Procedure : 2018/2044(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0374/2018

Ingediende teksten :

A8-0374/2018

Debatten :

PV 11/12/2018 - 13
CRE 11/12/2018 - 13

Stemmingen :

PV 12/12/2018 - 12.14
CRE 12/12/2018 - 12.14

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0512

VERSLAG     
PDF 553kWORD 128k
21.11.2018
PE 621.073v02-00 A8-0374/2018

over conclusies en aanbevelingen van de Bijzondere Commissie terrorisme

(2018/2044(INI))

Bijzondere Commissie terrorisme

Rapporteurs: Monika Hohlmeier en Helga Stevens

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over conclusies en aanbevelingen van de Bijzondere Commissie terrorisme

(2018/2044(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit van 6 juli 2017 over de oprichting van een speciale commissie terrorisme en de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat hiervan(1), dat werd aangenomen uit hoofde van artikel 197 van zijn Reglement,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Bijzondere Commissie terrorisme (A8-0374/2018),

Institutioneel kader

A.  overwegende dat de Unie stoelt op de waarden menselijke waardigheid, vrijheid, gelijkheid en solidariteit, inachtneming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, en op de beginselen van democratie en de rechtsstaat; overwegende dat terroristische misdrijven tot de ernstigste schendingen van deze universele waarden en beginselen behoren;

B.  overwegende dat de EU al het mogelijke moet doen om de fysieke en mentale integriteit van haar door terroristen bedreigde burgers te waarborgen; overwegende dat in de strijd tegen terrorisme de slachtoffers centraal moeten staan; overwegende dat samenlevingen slachtoffers van terrorisme moeten beschermen, erkennen, steunen en schadeloos stellen; overwegende dat in artikel 6 van het Handvest van de grondrechten zowel het recht op vrijheid als het recht op veiligheid is opgenomen en dat deze rechten elkaar aanvullen,

C.  overwegende dat de reactie op de terroristische dreiging altijd volledig moet aansluiten bij de in artikel 2 VEU erkende beginselen en de grondrechten en de fundamentele vrijheden in acht moet nemen almede de beginselen die met name erkend zijn in het Handvest van de grondrechten, waarbij rekening wordt gehouden met het mogelijke effect op onschuldige mensen die de grote meerderheid van de bevolking vormen;

D.  overwegende dat terrorisme in al zijn vormen en uitingen en begaan door wie dan ook, waar en voor welk doel dan ook, moet worden veroordeeld, aangezien het een van de ernstigste bedreigingen vormt voor de internationale vrede en veiligheid;

E.  overwegende dat de terroristische dreiging zich de afgelopen jaren snel heeft ontwikkeld en is toegenomen; overwegende dat terreuraanslagen ons allen diep hebben geraakt en dat daardoor veel onschuldige mensen de dood hebben gevonden of gewond zijn geraakt; overwegende dat het grensoverschrijdende karakter van terrorisme een krachtige, gecoördineerde respons vereist en samenwerking binnen de lidstaten en tussen de lidstaten onderling, alsmede met de bevoegde agentschappen en instanties van de Unie en tussen die instanties onderling, en met de desbetreffende derde landen;

Institutioneel kader

F.  overwegende dat de veiligheid van één lidstaat gelijkstaat aan de veiligheid van alle EU-lidstaten; overwegende dat de dreiging die uitgaat van terrorisme een holistische benadering vereist waarmee interne en externe veiligheid aan elkaar wordt gekoppeld en nationale en Europese coördinatie wordt gewaarborgd; overwegende dat de EU en de lidstaten vooruitgang hebben geboekt in de bestrijding van deze dreiging, maar dat deze vooruitgang helaas meer onder druk van gebeurtenissen dan met proactieve maatregelen is verwezenlijkt, en dat niet in alle lidstaten evenveel vooruitgang is geboekt;

G.  overwegende dat nationale veiligheid de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten is, zoals neergelegd in artikel 4, lid 2, VEU en artikel 73 VWEU, maar dat de Unie en de lidstaten elkaar overeenkomstig artikel 4, lid 3 en artikel 42 VWEU steunen bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien; overwegende dat nationale veiligheid in steeds sterkere mate afhankelijk is van de bredere Europese dimensie daarvan; overwegende dat nationale veiligheid niet is gedefinieerd op EU-niveau en de lidstaten dus een grote beslissingsbevoegdheid hebben;

H.  overwegende dat tegelijkertijd bij artikel 4, lid 2, VEU de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht wordt aangeduid als een gebied waarop de Unie en de lidstaten gedeelde bevoegdheden hebben; overwegende dat de EU specifieke bevoegdheden heeft aangaande het vereenvoudigen en stimuleren van coördinatie en samenwerking tussen de lidstaten, met inbegrip van de harmonisatie van de wetgeving en praktijken van de lidstaten; overwegende dat door artikel 67 VWEU een mandaat wordt geboden voor actie door de EU om "een hoog niveau van veiligheid te waarborgen, door middel van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit";

I.  overwegende dat de nationale veiligheids- en inlichtingendiensten van de EU-lidstaten en van een aantal derde landen doeltreffend samenwerken in het kader van de Groep voor terrorismebestrijding (CTG), een informeel orgaan buiten de EU, en op bilateraal en multilateraal niveau; overwegende dat de CTG beschikt over een platform voor de uitwisseling van operationele inlichtingen dat de snelheid en kwaliteit van uitgewisselde inlichtingen heeft verbeterd; overwegende dat de EU een geheel aan structuren heeft opgebouwd die geheel of voor een deel werkzaam zijn op het vlak van terrorisme, in het bijzonder het Europees Centrum voor terrorismebestrijding (ECTC) van Europol als het centrale knooppunt voor informatie-uitwisseling over rechtshandhaving en samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding op EU-niveau, en het EU Intelligence and Situation Centre (Intcen) als de toegangspoort voor strategische inlichtingen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten naar de EU, met behulp waarvan CTG-informatie Europese beleidsmakers bereikt, en dit wordt gefaciliteerd door de EU-coördinator voor terrorismebestrijding;

J.  overwegende dat de grens tussen EU- en nationale bevoegdheden niet altijd duidelijk vanwege uiteenlopende kenmerken en geografische voorrechten, en dat het belang van samenwerking tussen die twee bestuursniveaus daarom des te groter is; overwegende dat het gevarieerde geheel aan regionale, nationale, EU- en internationale actoren in de strijd tegen terrorisme, met overlappende bevoegdheden en onvoldoende afgebakende mandaten, de veelheid aan formele en informele fora voor samenwerking en voor de uitwisseling van informatie, alsmede de verdeling van bevoegdheden tussen de verschillende regionale en nationale instanties, tussen wetshandhavings- en inlichtingendiensten en tussen de EU en de lidstaten, de complexheid onderstrepen van de coördinatie, de efficiëntie en de samenhang van de reactie op de terreurdreiging, en mogelijk leiden tot problemen op die gebieden;

K.  overwegende dat de commissaris voor de Veiligheidsunie een gewaardeerde rol speelt in de afstemming van de ontwikkeling, uitvoering, monitoring en evaluatie van het beleid van de Commissie; overwegende dat de invoering van de post van commissaris voor de Veiligheidsunie laat zien dat de EU zich ertoe verbonden heeft de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van binnenlandse-veiligheidskwesties aan te moedigen en daarnaast wetgeving op het gebied van terrorismebestrijding te harmoniseren en voor betere samenwerking tussen rechtshandhavings- en justitiële autoriteiten te zorgen, met volledige inachtneming van de status van deze onderwerpen als nationale aangelegenheden zoals vastgelegd in de Verdragen;

L.  overwegende dat de EU-coördinator voor terrorismebestrijding een belangrijke rol speelt in de follow-up van de uitvoering van de EU-strategie inzake terrorismebestrijding; overwegende dat de EU-coördinator voor terrorismebestrijding overeenkomstig zijn of haar mandaat zoals bepaald door de Europese Raad zorgt voor de tenuitvoerlegging en evaluatie van de strategie en de coördinatie van het werk binnen de Unie, en de contacten tussen de Unie en derde landen bevordert; overwegende dat de EU-coördinator voor terrorismebestrijding waardevolle adviezen geeft aan, contacten onderhoudt met en bijdraagt tot een betere coördinatie tussen de Europese instellingen, agentschappen en lidstaten; overwegende dat zijn of haar mandaat en status desondanks niet duidelijk zijn vastgesteld;

M.  overwegende dat het Parlement op 6 juli 2017 een tijdelijke Bijzondere Commissie terrorisme (TERR) heeft opgezet met het doel om het standpunt van het Parlement te formuleren ten aanzien van de praktische en wettelijke lacunes in het huidige terrorismebestrijdingsbeleid waaraan de recente terroristische aanslagen in de EU te wijten zijn en aanbevelingen te doen die bijdragen aan de bestrijding van de terrorismedreiging op EU-niveau;

N.  overwegende dat het Europees openbaar ministerie, dat zal worden opgericht op grond van Verordening (EU) 2017/1339 van de Raad, als belangrijke taak zal hebben strafbare feiten te onderzoeken en te vervolgen die de financiële belangen van de Unie schaden; overwegende dat de oprichting en de toewijzing van financiële middelen aan dit nieuwe orgaan geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de capaciteit van bestaande structuren, zoals Eurojust, die de inspanningen van de lidstaten in de strijd tegen terrorisme ondersteunen;

O.  overwegende dat slechts een kwart van de 88 juridisch bindende maatregelen inzake terrorismebestrijding die tussen september 2001 en de zomer van 2013 zijn voorgesteld, is onderworpen aan een effectbeoordeling en slechts drie aan een openbare raadpleging(2); overwegende dat deze percentages de laatste jaren zijn verbeterd en dat de recentste voorstellen die de Commissie in 2017 en 2018 heeft gepresenteerd voorzien zijn van de vereiste rechtvaardiging; overwegende dat de Commissie met de aanneming van de agenda voor betere regelgeving in 2015 ook haar beleid inzake de raadpleging van belanghebbenden heeft versterkt; overwegende dat maatregelen inzake terrorismebestrijding doeltreffender en coherenter kunnen zijn als de juiste belanghebbenden worden geraadpleegd en er effectbeoordelingen worden uitgevoerd;

P.  overwegende dat een gebrekkige tenuitvoerlegging in de uitgebreide beoordeling van het EU-veiligheidsbeleid van de Commissie wordt genoemd als een van de uitdagingen voor de Veiligheidsunie;

Q.  overwegende dat de evaluatie van maatregelen inzake terrorismebestrijding essentieel is om de doeltreffendheid, relevantie, samenhang en eerbiediging van de grondrechten te beoordelen en te bepalen of er aanvullende maatregelen nodig zijn om de gebreken aan te pakken; overwegende dat er een verschil bestaat tussen het monitoren van de uitvoeringsgraad enerzijds en van de werkelijke doeltreffendheid van de uitgevoerde maatregelen anderzijds; overwegende dat er tussen 2001 en 2016 17 monitorings-, uitvoerings- en evaluatieverslagen zijn opgesteld, afgezet tegen 10 terrorismebestrijdingsstrategieën en 55 wetgevings- en niet-bindende maatregelen; overwegende dat het van essentieel belang is dat de lidstaten de Europese wetgeving inzake veiligheid snel ten uitvoer leggen om hiaten in het uitvoerige corpus aan terrorismebestrijdingmaatregelen van de EU te voorkomen;

Terrorismedreiging

R.  overwegende dat de EU-lidstaten de afgelopen jaren te lijden hebben gehad onder grote terreuraanslagen; overwegende dat de dodelijkste aanslagen zijn gepleegd of geïnspireerd door jihadistische groeperingen zoals Da'esh en Al Qaida; overwegende dat deze terroristische groeperingen(3) en hun activiteiten soms worden gesteund door bepaalde landen; overwegende dat extreemrechts, extreemlinks en etnonationalistisch separatistisch extremisme, waarbij ernaar wordt gestreefd de democratische waarden en het systeem die in de EU aan de rechtsorde onderworpen zijn omver te werpen via het onrechtmatige gebruik van geweld, ook punten van zorgen blijven;

S.  overwegende dat, hoewel de meeste terreuraanslagen die in 2017 in de EU zijn gepleegd als separatistische aanslagen werden gekwalificeerd (137 van de 205), in het TE-SAT-verslag 2018 van Europol duidelijk vermeld staat dat geen enkele van de genoemde activiteiten in welke categorie terrorisme dan ook zo dodelijk waren en zo'n groot effect op de samenleving als geheel hadden als de aanslagen die door jihadistische terroristen werden gepleegd; overwegende dat het toenemende risico op vergeldingsterrorisme een ernstig probleem is dat niet mag worden onderschat;

T.  overwegende dat wanneer een terreuraanslag een “grootschalige of systematische aanval gericht tegen een burgerbevolking” is, terroristische moordaanslagen moeten worden omschreven in en vallen onder artikel 7 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 17 juli 1998;

U.  overwegende dat de ontwikkelingen en de instabiliteit in het Midden-Oosten en Noord-Afrika Da'esh en andere terreurgroepen in de gelegenheid hebben gesteld om vaste voet aan de grond te krijgen in landen die grenzen aan de EU en op ongekende schaal strijders uit de EU-landen te rekruteren; overwegende dat dientengevolge het verband tussen binnenlandse en externe veiligheid aan belang heeft gewonnen;

V.  overwegende dat duizenden in Europa geboren of in Europa wonende burgers zich hebben aangesloten bij terroristische activiteiten van Da'esh in Syrië en Irak, maar dat de strategie is gewijzigd sinds de militaire ineenstorting van Da'esh, waarbij minder personen naar deze landen afreizen voor terroristische doeleinden en terroristische jihadisten en "slapende cellen" in de EU worden aangespoord om aanslagen te plegen in hun land van herkomst of het land waar ze wonen;

W.  overwegende dat recente aanslagen hebben aangetoond dat vuurwapens en explosieven nog altijd veelgebruikte methoden van terreurgroepen blijven; overwegende dat individueel opererende personen echter steeds vaker andere soorten wapens en werkwijzen hanteren, die minder geavanceerd en moeilijker op te sporen zijn, met als doel om zoveel mogelijk willekeurige burgerslachtoffers te maken;

X.  overwegende dat de terugkeer van buitenlandse terroristische strijders en hun gezinnen specifieke problemen met zich meebrengt op het gebied van veiligheid en radicalisering, vooral terugkerende kinderen die specifieke problemen met zich meebrengen omdat zij bescherming nodig hebben als slachtoffers maar tegelijkertijd potentiële daders zijn;

Y.   overwegende dat sommige van deze teruggekeerden langdurig ideologisch zijn geïndoctrineerd en militair zijn getraind in het gebruik van wapens en explosieven alsook in verschillende schuil-, aanvals- en gevechtstechnieken en in sommige gevallen aansluiting hebben gezocht bij andere terroristen, mogelijk voormalige buitenlandse strijders, met wie zij grensoverschrijdende netwerken vormen(4);

Z.  overwegende dat terreuraanslagen in de EU zeer vaak worden gepleegd door EU-onderdanen, vaak migranten van de tweede of derde generatie, die zijn opgegroeid in de lidstaat waar zij een aanslag plegen, en door vreemdelingen die soms langdurig in de desbetreffende lidstaat hebben gewoond;

AA.  overwegende dat onze samenlevingen en open grenzen kwetsbaar zijn en dat daar door terreurgroepen misbruik van wordt gemaakt; overwegende dat terroristen gebruik hebben gemaakt van de routes die migranten en asielzoekers afleggen naar Europese landen en de vrijheid van verkeer in Europa misbruiken;

AB.  overwegende dat er gedocumenteerde gevallen(5) bekend zijn waarbij slachtoffers van ernstige misdrijven die door Da'esh-terroristen zijn gepleegd op Syrisch of Iraaks grondgebied de daders opnieuw tegenkwamen op het grondgebied van de EU – terwijl ze dachten dat ze veilig waren – waar beiden bescherming hadden aangevraagd;

AC.  overwegende dat de instroom van migranten en vluchtelingen problemen met zich meebrengt voor hun integratie in Europese samenlevingen en meer investeringen vereist die specifiek gericht zijn op sociale en culturele inclusie;

AD.  overwegende dat er nieuwe vormen van terrorisme kunnen worden gebruikt om aanslagen te plegen, waaronder cyberterrorisme en massavernietigingswapens, mogelijk in combinatie met nieuwe technische apparatuur zoals drones; overwegende dat er een aanslag is verijdeld waarbij de zeer giftige biologische stof ricine zou worden gebruikt; overwegende dat er gevallen zijn waarin terreurgroepen chemische, biologische, radiologische of nucleaire wapens hebben gebruikt of wilden gebruiken, en mogelijke tactieken en methoden om aanslagen te plegen en doelwitten hebben gedeeld via sociale media;

AE.  overwegende dat de lidstaten verschillende strategieën hebben om te reageren op chemische, biologische, radiologische of nucleaire dreigingen en daarom in meer of mindere mate voorbereid zijn;

AF.  overwegende dat de Europese Raad van 28 juni 2018 ingenomen was met de gezamenlijke mededeling over de weerbaarheid van Europa tegen hybride en chemische, biologische, radiologische en nucleaire dreigingen, om vast te stellen op welke gebieden meer maatregelen nodig zijn om de essentiële bijdrage van de EU aan de aanpak van deze dreigingen uit te breiden en te versterken, en om de lidstaten en de Commissie op te roepen samen te werken om het actieplan voor chemische, biologische, radiologische en nucleaire dreigingen met spoed volledig ten uitvoer te leggen;

AG.  overwegende dat voorzichtigheid is geboden in het politieke debat over de terreurdreiging, dat door zowel links- als rechts-radicale onruststokers wordt uitgebuit, en wel om polarisatie in de samenleving te voorkomen en de democratie, de sociale cohesie en de mensenrechten niet te ondermijnen en dus terreurorganisaties niet in de kaart te spelen;

AH.  overwegende dat uit de Europese veiligheidsagenda van april 2015 duidelijk de noodzaak blijkt om het verband tussen terrorisme en georganiseerde misdaad aan te pakken, waarbij wordt benadrukt dat de georganiseerde misdaad terrorisme via verschillende kanalen voedt, onder meer door de levering van wapens, financiering via drugssmokkel, en infiltratie van de financiële markten;

AI.  overwegende dat grootschalige internationale terreurorganisaties, zoals Da'esh en Al Qaida, financieel zelfvoorzienend zijn en dat de illegale handel in onder meer goederen, wapens, grondstoffen, brandstoffen, drugs, sigaretten en cultuurobjecten, alsmede mensenhandel, slavernij, uitbuiting van kinderen, racketeering en afpersing bronnen van inkomsten zijn gebleken voor terreurgroepen; overwegende dat het verband tussen georganiseerde misdaad en terreurgroepen een grote dreiging vormt voor de veiligheid; overwegende dat ze met deze inkomstenbronnen ook in de toekomst hun criminele activiteiten kunnen blijven financieren;

AJ.  overwegende dat de interactie tussen terreurorganisaties en georganiseerde criminele groepen, waarbij het vermogen om massale slachtoffers onder de burgerbevolking van de EU te maken wordt gecombineerd met logistieke capaciteit, aanzienlijke risico's met zich meebrengt; overwegende dat de rechtshandhaving en de melding en analyse van inlichtingen over het verband tussen georganiseerde misdaad en terrorisme van een laag niveau is; overwegende dat er in veel lidstaten en op EU-niveau vaak een tekort is aan onderzoeks- en justitiële capaciteit voor georganiseerde misdaad;

AK.  overwegende dat terroristen proberen democratieën te verzwakken en omver te werpen; overwegende dat politici en regeringen een cruciale rol spelen om brede consensus en sociale veerkracht te bereiken om onze democratische systemen doeltreffend te verdedigen;

Preventie en bestrijding van radicalisering die leidt tot gewelddadig extremisme

AL.  overwegende dat het netwerk voor voorlichting over radicalisering een expertisecentrum is dat een belangrijk platform biedt voor de uitwisseling van beste praktijken onder beroepsbeoefenaren, met inbegrip van rechtshandhavingsautoriteiten, en heeft bijgedragen tot het bijeenbrengen van belangrijke kennis inzake de preventie en bestrijding van radicalisering(6);

AM.  overwegende dat de situatie in elke lidstaat anders is en dat een pas herziene Europese strategie voor de bestrijding van radicalisering nationale strategieën kan ondersteunen die belangrijk zijn om algemene kaders te scheppen voor programma's op nationaal en lokaal niveau; overwegende dat deze strategieën samenhangend en doeltreffend moeten zijn en voldoende financiering behoeven voor lokale autoriteiten en belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld zodat deze programma's ten uitvoer kunnen worden gelegd;

AN.  overwegende dat het onmogelijk is om slechts één route naar radicalisering te onderscheiden; overwegende dat bijvoorbeeld sociale cohesie, de politieke achtergrond, de economische situatie, religieuze en ideologische idealen, persoonlijke trauma's, psychologische kwetsbaarheden, iemands omgeving en netwerken factoren en prikkels kunnen vormen; overwegende dat de genderdimensie tot voor kort werd onderschat en er sprake is van een misvatting over de rol die vrouwen kunnen spelen; overwegende dat vrouwen niet altijd passieve ondergeschikten zijn en ook als instigators, ronselaars, fondsenwervers en zelfs als daders van terreurdaden kunnen handelen;

AO.  overwegende dat bepaalde wijken met lage inkomens in Europese steden te maken hebben met massale werkloosheid en de stelselmatige afbraak van de rechtsstaat, die de voedingsbodems vormen voor religieus extremisme en terrorisme; overwegende dat de bevordering van sociale inclusie en de actieve bevordering van democratische waarden waaraan alle burgers zich moeten houden kunnen helpen het gevoel om een buitenbeentje te zijn te verminderen en het risico op radicalisering te beperken; overwegende dat de bestrijding van radicalisering en gewelddadig extremisme nauwe en gecoördineerde samenwerking vergt tussen alle betrokken spelers op alle bestuursniveaus (lokaal, regionaal en nationaal), alsook met maatschappelijke organisaties en de privésector;

AP.  overwegende dat deskundigen wijzen op de positieve ervaringen met een aanpak op basis van meerdere instanties, waarbij de nadruk ligt op het creëren van infrastructuur waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende wegen die leiden tot radicalisering en met de demografische risicogroepen en waarmee wordt gewaarborgd dat personen die vatbaar zijn voor radicalisering en hun gezinnen in een vroeg stadium worden ondersteund door verschillende autoriteiten en organisaties op allerlei niveaus, en op de ondersteunende rol van de politie, waardoor de contacten worden verbeterd;

AQ.  overwegende dat er tot op heden geen duidelijke methoden bestaan om de doeltreffendheid van projecten inzake de preventie en bestrijding van radicalisering te meten;

AR.  overwegende dat verschillende Europese fondsen en programma's kunnen worden gebruikt voor projecten ter bestrijding en preventie van radicalisering op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau; overwegende dat uit de EU-begroting tot en met 2020 een bedrag van 314 miljoen EUR is toegewezen aan antiradicaliseringsprojecten(7); overwegende dat het noodzakelijk is de doeltreffendheid van die programma's doorlopend te evalueren; overwegende dat de beoordeling van de doeltreffendheid van preventieve acties tegen radicalisering per definitie moeilijk is en nauwe samenwerking tussen de Commissie, de lidstaten, afzonderlijke belanghebbenden en onderzoekers vereist;

AS.  overwegende dat er volgens schattingen van Europol tot 2018 in de EU ongeveer 30 000 geradicaliseerde jihadisten waren;

AT.  overwegende dat het aantal gewelddadige, geradicaliseerde extremistische uitingen op het grondgebied van veel EU-lidstaten toeneemt, vaak in gedrukte vorm, of als lesmateriaal of audiovisuele boodschappen, onder meer via sociale media en satelliettelevisiekanalen; overwegende dat deze uitingen haaks staan op de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten, pluriformiteit ondermijnen, geweld en intolerantie jegens alle andere religies aanwakkeren, openlijk antisemitisch zijn, de gelijkheid tussen mannen en vrouwen afwijzen en een achterhaald model van de cultuur en de samenleving voorstaan;

AU.  overwegende dat met name wahabitische en salafistische literatuur, die wordt gekenmerkt door haatzaaiende uitlatingen, de boventoon voert in bepaalde boekhandels en op sommige websites in Europa; overwegende dat deze geglobaliseerde en simplistische versie van de islam breekt met de praktijken van moslimgemeenschappen in Europa en bijdraagt aan de ondermijning van hun bredere integratie;

AV.  overwegende dat het radicale moslimfundamentalisme ernaar streeft dat religie alle facetten van het leven – individueel, politiek en sociaal – beheerst, met als mogelijk gevolg een vorm van communitarisme die vatbaar is voor acties van jihadistische ronselaars;

AW.  overwegende dat een groot aantal gevallen van radicale haatpredikers is gedocumenteerd in heel Europa; overwegende dat deze haatpredikers vaak afkomstig zijn van buiten de EU en dat sommige moskeeën op ondoorzichtige wijze geld ontvangen uit derde landen, waarvan vele autoritaire of religieus geïnspireerde regimes hebben die niet in overeenstemming zijn met de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten;

AX.  overwegende dat er zelfbenoemde religieuze onderwijscentra zijn die extremistische ideeën verspreiden in de EU, waar minderjarigen, onder wie jonge kinderen, blootgesteld kunnen worden aan lesmateriaal dat indruist tegen de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten, waaronder gewelddadige boodschappen; overwegende dat extremistische organisaties die de aanzet geven tot de werving van terroristen vaak misbruik maken van de kwetsbaarheden van jongeren door hen te lokken met sociale en culturele activiteiten;

AY.  overwegende dat de uitgekiende onlinecommunicatiestrategie waarbij terrorisme wordt gepromoot door het te verheerlijken, die vooral door Da'esh wordt gehanteerd maar ook door andere grootschalige internationale terroristische groeperingen, modellen aanbiedt die zijn gekopieerd uit de mondiale "jongerencultuur", zoals onlinespellen, en derhalve een sterke aantrekkingskracht heeft op kinderen en jongeren; overwegende dat dit model hen ook lokt met sociale en culturele mogelijkheden;

AZ.  overwegende dat verscheidene recente onderzoeken hebben aangetoond dat het internet en met name sociale media een drijvende kracht kunnen zijn achter radicalisering die tot gewelddadig extremisme leidt en als middel voor xenofobe groepen om haatzaaiende taal en illegale inhoud te verspreiden onder met name jongeren;

