij rekening moet worden gehouden met de lokale en regionale dimensie; dringt aan op de invoering van doeltreffende programmeringsmechanismen voor de EU-fondsen, met name het ESF+, waardoor de beginselen en rechten van de Europese pijler van sociale rechten in de praktijk worden toegepast, onder meer door te zorgen voor ambitieuze financiële middelen en de nodige synergie tussen de fondsen van de Unie;

Amendement    5

namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zakenOntwerpresolutie

Paragraaf 14, punt vi

Ontwerpresolutie

Amendement

14 vi.  verdubbeling van de middelen voor de aanpak van de jeugdwerkloosheid (in het kader van het huidige jongerenwerkgelegenheidsinitiatief);

14 vi.  verdubbeling van de middelen voor de aanpak van de jeugdwerkloosheid in het kader van het ESF+ (in het kader van het huidige jongerenwerkgelegenheidsinitiatief); waarbij de doeltreffendheid en de meerwaarde van de regeling gewaarborgd blijven;

Amendement    6

namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zakenOntwerpresolutie

Paragraaf 15 bis (nieuw)

Ontwerpresolutie

Amendement

 

15 bis.  benadrukt dat de strijd tegen de werkloosheid bij jongeren moet worden opgevoerd; is evenwel bezorgd over het feit dat de integratie van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in het ESF+ ertoe kan leiden dat de lidstaten voor dit initiatief en voor acties die rechtstreeks op jongeren zijn gericht zelf minder middelen gaan uittrekken;

Amendement    7

namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zakenOntwerpresolutie

Paragraaf 16 bis (nieuw)

Ontwerpresolutie

Amendement

 

16 bis.  benadrukt dat de instrumenten van de Unie moeten worden verbeterd om de sociale integratie en de integratie op de arbeidsmarkt van onderdanen van derde landen aan te pakken; dringt hiertoe aan op een betere synergie tussen de fondsen van de Unie en passende middelen; benadrukt dat het belangrijk is ook de specifieke stedelijke en lokale uitdagingen op het gebied van migratie aan te pakken, onder meer door financiering gemakkelijker toegankelijk te maken voor steden, lokale en regionale overheden, sociale partners, sociaal-economische actoren en organisaties uit het maatschappelijk middenveld die projecten op dit gebied ontwikkelen en uitvoeren;

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

9.10.2018

 

 

 

18.10.2018

ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

aan de Begrotingscommissie

inzake het tussentijds verslag over het MFK 2021-2027 – het standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

(COM(2018)03222018/0166R(APP))

Rapporteur voor advies: Ivo Belet

PA_Consent_Interim

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar verslag op te nemen:

1.  benadrukt het belang van en de rol van de Unie bij het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu en de aanpak van de klimaatverandering, de achteruitgang van ecosystemen en het verlies van biodiversiteit; wijst erop dat de Unie haar toezegging gestand moet doen om als voorloper te fungeren bij de tenuitvoerlegging van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's), die een globaal stappenplan bieden om te komen tot meer duurzame, rechtvaardige en welvarende samenlevingen binnen de mogelijkheden van onze planeet; herinnert aan de verplichtingen van de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs en het feit dat dringend moet worden omgeschakeld naar een koolstofarme, duurzame circulaire economie;

2.  is van mening dat de onderhandelingen over eigen middelen en het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027, ook in de context van de brexit, een kans bieden om de inkomstenzijde van de Uniebegroting duurzamer en transparanter te maken, de Unie zelfstandiger te maken en uiteindelijk beter gebruik te maken van de transformerende kracht van de Uniebegroting; vraagt om een fundamentele hervorming van het stelsel van eigen middelen, teneinde alle kortingen af te schaffen en nieuwe financieringsbronnen in te voeren die volledig in overeenstemming zijn met het beleid van de Unie inzake onder andere milieu, gezondheid en klimaat;

3.  onderstreept dat LIFE het voornaamste programma is ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de Uniewetgeving inzake milieu en klimaatactie; merkt op dat een aanzienlijk deel van de voorgestelde verhoging van de begroting voor het LIFE-programma voor 2021-2027 bestemd is voor het nieuwe subprogramma "Omschakeling naar schone energie"; steunt de vaststelling van een alomvattend programma voor een transitie naar schone energie, maar is van mening dat dit niet ten koste mag gaan van de financiering voor natuur en biodiversiteit, de circulaire economie en de aanpassing aan en beperking van de klimaatverandering; vraagt nogmaals dat de financiële middelen voor het LIFE-programma ten minste worden verdubbeld tot 6,442 miljard EUR in constante prijzen (2018), en vraagt dat er specifieke budgetten worden vastgesteld voor biodiversiteit en het beheer van het Natura 2000-netwerk;

