Procedure : 2018/0106(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0398/2018

Ingediende teksten :

A8-0398/2018

Debatten :

PV 15/04/2019 - 14
CRE 15/04/2019 - 14

Stemmingen :

PV 16/04/2019 - 8.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0366

VERSLAG     ***I
PDF 3407kWORD 468k
26.11.2018
PE 623.965v02-00 A8-0398/2018

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden

(COM(2018)0218 – C8-0159/2018 – 2018/0106(COD))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Virginie Rozière

Rapporteurs voor advies (*):

Miguel Viegas, Commissie economische en monetaire zaken

Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

(*)  Procedure met medeverantwoordelijke commissies - Artikel 54 van het Reglement

ERRATA/ADDENDA
AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN INZAKE DE RECHTSGROND
 ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken
 ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie begrotingscontrole
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 ADVIES van de Commissie constitutionele zaken
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden

(COM(2018)0218 – C8-0159/2018 – 2018/0106(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0218),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 16, 33, 43 en 50, artikel 53, lid 1, en de artikelen 62, 91, 100, 103, 109, 114, 168, 169, 192, 207 en artikel 325, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 31 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0159/2018),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrondslag,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van de Rekenkamer van 26 september 2018(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2018(2),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie constitutionele zaken (A8-0398/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Visum 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 16, 33, 43 en 50, artikel 53, lid 1, en de artikelen 62, 91, 100, 103, 109, 114, 168, 169, 192, 207, artikel 325, lid 4, en artikel 352, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 31,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 16, 33, 43 en 50, artikel 53, lid 1, de artikelen 62, 91, 100, 103, 109, 114, artikel 153, lid 1, onder a), b) en e), artikel 57, lid 3, de artikelen 168, 169, 192, 207 en artikel 325, lid 4, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 31,

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  Personen die voor een organisatie werken of met een organisatie in contact staan in de context van hun werkgerelateerde activiteiten, zijn vaak als eerste op de hoogte van dreigingen of schade voor het algemeen belang die zich in die context voordoen. Door de noodklok te luiden, spelen zij een belangrijke rol /bij het onthullen en voorkomen van inbreuken op de wetgeving en ter bescherming van het maatschappelijk welzijn. Potentiële klokkenluiders worden echter door vrees voor represailles vaak van melding van hun bezorgdheid of vermoedens weerhouden.

(1)  Personen die voor een publieke of particuliere organisatie werken of daarmee in contact staan in de context van hun werkgerelateerde activiteiten, zijn vaak als eerste op de hoogte van dreigingen of schade voor het algemeen belang die zich in die context voordoen. Door de noodklok te luiden, spelen zij een belangrijke rol bij het onthullen en voorkomen van inbreuken op de wetgeving die schadelijk zijn voor het algemeen belang, en ter bescherming van het maatschappelijk welzijn. Potentiële klokkenluiders worden echter door vrees voor represailles vaak van melding van hun bezorgdheid of vermoedens weerhouden. In dit verband wordt op zowel Europees als internationaal niveau steeds meer het belang onderkend van een evenwichtige en doeltreffende bescherming van klokkenluiders. Deze richtlijn heeft tot doel een klimaat van vertrouwen te scheppen waarin klokkenluiders geconstateerde of vermoede inbreuken op het recht en dreigingen voor het algemeen belang kunnen melden, de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting te verbeteren en de vrijheid van de media te vergroten, vrijheden die verankerd zijn in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het is belangrijk te beklemtonen dat deze vrijheden de hoeksteen vormen van de onderzoeksjournalistiek en het beginsel van vertrouwelijkheid van informatiebronnen.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  Op Unieniveau fungeren de meldingen van klokkenluiders als een eerste fase van het proces van de handhaving van het Unierecht: zij zijn een middel om de nationale en Europese handhavingssystemen te voorzien van informatie die het mogelijk maakt om inbreuken op het Unierecht op doeltreffende wijze op te sporen, te onderzoeken en te vervolgen.

(2)  Op Unieniveau fungeren de meldingen en openbaarmakingen van klokkenluiders en onderzoeksjournalisten als een eerste fase van het proces van de handhaving van het Unierecht en het Uniebeleid: zij zijn een middel om de nationale en Europese handhavingssystemen te voorzien van informatie die het dikwijls mogelijk maakt om inbreuken op het Unierecht op doeltreffende wijze op te sporen, te onderzoeken en te vervolgen en zo de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 bis)  Alle grote schandalen die sinds 2014 bij het publiek bekend zijn geworden, zoals "LuxLeaks" en de "Panama Papers", kwamen aan het licht dankzij de acties van klokkenluiders.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  Op bepaalde beleidsterreinen kunnen inbreuken op het Unierecht het algemeen belang ernstig schaden, in die zin dat zij significante risico’s voor het maatschappelijk welzijn kunnen vormen. Wanneer op dergelijke terreinen zwakke punten voor de handhaving zijn geconstateerd en klokkenluiders bij uitstek een rol kunnen spelen bij de openbaarmaking van inbreuken, moet de handhaving worden verbeterd door klokkenluiders beter te beschermen tegen represailles en doeltreffende kanalen voor melding op te zetten.

(3)  Inbreuken op het Unierecht kunnen het algemeen belang ernstig schaden, in die zin dat zij significante risico’s voor het maatschappelijk welzijn kunnen vormen en het vertrouwen van de burger in het optreden van de Unie kunnen ondermijnen. Aangezien klokkenluiders gewoonlijk bij uitstek een rol kunnen spelen bij de openbaarmaking van dergelijke inbreuken en de moed hebben om informatie ter verdediging van het algemeen belang te melden of openbaar te maken, ondanks persoonlijke en professionele risico's, moet de handhaving van het Unierecht worden verbeterd door klokkenluiders beter te beschermen tegen represailles en doeltreffende, onafhankelijke, vertrouwelijke en veilige kanalen voor melding op te zetten.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  De bescherming van klokkenluiders loopt in de EU van lidstaat tot lidstaat uiteen en is niet op alle beleidsterreinen even goed. De gevolgen van inbreuken op het Unierecht met een grensoverschrijdende dimensie die door toedoen van klokkenluiders aan het licht zijn gekomen, illustreren dat ontoereikende bescherming in één land niet alleen negatieve gevolgen kan hebben voor de werking van het EU-beleid in dat land, maar ook haar weerslag kan hebben op andere lidstaten en de EU in haar geheel.

(4)  De bescherming van klokkenluiders loopt in de Europese Unie van lidstaat tot lidstaat en tussen de instellingen, organen en instanties van de EU uiteen en is ook niet op alle beleidsterreinen even goed. De gevolgen van inbreuken op het Unierecht met een grensoverschrijdende dimensie die door toedoen van klokkenluiders aan het licht zijn gekomen, illustreren dat ontoereikende bescherming in één land niet alleen negatieve gevolgen kan hebben voor de werking van het EU-beleid in dat land, maar ook haar weerslag kan hebben op andere lidstaten en de EU in haar geheel.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis)  In artikel 33 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie, waarbij de Unie en haar lidstaten partij zijn, is duidelijk neergelegd dat passende juridische maatregelen moeten worden genomen om elke persoon die te goeder trouw en op redelijke gronden feiten ter kennis brengt van de bevoegde autoriteiten inzake overeenkomstig dat verdrag strafbaar gestelde feiten, te beschermen tegen elke ongerechtvaardigde behandeling.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 ter)   Om openbaarmaking te vergemakkelijken en een open cultuur van meldingen tot stand te brengen moeten de voorwaarden voor openbaarmaking overeenstemmen met Aanbeveling CM/Rec(2014)7 van de Raad van Europa inzake de bescherming van klokkenluiders. De media mogen onder geen beding belemmerd worden bij de openbaarmaking van misstanden waarmee zij hun democratische rol vervullen.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Daarom moeten er minimumnormen komen om een doeltreffende bescherming van klokkenluiders te garanderen ten aanzien van rechtshandelingen en beleidsterreinen waarvoor geldt dat er behoefte is aan krachtigere handhaving; ii) onvoldoende melding van misstanden door klokkenluiders van aanzienlijke invloed is op de handhaving en iii) inbreuken op het Unierecht tot ernstige schade voor het algemeen belang leiden.