BA.  overwegende dat de internetgiganten, na herhaalde oproepen om harder op te treden tegen terrorisme, hun verantwoordelijkheid nemen; overwegende dat ondernemingen samenwerken in het in 2015 opgerichte Europees Internetforum om terroristische inhoud op vrijwillige basis van hun websites te verwijderen als zij denken dat deze strijdig is met hun voorwaarden; overwegende dat in mei 2016 een gedragscode voor grote IT-bedrijven is opgesteld om illegale haatzaaiende online-inhoud te bestrijden; overwegende dat deze samenwerking op vrijwillige basis echter niet volstaat;

BB.  overwegende dat de Europese eenheid voor de melding van internetuitingen van Interpol (EU IRU) aan het eind van het tweede kwartaal van 2018 al 54 752 inhoudselementen had geëvalueerd op 170 platforms in tien verschillende talen, wat leidde tot 52 716 besluiten tot doorverwijzing en in 89,5 % van de gevallen verwijdering van de inhoud tot gevolg had na een vrijwillige beoordeling van misbruikte onlinediensten(8);

BC.  overwegende dat de toewijding van de bedrijven moet worden vergroot ondanks dat er enige vooruitgang is geboekt ten aanzien van de verwijdering van terroristische online-inhoud; overwegende dat de inhoud vaak niet volledig en evenmin op tijd of permanent wordt verwijderd, waarbij die wel van de ene website wordt verwijderd, maar niet van een andere website van hetzelfde bedrijf, of de account toch actief mag blijven en/of weer actief mag worden nadat inhoud is geplaatst die in strijd is met de voorwaarden van het bedrijf; overwegende dat de doeltreffende, uitvoerige en transparante verslaglegging door bedrijven en de rechtshandhaving moeten worden verbeterd; overwegende dat de bedrijven en gebruikers in kwestie de mogelijkheid moeten hebben om beroep in te stellen;

BD.  overwegende dat terroristische groeperingen in reactie op het feit dat grote bedrijven meer inhoud verwijderen, in toenemende mate gebruikmaken van nieuwe en/of kleinere platforms die minder goed zijn toegerust om terroristisch materiaal snel te verwijderen; overwegende dat aanvullende technische ondersteuning gezien de diversifiëring naar kleinere platforms essentieel is om bijvoorbeeld de introductie van geautomatiseerde platformneutrale hulpmiddelen mogelijk te maken, zoals de hashingtechnologie die terroristische online-inhoud zeer nauwkeurig vooraf kan identificeren en publicatie kan verhinderen;

BE.  overwegende dat het dankzij de ontwikkeling van nieuwe technologieën en het gebruik van kunstmatige intelligentie en algoritmen mogelijk kan worden om terroristische online-inhoud snel op te sporen en te melden; overwegende dat het gebruik van geautomatiseerde hulpmiddelen ook een hoog risico op foutieve treffers met zich meebrengt;

BF.  overwegende dat uit onderzoeken en verslagen blijkt hoe gevangenissen eenvoudig een microkosmos voor de vervlechting tussen misdaad en terrorisme kunnen worden, waar werving en netwerkvorming plaatsvinden; overwegende dat de interne situatie in veel gevangenissen het radicaliseringsgevaar van delinquenten vergroot en versnelt, en een kweekvijver en katalysator voor terrorisme vormt; overwegende dat velen die momenteel een gevangenisstraf uitzitten binnenkort worden vrijgelaten en terugkeren naar hun gemeenschappen waarbij de uitdagingen op het gebied van herintegratie bijzonder groot zijn en er een aanzienlijk risico is op recidivisme; overwegende dat het toezicht op deze delinquenten met een hoog risico uiterst arbeidsintensief is voor de veiligheidsdiensten van de lidstaten; overwegende dat het beleid in gevangenissen en risicobeheer een grote rol kunnen spelen om deze risico's te beperken; overwegende dat de lidstaten weliswaar beseffen dat zij het hoofd moeten bieden aan de toenemende radicalisering in de gevangenissen, maar dat er doeltreffendere maatregelen nodig zijn;

Samenwerking en uitwisseling van informatie

Horizontale kwesties

BG.  overwegende dat het bewaren van gegevens een essentieel onderdeel is van het onderzoeksproces maar dat daarbij rekening moet worden gehouden met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU; overwegende dat de politiële en justitiële autoriteiten en inlichtingendiensten gewoonlijk sterk afhankelijk zijn van communicatiegegevens om resultaten te boeken met hun onderzoeken; overwegende dat de noodzaak van passende regels inzake gegevensbewaring voor de bestrijding van terrorisme herhaaldelijk aan de orde werd gesteld tijdens de werkzaamheden van de commissie TERR;

BH.  overwegende dat het gebruik van versleuteling enerzijds in aanzienlijke mate zal bijdragen aan de veiligheid op IT-gebied, maar anderzijds ook door terroristen zal worden gebruikt om hun communicatie-uitingen of opgeslagen gegevens te beschermen, wat een groot probleem vormt voor de wetshandhavings-, veiligheids- inlichtingendiensten omdat zij hierdoor mogelijk geen toegang hebben tot essentiële inlichtingen en bewijsmateriaal; overwegende dat versleuteling van essentieel belang is wanneer zelfs de verantwoordelijke onlinedienstverleners de communicatie niet willen of kunnen ontcijferen;

Informatiesystemen

BI.  overwegende dat er een gefragmenteerd netwerk is van bestaande systemen, nieuwe systemen in de ontwikkelingsfase, voorstellen voor toekomstige systemen en voorstellen voor hervormingen om de vastgestelde hiaten en belemmeringen aan te pakken waarover nog wordt onderhandeld; overwegende dat dit gefragmenteerde netwerk het resultaat is van historische factoren en de reactieve houding bij het voorstellen en aannemen van nieuwe wetgeving;

BJ.  overwegende dat de informatie-uitwisselingen sinds de aanslagen in Parijs in 2015 aanzienlijk zijn toegenomen maar dat uit gegevens over informatie-uitwisseling blijkt dat enkele lidstaten verantwoordelijk zijn voor een groot deel van de beschikbare inhoud in en zoekopdrachten van EU-databanken;

BK.  overwegende dat er verschillende belemmeringen zijn voor de goede werking van de informatiesystemen, zoals een geheel uitblijvende of onvolledige tenuitvoerlegging, een gebrek aan kennis over en/of aan voldoende scholing in de bestaande systemen, een gebrek aan toereikende middelen, waaronder personele middelen, of aan een passende materiële basis, en slechte kwaliteit van gegevens in de informatiesystemen;

BL.  overwegende dat informatiesystemen kunnen worden ingedeeld in centrale en decentrale systemen, waarbij de centrale systemen door de EU en haar agentschappen worden beheerd en de decentrale systemen door de lidstaten; overwegende dat de volgende centrale informatiesystemen bestaan: het Schengeninformatiesysteem (SIS), het Visuminformatiesysteem (VIS), Eurodac, het inreis-uitreissysteem (EES), het voorgestelde Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (Etias) en het voorgestelde Europees Strafregisterinformatiesysteem voor onderdanen van derde landen (Ecris-TCN);

BM.  overwegende dat de autoriteiten van de lidstaten de decentrale systemen en mechanismen voor informatie-uitwisseling beheren, waaronder: het Europees Strafregisterinformatiesysteem (Ecris) voor de uitwisseling van informatie over nationale strafdossiers; het EU-systeem van persoonsgegevens van passagiers (PNR-systeem), in het kader waarvan luchtvaartmaatschappijen voor alle vluchten tussen derde landen en de EU passagiersgegevens moeten delen met de nationale autoriteiten; het systeem voor het op voorhand afgeven van passagiersgegevens (API), waarin informatie over passagiers wordt verzameld voordat zij een vlucht naar de EU nemen; en het Prüm-mechanisme voor de uitwisseling van DNA, vingerafdrukken en voertuigregistratiegegevens;

BN.  overwegende dat het SIS het grootste, meest gebruikte en meest efficiënte IT-systeem van de Europese Unie is op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, en dat het wordt ondersteund door het netwerk van Sirene-bureaus, hetgeen een aanzienlijke toegevoegde waarde biedt op het gebied van internationale politiële samenwerking en grenscontrole, en met name bij terrorismebestrijding;

BO.  overwegende dat bij de evaluatie van het VIS in 2016 werd vastgesteld dat de toegang tot het VIS voor wetshandhavingsdoeleinden beperkt en versnipperd was in de lidstaten;

BP.  overwegende dat ondanks herhaalde verzoeken om een snelle invoering van het Europees systeem voor de registratie van persoonsgegevens van passagiers (PNR), niet alle lidstaten evenveel bereidheid aan de dag hebben gelegd en de meeste lidstaten de termijn voor de tenuitvoerlegging van deze wet niet in acht hebben genomen; overwegende dat de lidstaten die deze termijn hebben overschreden onverwijld alle nodige maatregelen moeten nemen om deze richtlijn onmiddellijk en volledig ten uitvoer te leggen;

BQ.  overwegende dat verscheidene proefprojecten worden uitgevoerd met als doel om de nadelen van een decentraal Europees PNR-systeem weg te nemen; overwegende dat verzoeken van passagiersinformatie-eenheden van andere lidstaten snel moeten worden beantwoord, wat problematisch kan zijn aangezien ze handmatig worden verwerkt;

BR.  overwegende dat er in het kader van de zesde actielijst van de strategie voor informatiebeheer (IMS) momenteel twee proefprojecten lopen waarmee moet worden gezorgd voor onderlinge verbindingen tussen gedecentraliseerde systemen, te weten ADEP (automatisering van gegevensuitwisselingprocessen voor politieregisters) en QUEST ("Querying Europol Systems"); overwegende dat zes lidstaten al betrokken zijn bij het proefproject ADEP voor de automatische overdracht van politiedossiers tussen verschillende landen en dat dit project goed loopt; overwegende dat deze projecten ertoe bijdragen reële en werkbare oplossingen te bieden voor de problemen die ontstaan door het gebrek aan interconnectiviteit tussen gedecentraliseerde informatiesystemen en vertrouwen en samenwerking tussen de lidstaten te bevorderen;

Interoperabiliteit

BS.  overwegende dat de Commissie twee voorstellen heeft gedaan voor een verordening inzake een kader voor interoperabiliteit tussen de bestaande en voorgestelde centrale informatiesystemen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie, grenzen en visa, te weten VIS, SIS, EES en Eurodac, alsmede Etias en Ecris-TCN, en dat dit kader wordt vastgesteld zodra de respectieve rechtsgrondslagen zijn aangenomen;

BT.  overwegende dat criminelen vandaag de dag nog steeds met verschillende aliassen kunnen worden geregistreerd in verschillende databanken die niet met elkaar in verbinding staan; overwegende dat de interoperabiliteit van de huidige EU-architectuur voor gegevensbeheer derhalve moet worden verbeterd om blinde vlekken en de invoer van meerdere valse identiteiten te voorkomen en de juiste informatie op het juiste moment te verschaffen;

BU.  overwegende dat er op het grondgebied van één lidstaat een groot aantal afzonderlijke decentrale databanken op federaal, regionaal en lokaal niveau kan bestaan, met uiteenlopende gegevensinvoer in verschillende systemen en ingewikkelde procedures – of helemaal geen procedures – voor de uitwisseling en controle van de gegevens door de desbetreffende autoriteiten op de verschillende niveaus;

BV.  overwegende dat het gebruik van een gemeenschappelijk berichtenformaat op EU-niveau, zoals het Universal Message Format (UMF), een vlottere uitwisseling van gegevens en informatie tussen de partijen en tussen interoperabele systemen zal bevorderen; overwegende dat de vaststelling van de noodzaak om bepaalde UMF-velden te gebruiken voor specifieke uitwisselingen kan bijdragen tot de verbetering van de gegevenskwaliteit in alle systemen waartussen berichten worden uitgewisseld; overwegende dat het gebruik van dit gemeenschappelijke berichtenformaat door Europol en Interpol ook moet worden aangemoedigd;

BW.  overwegende dat eu-LISA mechanismen en procedures voor de geautomatiseerde controle van de gegevenskwaliteit moet vaststellen, alsmede gemeenschappelijke indicatoren voor de gegevenskwaliteit en minimale kwaliteitsnormen voor de in de informatiesystemen opgeslagen gegevens; overwegende dat het doel van de EU-informatiesystemen en interoperabiliteitscomponenten moet zijn om kennelijk onjuiste of inconsistente gegevensinvoer automatisch te herkennen, zodat de lidstaat die de gegevens heeft ingevoerd deze kan verifiëren en zo nodig corrigerende maatregelen kan nemen;

Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de lidstaten

BX.  overwegende dat de obstakels voor een vlottere samenwerking vaak voortvloeien uit organisatorische en juridische problemen tussen de verschillende nationale, regionale en lokale structuren binnen de lidstaten, zoals: elkaar overlappende bevoegdheden en onvoldoende afgebakende mandaten; terughoudendheid om informatie te delen, aangezien dit tot verlies van zeggenschap of tot het verlies van belangrijke informatiestromen zou kunnen leiden; juridische obstakels voor de uitwisseling van informatie tussen verschillende autoriteiten; een onderlinge concurrentiestrijd tussen diensten vanwege middelen; en technische belemmeringen voor de uitwisseling van informatie;

BY.  overwegende dat het beginsel van eigendom van gegevens cruciaal is om ervoor te zorgen dat terrorismebestrijdingsinstanties via EU-databases in vertrouwen informatie kunnen uitwisselen met andere lidstaten en Europol;

BZ.  overwegende dat met het samenvoegen van inlichtingen en informatie voor rechtshandhavingsdoeleinden grote juridische uitdagingen en risico's zijn gemoeid wegens de verschillende regels met betrekking tot verantwoording die voor beide soorten informatie gelden, met inbegrip van risico's met betrekking tot het fundamentele recht van verdachten op een eerlijk proces wanneer inlichtingen worden gebruikt als bewijs in rechtszaken; overwegende dat moet worden voorzien in een rechtskader voor de uitwisseling van informatie tussen inlichtingendiensten en rechtshandhavingsinstanties, met name omdat inlichtingen vaak betrekking hebben op informatie over personen die weliswaar nog geen verdachten zijn in het kader van een strafrechtelijk onderzoek maar deel uit zouden kunnen maken van een terroristisch netwerk of terugkerende buitenlandse terroristische strijders zouden kunnen zijn; overwegende dat dit echter niet mag leiden tot een verlaging van de juridische normen;

CA.  overwegende dat de politie- en inlichtingendiensten zowel geclassificeerde als niet-geclassificeerde informatie ontvangen, verwerken en doorsturen, waardoor er andere regelingen gelden in alle stadia van gebruik van deze informatie; overwegende dat inlichtingen, d.w.z. informatie die wordt verwerkt door professionals voor een specifiek doeleinde, bovendien moeten worden onderscheiden van gewone informatie; overwegende dat criminele inlichtingen, die aan een strafzaak van de politie zijn verbonden, moeten worden onderscheiden van veiligheidsinlichtingen, die in een bestuurlijk kader worden behandeld;

CB.  overwegende dat inlichtingen een bijzonder niveau van bescherming moeten genieten, nog hoger dan politie-informatie, met het oog op de verschillende werkmethoden die erbij komen kijken, zoals de inzameling van vertrouwelijke informatie uit bronnen en van informanten die anoniem moeten blijven, evenals de bijzondere doelstellingen die een grotere omzichtigheid vereisen;

CC.  overwegende dat de oprichting van centra of eenheden voor terrorismebestrijding op het nationale grondgebied een mogelijke oplossing kan bieden; overwegende dat dergelijke centra vertegenwoordigers van de verschillende diensten de mogelijkheid bieden om regelmatig met elkaar te communiceren en te bespreken hoe zij het best kunnen samenwerken en informatie kunnen uitwisselen; overwegende dat daardoor het vertrouwen tussen de diensten wordt aangewakkerd en er meer wederzijds begrip wordt gekweekt voor elkaars werkmethoden en problemen;

CD.  overwegende dat veiligheidsdiensten over het algemeen op bilaterale of multilaterale basis, met name via de Groep terrorismebestrijding (CTG) en met de EU-organen via het Inlichtingen- en situatiecentrum van de EU (EU-Intcen), samenwerken en informatie uitwisselen, door strategische inlichtingen te delen; overwegende dat er een praktische oplossing moet worden gevonden om de bestaande kloof tussen de langs elkaar heen opererende rechtshandhavingsinstanties en de inlichtingendiensten te overbruggen, bijvoorbeeld door specifieke terreinen voor samenwerking vast te stellen, om te zorgen voor efficiëntere samenwerking maar deze diensten desondanks ook onafhankelijk te laten blijven functioneren;

CE.  overwegende dat het mogelijk is de structuren van de CTG en het EU-Intcen voor de uitwisseling van informatie doeltreffender te benutten;

CF.  overwegende dat de civiele en militaire veiligheids- en inlichtingendiensten van de lidstaten hun inlichtingen, zo ook in verband met terrorisme, systematisch delen met het EU-Intcen binnen de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en dat dit centrum inlichtingen analyseert, vroegtijdige waarschuwingen afgeeft en informatie over situaties ter plaatse verstrekt aan de besluitvormingsorganen van de EU;

CG.  overwegende dat de informatie na een treffer alleen wordt gecommuniceerd aan het Sirene-bureau van de lidstaat die de melding op grond van artikel 36 afgeeft en niet aan andere lidstaten, en dat dit in sommige gevallen onvoldoende is om de verplaatsingen van de bij terrorisme betrokken personen te blijven volgen of de relevante informatie met betrekking tot dergelijke personen te vervolledigen; overwegende dat het vroegtijdig waarschuwen van andere lidstaten die mogelijk betrokken zijn bijvoorbeeld nodig kan zijn wanneer de persoon niet rechtstreeks is teruggekeerd naar de lidstaat van herkomst of wanneer hij of zij wordt vergezeld door onderdanen van een andere lidstaat/andere lidstaten voor wie geen melding is afgegeven, aangezien ze niet bekend zijn bij de bevoegde autoriteiten van deze andere lidstaat/lidstaten;

CH.  overwegende dat de regering van het VK de EU in kennis heeft gesteld van zijn intentie om de EU op 29 maart 2019 te verlaten; overwegende dat het VK echter heeft aangegeven de samenwerking met de EU op het gebied van veiligheid en terrorismebestrijding te willen voortzetten; overwegende dat de EU en het VK op het gebied van veiligheid en terrorismebestrijding in hoge mate van elkaar afhankelijk zijn en dat het VK deelneemt aan een groot aantal belangrijke wettelijke instrumenten van de EU op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en toegang heeft tot veel systemen en databanken van de EU voor de uitwisseling van informatie; overwegende dat er regelingen met de EU moeten worden getroffen met betrekking tot alle lopende procedures; overwegende dat een toekomstige regeling de EU en het VK in staat moet stellen om met het oog op de bestrijding van ernstige misdrijven essentiële informatie te blijven delen, verzamelen en analyseren; overwegende dat de terugtrekkingsovereenkomst een soepele overgangsregeling moet garanderen en operationele tekortkomingen en obstakels die het vermogen van de EU om georganiseerde misdaad en terrorisme doeltreffend te bestrijden, zo veel mogelijk moet voorkomen;

Samenwerking en uitwisseling van informatie met de EU-agentschappen

CI.  overwegende dat een efficiënte en systematische samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding tussen de lidstaten en de EU-agentschappen, in overeenstemming met hun wettelijke mandaten, alsook tussen de agentschappen onderling, met name samenwerking tussen Europol en Eurojust, cruciaal is om de inspanningen voor het detecteren, voorkomen en onderzoeken van terreuraanslagen en het opsporen en vervolgen van de daders op doeltreffendere wijze te ondersteunen; overwegende dat Eurojust een in terrorismebestrijding gespecialiseerde aanklager heeft benoemd om een brug te slaan met het ECTC van Europol, zodat de twee agentschappen intensiever kunnen samenwerken en informatie kunnen uitwisselen;

CJ.  overwegende dat de uitwisseling van informatie tussen de agentschappen van de EU niet optimaal verloopt doordat er verschillende beveiligde communicatiemiddelen worden gebruikt; overwegende dat de invoering van een interinstitutioneel beveiligd communicatiemiddel de uitwisseling van informatie tussen agentschappen als EU-Intcen, Europol en Frontex kan vergemakkelijken en verbeteren;

CK.  overwegende dat speciale verbindingsfunctionarissen voor terrorismebestrijding meerwaarde kunnen opleveren voor de werkzaamheden van de agentschappen en voor hun eigen lidstaten;

CL.  overwegende dat er in de lidstaten verschillen bestaan wat het aantal bevoegde autoriteiten betreft dat de databanken van Europol kan raadplegen of contact met Europol kan opnemen zonder dat daarvoor tussenkomst van de nationale verbindingsfunctionarissen vereist is; overwegende dat sommige lidstaten niet over beperkt toegankelijke en veilige nationale politiecommunicatienetwerken beschikken, waardoor hun bevoegde autoriteiten geen gedecentraliseerde toegang hebben tot relevante netwerken, met name het beveiligde platform voor de uitwisseling van informatie CT-Siena;

CM.  overwegende dat de lidstaten op grond van verschillende EU-instrumenten, zoals Besluit 2005/671/JBZ, de richtlijn terrorismebestrijding en de Europol-verordening, verplicht zijn informatie over terrorisme te delen met de relevante agentschappen; overwegende dat een regelmatig, tijdig en systematisch plaatsvindende intensievere uitwisseling van informatie, met inbegrip van contextuele informatie, met Europol en Eurojust, in overeenstemming met hun wettelijke mandaten, de uitoefening van hun taken vergemakkelijkt als het erom gaat verbanden tussen zaken te leggen en een overzicht te geven van de uitdagingen en beste praktijken op het gebied van onderzoek, strafvervolging en berechting met betrekking tot terroristische misdrijven; overwegende dat lidstaten in het kader van Besluit 2005/671/JBZ nog steeds niet spontaan relevante informatie met andere lidstaten uitwisselen als deze informatie kan worden gebruikt voor het voorkomen, ontdekken, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven; overwegende dat de hoeveelheid informatie die wordt gedeeld met Eurojust de afgelopen jaren is toegenomen, maar dat er nog steeds verschillen bestaan tussen lidstaten wat betreft de hoeveelheid, de soorten en de reikwijdte van de gedeelde informatie, hetgeen tot gevolg kan hebben dat de beschikbare informatie gefragmenteerd is;

CN.  overwegende dat Cepol aanzienlijk bijdraagt aan de opleidingen op het gebied van terrorismebestrijding voor rechtshandhavingsambtenaren in de lidstaten en in prioritaire derde landen;

Wederzijdse erkenning en wederzijdse rechtshulp

CO.  overwegende dat regelingen voor wederzijdse rechtshulp in toenemende mate worden vervangen door instrumenten voor wederzijdse erkenning, aangezien laatstgenoemde de grensoverschrijdende samenwerking tussen bevoegde autoriteiten binnen de EU helpen verbeteren door de procedures te bespoedigen en te stroomlijnen; overwegende dat het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de richtlijn betreffende het Europees onderzoeksbevel voorbeelden zijn van instrumenten voor wederzijdse erkenning die door beroepsbeoefenaars nuttig worden geacht;

CP.  overwegende dat het beginsel van wederzijdse erkenning aan de ene kant afhankelijk is van een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten en er aan de andere kant toe bijdraagt het wederzijdse vertrouwen te versterken door ervoor te zorgen dat de autoriteiten van verschillende lidstaten efficiënt kunnen samenwerken in de strijd tegen het terrorisme;

CQ.  overwegende dat gemeenschappelijke onderzoeksteams de coördinatie van strafrechtelijk onderzoek en strafvervolging in zaken met een grensoverschrijdende dimensie vergemakkelijken en de onmiddellijke uitwisseling van informatie en bewijsmateriaal mogelijk maken; overwegende dat de inzet van gemeenschappelijke onderzoeksteams praktische voordelen biedt, zoals een betere uitwisseling van informatie en goede praktijken, betere vergaring van bewijsmateriaal en wederzijdse erkenning van de door de betrokken partijen ondernomen acties; overwegende dat gemeenschappelijke onderzoeksteams voldoende financiering nodig hebben om doeltreffend te kunnen werken;

CR.  overwegende dat nauwe samenwerking tussen aanbieders van onlinediensten noodzakelijk is met het oog op het veiligstellen en verkrijgen van elektronisch bewijs op verzoek van de verantwoordelijke rechtshandhavingsinstantie en op basis van een deugdelijk wettelijk proces, gezien het belang daarvan voor het onderzoeken van terroristische misdrijven;

CS.  overwegende dat het Schengengebied zonder binnengrenzen een prestatie van formaat van de EU is en dat dit alleen kan blijven bestaan indien de buitengrenzen doeltreffend worden beveiligd en beschermd, er een eind komt aan illegale grensoverschrijdingen en er interne veiligheidsmaatregelen worden vastgesteld om het risico van ernstige misdrijven tegen te gaan; overwegende dat er talrijke voorstellen zijn goedgekeurd om de veiligheidscontroles aan de buitengrenzen te versterken; overwegende dat sommige lidstaten hebben verzocht om meer flexibiliteit voor een tijdelijke herinvoering van controles aan de binnengrenzen bij ernstige bedreigingen voor de openbare orde of veiligheid, zoals voorgesteld door de Commissie;

CT.  overwegende dat op 7 april 2017 de nieuwe Verordening (EU) 2017/458(9) tot wijziging van de Schengengrenscode in werking is getreden om het, met name naar aanleiding van de toegenomen terroristische dreiging, mogelijk te maken alle personen die de buitengrenzen overschrijden, waaronder de personen die gebruik maken van hun recht op vrij verkeer, systematisch in de relevante databanken na te trekken;

CU.  overwegende dat sommige onderdelen van de verordening met betrekking tot bepaalde gebieden van het grenstoezicht, zoals de systematische raadpleging van databanken bij grenscontroles en grondige controle van de vereiste toegangsvoorwaarden, niet ten uitvoer zijn gelegd;

CV.  overwegende dat de verijdelde aanslag op de Thalys-trein van 21 augustus 2015, de aanslagen in Parijs van 13 november 2015 en de aanslagen in Brussel van 22 maart 2016 hebben aangetoond dat in een beperkt aantal gevallen terroristen misbruik hebben gemaakt van tekortkomingen in het beleid inzake grensbeheer van de EU en diverse lidstaten, die niet voorbereid waren op een massale instroom; overwegende dat door wetshandhavingsinstanties is gemeld dat ten minste acht van de daders van deze aanslagen in juli, augustus en oktober 2015 op illegale wijze de EU zijn binnengekomen; overwegende dat latere daders in andere gevallen in lidstaten waren gebleven ondanks de verplichting tot vertrek of uitzetting; overwegende dat hierdoor bepaalde tekortkomingen in het EU-beleid voor grensbeheer en de uitvoering daarvan op het niveau van de lidstaten aan het licht zijn gekomen;