4.  is ingenomen met de voorgestelde verhoging van het budget voor Horizon Europa en met name de specifieke budgetten voor onderzoek en innovatie op het gebied van gezondheid (6,83 miljard EUR), klimaat, energie en mobiliteit (13,31 miljard EUR), en voedsel en natuurlijke hulpbronnen (8,87 miljard EUR); verzoekt evenwel nogmaals om meer financiering voor het 9e kaderprogramma, waarvoor tenminste 116,895 miljard EUR moet worden uitgetrokken, waarbij het aandeel van de cluster klimaat, energie en mobiliteit (15,94 %) en de cluster voedsel en natuurlijke hulpbronnen (10,63 %) moet worden gehandhaafd en het aandeel van de cluster gezondheid moet worden verhoogd tot ten minste 9,7 %, zoals in het 8e kaderprogramma; vraagt voorts dat er aanzienlijke financiële middelen worden toegewezen aan fundamenteel onderzoek;

5.  is tevreden met de aanzienlijke stijging voor de Connecting Europe Facility – Energie tot 7,675 miljard EUR in constante prijzen (2018) voor de periode 2021-2027; 

6.  maakt zich ernstig zorgen over de voorgestelde verlaging van de financiering voor het gezondheidsprogramma; verzoekt opnieuw om van dit programma in het MFK 2021-2027 weer een robuust en op zichzelf staand programma te maken met een ruimere begroting, zodat de SDG's inzake volksgezondheid, gezondheidsstelsels en milieugerelateerde gezondheidsproblemen kunnen worden verwezenlijkt en zodat er een ambitieus gezondheidsbeleid kan worden gevoerd met aandacht voor grensoverschrijdende uitdagingen, met name door een forse verhoging van de gezamenlijke inspanningen van de Unie op het gebied van kankerbestrijding, preventie van chronische ziekten, bestrijding van antimicrobiële resistentie en vlottere toegang tot grensoverschrijdende gezondheidszorg;

7.  betreurt dat het risico bestaat dat de huidige doelstelling voor klimaatgerelateerde uitgaven niet wordt gehaald en neemt in dit verband nota van de voorgestelde verhoging van dit streefcijfer tot minimaal 25 % van de Uniebegroting voor 2021-2027; dringt echter aan op een ambitieuzere doelstelling voor klimaatgerelateerde uitgaven, namelijk 30 % van de Uniebegroting voor 2021-2027, om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken en uit te voeren en in te spelen op het feit dat klimaatactie steeds belangrijker en dringender wordt en dat bijkomende maatregelen op het gebied van klimaatdiplomatie nodig zijn, en vraagt dat er een betrouwbare en transparante traceringsmethode wordt ontwikkeld; vraagt voorts dat er maatregelen worden genomen opdat de structuur en uitvoering van de Uniebegroting niet in botsing komen met de verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie;

8.  dringt erop aan dat in het MFK 2021-2027 alle directe of indirecte steun voor fossiele brandstoffen wordt uitgesloten;

9.  is bezorgd over de voorgestelde vermindering met 5 % van de financiële middelen voor de gedecentraliseerde agentschappen die onder de bevoegdheid van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid vallen (het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), het Europees Centrum voor ziektepreventie en ‑bestrijding (ECDC), het Europees Milieuagentschap (EEA), de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA)); dringt erop aan dat de gedecentraliseerde agentschappen meer financiële middelen en personeel krijgen, ten minste evenveel als in 2014-2020 in reële termen, wanneer dat nodig is en gebaseerd is op de behoeften van elk agentschap, met name wanneer ze nieuwe taken toegewezen krijgen, zoals het geval is bij het ECHA en het EEA; benadrukt dat het belangrijk is dat deze agentschappen voldoende financiering krijgen om wetenschappelijk onderbouwde regelgeving te bevorderen en het vertrouwen van het publiek in de beleidsvorming van de Unie te vergroten;

10.  herhaalt dat de taak van het EMA erin bestaat de Unie en de lidstaten te helpen weloverwogen beslissingen te nemen over het beschermen en verbeteren van het milieu, het integreren van milieuoverwegingen in het economisch beleid en het streven naar duurzaamheid; onderstreept dat de Commissie het EMA extra taken heeft toegewezen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, het monitoren van nieuwe wetgeving en beleidsontwikkelingen op het gebied van de koolstofarme economie, de agenda voor de circulaire economie en de uitvoering van de SDG's, en benadrukt dat dit op passende wijze tot uitdrukking moet komen in de financiële middelen van het agentschap, die in de begroting voor 2021-2027 minstens moeten worden ingedeeld als stabiel in reële termen;

11.  is ingenomen met het voorstel voor een bron van eigen middelen op basis van niet-gerecycleerd plastic verpakkingsafval; benadrukt dat het sturende effect daarvan prioriteit moet geven aan het voorkomen van afval, overeenkomstig de afvalhiërarchie, en verzoekt de Commissie de mogelijkheden te onderzoeken om de desbetreffende inkomsten te bestemmen voor de verwezenlijking van de recyclingdoelstellingen voor verpakkingsafval; vraagt om effectieve registratie- en controlemechanismen en om een verduidelijking van de berekeningsmethode;

