Procedure : 2018/2084(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0379/2018

Ingediende teksten :

A8-0379/2018

Debatten :

PV 28/11/2018 - 20
CRE 28/11/2018 - 20

Stemmingen :

PV 29/11/2018 - 8.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0477

VERSLAG     
PDF 349kWORD 69k
22.11.2018
PE 626.768v02-00 A8-0379/2018

inzake de WTO: de weg vooruit

(2018/2084(INI))

Commissie internationale handel

Rapporteurs: Bernd Lange, Paul Rübig

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

inzake de WTO: de weg vooruit

(2018/2084(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO),

–  gezien de door de WTO geformuleerde ministersverklaring van Doha van 14 november 2001(1),

–  gezien zijn vorige resoluties over de WTO, in het bijzonder die van 24 april 2008 over een routekaart voor hervorming van de Wereldhandelsorganisatie(2) en van 15 november 2017 over multilaterale onderhandelingen met het oog op de elfde Ministeriële Conferentie van de WTO(3),

–  gezien het slotdocument dat op 10 december 2017 bij consensus werd goedgekeurd tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de Parlementaire Conferentie over de WTO in Buenos Aires(4),

–  gezien de resultaten, waaronder een reeks ministeriële besluiten, van de elfde Ministeriële Conferentie in Buenos Aires in december 2017, waar echter geen ministeriële verklaring kon worden goedgekeurd(5),

–  gezien de zesde mondiale evaluatie van Aid for Trade ("hulp voor handel"), die van 11 t/m 13 juli 2017 plaatsvond in Genève(6),

–  gezien de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling(7),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs binnen het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, die sinds november 2016 van kracht is,

–  gezien het laatste verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering van 8 oktober 2018, waaruit blijkt dat beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5° C nog steeds mogelijk is, indien landen hun nationaal bepaalde bijdragen voor 2020 verhogen,

–  gezien punt 16 van de conclusies van de Europese Raad van 28 juni 2018(8),

–  gezien de op 31 mei 2018 aangenomen gezamenlijke verklaring over de trilaterale vergadering van de ministers van Handel van de Verenigde Staten, Japan en de Europese Unie(9),

–  gezien de gezamenlijke verklaring tijdens de 20e EU-China-top, waarbij een gezamenlijke werkgroep betreffende de hervorming van de WTO werd opgericht die zal worden voorgezeten op het niveau van viceministers(10);

–  gezien de conceptnota van de Commissie van 18 september 2018 over modernisering van de WTO(11),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0379/2018),

A.  overwegende dat de WTO sinds haar oprichting een cruciale rol speelt bij het versterken van het multilaterale kader, het bevorderen van een inclusieve economische wereldorde en het stimuleren van een open, op regels gebaseerd, niet-discriminerend multilateraal handelsstelsel; overwegende dat de ontwikkelingslanden momenteel goed zijn voor ongeveer de helft van de wereldhandel, terwijl dit in 2000 nog 33 % was, en dat het aantal mensen dat in extreme armoede leeft, sinds 1990 is gehalveerd en net onder de één miljard ligt; overwegende dat de WTO is gegrondvest op een systeem van rechten en plichten, uit hoofde waarvan leden hun eigen markten moeten openstellen zonder te discrimineren;

B.  overwegende dat de WTO voor regeringen en bedrijven het belangrijkste referentiepunt moet blijven om regels te bepalen en handelsgeschillen op te lossen;

C.  overwegende dat de EU voortdurend heeft gepleit voor een sterke, op multilaterale regels gebaseerde benadering van handel, omdat de EU-economie, en werknemers en consumenten in de EU en haar partnerlanden in toenemende mate geïntegreerd zijn in de wereldwijde waardeketens en zowel bij de invoer als de uitvoer afhankelijk zijn van voorspelbare ontwikkelingen op het gebied van internationale handel en op het gebied van sociale en milieuomstandigheden;

D.  overwegende dat de resultaten van de elfde Ministeriële Conferentie van de WTO in Buenos Aires in december 2017 teleurstellend waren en duidelijk aantoonden dat de onderhandelingsrol van de organisatie verlamd is;

E.  overwegende dat het op regels gebaseerde multilaterale handelsstelsel kampt met de zwaarste crisis sinds de oprichting van de WTO, wat een bedreiging vormt voor de basistaken van de organisatie, te weten het vaststellen van essentiële voorschriften en de structuur voor de internationale handel en het leveren van het doeltreffendste en meest ontwikkelde geschillenbeslechtingsmechanisme van alle multilaterale organisaties;

F.  overwegende dat behoudens enkele uitzonderingen zoals de handelsfacilitatieovereenkomst, de handelshervorming van de WTO sinds het eerste decennium van de 21e eeuw achterblijft;

G.  overwegende dat de beroepsinstantie de parel aan de kroon van de WTO is, vanwege het bindende karakter van haar besluiten en haar status als onafhankelijk en onpartijdig beroepsorgaan; overwegende dat het aantal rechters van de WTO-beroepsinstantie is gedaald tot het minimumaantal dat het nodig heeft om te functioneren, nadat er na afloop van de termijn van rechter Shree Baboo Chekitan Servansing slechts drie benoemde rechters overbleven; overwegende dat deze door de VS-regering veroorzaakte impasse zou kunnen leiden tot de instorting van een stelsel dat cruciaal is voor het beslechten van geschillen tussen alle WTO-leden;

1.  schaart zich andermaal volledig achter het multilaterale handelsstelsel en pleit voor een handelsagenda gebaseerd op eerlijke en op regels gebaseerde handel die eenieder ten goede komt en die bijdraagt tot vrede, veiligheid en de agenda voor duurzame ontwikkeling, door sociale, milieu- en mensenrechten erin op te nemen en te versterken, en ervoor te zorgen dat multilateraal overeengekomen en geharmoniseerde voorschriften zonder onderscheid worden toegepast en effectief worden gehandhaafd; onderstreept dat de WTO eveneens moet bijdragen tot de bevordering van rechtvaardige handel en de bestrijding van oneerlijke praktijken; onderstreept dat handel geen doel op zich is, maar een instrument voor het verwezenlijken van de mondiaal overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen;