CW.  overwegende dat de Raad de lidstaten in zijn conclusies 10152/17 heeft aanbevolen om wanneer zij te maken krijgen met irreguliere migranten op nationaal niveau in voorkomend geval controles uit te voeren aan de hand van de databanken die worden aangevuld en gebruikt door bevoegde autoriteiten en het nationaal geautomatiseerd systeem voor vingerafdrukherkenning (AFIS), op Europees en op internationaal niveau aan de hand van de databanken van het SIS, Europol, het VIS, Eurodac en Interpol (I-24/7-netwerk), en meer in het bijzonder persoonsgegevens, gestolen of verloren reisdocumenten (SLTD), buitenlandse terroristische strijders (FTF) en reisdocumenten die verband houden met signaleringen (TDAWN);

CX.  overwegende dat het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) op grond van artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1168/2011 en het positieve advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) persoonsgegevens mag verwerken; overwegende dat Frontex echter vanwege de korte opslagtermijn voor gegevens die bij Verordening (EU) 2016/1624 is vastgesteld en 90 dagen bedraagt, moeilijkheden ondervindt bij de uitoefening van zijn bewakingstaken op het gebied van terrorismebestrijding; overwegende dat Eurojust en Frontex slechts een memorandum van overeenstemming betreffende de uitwisseling van algemene, strategische en technische informatie hebben ondertekend, dat zich niet uitstrekt tot de uitwisseling van persoonsgegevens; overwegende dat voor Frontex een specifiek wetgevingskader voor de verwerking van persoonsgegevens moet worden opgesteld opdat dit agentschap zijn taken kan vervullen;

CY.  overwegende dat functionarissen van Frontex aan grensovergangen ook toegang moeten hebben tot de databanken van Eurodac, het SIS, het EES en het VIS om controles te kunnen uitvoeren;

CZ.  overwegende dat er momenteel geen minimumnormen of gemeenschappelijke regels zijn voor de beveiliging van de identiteitsbewijzen van Unieburgers of de verblijfsdocumenten die worden verstrekt aan burgers van de Unie en hun gezinsleden die hun recht op vrij verkeer willen uitoefenen;

DA.  overwegende dat driekwart van de frauduleuze documenten die worden ontdekt aan de buitengrenzen en in de EU, imitaties zijn van identiteitsdocumenten die zijn afgegeven door lidstaten en landen die betrokken zijn bij het Schengengebied; overwegende dat voor de ontdekte vervalsingen in de meeste gevallen minder goed beveiligde nationale identiteitsbewijzen waren gebruikt;

DB.  overwegende dat sommige lidstaten luchtvaartmaatschappijen op hun grondgebied er niet toe verplichten te controleren of de persoonsgegevens op tickets overeenstemmen met die van de identiteitsbewijzen van de passagiers, waardoor moeilijk kan worden vastgesteld of de opgegeven identiteit overeenkomt met de ware identiteit van de betrokkene; overwegende dat dit van cruciaal belang is voor vluchten binnen de EU; overwegende dat passende identiteitscontroles en de controle van reisdocumenten echter taken van de politie moeten blijven;

DC.  overwegende dat bewijsmateriaal van gevechtshandelingen vaak essentieel is voor de identificatie van potentiële buitenlandse terroristische strijders en slachtoffers, en moet worden opgenomen in de relevante databanken, opdat dit meteen beschikbaar is voor grenswachten, en moet worden gedeeld met rechercheurs en aanklagers voor resp. onderzoeken en rechtszaken;

DD.  overwegende dat in het kader van de GVDB-operatie op zee EUNAVFOR MED (beter bekend onder de naam operatie Sophia) technische en personele capaciteiten ter beschikking zijn gesteld om bij te dragen aan de bestrijding van terrorisme; overwegende dat het mandaat van operatie Sophia moet worden gewijzigd om een doeltreffende bijdrage aan deze inspanningen te kunnen leveren, in het bijzonder door de strijd tegen terrorisme in het mandaat op te nemen, zodat de operatie kan worden uitgevoerd in de nationale wateren van alle lidstaten in de Middellandse Zee en de nationale wateren van andere kuststaten, waarvoor om bilaterale overeenkomsten of een mandaat van de Veiligheidsraad moet worden verzocht;

Terrorismefinanciering

DE.  overwegende dat verscheidene lidstaten het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van terrorisme van 16 mei 2005, ook bekend als het Verdrag van Warschau, dat het meest uitgebreide internationale verdrag inzake witwassen en de financiering van terrorisme is, nog niet hebben geratificeerd; overwegende dat de inbeslagneming van activa die zijn vergaard door middel van criminele activiteiten een zeer efficiënt instrument is om misdaad en terrorisme te bestrijden, aangezien het voorkomt dat criminelen bij de opbrengsten van hun illegale activiteiten kunnen komen en dat terroristen een aanslag kunnen voorbereiden; overwegende dat de Financiële-actiegroep (FATF) wereldwijde normen bepaalt voor de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering, en rechtsgebieden aanmerkt waar de maatregelen voor de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering zwak zijn;

DF.  overwegende dat de EU twee wetgevingsinstrumenten heeft aangenomen om FATF-aanbevelingen ten uitvoer te leggen, namelijk de vierde en vijfde witwasrichtlijn, om de tekortkomingen aan te pakken die aan het licht zijn gekomen naar aanleiding van terroristische aanslagen; overwegende dat lidstaten tot 26 juni 2017 de tijd hadden om de witwasrichtlijn in hun nationale wetgeving om te zetten, maar nog niet alle lidstaten dit hebben gedaan; overwegende dat verscheidene lidstaten het blijven toestaan dat de uiteindelijke begunstigden van trusts, stichtingen of vennootschappen anoniem blijven en beschikken over aandelen aan toonder, waardoor het gemakkelijker wordt de oorsprong en bestemming van financiële stromen en de verantwoordelijkheid voor economische activiteiten die een dekmantel vormen voor de financiering van terrorisme en georganiseerde misdaad, te verhullen; overwegende dat de vijfde witwasrichtlijn de transparantie over deze kwesties zal vergroten;

DG.  overwegende dat de enquêtecommissie die onderzoek moet doen naar vermeende inbreuken op en gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht met betrekking tot witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking van het Europees Parlement (PANA) heeft ontdekt hoe belastingontduikers actief worden geholpen door professionele tussenpersonen die ogenschijnlijk aan de wettelijke voorschriften voldoen;

DH.  overwegende dat de Commissie en Europol in juli 2017 de status van waarnemer hebben gekregen in de Egmont-groep, een internationaal verenigd orgaan dat bestaat uit 156 financiële-inlichtingeneenheden (FIE's) en als doel heeft niet alleen de samenwerking tussen FIE's maar ook tussen andere bevoegde autoriteiten te versterken;

DI.  overwegende dat Da'esh en andere terroristische organisaties voor hun financiering onder andere misbruik maken van fondsenwerving via sociale media, financiering via liefdadigheidsorganisaties en organisaties zonder winstoogmerk, overmakingen van kleine bedragen en prepaidkaarten; overwegende dat platforms voor microkredieten worden gebruikt om elk van deze financieringsvormen te mogelijk te maken;

DJ.  overwegende dat de recente terroristische aanslagen hebben aangetoond dat niet alleen gebruik wordt gemaakt van traditionele vormen van terrorismefinanciering, zoals particuliere giften, afpersing, ontvoeringen voor losgeld, oneigenlijk gebruik en misbruik van organisaties zonder winstoogmerk, formele en informele geldovermakingssystemen, het gebruik van de opbrengsten van criminele activiteiten, contanten of overschrijvingen via banken, maar dat ook nieuwe financieringsmethoden via elektronische, onlinebetaalmethoden zoals virtuele valuta, anonieme prepaidkaarten en informele waardeoverdrachtsystemen (IVTS) ook het risico met zich meebrengen misbruikt te worden door terroristische organisaties om hun activiteiten te financieren; overwegende dat de anonimiteit omtrent sommige cryptovaluta leidt tot een toename in het gebruik daarvan voor illegale activiteiten; overwegende dat het gebruik van cryptovaluta door georganiseerde criminele groeperingen om criminele activiteiten en terrorisme te financieren en opbrengsten uit criminele activiteiten wit te wassen, de afgelopen jaren is toegenomen; overwegende dat Europol heeft samengewerkt met nationale autoriteiten bij de ontmanteling van diverse criminele operaties die verband hielden met de handel in cryptovaluta;

DK.  overwegende dat in sommige landen met een minder goed ontwikkeld bankenstelsel mobiele bankdiensten zeer gangbaar zijn, waardoor het moeilijk is om de begunstigden van geldovermakingen te identificeren; overwegende dat bij dergelijke overmakingen via mobiel bankieren sprake is van een hoog risico van terrorismefinanciering en dat de bevoegde diensten dan ook in staat moeten worden gesteld bepaalde vormen van terrorismefinanciering te traceren, zonder in de overgrote meerderheid van de gevallen tegen het bankgeheim aan te lopen; overwegende dat bij het gebruik en het overmaken van fondsen via alternatieve geldovermakingssystemen ook het risico bestaat dat terrorisme wordt gefinancierd;

DL.  overwegende dat samenwerking en de uitwisseling van informatie tussen meldingsplichtige entiteiten, financiële-inlichtingeneenheden en bevoegde autoriteiten van groot belang zijn om de financiering van terrorisme op doeltreffende wijze te bestrijden; overwegende dat FIE's bij de uitvoering van hun taken toegang moeten hebben tot informatie en deze moeten kunnen uitwisselen, onder meer via passende samenwerking met rechtshandhavingsautoriteiten; overwegende dat het van essentieel belang is hun doeltreffendheid en efficiëntie te verbeteren door de lidstaten opheldering te laten verschaffen over hun bevoegdheden en hun onderlinge samenwerking;

DM.  overwegende dat het programma voor het traceren van terrorismefinanciering (TFTP) een zinvol instrument is voor de bestrijding van terrorismefinanciering; overwegende dat met behulp van dit instrument geen terrorismefinanciering kan worden opgespoord waarbij gebruik wordt gemaakt van SEPA-transacties, wat een belangrijke informatielacune tot gevolg heeft; overwegende dat een systeem voor het traceren van terrorismefinanciering ter aanvulling van de bestaande TFTP-overeenkomst de mogelijkheden van de EU om terreuraanslagen te voorkomen en te onderzoeken zou versterken doordat het essentiële aanvullende informatie over terrorismefinanciering zou opleveren, en efficiënter en doeltreffender zou functioneren dan het natrekken van verdachte financiële transacties via bilaterale of multilaterale informatieverzoeken en/of verzoeken om rechtshulp; overwegende dat het meermaals heeft verzocht om de invoering van dat systeem, met name in zijn resolutie van 25 november 2015 over het voorkomen van de radicalisering en werving van Europese burgers door terroristische organisaties(10);

Bescherming van kritieke infrastructuur

DN.  overwegende dat incidenten waarbij kritieke infrastructuur betrokken is, met name in verband met (verijdelde) terroristische aanslagen, ernstige en grensoverschrijdende gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid van de Europese burgers en staten;

DO.  overwegende dat diensten met behulp van steeds complexere systemen worden verricht, waardoor de bestaande sectorale benadering inzake Europese kritieke infrastructuren achterhaald is;

DP.  overwegende dat cyberaanvallen op elektronische diensten of onderling verbonden systemen een essentieel onderdeel van hybride bedreigingen vormen; overwegende dat het toenemende aantal cyberaanvallen fysieke effecten heeft of kan hebben op kritieke infrastructuur en de gebruikers daarvan; overwegende dat het noodzakelijk is de paraatheid te vergroten om cyberterreurdreigingen het hoofd te bieden;

DQ.  overwegende dat uit de brede beoordeling van het veiligheidsbeleid van de EU en de evaluatie van Richtlijn 2008/114/EG door de Commissie naar voren komt dat: de bedreigingen voor kritieke infrastructuur naar verwachting zullen blijven toenemen, dat het noodzakelijk is om de paraatheids- en responscapaciteiten te versterken en Richtlijn 2008/114/EG te herzien, en dat vervoerinfrastructuur een mogelijk doelwit voor aanvallen is; overwegende dat er een beter kader nodig is ter beveiliging van het spoorwegvervoer en dat aandacht moet worden besteed aan de bescherming van met vervoerinfrastructuur verband houdende openbare ruimten, zoals luchthavens, havens, maritieme vervoersvoorzieningen en treinstations maar ook voorzieningen voor energieproductie, met bijzondere aandacht voor kerncentrales;

DR.  overwegende dat aanslagen op kritieke infrastructuur rampzalige gevolgen kunnen hebben; overwegende dat de lidstaten voor een adequate, doeltreffende bescherming van deze installaties moeten zorgen;

DS.  overwegende dat de melding van incidenten van essentieel belang zijn om tekortkomingen in kaart te brengen, de doeltreffendheid van bestaande maatregelen te verbeteren, de prestaties van kritieke infrastructuur tijdens verstorende gebeurtenissen te evalueren, bewustzijn te kweken voor de noodzaak om bestaande beveiligingsplannen te herzien en nieuwe bedreigingen vroegtijdig te signaleren;

DT.  overwegende dat de lidstaten meer oefeningen op het gebied van crisisrespons moeten houden, ook in derde landen, om met deze landen samen te werken en de capaciteiten te vergroten;

DU.  overwegende dat voor de bescherming en verzekering van kritische infrastructuur en "zachte doelwitten" samenwerking tussen de publieke en private sector nodig is, ook op cybergebied;

DV.  overwegende dat particuliere beveiligingsdiensten bijdragen aan het waarborgen van bestendige beveiligingsketens en dat bij de openbare aanbesteding van deze diensten daarom bijzondere kwaliteitscriteria in acht moeten worden genomen met betrekking tot aspecten als de opleiding, het doorlichten en de screening van personeel, kwaliteitscontrole en conformiteitsborging, de toepassing van nieuwe technologieën en contractbeheer;

DW.  overwegende dat de Commissie naar aanleiding van haar evaluatie van Richtlijn 2008/114/EG van 2012 een proefproject heeft gelanceerd met betrekking tot vier kritieke infrastructuren met een Europese dimensie (Eurocontrol, Galileo, het elektriciteitstransmissienet en het gastransportnetwerk);

DX.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling over het nieuwe meerjarig financieel kader heeft voorgesteld om de EU-financiering voor veiligheid en defensie, met inbegrip van de binnenlandse veiligheid van de EU, aanzienlijk te verhogen;

DY.  overwegende dat een aantal terroristische aanslagen in de EU is gepleegd door personen die bekend waren bij de autoriteiten; overwegende dat autoverhuurbedrijven niet over de capaciteit beschikken om informatie als gegevens over boekingen en reserveringen uit te wisselen met rechtshandhavingsinstanties zodat deze informatie kan worden vergeleken met officiële volglijsten en politiedatabanken;

Precursoren voor explosieven

DZ.  overwegende dat in 2015 en 2016 bij 40 % van de terroristische aanslagen in de EU explosieven zijn gebruikt(11);

EA.  overwegende dat bij de meeste aanslagen met explosieven gebruik is gemaakt van triacetontriperoxide (TATP)(12), een zelfgemaakt explosief mengsel dat nog steeds zeer populair is bij terroristen; overwegende dat TATP zeer eenvoudig kan worden vervaardigd met behulp van slechts een paar benodigdheden; overwegende dat veel civiele fabrieken en faciliteiten die deze stoffen gebruiken toegankelijk blijven voor criminele kopers, waaronder terroristen, aangezien de lidstaten ondanks het EU-actieplan voor CBRN geen uitvoerende controlemaatregelen hebben getroffen;

EB.  overwegende dat sommige terroristen ondanks Verordening (EU) nr. 98/2013 nog steeds precursoren voor explosieven, met name voor de vervaardiging van TATP, weten te bemachtigen; overwegende dat het nog steeds mogelijk is om aan de in bijlage I van die verordening vermelde stoffen te komen; overwegende dat Verordening (EU) nr. 98/2013 onvoldoende beperkingen en controles oplegt, door bijvoorbeeld alleen te eisen dat transacties worden geregistreerd; overwegende dat striktere controles een topprioriteit zijn;

EC.  overwegende dat de grootste problemen bij de tenuitvoerlegging van die verordening zijn dat de bestaande wetgeving in de toeleveringsketen onvoldoende bekend is vanwege het grote aantal marktdeelnemers (verkopers van huishoudelijke producten) en dat het lastig is de beperkingen op de internetverkoop, de invoer en het verkeer binnen de EU te handhaven;

ED.  overwegende dat het voorstel van de Commissie voor een verordening over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven (COM(2018) 209) van 17 april 2018 voorziet in strengere en meer geharmoniseerde voorschriften inzake het beschikbaar stellen, de introductie, het bezit en het gebruik van stoffen of mengsels die kunnen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van explosieven, met het oog op het beperken van hun beschikbaarheid voor het algemene publiek en om te garanderen dat verdachte transacties in de toeleveringsketen naar behoren worden gemeld;

EE.  overwegende dat chemicaliën op onlinemarktplaatsen te vinden zijn onder hun schriftelijke benaming, hun formule of hun CAS-identificatienummer (Chemical Abstracts Service), maar dat zij in veel gevallen alleen onder hun generieke benaming worden vermeld; overwegende dat er zoveel naamvariaties zijn dat het eenvoudiger zou zijn om lijsten specifieke stoffen op te sporen indien de vermelding van een opspoorbaar CAS-nummer eveneens verplicht zou zijn;

EF.  overwegende dat de verordening alleen betrekking heeft op de verkoop aan het algemene publiek en niet aan professionele gebruikers, die bovendien niet zijn gedefinieerd in de verordening; overwegende dat op de interne markt uiteenlopende criteria voor de definitie van professionele gebruikers worden gehanteerd;

EG.  overwegende dat, volgens de impactbeoordeling van 17 april 2018 (SWD(2018)0104) en het bijhorende voorstel voor een verordening (COM(2018)0209), de opleiding voor douaneautoriteiten met betrekking tot het herkennen van explosieven en precursoren voor explosieven als onderdeel van hun takenpakket aan de buitengrenzen moet worden uitgebreid;

Illegale wapens

EH.  overwegende dat de toegang tot vuurwapens en onderdelen van explosieve apparaten een cruciale factor is om terroristische aanslagen te kunnen plegen; overwegende dat gewelddadige extremistische groeperingen in de EU vaak een beroep moeten doen op criminele netwerken om wapens aan te schaffen; overwegende dat volgens het TE-SAT-verslag 2018 van Europol bij 41 % van alle aanslagen vuurwapens werden gebruikt, wat een lichte toename betekent ten opzichte van 2016 (38 %)(13);

EI.  overwegende dat in de afgelopen jaren een toename te constateren valt van het gebruik van omgebouwde wapens voor het afvuren van losse patronen en van onbruikbaar gemaakte wapens die opnieuw gebruiksklaar zijn gemaakt; overwegende dat er recentelijk ook aanslagen zijn gepleegd met verschillende soorten messen;

EJ.  overwegende dat ook de vervlechting van misdaad en terrorisme de toegang van terroristen tot vuurwapens vergemakkelijkt;

EK.  overwegende dat de Raad de lidstaten in zijn conclusies van 8 oktober 2015 heeft verzocht systematisch relevante informatie door te geven aan Interpol en Europol;

Externe dimensie

EL.  overwegende dat een aantal regio's in het nabuurschap van de EU, zoals de MONA-landen en landen op de Balkan, voor grote uitdagingen staan met betrekking tot onder meer de behandeling van buitenlandse terroristische strijders en teruggekeerden, en nationale radicale cellen;

EM.  overwegende dat de Balkan van cruciaal belang blijft voor de stabiliteit in Europa; overwegende dat de uitdagingen op het gebied van terrorisme en islamitisch extremisme een door etnische, politieke en sociale polarisatie en criminele netwerken verzwakte regionale situatie verder bemoeilijken; overwegende dat de landen van die regio al het doelwit zijn geweest van terrorisme (zij het dat de aanslagen konden worden voorkomen) en dat zij nu al als doorvoerlanden voor mensen en wapens fungeren;

EN.  overwegende dat alle MONA-landen met grootschalige terroristische aanslagen zijn geconfronteerd en nog steeds belangrijke doelwitten zijn; overwegende dat deze landen afgezien van een kritieke sociaal-economische situatie ook kunnen worden geconfronteerd met diverse uitdagingen die verband houden met de terugkeer van buitenlandse terroristische strijders van Da'esh en Al Qaida, gezien het grote aantal jihadisten dat afkomstig is uit deze regio; overwegende dat de uitwisseling van informatie en solide partnerschappen met deze belangrijke derde landen door middel van een gecoördineerde EU-aanpak, door samenwerking en ondersteuning te bieden in de vorm van capaciteitsopbouw, helpen om aanslagen te verijdelen en terroristische netwerken te ontmantelen;

EO.  overwegende dat zich in regio's zoals de MONA-landen, de Sahel, de Hoorn van Afrika, West-Afrika, de Golfstaten en Centraal-Azië terroristische netwerken hebben ontwikkeld die banden hebben met Da'esh en Al Qaida; overwegende dat gefinancierd religieus extremisme en sektarisch geweld ernstige problemen vormen, aangezien terroristische netwerken zich daardoor kunnen verspreiden, banden aan kunnen gaan met andere criminele ondernemingen en actief kunnen worden in die regio's om Europa en Europese belangen schade te berokkenen;

EP.  overwegende dat het van cruciaal belang is dat de Europese Unie nauw blijft samenwerken met derde landen die partners zijn in de strijd tegen terrorisme; overwegende dat de dialoog over de genomen maatregelen en acties om terrorisme en terrorismefinanciering te bestrijden en radicalisering te voorkomen in stand moeten worden gehouden, in het bijzonder met de Golfstaten; overwegende dat de interparlementaire samenwerking met deze belangrijke derde landen een van de instrumenten is die moeten worden versterkt;

EQ.  overwegende dat de EU bij de bestrijding van terrorisme op verschillende manieren samenwerkt met derde landen; overwegende dat een beroep kan worden gedaan op verschillende EU-instrumenten om terrorismebestrijdingsprogramma's in het buitenland te financieren; overwegende dat de EU een netwerk van terrorismebestrijdingsdeskundigen heeft opgezet bij de EU-delegaties; overwegende dat EU-agentschappen als Europol, Eurojust en Cepol op het gebied van terrorismebestrijding ook samenwerken met derde landen, bijvoorbeeld in het kader van strategische en operationele overeenkomsten;

ER.  overwegende dat de EU met betrekking tot terrorismebestrijding over een sanctiesysteem met drie soorten maatregelen beschikt, dat door de EDEO ten uitvoer wordt gelegd; overwegende dat dit systeem als gevolg van procedurele beperkingen en een terughoudende opstelling van de lidstaten onvolledig is en niet ten volle wordt benut;

ES.  overwegende dat in de conclusies van de Raad over het externe optreden van de EU op het gebied van terrorismebestrijding van 19 juni 2017 wordt gewezen op de rol van de missies en operaties in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) bij de bestrijding van terrorisme, aangezien deze positief bijdragen aan de veiligheid, stabiliteit, grenscontroles, hervormingen in de beveiligingssector, ontwikkeling van capaciteiten op het gebied van terrorismebestrijding en het delen van informatie;

Slachtoffers van terrorisme

ET.  overwegende dat te veel mensen in de EU directe slachtoffers van terrorisme waren, waardoor duizenden families posttraumatische aandoeningen opliepen die gevolgen hebben voor hun welzijn op de lange termijn; overwegende dat er geen geharmoniseerde statistieken zijn over het exacte aantal slachtoffers; overwegende dat vóór 2001 de IRA en de ETA verantwoordelijk waren voor de meeste slachtoffers van terrorisme, terwijl daarna terroristische acties die werden georganiseerd of geïnspireerd door Al Qaida en Da'esh, verreweg de voornaamste oorzaak waren;

EU.  overwegende dat door de dood van de slachtoffers als gevolg van terroristische aanslagen families worden verwoest en dat veel van de gewonde overlevenden van terroristische aanslagen gehandicapt of verminkt raken door verlies van ledematen of met psychologische problemen kampen, waardoor hun leven op zijn kop komt te staan en hun situatie zwaar drukt op de naaste familie en de gemeenschap, terwijl de langetermijnbehoeften van de slachtoffers maar al te vaak worden genegeerd zodra de aandacht van de media verslapt; overwegende dat post-traumatische stress een grote uitdaging vormt voor de volksgezondheid in Europa; overwegende dat er geen algemene Europese cijfers zijn over de effecten van terrorisme op de mentale gezondheid van de bevolking na de verschillende aanslagen;

EV.  overwegende dat slachtoffers van terrorisme een zeer specifieke status hebben en dat het niet alleen wettelijk verplicht is om aan hun behoeften te voldoen krachtens het EU-, internationaal en nationaal recht, maar dat dit ook tot de verantwoordelijkheid van onze samenleving in haar geheel behoort; overwegende dat bij recente aanslagen in de EU slachtoffers uit een groot aantal verschillende lidstaten zijn gevallen;

EW.  overwegende dat er op Europees niveau geen afgebakend wettelijk statuut is voor slachtoffers van terrorisme om hun toegang te verschaffen tot maatschappelijke dienstverlening of hun het recht te geven op schadevergoeding; overwegende dat slachtoffers van de recente terroristische aanslagen in Europa nog steeds hun recht niet hebben kunnen halen, niet correct worden behandeld en geen beroep kunnen doen op slachtofferhulp of financiële bijstand; overwegende dat slachtoffers mogelijk te maken zullen krijgen met secundair slachtofferschap, hetgeen niet alleen gevolgen voor ze heeft in gerechtelijke procedures, maar ook in de vele interacties die zij hebben met andere statelijke en niet-statelijke entiteiten;

EX.  overwegende dat er nog steeds verschillen bestaan in de manier waarop de bepalingen van Richtlijn (EU) 2012/29 zijn omgezet in procedures op nationaal niveau; overwegende dat de Commissie nog steeds haar verslag over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn niet heeft ingediend; overwegende dat het Europees Parlement op 30 mei 2018 een resolutie heeft aangenomen over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn(14);

EY.  overwegende dat schadevergoeding voor de slachtoffers van terrorisme dient als een vorm van erkenning door de samenleving van de schade die is geleden als gevolg van de aanslag en als financiële steun en schadeloosstelling; overwegende dat er tussen de lidstaten grote verschillen bestaan in de schadevergoedingsniveaus en de procedures, waardoor de opvattingen die slachtoffers hebben over onrecht en hun lijden worden verergerd;