12.  wenst dat een aanzienlijk deel van de stijgende veilinginkomsten van het emissiehandelssysteem (ETS) vanaf fase 4 (2021) als eigen middelen van de Unie wordt beschouwd en geleidelijk aan wordt bestemd voor projecten van de Unie op het gebied van grensoverschrijdende elektriciteitsinfrastructuur die aansluiten bij de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie, hernieuwbare energie en opslag, en investeringen in baanbrekende koolstofarme innovatie in de industrie; is van mening dat dit geleidelijk moet gebeuren om te vermijden dat de nationale begrotingen voor klimaat- en energiebeleid onder druk komen te staan (aangezien 50 % van de inkomsten in de ETS-richtlijn (Richtlijn 2003/87/EG)) voor dat doel bestemd is;

13.  vraagt voorts dat een grenscorrectietaks voor koolstof wordt onderzocht als nieuwe bron van eigen middelen voor de Uniebegroting, die er ook toe zou leiden dat er een gelijk speelveld ontstaat in de internationale handel, dat er minder productie naar het buitenland verhuist en dat de kosten van de klimaatverandering worden geïnternaliseerd in de prijs van ingevoerde goederen;

14.  is van mening dat er bij gebreke van geharmoniseerde internationale maatregelen op het gebied van de belasting op kerosine, op Unieniveau een op koolstofgehalte gebaseerde luchtvaartheffing moet worden onderzocht om verdere stimulansen te geven voor onderzoek, ontwikkeling en investeringen in efficiëntere, koolstofarme luchtvaartuigen en luchtvaartbrandstoffen en om de toenemende emissies van de luchtvaart terug te dringen, waarbij moet worden gezorgd voor een gelijk speelveld en eerlijkere mededinging in de transportsector;

15.  moedigt de inspanningen aan om een belasting op financiële transacties (BFT) in te voeren en is van mening dat een deel van een gemeenschappelijke BFT in de toekomst als bron van eigen middelen moet dienen;

16.  vraagt dat 25 % van het budget van het steunprogramma voor structurele hervormingen (SRSP) naar de structuurfondsen wordt overgeheveld zodat het kan worden gebruikt als aanvullende steun voor koolstofafhankelijke regio's die met de noodzakelijke structurele transitie naar een koolstofarme economie te kampen hebben; is van mening dat deze regio's toegang moeten hebben tot deze aanvullende steun om ze te helpen de doelstellingen van beleidsdoelstelling 2 van het Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds te verwezenlijken teneinde een rechtvaardige transitie te faciliteren; merkt op dat het doel is deze regio's, met name die welke nog niet in aanmerking komen voor steun in het kader van het moderniseringsfonds uit hoofde van Richtlijn 2003/87/EG, te ondersteunen door het bevorderen van de uitplaatsing, omscholing en bijscholing van werknemers, onderwijs, actief arbeidsmarktbeleid en de ontwikkeling van nieuwe banen, bijvoorbeeld door middel van start-ups, in nauw overleg en nauwe coördinatie met de sociale partners;

17.  onderstreept dat de uitgaven- en inkomstenkant van het volgende MFK als één pakket moeten worden behandeld en dat geen overeenstemming met het Parlement over het MFK kan worden bereikt zonder akkoord over eigen middelen.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Tussentijds verslag over het MFK 2021-2027 - Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

Document- en procedurenummers

2018/0166R(APP)

Bevoegde commissie

 

BUDG

 

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

ENVI

5.7.2018

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Ivo Belet

10.7.2018

Behandeling in de commissie

10.9.2018

 

 

 

Datum goedkeuring

18.10.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

44

6

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Ivo Belet, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Miriam Dalli, Angélique Delahaye, Mark Demesmaeker, Stefan Eck, Bas Eickhout, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Arne Gericke, Jens Gieseke, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, Urszula Krupa, Giovanni La Via, Jo Leinen, Peter Liese, Susanne Melior, Rory Palmer, Gilles Pargneaux, Piernicola Pedicini, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, John Procter, Julia Reid, Frédérique Ries, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Renate Sommer, Nils Torvalds, Adina-Ioana Vălean, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Giorgos Grammatikakis, Rebecca Harms, Martin Häusling, Anja Hazekamp, Jan Huitema, Merja Kyllönen, Carolina Punset, Christel Schaldemose, Keith Taylor, Tiemo Wölken, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Sophia in ‘t Veld, Kati Piri, Mirja Vehkaperä

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

44

+

ALDE

Carolina Punset, Frédérique Ries, Nils Torvalds, Mirja Vehkaperä, Sophia in ’t Veld

EFDD

Piernicola Pedicini

GUE/NGL

Stefan Eck, Anja Hazekamp, Merja Kyllönen

PPE

Pilar Ayuso, Ivo Belet, Angélique Delahaye, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Jens Gieseke, Andrzej Grzyb, Giovanni La Via, Peter Liese, Annie Schreijer-Pierik, Renate Sommer, Adina-Ioana Vălean

S&D

Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Miriam Dalli, Giorgos Grammatikakis, Jytte Guteland, Jo Leinen, Susanne Melior, Rory Palmer, Gilles Pargneaux, Kati Piri, Pavel Poc, Christel Schaldemose, Tiemo Wölken, Damiano Zoffoli, Carlos Zorrinho

VERTS/ALE

Marco Affronte, Bas Eickhout, Rebecca Harms, Martin Häusling, Keith Taylor, Davor Škrlec

6

-

ECR

Mark Demesmaeker, Arne Gericke, Urszula Krupa, Bolesław G. Piecha, John Procter,

EFDD

Julia Reid

2

0

ALDE

Jan Huitema

NI

Zoltán Balczó

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Het voorstel van de Commissie voor het meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027, briefingdocument van de Europese Rekenkamer, juli 2018.