2.  meent dat in het licht van de laatste ontwikkelingen, maar ook gezien het reeds lang uitblijven van vooruitgang ten aanzien van de ontwikkelingsagenda van Doha (DDA), dringend moet worden overgegaan tot de modernisering van de WTO en tot een grondige herziening van verschillende aspecten van de werking van de WTO, met als doel zowel de doeltreffendheid als de legitimiteit ervan te vergroten; is in dit opzicht van mening dat het van essentieel belang is dat het secretariaat van de WTO alle WTO‑leden de mogelijkheid biedt om vanaf het begin bij het debat te worden betrokken; dringt er bij de Commissie en de EU-lidstaten in de WTO op aan samen te werken met andere WTO-leden, in het bijzonder onze belangrijkste handelspartners zoals de VS, Japan, China, Canada, Brazilië en India, om tot gezamenlijke standpunten te komen; beschouwt de openingsverklaringen bij de EU-China-top over de hervorming van de WTO als bemoedigend;

3.  verwelkomt in dit opzicht het op 28-29 juni 2018 door de Europese Raad gegeven mandaat aan de Commissie en neemt kennis van de in de conclusies vermelde benadering, alsook van de conceptnota van de Commissie over modernisering van de WTO van 18 september 2018 en de voorstellen van Canada voor de hervorming van de WTO van 25 september 2018; kijkt uit naar de publicatie van meer voorstellen, met name van ontwikkelingslanden en van werkgroepen die reeds door de lidstaten van de WTO zijn opgericht;

4.  toont zich uitermate bezorgd over het feit dat slechts drie posities binnen de beroepsinstantie vervuld zijn, hetgeen de huidige en goede werking van het geschillenbeslechtingsproces ernstig ondermijnt, en doet een krachtig beroep op de Verenigde Staten om deze situatie zodanig op te lossen dat vacante posities binnen de beroepsinstantie snel kunnen worden opgevuld; is ingenomen met de eerste voorstellen die de Commissie in haar conceptnota over modernisering van de WTO heeft geformuleerd om deze impasse te doorbreken, door een oplossing aan te dragen voor een aantal zorgpunten, onder meer via een overgangsregeling voor vertrekkende leden of wijzigingen in de duur van de ambtstermijn binnen de beroepsinstantie of in de maximaal toegestane tijd voor de publicatie van een rapport of de vaststelling van nieuwe jurisprudentie door de beroepsinstantie; wijst erop dat de bezwaren van de VS betreffende de beroepsinstantie verder gaan dan procedurele wijzigingen en dat zij aanzienlijke hervormingen inhouden van de uitspraken van de rechters van de instantie;

5.  is van mening dat het besluit van de VS van 31 mei 2018 om invoerrechten op staal en aluminium te heffen op gronden van "nationale veiligheid" uit hoofde van afdeling 232 van de Trade Expansion Act van 1962 niet gerechtvaardigd is, dat dit geen oplossing vormt voor het probleem van staaloverschot op de mondiale markten en niet strookt met de WTO-regels; spoort de Commissie met klem aan om samen met de VS aan een oplossing voor de handelsgeschillen te werken en obstakels voor handel weg te nemen binnen het op WTO-regels gebaseerde kader voor geschillenbeslechting;

6.  is van mening dat de WTO, als oplossing voor de onderliggende oorzaken van de huidige crisis, moet inspelen op de veranderende omstandigheden en tegelijk bepaalde nog open kwesties van de DDA moet oplossen, met name op het gebied van voedselveiligheid; acht het daarom noodzakelijk:

a)  de huidige hiaten in de regelgeving aan te pakken om aldus te zorgen voor een gelijk speelveld wat betreft marktverstorende subsidies en staatsbedrijven, en de bescherming van de intellectuele eigendom en de markttoegang voor investeerders te handhaven; daarnaast aandacht te besteden aan kwesties zoals de bescherming en de gedwongen openbaarmaking van broncodes en andere overheidsmaatregelen die tot overcapaciteit leiden, alsook wettelijke belemmeringen voor diensten en investeringen, met inbegrip van technologieoverdracht, vereisten voor gemeenschappelijke ondernemingen en vereisten inzake plaatselijke toegevoegde waarde; en toezicht te houden op de uitvoering, het beheer en de werking van bestaande overeenkomsten;

b)  het noodzakelijke regelgevingskader tot stand te brengen om technologische ontwikkelingen het hoofd te bieden, onder meer op het gebied van e-handel, mondiale waardeketens, openbare aanbestedingen en geactualiseerde interne regelgeving voor diensten en micro-, kleine en middelgrote ondernemingen;

c)  de meest prangende mondiale problemen op sociaal en milieugebied aan te pakken en te zorgen voor systematische beleidssamenhang tussen handels-, arbeids- en milieuagenda’s;

d)  in dit opzicht de in Buenos Aires aangenomen gezamenlijke verklaringen inzake e-handel, binnenlandse regelingen, investeringsbevordering en meer economische zeggenschap voor vrouwen, evenals het werk dat sindsdien op deze gebieden is verzet, toe te juichen;

7.  wijst op de gelegenheid voor de EU om haar regels op het gebied van gegevens- en privacybescherming naar voren te schuiven en internationaal onder de aandacht te brengen, zodat deze als leidraad kunnen dienen bij het opstellen van internationale en multilaterale normen;