EZ.  overwegende dat hulpsystemen moeten worden opgezet op een manier die garandeert dat ook constant en systematisch aandacht wordt besteed aan slachtoffers in grensoverschrijdende situaties en dat zij in hun thuisland bijstand krijgen, maar ook in contact blijven met hulpverleners in het land waar de aanslag plaatsvond;

FA.  overwegende dat Eurojust de uitvoering van verzoeken om wederzijdse rechtshulp heeft gefaciliteerd voor het coördineren en verlenen van bijstand aan slachtoffers van terrorisme bij de uitoefening van hun rechten, aangezien buitenlandse slachtoffers in hun nationale rechtsstelsel verschillende rechten hebben en uiteenlopende rollen vervullen;

FB.  overwegende dat terrorisme ook ondernemingen, met inbegrip van kmo's, schade kan berokkenen, bijvoorbeeld door schade aan eigendommen te veroorzaken of de zakelijke activiteiten te onderbreken;

FC.  overwegende dat het Parlement een proefproject heeft voorgesteld om een "Europees coördinatiecentrum voor slachtoffers van terrorisme" in te stellen, door belangrijke operationele deskundigen, advocaten van slachtoffers en betrokken organisaties uit heel Europa bij elkaar te brengen, om de belangrijkste prioriteiten en problemen voor slachtoffers van terrorisme vast te stellen en gecoördineerde grensoverschrijdende steun te bieden;

Grondrechten

FD.  overwegende dat er voor de Europese Unie een noodzakelijke rol is weggelegd door de eerbiediging van democratische waarden, waaronder de rechtsstaat en de grondrechten, te bevorderen; overwegende dat er echter extreme religieuze en politieke opvattingen en praktijken binnen de EU bestaan die lijnrecht indruisen tegen die waarden;

FE.  overwegende dat maatregelen inzake terrorismebestrijding en bescherming van de vrijheden geen tegenstrijdige doelstellingen vormen, maar elkaar aanvullen en wederzijds versterken; overwegende dat de grondrechten van elke persoon moeten worden gewaarborgd en beschermd en alle maatregelen in de strijd tegen terrorisme zo min mogelijk gevolgen moeten hebben voor de onschuldige bevolking die hiermee niets te maken heeft;

FF.  overwegende dat bij maatregelen inzake terrorismebestrijding alle fundamentele rechten en beginselen altijd volledig moeten worden gewaarborgd, waaronder op het vlak van privacy en gegevensbescherming, de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, en ook procedurele waarborgen moeten worden geboden, zoals het vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk proces en het recht op informatie, zodat individuen op doeltreffende wijze bezwaar kunnen maken tegen schendingen van hun grondrechten, inclusief de mogelijkheid om in beroep te gaan, en het acquis van de Unie over procedurele rechten wordt nageleefd; overwegende dat bij dergelijke maatregelen terdege rekening wordt gehouden met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

FG.  overwegende dat het cruciaal is dat bij onderzoeken in het kader van terrorismebestrijding een hoge mate van professionaliteit wordt betracht en dat alle maatregelen gericht, evenredig en noodzakelijk zijn; overwegende dat het beleid inzake terrorismebestrijding niet mag leiden tot sociale uitsluiting en stigmatisering; overwegende dat het Bureau voor de grondrechten verzocht kan worden een advies op te stellen over wetgeving inzake terrorismebestrijding in de context van het meerjarig kader daarvan;

FH.  overwegende dat rechtshandhavings- en justitiepersoneel de eerste linie vormt in de strijd tegen terrorisme; overwegende dat er meerdere gedocumenteerde gevallen zijn van politie- en justitieambtenaren en hun gezinnen op wie gewelddadige extremisten het gemunt hadden en die bedreigd werden, met soms gewelddadige fysieke aanvallen en zelfs moord tot gevolg; overwegende dat het van groot belang is dat er politieke en publieke steun is voor rechtshandhavings- en justitiepersoneel dat de fundamentele rechten waarborgt tijdens onderzoeken in het kader van terrorismebestrijding, waarbij zij hun leven op het spel zetten;

FI.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten discriminatie op grond van een handicap verbiedt en onderkent dat personen met een handicap recht hebben op maatregelen die beogen hun zelfstandigheid, hun maatschappelijke en beroepsintegratie en hun deelname aan het gemeenschapsleven te bewerkstelligen; overwegende dat de rechten van personen met een handicap in de EU ook worden beschermd door het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

Aanbevelingen

Institutioneel kader

1.  is van mening dat de lidstaten uit hoofde van hun soevereine bevoegdheden weliswaar als eerste verantwoordelijk zijn voor het voorkomen van en de reactie op dreigingen, maar dat er duidelijk behoefte is aan de volledige erkenning van de rol van de Europese Unie en van de maatregelen inzake terrorismebestrijding die zijn genomen in het kader van de "Veiligheidsunie" om hen te ondersteunen, optimale werkmethoden te coördineren en te delen, gemeenschappelijke oplossingen en toegevoegde waarde te bieden, zodat ze de verschijnselen van radicalisme, extremisme en terrorisme beter kunnen bestrijden; is van mening dat Europees optreden in een ruimte zonder binnengrenzen van essentieel belang is om een hoog veiligheidsniveau te garanderen op het hele Europese grondgebied en dat de intensivering van de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen lidstaten en met de Europese Unie cruciaal is om effectief te kunnen reageren op terroristische dreigingen, deze te voorkomen en burgers te beschermen; dringt er bij de lidstaten en de EU-instellingen op aan toe te werken naar een gemeenschappelijke strategische cultuur;

2.  is van mening dat de EU en de lidstaten hun samenwerking moeten verbeteren door de bestaande Europese organen, gespecialiseerde EU-agentschappen en -diensten en de samenwerkingskanalen tussen de bevoegde autoriteiten en gerechtelijke instellingen van de lidstaten te versterken; is van mening dat deze EU-agentschappen toereikende middelen moeten krijgen om de toenemende werklast aan te kunnen;

3.  onderstreept het belang van de uitwisseling van goede praktijken, niet alleen tussen de lidstaten binnen de Europese Unie, maar ook met derde landen; is ingenomen met de initiatieven die zijn genomen door sommige lidstaten, maar ook op plaatselijk niveau door bepaalde steden en zelfs door particuliere spelers, om doeltreffende instrumenten te vinden om terrorisme te bestrijden;

4.  verzoekt de volgende voorzitter van de Commissie een aparte portefeuille in stand te houden voor de commissaris voor de Veiligheidsunie,

5.  verzoekt de Raad om de functie van coördinator voor terrorismebestrijding te handhaven; is van mening dat de EU-coördinator voor terrorismebestrijding een proactieve rol moet blijven spelen in het versterken van de EU-respons in de strijd tegen terrorisme; verzoekt de status en rol te verduidelijken van de coördinator voor terrorismebestrijding, die als brug moet fungeren tussen de bevoegde EU-instellingen en de agentschappen van de lidstaten;

6.  is van mening dat vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid drie aspecten zijn die niet los van elkaar kunnen worden geanalyseerd; is van mening dat de eerbiediging van de grondrechten een essentieel onderdeel moet zijn van alle wetgevingsinitiatieven op het gebied van terrorisme; dringt erop aan dat terrorismebestrijding tot de bevoegdheden van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het Europees Parlement blijft behoren om de samenhang met andere wetgevingsdossiers op het gebied van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te garanderen;

7.  roept de Raad op om de bestrijding van georganiseerde misdaad en terrorisme toe te voegen aan de bevoegdheden van het Europees openbaar ministerie;

8.  roept de lidstaten en de Commissie op om het Atlas-netwerk van speciale civiele operatieve eenheden voor terreurbestrijding in de EU-lidstaten verder te versterken en ondersteunen;

9.  dringt er bij de Commissie op aan stelselmatig effectbeoordelingen uit te voeren en belanghebbende burgers en deskundigen te raadplegen met betrekking tot toekomstige wetgevingsvoorstellen voor terrorismebestrijding;

Terrorismedreiging

10.  verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten meer transparantie en een gemeenschappelijk begrip van dreigingsniveaus tot stand te brengen; verzoekt de lidstaten om informatie over veranderingen in dreigingsniveaus en de redenen hiervoor snel door te geven; roept de Commissie en lidstaten op hun visie op terrorisme niet te beperken tot alleen jihadisme, maar ook alert te blijven op terroristische dreigingen die worden ingegeven door andere beweegredenen, bijvoorbeeld zoals genoemd in de TE-SAT-verslagen van Europol;

11.  roept de Commissie op er op de relevante internationale fora voor te pleiten dat terrorisme wordt ingedeeld als "misdaad tegen de menselijkheid", een begrip dat wordt beschreven in artikel 7 van het Statuut van Rome, dat heeft geleid tot de oprichting van het Internationaal Strafhof;

12.  roept alle lidstaten in overeenstemming met de conclusies van de Raad van Europa(15) op te erkennen dat Da'esh genocide heeft gepleegd, met name tegen de jezidi's en christelijke en niet-soennitische moslimminderheden, en verzoekt alle lidstaten snel en doeltreffend op te treden op grond van hun verplichting uit hoofde van het Genocideverdrag van 1948 om genocide te voorkomen en te bestraffen, alsook hun algemene verantwoordelijkheid om op te treden tegen misdaden krachtens het internationaal recht;

13.  verzoekt de lidstaten en de bevoegde EU-agentschappen toezicht te houden op alle buitenlandse terroristische strijders en te zorgen voor geharmoniseerde beveiliging en een gerechtelijke follow-up van personen van wie is vastgesteld dat ze zijn teruggekeerd naar Europa; verzoekt de Commissie de lidstaten te steunen bij de vaststelling van onderling afgestemde classificatiesystemen om een onderscheid te maken tussen teruggekeerden met een hoog, gemiddeld en laag risico;

14.  acht het raadzaam dat de lidstaten beschikken over gepaste structuren om te reageren op teruggekeerde kinderen, en in het bijzonder een gespecialiseerd instrument ontwikkelen om, op basis van hun ontwikkelingsfase en de mate waarin ze betrokken zijn geweest bij de criminele activiteiten in het buitenland, te bepalen welke risico's deze kinderen lopen en wat hun behoeften zijn; onderstreept dat rehabilitatieprogramma's moeten worden gebaseerd op een multidisciplinaire aanpak waarin uiteenlopende kennis, onder andere van ervaren professionals op het gebied van trauma, extremisme, kinderontwikkeling, onderwijs en risicobeoordeling samenkomt die is afgestemd op de lokale en nationale context, en deze programma's moeten worden voorzien van duidelijke juridische en organisatiestructuren om met dit alarmerende verschijnsel om te gaan; spoort de lidstaten aan samen te werken met het Internationale Comité van het Rode Kruis, aangezien dit comité bijzondere toegang en expertise heeft op dit gebied;

15.  verzoekt de Commissie het CBRN-actieplan te herzien en actualiseren en verzoekt de lidstaten passende "burgerbeschermingsmaatregelen" vast te stellen of aan te scherpen en te handhaven om voorbereid te zijn op CBRN-aanvallen, door de aanwerving van gekwalificeerd en regelmatig bijgeschoold personeel, zowel voltijdspersoneel als vrijwilligers, en ook te zorgen voor een goede technische infrastructuur met inbegrip van reactiemiddelen zoals speciale mobiele detectiesystemen, voorraden van essentiële medicijnen, slachtofferzorg en de uitwisseling van beste praktijken; benadrukt dat deze maatregelen in overeenstemming moeten zijn met een multidisciplinaire strategie waarin coördinatiemethoden, kennisgevingsprocedures, standaardprotocollen, evacuatieplanning, openbare alarmsystemen en incidentenrapportage zijn opgenomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om deze strategieën geleidelijk aan te harmoniseren; roept de lidstaten op gespecialiseerde laboratoria te openen of bestaande laboratoria te verbeteren; verzoekt de Commissie in samenwerking met het Parlement relevante grensoverschrijdende onderzoeksactiviteiten te ondersteunen; moedigt nauwere samenwerking met het kenniscentrum van de NAVO voor CBRN aan om de uitwisseling van optimale werkmethoden tussen hulpdiensten in de lidstaten van de EU en de NAVO te garanderen;

16.  spoort de lidstaten en de Commissie aan samen te werken met de particuliere sector om mechanismen in te voeren die een betrouwbare, consistente en toereikende bevoorrading met medische tegenmiddelen waarborgen, met inbegrip van de potentiële toepassing van de gezamenlijke aankoopregeling van de EU, die is ingesteld bij Besluit 2013/1082 van 22 oktober 2013 over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid(16);

17.  dringt met het oog op een betere toegankelijkheid aan op de bijwerking van het Europees datasysteem inzake bommen bij Europol en de uitbreiding hiervan naar het Europees analyseproject – dat dient als informatie- en coördinatiehub voor alle CBRN-gerelateerde incidenten in de EU – dat moet worden aangevuld met een voldoende bemand multidisciplinair analyseteam;

18.  is ingenomen met het plan van de Commissie om de CBRN-paraatheid en het reactievermogen van de EU te vergroten door middel van sectoroverschrijdende oefeningen voor rechtshandhavings-, civielebeschermings- en gezondheidsstructuren en, indien relevant, grensbewakings- en douanestructuren, in het kader van de bestaande financieringsinstrumenten en operationele hulpmiddelen, in het bijzonder het Uniemechanisme voor civiele bescherming, Cepol en het Fonds voor interne veiligheid-Politie;

19.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan gemeenschappelijke normen vast te stellen voor doorlichtingsprocedures bij kwetsbare instellingen, zoals kerncentrales en gespecialiseerde laboratoria;

20.  spoort de lidstaten aan intensiever gebruik te maken van technische systemen voor het opsporen van chemische, biologische, radiologische en nucleaire stoffen (CBRN), vooral bij grootschalige openbare evenementen, en verzoekt de Commissie in samenwerking met het Parlement meer Europese financiële middelen beschikbaar te stellen voor de grootscheepse aanschaf van dergelijke systemen;

21.  is verheugd over de oprichting binnen het Europees Centrum voor terrorismebestrijding (ECTC) van een kenniscentrum over het onderwerp CBRN en aanverwante activiteiten over explosieven, dat zal functioneren naast het Europees Opleidingscentrum voor nucleaire veiligheid (Eusectra); pleit voor een standaardprocedure waarbij elke lidstaat daadwerkelijk informatie deelt met het kenniscentrum;

22.  is ingenomen met de vaststelling van een verordening inzake gemeenschappelijke regels op het vlak van veiligheid in de burgerluchtvaart en het mandaat van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 216/2008(17); verzoekt de Commissie om bij de vaststelling van toekomstige gedelegeerde en uitvoeringsbepalingen betreffende drones en vluchtuitvoeringen met drones rekening te houden met veiligheidsaspecten, met inbegrip van regelmatig geactualiseerde risicobeoordelingen, verplichte registratie, elektronische identificatie en geofencing voor alle categorieën drones, alsook verplichte veiligheidsvergunningen en opleidingen voor bestuurders die veiligheids- en inspectieopdrachten uitvoeren;

23.  merkt op dat veel personen die terroristische activiteiten uitvoeren in de EU vaak beginnen in de kleine criminaliteit en in de gevangenis zijn geïndoctrineerd door gewelddadig extremistisch gedachtegoed; verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat hun strafrechtsystemen criminelen op de juiste manier straffen en mogelijkheden biedt voor een grondige beraadslaging over het risico op recidivisme alvorens toestemming te verlenen voor een vroegtijdige verlating; benadrukt dat er in de gevangenis moet worden gewerkt aan reclassering en re-integratie en geen voedingsbodem voor gewelddadig extremisme wordt geboden;

24.  onderstreept dat de verwevenheid van terreurorganisaties en georganiseerde misdaad een voortdurende dreiging blijft, met name in verband met logistieke capaciteiten en wapenhandel die mogelijkheden creëren voor grootschalige aanslagen;

25.  wijst op het toenemende gevaar van cyberaanvallen en onderstreept dat de inspanningen ter waarborging van de cyberveiligheid moeten worden opgevoerd, ook op het gebied van terrorismebestrijding;

26.  dringt er bij de lidstaten op aan hun overheidsinstanties die betrokken zijn bij terrorismebestrijding te voorzien van toereikende technische, financiële, educatieve en juridische middelen om zichzelf te kunnen beschermen tegen gewelddadige extremisten bij de uitoefening van hun taken;

Preventie en bestrijding van radicalisering die leidt tot gewelddadig extremisme

Structuren voor de bestrijding van radicalisering

27.  roept ertoe op om als opvolger van het netwerk voor voorlichting over radicalisering (RAN) een EU-"kenniscentrum voor radicaliseringspreventie" binnen de Commissie in te stellen, dat wordt voorzien van toereikende financiële middelen en voldoende personeel; is van mening dat dit onder andere de volgende taken moet vervullen: coördinatie, facilitering van de samenwerking en de uitwisseling van kennis, verkennende projecten en goede praktijken tussen lidstaten, beleidsmakers, beroepsbeoefenaars (door voormalige RAN- en ESCN-structuren erbij te betrekken) en overleg met religieuze leiders of gemeenschappen en academici en deskundigen, waaronder IT-specialisten, op het gebied van de preventie en bestrijding van radicalisering; wijst erop dat het kenniscentrum onder andere opleidingen aan verschillende categorieën professionals moet aanbieden, waaronder rechters en officieren van justitie, ook in partnerschappen met belangrijke strategische derde landen; is van oordeel dat dit centrum ook wetenschappelijke methoden moet vaststellen voor het evalueren en meten van de doeltreffendheid van de programma's en projecten, zodat het desbetreffende beleid indien nodig kan worden aangepast;

28.  merkt op dat volgens het verslag van de Europese Rekenkamer over deradicalisering van 2018 de Commissie geen volledig overzicht bijhoudt van door de EU gefinancierde maatregelen en dat er geen gebruik wordt gemaakt van indicatoren of doelstellingen voor EU-fondsen om te bepalen in hoeverre de aanpak succes heeft; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat er in het kader van het Fonds voor interne veiligheid voldoende middelen worden uitgetrokken voor de preventie en bestrijding van radicalisering, waarmee de momenteel over verschillende fondsen en programma's verspreide middelen kunnen worden gestroomlijnd en de coördinatie, zichtbaarheid en doeltreffendheid van het gebruik ervan aan de hand van mogelijk door het kenniscentrum voor radicaliseringspreventie op te stellen criteria kunnen worden verbeterd;

29.  dringt er bij de lidstaten op aan uitgebreide nationale en regionale strategieën voor de preventie en bestrijding van radicalisering vast te stellen, met voldoende financiële middelen voor gemeenschappen en partners op lokaal niveau die betrokken zijn bij de ontwikkeling en uitvoering van programma's op basis van deze strategieën, en verzoekt om een aanpak waarbij verschillende instanties samenwerken; benadrukt dat de beste resultaten worden bereikt in samenwerking met lokale gemeenschappen; benadrukt daarnaast dat objectieve kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren die door het kenniscentrum voor radicaliseringspreventie kunnen worden ontwikkeld lokale en regionale autoriteiten in staat zouden stellen om de lokale bijzonderheden van radicalisering in kaart te brengen en programma's beter af te stemmen op het specifieke gebied;

30.  roept de lidstaten op radicalisering op holistische wijze aan te pakken, ook in samenwerking met lokale overheden, en veiligheidsbenaderingen aan te vullen met strategieën voor sociale inclusie en economische en culturele integratie, en met langetermijnbeleid en investeringen in overheidsdiensten en infrastructuur; spoort zowel de Commissie als de lidstaten aan om antidiscriminatiecampagnes te bevorderen;

31.  benadrukt het belang van specifiek onderzoek naar de rol van vrouwen in bepaalde regio's, landen en gemeenschappen om inzicht te krijgen in hun rol en om vast te stellen op welke gebieden vrouwenorganisaties kunnen helpen beter weerstand te bieden tegen radicalisering;

32.  verzoekt om de instelling van een Europese prijs voor veerkracht, die elk jaar door het Europees Parlement, en mogelijk in nauw overleg met het kenniscentrum voor radicaliseringspreventie, wordt toegekend aan het beste sociale en culturele project op lokaal niveau in de EU, ter bevordering van sociale betrokkenheid, in volledige overeenstemming met de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten en met als doel samenlevingen op te bouwen die niet vatbaar zijn voor radicalisering;

33.  dringt er bij Eurojust op aan door te gaan met het monitoren van de rechtspraak in de lidstaten met betrekking tot radicaliseringsprocessen die tot terrorisme leiden, met inbegrip van alternatieven voor vervolging en detentie, en hierover regelmatig verslag uit te brengen in zijn Terrorism Conviction Monitor (TCM); verzoekt de lidstaten in dit verband Eurojust alle relevante informatie te doen toekomen over vervolgingen en veroordelingen voor terroristische misdrijven die twee of meer lidstaten (kunnen) raken;

Religieus extremisme

34.  dringt er bij de lidstaten op aan de vrijheid van godsdienst en het recht op vrije uitoefening daarvan, zoals neergelegd in het Handvest van de grondrechten, te garanderen en om in dit specifieke verband ook uitsluitend religieuze praktijken aan te moedigen en te tolereren die volledig in overeenstemming zijn met de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de geldende wetten in de lidstaten; is verheugd over de initiatieven van religieuze gemeenschappen in Europa om gevaarlijke boodschappen vanuit hun gemeenschappen te bestrijden; benadrukt de noodzaak om de interreligieuze en interculturele dialoog en de samenwerking met religieuze gemeenschappen en lokale autoriteiten aan te moedigen om radicalisering te voorkomen;

35.  verzoekt de lidstaten om imams te onderwerpen aan een voorafgaande screening en haatpredikers van geval tot geval consistent op de zwarte lijst te plaatsen; verzoekt de Commissie een EU-watchlist in te voeren voor een betere uitwisseling van informatie over extremistische imams binnen de wettelijk toelaatbare marge; spoort de lidstaten aan tot een gemeenschappelijk inzicht te komen en richtsnoeren op te stellen aan de hand waarvan die imams kunnen worden getoetst;

36.  verzoekt de lidstaten het aanbod van mogelijkheden van hoger onderwijs voor imams in de EU te vergroten, met transparant toezicht en door alleen theologische onderwijsprogramma's te erkennen die volledig in overeenstemming zijn met de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten, de neutraliteit en het democratische laïcisme van de Europese landen, en door de lesbevoegdheid in te trekken in het geval van overtredingen;

Optreden tegen haatzaaiende uitingen en extremistische groeperingen

37.  verzoekt de lidstaten de richtlijn voor terrorismebestrijding en het kaderbesluit betreffende racisme en vreemdelingenhaat ten uitvoer te leggen, op grond waarvan de aansporing tot het verrichten van terreurdaden of een haatmisdrijf een strafbaar feit is, om met alle juridische maatregelen, onder meer weigering van visa of uitzetting uit het EU-grondgebied, te voorkomen dat haatpredikers openbare activiteiten ontplooien en om rechtszaken tegen dergelijke predikers en andere personen met extremistische en terroristische bekeringsijver te kunnen aanspannen;

38.  dringt er bij de lidstaten op aan om gebedshuizen te sluiten en organisaties te verbieden die niet volledig in overeenstemming zijn met de toepasselijke EU- en nationale wetgeving, de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten, en die aanzetten tot terreurdaden, haat, discriminatie of geweld;

39.  verzoekt de lidstaten te onderzoeken hoe ervoor kan worden gezorgd dat gebedshuizen, onderwijs en godsdienstonderricht, liefdadigheidsinstellingen, culturele verenigingen en stichtingen en soortgelijke instanties informatie verstrekken over de herkomst van hun financiële middelen en de verdeling daarvan, zowel binnen als buiten de EU, en hoe gegevens over deze instanties, als er vermoedens of redelijke gronden voor een vermoeden van banden met terroristische groeperingen bestaan, kunnen worden vastgelegd en geanalyseerd door bevoegde autoriteiten in overeenstemming met het rechtskader en de regels voor gegevensbescherming van de EU; roept de lidstaten op om financiering te verbieden van derde landen die zich verzetten tegen de democratie, de rechtsstaat en mensenrechten;

40.   verzoekt de lidstaten snel juridische stappen te ondernemen om alle gedrukte en onlinepropaganda binnen hun grondgebied waarin expliciet wordt aangezet tot gewelddadig extremisme en terroristische daden, te verbieden en te verwijderen, met inbegrip van alle inhoud die wordt geproduceerd of verspreid door groepen en individuen die door de EU of de VN zijn gesanctioneerd; verzoekt dergelijke propaganda uit winkels en van onlineplatforms te verwijderen als onderdeel van de meldingen door de EU-eenheid voor de melding van internetuitingen, die indien nodig kan worden versterkt wat betreft personele middelen en capaciteiten; dringt aan op inspanningen om de bronnen van dergelijke propaganda op te sporen en/of te identificeren;

41.  verzoekt de lidstaten in overeenstemming met de richtlijn audiovisuele mediadiensten maatregelen te nemen tegen satelliet-tv-zenders die geweld en haatzaaiende uitingen verspreiden en aanzetten tot terrorisme; roept de lidstaten op de richtlijn volledig en snel ten uitvoer te leggen zodat artikel 6 over het voorkomen van het aanzetten tot geweld en haat in de hele EU wordt toegepast; verzoekt de Commissie een analyse voor te bereiden van mogelijke wetgevingswijzigingen in de richtlijn om dergelijke zenders, die uitzenden vanuit derde landen, doeltreffender te kunnen blokkeren;

Onderwijs

42.  benadrukt dat de lidstaten moeten waarborgen dat alle onderwijsinstellingen onderwijs bieden in overeenstemming met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, door middel van controles van curricula, regelmatige inspecties en sancties voor niet-naleving;

43.  is van mening dat onderwijs als een proces om de geschiedenis, beschavingen, culturen, ideologieën en religies te ontdekken, te verkennen, te beleven en onder ogen te zien een volwaardig instrument moet worden in de strijd tegen alle processen van extremistisch geweld en gewelddadige radicalisering; benadrukt het belang van onderwijs in non-discriminatie, respect voor de geloofsovertuigingen van anderen en bevordering van de sociale inclusie van alle kinderen, overeenkomstig het EU-Handvest van de grondrechten en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind;