(2)

Verklaring van Bratislava van 16 september 2016; Verklaring van Rome van 25 maart 2017.

(3)

Discussienota over de toekomst van de EU-financiën, 28 juni 2017, COM(2017)0358.

(4)

De criteria hadden betrekking op: doelstellingen en verplichtingen uit hoofde van de Verdragen, collectieve voorzieningen met een Europese dimensie, schaalvoordelen, doorsijpeleffecten, subsidiariteit, voordelen van EU-integratie en Europese waarden: vrede, democratie en de rechtsstaat.


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (10.10.2018)

aan de Begrotingscommissie

inzake het tussentijds verslag over het MFK 2021-2027 – het standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

(COM(2018)03222018/0166R(APP))

Rapporteur voor advies: Jerzy Buzek

PA_Consent_Interim

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar verslag op te nemen:

1.  benadrukt dat het MFK 2021-2027 niet in volume mag afnemen ten opzichte van de niveaus van 2020, zelfs in het geval van een brexit, en dat nieuwe EU-initiatieven gepaard moeten gaan met nieuwe en toereikende financiële middelen en volgens de medebeslissingsprocedure moeten worden behandeld; onderstreept dat vooral de politieke prioriteiten van de Europese Unie voor de lange termijn, zoals het stimuleren van werkgelegenheid en groei, het verwezenlijken van een op de toekomst gerichte en concurrerende Europese industrie, de strijd tegen klimaatverandering door middel van de overgang naar een koolstofarme economie met voldoende middelen moeten worden gesteund en de aandachtsgebieden moeten blijven binnen het nieuwe MFK-programma;

2.  benadrukt dat de volledige eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële voorwaarde is voor goed financieel beheer en doeltreffende EU-financiering; steunt daarom het nieuwe mechanisme waardoor de Commissie in staat zou worden gesteld doeltreffende en passende maatregelen te nemen in het geval er risico op financieel verlies ontstaat door fundamentele tekortkomingen met betrekking tot de rechtsstaat in een lidstaat, met bijzondere aandacht voor grootschalige corruptie;

3.  verzoekt om een duidelijke methode voor de presentatie van cijfers op basis van constante prijzen;

4.  herinnert eraan dat het financieringsbeleid en de financieringsprojecten in overeenstemming moeten zijn met de klimaat- en energiedoelstellingen en de verbintenissen die in het kader van de Overeenkomst van Parijs zijn aangegaan; dringt aan op een verhoging van de vastleggingen voor klimaatdoelstellingen tot 30 % klimaatgerelateerde uitgaven voor de volgende MFK-periode 2021-2027 teneinde de overgang naar een koolstofneutrale economie tegen 2050 te faciliteren en te waarborgen;

5.  herhaalt het verzoek van het Parlement om een verhoging van de totale begroting met ten minste 120 miljard EUR in constante prijzen voor Horizon Europa teneinde passend te kunnen reageren op maatschappelijke uitdagingen, om het mondiale concurrentievermogen, het welzijn van mensen en het wetenschappelijk en industrieel leiderschap van Europa te waarborgen en bij te dragen aan het verwezenlijken van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; onderstreept dat het noodzakelijk is dat de investeringen van Horizon Europa zich richten op het onderzoeken, ontwikkelen en in de samenleving brengen van technologische en niet-technologische oplossingen voor urgente maatschappelijke uitdagingen zoals de strijd tegen klimaatverandering en de overgang naar duurzame en hernieuwbare energie, een energie- en grondstofefficiënte, gifstofvrije circulaire economie, duurzame voedsel- en landbouwpraktijken en betaalbare gezondheidszorg en geneesmiddelen; is ingenomen met de mogelijkheid om financiële toewijzingen voor programma's van het ene fonds naar het andere over te hevelen, die bij de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen is ingevoerd, en spoort alle gebieden aan om hun onderzoekspotentieel te ontwikkelen; is van mening dat de voorwaarden en mechanismen voor dergelijke overdrachten verder moeten worden uitgewerkt om ervoor te zorgen dat zij verenigbaar zijn met de structuurfondsen en om dubbele audits te vermijden; onderstreept dat de financiële ondersteuning van Horizon Europa toegankelijk moet worden gemaakt voor begunstigden via een snel bottom-upproces dat minder bureaucratisch is, en door technische bijstandsdiensten te verlenen die de begunstigden naar de meest geschikte middelen leiden; is bovendien van mening dat synergieën met andere programma's en financieringsinstrumenten moeten worden aangemoedigd, terwijl naar maximale administratieve vereenvoudiging wordt gestreefd;