(5)  Daarom moeten er wettelijke minimumnormen komen om een doeltreffende bescherming van klokkenluiders aan de hand van een algemene en alomvattende aanpak te garanderen ten aanzien van alle nationale en Uniehandelingen en beleidsterreinen waarvoor geldt dat i) de handhaving moet worden verbeterd, ii) onvoldoende melding van misstanden door klokkenluiders van aanzienlijke invloed is op de handhaving en iii) inbreuken op het nationale of Unierecht tot ernstige schade voor het algemeen belang leiden.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(5 bis)  De bescherming van klokkenluiders moet worden versterkt ter bevordering van een klimaat waarin de vrijheid van informatie en van de media bevorderd wordt; dit vereist in de eerste plaats dat aan journalisten en hun bronnen, waaronder klokkenluiders, doeltreffende bescherming wordt geboden tegen elke schending van hun veiligheid en hun geestelijke en fysieke integriteit, en dat elke poging om hen te intimideren of hun onafhankelijkheid te ondermijnen, wordt voorkomen.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)  Bescherming van klokkenluiders is nodig om de handhaving van de Uniewetgeving inzake overheidsopdrachten te verbeteren. Niet alleen moeten fraude en corruptie bij de uitvoering van de EU-begroting, onder meer op het gebied van overheidsopdrachten, worden voorkomen en opgespoord, ook moet worden gezorgd voor verbetering van de thans ontoereikende handhaving van de voorschriften inzake overheidsopdrachten door nationale overheden en bepaalde openbaarnutsbedrijven in het kader van de aanbesteding van goederen, werkzaamheden en diensten. Inbreuken op deze regelgeving leiden tot verstoring van de mededinging, tot hogere kosten voor het bedrijfsleven, tot schending van de belangen van investeerders en aandeelhouders en tot vermindering van de aantrekkingskracht voor investeerders en een ongelijk speelveld voor het Europese bedrijfsleven, en tasten derhalve de goede werking van de eengemaakte markt aan.

(6)  Bescherming van klokkenluiders is nodig om de handhaving van de Uniewetgeving inzake overheidsopdrachten te verbeteren. Niet alleen moeten fraude en corruptie bij de uitvoering van de EU-begroting, onder meer op het gebied van overheidsopdrachten, worden voorkomen en opgespoord, ook moet worden gezorgd voor verbetering van de thans ontoereikende handhaving van de voorschriften inzake overheidsopdrachten door nationale overheden en bepaalde openbaarnutsbedrijven in het kader van de aanbesteding van goederen, werkzaamheden en diensten. Inbreuken op deze regelgeving leiden tot verstoring van de mededinging, tot hogere kosten voor het bedrijfsleven, tot schending van de belangen van investeerders en aandeelhouders en tot vermindering van de aantrekkingskracht voor investeerders en een ongelijk speelveld voor het Europese bedrijfsleven, en tasten derhalve de goede werking van de eengemaakte markt aan. In de meeste gevallen leveren deze schendingen een ernstige bedreiging op voor het vertrouwen van de burgers in openbare instellingen, en brengen ze derhalve de goede werking van de democratie in gevaar. Alles moet eraan gedaan worden om degenen te beschermen die melding maken van misbruik of wangedrag in verband met de Uniebegroting en de Unie-instellingen.

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 bis)  Een regeling ter bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden, doet niet af aan de noodzaak tot versterking van de methoden voor toezicht door elke lidstaat en diens overheidsstructuren, waarmee belastingfraude en witwassen van geld steeds beter moeten kunnen worden bestreden, en evenmin aan de noodzaak tot deelname aan internationale samenwerking op deze gebieden.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  Op het gebied van financiële diensten is de meerwaarde van de bescherming van klokkenluiders al door de Uniewetgever onderkend. In de nasleep van de financiële crisis, die ernstige tekortkomingen inzake de handhaving van de betrokken regelgeving aan het licht heeft gebracht, zijn in een aanzienlijk aantal rechtsinstrumenten op dat terrein maatregelen ter bescherming van klokkenluiders opgenomen34. In het bijzonder wordt, in de context van het prudentiële kader voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, in Richtlijn 2013/36/EU35 voorzien in bescherming van klokkenluiders, die ook geldt voor Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen.

(7)  Op het gebied van financiële diensten is de meerwaarde van de sectorale bescherming van klokkenluiders al door de Uniewetgever onderkend. In de nasleep van de financiële crisis, die ernstige tekortkomingen inzake de handhaving van de betrokken regelgeving aan het licht heeft gebracht, zijn in een aanzienlijk aantal rechtsinstrumenten op dat terrein maatregelen ter bescherming van klokkenluiders opgenomen34. In het bijzonder wordt, in de context van het prudentiële kader voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, in Richtlijn 2013/36/EU35 voorzien in bescherming van klokkenluiders, die ook geldt voor Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Uit een aantal geruchtmakende zaken waarbij Europese financiële instellingen betrokken waren, is echter gebleken dat de bescherming van klokkenluiders binnen dergelijke financiële instellingen nog steeds onbevredigend is en dat de vrees voor represailles van zowel werkgevers als autoriteiten klokkenluiders er nog steeds van weerhoudt om met informatie over inbreuken op het recht naar buiten te treden.

_________________

_________________

34 Mededeling Het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector (COM(2010) 716 definitief van 8.12.2010).

34 Mededeling Het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector (COM(2010) 716 definitief van 8.12.2010).

35 Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

35 Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)  Het belang van de bescherming van klokkenluiders in termen van het voorkomen en ontmoedigen van inbreuken op de Unievoorschriften inzake de veiligheid van het vervoer die mensenlevens in gevaar kunnen brengen, is reeds erkend in de sectorale wetgevingsinstrumenten van de Unie inzake de veiligheid van de luchtvaart38 en het zeevervoer39, die in doelgerichte maatregelen voor de bescherming van klokkenluiders en specifieke meldingskanalen voorzien. Deze instrumenten voorzien ook in bescherming tegen represailles voor werknemers die fouten melden die zijzelf te goeder trouw hebben gemaakt (de zogeheten „cultuur van billijkheid”). De bestaande elementen van de bescherming van klokkenluiders in deze twee sectoren dienen te worden aangevuld en daarnaast moet in dergelijke bescherming worden voorzien ter verbetering van de handhaving van de veiligheidsnormen voor andere vervoerswijzen, namelijk het wegvervoer en het spoorvervoer.

(9)  Het belang van de bescherming van klokkenluiders in termen van het voorkomen en ontmoedigen van inbreuken op de Unievoorschriften inzake de veiligheid van het vervoer die mensenlevens in gevaar kunnen brengen, is reeds erkend in de sectorale wetgevingsinstrumenten van de Unie inzake de veiligheid van de luchtvaart38 en het zeevervoer39, die in doelgerichte maatregelen voor de bescherming van klokkenluiders en specifieke meldingskanalen voorzien. Deze instrumenten voorzien ook in bescherming tegen represailles voor werknemers die fouten melden die zijzelf te goeder trouw hebben gemaakt (de zogeheten "cultuur van billijkheid"). De bestaande elementen van de bescherming van klokkenluiders in deze twee sectoren dienen onder meer te worden aangevuld en uitgebreid, en daarnaast moet in dergelijke bescherming worden voorzien ter onmiddellijke verbetering van de handhaving van de veiligheidsnormen voor andere vervoerswijzen, namelijk het bijzonder vervoer, vervoer over de binnenwateren, wegvervoer en het spoorvervoer.

_________________

_________________

38 Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 18).

38 Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 18).

39 Richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende bepaalde verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de naleving en de handhaving van het Verdrag betreffende maritieme arbeid (PB L 329 van 10.12.2013, blz. 1) en Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).

39 Richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende bepaalde verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de naleving en de handhaving van het Verdrag betreffende maritieme arbeid (PB L 329 van 10.12.2013, blz. 1) en Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)  Het verzamelen van bewijsmateriaal en het opsporen en bestrijden van milieudelicten en onrechtmatig gedrag dat in strijd is met de bescherming van het milieu levert nog steeds problemen op en derhalve is op dat gebied verbetering nodig, zoals aangegeven in de mededeling van de Commissie „EU-maatregelen om de naleving van de milieuwetgeving en milieugovernance te verbeteren” van 18 januari 201840. Aangezien momenteel slechts in één sectoraal instrument inzake milieubescherming regels inzake de bescherming van klokkenluiders zijn opgenomen41, lijkt invoering daarvan noodzakelijk om doeltreffende handhaving van het milieuacquis van de Unie te waarborgen, omdat inbreuken op het milieuacquis het algemeen belang ernstig kunnen schaden en buiten de landsgrenzen gevolgen kunnen hebben. Dit geldt ook wanneer onveilige producten tot milieuschade kunnen leiden.