44.  verzoekt de lidstaten beleid vast te stellen ter voorkoming van radicalisering, zowel specifiek (van kwetsbare groepen) als niet-specifiek (algemeen); is van mening dat bijeenkomsten op scholen met slachtoffers, teruggekeerde personen en hun gezinnen, en mensen die radicalisering hebben overwonnen een probaat middel kunnen zijn om radicalisering te voorkomen; moedigt bewustmakingstrainingen aan voor beroepsbeoefenaren die in contact kunnen komen met teruggekeerde kinderen; stelt vast dat de beste resultaten vaak worden bereikt in samenwerking met lokale gemeenschappen, die de belangrijkste uitingen van terroristische groeperingen met tegengeluiden ter discussie stellen;

45.  spoort de lidstaten aan media- en informatiegeletterdheid en internetgebruik op te nemen in hun nationale onderwijsprogramma's, om jongeren handvaten aan te reiken waarmee zij de vaak ongefilterde informatie die op internet circuleert kunnen begrijpen en op waarde schatten en het internet op een verantwoorde manier kunnen gebruiken, teneinde mogelijke risico's op radicalisering te vermijden;

46.  stelt voor dat lidstaten richtsnoeren vaststellen waarmee de mogelijke radicalisering van leerlingen kan worden aangepakt en dat ze eenvoudige en duidelijke procedures ontwikkelen om met die leerlingen om te kunnen gaan; benadrukt dat kinderbeschermingsautoriteiten en sociale diensten, in betere samenwerking met de desbetreffende wetshandhavings- en rechtsinstanties, bij de aanpak van de ernstigste gevallen van radicalisering moeten worden betrokken;

Internet

47.  onderstreept de noodzaak van automatische opsporing en systematische, snelle en volledige verwijdering van terroristische online-inhoud op basis van duidelijke wettelijke bepalingen, waaronder waarborgen, en menselijke beoordeling; wijst er verder op dat het opnieuw uploaden van eerder verwijderde inhoud moet worden voorkomen; is ingenomen met het wetgevingsvoorstel van de Commissie ter voorkoming van de verspreiding van terroristische online-inhoud door platformen ertoe te verplichten deze inhoud volledig te verwijderen; roept de medewetgevers op met spoed werk te maken van dit voorstel; verzoekt de lidstaten om nationale maatregelen vast te stellen als de goedkeuring van wetgeving vertraging oploopt;

48.  is van mening dat de verslaglegging moet bestaan uit beschrijvingen en statistieken van de inhoud die verwijderd is en de reden daarvoor, hoeveel keer de inhoud werd bekeken voordat deze werd verwijderd, hoe lang de inhoud online bleef vóór de verwijdering ervan en of de account met betrekking tot de beledigende inhoud al dan niet werd verwijderd en zo ja, wanneer; benadrukt dat passende transparantie nodig is om te kunnen beoordelen of de overheidsinstanties een goede bijdrage leveren aan het onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten wanneer illegale inhoud wordt gemeld;

49.  is ingenomen met de werkzaamheden van het Global Internet Forum to Counter Terrorism (GIFCT) en roept de oprichters van het GIFCT op om hun inspanningen met betrekking tot hun gezamenlijke hashdatabase op te voeren, ook door kennis te delen met kleinere technologiebedrijven; roept technologische bedrijven op hun inspanningen en financiering voor de ontwikkeling van methoden om terroristische inhoud snel te verwijderen, zonder daarbij echter de vrijheid van meningsuiting in gevaar te brengen, op te voeren;

50.   is ingenomen met het werk van de EU-eenheid voor de melding van internetuitingen (EU IRU) van Europol; roept elke lidstaat op een speciale eenheid op te zetten voor het melden van illegale inhoud, eventueel in samenwerking met de EU IRU bij het waarborgen van complementariteit en het vermijden van onnodig dubbel werk bij het doorverwijzen van terroristische inhoud naar IT-bedrijven; pleit voor een versterking van het EU IRU om de inspanningen van de lidstaten om terroristische online-inhoud te onderscheppen, te signaleren en te verwijderen te faciliteren en coördineren; is bovendien van mening dat het van cruciaal belang is om informatie te verzamelen over verwijderde terroristische online-inhoud en accounts bij Europol, om te voorkomen dat deze opnieuw worden geüpload en analyses en strafrechtelijk onderzoek mogelijk te maken;

51.  roept de Commissie op een Europees onlineplatform te creëren dat burgers kunnen gebruiken om terroristische online-inhoud te signaleren, en verzoekt bedrijven om over voldoende capaciteit te beschikken om gesignaleerde inhoud te ontvangen, te evalueren, te verwerken en erop te reageren;

52.  pleit voor een doeltreffende partnerschapsbenadering tussen wetshandhavingsinstanties, gerechtelijke autoriteiten, de IT-sector, internetserviceproviders (ISP's), internethostproviders (IHP's), socialemediabedrijven en maatschappelijke organisaties, bij de ontwikkeling en verspreiding van doeltreffende tegengeluiden, in voorkomend geval ook met medewerking van slachtoffers en voormalige gewelddadige extremisten, en wenst dat zoekmachines tegengeluiden op een prominente plek plaatsen; spoort de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten aan zich meer in te spannen om doeltreffende tegengeluiden te laten horen en andere strategische communicatiemiddelen in te zetten;

Gevangeniswezen

53.  verzoekt de lidstaten beveiligde en veilige gevangenisomstandigheden te waarborgen voor zowel gevangenen als het personeel, en specifieke procedures en indicatoren te ontwikkelen voor het identificeren van en omgaan met geradicaliseerde gevangenen, om radicalisering van anderen te voorkomen, doelgericht toezicht en doelgerichte deradicaliseringsmaatregelen in te stellen en het gevangenispersoneel op dit gebied te trainen;

54.  dringt er bij de lidstaten op aan de veiligheid en de fysieke en psychologische integriteit van het personeel in gevangenissen te waarborgen en hun psychologische begeleiding te bieden; verzoekt de lidstaten om te voorzien in toereikende middelen, gerichte opleiding en toezicht voor gevangenisautoriteiten op alle niveaus, met name voor eerstelijnspersoneel dat in nauw contact staat met jeugdige delinquenten en geradicaliseerde gedetineerden; benadrukt in het bijzonder dat het personeel adequaat moet worden opgeleid om in een vroegtijdig stadium tekenen van radicalisering te kunnen herkennen; spoort de lidstaten aan om een inventarisatie te maken van de cursussen die met behulp van EU-middelen zijn ontwikkeld door de Europese Reclasseringsorganisatie (CEP), EuroPris en het Europees netwerk van opleidingscentra voor gevangenispersoneel (EPTA); roept op tot een verdere EU-bijdrage om de opleiding van gevangenisbewakers op het gebied van radicalisering en potentiële terroristische dreigingen te verbeteren;

55.  benadrukt dat gevangenisautoriteiten specifieke instrumenten en methoden moeten ontwikkelen om geradicaliseerde gedetineerden in kaart te brengen en te observeren aan de hand van de mate van radicalisering en om ze voorafgaand aan hun vrijlating deel te laten nemen aan een verplichte beoordeling; roept de Commissie op om beste praktijken te bevorderen op het vlak van risicobeoordelingsmethoden voor geradicaliseerde gedetineerden, die door verschillende lidstaten zijn ontwikkeld; is van mening dat de gedetineerden die als het gevaarlijkst worden beschouwd moeten worden gerapporteerd aan de gerechtelijke autoriteiten en/of de nationale en externe autoriteiten die belast zijn met terrorismebestrijding, met doeltreffende voorwaardelijke vrijlatingseisen voor degenen die de openbare veiligheid in gevaar kunnen brengen; dringt er bij de lidstaten op aan om de vergaring van inlichtingen over geradicaliseerde gedetineerden en de follow-up daarvan te verbeteren, voortbouwend op de beste praktijken in de lidstaten, zoals het opzetten van inlichtingenprocedures voor het gevangeniswezen; benadrukt dat het nuttig kan zijn om een contactpersoon te benoemen die verantwoordelijk is voor de bestrijding van radicalisering in het gevangeniswezen;

56.  benadrukt dat er in de gevangenis moet worden gewerkt aan reclassering en re-integratie in plaats van een voedingsbodem te bieden voor radicalisering; roept de lidstaten op multidisciplinaire deradicaliseringsprogramma's op te zetten in gevangenissen; is van mening dat re-integratiemaatregelen al tijdens de gevangenschap aan bod moeten komen om de gevangenen op hun vrijlating voor te bereiden; is van mening dat het kenniscentrum voor radicaliseringspreventie een follow-up kan uitvoeren van actieplannen ter bestrijding van radicalisering in gevangenissen en tijdens de reclassering;

57.  benadrukt dat inhumane detentieomstandigheden, overvolle gevangenissen en slechte behandeling contraproductief zijn voor wat betreft de beoogde bestrijding van radicalisering en gewelddadig extremisme; wijst erop dat er met het oog op de preventie van radicalisering in gevangenissen detentieregels moeten worden ingesteld die zijn afgestemd op de mate van gevaarlijkheid van de gevangenen; onderstreept in dit verband dat in alle specifieke programma's die gericht zijn op een bepaalde groep gedetineerden dezelfde mensenrechten en internationale verplichtingen in acht moeten worden genomen als bij andere gedetineerden;

58.  verzoekt de Commissie een Europees forum inzake detentieomstandigheden op te zetten, om de uitwisseling van goede praktijken tussen deskundigen en beroepsbeoefenaars in alle lidstaten te bevorderen;

59.  vestigt de aandacht op de handel in verschillende illegale goederen in de gevangenis en met name de handel in mobiele telefoons waarmee gevangenen vanuit de gevangenis contact kunnen houden met terroristische netwerken in de buitenwereld;

60.  dringt er bij de lidstaten op aan de toegang tot echte imams te vergemakkelijken, aangezien dit de risico's van de zelforganisatie van radicale religieuze cellen vermindert; stelt voor een licentiesysteem in te voeren op basis van achtergrondcontroles voor imams die toegang hebben tot gevangenissen om de verspreiding van extremistische standpunten onder gevangenen die een groot risico vormen te voorkomen, en verzoekt de Raad, met ondersteuning van de Commissie, richtsnoeren hiervoor op te stellen aan de hand van optimale werkmethoden; verzoekt de lidstaten de imams die toegang hebben tot gevangenissen regelmatig te beoordelen en te monitoren; roept de lidstaten op om een standaardopleiding voor predikers die in gevangenissen werken te eisen op basis van de beste praktijken die door de penitentiaire autoriteiten van de lidstaten zijn ontwikkeld, ook in samenwerking met derde landen;

Samenwerking en uitwisseling van informatie

Horizontale kwesties

61.  dringt bij de lidstaten aan op de volledige en tijdige tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving en verzoekt de Commissie hierbij de nodige steun te verlenen; verzoekt de Commissie de tekortkomingen bij de omzetting, tenuitvoerlegging en toepassing van de bestaande wetgeving te analyseren en gebruik te maken van haar bevoegdheden om inbreukprocedures in te leiden wanneer lidstaten wetgeving niet naar behoren ten uitvoer leggen;

62.  dringt er bij de lidstaten op aan erop toe te zien dat ze beschikken over de benodigde technische apparatuur, software, beveiligingssystemen en gekwalificeerd personeel om de bestaande informatiesystemen en samenwerkingsmechanismen ten volle te benutten; wijst er nogmaals op dat moet worden gewaarborgd dat het personeel dat toegang heeft tot dergelijke apparatuur een passende opleiding heeft genoten op het gebied van gegevens;

63.  merkt op dat het veiligheidsonderzoek dat wordt uitgevoerd door openbare instellingen ontoereikend is; dringt aan op een meer proactieve definitie van de behoeften (bijv. versterking van het Europees netwerk van technologische diensten voor wetshandhaving (Enlets), dat de technologische behoeften op het gebied van rechtshandhaving definieert); roept op tot de ondersteuning van proefprojecten inzake kunstmatige intelligentie en blokchaintechnologie (overschrijvingen); pleit voor de actieve betrokkenheid van EU-agentschappen zoals Europol en Cepol bij EU-onderzoeksprojecten op het gebied van veiligheid; verzoekt de lidstaten regelmatig toekomstgerichte activiteiten te organiseren waarbij wordt gekeken naar scenario's voor toekomstige dreigingen; is voorstander van de voortzetting van de financiering door de Commissie van de instelling van gemoderniseerde databanken, de verstrekking van moderne technische apparatuur en de scholing van personeel, en verzoekt om een ambitieuzere aanpak in dit verband;

64.  dringt er bij de lidstaten op aan de nodige technische normen te ontwikkelen, verbeteringen door te voeren in de kwaliteit van de gegevens en een rechtskader op te zetten voor een toekomstige benadering van "automatische informatie-uitwisseling" als het gaat om het delen van informatie in verband met terrorismebestrijding met andere lidstaten en relevante EU-agentschappen en -organen op basis van de toepasselijke wettelijke voorschriften waarmee elk informatiesysteem gereguleerd wordt, en dergelijke informatie dus altijd wordt uitgewisseld, en hier enkel van af te zien in specifieke gevallen waar dit door omstandigheden vereist is, namelijk als het delen van informatie lopende onderzoeken of de veiligheid van een persoon in gevaar zou brengen of haaks zou staan op de wezenlijke veiligheidsbelangen van de lidstaat in kwestie; verzoekt de Commissie data te verzamelen over de uitvoering van bestaande verplichtingen met betrekking tot automatische gegevensuitwisseling;

65.  verzoekt de lidstaten hun plichten krachtens de richtlijn voor terrorismebestrijding en Besluit 2005/671/JBZ na te komen en noodzakelijke informatie in verband met terroristische misdrijven zo snel mogelijk met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten te delen; is van mening dat de bevoegde wetshandhavingsautoriteiten de bevoegde wetshandhavingsautoriteiten van andere lidstaten zonder voorafgaand verzoek informatie en inlichtingen moeten verstrekken in gevallen waarin er feitelijke redenen zijn om aan te nemen dat deze informatie en inlichtingen kunnen bijdragen tot het opsporen, voorkomen of onderzoeken van strafbare feiten;

66.  wijst erop dat de bestaande opt-outregelingen voor sommige lidstaten met betrekking tot de maatregelen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en de financiering van terrorisme de snelheid en efficiëntie van de onderzoeken naar terrorisme in het gedrang kunnen brengen en nadelige effecten kunnen hebben; verzoekt de lidstaten hiermee rekening te houden en op dit cruciale terrein de kosten en baten van opt-outregelingen goed af te wegen;

67.  merkt op dat er momenteel 28 verschillende rechtsstelsels voor gegevensbewaring bestaan, hetgeen contraproductief kan zijn voor de samenwerking en informatie-uitwisseling; dringt er bij de Commissie op aan een wetgevingsvoorstel voor gegevensbewaring te evalueren, met inachtneming van de beginselen van doelbinding, evenredigheid en noodzakelijkheid en rekening houdend met de behoeften van de bevoegde autoriteiten en de specifieke kenmerken van terrorismebestrijding, onder meer door middel van het aanpakken van nieuwe vormen van communicatie, het vaststellen van sterke waarborgen voor de opslag van gegevens door dienstverleners en voor de toegang tot gegevens voor strafrechtelijk onderzoek, pseudonimiseringsmogelijkheden, het vaststellen van gegevenscategorieën die bijzonder relevant zijn voor een doeltreffende bestrijding van terrorisme en zware criminaliteit, het voorzien in specifiek opgeleid en gecontroleerd personeel dat zich bezighoudt met de toegang tot gegevens of het invoeren van periodieke dreigingsbeoordelingen als basis voor bewaringstermijnen;

Informatiesystemen

68.  dringt er bij de lidstaten op aan te zorgen voor een volledige tenuitvoerlegging en de relevante databanken en informatiesysteem te controleren, met volledige inachtneming van hun in de onderliggende rechtsgrondslagen vastgelegde toegangsrechten, en alle nuttige data tijdig in te voeren en tegelijkertijd te voldoen aan de kwaliteitseisen van informatiesystemen in kwestie;

69.  dringt er bij de lidstaten op aan erop toe te zien dat de op lokaal of regionaal niveau en in hun databanken beschikbare relevante informatie automatisch wordt geüpload, zo mogelijk via slimme technische oplossingen, naar nationale systemen en, indien van toepassing, naar relevante Europese databanken, om te voorkomen dat informatie verloren gaat als gevolg van de verbrokkeling van bevoegdheden en te waarborgen dat er wordt voldaan aan EU-normen voor de kwaliteit, de beveiliging en de bescherming van gegevens;

70.  verzoekt de lidstaten zo veel mogelijk van alle linkcategorieën gebruik te maken. alle zoekcombinaties van SIS ten uitvoer te leggen en voor voldoende personeel en technische ondersteuning voor de Sirene-bureaus te zorgen;

71.  is ingenomen met de herziening van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II), waarbij de wetshandhavingsinstanties worden verplicht ook de controles op een in SIS II geregistreerd doelwit te registreren en een uniform gebruik van SIS II met betrekking tot terrorisme vast te stellen; verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat informatie in verband met terroristische misdrijven consequent en systematisch wordt geüpload naar Europese systemen en platforms, met name in het geval van signaleringen op grond van artikel 36 van de SIS II-verordening, en waar mogelijk wordt gesynchroniseerd door een consistente drieledige aanpak van informatie-uitwisseling te hanteren door optimaal en consistent gebruik te maken van de SIS- en Europol-gegevens; is ingenomen met het nieuwe type signalering: een "ondervragingscontrole" krachtens artikel 36 van de SIS II-verordening en de nieuwe verplichting voor het Sirene-bureau om onmiddellijk te antwoorden in geval van een signalering in verband met terrorisme; verzoekt de Commissie, met de actieve deelname en de instemming van deskundigen uit de lidstaten, goede praktijken vast te stellen met betrekking tot de vervolgprocedures voor hits inzake personen die betrokken zijn bij terrorisme of met terrorisme verband houdende activiteiten uit hoofde van artikel 36;

72.  verzoekt de Commissie een "post-hit"-mechanisme voor de uitwisseling van informatie in te voeren waarmee alle of ten minste de betrokken lidstaten op de hoogte kunnen worden gebracht van de hits die het gevolg zijn van de bewegingen van personen die betrokken zijn bij terrorisme of met terrorisme verband houdende activiteiten; benadrukt dat de reisbewegingen van buitenlandse terroristische strijders, teruggekeerden en personen die betrokken zijn bij terroristische activiteiten op basis van SIS-hits in kaart moeten worden gebracht om een duidelijk en uitvoerig beeld te krijgen dat als basis kan dienen voor het nemen van verdere maatregelen;

73.  verzoekt de Commissie te evalueren onder welke omstandigheden nationale inlichtingendiensten rechtstreekse toegang tot belangrijke EU-informatiesystemen kunnen houden, met name SIS in het kader van het hervormde rechtsstelsel, om nieuwe lacunes op het gebied van veiligheid en informatie-uitwisseling te voorkomen;

74.  is verheugd over de inzet van een centraal geautomatiseerd systeem voor vingerafdrukherkenning (AFIS) in SIS, waarmee eindgebruikers SIS kunnen doorzoeken op basis van vingerafdrukgegevens; hoopt dat het systeem uiterlijk in 2019 in gebruik kan worden genomen; dringt er bij alle lidstaten op aan de AFIS-functie van SIS onmiddellijk in gebruik te stellen; merkt op dat, ondanks de rechtsgrond van SIS II waardoor het bewaren van vingerafdrukken is toegestaan, dergelijke biometrische gegevens tot nu toe alleen zijn gebruikt om de identiteit van een persoon te bevestigen na een controle op naam of geboortedatum; is van mening dat een uitsluitend op vingerafdrukken gebaseerde identificatie grote meerwaarde zou bieden;

75.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hun bevoegde autoriteiten op het gebied van terrorismebestrijding toegang hebben tot VIS, en pleit voor een vereenvoudigde procedure voor die toegang;

76.  is ingenomen met de invoering van het Europees Systeem voor reisinformatie en -autorisatie (Etias), dat zal worden toegepast op visumvrije onderdanen van derde landen;

77.  verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen voor de instelling van één gecentraliseerd Ecris-systeem, waarmee gegevens uit het strafregister over zowel EU-onderdanen als onderdanen van derde landen kan worden uitgewisseld;

78.  wenst dat privévliegtuigen onder de PNR-richtlijn van de EU vallen en dat luchtvaartmaatschappijen verplicht worden persoonsgegevens van passagiers te verzamelen; roept de Commissie op om de veiligheidsprocedures op luchtvaartterreinen en kleinere luchthavens in de lidstaten te evalueren;

79.  dringt er bij alle lidstaten op aan de PNR-richtlijn onverwijld volledig ten uitvoer te leggen en verzoekt de Commissie snel een inbreukprocedure in te leiden tegen de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan; verzoekt de lidstaten hun passagiersinformatie-eenheden (PIE's) aan elkaar te koppelen om de uitwisseling van PNR-gegevens te vergemakkelijken; verzoekt de Commissie technologische oplossingen voor te stellen zodat de uitwisseling van PNR-gegevens en de opname daarvan in verschillende systemen sneller verloopt en minder mankracht vergt dankzij de geautomatiseerde verwerking van aanvragen van de ene PIE naar de andere; steunt daarom projecten als het door Nederland geleide ISF-project voor de ontwikkeling van PIU.net op basis van het bestaande FIU.net; verzoekt de Commissie samen met Europol steun te verlenen aan de ontwikkeling van gemeenschappelijke regels voor doelselectie en risicobeoordelingen die door de lidstaten moeten worden toegepast;

80.  verzoekt de lidstaten om van hun PIE's multidisciplinaire eenheden te maken, met inbegrip van personeel van de douane, wetshandhavingsautoriteiten en inlichtingendiensten, met het oog op een betere informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten;

81.  merkt op dat de termijn voor de tenuitvoerlegging van de Prüm-besluiten(18) van 23 juni 2008 op 26 augustus 2011 is verstreken en dat zelfs nu niet alle lidstaten de besluiten volledig ten uitvoer hebben gelegd; verzoekt die lidstaten daarom om eindelijk hun verplichtingen uit hoofde van het EU-recht na te komen en de Prüm-besluiten volledig ten uitvoer te leggen en het Prüm-netwerk te versterken door hun nationale verwerkingssystemen bij te werken zodat deze geschikt zijn voor moderne informatietechnologie; dringt er bij de Commissie en de Raad op aan de Prüm-besluiten te moderniseren en te actualiseren om nationale systemen efficiënter aan elkaar te koppelen;

Interoperabiliteit

82.  is ingenomen met de voorgestelde bepalingen inzake interoperabiliteit; verzoekt de Commissie de potentiële en mogelijke meerwaarde te evalueren van extra informatiesystemen die in de toekomst zullen worden opgenomen en verslag uit te brengen aan het Europees Parlement; is van mening dat interoperabiliteit helpt om de relevante en benodigde informatie bijeen te brengen; benadrukt dat een dergelijke oplossing het juiste evenwicht moet bieden tussen de legitieme behoefte aan tijdige, efficiënte en relevante informatie voor de autoriteiten, met volledige inachtneming van hun toegangsrechten en doelbinding uit hoofde van de onderliggende rechtsgrondslagen en de grondrechten van de betrokkenen;

83.  benadrukt dat er een biometrisch matchingsysteem moet worden ingevoerd waarmee biometrische gegevens kunnen worden opgevraagd in verschillende informatiesystemen van de EU, om bij te dragen aan de bestrijding van identiteitsfraude en te voorkomen dat mensen gebruikmaken van meerdere identiteiten; benadrukt dat de relevante databanken moeten worden aangevuld met biometrische gegevens; benadrukt daarnaast dat het vermogen om onrechtmatig gebruikte echte, gedeeltelijk of volledig vervalste documenten voor de identificatie van personen te herkennen, voortdurend moet worden verbeterd;

84.  dringt erop aan onmiddellijk te beginnen met de verdere ontwikkeling van de UMF-standaard, in nauwe samenwerking met eu-LISA, om ervoor te zorgen dat de standaard voldoet aan de vereisten van toekomstige interoperabele IT-systemen en deel kan uitmaken van de gecoördineerde inspanningen voor de verbetering van de kwaliteit van gegevens in grootschalige IT-systemen;

85.  verzoekt op EU-niveau geharmoniseerde minimumkwaliteitsnormen voor de invoer van gegevens vast te stellen, in overeenstemming met de criteria van het nieuwe gegevensbeschermingsacquis van de EU, die in de IT-systemen worden toegepast om een constante kwaliteit van de hierin opgeslagen gegevens te waarborgen; verzoekt eu-LISA dringend gemeenschappelijke indicatoren en controles vast te stellen en een centrale monitoringscapaciteit voor gegevenskwaliteit te ontwikkelen voor alle systemen die binnen zijn bevoegdheid vallen; acht het verder raadzaam, als eu-LISA onregelmatigheden opmerkt in zijn kwaliteitsverslagen aan de lidstaten, de betrokken lidstaat te verplichten om de gegevens te corrigeren of het achterwege blijven van een correctie te rechtvaardigen;

86.  is van mening dat eu-LISA over onvoldoende financiële middelen en personeel beschikt, gezien zijn steeds toenemende verantwoordelijkheden; roept op tot versterking van eu-LISA met de aanvullende capaciteit en middelen die nodig zijn voor een efficiënte uitvoering van de nieuwe taken, en verzoekt dit tot uitdrukking te laten komen in het nieuwe MFK;

Samenwerking en uitwisseling van informatie binnen en tussen de lidstaten

87.  verzoekt lidstaten die dat nog niet hebben gedaan nationale "fusiecentra" of coördinatie-eenheden voor terrorismebestrijding op te richten, alsmede gecoördineerde databanken, om de opsporing, identificatie en uitwisseling van informatie en inlichtingen in verband met terrorisme van alle betrokken nationale autoriteiten te centraliseren en te vergemakkelijken; is daarnaast van mening dat proactief lokaal en, waar relevant, regionaal beleid een noodzakelijke voorwaarde is voor een integraal nationaal veiligheidsbeleid; verzoekt de lidstaten in dit verband optimale werkmethoden te delen, zoals de Belgische lokale integrale veiligheidscellen, waarbij belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld betrokken zijn zoals sociale diensten, het lokale bestuur en de lokale politie, door alle aanwijzingen van radicalisering te bespreken, en met gedeeld beroepsgeheim zodat ook belanghebbenden met een professionele geheimhoudingsplicht kunnen bijdragen;

88.  verzoekt de lidstaten nieuwe benaderingen te verkennen voor een verbeterde samenwerking en informatie-uitwisseling tussen rechtshandhavings- en inlichtingendiensten op nationaal niveau, waarbij de noodzakelijke scheiding tussen rechtshandhavingswerk en inlichtingenwerk, de vereiste beginselen van gegevenseigendom en bronbescherming evenals de beginselen in verband met de toelaatbaarheid van bewijs in strafprocedures in stand worden gehouden;