6.  meent, vooral met het oog op het ambitieniveau om Horizon Europa flexibeler te maken, dat de uitgavenprioriteiten van elk programma moeten worden vastgelegd in de wetgeving van het kaderprogramma en niet in het akkoord over het MFK;

7.  steunt de begroting van 3,5 miljard EUR die voor InvestEU is bestemd; onderstreept echter met kracht dat deze middelen niet mogen worden onttrokken aan de financiering van het Horizon-programma, maar bijkomend moeten zijn; is van mening dat voor het onderdeel onderzoek, innovatie en digitalisering van InvestEU dezelfde regels moet worden gehanteerd als voor het succesvolle InnovFin-instrument en dat alle onderliggende criteria moeten worden toegepast en de tranche met het hoogste risico moet worden gedekt;

8.  is ingenomen met het bedrag dat is toegewezen aan de energie- en digitale componenten van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), die erop gericht is de ontbrekende schakels in de Europese energie- en digitale backbone in te vullen door de ontwikkeling van hoogwaardige, duurzame en op efficiënte wijze onderling verbonden trans-Europese netwerken op het gebied van energie en digitale diensten te ondersteunen, volledig in overeenstemming met de langetermijndoelstellingen van de EU op het gebied van klimaat en energie; is van mening dat de CEF ambitieuzer moet zijn op het gebied van synergieën, zoals aangegeven in zijn tussentijdse evaluatie, met name om de synergieën tussen vervoers-, digitale en energie-infrastructuur beter te benutten; brengt in herinnering dat de overgang naar een koolstofarm systeem het zwaartepunt van de CEF vormt;

9.  onderstreept dat de bij de CEF-verordening ingevoerde gecentraliseerde beheersstructuur efficiënt werkt; stelt vast dat het naar de CEF overgehevelde gedeelte van het Cohesiefonds met veel succes is benut en dat dit mechanisme in het volgende MFK zou kunnen worden voorgezet gezien de tevredenheid van de betrokken lidstaten; stelt daarom voor dat er 20 miljard EUR van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) aan de CEF kan worden toegewezen en dat deze middelen volgens dezelfde voorschriften worden beheerd als de middelen voor de CEF uit het Cohesiefonds; is van mening dat dit voorstel de TEN-E-projecten in Europa flink zou doen opschieten, gezien de grote kloof die er gaapt tussen de beschikbare middelen en de behoeften;

10.  is over het algemeen ingenomen met het voorstel van de Commissie om 16 miljard EUR toe te wijzen aan het nieuwe Europese ruimtevaartprogramma; pleit echter voor een gematigde verhoging van de totale begroting van het programma; benadrukt wat betreft de onderdelen van het programma de noodzaak van ambitieuzere specifieke middelen voor SSA en Govsatcom, terwijl het voor de onderdelen Copernicus en Galileo gereserveerde bedrag wordt gehandhaafd of gematigd wordt verhoogd; wijst erop dat het buitengewoon belangrijk is de continuïteit van de twee vlaggenschiponderdelen Galileo en Copernicus te garanderen en de werking te waarborgen van de twee nieuwe initiatieven Govsatcom en SSA, die betrekking hebben op het groeiende probleem van de veiligheid van de ruimte-infrastructuur en de beveiliging van satellietcommunicatie;

11.  is verheugd dat ten minste 9,194 miljard EUR is voorzien voor het Digitaal Europa-programma, dat de digitale capaciteit van de Unie zal vergroten, vooral wat betreft kunstmatige intelligentie, cyberbeveiliging en high performance computing, en tegelijkertijd de digitale transformatie van de economie en de samenleving zal versterken door het ondersteunen van digitale vaardigheden; benadrukt het belang van nauwe coördinatie met Horizon Europa, de CEF en de ESIF;

12.  benadrukt dat het noodzakelijk is toereikende financiering toe te kennen aan een programma voor EU-acties die het concurrentievermogen van ondernemingen verbeteren, met bijzondere nadruk op kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's); wijst erop dat een op kmo's gericht programma een aanvulling moet vormen op andere EU-programma's en moet voortbouwen op de degelijke ervaring die is opgedaan bij het voorgaande programma (Cosme) door ernaar te streven de toegang tot markten binnen en buiten de Unie te verbeteren, de randvoorwaarden voor ondernemingen en hun concurrentievermogen te verbeteren en ondernemerschap en ondernemerscultuur te bevorderen;

13.  is van oordeel dat in de energiesector de nadruk moet worden gelegd op energiezekerheid, energie-efficiëntie, het verbeterde gebruik van hernieuwbare energiebronnen, sectorale koppeling, slimme en moderne infrastructuur, de empowerment van consumenten en een functionerende energiemarkt met meer handel en samenwerking over de grenzen heen; acht het van essentieel belang dat ten minste een streefcijfer van 15 % interconnectiviteit in 2030 wordt gehaald; benadrukt dat het volgende MFK gericht moet zijn op het verwezenlijken van de doelstellingen van de energie-unie; benadrukt dat het volgende MFK gericht moet zijn op het koolstofarm maken van de Europese economie om de doelstellingen van de energie-unie, de EU-klimaatdoelstellingen en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, ten voordele van de EU en al haar burgers, en met name om kwetsbare huishoudens met een laag inkomen die het risico lopen in energiearmoede terecht te komen, te helpen om energie-efficiënt te worden;