(10)  Het verzamelen van bewijsmateriaal, en het voorkomen, het opsporen en bestrijden van milieudelicten, onrechtmatig gedrag of nalaten, alsook mogelijke inbreuken in verband met de bescherming van het milieu leveren helaas nog steeds problemen op en derhalve is op dat gebied verbetering nodig, zoals aangegeven in de mededeling van de Commissie "EU-maatregelen om de naleving van de milieuwetgeving en milieugovernance te verbeteren" van 18 januari 201840. Aangezien momenteel slechts in één sectoraal instrument inzake milieubescherming regels inzake de bescherming van klokkenluiders zijn opgenomen41, is invoering daarvan noodzakelijk om doeltreffende handhaving van het milieuacquis van de Unie te waarborgen, omdat inbreuken op het milieuacquis het algemeen belang kunnen schaden en buiten de landsgrenzen gevolgen kunnen hebben. Dit geldt ook wanneer onveilige producten tot milieuschade kunnen leiden.

_________________

_________________

40 COM(2018) 10 final.

40 COM(2018)010 final.

41 Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66).

Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66).

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11)  Dezelfde overwegingen nopen ertoe in bescherming van klokkenleiders te voorzien als aanvulling op de bestaande bepalingen ter voorkoming van inbreuken op de EU-voorschriften inzake de voedselketen en in het bijzonder de veiligheid van levensmiddelen en diervoerders, alsmede diergezondheid en dierenwelzijn. De diverse Unievoorschriften op deze gebieden zijn onderling nauw verbonden. In Verordening (EG) nr. 178/200242 zijn de algemene beginselen en vereisten opgenomen die ten grondslag liggen aan alle maatregelen van de Unie en de lidstaten inzake levensmiddelen en diervoeders, met een bijzonder accent op voedselveiligheid, teneinde een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en de belangen van de consument op voedselgebied te waarborgen en de goede werking van de interne markt te verzekeren. In die verordening wordt onder meer bepaald dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven en diervoederbedrijven hun werknemers of anderen niet mogen ontmoedigen met de bevoegde autoriteiten samen te werken, indien daardoor een risico in verband met een levensmiddel of een diervoerder kan worden voorkomen, beperkt of weggenomen. De Uniewetgever heeft ten aanzien van de diergezondheidswetgeving dezelfde aanpak gevolgd met Verordening (EU) 2016/429, waarbij de regels worden vastgesteld ter voorkoming en bestrijding van op dieren of mensen overdraagbare dierziekten43.

(11)  Dezelfde overwegingen nopen ertoe in bescherming van klokkenleiders te voorzien als aanvulling op de bestaande bepalingen ter voorkoming van inbreuken op de EU-voorschriften inzake de voedselketen en in het bijzonder de veiligheid van levensmiddelen en diervoerders, alsmede diergezondheid, dierenbescherming en dierenwelzijn. De diverse Unievoorschriften op deze gebieden zijn onderling nauw verbonden. In Verordening (EG) nr. 178/200242 zijn de algemene beginselen en vereisten opgenomen die ten grondslag liggen aan alle maatregelen van de Unie en de lidstaten inzake levensmiddelen en diervoeders, met een bijzonder accent op voedselveiligheid, teneinde een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en de belangen van de consument op voedselgebied te waarborgen en de goede werking van de interne markt te verzekeren. In die verordening wordt onder meer bepaald dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven en diervoederbedrijven hun werknemers of anderen niet mogen ontmoedigen met de bevoegde autoriteiten samen te werken, indien daardoor een risico in verband met een levensmiddel of een diervoerder kan worden voorkomen, beperkt of weggenomen. De Uniewetgever heeft ten aanzien van de diergezondheidswetgeving dezelfde aanpak gevolgd met Verordening (EU) 2016/429, waarbij de regels worden vastgesteld ter voorkoming en bestrijding van op dieren of mensen overdraagbare dierziekten43. In Richtlijn 98/58/EG van de Raad43 bis, Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad43 ter, Verordening (EG) nr. 1/2005van de Raad43 quater en Verordening (EG) nr. 1099/2009van de Raad43 quinquies zijn voorschriften vastgesteld met betrekking tot de bescherming en het welzijn van bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren tijdens het vervoer, bij de slacht en wanneer zij voor dierproeven worden gebruikt.

__________________

__________________

42 Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

42 Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

43 PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.

43 PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.

 

43 bis Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23).

 

43 ter Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33).

 

43 quater Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1).

 

43 quinquies Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1).

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12)  Betere bescherming van klokkenluiders zou ook een preventief en afschrikkend effect hebben met betrekking tot inbreuken op de Euratomvoorschriften inzake nucleaire veiligheid, stralingsbescherming en verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, en zou de handhaving versterken van de bepalingen van de herziene richtlijn nucleaire veiligheid44 inzake een effectieve nucleaire veiligheidscultuur, en met name artikel 8 ter, lid 2, onder a), waarin onder meer wordt bepaald dat de bevoegde regelgevende autoriteit beheerssystemen met gepaste voorrang voor nucleaire veiligheid moet opzetten die, op alle personeels- en managementniveaus, een kritische attitude bevorderen jegens de geleverde prestaties afgemeten aan de toepasselijke veiligheidsbeginselen en -praktijken, alsook een tijdige rapportering over veiligheidskwesties.

(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)  

_________________

44 Richtlijn 2014/87/Euratom van de Raad van 8 juli 2014 tot wijziging van Richtlijn 2009/71/Euratom tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 219 van 25.7.2014, blz. 42).

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13)  Evenzo kunnen meldingen van klokkenluiders cruciaal zijn voor het opsporen, voorkomen, verminderen of wegnemen van risico’s voor de volksgezondheid en de bescherming van de consument die voortvloeien uit inbreuken op Unievoorschriften, en die anders onopgemerkt zouden kunnen blijven. Met name is er ook een sterk verband tussen de bescherming van de consument en gevallen waarin onveilige producten tot aanzienlijke schade voor de consument zouden kunnen leiden. Er dient derhalve te worden voorzien in bescherming van klokkenluiders in verband met de relevante Unievoorschriften die uit hoofde van de artikelen 114, 168 en 169 VWEU zijn vastgesteld.

(13)  Evenzo kunnen meldingen van klokkenluiders cruciaal zijn voor het opsporen, voorkomen, verminderen of wegnemen van risico’s voor de volksgezondheid en de bescherming van de consument die voortvloeien uit inbreuken op Unievoorschriften, en die anders onopgemerkt zouden kunnen blijven. Met name is er ook een sterk verband tussen de bescherming van de consument en gevallen waarin onveilige producten tot schade voor de consument zouden kunnen leiden. Er dient derhalve te worden voorzien in bescherming van klokkenluiders in verband met de relevante Unievoorschriften die uit hoofde van de artikelen 114, 168 en 169 VWEU zijn vastgesteld.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14)  Ook de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens is een terrein waar klokkenluiders zich in een bevoorrechte positie bevinden om inbreuken op het Unierecht aan het licht te brengen die het algemeen belang ernstig kunnen schaden. Soortgelijke overwegingen gelden voor inbreuken op de richtlijn inzake de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen45, die voorziet in melding van incidenten (ook indien daardoor geen persoonsgegevens in gevaar zijn gebracht) en in beveiligingsvereisten voor aanbieders van essentiële diensten in talrijke sectoren (zoals energie, gezondheid, vervoer en bankdiensten) en aanbieders van belangrijke digitale diensten (zoals cloudcomputing). Meldingen van klokkenluiders zijn op dit terrein met name waardevol ter voorkoming van beveiligingsincidenten die belangrijke economische en sociale activiteiten en veelgebruikte digitale diensten treffen. Deze meldingen dragen bij tot de continuïteit van de verlening van diensten die essentieel zijn voor de werking van de interne markt en het maatschappelijk welzijn.