8.  wijst erop dat toegang tot overheidsopdrachten een van de prioriteiten van de Europese Unie is in haar handelsbesprekingen en dat de Unie derhalve verwacht dat de WTO-leden hun toezegging om zich bij de overeenkomst inzake overheidsopdrachten aan te sluiten gestand doen en dat de werking en de eerbiediging van de bepalingen van deze overeenkomst worden verbeterd, in een geest van wederkerigheid en wederzijds voordeel; wijst erop dat de volledige effectiviteit van mogelijke verbeteringen in de staatssteunregels en de rol van overheidsbedrijven deels afhangt van de vorderingen die op dit vlak worden geboekt; dringt er bij de Commissie op aan samen te werken met de leden die bezig zijn tot de overeenkomst inzake overheidsopdrachten toe te treden, teneinde hun inspanningen te bespoedigen zodat meer WTO-leden de vruchten kunnen plukken van liberalisering van overheidsopdrachten;

9.  is ervan overtuigd dat het huidige onderscheid tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden niet de economische realiteit en de feitelijke situatie binnen de WTO weergeeft en dat dit een belemmering is geweest voor de vooruitgang van de Doha-ronde, dit ten nadele van de meest behoeftige landen; dringt er bij de meer gevorderde ontwikkelingslanden op aan om hun deel van de verantwoordelijkheid op zich te nemen en een bijdrage te leveren die in verhouding staat tot hun ontwikkelingsniveau en (sectorale) concurrentiekracht; wijst erop dat in de conceptnota van de Commissie wordt aangedrongen op regels die ontwikkelingslanden in staat stellen hun status van laag-inkomensland geleidelijk achter zich te laten naarmate zij rijker worden; is van mening dat het mechanisme van de bijzondere en gedifferentieerde behandeling (S&DT) nader moet worden bekeken om beter aan te sluiten op de menselijke ontwikkelingsindex, als een beleidsinstrument dat ontwikkelingslanden in staat stelt om de tenuitvoerlegging van multilaterale overeenkomsten te koppelen aan de ontvangst van bijstand van rijkere landen en donororganisaties;

10.  is zeer verheugd over de ratificatie door twee derde van de WTO-leden van de handelsfacilitatieovereenkomst in februari 2017; is ervan overtuigd dat de handelsfacilitatieovereenkomst een belangrijk voorbeeld stelt en als model voor toekomstige WTO-afspraken kan dienen, waarbij rekening moet worden gehouden met de verschillende ontwikkelingsstatus en de uiteenlopende behoeften van de WTO-leden; spoort de WTO-leden aan hun verantwoordelijkheid te nemen en zich aan hun afspraken te houden in overeenstemming met hun reële economische gewicht en vermogens; wijst op de volgende uitdagingen, namelijk de volledige ratificatie van de overeenkomst, met name door leden in Afrika die naar verwachting het meeste van de overeenkomst zullen profiteren, de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de overeenkomst en de kennisgeving van ontwikkelingshulp in het kader van de overeenkomst;

11.  erkent dat de toetreding van China tot de WTO in 2001 over het algemeen de toegang tot de Chinese markt heeft vergroot, hetgeen gunstig is geweest voor de wereldeconomie; is bezorgd dat China de geest en beginselen van de WTO-regels inzake nationale behandeling niet toepast;

12.  is van mening dat het noodzakelijk is om de werking van het onderhandelingsproces te herzien door meer flexibiliteit in te voeren dan tot dusver onder de consensusregel het geval was, maar erkent tegelijkertijd dat de benadering van de algemeen geldende verbintenis de doeltreffendheid van de multilaterale handelsbesprekingen heeft beperkt; spreekt zijn steun uit voor het concept van flexibel multilateralisme, waarbij de WTO-leden die zich wensen bezig te houden met een bepaalde aangelegenheid waarbij nog geen volledige consensus mogelijk is, in staat moeten zijn om multilaterale overeenkomsten te bevorderen en af te sluiten, hetzij via zogenaamde WTO Bijlage 4‑overeenkomsten, in overeenstemming met artikel II:3, artikel III:1 en artikel X:9 van de Overeenkomst van Marrakesh, of via "kritische massa"-overeenkomsten waarmee overeengekomen concessies worden gedaan aan de WTO-leden op basis van het beginsel van meest begunstigde natie; roept de Commissie op deze artikelen niet te gebruiken als alternatief voor een constructieve dialoog met de WTO-leden om handelsbelemmeringen en hervorming van de WTO en haar taken aan te pakken; is in dit verband van mening dat de WTO-leden de capaciteitsopbouw van de WTO moeten versterken om ervoor te zorgen dat de organisatie kan beschikken over voldoende financiële en personele middelen, in overeenstemming met de toegenomen behoeften om dezelfde kwaliteit van werk te behouden; meent, in het algemeen, dat de financiële bijdragen van nieuwe leden moeten leiden tot een verhoging van de WTO-begroting en niet tot lagere lidmaatschapsbijdragen voor bestaande leden;

13.  erkent dat, hoewel het op regels gebaseerde multilaterale handelsstelsel de kern van de WTO-structuur blijft vormen, er mogelijkheden bestaan voor diepere en flexibelere plurilaterale samenwerking tussen geïnteresseerde staten op gebieden waar moeilijk consensus kan worden bereikt; wijst erop dat dergelijke overeenkomsten een aanvulling moeten vormen op de multilaterale agenda en deze niet mogen ondermijnen, en niet mogen worden gebruikt als alternatieve fora om handelsbelemmeringen aan te pakken, maar eerder een hulpmiddel moeten vormen om voortgang op multilateraal niveau te bevorderen; dringt aan op de hervatting van de multilaterale onderhandelingen over de overeenkomst inzake milieugoederen (EGA) en de overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA), en vraagt om in plurilaterale en multilaterale overeenkomsten specifieke bepalingen voor kmo's op te nemen; benadrukt dat het belangrijk is dat de WTO de internationale samenwerking met andere internationale organisaties zoals onder meer de VN, de OESO, de WDO en de IAO voortzet en verdiept;