14.  onderstreept het belang van nucleaire veiligheid en benadrukt de noodzaak om het bedrag dat is toegewezen aan het bijstandsprogramma voor de ontmanteling van de kerncentrale van Ignalina in Litouwen te verhogen van 552 miljoen EUR tot 780 miljoen EUR om Litouwen op adequate wijze te ondersteunen bij de technologische uitdaging die de ontmanteling van de grafietreactorkernen voor van het Chernobyl-type vormt, en om stralingsrisico's te voorkomen en het gevaar voor EU-burgers verder te verminderen;

15.  betreurt het ten zeerste dat zijn verzoek om in het kader van het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) een fonds voor een rechtvaardige transitie op te richten voor regio's met een hoge kolen- en koolstofintensiteit niet in het nieuwe MFK-voorstel is opgenomen; herhaalt zijn oproep om op het niveau van de Unie een fonds voor rechtvaardige energietransitie met een totale begroting van 5 miljard EUR op te zetten om regio's met een groot aandeel werknemers in steenkool- en koolstofafhankelijke sectoren en gemeenschappen die negatieve gevolgen ondervinden van deze transitie te ondersteunen; benadrukt verder dat in het kader van dit fonds voldoende middelen moeten worden vrijgemaakt voor de ontwikkeling van inclusieve, lokale en rechtvaardige transitiestrategieën en de aanpak van maatschappelijke, sociaal-economische en milieugerelateerde effecten, voor de herbestemming van locaties en de creatie van behoorlijke en duurzame banen, evenals voor omscholing en bijscholing op het gebied van schone processen en technologieën op basis van hernieuwbare energiebronnen of energie-efficiënte oplossingen;

16.  onderstreept de noodzaak van het handhaven van de toereikende en duidelijke begroting van 13 miljard voor het Europees Defensiefonds om de groei en het concurrentievermogen van de Europese defensie-industrie te stimuleren;

17.  vraagt om toereikende financiering voor agentschappen binnen het taakgebied van ITRE om te waarborgen dat zij voldoende capaciteit hebben om hun steeds talrijkere taken naar behoren te vervullen;

18.  verzoekt om een tijdige goedkeuring van het MFK en de bijbehorende rechtsgrondslagen om te zorgen voor een soepele overgang van het ene programma naar het andere en om vertragingen bij de uitvoering te voorkomen;

19.  benadrukt de noodzaak van een wettelijk bindende en verplichte tussentijdse herziening van het MFK; is van oordeel dat het Parlement bij elke herziening van het MFK moet worden betrokken;

20.  merkt op dat de tussentijdse evaluatie/herziening van het MFK 2021-2027 een centraal element is voor het beheer van de uitgaven van de EU, om vast te stellen hoe de investeringsprogramma's presteren ten opzichte van de vastgestelde streefcijfers en doelstellingen en of zij een passend opnamevermogen hebben en Europese meerwaarde bieden; onderstreept dat de tussentijdse evaluatie/herziening een mogelijkheid vormt voor verdere vereenvoudiging in de gehele uitvoeringscyclus;

21.  merkt op dat in het volgende MFK rekening zal moeten worden gehouden met het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de EU en de gevolgen daarvan voor de EU-begroting; spreekt de wens uit dat de EU-programma's die tot het taakgebied van ITRE behoren ongehinderd kunnen worden voortgezet; is in dit opzicht ingenomen met de voorstellen van de Commissie voor de modernisering van de bestaande en de invoering van nieuwe eigen middelen en voor de afschaffing van kortingen en de verhoging van het maximum van de eigen middelen.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Tussentijds verslag over het MFK 2021-2027 - Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

Document- en procedurenummers

2018/0166R(APP)

Bevoegde commissie

 

BUDG

 

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

ITRE

13.9.2018

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Jerzy Buzek

16.7.2018

Behandeling in de commissie

10.9.2018

 

 

 

Datum goedkeuring

9.10.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

40

4

10

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zigmantas Balčytis, Bendt Bendtsen, Jonathan Bullock, Jerzy Buzek, Reinhard Bütikofer, Angelo Ciocca, Edward Czesak, Jakop Dalunde, Christian Ehler, Fredrick Federley, Ashley Fox, Theresa Griffin, Igor Gräzin, András Gyürk, Hans-Olaf Henkel, Eva Kaili, Barbara Kappel, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jeppe Kofod, Jaromír Kohlíček, Peter Kouroumbashev, Zdzisław Krasnodębski, Miapetra Kumpula-Natri, Christelle Lechevalier, Tilly Metz, Csaba Molnár, Nadine Morano, Dan Nica, Morten Helveg Petersen, Miroslav Poche, Carolina Punset, Julia Reda, Paul Rübig, Sven Schulze, Dario Tamburrano, Patrizia Toia, Vladimir Urutchev, Kathleen Van Brempt, Martina Werner, Lieve Wierinck, Hermann Winkler, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho, Anna Záborská, Pilar del Castillo Vera