89.  roept de lidstaten op voort te bouwen op beste praktijken door de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen openbare aanklagers en inlichtingendiensten in strafrechtelijke onderzoeken in verband met terrorisme te intensiveren;

90.  acht het raadzaam dat lidstaten in richtsnoeren of via wetgevend optreden aangeven wanneer informatie-uitwisseling tussen politie- en inlichtingendiensten met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en EU-agentschappen is toegestaan, en is van mening dat de onderlinge afstemming van nationale standaarden op dit punt zou bijdragen tot een Europees antwoord op de vraag wanneer dergelijke informatie kan worden gebruikt en gedeeld;

91.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat in elke juridische of politieke evaluatie, controle, procedure of rechtszaak waarin inlichtingeninformatie wordt verstrekt, deze informatie speciaal wordt beschermd, en ervoor te zorgen dat de bescherming van de vertrouwelijkheid en integriteit van inlichtingenbronnen en ambtenaren wordt gehandhaafd om het werk en de veiligheid van bronnen, informanten en medewerkers van de inlichtingendiensten niet in gevaar te brengen;

92.  dringt aan op de oprichting van een gezamenlijke inlichtingenacademie van de EU met gemeenschappelijke normen, om middelen te combineren en synergieën, vertrouwen en een gemeenschappelijke inlichtingencultuur te kweken;

93.  doet de aanbeveling dat de lidstaten de mogelijkheid onderzoeken om de coördinatie en samenwerking tussen inlichtingen- en rechtshandhavingsdiensten op EU-niveau te verbeteren, bijvoorbeeld door naast rechtshandhavingspersoneel ook inlichtingendeskundigen naar de vergaderingen van het Gezamenlijk verbindingsteam voor terrorismebestrijding (CTJLT) van Europol te sturen; roept de Commissie op meer steun te verlenen aan het CTJLT, onder meer door middel van toereikende financiering;

94.  roept de lidstaten op de samenwerking via de Groep voor terrorismebestrijding (CTG) te optimaliseren, om die groep verder te versterken als een gezamenlijk platform voor samenwerking en communicatie tussen de nationale inlichtingendiensten, en te zorgen voor voldoende financiering; is ingenomen met de oprichting van een CTG-adviesraad om de zichtbaarheid en transparantie te vergroten, in het openbaar op te treden in de betrekkingen tussen de CTG en de betrokken EU-instellingen en -organen en te garanderen dat het Europees Parlement voortdurend op de hoogte wordt gehouden;

95.  verzoekt de lidstaten regelmatig uitwisselingsbijeenkomsten te beleggen tussen rechters en vertegenwoordigers van de inlichtingen- en rechtshandhavingsgemeenschap om kennis uit te wisselen over situatie-, onderzoeks- of technische ontwikkelingen op het gebied van terrorismebestrijding, zodat de rechterlijke macht een volledig beeld kan krijgen met betrekking tot hun rechtsgebied en daarin verder opgeleid kan worden;

96.  verzoekt de lidstaten de wederzijdse grensoverschrijdende politiesamenwerking verder te ontwikkelen met behulp van gemeenschappelijke dreigingsanalyses, risicoanalyse en patrouilles;

97.  verzoekt de lidstaten en Europese belanghebbenden voldoende operationele capaciteit inzake terrorismebestrijding te blijven voorzien en de samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding en interne veiligheid van de EU zo veel mogelijk te verbeteren, onder andere met een toereikende begroting, teneinde een nationale veiligheidscultuur aan te houden die is toegerust om op middellange termijn aan de dreiging het hoofd te bieden;

98.  is verheugd over de richtsnoeren van de Europese Raad van 23 maart 2018 waarin tot uitdrukking komt dat de Unie "vastbesloten is in de toekomst een zo hecht mogelijk partnerschap met het VK te hebben […] , met name [bij] de bestrijding van terrorisme en internationale criminaliteit" (punt 27); acht het cruciaal dat de wederzijdse samenwerking op het gebied van veiligheid en de informatie-uitwisseling tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk na brexit wordt voortgezet;

99.  spreekt zijn erkenning uit voor de nauwe samenwerking tussen de Europese landen en, in voorkomend geval, met buitenlandse autoriteiten bij de bestrijding van terrorisme en dringt aan op een continue versterking van die samenwerking door middel van operationele missies, data-analyse, de snellere uitwisseling van inlichtingen en het delen van goede praktijken;

Samenwerking en uitwisseling van informatie met de EU-agentschappen

100.  roept op tot meer systematische samenwerking tussen de JBZ-agentschappen die zich met terrorismebestrijding bezighouden om gezamenlijke benaderingen en synergieën te ontwikkelen, gezien de toenemende rol van de agentschappen op dit vlak; is van mening dat regelmatige gezamenlijke vergaderingen van alle belangrijke agentschappen de gezamenlijke werkzaamheden op dit gebied verder kunnen ontwikkelen en de synergieën met hun verbindingsfunctionarissen in de delegaties kunnen vergroten;

101.  roept de lidstaten op om het aantal gedetacheerde nationale deskundigen op het vlak van terrorismebestrijding bij agentschappen te verhogen, zodat de behoeften van de lidstaten worden vertegenwoordigd en de agentschappen in het kader van hun mandaat over de nodige deskundigheid op dit gebied kunnen beschikken;

102.  is van mening dat Europol een echte hub voor informatie-uitwisseling op het vlak van rechtshandhaving en samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding in de EU moet worden; verzoekt de Commissie dit proces op de voet te volgen en de noodzaak van een eventuele aanpassing van de wetgeving te evalueren;

103.  verzoekt Europol ten volle gebruik te maken van zijn huidige recht op toegang tot het SIS, het VIS en Eurodac teneinde de interoperabiliteit te vergroten, met inachtneming van de grondrechten en de wetgeving op het gebied van gegevensbescherming;

104.  verzoekt Europol erop toe te zien dat QUEST tijdig beschikbaar is voor de lidstaten, ter vergroting van de interoperabiliteit;

105.  verzoekt om voldoende financiering en personeelsleden voor Europol en Eurojust, gezien hun steeds toegenomen verantwoordelijkheden en cruciale rol bij de versterking van de Europese rechtshandhaving en de justitiële samenwerking en bij de ondersteuning van de strijd tegen terrorisme;

106.  dringt er bij de lidstaten op aan in geval van terroristische misdrijven het volledig gebruik van de contacten tussen Europol en de betrokken autoriteiten te waarborgen, aangezien snelheid bij terrorismebestrijding vaak essentieel is; spoort de lidstaten aan gebruik te maken van "inzet ter plaatse" van Europol-specialisten, omdat hierdoor het vertrouwen toeneemt en administratieve lasten worden verminderd; verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de wetshandhavingsdiensten van de lidstaten op het vlak van terrorismebestrijding (buiten het federale en centrale niveau) rechtstreeks toegang hebben tot de diensten van Europol;

107.  verzoekt de lidstaten de noodzakelijke beveiligde nationale communicatie-infrastructuur voor rechtshandhaving te creëren en rechtstreekse en gedecentraliseerde connectiviteit van terrorismebestrijdingsdiensten met CT-Siena en EIS te bevorderen, omdat dit meer zoekmogelijkheden en kruiscontroles oplevert;

108.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan meer financiële middelen en personeel, met inbegrip van datawetenschappers en big data-analisten, beschikbaar te stellen voor de ontwikkeling van technische oplossingen voor de verwerking van de grote hoeveelheid data die moet worden geanalyseerd; verzoekt Europol te belasten met de uitvoering van verdere O&O-projecten op dit gebied in het kader van zijn mandaat ten behoeve van de lidstaten;

109.  verzoekt de lidstaten ten volle gebruik te maken van technische oplossingen ter verbetering van informatie-uitwisseling met Europol, in het bijzonder door automatisering van het proces van het uploaden van gegevens naar het Europol-informatiesysteem met het oog op kruiscontroles, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de door Europol ontwikkelde gegevensladers;

110.  is ingenomen met de nieuwe bepaling in het toekomstige SIS II op grond waarvan Europol, tenzij wettelijke of operationele redenen anderszins vereisen, op de hoogte kan worden gesteld van nieuwe signaleringen of hits in het SIS in verband met terrorisme; merkt op dat daardoor de vergelijking van gegevens en, indien dat wenselijk wordt geacht, operationele en/of thematische analyse mogelijk wordt om reispatronen in kaart te brengen en/of de eventuele banden van de getraceerde(n) te analyseren; roept de Commissie op om deze nieuwe mogelijkheid snel en op automatische wijze in te voeren;

111.  verzoekt Europol een jaarverslag te publiceren over de hoeveelheid en de soort informatie die door de lidstaten wordt gedeeld in de relevante informatiesystemen van de EU en met Europol, teneinde lacunes op te sporen en de informatie-uitwisseling te bevorderen;

112.  verzoekt Europol de biometrische capaciteit zo snel mogelijk volledig te ontwikkelen, aangezien het belangrijk is dat de lidstaten steeds meer biometrische informatie met Europol delen;

113.  benadrukt dat geavanceerde eind-tot-eindversleuteling van communicatie een essentieel instrument is om de vertrouwelijkheid van communicatie te waarborgen en te zorgen voor legitieme transacties tussen consumenten; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle betrokken belanghebbenden samenwerken om de decryptievaardigheid van de bevoegde autoriteiten te bevorderen en dat het decryptievaardigheid van de bevoegde autoriteiten op peil is met het oog op gerechtelijke vervolging; is er verheugd over dat Europol decryptie-instrumenten en -expertise ontwikkelt om een hub te worden voor het ontcijferen van informatie die in het kader van strafrechtelijk onderzoek rechtmatig is verkregen en de lidstaten beter te kunnen ondersteunen; merkt verder op dat de Commissie de Europol-begroting voor 2018 heeft aangevuld met een extra bedrag van 5 miljoen EUR zodat Europol meer mogelijkheden heeft om dergelijke informatie te ontcijferen en een instrumentarium van alternatieve onderzoekstechnieken kan ontwikkelen voor de lidstaten;

114.  is ingenomen met de Verklaring van Parijs van 5 november 2018 over de oprichting van een Europees gerechtelijk register voor terrorismebestrijding bij Eurojust; pleit voor de onmiddellijke oprichting van dit register bij Eurojust op grond van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad, als gewijzigd door Richtlijn 2017/541, met toereikende financiële middelen en medewerkers;

115.  verzoekt de lidstaten Eurojust systematisch te betrekken bij hun onderzoeken en vervolgingen op het vlak van terrorismebestrijding met een grensoverschrijdende dimensie en efficiënt gebruik te maken van de coördinatie-instrumenten van Eurojust;

116.  is van mening dat operationele overeenkomsten met derde landen nuttig kunnen zijn voor de werkzaamheden van Europol, en merkt op dat de Commissie momenteel met acht landen uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika (de MONA-regio) onderhandelingen voert over operationele overeenkomsten; verzoekt nieuwe onderhandelingen over operationele overeenkomsten te voeren met bijzonder goede partners, zoals de EVA-landen;

117.  verzoekt Eurojust zijn netwerk van contactpunten in derde landen steeds verder uit te breiden, en acht het raadzaam meer verbindingsfunctionarissen, bijvoorbeeld afkomstig van de Westelijke Balkan, bij Eurojust te stationeren;

118.   maakt zich zorgen over het gebruik van Interpol-signaleringen, met name rode signaleringen, door sommige derde landen die ze voor politieke doeleinden aanwenden en op die manier de internationale samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding ondermijnen;

119.  benadrukt de noodzaak van meer financiële middelen voor Cepol en het opvoeren van de ontwikkeling en de hoeveelheid innovatieve cybergerelateerde opleidingen die worden gegeven;

120.  verzoekt Cepol op basis van het Sirene-handboek en de catalogus van beste praktijken door te gaan met het ontwikkelen van opleidingsprogramma's voor de SIS-eindgebruikers, over in het SIS gesignaleerde personen die betrokken zijn bij terrorisme of met terrorisme verband houdende activiteiten, onder wie buitenlandse terroristische strijders.

121.  roept op tot een voortdurende uitwisseling van strategische informatie over terrorismebestrijding door nationale veiligheidsdiensten met EU-instellingen via EU-Intcen; verzoekt de lidstaten om het delen van inlichtingen via het EU-Intcen verder te ondersteunen en zijn werkzaamheden te optimaliseren om de doeltreffendheid ervan in de strijd tegen het terrorisme te vergroten;

Wederzijdse erkenning en wederzijdse rechtshulp

122.  verwacht van de lidstaten dat zij justitieel personeel verdere scholing en opleiding bieden over het Europees onderzoeksbevel (EOB) om de volledige toepassing daarvan te waarborgen;

123.  dringt aan op het gebruik van gemeenschappelijke onderzoeksteams (GOT's) in het geval van terreuraanslagen; is van mening dat GOT's de doeltreffendheid van de samenwerking en het onderzoek naar grensoverschrijdende misdrijven verbeteren; dringt verder aan op deelname van Europol en Eurojust in deze GOT's, aangezien dit leidt tot een beter gebruik van de middelen en capaciteiten die door de EU-agentschappen beschikbaar worden gesteld; wenst dat er voor deze GOT's betere en gemakkelijk toegankelijke financiering beschikbaar wordt gesteld; roept verder op tot het opzetten van een speciaal programma "Erasmus voor politiefunctionarissen" ter plaatse, bij voorkeur voor jonge en laaggeplaatste functionarissen, om hen aan te sporen ten minste eenmaal gedurende hun loopbaan deel te nemen aan GOT's in andere EU-lidstaten, zodat degenen die niet noodzakelijkerwijs ervaring hebben met samenwerking met hun collega's in andere lidstaten aanvullende ervaring kunnen opdoen en de beste praktijken voor een effectievere bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit kunnen observeren; moedigt de uitbreiding van dit programma tot andere veiligheidsagenten en bewakers in de toekomst aan;

124.  roept de lidstaten op de door Eurojust en het Europees Justitieel Netwerk (EJN) geboden expertise en hulpmiddelen volledig te benutten, met name de praktische en juridische informatie en ondersteuning bij verzoeken om wederzijdse rechtshulp en bijstand bij de uitvoering van verzoeken om wederzijdse erkenning, coördinatie van onderzoeken en vervolgingen, beslissingen over de meest geschikte jurisdictie om te vervolgen, of coördinatie van inbeslagnemingen en confiscaties van vermogensbestanddelen;

125.  roept de aanbieders van onlinediensten en communicatieplatforms op om de gerechtelijke beslissingen inzake terrorismebestrijding doeltreffend ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om een wetgevingsvoorstel in te dienen dat communicatieplatforms die op de EU-markt actief zijn verplicht om hun medewerking te verlenen in het geval van versleutelde communicatie indien hiertoe een rechterlijke beslissing voorligt; benadrukt dat een dergelijke samenwerking de veiligheid van hun netwerken en diensten niet mag verzwakken, bijvoorbeeld door achterdeurtjes te creëren of daar gemakkelijker gebruik van te kunnen maken;

126.  roept op tot snelle goedkeuring van de voorstellen van de Commissie voor een verordening en richtlijn ter verbetering van de grensoverschrijdende toegang tot elektronisch bewijsmateriaal; verzoekt aanbieders van onlinediensten om één contactpunt in te stellen voor de afhandeling van verzoeken van rechtshandhavings- en gerechtelijke instanties;

Buitengrenzen

127.  dringt er bij de lidstaten op aan te investeren in moderne ICT-apparatuur bij alle grensovergangen om het mogelijk te maken goede controles uit te voeren met behulp van alle relevante databanken; verzoekt de Commissie om een standaard vast te stellen voor de technische normen waaraan deze ICT-apparatuur moet voldoen, na overleg met eu-LISA; is van mening dat de werkzaamheden aan de voorstellen voor interoperabiliteit van informatiesystemen als gelegenheid moeten worden gezien om de nationale IT-systemen en -infrastructuren bij de grensdoorlaatposten te verbeteren en gedeeltelijk te harmoniseren; is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de steun aan de lidstaten voor de beveiliging van de gemeenschappelijke buitengrenzen van de EU te versterken door het budget voor het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer in het volgende MFK 2021-2027 ten minste te verdrievoudigen;

128.  is ingenomen met de goedkeuring van de recente hervormingen ter versterking van de buitengrenzen van de EU op EU-niveau, waaronder de goedkeuring van het EES, het Etias en de hervorming van het SIS; verzoekt de lidstaten deze maatregelen volledig uit te voeren en in samenwerking met Europol de watchlist voor het Etias en het VIS te ondersteunen en daaraan bij te dragen; verzoekt de Commissie nauwlettend toe te zien op de tenuitvoerlegging van de nieuwe Verordening (EU) 2017/458, die voorziet in systematische controles van alle personen die de buitengrenzen overschrijden, en met name het gebruik van de afwijking inzake systematische controles;

129.  verzoekt de lidstaten hun grensbeheer in overeenstemming te brengen met het concept van geïntegreerd grensbeheer (IBM); benadrukt dat volledige tenuitvoerlegging van de strategie voor geïntegreerd grensbeheer op Europees en nationaal niveau moet worden gegarandeerd, om zo het beheer van de buitengrenzen te versterken;

130.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om informatie betreffende visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen, waaronder biometrische gegevens, in het geval van onderdanen van derde landen op te nemen in het VIS;

131.  dringt er bij de lidstaten op aan af te zien van de verkoop van verblijfsvergunningen en nationaliteit via "gouden visa" en investeringsprogramma's, gezien het hoge risico van corruptie, schending en misbruik van het Schengengebied voor criminele doeleinden; verzoekt de Commissie snel en streng op te treden en alle relevante gegevens en controles van de lidstaten te eisen, om de integriteit en veiligheid van het Schengensysteem te waarborgen;

132.  spoort de Commissie aan om de onderhandelingen met derde landen over terugkeer en overname voort te zetten;

133.  spoort de lidstaten aan om gebruik te maken van het herziene opschortingsmechanisme voor de vrijstelling van de visumplicht door op doeltreffende wijze melding te doen van omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot de opschorting van de visumvrijstelling voor derde landen, zoals een aanzienlijke toename van het risico voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid;

134.  roept de Commissie op een evaluatie uit te voeren van de opties en de daarmee samenhangende gevolgen van een mogelijk wetgevingsvoorstel in te dienen om luchtvaartmaatschappijen, exploitanten van havens, internationale bussen of hogesnelheidstreinen te verplichten overeenstemmingscontroles uit te voeren wanneer passagiers aan boord gaan, om te waarborgen dat de identiteit die op het ticket vermeld staat overeenkomt met de door de passagier getoonde identiteitskaart of zijn of haar paspoort; benadrukt dat vervoersexploitanten geen taken krijgen die alleen aan de politieautoriteiten toekomen, zoals officiële identiteitscontroles of verificatie van de echtheid van identiteits- of reisdocumenten;

Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex)

135.  roept de medewetgevers op te overwegen Frontex een specifiek mandaat te verstrekken voor de verwerking van persoonsgegevens die bij zijn operationele rol past, zoals de preventie en opsporing van grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme aan de buitengrenzen van de EU; is van mening dat een dergelijk mandaat moet voorzien in toereikende opslagtermijnen voor gegevens en de uitwisseling van persoonsgegevens met GVDB-missies, Europol en Eurojust, alsook, in specifieke omstandigheden en onder toepassing van de noodzakelijke waarborgen, met derde landen;

136.  merkt op dat verdachten van wie de persoonsgegevens eerder door Frontex zijn verwerkt na 90 dagen uit het analysesysteem zullen verdwijnen en dus onbekend zijn in het systeem of als nieuwe verdachten moeten worden aangemerkt; verzoekt daarom om de opslagtermijn voor persoonsgegevens van verdachten van grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme, die door Frontex worden beheerd tot drie jaar te verlengen, in overeenstemming met de opslagtermijn bij Europol en Eurojust;

137.  acht het van belang dat Frontex toegang heeft tot alle relevante databanken en informatiesystemen, met name het SIS, maar ook EES, VIS, Eurodac en het informatiesysteem van Europol, niet alleen voor de taken van de grensbeheerteams, maar ook voor analytische doeleinden die verband houden met nieuwe ontwikkelingen aan de buitengrenzen of met veranderingen in het grensoverschrijdend verkeer of de daarbij gehanteerde werkwijzen;

138.  roept de medewetgevers op om Frontex te verplichten dringende informatie met de lidstaten te delen;

139.  dringt er bij de lidstaten en de EU-organen, zoals Europol en Intcen, op aan om regelmatig strategische informatie over terrorismebestrijding in verband met de grensdimensie aan Frontex te verstrekken, en te onderzoeken of enige automatische uitwisseling met Frontex van belangrijke (achtergrond)informatie afkomstig uit nationale onderzoeken naar incidenten en illegale activiteiten bij grensposten en illegaal inkomend/uitgaand verkeer, en gebruikmakend van intelligente ICT-systemen, een meerwaarde kan bieden bij het schetsen van een compleet beeld van de situatie, ook in het licht van de mankracht die de analyse van gegevens vereist; is van mening dat deze informatie ook feedback na tweedelijnsveiligheidscontroles en informatie in verband met documentfraude moet omvatten;

140.  verzoekt Frontex opleidingsprogramma’s te ontwikkelen en cursussen te geven aan grenswachters, die gericht zijn op de versterking van de controles aan de hand van relevante databanken aan de buitengrenzen en op de ondersteuning van de toepassing van gemeenschappelijke risico-indicatoren;

Informatie over gevechtshandelingen

141.  is ingenomen met de deelname van Europol aan de cel voor rechtshandhaving die onderdeel uitmaakt van de door de VS geleide Operatie Gallant Phoenix (OGP) in Jordanië, die gebruikt wordt om informatie over gevechtshandelingen te verwerken (en indien mogelijk kan helpen bij het vaststellen van de identiteit van slachtoffers) en deze door middel van vaste kanalen en procedures via de nationale eenheden van Europol te delen met de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten; roept op tot volledige toegang van Europol tot OGP;

142.  spoort alle betrokken actoren aan om een aanpak te ontwikkelen die het mogelijk maakt om informatie over gevechtshandelingen door te geven en te delen, binnen de wettelijk toelaatbare marge en met de nodige waarborgen, zoals bronbescherming in de civiele sfeer, en deze informatie in te voeren in de relevante databanken zodat die informatie tijdig aankomt bij grensposten aan de buitengrenzen van de EU; pleit tevens voor het delen van deze informatie met het oog op onderzoek en vervolging;

Operatie Sophia

143.  dringt erop aan het mandaat van EUNAVFOR MED-operatie Sophia te verlengen, het geografische bereik daarvan te verruimen om zo spooklandingen aan te pakken en om samenwerking bij de bestrijding van terrorisme specifiek in het mandaat op te nemen;

144.  is ingenomen met het opzetten van een proefproject voor een cel voor de verzameling van informatie over criminaliteit binnen EUNAVFOR MED-operatie Sophia, bestaande uit personeelsleden van de desbetreffende rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten, Frontex en Europol, teneinde de onderlinge informatie-uitwisseling te verbeteren;

145.  roept de lidstaten op te streven naar een internationaal wettelijk mandaat voor EUNAVFOR MED-operatie Sophia om operationele maatregelen te nemen tegen vaartuigen en gerelateerde middelen, zelfs binnen de territoriale wateren van kuststaten, waarbij bemanningen worden gearresteerd en vaartuigen en gerelateerde middelen in beslag worden genomen die vermoedelijk worden gebruikt voor mensensmokkel of het wapenembargo van de VN schenden, maar ook voor of met terrorisme samenhangende misdrijven en oliesmokkel;

Terrorismefinanciering

146.  is ingenomen met de onlangs aangenomen wetgevingsmaatregelen op Europees niveau in de strijd tegen terrorismefinanciering; verzoekt de lidstaten alle Europese witwasrichtlijnen en instrumenten voor de bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie toezicht te houden op de omzetting en goede werking van deze instrumenten;

147.  spoort de lidstaten en derde landen aan om onverwijld de conclusies van de conferentie "No money for terror" van april 2018 in Parijs doeltreffend en volledig toe te passen, evenals de aanbevelingen van de Financiële-actiegroep (FATF) en de internationale normen voor de bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme en proliferatie, die in februari 2012 door de FATF werden aangenomen (de "herziene FATF-aanbevelingen"); roept de Commissie en de lidstaten op om derde landen te ondersteunen bij de uitvoering van deze aanbevelingen door middel van technische bijstand en de uitwisseling van goede praktijken;

148.  verzoekt de lidstaten die het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van terrorisme nog niet hebben geratificeerd, dit te ratificeren en in nationaal recht om te zetten;

149.  is ingenomen met de door de Commissie gepresenteerde methode met betrekking tot derde landen met een hoog risico, die een bedreiging vormen voor het financiële stelsel van de EU; verzoekt de Commissie deze methode toe te passen en met name om een EU-lijst aan te leggen van derde landen die volgens de witwasrichtlijnen een hoog risico vormen, door middel van een onafhankelijke, objectieve en transparante beoordeling, en deze beoordeling zo snel mogelijk uit te voeren;

150.  roept de lidstaten op om de monitoring op te voeren van organisaties die verdacht worden van betrokkenheid bij illegale handel, smokkel, vervalsing en frauduleuze praktijken, door samen met Europol GOT's op te zetten;

151.  maakt zich grote zorgen over de omvang van de illegale tabakshandel in de EU, waarvan de opbrengsten kunnen worden gebruikt om terrorisme te financieren, onder meer via accijnsfraude; verzoekt de lidstaten om ratificatie en uitvoering te overwegen van het Protocol betreffende de uitbanning van illegale handel in tabaksproducten bij de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de bestrijding van tabaksgebruik;

152.  is ingenomen met het voorstel voor een verordening betreffende de invoer van cultuurgoederen; roept de Commissie op wetgeving voor te stellen voor een robuust traceringssysteem voor kunstvoorwerpen en antiquiteiten die op de EU-markt worden ingevoerd, met name voor goederen die afkomstig zijn uit gebieden met conflicten of hoge risico's zoals vastgesteld door de Commissie, ofwel van organisaties, groeperingen of individuen die op de EU-terreurlijst staan; is van mening dat dit initiatief moet worden ondersteund door de invoering van een gestandaardiseerde vergunning, zonder welke de handel in deze producten illegaal zou zijn, en van een paspoort voor de uitvoer van elk product; is van mening dat er digitale instrumenten moeten worden ontwikkeld waarmee de echtheid van de documenten in kwestie kan worden gecontroleerd; is van mening dat kunsthandelaren systematisch een uitgebreid register van te koop aangeboden antiquiteiten moeten bijhouden;