(14)  Ook de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, die is verankerd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten en in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), is een terrein waar klokkenluiders kunnen helpen om inbreuken op het Unierecht aan het licht te brengen die het algemeen belang kunnen schaden. Soortgelijke overwegingen gelden voor inbreuken op de richtlijn inzake de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen45, die voorziet in melding van incidenten (ook indien daardoor geen persoonsgegevens in gevaar zijn gebracht) en in beveiligingsvereisten voor aanbieders van essentiële diensten in talrijke sectoren (zoals energie, toerisme, gezondheid, vervoer, bankdiensten, bouwnijverheid, enz.) en voor aanbieders van belangrijke digitale diensten (zoals cloudcomputing), alsook aanbieders van basisvoorzieningen, zoals water, elektriciteit en gas. Meldingen van klokkenluiders zijn op dit terrein met name waardevol ter voorkoming van beveiligingsincidenten die belangrijke economische en sociale activiteiten en veelgebruikte digitale diensten treffen, en eveneens ter voorkoming van inbreuken op de Uniewetgeving inzake gegevensbescherming. Deze meldingen dragen bij tot de continuïteit van de verlening van diensten die essentieel zijn voor de samenleving.

_________________

_________________

45 Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie.

45 Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1).

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)  De bescherming van de financiële belangen van de Unie, die betrekking heeft op de bestrijding van fraude, corruptie en alle andere illegale activiteiten die raken aan de uitgaven van de Unie, de inning van de inkomsten en middelen van de Unie en het vermogen van de Unie, is een belangrijk gebied waarop de handhaving van het Unierecht moet worden verbeterd. Betere bescherming van de financiële belangen van de Unie omvat tevens de tenuitvoerlegging van de begroting van de Unie met betrekking tot uitgaven uit hoofde van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Gebrekkige handhaving op het gebied van de financiële belangen van de Unie, onder meer ter bestrijding van fraude en corruptie op nationaal niveau, leidt tot vermindering van de inkomsten van de Unie en misbruik van EU-middelen, wat een verstorende invloed op overheidsinvesteringen en groei kan hebben en het vertrouwen van het publiek in EU-maatregelen kan ondermijnen. Bescherming van klokkenluiders is noodzakelijk ter vergemakkelijking van het opsporen, voorkomen en ontmoedigen van fraude en illegale activiteiten op dat gebied.

(16)  De bescherming van de financiële belangen van de Unie, die betrekking heeft op de bestrijding van fraude, corruptie, schending van wettelijke voorschriften, machtsmisbruik en alle andere illegale activiteiten die raken aan de uitgaven van de Unie, de inning van de inkomsten en middelen van de Unie en het vermogen van de Unie, is een belangrijk gebied waarop de handhaving van het Unierecht moet worden verbeterd. Betere bescherming van de financiële belangen van de Unie omvat tevens de tenuitvoerlegging van de begroting van de Unie met betrekking tot uitgaven uit hoofde van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Gebrekkige handhaving op het gebied van de financiële belangen van de Unie, onder meer ter bestrijding van fraude en corruptie op nationaal niveau, leidt tot vermindering van de inkomsten van de Unie en misbruik van EU-middelen, wat een verstorende invloed op overheidsinvesteringen en groei kan hebben en het vertrouwen van het publiek in EU-maatregelen kan ondermijnen. Ook onderzoeksjournalisten spelen een cruciale rol bij de onthulling van misstanden in verband met al deze gebieden. Dergelijke journalisten vormen een uitermate kwetsbare beroepsgroep en moeten de openbaarmaking van grootschalige onregelmatigheden en corruptiepraktijken vaak met hun baan, hun vrijheid of zelfs met hun leven bekopen. Daarom moeten in een horizontaal wetgevingsvoorstel ter bescherming van klokkenluiders specifieke maatregelen worden opgenomen met het oog op de bescherming van onderzoeksjournalisten. Onderzoeksjournalistiek en bescherming van klokkenluiders zijn noodzakelijk ter vergemakkelijking van het opsporen, voorkomen en ontmoedigen van fraude en illegale activiteiten op dat gebied.

Amendement    21

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(18)  In bepaalde Uniehandelingen, met name op het gebied van financiële diensten, zoals Verordening (EU) nr. 596/2014 betreffende marktmisbruik49 en de op basis van die verordening vastgestelde Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2015/2392 van de Commissie50, zijn al uitvoerige voorschriften over de bescherming van klokkenluiders opgenomen. Dergelijke al bestaande Uniewetgeving, waaronder de op de lijst in deel II van de bijlage vermelde handelingen, moet door deze richtlijn worden aangevuld, op zodanige wijze dat de instrumenten volledig in overeenstemming zijn met de minimumnormen, met behoud van de specifieke bepalingen waarvoor zij zijn vastgesteld, die op de desbetreffende sector betrekking hebben. Dit is met name van belang om vast te stellen welke juridische entiteiten op het gebied van financiële diensten en de preventie van witwassen en terrorismefinanciering momenteel verplicht zijn kanalen voor interne melding op te zetten.

(18)  In bepaalde Uniehandelingen, met name op het gebied van financiële diensten, zoals Verordening (EU) nr. 596/2014 betreffende marktmisbruik49 en de op basis van die verordening vastgestelde Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2015/2392 van de Commissie50, zijn al uitvoerige voorschriften over de bescherming van klokkenluiders opgenomen. Dergelijke al bestaande Uniewetgeving, waaronder de op de lijst in deel II van de bijlage vermelde handelingen, moet door deze richtlijn worden aangevuld, op zodanige wijze dat de instrumenten volledig in overeenstemming zijn met de minimumnormen, met behoud van de specifieke bepalingen waarvoor zij zijn vastgesteld, die op de desbetreffende sector betrekking hebben. Dit is met name van belang om vast te stellen welke juridische entiteiten op het gebied van financiële diensten, de preventie en de bestrijding van witwassen, de correcte tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad50 bis, terrorismefinanciering en cybercriminaliteit, momenteel verplicht zijn kanalen voor interne melding op te zetten. Aangezien het in deze gevallen dikwijls gaat om zeer complexe internationale vennootschaps- en financiële constructies, die waarschijnlijk onder de bevoegdheid van verschillende jurisdicties vallen, moeten er bepalingen worden vastgesteld voor een gemeenschappelijk aanspreekpunt voor klokkenluiders.

_________________

_________________

49 PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1.

49 PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1.

50 Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2015/2392 van de Commissie van 17 december 2015 bij Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de melding van daadwerkelijke of potentiële inbreuken op deze verordening aan de bevoegde autoriteiten (PB L 332 van 18.12.2015, blz. 126).

50 Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2015/2392 van de Commissie van 17 december 2015 bij Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de melding van daadwerkelijke of potentiële inbreuken op deze verordening aan de bevoegde autoriteiten (PB L 332 van 18.12.2015, blz. 126).

 

50 bis Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB L 48 van 23.2.2011, blz. 1).

Amendement    22

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(18 bis)  De Unie is gebaseerd op een reeks gemeenschappelijke waarden en beginselen. Zij staat garant voor de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ("het Handvest"). Aangezien dit rechten en beginselen betreffen die aan de basis staan van de Unie, is hun bescherming van het allergrootste belang en dienen de personen die schending van die rechten en beginselen onthullen, te kunnen profiteren van de door deze richtlijn geboden bescherming.

Amendement    23

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(19)  Wanneer een nieuwe handeling van de Unie wordt vastgesteld ten aanzien waarvan de bescherming van klokkenluiders relevant is en tot doeltreffender handhaving kan bijdragen, moet steeds worden overwogen of het noodzakelijk is de bijlage bij deze richtlijn te wijzigen om de desbetreffende handeling aan het toepassingsgebied toe te voegen.

(19)  Teneinde rekening te houden met nieuwe handelingen van de Unie ten aanzien waarvan de bescherming van klokkenluiders relevant is en een effectievere handhaving tot gevolg kan hebben, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om telkens als zulk een nieuwe handeling van de Unie is vastgesteld deze richtlijn te wijzigen door de bijlage hiervan te actualiseren, teneinde die handeling onder het toepassingsgebied van deze richtlijn te laten vallen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 20161 bis. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

 

___________________

 

1 bis PB L 2016 van 12.6.2014, blz. 1.

Amendement    24

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(19 bis)  In bepaalde situaties kunnen inbreuken op het recht van de Unie betreffende de bescherming van werknemers, arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, sociale, individuele en collectieve rechten van werknemers onderworpen zijn aan effectieve individuele procedures aan de hand waarvan genoegdoening kan worden verkregen. Anderzijds ondermijnen systematische inbreuken het algemeen belang en is het bijgevolg nodig te voorzien in de bescherming van hen die dergelijke inbreuken melden. Het is gebleken dat er op bepaalde gebieden problemen zijn met de tenuitvoerlegging van de wetgeving van de Unie, zoals de onaanvaardbare noodzaak toevlucht te zoeken tot onzeker werk. Ook moet het recht van de Unie doeltreffend gehandhaafd worden. De verbetering van de bescherming van klokkenluiders op het gebied van het arbeidsrecht zal leiden tot een verbetering van de toepassing van de wetgeving en zorgen voor een hoog niveau van bescherming van werknemers in de interne markt en tegelijkertijd voor eerlijke concurrentie tussen marktdeelnemers.