14.  benadrukt het belang dat handel kan en moet spelen in de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling voor 2030 en de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs in de strijd tegen klimaatverandering; betreurt dat de EGA in 2016 werd geblokkeerd en herinnert eraan dat deze overeenkomst de toegang tot groene technologieën kan vergroten en tot de verwezenlijking van de bovengenoemde verbintenissen kan bijdragen; onderstreept dat naast de onderhandelingen over visserijsubsidies, de WTO nu concretere maatregelen moet vaststellen die in dit opzicht moeten worden genomen om het leven in de zee te beschermen; herinnert eraan dat het WTO-concept van verwerkings- en productiemethoden het mogelijk maakt te differentiëren tussen soortgelijke producten op grond van hun milieueffecten; pleit ervoor de WTO-Commissie voor handel en milieu nieuw leven in te blazen en haar het mandaat te geven criteria op te stellen voor de bestrijding van "freerider"-gedrag op milieugebied alsook nauwere banden aan te knopen met het secretariaat van het UNFCCC;

15.  wijst opnieuw op het verband tussen gendergelijkheid en inclusieve ontwikkeling, zoals ook wordt vermeld in SDG 5, en beklemtoont hierbij dat de versterking van de positie van vrouwen essentieel is voor het uitbannen van armoede en dat het slechten van barrières voor de participatie van vrouwen in het handelsverkeer van cruciaal belang is voor economische ontwikkeling; juicht de toegenomen aandacht van de WTO voor kwesties in verband met handel en gender toe en moedigt alle 121 ondertekenaars van de Verklaring van Buenos Aires inzake handel en de economische emancipatie van vrouwen van 2017 aan om hun beloften na te komen; benadrukt dat er voor alle terreinen waarvoor de WTO regels opstelt een systematische genderaanpak moet komen in de vorm van genderspecifieke effectbeoordelingen; wijst op het belang van een initiatief als SheTrades om de positieve rol van vrouwen in handel over het voetlicht te brengen en de deelname van vrouwen aan internationale handel wereldwijd aan te moedigen;

16.  vestigt de aandacht op de conclusies van de zesde mondiale evaluatie van Aid for Trade ("hulp voor handel") die in juli 2017 plaatsvond in Genève, getiteld "Promoting trade, Inclusiveness and Connectivity for Sustainable Development" (Het bevorderen van handel, inclusie en connectiviteit in het kader van duurzame ontwikkeling); onderschrijft het standpunt dat dit moet worden vertaald in concrete acties om e-handel te bevorderen en digitale kansen, zoals blockchaintechnologie, in daadwerkelijke handelsvoorwaarden om ze zetten, ook voor ontwikkelingslanden; merkt in dit verband op dat investeringen in fysieke en digitale infrastructuur een belangrijke uitdaging blijven, omdat zij onmisbaar zijn om vooruitgang te boeken op dit gebied; roept de WTO-leden daarom op investeringen in fysieke en digitale infrastructuur te bevorderen en daarbij, naast andere initiatieven, publiek-private partnerschappen te stimuleren;

17.  verzoekt de EU andermaal om ervoor te zorgen dat haar activiteiten met ontwikkelingslanden, zowel op het gebied van ontwikkeling als van handel, zijn gebaseerd op een evenwichtig kader tussen gelijkwaardige partners, dat zij stroken met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling zoals vastgelegd in artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en dat zij zijn gericht op de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten;

18.  betreurt het feit dat de elfde ministersconferentie van de WTO geen vooruitgang heeft kunnen boeken inzake kwesties die voor de ontwikkelingslanden van cruciaal belang zijn; is evenwel ingenomen met de verbeterde preferentiële behandeling waarin de WTO al eerder had voorzien voor de MOL's, met inbegrip van preferentiële oorsprongsregels en een regeling voor dienstverleners, en onderstreept de noodzaak van maatregelen inzake capaciteitsopbouw die leveranciers uit de MOL's in staat zouden stellen om te profiteren van de ontheffing voor diensten ten behoeve van de MOL's;

19.  benadrukt dat transparantie cruciaal is om een stabiel en voorspelbaar handels- en investeringsklimaat te kunnen garanderen; vindt het belangrijk dat de transparantie van toezichtsprocedures wordt bevorderd door meer stimulansen voor WTO-leden in te voeren om te voldoen aan de vereisten inzake kennisgeving, door de complexiteit en lasten ervan te beperken, en door indien nodig voor capaciteitsopbouw te zorgen, en meent dat opzettelijke niet-naleving moet worden ontmoedigd en tegengegaan;

20.  benadrukt dat de rol van het WTO-secretariaat bij het faciliteren en waarborgen van een bottom-upbenadering voor de actieve deelname van alle leden van cruciaal belang is en dat de daadkracht en flexibiliteit van het WTO-secretariaat verder moeten worden versterkt ter ondersteuning van verschillende onderhandelingsprocessen, alsook op het gebied van uitvoerings- en toezichtstaken; acht het nodig de financiële en menselijke middelen en bronnen van het secretariaat van de WTO te vergroten, en dringt er bij de WTO-leden op aan hun verantwoordelijkheden op dit vlak gezamenlijk te vervullen; is van mening dat de reguliere werkzaamheden van de WTO-commissies eveneens nieuw leven moet worden ingeblazen door de voorzitters een actievere rol te geven bij het ontwikkelen en voorstellen van oplossingen en compromissen, die verder gaat dan het beheer van de bijdragen van de leden, en stelt dat zij bij dit uitgebreide takenpakket moeten worden ondersteund door het Secretariaat;

21.  dringt er bij de WTO-leden op aan de democratische legitimiteit en transparantie te waarborgen door de parlementaire dimensie van de WTO te versterken en een memorandum van overeenstemming tot vaststelling van een formele werkrelatie met de Parlementaire Conferentie over de WTO te ondersteunen; benadrukt in dit verband dat parlementsleden volledige toegang moeten krijgen tot handelsbesprekingen en moeten worden betrokken bij de formulering en uitvoering van WTO-besluiten, en dat handelsbeleid naar behoren moet worden getoetst, dit in het belang van de burgers;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten en de directeur-generaal van de WTO.