153.  roept de lidstaten op om bedrijven die betrokken zijn bij de kunsthandel en de opslag van antiek (d.w.z. zogenaamde vrijhavens) te verplichten om alle verdachte transacties te melden en om de eigenaars van bedrijven die in kunst en antiek handelen of de opslag daarvan regelen en die betrokken raken bij de illegale handel daarin te onderwerpen aan doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, zo nodig met inbegrip van strafrechtelijke sancties;

154.  is ingenomen met de goedkeuring van nieuwe regels voor de controle van liquide middelen die de Europese Unie binnenkomen of verlaten(19) en dringt aan op een snelle tenuitvoerlegging daarvan; verzoekt de Commissie na te gaan of in het toepassingsgebied van deze verordening andere activa moeten worden opgenomen, of de kennisgevingsprocedure voor onbegeleide liquide middelen voldoet, en of de drempel voor onbegeleide liquide middelen in de toekomst moet worden herzien;

155.  verzoekt de lidstaten meer samen te werken met Europol AP FURTUM en, zoals vereist door Resolutie 2347 van de VN-Veiligheidsraad, de douane, rechtshandhavingsinstanties en openbare ministeries te voorzien van toegewijd personeel en doeltreffende instrumenten en adequate opleiding door middel van samenwerking met de Werelddouaneorganisatie (WDO) en Interpol;

156.  roept de Commissie op om samen met de lidstaten en internationale partners methoden te ontwikkelen om financiële stromen gericht te monitoren en om de gebruikers van elektronische portemonnees, virtuele valuta en prepaidkaarten, crowdfundingplatforms en online- en mobiele betalingssystemen in politie- of gerechtelijke onderzoeken te kunnen identificeren; verzoekt de lidstaten informele waardeoverdrachtsystemen (IVTS) te reguleren, waarbij wordt benadrukt dat hiermee niet wordt beoogd op te treden tegen traditionele informele transacties maar tegen geldverkeer van de georganiseerde misdaad en terroristische organisaties, en industrieel/commercieel gewin uit zwart geld; dringt erop aan dat de nadruk wordt gelegd op virtuele valuta en FinTech en dat de mogelijkheid wordt onderzocht om de sancties ook uit te breiden tot degenen die fondsenwerving op sociale media misbruiken voor terroristische doeleinden; roept de lidstaten op cryptovaluta-bedrijven aan te sporen analyse-instrumenten te gebruiken om mogelijke criminele activiteiten in verband met het doel- en ontvangstadres te beoordelen, en ervoor te zorgen dat ze de antiwitwaswetgeving volledig toepassen wanneer gebruikers cryptovaluta omzetten in echte valuta;

157.  verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen dat een verplichte registratie en identificatie voorschrijft voor financiële transacties die via geldovermakingsbedrijven worden verricht;

158.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om alternatieve betalingssystemen te reguleren, bijvoorbeeld door de invoering van een verplichte registratie of een vergunningenstelsel voor effectenmakelaars en een verplichting tot duidelijke en nauwkeurige administratie;

159.  is bezorgd over de recente bevindingen inzake de toename van grootschalige witwasactiviteiten als bron van terrorismefinanciering(20) via bepaalde bankinstellingen in de eurozone; dringt aan op de oprichting van een systeem voor het traceren van terrorismefinanciering (TFTS) van de Europese Unie voor transacties van personen die banden hebben met terrorisme en de financiering daarvan binnen de gemeenschappelijke eurobetalingsruimte, een systeem waarmee een evenwicht kan worden bereikt tussen veiligheid en individuele vrijheden; herinnert eraan dat op dit intra-Europese systeem de Europese gegevensbeschermingsnormen van toepassing zouden zijn;

160.  dringt aan op betere samenwerking en informatie-uitwisseling tussen meldingsplichtige entiteiten, financiële inlichtingeneenheden (FIE'S) en bevoegde autoriteiten met betrekking tot terrorismefinanciering; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat hun financiële inlichtingeneenheden, ongeacht hun type, ongehinderd toegang hebben tot financiële informatie met het oog op een doeltreffende bestrijding van terrorismefinanciering; dringt aan op een grotere harmonisatie van de status en de werking van de Europese FIE's; is ingenomen met het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van regels ter vergemakkelijking van het gebruik van financiële en andere informatie voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van bepaalde strafbare feiten(21); dringt aan op een betere en volledigere informatie-uitwisseling en samenwerking tussen Europol, Eurojust en derde landen op het gebied van terrorismefinanciering; dringt aan op een snelle goedkeuring van de ontwerprichtlijn inzake de toegang van rechtshandhavingsinstanties tot financiële informatie en uitwisseling van informatie tussen FIE's;

161.  dringt er bij de lidstaten op aan meer middelen toe te wijzen aan de nationale FIE's; verzoekt de lidstaten beter gebruik te maken van het informele netwerk van Europese financiële inlichtingeneenheden (FIU.net) en de capaciteiten van dit netwerk verder te ontwikkelen via Europol, zodat het ten volle kan worden benut en om de huidige problemen met de samenwerking te ondervangen en de handmatige verwerking van bilaterale verzoeken te vergemakkelijken, waarbij de autonomie en de onafhankelijkheid van de FIE's echter wordt gewaarborgd; is van mening dat een EU-FIE nodig kan zijn om de FIE's van de lidstaten in grensoverschrijdende gevallen te coördineren, bij te staan en te ondersteunen, als de versterking van FIU.net ontoereikend blijkt;

162.  benadrukt het belang van een betere interactie en informatie-uitwisseling tussen onderzoeksautoriteiten en de particuliere sector, in het bijzonder meldingsplichtige entiteiten in het kader van de richtlijnen ter bestrijding van het witwassen van geld resp. de financiering van terrorisme (AML/CFT-richtlijn), om de tekortkomingen van gescheiden en onvolledige informatie die door middel van meldingen van verdachte transacties wordt verstrekt, op te heffen; roept de Commissie en de lidstaten op om speciale fora te ontwikkelen voor het delen van financiële informatie, onder meer over het gebruik van virtuele valuta en met inbegrip van de particuliere sector, binnen veilige kanalen en met inachtneming van EU-normen voor gegevensbescherming; wijst op de belangrijke rol die Europol in dit verband zou kunnen spelen;

163.  pleit voor de organisatie van gespecialiseerde opleidingen voor de rechtshandhavings- en justitiële autoriteiten van de lidstaten over de methoden en ontwikkelingen op het gebied van terrorismefinanciering, om de capaciteit in de lidstaten voor het onderzoeken van illegale activiteiten, onder andere in verband met virtuele valuta, te vergroten; benadrukt dat deze opleidingen moeten zorgen voor een standaardniveau van rechtshandhavingsbevoegdheden in de hele EU, zodat bepaalde lidstaten niet achterop raken; benadrukt dat het van belang is om in de hele EU risicobeoordelingen van activiteiten met virtuele valuta uit te voeren en onderzoeksinitiatieven te coördineren, om de bevindingen van die beoordelingen te gebruiken voor de ontwikkeling van strategieën voor regelgeving en rechtshandhaving op korte, middellange en lange termijn;

164.  wijst op het cruciale belang van fiscale en financiële inlichtingen bij terrorismebestrijding; betreurt het dat in veel lidstaten de agentschappen voor de bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme tot de inlichtingendiensten behoren die de minste middelen krijgen; verzoekt de lidstaten hun personele en financiële middelen voor onderzoek en rechtshandhaving aanzienlijk te verhogen ter bestrijding van belastingontduiking en -fraude waarmee criminele of terroristische activiteiten kunnen worden gefinancierd;

Bescherming van kritieke infrastructuur

165.  roept de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan om nationale programma's voor de bescherming van kritieke infrastructuur op te zetten om de problemen aan te pakken die door de Commissie werden gesignaleerd in haar mededeling uit 2006 over een Europees programma voor de bescherming van kritieke infrastructuur (EPCIP), met name met betrekking tot mogelijke kwetsbaarheden; is van mening dat het EPCIP moet worden herzien en bijgewerkt;

166.  wijst erop dat gevoelige gegevens en het systeem dat ermee gevoed wordt ook deel uitmaken van de kritieke infrastructuur in de lidstaten en dus naar behoren moeten worden beschermd tegen cyberaanvallen(22);

167.  is ingenomen met het actieplan van de Commissie ter ondersteuning van de bescherming van openbare ruimten, en spoort de lidstaten aan om beste praktijken uit te wisselen en zo nodig samenwerkingsnetwerken tussen actoren uit de overheids- en particuliere sector op te zetten;

168.  dringt er bij de medewetgevers op aan een opvolger te creëren voor het Fonds voor interne veiligheid-Politie voor de nieuwe MFK-periode, dat ten minste over een vergelijkbaar financieringsniveau dient te beschikken;

169.  pleit voor een grotere rol voor het waarschuwings- en informatienetwerk op het gebied van kritieke infrastructuur (Ciwin);

170.  eist dat de aanwijzing van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren die van invloed zijn op meer dan één lidstaat plaatsvindt aan de hand van een multilateraal proces waarbij alle potentieel getroffen lidstaten betrokken zijn;

171.  roept de lidstaten op om nationale multidisciplinaire centra voor crisisrespons op te zetten voor coördinatie en noodhulp in het geval van een aanslag of incident; roept deze centra op om gebruik te maken van de geïntegreerde EU-regelingen voor politieke crisisrespons (IPCR) die bijdragen aan en gebaseerd zijn op drie belangrijke instrumenten, te weten het centrale IPCR 24/7-contactpunt, het IPCR-webplatform en het geïntegreerd rapport over situatiebeoordeling en -analyse (ISAA);

172.  verzoekt de Commissie een inventarisatie te maken van nationale crisiscentra of mechanismen voor crisisrespons;

173.  spoort de Commissie aan richtsnoeren voor lidstaten te blijven uitwerken en verspreiden om openbare ruimten beter te beschermen, zoals aangekondigd in het actieplan ter ondersteuning van de bescherming van openbare ruimten;

174.  verzoekt om de herziening van Richtlijn 2008/114/EG, teneinde: vergelijkbare regels en procedures vast te stellen voor "aanbieders van essentiële diensten", net als in de richtlijn inzake netwerk- en informatiebeveiliging; te waarborgen dat de aanwijzing van Europese kritieke infrastructuren plaatsvindt op basis van een analyse van de systemen die vitale en grensoverschrijdende diensten ondersteunen, in plaats van op een sectorgewijze benadering, waarbij op gepaste wijze rekening wordt gehouden met het belang van cyberbeveiliging; de Commissie de mogelijkheid te bieden om voorzieningen van pan-Europese diensten als Europese kritieke infrastructuren aan te merken; naar behoren rekening te houden met de bestaande afhankelijkheidsrelaties; een verplichting te creëren voor overheids- en particuliere exploitanten van kritieke infrastructuur om incidenten te melden, stresstests uit te voeren, gepaste opleidingen te verzorgen bij de aangewezen contactpunten en kwaliteitseisen op te stellen met betrekking tot de plannen inzake bedrijfscontinuïteit, waaronder operationele plannen, in het geval van een incident of aanslag;

175.  raadt aan om de particuliere sector te betrekken bij het ontwerpen van programma's voor de bescherming van kritieke infrastructuur en zachte doelwitten, waaronder in de context van cyberveiligheid; benadrukt de noodzaak om hiertoe publiek-private dialogen in gang te zetten en nationale en lokale veerkracht te ontwikkelen;

176.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor een Europees certificeringsinitiatief voor particuliere beveiligingsbedrijven, met als doel de eisen en voorwaarden te specificeren waaronder ze in een omgeving met kritieke infrastructuur kunnen opereren;

177.  onderstreept de noodzaak om doeltreffende responsstrategieën op te stellen, inclusief duidelijke communicatielijnen in geval van een aanslag, vooral met betrekking tot snelle-reactieteams, teneinde het aantal slachtoffers te beperken en de beheersing van de situatie te verbeteren om de gevolgen voor burgers tot een minimum te beperken; verzoekt de lidstaten dringend om hun betrokkenheid bij de bestaande mechanismen op Europees niveau verder te vergroten;

178.  roept op tot een snelle goedkeuring van de herziening van het Uniemechanisme voor civiele bescherming om de preventie en paraatheid, de uitwisseling van informatie op EU-niveau en het vermogen van de lidstaten om te reageren op verschillende soorten rampen te versterken;

179.  roept de Commissie op een evaluatie uit te voeren van de opties en de daarmee samenhangende gevolgen voor het opzetten van een systeem waarmee de identiteit van personen die land- en luchtvoertuigen en vaartuigen huren kan worden gecontroleerd;

180.  is ingenomen met de grensoverschrijdende oefening ter verbetering van de bescherming van zachte doelwitten tegen terroristische aanslagen, die in juni 2017 werd gehouden door België en Nederland; merkt op dat deze oefening door de Commissie werd gefinancierd om de mate van paraatheid en de crisisbeheertaken te beoordelen in het geval er tegelijkertijd twee aanslagen plaatsvinden in verschillende landen; roept op tot soortgelijke oefeningen waarbij lidstaten worden betrokken; is van mening dat de EU een ondersteunend kader voor die samenwerking kan bieden, met name op het gebied van medische zorg (Europees medisch korps), openbare veiligheid (Gezondheidsbeveiligingscomité) of decontaminatieprotocollen, alsook de coördinatie van speciale interventie-eenheden van de nationale politie en diensten voor civiele bescherming;

181.  dringt aan op wetgeving op het gebied van terrorisme en op nationale, regionale en lokale responsstrategieën voor de bescherming, weerbaarheid en respons in het geval van een aanslag, waarin rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften en omstandigheden van kwetsbare personen, zoals mensen met een beperking en minderjarigen; dringt er bovendien op aan personen met een beperking en hun belangenorganisaties te betrekken bij besluitvorming die hen raakt;

Precursoren voor explosieven

182.  constateert dat gereguleerde precursoren voor explosieven, zowel stoffen als mengsels, toegankelijk zijn voor terroristen; is daarom ingenomen met het voorstel uit april 2018 voor een verordening inzake het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven;

183.  dringt aan op de invoering van een Europees systeem van vergunningen voor gespecialiseerde kopers, anders dan het grote publiek, dat marktdeelnemers verplicht zich te laten registreren als vereiste om de in de bijlagen vermelde stoffen, of mengsels of stoffen die deze bevatten, legaal te mogen vervaardigen, distribueren of verkopen; roept de lidstaten op om inspectiesystemen op te zetten om niet-naleving van de verordening door marktdeelnemers te kunnen vaststellen;

184.  is ingenomen met de effectbeoordeling van Verordening (EU) nr. 98/2013 betreffende precursoren voor explosieven, en spoort de medewetgevers voor het voorstel voor een verordening in het kader van 2018/0103/COD aan het verplichte informatie-uitwisselingsproces te evalueren; dringt erop aan dat de markttoezichtautoriteiten hun toezichtactiviteiten voor precursoren voor explosieven versterken, aangezien deze duidelijk een negatief effect kunnen hebben op de openbare veiligheid;

185.  verzoekt de douaneautoriteiten om in samenwerking met rechtshandhavingsinstanties en op basis van informatie van Europol en andere systemen voor gegevensanalyse de opsporing van illegale onlineaankopen van de precursoren voor explosieven te verbeteren door middel van screening op basis van door handelaren verstrekte vrachtinformatie voorafgaand aan de aankomst in of het vertrek uit de EU van goederen, mede gebruikmakend van het douanerisicobeheersysteem (CRMS);

186.  roept de Commissie op om samen te werken met ondernemingen bij de bevordering van richtsnoeren voor onlinemarktplaatsen over de veiligheid van de verkoop van precursoren voor explosieven, bij de beperking van de verkoop van bepaalde stoffen tot professionele gebruikers en een aanscherping van het beleid inzake producten met verkoopbeperkingen door het bepalen van toegestane hoeveelheden en zuiverheidsgehalten;

187.  pleit voor het uniforme gebruik van bepaalde gestandaardiseerde productaanduidingen die het voor marktdeelnemers en onlinemarktplaatsen gemakkelijker maken om chemische stoffen die op hun websites worden aangeboden te identificeren; roept onlinemarktplaatsen op aangeboden producten vervolgens te screenen aan de hand van deze lijsten met gestandaardiseerde zoektermen om de op die lijsten voorkomende gereguleerde producten in de gaten te kunnen houden;

188.  verzoekt de Commissie te overwegen om gemeenschappelijke vergunningscriteria vast te stellen door de voorwaarden te harmoniseren op grond waarvan aanvragen worden ingewilligd of afgewezen en wederzijdse erkenning door de lidstaten te bevorderen;

Illegale wapens

189.  pleit voor de snelle en doeltreffende tenuitvoerlegging van de richtlijn betreffende de controle op de verwerving en het bezit van vuurwapens om de verkoop en het gebruik ervan zo doeltreffend mogelijk te controleren en te voorkomen dat vuurwapens en aanverwante uitrusting en hulpmiddelen zowel binnen als buiten de EU illegaal worden verhandeld; dringt erop aan de mazen in het bestaande regelgevingskader inzake vuurwapens te dichten, bijvoorbeeld door maatregelen te treffen om de omloop tegen te gaan van gemakkelijk om te bouwen wapens voor het afvuren van losse patronen, Flobertgeweren, alarmpistolen en vergelijkbare wapens;

190.  roept de lidstaten op programma's vast te stellen voor de inlevering van vuurwapens en munitie, afgestemd op de specifieke context van de illegale markt voor vuurwapens; dringt aan op doeltreffende sanctionering van het illegale bezit en de illegale handel in vuurwapens; roept op tot de strikte en zorgvuldige uitvoering door de lidstaten van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie;

191.  steunt de herziening van de EU-strategie ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW), door rekening te houden met de nieuwe veiligheids- en veiligheidsbeleidscontext en de ontwikkelingen op het gebied van SALW-ontwerp en -technologie die van invloed zijn op het vermogen om de dreiging het hoofd te bieden;

192.  is van mening dat de lidstaten moeten kiezen voor een aanpak die gebaseerd is op gericht wapenonderzoek, met gebruik van gespecialiseerde rechtshandhavingseenheden die specifiek onderzoek doen naar de actoren en netwerken die bij dit soort handel betrokken zijn en met consultatie van de verschillende nationale ballistische databanken;

193.  herinnert eraan dat de Commissie een verslag heeft goedgekeurd over de evaluatie van Verordening (EU) nr. 258/2012, waarin regels worden vastgesteld voor de toegestane uitvoer, invoer en doorvoer van niet-militaire vuurwapens, en waarin wordt geconcludeerd dat de verordening noodzakelijk blijft, maar dat de doeltreffendheid ervan beperkt is door het gebrek aan precisie van sommige bepalingen en de complexe interactie met andere wetgevingsinstrumenten van de EU; spoort de wetshandhavingsautoriteiten van de lidstaten aan om gespecialiseerde politieteams voor de aanpak van de illegale handel in vuurwapens op te zetten die zijn voorzien van voldoende personeel, deskundigheid en uitrusting;

194.  spoort de lidstaten aan een evaluatie uit te voeren van mogelijke beperkingen op het dragen van messen zonder geldige reden, een verbod op het gebruik van bijzonder schadelijke messen zoals zombie- of vlindermessen, en de handhaving van deze maatregelen online;

Externe dimensie

195.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan mondiale acties op internationaal niveau te ondernemen om de langdurige conflicten aan te pakken die hele regio's destabiliseren, de cyclus van geweld en lijden voeden en helaas aanleiding geven tot veel terroristische acties;

196.  dringt aan op intensivering van de samenwerking van de EU met haar buurlanden en met name met de landen van doorreis en bestemming van buitenlandse strijders, op het gebied van terrorismebestrijding; is van oordeel dat de EU een mondiale benadering van terrorismebestrijding moet blijven hanteren, met specifieke aandacht voor de samenwerking met belangrijke derde landen op basis van duidelijk omschreven prioriteiten;

197.  is van mening dat terrorismebestrijding een terrein is dat concrete expertise vergt; roept daarom op tot verdere professionalisering van het EU-netwerk op dit gebied, met name door uitvoerend personeel dat afkomstig is uit de lidstaten beter en langer in de organisatie op EU-niveau te integreren, zodat hun werk niet langer beperkt blijft tot een eenmalige opdracht binnen een delegatie bij de EU; is van mening dat detachering binnen de EU instellingen zou zorgen voor een optimalisering van de expertise en de inzet van competenties op het gebied van terrorismebestrijding;

198.  verzoekt de Commissie de steun aan derde landen, en met name buurlanden, te versterken in hun strijd tegen misdaad en mensenhandel als financieringsbron voor terrorisme, en de banden met hen aan te halen om het bevriezen van activa te versnellen; is echter bezorgd dat antiterreurwetgeving in sommige partnerlanden van de EU te ruim wordt toegepast en wordt misbruikt om vreedzaam protest de kop in te drukken; waarschuwt dat criminalisering van de vreedzame uiting van legitieme bezwaren kan leiden tot radicalisering; is van mening dat de EU sterk moet investeren in maatregelen om de diepere oorzaken van het terrorisme in derde landen aan te pakken; is groot voorstander van externe programma's ter bestrijding van extremisme in gevangenissen, samenwerkingsprogramma's met religieuze leiders en gemeenschappen, interreligieuze dialogen en fora, en in het algemeen van allerlei verzoeningsprogramma's die de spanningen tussen gemeenschappen verminderen en sektarisch beleid voorkomen via met name economische, sociale en educatieve middelen;

199.  dringt er bij de lidstaten op aan volledig gebruik te maken van het inlichtingenwerk op het gebied van terrorismebestrijding van het Inlichtingen- en situatiecentrum van de Europese Unie (EU-Intcen); dringt er bij de Commissie op aan Intcen een duidelijk mandaat te verlenen om analisten in de EU-delegaties rechtstreeks te benaderen teneinde de toestroom van relevante informatie naar het centrale inlichtingensysteem van de EU te verbeteren;

200.  dringt aan op versterkte samenwerking en inventarisatie van de synergieën tussen de missies en operaties van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en de acties van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ);

201.  dringt aan op een vereenvoudiging van het systeem van beperkende maatregelen om hiervan een doeltreffend instrument op het gebied van terrorismebestrijding te maken;

Slachtoffers van terrorisme

202.  verzoekt de Commissie om een EU-coördinatiecentrum voor slachtoffers van terrorisme (CCST) op te zetten, dat tijdige en passende crisisondersteuning kan verlenen in geval van aanslagen in een of meer lidstaten; is van mening dat de rol van het CCST onder andere moet bestaan uit het bieden van noodhulp aan slachtoffers uit een andere lidstaat, alsmede het bieden van expertise op EU-niveau door de uitwisseling van kennis, protocollen en beste praktijken te bevorderen; benadrukt dat de ondersteuning en de bescherming moeten worden uitgebreid tot indirecte slachtoffers, zoals de familieleden van slachtoffers, ooggetuigen en eerstehulpverleners;

203.  is van mening dat het CCST als het eenmaal opgericht is statistieken kan verzamelen, en kan helpen bij het opzetten en coördineren van registers van slachtoffers van terrorisme in de lidstaten en op Europees niveau, met volledige inachtneming van de regelgeving inzake gegevensbescherming, met name wat betreft de rechten van de betrokkenen en het doelbindingsbeginsel; is van mening dat het ook optimale werkmethoden kan onderzoeken en bevorderen, zoals de opstelling van protocollen, om:

  1)  te garanderen dat slachtoffers van terrorisme onmiddellijk emotioneel opgevangen worden;

2)  hun vervolgens psychologische en emotionele ondersteuning te bieden;

3)  secundaire victimisatie te vermijden tijdens de gerechtelijke procedure en de bureaucratische nasleep;

4)  te waarborgen dat zij daadwerkelijk toegang tot de rechter hebben, met name in het geval van terroristische aanslagen waarbij slachtoffers uit een ander land betrokken zijn;

5)  goede praktijken te bevorderen voor de media over onderwerpen die gevoelig zijn voor slachtoffers van terrorisme en hun familieleden;

  is van mening dat het CCST ook een publiek register van geaccrediteerde organisaties voor slachtofferhulp kan aanleggen, dat kan worden geraadpleegd en kan dienen om de opgestelde protocollen te verbeteren; dringt er bij de lidstaten op aan één autoriteit aan te wijzen die optreedt als nationaal aanspreekpunt voor het CCST zodra dat is opgericht;

204.  verzoekt de Commissie een gemeenschappelijk onlineplatform in alle EU-talen op te zetten, met informatie over de rechten en ondersteuning van slachtoffers van terrorisme, dat door het CCST wordt beheerd, met één nationaal aanspreekpunt in elke lidstaat, inclusief een hulplijn;

205.  roept de Commissie op een wetgevingsvoorstel in te dienen over de slachtoffers van terrorisme dat op doeltreffende wijze beantwoordt aan de behoeften van de slachtoffers op de korte en lange termijn, met inbegrip van een gemeenschappelijke definitie van de status van slachtoffer van terrorisme en de rechten van slachtoffers, evenals een standaardformulier om schadevergoeding te vorderen, waarop duidelijke plichten en termijnen voor verzekeraars staan vermeld; is van mening dat er op nationaal niveau een vereenvoudigde procedure moet bestaan voor de automatische toekenning van schadevergoeding aan de slachtoffers van terrorisme kort na een aanslag om te voorzien in hun acute behoeften, en dat de kwestie van verdere vergoeding periodiek moet worden beoordeeld op basis van de situatie van het slachtoffer;

206.  is van mening dat de reikwijdte van de gemeenschappelijke definitie van "slachtoffer van terrorisme" ten minste de volgende categorieën omvat: 1) omgekomen personen; 2) personen die lichamelijke en/of geestelijke schade hebben geleden; 3) personen die ontvoerd of bedreigd zijn; 4) de echtgeno(o)t(e) van de omgekomen persoon of de persoon die eenzelfde gevoelsrelatie met hem/haar had, met inbegrip van ouders en kinderen, grootouders en broers en zussen;

207.  roept de lidstaten op de multidisciplinaire centra voor crisisrespons die coördinatie en noodhulp bieden te belasten met de tenuitvoerlegging van de nationale en lokale protocollen voor de prioritaire en snelle identificatie van de slachtoffers, hun onmiddellijke begeleiding en doorverwijzing naar de bevoegde diensten;