Amendement    25

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(20)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bescherming van werknemers die inbreuken op het arbeidsrecht van de Unie melden. Met name moeten de lidstaten er overeenkomstig artikel 11 van Kaderrichtlijn 89/391/EEG reeds op toezien dat werknemers en werknemersvertegenwoordigers geen nadeel ondervinden van verzoeken of voorstellen aan de werkgever om passende maatregelen te nemen om risico’s voor de werknemers te ondervangen en/of bronnen van gevaar uit te schakelen. Werknemers en hun vertegenwoordigers hebben het recht om problemen voor te leggen aan de bevoegde nationale autoriteiten indien zij menen dat de maatregelen die de werkgever heeft getroffen, of de middelen die hij heeft ingezet, niet toereikend zijn om de veiligheid en gezondheid te verzekeren.

(20)  Deze richtlijn moet een aanvulling vormen op de bescherming van werknemers die inbreuken op het arbeidsrecht van de Unie melden. Met name moeten de lidstaten er overeenkomstig artikel 11 van Kaderrichtlijn 89/391/EEG reeds op toezien dat werknemers en werknemersvertegenwoordigers geen nadeel ondervinden van verzoeken of voorstellen aan de werkgever om passende maatregelen te nemen om risico’s voor de werknemers te ondervangen en/of bronnen van gevaar uit te schakelen. Werknemers en hun vertegenwoordigers hebben het recht om problemen voor te leggen aan de bevoegde nationale of Unie-autoriteiten indien zij menen dat de maatregelen die de werkgever heeft getroffen, of de middelen die hij heeft ingezet, niet toereikend zijn om de veiligheid en gezondheid te verzekeren.

Amendement    26

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 21

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(21)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bescherming van de nationale veiligheid en van gerubriceerde informatie die uit hoofde van het Unierecht of de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat tegen ongeoorloofde toegang moet worden beschermd. Met name dienen de bepalingen van deze richtlijn de verplichtingen die voortvloeien uit Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie of Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie, onverlet te laten.

(21)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bescherming van de nationale veiligheid en van gerubriceerde informatie die uit hoofde van het Unierecht of de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat tegen ongeoorloofde toegang moet worden beschermd. Bovendien dienen de bepalingen van deze richtlijn de verplichtingen die voortvloeien uit Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie of Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie, onverlet te laten.

Amendement    27

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 22

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(22)  Personen die in de context van hun werkgerelateerde activiteiten verkregen informatie over dreigingen of schade voor het algemeen belang melden, maken gebruik van hun vrijheid van meningsuiting. Het recht op vrijheid van meningsuiting, dat is vastgelegd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, omvat vrijheid en pluralisme van de media.

(22)  Personen die informatie over dreigingen of schade voor het algemeen belang melden, handelen op grond van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie, dat is vastgelegd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), en dat het recht om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, evenals vrijheid en pluralisme van de media omvat.

Amendement    28

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 26

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(26)  Bescherming dient in de eerste plaats geboden te worden aan personen die de status van "werknemer" hebben in de zin van artikel 45 VWEU, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie52, dat wil zeggen een persoon die gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens leiding prestaties levert en in ruil daarvoor een vergoeding ontvangt. Bescherming dient derhalve tevens te worden geboden aan werknemers die in een atypische arbeidsverhouding verkeren, onder wie deeltijdwerkers en werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd alsmede personen die een arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking met een uitzendbureau hebben, dat wil zeggen soorten werkgerelateerde verhoudingen waarop de standaardvormen van bescherming tegen oneerlijke behandeling vaak moeilijk toe te passen zijn.

(26)  Bescherming dient in de eerste plaats geboden te worden aan personen die de status van "werknemer" hebben in de zin van artikel 45 VWEU, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie52, dat wil zeggen een persoon die gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens leiding prestaties levert en in ruil daarvoor een vergoeding ontvangt. Overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof moet het begrip "werknemer" in brede zin worden geïnterpreteerd, namelijk op zodanige wijze dat ambtenaren ook onder het begrip vallen. Bescherming dient derhalve tevens te worden geboden aan werknemers die in een andere arbeidsverhouding verkeren, onder wie deeltijdwerkers en werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, bezoldigde en onbezoldigde stagiairs alsmede personen die een arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking met een uitzendbureau hebben, met onzeker werk of met de status van grensarbeider, dat wil zeggen soorten werkgerelateerde verhoudingen waarop de standaardvormen van bescherming tegen oneerlijke behandeling vaak moeilijk toe te passen zijn. Ten slotte moet ook bescherming worden geboden aan personen wier arbeidscontract is beëindigd.

_________________

_________________

52 Arresten van: 3 juli 1986 in zaak 66/85, Deborah Lawrie-Blum; 14 oktober 2010 in zaak C-428/09, Union Syndicale Solidaires Isère; 9 juli 2015 in zaak C-229/14, Balkaya; 4 december 2014 in zaak C-413/13, FNV Kunsten; en 17 november 2016 in zaak C-216/15, Ruhrlandklinik.

52 Arrest van het Hof van Justitie van 3 juli 1986, Lawrie-Blum / Land Baden-Württemberg, C-66/85, ECLI:EU:C:1986:284; arrest van het Hof van Justitie van 14 oktober 2010, Union Syndicale Solidaires Isère, C-428/09, ECLI:EU:C:2010:612; arrest van het Hof van Justitie van 9 juli 2015, Balkaya, C-229/14, ECLI:EU:C:2015:455; arrest van het Hof van Justitie van 4 december 2014, FNV Kunsten Informatie en Media, C-413/13, ECLI:EU:C:2014:2411; arrest van het Hof van Justitie van 17 november 2016, Betriebsrat der Ruhrlandklinik, C-216/15, ECLI:EU:C:2016:883.

Amendement    29

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 27

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(27)  De bescherming zou ook moeten gelden voor andere categorieën natuurlijke personen of rechtspersonen die – ook al zijn zij geen "werknemer" in de zin van artikel 45 VWEU – een belangrijke rol kunnen spelen bij het onthullen van inbreuken op het recht en in een positie van economische kwetsbaarheid kunnen verkeren in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten. Zo staan op gebieden als productveiligheid leveranciers bijvoorbeeld veel dichter bij de bron van mogelijke oneerlijke en illegale praktijken inzake de productie, invoer of distributie van onveilige producten en zijn wat de besteding van middelen van de Unie betreft, consultants door hun dienstverlening bij uitstek in staat om de aandacht te vestigen op inbreuken waarvan zij getuige zijn. Dergelijke categorieën personen, met inbegrip van zelfstandige dienstverleners, freelancers, aannemers, onderaannemers en leveranciers, krijgen vaak te maken met represailles in de vorm van vervroegde beëindiging of opzegging van een dienstverleningsovereenkomst, een vergunning of een machtiging, omzetderving, inkomstenderving, dwang, intimidatie of pesterij, opname op een zwarte lijst/bedrijfsboycot of reputatieschade. Ook aandeelhouders en personen in leidinggevende organen kunnen te maken krijgen met represailles, bijvoorbeeld in financieel opzicht of in de vorm van intimidatie of pesterij, opname op een zwarte lijst of reputatieschade. Bescherming moet ook worden geboden aan kandidaten voor een baan of voor dienstverlening aan een organisatie die informatie over inbreuken op het recht hebben verkregen tijdens de aanwervingsprocedure of in een andere fase van precontractuele onderhandelingen en die met represailles te maken kunnen krijgen in de vorm van negatieve arbeidsreferenties of opname op een zwarte lijst of een bedrijfsboycot.