(1)

Ministersverklaring van Doha (WT/MIN(01)/DEC/1) van 14 november 2001 – https://www.wto.org/english/thewto_e/minist_e/min01_e/mindecl_e.htm

(2)

PB C 259E van 29.10.2009, blz. 77.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0439.

(4)

http://www.europarl.europa.eu/pcwto/en/sessions/2017.html

(5)

https://www.wto.org/english/news_e/news17_e/mc11_10dec17_e.htm

(6)

https://www.wto.org/english/tratop_e/devel_e/a4t_e/gr17_e/gr17programme_e.htm

(7)

http://www.un.org/sustainabledevelopment/sustainable-development-goals/

(8)

http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2018/06/29/20180628-euco-conclusions-final/

(9)

http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2018/may/tradoc_156906.pdf

(10)

https://www.consilium.europa.eu/media/36165/final-eu-cn-joint-statement-consolidated-text-with-climate-change-clean-energy-annex.pdf

(11)

http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2018/september/tradoc_157331.pdf


TOELICHTING

Het Europees Parlement is altijd een fervent voorvechter geweest van het multilaterale handelstelsel, waarbij de Wereldhandelsorganisatie sinds haar oprichting in 1994 centraal staat. Het Europees Parlement heeft de werkzaamheden binnen de WTO op de voet gevolgd en de totstandbrenging van een parlementaire dimensie actief ondersteund samen met de Interparlementaire Unie, door middel van het gezamenlijk initiatief van de Parlementaire Conferentie over de WTO. De leden van het Europees Parlement hebben deelgenomen aan de Ministeriële Conferenties van de WTO, voorgeschreven door resoluties waarin het standpunt van het Parlement in aanloop naar deze delegaties was vastgesteld.

Het Europees Parlement heeft reeds in 2008 een resolutie aangenomen, waarin het pleit ervoor pleit de werking van de WTO te herzien, omdat de onderhandelingen over de ontwikkelingsagenda van Doha waren vastgelopen. Na de laatste Ministeriële Conferentie van de WTO in Buenos Aires in december 2017, toen duidelijk werd dat de onderhandelingsrol van de organisatie was verlamd, werd deze taak nog urgenter.

Sterker nog, het op regels gebaseerde multilaterale handelsstelsel kampt met de zwaarste crisis ooit, waarbij zowel de onderhandelingsrol als het geschillenbeslechtingsmechanisme op het spel staan.

De crisis kan de komende maanden nog verergeren indien er wordt gedreigd met meer unilaterale maatregelen of deze worden opgelegd, en tegelijkertijd benoemingen van nieuwe leden binnen de beroepsinstantie worden tegengehouden. Dit kan het volledige geschillenbeslechtingsproces in gevaar brengen.

Onder de huidige omstandigheden moet de WTO gemoderniseerd worden om de uitdagingen waar het wereldwijde handelsstelsel mee te maken heeft aan te pakken en ervoor te zorgen dat het vitaal, relevant en doeltreffend blijft. Dit betekent dat zowel de regels als de procedures van de WTO moeten worden herzien teneinde ervoor te zorgen dat zij het hoofd kan bieden aan de uitdagingen die gepaard gaan met de handelsrealiteit van de 21e eeuw. Het stelsel moet flexibel genoeg zijn voor de verschillende ambities van zijn leden, de regels moeten doeltreffend en efficiënt worden gehandhaafd en er moet worden gezorgd voor controles en waarborgen zodat zijn leden de doelstellingen van openheid van de markt en non-discriminatie nastreven.

De WTO relevanter en makkelijker aanpasbaar aan een veranderende wereld maken

Met uitzondering van de Overeenkomst inzake handelsbevordering en exportsubsidies voor landbouwproducten, is het een aantal jaren niet mogelijk geweest om vooruitgang te boeken met betrekking tot de onderhandelingen binnen de WTO. Dit is deels te wijten aan het gebrek aan flexibiliteit in het systeem, hetgeen frustrerend kan zijn voor gelijkgezinde leden die verder willen gaan met het opstellen van regels binnen de WTO als een groep.

De initiatieven die in Buenos Aires zijn gelanceerd met gezamenlijke verklaringen van grote groepen leden die vastbesloten zijn onderhandelingen op een aantal specifieke gebieden aan te gaan, zoals de verklaringen over e-handel, binnenlandse regelingen en ook investeringsbevordering, vormen een flinke stap in de juiste richting als het gaat om meer flexibiliteit bij onderhandelingen.

Deze multilaterale processen moeten worden aangemoedigd, maar wel voor alle WTO-leden toegankelijk zijn.

Wij zijn ook van mening dat het de hoogste tijd is dat de WTO een actievere rol op zich neemt voor het bereiken van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, bovenop de onderhandelingen over visserijsubsidies, wat al een belangrijke bijdrage is. Wij zijn ingenomen met de positieve stappen die op het gebied van handel en gender zijn genomen en willen ervoor zorgen dat deze inspanningen worden voortgezet.

Een andere factor voor de impasse met betrekking tot de onderhandelingsrol van de WTO is het ontwikkelingsvraagstuk en de kwestie van speciale en gedifferentieerde behandeling. Sinds de oprichting van de WTO heeft de snelle economische groei van bepaalde ontwikkelingslanden ervoor gezorgd dat er aanzienlijke verschillen in economische ontwikkeling zijn ontstaan. Hoewel de EU erkent dat er mogelijk speciale regels nodig zijn om te voldoen aan specifieke ontwikkelingsbehoeften, moet de manier waarop flexibiliteit met betrekking tot ontwikkeling werkt en wie hiervan kan profiteren, worden herbekeken, teneinde te zorgen voor passende, gerichte steun en ambitieuze regels.