208.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat binnen de nationale crisisresponsinfrastructuur wordt voorzien in een alomvattende respons voor de specifieke behoeften van de slachtoffers van terrorisme onmiddellijk na een terroristische aanslag en zo lang als noodzakelijk is; is in dat verband van mening dat de lidstaten één geactualiseerde website moeten opzetten met alle relevante informatie en een centrum voor hulp aan slachtoffers en hun familieleden in noodsituaties dat psychologische eerste hulp en emotionele ondersteuning biedt, als bedoeld in Richtlijn (EU) 2017/541 van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding;(23)

209.  benadrukt dat de inlichting van de familie van de slachtoffers op een waardige, humane en gepaste wijze dient plaats te vinden door speciaal opgeleide beroepskrachten, waarbij gewaarborgd wordt dat de media de identiteit van de slachtoffers niet zonder hun voorafgaande toestemming bekendmaken en dat er vooral aandacht, respect en prioriteit nodig is bij de omgang met kinderen;

210.  dringt erop aan dat Richtlijn (EU) 2015/637 volledig en doeltreffend wordt uitgevoerd teneinde consulaire bescherming te waarborgen voor EU-burgers in derde landen waar hun lidstaat niet vertegenwoordigd is; benadrukt dat een toenemend aantal Europese burgers is geconfronteerd met terreuraanslagen in een land dat niet hun eigen land is, en dringt er daarom op aan dat in de lidstaten protocollen worden vastgesteld om niet-nationale Europese burgers te helpen in geval van een terreuraanslag, overeenkomstig Richtlijn (EU) 2017/541 inzake terrorismebestrijding;

211.  roept de lidstaten op erop toe te zeen dat de noodzakelijke bijstand die wordt geboden aan de slachtoffers van terrorisme ook maatregelen omvat als eerste hulp, psychologische bijstand, bescherming tegen secundaire victimisatie, rechtshulp, daadwerkelijke toegang tot de rechter, contante voorschotten om dringende uitgaven te betalen, erkende kinderopvang en thuiszorg, belastingverlichting en vervoersondersteuning in geval van tijdelijke of blijvende invaliditeit;

212.  roept de lidstaten op om er met de hulp van de Commissie voor te zorgen dat de beroepskrachten van alle betrokken nationale diensten, met name eerstehulpverleners, goed worden opgeleid om te kunnen voorzien in de behoeften van de slachtoffers van terrorisme; wijst erop dat het CCST ondersteuning zal geven bij de beroepsopleiding van o.a. politieagenten, advocaten en andere mensen die beroepshalve te maken hebben met slachtoffers, en met verzekeringsmaatschappijen of instanties voor de uitbetaling van schadevergoedingen;

213.  verzoekt de lidstaten rechtsmechanismen op te zetten voor de strafbaarstelling van de verheerlijking van een specifieke terroristische daad aangezien deze verheerlijking de slachtoffers vernedert en kan leiden tot secundaire victimisatie door de waardigheid en het herstel van de slachtoffers te beschadigen;

214.  eist dat de instellingen in kwestie waarborgen bieden zodat er geen secundaire victimisatie plaatsvindt ten gevolge van een vernederende behandeling en aanvallen op het imago van de slachtoffers uit maatschappelijke sectoren die gerelateerd zijn aan de aanslagpleger;

215.  verzoekt de lidstaten hommages aan personen die veroordeeld zijn wegens terroristische activiteiten te verbieden;

216.  verzoekt lidstaten bijzondere aandacht te schenken aan slachtoffers als zij lastig kunnen worden gevallen of vrezen dat ze nogmaals kunnen worden aangevallen door de sociale omgeving van de terroristen;

217.  roept de lidstaten op erop toe te zien dat slachtoffers van seksuele en andere ernstige vormen van geweld die door terroristen van Da'esh buiten de EU zijn gepleegd, in de EU veilig zijn en zonder angst kunnen leven; dringt er bij de lidstaten op aan dergelijke misdrijven ondanks het feit dat zij buiten de EU zijn gepleegd, te vervolgen en de slachtoffers als belangrijke getuigen te betrekken bij de gerechtelijke procedures;

218.  verzoekt de Commissie een financiële regeling te overwegen voor de vergoeding van de slachtoffers van grootschalige terroristische aanslagen om steun te kunnen bieden aan lidstaten wanneer dat nodig is, ook in grensoverschrijdende gevallen;

219.  verzoekt de Commissie een dialoog met de lidstaten aan te gaan met het doel de grote verschillen weg te werken die bestaan in de hoogte van financiële schadevergoedingen die op nationaal niveau door de lidstaten aan slachtoffers van terroristische aanslagen worden toegekend;

220.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle slachtoffers van terrorisme het recht hebben partij te zijn in gerechtelijke procedures die betrekking hebben op een terroristische aanslag waarbij zij betrokken waren, en waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van slachtoffers uit andere landen; verzoekt de lidstaten te garanderen dat er tijdens strafrechtelijke procedures geen neerbuigende of vernederende contacten plaatsvinden tussen de slachtoffers en de aanslagpleger of diens entourage;

221.  dringt erop aan meer aandacht te schenken aan de Europese Herdenkingsdag voor de Slachtoffers van Terrorisme (11 maart);

Grondrechten

222.  benadrukt dat veiligheidsmaatregelen, inclusief maatregelen inzake terrorismebestrijding, moeten worden genomen volgens de beginselen van de rechtsstaat, met inachtneming van de grondrechten, en in een duidelijk rechtskader; verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen dan ook bij de vaststelling en toepassing van maatregelen inzake terrorismebestrijding de grondrechten te eerbiedigen, zo ook in verband met privacy en gegevensbescherming, vrijheid van mening en meningsuiting en non-discriminatie, alsmede procedurele waarborgen waaronder het vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk proces, het recht op informatie en controle door een gerechtelijke autoriteit, alsmede erop toe te zien dat individuen op doeltreffende wijze bezwaar kunnen maken tegen schendingen van hun grondrechten, inclusief de mogelijkheid om in beroep te gaan;

223.  dringt er bij de lidstaten en de EU-instellingen op aan, wanneer zij maatregelen inzake terrorismebestrijding vaststellen en toepassen, te streven naar een goede balans tussen de verschillende grondrechten in kwestie en veiligheidsbehoeften; is in dit verband van mening dat de bescherming van het grondrecht op leven en veiligheid de eerste prioriteit moet vormen;

224.  herinnert eraan dat de internationale en regionale mensenrechtenwetgeving duidelijk maakt dat staten zowel het recht als de plicht hebben om personen die onder hun rechtsbevoegdheid vallen, te beschermen tegen terroristische aanslagen, teneinde de eerbiediging van het recht op leven en het recht op veiligheid te waarborgen; wijst erop dat de samenwerking van de EU met derde landen op het gebied van terrorismebestrijding gebaseerd moet zijn op de eerbiediging van de internationale mensenrechten en het humanitair recht, met inbegrip van een verbod op foltering;

225.  roept de Commissie en het Bureau voor de grondrechten op om onderzoek te doen naar de uitdagingen in het beleid inzake terrorismebestrijding en de beste praktijken in de lidstaten in kaart te brengen, waaronder praktijken die rekening houden met de specifieke omstandigheden van kwetsbare personen zoals mensen met een beperking en minderjarigen; roept de Commissie op om in dit verband de uitwisseling van beste praktijken te stimuleren en richtsnoeren op te stellen; wijst er verder op dat het Parlement, de Raad en de Commissie de optie hebben om adviezen van het Bureau voor de grondrechten in te winnen, in de context van zijn meerjarig kader, over maatregelen inzake terrorismebestrijding;

226.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de noodzakelijke waarborgen voor gegevensbescherming aanwezig zijn, in overeenstemming met de toepasselijke EU-wetgeving, waaronder gepaste technische en organisatorische maatregelen om de veiligheid en vertrouwelijkheid van persoonsgegevens te beschermen; verzoekt hen dringend om duidelijke regels op te stellen over wie tot welke gegevens in de systemen toegang kan krijgen en die kan raadplegen, om gegevens bij te houden over de raadpleging en bekendmaking daarvan, en om het recht op inzage, rectificatie, verwijdering en beperking te waarborgen, alsook het recht op vergoeding en beroep in rechte; verzoekt de Commissie en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming innovatieve oplossingen voor ingebouwde veiligheid te ontwikkelen:

227.  is van mening dat gedegen beleid inzake terrorismebestrijding robuuste mandaten vereist voor de overheidsinstanties die betrokken zijn bij de bestrijding van terrorisme alsmede een groot publiek draagvlak voor deze autoriteiten; wijst op de belangrijke rol die toezicht kan spelen bij het bevorderen van vertrouwen en steun van de bevolking; roept de lidstaten op toezichtsmechanismen in te stellen bij de maatregelen inzake terrorismebestrijding om de impact van deze maatregelen te beoordelen; roept de lidstaten verder op te zorgen voor democratisch toezicht en publieke verantwoording voor alle veiligheids- en inlichtingendiensten, met behoud van de noodzakelijke mate van geheimhouding;

°

°  °

228.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0307.

(2)

Studie over het beleid van de Europese Unie inzake terrorismebestrijding: relevantie, coherentie en doeltreffendheid, in opdracht van de beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken van het Europees Parlement, http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/583124/IPOL_STU(2017)583124_EN.pdf

(3)

https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:32018D1084&from=en

(4)

TE-SAT-verslag 2017 van Europol (blz. 14).

(5)

https://www.dw.com/de/jesidin-trifft-in-deutschland-auf-is-peiniger/a-45119776

(6)

Radicalisering wordt beschouwd als een complex proces waarmee een persoon of een groep steeds extremere religieuze en/of politieke ideeën/standpunten inneemt die mogelijk leiden tot gewelddadige handelingen, waaronder het begaan van terreurdaden. In overeenstemming met de beleidsdocumenten van de Commissie, moet elke verwijzing naar “radicalisering” worden opgevat als “radicalisering die leidt tot gewelddadig extremisme en terrorisme”.

(7)

Toespraak van commissaris Jourová voor Justitie, Consumentenzaken en Gendergelijkheid tijdens de conferentie over radicalisering in gevangenissen in Brussel op 27 februari 2018, http://europa.eu/rapid/press-release_SPEECH-18-1221_en.htm

(8)

Europol, 6 september 2018.

(9)

Verordening (EU) 2017/458 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 inzake het aanscherpen van de controles aan de hand van relevante databanken aan de buitengrenzen, PB L 74 van 18.3.2017, blz. 1.

(10)

PB C 366 van 27.10.2017, blz. 101.

(11)

Verslag van Europol over de situatie en de tendensen op het vlak van terrorisme (TE-SAT) 2017, blz. 10.

(12)

Europol TE-SAT 2017, blz. 15.

(13)

Europol TE-SAT 2018, blz. 9.

(14)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0229.

(15)

Verslag van de Raad van Europa van 22 september 2017 getiteld "Prosecuting and punishing the crimes against humanity or even possible genocide committed by Daesh".

(16)

PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1.

(17)

PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1.

(18)

Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1), en Besluit 2008/616/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 betreffende de uitvoering van Besluit 2008/615/JBZ inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (PB L 210 van 6.8.2008, blz. 12).

(19)

Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1889/2005 - PB L 284 van 12.11.2018, blz. 6.

(20)

http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2018/614496/IPOL_IDA(2018)614496_EN.pdf

(21)

COM(2018)0213.

(22)

Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie - PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1.

(23)

PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6.


TOELICHTING

Achtergrond

De EU kreeg de afgelopen jaren te maken met een ongeziene golf van terroristische aanslagen op eigen bodem, waardoor veiligheid tot grootste zorgenkind van de burgers is gekatapulteerd en de problemen bij de samenwerking en de uitwisseling van informatie op dit gebied naar voren is gekomen. In een Eurobarometer-enquête van juni 2017 inzake het algemene bewustzijn, de ervaringen en de opvattingen van burgers met betrekking tot veiligheid was 92 % van de respondenten het eens met de stelling dat nationale instanties informatie zouden moeten delen met de instanties van andere EU-lidstaten om misdaad en terrorisme beter te bestrijden.

In de nasleep van de aanslagen wisten de lidstaten en de EU maar moeizaam te reageren op de bezorgdheden van de burgers en de uitdagingen die de terreurdreiging met zich meebrengt. Er is nieuwe regelgeving voorgesteld, de bestaande regelgeving is of wordt herzien en er is een debat op gang gebracht in de EU en in de lidstaten over hoe de terreurdreiging het beste kan worden aangepakt.

Om op die ontwikkelingen te reageren en zijn steentje te kunnen bijdragen, heeft het Europees Parlement op 6 juli 2017 een Bijzondere Commissie terrorisme (TERR) opgezet. De commissie werd ingesteld op 14 september 2017. Zij moet zich vooral buigen over de praktische en wetgevende tekortkomingen in de strijd tegen terrorisme, met bijzondere aandacht voor samenwerking en informatie-uitwisseling.

Horizontale kwesties

Een van de grootste problemen waar deskundigen en beroepsbeoefenaars al meermaals op hebben gewezen, is dat de bestaande regelgeving op dit domein volledig ten uitvoer moet worden gelegd. De lidstaten moeten niet alleen het regelgevingskader verschaffen, maar moeten ook de nodige technische apparatuur en voldoende goed opgeleid personeel leveren om de praktische toepassing van de bestaande maatregelen te verzekeren.

Tijdens de werkzaamheden van de commissie werd ook voortdurend gewezen op de noodzaak van een passende regeling inzake gegevensbewaring. De rapporteurs zijn van mening dat er een EU-regeling inzake gegevensbewaring moet komen, in lijn met de vereisten uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, waarin tegelijkertijd rekening moet worden gehouden met de behoeften van de bevoegde autoriteiten en de specifieke kenmerken van terrorismebestrijding.

De rapporteurs betreuren dat de bestaande opt-outregelingen voor sommige lidstaten met betrekking tot de maatregelen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven de snelheid en efficiëntie van de onderzoeken naar terrorisme in het gedrang kunnen brengen en nadelige effecten kunnen hebben, en zij roepen de lidstaten ertoe op om op dit cruciale terrein af te zien van opt-outs.

Preventie en bestrijding van radicalisering

Radicalisering als bron van terroristische aanslagen van eigen bodem vormt een grote bedreiging voor de Europese Unie. De belangrijkste factoren die radicalisering in de hand werken zijn radicale inhoud op sociale media, persoonlijk contact met geradicaliseerde personen en het ecosysteem van radicalisering, met inbegrip van haatpredikers en radicale inhoud in boeken, op het internet of in audiovisuele media. Een andere broeihaard van radicalisering zijn de gevangenissen.

Hoewel de Europese Unie al verschillende initiatieven heeft opgezet om radicalisering aan te pakken, zoals het netwerk voor voorlichting over radicalisering en het EU-internetforum, is er een gezamenlijkere en gerichtere aanpak nodig om deze dreiging het hoofd te bieden. De rapporteurs stellen daarom voor om een nieuw Europees excellentiecentrum voor de preventie van radicalisering op te zetten, dat de samenwerking tussen lidstaten, beleidsmakers, beroepsbeoefenaars, deskundigen en onderzoekers inzake de preventie van radicalisering moet coördineren en bevorderen en moet bijdragen tot een gerichte inzet van EU-middelen op dit gebied. De essentiële rol van maatschappelijke organisaties en ngo's in de uitvoering van projecten om radicalisering te voorkomen en tegen te gaan op het lokale niveau, moet eveneens worden onderstreept. De lidstaten moeten de nodige wettelijke en financiële voorwaarden scheppen opdat deze organisaties hun werk kunnen doen.

De rapporteurs zijn van mening dat de grenzen van vrijwillige maatregelen door bedrijven om de verspreiding van radicale inhoud op het internet tegen te gaan, zijn bereikt en vragen de Commissie om een wetsvoorstel in te dienen waarbij bedrijven ertoe worden verplicht de terroristische inhoud binnen het uur volledig te verwijderen en om te voorzien in duidelijke verslagleggingsverplichtingen voor bedrijven inzake het aantal gevallen waarin terroristische inhoud werd aangetroffen en hoe vaak die werd verwijderd, naast sancties voor het niet nakomen van die verplichtingen.

Samenwerking en uitwisseling van informatie

Samenwerking en informatie-uitwisseling zijn van essentieel belang om terrorisme te bestrijden. De snelheid waarmee sommige van de recente aanslagen werden gepland en uitgevoerd, maakt het noodzakelijk om snel informatie en inlichtingen uit te wisselen om doeltreffend te kunnen optreden en aanslagen te helpen voorkomen. Het grensoverschrijdende karakter van terrorisme vereist een krachtige, gecoördineerde respons en samenwerking binnen de lidstaten en tussen de lidstaten onderling, en met de bevoegde agentschappen en instanties van de Unie en tussen die instanties onderling.

De rapporteurs zijn van mening dat moet worden overgestapt op een nieuwe benadering tot informatie-uitwisseling. Informatie die verband houdt met terrorismebestrijding moet standaard worden uitgewisseld, en alleen in specifieke gevallen, wanneer het vanwege de omstandigheden noodzakelijk is om informatie achter te houden, zou het mogelijk mogen zijn om geen informatie uit te wisselen. Daarnaast moeten er technische oplossingen worden ingevoerd om informatie uit de regionale systemen automatisch te uploaden naar de nationale/federale systemen en naar de Europese systemen. De samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de verschillende diensten, in het bijzonder tussen de wetshandhavingsinstanties en de inlichtingendiensten, moeten worden versterkt.

De rapporteurs willen dat Europol een echte hub voor informatie-uitwisseling en samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding in de EU wordt; Daartoe moeten de lidstaten echter de grootst mogelijke flexibiliteit garanderen voor contacten tussen Europol en de relevante instanties in de lidstaten ten aanzien van terroristische misdrijven. Daarnaast moet bij terroristische aanslagen consequent gebruik worden gemaakt van GOT's, aangezien deze aanslagen hoofdzakelijk een grensoverschrijdend karakter hebben. Europol en Eurojust dienen in beginsel aan deze GOT's deel te nemen.

Wat de interoperabiliteit van centrale systemen betreft, zijn de rapporteurs van mening dat dit een stap in de goede richting is, maar dat het ook niet meer dan een eerste stap is in de opzet van een omvattend raamwerk van interoperabele informatiesystemen. In de toekomst moeten ook andere systemen, waaronder nationale en decentrale systemen, hieronder vallen.

Buitengrenzen

Het Schengengebied zonder binnengrenzen kan alleen blijven bestaan indien de buitengrenzen op doeltreffende wijze worden beveiligd en beschermd. Sommige van de recente terreuraanslagen hebben grote tekortkomingen in het Europese grenscontrolebeleid aan het licht gebracht, aangezien ten minste acht van de uitvoerders van deze aanslagen via irreguliere migratiestromen in juli, augustus en oktober 2015 Griekenland waren binnengekomen. Hoewel er op dit gebied grote vorderingen zijn gemaakt en nieuwe maatregelen zijn ingevoerd, zoals verplichte raadplegingen van de SIS- en Interpolgegevensbanken aan de grensovergangen, moet er nog veel gebeuren op het gebied van geïntegreerd grensbeheer.

Het is bijzonder belangrijk om aan de grenzen de nodige voorwaarden te scheppen voor de tenuitvoerlegging van de nieuwe regelgeving, biometrische controles in te voeren, de gegevensbanken interoperabel te maken en alle beschikbare gegevens te gebruiken, waaronder PNR-gegevens of bewijsmateriaal van gevechtshandelingen, om potentiële terroristen te identificeren voordat zij het grondgebied van de EU betreden. De rol van Frontex in het geïntegreerde grensbeheer moet eveneens worden onderstreept.

De rapporteurs erkennen dat de EUNAVFOR Med-operatie Sophia momenteel de grootste garant van veiligheid is in het Middellandse Zeegebied en over de nodige middelen en vermogens beschikt om ook bij te dragen aan de strijd tegen terrorisme. Zij roepen daarom op om het mandaat van operatie Sophia dienovereenkomstig aan te passen en de territoriale reikwijdte ervan eveneens uit te breiden naar de nieuwe migratiestromen vanuit Tunesië. Er zou een nieuwe resolutie van de VN-Veiligheidsraad kunnen worden overwogen om Sophia toegang te bieden tot de territoriale wateren van de kuststaten om verdachte vaartuigen te controleren.

Terrorismefinanciering (TF)

TF dient alles te omvatten, niet alleen financiële stromen maar ook de financiering van radicalisering. TF-maatregelen moeten zowel gericht zijn tegen de grootschalige financiering van terroristische organisaties als tegen aanslagen waarvoor weinig geld nodig is. Het is dan ook van het allergrootste belang dat TF ten volle gebruikmaakt van financiële inlichtingen om preventie te stimuleren.

De lidstaten en de Commissie wordt gevraagd een Europees programma voor het traceren van terrorismefinanciering (TFTS) op te zetten voor transacties van individuen die banden hebben met het terrorisme en de financiering ervan binnen de gemeenschappelijke eurobetalingsruimte, als aanvulling op het Amerikaanse programma voor het opsporen van de financiering van terroristische activiteiten (Terrorist Financing Tracking Program – TFTP).

Bescherming van kritieke infrastructuur

De rapporteurs vragen om Richtlijn 2008/114 te herzien, om ervoor te zorgen dat Europese kritieke infrastructuur (ECI) wordt aangemerkt op basis van een analyse van de systemen die vitale, grensoverschrijdende diensten ondersteunen en niet op basis van een sectorale aanpak. In de nieuwe richtlijn moet worden voorzien in een verplichting om incidenten met betrekking tot kritieke infrastructuur te melden, een kader voor het uitvoeren van stresstests, passende opleiding voor de aangewezen contactpunten en kwaliteitseisen voor de plannen inzake bedrijfscontinuïteit in het geval van een incident of aanslag. De Commissie moet middelen van pan-Europese diensten zoals Galileo of Eurocontrol als ECI kunnen aanmerken.

De rapporteurs roepen de lidstaten voorts op om doeltreffende responsstrategieën vast te stellen en nationale multidisciplinaire crisiscentra op te zetten voor de coördinatie en noodrespons in het geval van een aanslag of incident.

Precursoren van explosieven

In 2015 en 2016 werden bij 40 % van de terroristische aanslagen in de EU explosieven gebruikt, hoewel in Verordening (EU) nr. 98/2013 is voorzien in een verbod om zeven stoffen aan particulieren aan te bieden in hoeveelheden die de grenswaarde overschrijden en in een verplichting om verdachte transacties met elf producten te melden. De reden daarvoor is dat daders en potentiële terroristen de precursoren nog steeds online kunnen kopen en dat de huidige regelgeving de lidstaten de mogelijkheid laat om verschillende systemen toe te passen.

De rapporteurs zijn daarom blij dat de Commissie een nieuwe verordening heeft voorgesteld, waarbij het registratiesysteem voor verboden stoffen wordt afgeschaft en duidelijker wordt gedefinieerd wie als particulier en wie als professionele gebruiker moet worden beschouwd. De rapporteurs vragen om strikter toezicht te houden op onlineaankopen en om de huidige gemeenschappelijke risicocriteria voor douanedoeleinden te verfijnen om illegale onlineaankopen van precursoren van explosieven gerichter te kunnen aanpakken.

Illegale handel in vuurwapens

Bij 41 % van alle aanslagen werden vuurwapens gebruikt, iets meer dan in 2016 (38 %). De dreiging van het gebruik van vuurwapens bij terroristische aanslagen blijft bestaan, mede doordat er tegenwoordig meer omgebouwde wapens voor het afvuren van losse patronen en opnieuw gebruiksklaar gemaakte vuurwapens verkrijgbaar zijn op de illegale wapenmarkt. De rapporteurs vragen daarom om de mazen in de Europese en nationale vuurwapenwetgeving te dichten, bijvoorbeeld door maatregelen te nemen om de verkoop van eenvoudig om te bouwen vuurwapens voor het afvuren van losse patronen en van Flobertgeweren en alarmpistolen een halt toe te roepen.

Slachtoffers van terrorisme

De lidstaten worden ertoe aangespoord om de bepalingen van de Richtlijnen (EU) 2017/541 en 2012/29 om te zetten.

De Commissie wordt gevraagd met een wetgevingsvoorstel te komen inzake de slachtoffers van terrorisme, waarin hun status en rechten duidelijk worden vastgesteld, evenals de criteria om in aanmerking te komen voor een schadevergoeding en de niveaus van schadevergoeding. Zij dient eveneens een Europees coördinatiecentrum voor slachtoffers van terrorisme (CCVT) op te zetten om tijdige en passende crisisondersteuning te verlenen bij een aanslag in een of meerdere lidstaten.

Grondrechten

De eerbiediging van de grondrechten vormt een essentieel onderdeel van een geslaagd terrorismebestrijdingsbeleid, en om de doeltreffendheid van terrorismebestrijdingsmaatregelen te verzekeren moet een goed evenwicht worden gevonden tussen de verschillende toepasselijke grondrechten. De rapporteurs onderstrepen in dat verband dat hoewel het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer een grondrecht is, het beschermen van de grondrechten op leven en veiligheid de eerste prioriteit moet zijn. Voorts moet rekening worden gehouden met de specifieke behoeften en situatie van kwetsbare personen en personen met een handicap.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

13.11.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

2

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Ivo Belet, Caterina Chinnici, Javier Couso Permuy, Edward Czesak, Arnaud Danjean, Gérard Deprez, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Doru-Claudian Frunzulică, Elisabetta Gardini, Ana Gomes, Sylvie Guillaume, Monika Hohlmeier, Eva Joly, Jeroen Lenaers, Péter Niedermüller, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Birgit Sippel, Helga Stevens, Elena Valenciano, Geoffrey Van Orden, Kristina Winberg, Milan Zver

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Lynn Boylan, Claude Moraes, Morten Helveg Petersen, Emil Radev, Josep-Maria Terricabras

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

France Jamet, Manolis Kefalogiannis, Lukas Mandl


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

23

+

ALDE

Gérard Deprez, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Morten Helveg Petersen

ECR

Edward Czesak, Helga Stevens, Geoffrey Van Orden

ENF

France Jamet

PPE

Ivo Belet, Arnaud Danjean, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Elisabetta Gardini, Monika Hohlmeier, Manolis Kefalogiannis, Jeroen Lenaers, Lukas Mandl, Emil Radev, Milan Zver

S&D

Caterina Chinnici, Doru-Claudian Frunzulică, Ana Gomes, Claude Moraes, Péter Niedermüller, Elena Valenciano

2

-

GUE/NGL

Lynn Boylan, Javier Couso Permuy

5

0

ECR

Kristina Winberg

S&D

Sylvie Guillaume, Birgit Sippel

VERTS/ALE

Eva Joly, Josep-Maria Terricabras

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 4 december 2018Juridische mededeling