(27)  De bescherming zou ook moeten gelden voor andere categorieën natuurlijke personen of rechtspersonen die – ook al zijn zij geen "werknemer" in de zin van het nationale recht of overeenkomstig artikel 45 VWEU – een belangrijke rol kunnen spelen bij het onthullen van inbreuken op het recht en in een positie van economische kwetsbaarheid kunnen verkeren in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten. Zo staan op gebieden als productveiligheid leveranciers bijvoorbeeld veel dichter bij de bron van mogelijke oneerlijke en illegale praktijken inzake de productie, invoer of distributie van onveilige producten en zijn wat de besteding van middelen van de Unie betreft, consultants door hun dienstverlening bij uitstek in staat om de aandacht te vestigen op inbreuken waarvan zij getuige zijn. Dergelijke categorieën personen, met inbegrip van zelfstandige dienstverleners, freelancers, aannemers, onderaannemers en leveranciers, krijgen vaak te maken met represailles, bijvoorbeeld in de vorm van vervroegde beëindiging of opzegging van een dienstverleningsovereenkomst, een vergunning of een machtiging, omzetderving, inkomstenderving, dwang, intimidatie of pesterij, opname op een zwarte lijst/bedrijfsboycot of reputatieschade. Ook aandeelhouders en personen in leidinggevende organen kunnen te maken krijgen met represailles, bijvoorbeeld in financieel opzicht of in de vorm van intimidatie of pesterij, opname op een zwarte lijst of reputatieschade. Bescherming moet ook worden geboden aan kandidaten voor een baan of voor dienstverlening aan een organisatie die informatie over inbreuken op het recht hebben verkregen tijdens de aanwervingsprocedure of in een andere fase van precontractuele onderhandelingen en die met represailles te maken kunnen krijgen in de vorm van negatieve arbeidsreferenties of opname op een zwarte lijst of een bedrijfsboycot.

Motivering

De richtlijn moet er rekening mee houden dat de definitie van het begrip werknemers voor sommige lidstaten een nationale aangelegenheid is.

Amendement    30

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 27 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(27 bis)  Overeenkomstig de artikelen 22 bis, 22 ter en 22 quater van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en artikel 11 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, vastgelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad1 bis, zijn alle EU-instellingen verplicht om interne regels vast te stellen en in te voeren om klokkenluiders te beschermen.

 

_______________

 

1 bis PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.

Amendement    31

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 28

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(28)  Doeltreffende bescherming van klokkenluiders strekt zich ook uit tot categorieën personen die weliswaar niet economisch afhankelijk zijn van hun werkgerelateerde activiteiten, maar niettemin te maken kunnen krijgen met represailles als gevolg van het onthullen van inbreuken. Represailles jegens vrijwilligers en onbezoldigde stagiairs kunnen erin bestaan dat geen gebruik meer van hun diensten wordt gemaakt, een negatieve referentie wordt afgegeven voor toekomstige banen of hun reputatie anderszins wordt geschaad.

(28)  Doeltreffende bescherming van klokkenluiders strekt zich ook uit tot categorieën personen die weliswaar niet economisch afhankelijk zijn van hun werkgerelateerde activiteiten, maar niettemin te maken kunnen krijgen met represailles als gevolg van het onthullen van inbreuken of van het direct of indirect ondersteunen van de meldingen van klokkenluiders. Represailles jegens vrijwilligers en bezoldigde of onbezoldigde stagiairs kunnen erin bestaan dat geen gebruik meer van hun diensten wordt gemaakt, een negatieve referentie wordt afgegeven voor toekomstige banen of hun reputatie of carrièremogelijkheden anderszins worden geschaad.

Amendement    32

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 28 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(28 bis)  In dezelfde geest is het belangrijk bescherming te waarborgen voor personen, zoals collega's die de melder bijstaan op de werkplek, door hem bijvoorbeeld te adviseren over de te volgen koers, de juiste kanalen voor melding, de mogelijke bescherming, of de formulering van de melding. Deze personen zouden op de hoogte kunnen zijn van de onthulde informatie en kunnen derhalve ook slachtoffer zijn van represailles. Zij moeten daarom ook kunnen profiteren van de bescherming waarin deze richtlijn voorziet. Onderzoeksjournalisten spelen ook een cruciale rol bij het onthullen van inbreuken op het recht van de Unie en kunnen worden getroffen door represaillemaatregelen, zoals strategische procesvoering, bijvoorbeeld wegens smaad of laster. Zij moeten daarom ook aanspraak kunnen maken op de beschermingsmaatregelen van deze richtlijn, teneinde de vrijheid van meningsuiting te waarborgen voor zover het nationale recht niet in een betere bescherming voorziet.

Amendement    33

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 28 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(28 ter)  Doeltreffende bescherming van klokkenluiders moet ook worden verleend aan personen die bewijs hebben van dergelijk handelen in de publieke of particuliere sector, zonder dat zij dat handelen noodzakelijkerwijs uit eerste hand hebben waargenomen.

Amendement    34

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 28 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(28 quater)  Doeltreffende bescherming vereist een passende opleiding en een kenniscentrum dat klokkenluiders voorlicht over hun rechten, de opties voor openbaarmaking en de beperkingen van de bescherming zodat zij op de hoogte zijn van hun rechten en verantwoordelijkheden. Dit mag niet worden beschouwd als vervanging voor de toegang tot onafhankelijk juridisch advies dat eveneens beschikbaar moet zijn.

Amendement    35

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 29

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(29)  Doeltreffende opsporing en preventie van ernstige schade voor het algemeen belang vereist dat de gemelde informatie die recht geeft op bescherming niet alleen onrechtmatige activiteiten betreft, maar ook rechtsmisbruik, namelijk handelen of nalaten dat formeel niet onrechtmatig is, doch het doel of de toepassing van de wet ondermijnt.

(29)  Doeltreffende opsporing en preventie van ernstige schade voor het algemeen belang vereist dat de gemelde informatie die recht geeft op bescherming niet alleen onrechtmatige activiteiten betreft, maar ook rechtsmisbruik, namelijk handelen of nalaten dat formeel niet onrechtmatig is, doch het doel of de toepassing van de wet ondermijnt of een gevaar of potentiële bedreiging vormt voor het algemeen belang.

Amendement    36

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 30

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(30)  Doeltreffende preventie van inbreuken op het Unierecht vereist dat ook bescherming wordt verleend aan personen die informatie verstrekken over mogelijke inbreuken die zich nog niet hebben voorgedaan, maar waarschijnlijk zullen worden gepleegd. Om dezelfde redenen is bescherming ook gerechtvaardigd voor personen die geen positief bewijs aandragen, maar redelijke zorgen of vermoedens kenbaar maken. Bescherming is echter niet nodig in verband met de melding van informatie die reeds tot het publieke domein behoort of van onbewezen geruchten en verhalen.

(30)  Doeltreffende preventie van inbreuken op het Unierecht vereist dat ook bescherming wordt verleend aan personen die informatie verstrekken over mogelijke inbreuken die zich nog niet hebben voorgedaan, maar zeer waarschijnlijk zullen worden gepleegd. Om dezelfde redenen is bescherming ook gerechtvaardigd voor personen die geen positief bewijs aandragen, maar gegronde, redelijke zorgen of vermoedens kenbaar maken alsook voor personen die informatie aanvullen over kwesties die reeds tot het publieke domein behoren. Bescherming is echter niet nodig in verband met de melding van onbewezen geruchten en verhalen.

Amendement    37

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 30 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(30 bis)  Om ongerechtvaardigde reputatieschade te voorkomen, moet echter ook een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen opzettelijk valse beschuldigingen met de bedoeling de persoon of entiteit in kwestie schade toe te brengen, en de melding van informatie waarvan de melder redelijke gronden had om aan te nemen dat die juist was. Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het nationale recht dat van toepassing is in geval van valse beschuldigingen, zoals laster.

Amendement    38

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 31

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(31)  Van represailles is sprake als er een nauw (oorzakelijk) verband bestaat tussen de melding en de nadelige behandeling die de melder direct of indirect ten deel valt en op grond waarvan deze persoon voor rechtsbescherming in aanmerking komt. Doeltreffende bescherming van melders met het oog op betere handhaving van het Unierecht vereist een ruime definitie van represaille, die elk voor de melder nadelig handelen of nalaten binnen een werkgerelateerde context omvat.

(31)  Van represailles is sprake als er een (oorzakelijk) verband bestaat tussen de melding en de nadelige behandeling die de melder, of personen die melding overwegen of personen die de melder bijstaan bij het verrichten van de melding, direct of indirect ten deel valt en op grond waarvan die personen voor rechtsbescherming in aanmerking komt. Aangezien de vormen van represailles slechts beperkt zijn tot de verbeelding van de daders van dergelijke handelingen, vereist doeltreffende bescherming van melders, personen die melding overwegen of personen die de melder bijstaan bij het verrichten van de melding, met het oog op betere handhaving van het Unierecht, een ruime definitie van represaille, die elk voor de melder nadelig handelen of nalaten binnen een werkgerelateerde context omvat.