Tegelijkertijd zijn de onderliggende oorzaken van de huidige crisis te herleiden naar de hiaten in het reglement die tot verstoringen leiden, waarvan vele verband houden met niet-commerciële beleidsmaatregelen en praktijken in de belangrijkste handelsnaties, hetgeen de WTO niet op passende wijze lijkt te kunnen aanpakken.

De doeltreffendheid van de WTO verbeteren

De rol van geschillenbeslechting van de WTO staat op het spel, en de EU zal snel moeten optreden wil het deze rol in stand houden. Daarom moeten de punten van zorg die zijn aangekaart door het WTO-lid die de benoemingen binnen de beroepsinstantie tegenhoudt, voor zover zij verdienstelijk zijn, worden behandeld in een uitgebreid voorstel. Tegelijkertijd moeten de belangrijkste kenmerken en beginselen van het stelsel voor geschillenbeslechting worden behouden en versterkt.

Transparantie is cruciaal om een stabiel en voorspelbaar handels- en investeringsklimaat te kunnen garanderen, maar ook als het gaat om het handhaven van de regels. De vereisten inzake kennisgeving worden vaak echter slecht nageleefd en daarbij zijn de toezichtswerkzaamheden van de reguliere commissies van de WTO suboptimaal. De EU moet zich inzetten om:

•  de transparantie te bevorderen door meer stimulansen voor WTO-leden in te voeren om te voldoen aan de vereisten inzake kennisgeving en door opzettelijke niet-naleving tegen te gaan; en

•  de reguliere commissies beter te benutten om handelsvraagstukken aan te pakken door het WTO-secretariaat meer bevoegdheid te geven.


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (11.10.2018)

aan de Commissie internationale handel

inzake de WTO: de weg vooruit

(2018/2084(INI))

Rapporteur voor advies: Lola Sánchez Caldentey

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  brengt in herinnering dat liberalisering van de handel, indien zij vergezeld gaat van passende beleidsmaatregelen en instellingen waarmee de voordelen van handel worden geoptimaliseerd en beter worden verdeeld, positieve gevolgen kan hebben voor wat betreft de terugdringing van armoede en ongelijkheid, maar op zichzelf niet voldoende is als het gaat om de bevordering van duurzame ontwikkeling; herinnert eraan dat concurrentie en economische groei geen doel op zich zijn, maar middelen in dienst van de mens; onderstreept in dit verband dat handel een instrument ter bevordering van duurzame ontwikkeling moet blijven; is verheugd dat de ontwikkelingslanden thans goed zijn voor ongeveer de helft van de wereldhandel, terwijl dit in 2000 nog 33% was, en dat het aantal mensen dat in extreme armoede leeft, sinds 1990 is gehalveerd en net onder de één miljard is uitgekomen;

2.  wijst andermaal op het belang van het bevorderen van beleidshervormingen in het multilaterale handelsstelsel die met ontwikkeling verband houdende doelstellingen ondersteunen, en wel via de VN-Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling; onderstreept het potentieel van de WTO als een doeltreffend, op regels gebaseerd multilateraal forum voor onderhandelingen dat een platform biedt voor open discussies over mondiale handelsgerelateerde kwesties; benadrukt dat de EU zich moet blijven inzetten voor de democratisering en verdere modernisering van de WTO teneinde ervoor te zorgen dat alle landen op voet van gelijkheid vertegenwoordigd zijn;

3.  herinnert eraan dat het moeilijk is om bedrijven rekenschap te laten afleggen wanneer de normen inzake mensenrechten geen deel uitmaken van de mondiale regels inzake handel en investeringen; onderstreept dat het nodig is een nieuw evenwicht te vinden tussen de handels- en investeringswetgeving en de mensenrechtenwetgeving, met name in de wereldwijde toeleveringsketens; doet derhalve een beroep op de EU om binnen de WTO initiatieven te ontplooien met het oog op de regulering van specifieke wereldwijde toeleveringsketens, met name, als eerste stap, in de kledingsector; wijst er bovendien op hoe belangrijk het is dat de EU actief betrokken is bij het proces van de intergouvernementele werkgroep voor onbepaalde duur inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens (OEIGWG) en het primaat van de mensenrechten boven handelsbelangen verdedigt;

4.  dringt aan op een mondiale handelsagenda op basis van het beginsel van rechtvaardige handel die aan iedereen ten goede komt, waarin aan ontwikkeling en sociale, milieu- en mensenrechten een centrale rol in het proces wordt toebedeeld en speciaal de nadruk wordt gelegd op de noden van de ontwikkelingslanden met lage inkomens en de minst ontwikkelde landen (MOL's); onderstreept in dit verband dat allesomvattende, bindende en afdwingbare bepalingen inzake sociale, arbeids- en milieunormen in handelsovereenkomsten moeten worden bevorderd;

5.  dringt er met klem op aan dat de mensenrechten daadwerkelijk worden beschermd en dat wordt voorzien in doeltreffende en voor individuen toegankelijke mechanismen voor de beslechting van geschillen inzake schendingen van de mensenrechten; wijst andermaal op het belang van het integreren van gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in alle maatregelen van het handelsbeleid, ook in de WTO-regels;

6.  is van mening dat de wereld, sinds de lancering van de Doharonde in 2001, op economisch, politiek en technologisch gebied ingrijpend is veranderd; spoort de WTO daarom aan om ervoor te zorgen dat de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) beter tot uitdrukking komen in de ontwikkelingsagenda van Doha, teneinde nieuwe uitdagingen, zoals e-handel, digitale handel, transparantie van investeringen, subsidies en overcapaciteit, mondiale waardeketens, openbare aanbestedingen en binnenlandse regelgeving voor diensten en micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, adequaat het hoofd te kunnen bieden; onderstreept dat de WTO, met inbegrip van het mechanisme voor geschillenbeslechting, zodanig moet worden hervormd dat er een rechtvaardig en evenwichtig multilateraal handelsstelsel ontstaat; onderstreept dat het voor de ontwikkelingslanden die lid zijn van de WTO, belangrijk is dat zij hun verplichtingen nakomen en bij de liberalisering van de handel over hun eigen tempo en ritme kunnen beslissen, naar gelang van hun ontwikkelingsniveau;