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Pilar Ayuso, Pervenche Berès, Tamás Deutsch, Jens Geier, Françoise Grossetête, Benedek Jávor, Werner Langen, Sofia Sakorafa

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

40

+

ALDE

Fredrick Federley, Igor Gräzin, Morten Helveg Petersen, Carolina Punset, Lieve Wierinck

ECR

Edward Czesak, Hans-Olaf Henkel, Zdzisław Krasnodębski

PPE

Pilar Ayuso, Bendt Bendtsen, Jerzy Buzek, Pilar del Castillo Vera, Tamás Deutsch, Françoise Grossetête, András Gyürk, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Werner Langen, Nadine Morano, Paul Rübig, Sven Schulze, Vladimir Urutchev, Hermann Winkler, Anna Záborská

S&D

Zigmantas Balčytis, Pervenche Berès, Jens Geier, Theresa Griffin, Eva Kaili, Jeppe Kofod, Peter Kouroumbashev, Miapetra Kumpula-Natri, Csaba Molnár, Dan Nica, Miroslav Poche, Patrizia Toia, Kathleen Van Brempt, Martina Werner, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

4

-

EFDD

Jonathan Bullock

ENF

Angelo Ciocca, Christelle Lechevalier

PPE

Christian Ehler

10

0

ECR

Ashley Fox

EFDD

Dario Tamburrano

ENF

Barbara Kappel

GUE/NGL

Jaromír Kohlíček, Sofia Sakorafa

VERTS/ALE

Reinhard Bütikofer, Jakop Dalunde, Benedek Jávor, Tilly Metz, Julia Reda

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme (10.10.2018)

aan de Begrotingscommissie

inzake het tussentijds verslag over het MFK 2021-2027 – het standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

(COM(2018)03222018/0166R(APP))

Rapporteur voor advies: Dominique Riquet

PA_Consent_Interim

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar verslag op te nemen:

Inleiding

1.  benadrukt het strategische belang van het meerjarig financieel kader (MFK) voor sectoren die afhankelijk zijn van langetermijninvesteringen, zoals de vervoerssector; wijst erop dat vervoersinfrastructuur de ruggengraat is van de eengemaakte markt, de basis vormt voor groei en werkgelegenheid en van cruciaal belang is voor de vier fundamentele vrijheden van personen, kapitaal, goederen en diensten; wijst op de problemen en algemene beperkingen met betrekking tot het volgende MFK in het licht van de toename van het vervoer, de steeds grotere uitdagingen, met name die op milieugebied als gevolg van de toenemende uitstoot van CO2, fijnstof en verontreinigende gassen, ondanks de vaststelling van ambitieuze doelstellingen inzake milieu- en klimaatbescherming in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs, en de behoeften aan onderzoek en innovatie in verband met de ontwikkeling van geconnecteerde en autonome voertuigen; wijst ook op het uitstel van investeringen in nieuwe infrastructuur ter verbetering van de connectiviteit, en met name in het onderhoud van bestaande infrastructuur;

MFK

2.  wijst op het succes van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) in het huidige MFK, en op het feit dat er drie keer meer aanmeldingen waren dan de inschrijvingslimiet; is verheugd dat de CEF in het volgende MFK wordt voortgezet; betreurt echter dat de toewijzing voor de CEF-Vervoer in constante prijzen met 12 % is verlaagd en de bijdrage van het Cohesiefonds met 13 %; is van mening dat de CEF-middelen niet naar andere programma's buiten de specifieke doelstellingen ervan mogen gaan; vraagt dat de CEF-middelen gehandhaafd blijven op 17,746 miljard EUR in constante prijzen voor vervoer en op 10 miljard EUR in constante prijzen voor de bijdrage van het Cohesiefonds, gezien hun positieve gevolgen voor de economische ontwikkeling;

3.  onderstreept dat de bij de CEF-verordening ingevoerde gecentraliseerde beheersstructuur efficiënt werkt; stelt vast dat het naar de CEF overgehevelde gedeelte van het Cohesiefonds met veel succes is benut en merkt op dat dit mechanisme, gezien de tevredenheid van de betrokken lidstaten, in het volgende MFK moet worden voorgezet en toereikend moet zijn om de momenteel lopende projecten te voltooien die met de bijdrage uit het Cohesiefonds zijn gefinancierd; stelt daarom voor dat er 20 miljard EUR van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) aan de CEF wordt toegewezen en dat deze middelen volgens een soortgelijk beginsel worden beheerd als de middelen voor de CEF uit het Cohesiefonds, maar toegankelijk voor alle lidstaten; is van mening dat meer aandacht moet worden geschonken aan oplossingen met een grote toegevoegde waarde van de EU zoals ontbrekende grensoverschrijdende verbindingen, bijvoorbeeld spoorwegverbindingen, en dat deze overdracht de TEN-T-projecten in Europa flink zou doen opschieten, gezien de grote kloof die er gaapt tussen de beschikbare middelen en de behoeften;