Amendement    39

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 33

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(33)  Klokkenluiders zijn met name een belangrijke bron voor onderzoeksjournalisten. Door klokkenluiders doeltreffende bescherming te bieden tegen represailles, neemt de rechtszekerheid van (potentiële) klokkenluiders toe, hetgeen klokkenluiden ook in de media stimuleert en vergemakkelijkt. In dit verband is de bescherming van klokkenluiders als journalistieke bron van cruciaal belang om te waarborgen dat onderzoeksjournalistiek in democratische samenlevingen haar rol van waakhond kan vervullen.

(33)  Klokkenluiders zijn met name een belangrijke bron voor onderzoeksjournalisten. Door klokkenluiders en onderzoeksjournalisten doeltreffende bescherming te bieden tegen represailles en alle vormen van pesterij, neemt de rechtszekerheid van (potentiële) klokkenluiders toe, hetgeen klokkenluiden, voor zover gerechtvaardigd, ook in de media stimuleert en vergemakkelijkt. In dit verband is de bescherming van klokkenluiders als journalistieke bron van cruciaal belang om te waarborgen dat onderzoeksjournalistiek in democratische samenlevingen haar rol van waakhond kan vervullen. In dit verband moet dezelfde bescherming worden geboden aan onderzoeksjournalisten die klokkenluiders als bron gebruiken, als aan de klokkenluiders die hun bron vormen. Bovendien zijn klokkenluiders en journalisten vaak betrokken bij ongefundeerde rechtszaken die tegen hen zijn aangespannen door advocatenkantoren die zich bezighouden met laster en afpersing om de melders af te schrikken en te dwingen hun toevlucht te nemen tot kostbare juridische bijstand. Dergelijke praktijken moeten met kracht worden veroordeeld en moeten daarom onder deze richtlijn vallen.

Amendement    40

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 34

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(34)  Het is aan de lidstaten om vast te stellen welke autoriteiten bevoegd zijn meldingen over inbreuken die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, te ontvangen en daaraan passende follow-up te geven. Daarbij kan het gaan om regulerende of toezichthoudende organen op de betrokken gebieden, wetshandhavingsinstanties, corruptiebestrijdingsinstanties en ombudsmannen. De als bevoegd aangewezen autoriteiten moeten over de nodige capaciteiten en bevoegdheden beschikken voor het beoordelen van de juistheid van de in de melding vervatte beweringen en het aanpakken van de gemelde inbreuken, bijvoorbeeld door over te gaan tot onderzoek, vervolging, terugvordering van middelen of andere passende corrigerende maatregelen, overeenkomstig hun mandaat.

(34)  Het is aan de lidstaten om vast te stellen welke autoriteiten bevoegd zijn meldingen over inbreuken die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, te ontvangen en daaraan passende follow-up te geven, en over een zo hoog mogelijk niveau van onafhankelijkheid en onpartijdigheid beschikken. Daarbij kan het gaan om gerechtelijke autoriteiten, regulerende of toezichthoudende organen op de betrokken gebieden, wetshandhavingsinstanties, corruptiebestrijdingsinstanties en ombudsmannen. De als bevoegd aangewezen autoriteiten moeten onafhankelijk zijn en over de nodige capaciteiten en bevoegdheden beschikken voor het op onpartijdige en objectieve wijze beoordelen van de juistheid van de in de melding vervatte beweringen en het aanpakken van de gemelde inbreuken, bijvoorbeeld door over te gaan tot of te verzoeken om onderzoek, vervolging, terugvordering van middelen of andere passende corrigerende maatregelen, overeenkomstig hun mandaat. Het bij die instanties werkzame personeel is gespecialiseerd en naar behoren opgeleid.

Amendement    41

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 35

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(35)  Het Unierecht voorziet op specifieke gebieden, zoals marktmisbruik53, burgerluchtvaart54 en de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten55 al in het opzetten van kanalen voor interne en externe melding. Wat betreft de in deze richtlijn vervatte verplichting om dergelijke kanalen op te zetten, dient zo veel mogelijk te worden voortgebouwd op de kanalen waarin op grond van specifieke handelingen van de Unie al is voorzien.

(35)  Het Unierecht voorziet op specifieke gebieden, zoals marktmisbruik53, burgerluchtvaart54 en de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten55 al in het opzetten van kanalen voor interne en externe melding. Wat betreft de in deze richtlijn vervatte verplichting om dergelijke kanalen op te zetten, dient zo veel mogelijk te worden voortgebouwd op de kanalen waarin op grond van specifieke handelingen van de Unie al is voorzien. Ingeval dergelijke bepalingen ontbreken en als de voorschriften van deze richtlijn meer bescherming bieden moeten deze voorschriften worden toegepast.

__________________

__________________

53 Eerder aangehaald.

53 Eerder aangehaald.

54 Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 18).

Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 1321/2007 en (EG) nr. 1330/2007 van de Commissie (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 18).

55 Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG.

55 Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG(PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66).

Amendement    42

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 35 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(35 bis)  In geval van corruptie op hoog niveau zijn aanvullende waarborgen nodig om te voorkomen dat betrokkenen die door de informatie in het bezit van de melders in een kwaad daglicht worden gesteld, ervoor zorgen dat melders geen bescherming krijgen.

Amendement    43

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 35 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(35 quater)  Melders in het bezit van informatie met betrekking tot corruptie op hoog niveau moeten zich kunnen wenden tot een rechterlijke instantie die onafhankelijk is ten opzichte van andere takken van de overheid en over de bevoegdheden beschikt om melders doeltreffende bescherming te bieden en de door hen aan het licht gebrachte inbreuken aan te pakken.

Amendement    44

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 37

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(37)  Voor een doeltreffende opsporing en preventie van inbreuken op het Unierecht is het van vitaal belang dat de relevante informatie snel degenen bereikt die het dichtst bij de bron van het probleem staan, het best in staat zijn om onderzoek te verrichten en de bevoegdheid hebben om het probleem aan te pakken, indien mogelijk. Dit betekent dat juridische entiteiten in de particuliere en de publieke sector passende interne procedures dienen op te zetten voor de ontvangst en follow-up van meldingen.

(37)  Voor een doeltreffende opsporing en preventie van inbreuken op het Unierecht is het van vitaal belang dat de relevante informatie snel degenen bereikt die het dichtst bij de bron van het probleem staan, het best in staat zijn om onderzoek te verrichten en de bevoegdheid hebben om het probleem aan te pakken, indien mogelijk. Dit betekent dat juridische entiteiten in de particuliere en de publieke sector passende en evenredige interne procedures in overeenstemming met de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid dienen op te zetten voor de ontvangst en follow-up van meldingen. De maatregelen die volgens deze interne procedures worden getroffen, moeten voldoende waarborgen bieden wat betreft vertrouwelijkheid, gegevensbescherming en privacy.

Amendement    45

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 38

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(38)  Voor juridische entiteiten in de particuliere sector staat de verplichting tot het opzetten van interne kanalen in verhouding tot hun omvang en tot het risiconiveau van hun activiteiten uit het oogpunt van het algemeen belang. Deze verplichting dient te gelden voor alle middelgrote en grote ondernemingen, ongeacht de aard van hun activiteiten, op basis van hun verplichting btw te innen. Als algemene regel geldt dat kleine en micro-ondernemingen, als omschreven in artikel 2 van de bijlage bij de aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003, zoals gewijzigd56, moeten worden vrijgesteld van de verplichting tot het opzetten van interne kanalen. Na een passende risicobeoordeling kunnen de lidstaten in specifieke gevallen echter eisen dat kleine ondernemingen kanalen voor interne melding opzetten (bv. wegens de significante risico’s die mogelijk uit hun activiteiten voortvloeien).