7.  dringt aan op meer steun voor Hulp voor handel-projecten in het kader van ontwikkelingshulp, teneinde digitale kansen om te zetten in daadwerkelijke handelsvoorwaarden voor de ontwikkelingslanden;

8.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan terdege rekening te houden met de problemen die ontwikkelingslanden ondervinden bij het voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van de WTO-overeenkomsten; merkt op dat het onder meer om de volgende problemen gaat: a) het verbod op investeringsmaatregelen en subsidies waardoor het moeilijker wordt de binnenlandse industrie te stimuleren; b) de liberalisering van de landbouw waardoor het voortbestaan en de bestaansmiddelen van kleine boerenbedrijven, waarvan de producten steeds meer concurrentie van goedkopere levensmiddelen krijgen te verduren, worden bedreigd; c) de negatieve gevolgen van een strikt stelsel van intellectuele-eigendomsrechten inzake toegang tot geneesmiddelen en de overdracht van technologieën; en d) de toenemende druk op ontwikkelingslanden om hun dienstensector open te stellen, hetgeen de positie van plaatselijke dienstverleners volledig zou kunnen ondermijnen;

9.  verzoekt de EU andermaal om ervoor te zorgen dat haar activiteiten met ontwikkelingslanden, zowel op het gebied van ontwikkeling als van handel, zijn gebaseerd op een evenwichtig kader tussen gelijkwaardige partners, dat zij stroken met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling zoals vastgelegd in artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en dat zij zijn gericht op de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten;

10.  is ingenomen met de inwerkingtreding van de handelsfacilitatieovereenkomst van de WTO op 22 februari 2017 en constateert dat deze overeenkomt aanzienlijke voordelen zou moeten opleveren, vooral voor ontwikkelingslanden; wijst andermaal op het belang van doelgerichte en duurzame steun voor technische en financiële maatregelen en capaciteitsopbouw ter ondersteuning van de ontwikkelingslanden die lid zijn van de WTO, met name de minst ontwikkelde landen, opdat zij de overeenkomst kunnen uitvoeren en zich aan het hervormingsproces kunnen aanpassen;

11.  is van oordeel dat de WTO-regels en andere multilaterale handelsovereenkomsten de reikwijdte van de bijzondere en gedifferentieerde behandeling moeten uitbreiden om een actiever gebruik mogelijk te maken van instrumenten ter ondersteuning van industrietakken die nog in de kinderschoenen staan; verzoekt de EU en haar lidstaten om het beginsel van speciale en gedifferentieerde behandeling te waarborgen voor alle WTO-leden die door de Wereldbank als ontwikkelingslanden worden aangemerkt;

12.  wijst erop dat handelsovereenkomsten negatieve gevolgen kunnen hebben voor de voedselzekerheid in ontwikkelingslanden; vindt het betreurenswaardig dat de twee instrumenten die in het kader van WTO-onderhandelingen door ontwikkelingslanden zijn voorgesteld om het levensonderhoud van kleine boeren, de voedselzekerheid en de plattelandsontwikkeling te bevorderen, namelijk speciale producten (SP) en een speciaal vrijwaringsmechanisme (SSM), niet zijn ingevoerd; vraagt de EU om de verzoeken van ontwikkelingslanden om hun voedselproductiesystemen te beschermen en hun bevolking te behoeden voor de mogelijk verwoestende gevolgen van goedkope invoer, te ondersteunen, ook uit hoofde van de economische partnerschapsovereenkomsten;

13.  betreurt het feit dat de 11e ministersconferentie van de WTO geen vooruitgang heeft kunnen boeken inzake kwesties die voor de ontwikkelingslanden van cruciaal belang zijn; is evenwel ingenomen met de verbeterde preferentiële behandeling waarin de WTO al eerder had voorzien voor de MOL's, met inbegrip van preferentiële oorsprongsregels en een regeling voor dienstverleners, en onderstreept de noodzaak van maatregelen inzake capaciteitsopbouw die leveranciers uit de MOL's in staat zouden stellen om te profiteren van de ontheffing voor diensten ten behoeve van de MOL's;

14.  onderstreept dat de doelstelling van duurzame ontwikkeling het uitgangspunt moet worden voor de werkzaamheden van de WTO, wier regels en activiteiten hierop moeten worden afgestemd en in overeenstemming moeten worden gebracht met de Agenda 2030 en de Overeenkomst van Parijs, die als referentiepunt voor verdere verbintenissen moeten dienen; benadrukt daarnaast hoe belangrijk het is dat de duurzaamheid van mondiale waardeketens wordt gewaarborgd en dat ze in overeenstemming worden gebracht met de mensenrechten en sociale en milieunormen;

15.  benadrukt dat, om de SDG's 2 en 6 te kunnen verwezenlijken, moet worden voorzien in genoeg voedsel van goede kwaliteit, schoon water en de bouw van extra installaties voor de verwijdering van afvalwater; vestigt bovendien de aandacht op de omvang en de gevolgen van de energiearmoede in ontwikkelingslanden en dringt aan op extra maatregelen om, met name in afgelegen plattelandsgebieden en gebieden die niet op het energienetwerk zijn aangesloten, de energiearmoede terug te dringen overeenkomstig SDG 7;

16.  onderstreept dat de WTO-overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS) meer op ontwikkeling zou moeten zijn gericht; herinnert eraan dat het van het grootste belang is om ervoor te zorgen dat iedereen toegang heeft tot geneesmiddelen en steunt een omvattender gebruik van de in TRIPS ingebouwde flexibiliteiten zoals verankerd in de Verklaring van Doha; is bezorgd over de huidige tendensen van de privatisering van zaaigoed waardoor het recht van mensen op voedsel wordt ondermijnd; roept de Commissie op tot verdere verkenning en vaststelling van maatregelen ter bestrijding van biopiraterij;