4.  benadrukt dat er in het MFK 2021-2027 een geactualiseerd en doeltreffender CEF-programma moet komen waarin alle vervoerswijzen aan bod komen, een modal shift wordt bevorderd, de lidstaten worden aangemoedigd te investeren in slim, duurzaam en geïntegreerd openbaar vervoer, prioriteit uitgaat naar grotere verbindingen tussen uitgebreide netwerken, de interoperabiliteit wordt verbeterd via het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer, volledig wordt geprofiteerd van het initiatief gericht op een gemeenschappelijk Europees luchtruim, en wordt bijgedragen aan het verwezenlijken van de verkeersveiligheidsdoelstellingen van de EU;

5.  stipt aan dat de CEF een subsidiemechanisme is, en is ingenomen met het voorstel van de Commissie om dit aspect te verduidelijken door het CEF-financieringsinstrument op te nemen in het nieuwe InvestEU-programma; is van mening dat het aandeel van de middelen voor vervoer van de CEF dat ten uitvoer wordt gelegd in de vorm van een financieringsinstrument, niet meer mag bedragen dan 5 % van het bedrag van deze middelen; hekelt dat ondanks de betreurenswaardige overheveling van middelen naar het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) ten koste van de CEF het door het EFSI gegenereerde aandeel van vervoersinvesteringen kwantitatief ver onder het streefdoel van 30 % ligt en kwalitatief ver van de criteria inzake Europese toegevoegde waarde verwijderd is; benadrukt in dit verband met klem dat er geen overdracht van middelen van het programma Horizon Europa naar InvestEU mag worden toegestaan; onderstreept dat het in het kader van het volgende MFK belangrijk is dat het InvestEU-programma ten goede komt aan projecten met echte Europese toegevoegde waarde, en is ingenomen met het voorstel van de Commissie dat duurzame infrastructuur een van de vier investeringsgebieden zou moeten zijn;

6.  stipt aan dat er een speciale begrotingslijn voor duurzaam toerisme zou moeten komen gezien het belang van die sector in de economie van de Unie (5 % van het bbp in 2016) en de verantwoordelijkheden van de Unie uit hoofde van artikel 195 VWEU, om tot een echt EU-toerismebeleid te komen dat een oplossing biedt voor de huidige problemen inzake versnippering van en toegang tot middelen, Europa als toeristische bestemming aanprijst, de toeristische sector steun verleent en op die manier bijdraagt aan de groei en nieuwe werkgelegenheid;

7.  merkt op dat het minimaliseren van de externe kosten als leidend beginsel moet worden opgenomen in het MFK als een kosteneffectieve maatregel om de druk op de toekomstige overheidsbegrotingen te verminderen;

Agentschappen

8.  is ingenomen met de vele nieuwe bevoegdheden die aan de Europese vervoersagentschappen, met name het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en het Spoorwegbureau van de Europese Unie, zijn toegekend, met het oog op een echte Europese meerwaarde; benadrukt dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat alle vervoersagentschappen over voldoende en in reële termen stabiele middelen beschikken om hun taken en nieuwe verantwoordelijkheden te kunnen vervullen;

9.  is tevreden met het voorstel van de Commissie om een Europese Arbeidsautoriteit op te richten; benadrukt dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat deze nieuwe autoriteit voldoende middelen krijgt om haar bevoegdheden in de vervoerssector uit te oefenen;

Onderzoek

10.  wijst erop dat er absoluut en dringend steun nodig is voor onderzoek en ontwikkeling op het gebied van vervoer en mobiliteit, aangezien er grote uitdagingen besloten liggen in de toenemende uitstoot van CO2, fijnstof en verontreinigende gassen (als gevolg van het steeds drukkere verkeer en de toenemende opstoppingen), de noodzakelijke energietransitie, de behoefte aan een grotere veiligheid van het vervoer, en de ontwikkeling van geconnecteerde en autonome voertuigen; onderstreept daarom dat het belangrijk is een directe koppeling te garanderen tussen Horizon Europa en de tenuitvoerlegging op EU-niveau van de vervoersoplossingen die zijn ontwikkeld door middel van de activiteiten op het gebied van onderzoek en ontwikkeling; wijst op het succes van gemeenschappelijke ondernemingen als SESAR, Shift2Rail en CleanSky; acht het belangrijk deze ondernemingen forse steun en gepaste financiering te blijven verlenen in het kader van het programma Horizon Europa; benadrukt dat bij de ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling op het vlak van vervoer het beginsel van technologische neutraliteit moet worden gehanteerd;

Eigen middelen

11.  stelt vast dat alle lidstaten aanzienlijke (para)fiscale inkomsten ontvangen die rechtstreeks verband houden met vervoer en toerisme, en dat zelfs maar een geringe overheveling van die middelen naar de eigen middelen van de Unie haar beter in staat zou stellen de uitdagingen aan te gaan waarmee ze wordt geconfronteerd; is van mening dat een terugkeer naar omvangrijker eigen middelen zoals gepland bij de oprichting van de Europese Gemeenschap de Unie meer politieke en budgettaire armslag zou geven.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Tussentijds verslag over het MFK 2021-2027 - Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord

Document- en procedurenummers

2018/0166R(APP)

Bevoegde commissie

 

BUDG