17.  is voorstander van het mechanisme van koolstofbelastingaanpassingen aan de grens en ziet het als een belangrijk instrument om eerlijke concurrentie te waarborgen voor bedrijven die stappen ondernemen om hun klimaatimpact te verminderen;

18.  betreurt het feit dat in de verplichtingen uit hoofde van de WTO-overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS) het recht van landen om regelgeving vast te stellen op basis van het voorzorgsbeginsel, niet wordt erkend; verzoekt de EU en haar lidstaten zich in te zetten voor de volledige erkenning van dit beginsel in de WTO-verplichtingen;

19.  is in het licht van bovenstaande bezorgd dat een toename van het aantal bilaterale en plurilaterale handelsovereenkomsten tot de versnippering van het internationale handelsbeleid zou kunnen leiden en aldus de rol van de WTO zou ondermijnen; herinnert eraan dat ontwikkelingslanden het meest gebaat zijn bij een multilateraal stelsel om hun belangen te verdedigen; verzoekt de EU en haar lidstaten daarom zich er nog meer voor in te zetten om de WTO opnieuw een centrale plaats te geven bij de wereldwijde governance van de handel en niet van ontwikkelingslanden te verlangen dat zij WTO+-bepalingen opnemen in plurilaterale of bilaterale overeenkomsten, omdat daarmee de flexibiliteitsmechanismen van de WTO worden ondermijnd die uitdrukkelijk zijn ingesteld om hun belangen te beschermen;

20.  vindt het zeer zorgwekkend dat diverse posten bij de beroepsinstantie van de WTO vacant blijven en dat dit de goede werking van het mechanisme inzake geschillenbeslechting belemmert; verzoekt de Europese Commissie derhalve met concrete voorstellen te komen om deze betreurenswaardige impasse te doorbreken;

21.  wenst dat de EU blijft pleiten voor versterking van de parlementaire dimensie van de WTO, met name door middel van meer financiële en personele steun voor het bevoegde secretariaat; roept de WTO-leden ertoe op de democratische legitimiteit en transparantie te waarborgen door de parlementaire dimensie van de WTO te versterken; onderstreept in dit verband dat ervoor moet worden gezorgd dat parlementsleden een betere toegang hebben tot handelsonderhandelingen, dat zij worden betrokken bij het opstellen en uitvoeren van besluiten van de WTO en dat handelsbeleid naar behoren wordt getoetst in het belang van de burgers.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

9.10.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

14

2

10

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Nirj Deva, Mireille D’Ornano, Enrique Guerrero Salom, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Stelios Kouloglou, Linda McAvan, Norbert Neuser, Vincent Peillon, Lola Sánchez Caldentey, Eleni Theocharous, Mirja Vehkaperä, Bogdan Brunon Wenta, Anna Záborská, Joachim Zeller, Željana Zovko

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Thierry Cornillet, Ádám Kósa, Cécile Kashetu Kyenge, Florent Marcellesi, Paul Rübig, Kathleen Van Brempt

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Krzysztof Hetman, Kati Piri

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

14

+

ALDE

Mirja Vehkaperä

EFDD

Ignazio Corrao, Mireille D'Ornano

GUE/NGL

Stelios Kouloglou, Lola Sánchez Caldentey

S&D

Enrique Guerrero Salom, Cécile Kashetu Kyenge, Linda McAvan, Norbert Neuser, Vincent Peillon, Kati Piri, Kathleen Van Brempt

VERTS/ALE

Maria Heubuch, Florent Marcellesi

2

-

PPE

Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Paul Rübig

10

0

ALDE

Beatriz Becerra Basterrechea, Thierry Cornillet

ECR

Nirj Deva, Eleni Theocharous

PPE

Krzysztof Hetman, Ádám Kósa, Bogdan Brunon Wenta, Joachim Zeller, Željana Zovko, Anna Záborská

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.11.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

31

3

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laima Liucija Andrikienė, Maria Arena, Tiziana Beghin, David Borrelli, David Campbell Bannerman, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Santiago Fisas Ayxelà, Christofer Fjellner, Eleonora Forenza, Christophe Hansen, Nadja Hirsch, Yannick Jadot, France Jamet, Elsi Katainen, Jude Kirton-Darling, Danilo Oscar Lancini, Bernd Lange, David Martin, Emma McClarkin, Anne-Marie Mineur, Sorin Moisă, Alessia Maria Mosca, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Joachim Schuster, Joachim Starbatty, Adam Szejnfeld, William (The Earl of) Dartmouth, Iuliu Winkler

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Nicola Danti, Paul Rübig, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Karin Kadenbach, Rupert Matthews


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

31

+

ALDE

Nadja Hirsch, Elsi Katainen, Marietje Schaake

ECR

David Campbell Bannerman, Emma McClarkin, Rupert Matthews, Joachim Starbatty

EFDD

William (The Earl of) Dartmouth

GUE/NGL

Helmut Scholz

NI

David Borrelli

PPE

Laima Liucija Andrikienė, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Santiago Fisas Ayxelà, Christofer Fjellner, Christophe Hansen, Sorin Moisă, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Paul Rübig, Adam Szejnfeld, Jarosław Wałęsa, Iuliu Winkler

S&D

Maria Arena, Nicola Danti, Karin Kadenbach, Jude Kirton-Darling, Bernd Lange, David Martin, Alessia Maria Mosca, Joachim Schuster

3

-

ENF

France Jamet, Danilo Oscar Lancini

GUE/NGL

Anne-Marie Mineur

3

0

EFDD

Tiziana Beghin

GUE/NGL

Eleonora Forenza

VERTS/ALE

Yannick Jadot

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 27 november 2018Juridische mededeling