(38)  Voor juridische entiteiten in de particuliere sector staat de verplichting tot het opzetten van interne kanalen in verhouding tot hun omvang en tot het risiconiveau van hun activiteiten uit het oogpunt van het algemeen belang. Deze verplichting dient te gelden voor alle middelgrote en grote ondernemingen, ongeacht de aard van hun activiteiten, op basis van hun verplichting btw te innen. De lidstaten moeten echter vrij zijn, in afwijking daarvan, middelgrote ondernemingen als omschreven in artikel 2 van de bijlage bij de aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003, zoals gewijzigd56, van die verplichting vrij te stellen. Als algemene regel geldt dat kleine en micro-ondernemingen, als omschreven in artikel 2 van de bijlage bij de aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003, zoals gewijzigd, moeten worden vrijgesteld van de verplichting tot het opzetten van interne kanalen. Na een passende risicobeoordeling kunnen de lidstaten in specifieke gevallen echter eisen dat kleine ondernemingen kanalen voor interne melding opzetten (bv. wegens de significante risico’s die mogelijk uit hun activiteiten voortvloeien).

_________________

_________________

56 Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

56 Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

Amendement    46

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 39

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(39)  De vrijstelling van kleine en micro-ondernemingen van de verplichting om kanalen voor interne melding op te zetten dient niet te gelden voor particuliere ondernemingen die actief zijn op het gebied van financiële dienstverlening. Dergelijke ondernemingen moeten verplicht blijven om kanalen voor interne melding op te zetten, overeenkomstig de bestaande verplichtingen als vervat in het acquis van de Unie op het gebied van financiële diensten.

(39)  De vrijstelling van kleine en micro-ondernemingen van de verplichting om kanalen voor interne melding op te zetten dient niet te gelden voor particuliere ondernemingen die actief zijn op het gebied van financiële dienstverlening of hiermee nauw verbonden zijn. Dergelijke ondernemingen moeten verplicht blijven om kanalen voor interne melding op te zetten, overeenkomstig de bestaande verplichtingen als vervat in het acquis van de Unie op het gebied van financiële diensten.

Amendement    47

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 44 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(44 bis)  Hoewel het niet de bedoeling is van deze richtlijn om de regelingen voor anonieme melding of anonieme openbaarmaking vast te stellen, kunnen dergelijke meldingen voorkomen. Anonieme meldingen die via interne kanalen zijn ontvangen moeten derhalve een zorgvuldige follow-up krijgen. De bevoegde autoriteiten moeten de mogelijkheid hebben om anonieme meldingen via externe kanalen buiten beschouwing te laten in overeenstemming met het nationale recht. Indien de identiteit van melders wordt bekendgemaakt moeten dergelijke personen in aanmerking komen voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn.

Amendement    48

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 44 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(44 quater)  Het is gebleken dat de eerbiediging van de vertrouwelijkheid van de identiteit van de melder een essentiële factor is om verzaking en zelfcensuur te voorkomen. Daarom is het nodig te bepalen dat van deze geheimhoudingsplicht slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden afgeweken wanneer de openbaarmaking van informatie over de identiteit van de melder een noodzakelijke en evenredige verplichting is die door de wetgeving van de Unie of door nationale wetgeving wordt opgelegd in het kader van een onderzoek of daaropvolgende gerechtelijke procedures dan wel ter bescherming van de vrijheden van anderen, zoals het recht op verdediging van de betrokkene, waarbij telkens passende waarborgen krachtens die wetgeving van toepassing zijn. Als de plicht tot geheimhouding van de identiteit van de melder wordt geschonden moet in passende sancties worden voorzien.

Amendement    49

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 44 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(44 quater)  Geheimhouding van de identiteit van de melder en alle andere betrokkenen is van cruciaal belang om ervoor te zorgen dat de meldingsprocedure optimaal en zonder belemmeringen verloopt, en zelfcensuur wordt voorkomen. Het belang van de bescherming van persoonsgegevens is vastgelegd in het Unierecht en het nationale recht, en in geval van een melding is het belang van bescherming van dergelijke gegevens des te groter.

Amendement    50

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 45

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(45)  Welke personen of afdelingen binnen een private juridische entiteit het meest geschikt zijn om te worden aangewezen als bevoegd voor de ontvangst en follow-up van meldingen, hangt af van de structuur van de entiteit, maar hun functie dient in elk geval te waarborgen dat zij geen belangenconflicten hebben en onafhankelijk zijn. In kleinere entiteiten kan deze taak worden uitgeoefend als nevenfunctie van een stafmedewerker die in een goede positie verkeert om direct melding te doen aan het hoofd van de organisatie, zoals een hoofd naleving of personeelszaken, een jurist of privacymedewerker, een financieel directeur, een directeur audit of een lid van de raad van bestuur.

(45)  Welke personen of afdelingen binnen een private juridische entiteit het meest geschikt zijn om te worden aangewezen als bevoegd voor de ontvangst en follow-up van meldingen, hangt af van de structuur van de entiteit, maar hun functie dient in elk geval te waarborgen dat zij geen belangenconflicten hebben, over gedegen kennis beschikken en onafhankelijk zijn. In kleinere entiteiten kan deze taak worden uitgeoefend als nevenfunctie van een stafmedewerker die in een goede positie verkeert om direct melding te doen aan het hoofd van de organisatie, zoals een hoofd naleving of personeelszaken, een jurist of privacymedewerker, een financieel directeur, een directeur audit of een lid van de raad van bestuur.

Amendement    51

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 46

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(46)  Bij interne meldingen is het voor het scheppen van vertrouwen in de doelmatigheid van het algehele systeem voor de bescherming van klokkenluiders van cruciaal belang dat goede en transparante informatie wordt verstrekt over de aan de melding verbonden follow-upprocedure; dit verkleint de kans op latere overbodige meldingen of openbaarmakingen. De melder dient binnen een redelijke termijn te worden geïnformeerd over de naar aanleiding van de melding te nemen of reeds genomen maatregelen (zoals afsluiting wegens onvoldoende bewijs of om andere redenen, de start van een intern onderzoek en eventueel de bevindingen daarvan en/of maatregelen om het aan de orde gestelde probleem aan te pakken, doorverwijzing naar een bevoegde autoriteit voor verder onderzoek), mits dergelijke informatie geen afbreuk aan het vooronderzoek of het onderzoek doet of de rechten van de betrokkene schaadt. Een dergelijke termijn mag in totaal niet langer duren dan drie maanden. Als nog geen passende follow-up is vastgesteld, dient de melder hierover en over eventuele verdere feedback die hij tegemoet kan zien, te worden geïnformeerd.

(46)  Bij interne meldingen is het voor het scheppen van vertrouwen in de doelmatigheid van het algehele systeem voor de bescherming van klokkenluiders van cruciaal belang dat goede en transparante informatie wordt verstrekt over de aan de melding verbonden follow-upprocedure; dit verkleint de kans op latere overbodige meldingen of openbaarmakingen. De melder dient binnen een redelijke termijn te worden geïnformeerd over de naar aanleiding van de melding te nemen of reeds genomen maatregelen (zoals afsluiting wegens onvoldoende bewijs of om andere redenen, de start van een intern onderzoek en eventueel de bevindingen daarvan en/of maatregelen om het aan de orde gestelde probleem aan te pakken, doorverwijzing naar een bevoegde autoriteit voor verder onderzoek), mits dergelijke informatie geen afbreuk aan het vooronderzoek of het onderzoek doet of de rechten van de betrokkene schaadt. Een dergelijke termijn mag in totaal niet langer duren dan vier maanden. Als nog geen passende follow-up is vastgesteld, dient de melder hierover en over eventuele verdere feedback die hij tegemoet kan zien, te worden geïnformeerd. In alle gevallen moet de melder van de voortgang en het resultaat van het onderzoek in kennis worden gesteld. Hij moet in de loop van het onderzoek de mogelijkheid hebben te worden geraadpleegd en opmerkingen te maken, maar is daar niet toe verplicht. Die opmerkingen moeten in aanmerking worden genomen wanneer deze door de persoon of de afdeling die belast is met follow-up van de melding, relevant worden geacht.

Amendement    52

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 47 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(47 bis)  Tot de ontvangers van openbaar gemaakte informatie op de werkplek moeten onder meer behoren: lijnmanagers, leidinggevenden of vertegenwoordigers van de organisatie; personeelsmedewerkers, deontologen, ondernemingsraden of andere organen die belast zijn met de bemiddeling bij conflicten op het werk, waaronder belangenconflicten; interne organen voor financieel toezicht binnen de organisatie; tuchtorganen binnen de organisatie.

Amendement    53

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 49

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(49)  Gebrek aan vertrouwen in het nut van een melding is een van de belangrijkste factoren die potentiële klokkenluiders afschrikken. Het is derhalve gerechtvaardigd dat de bevoegde autoriteiten duidelijk worden verplicht om zorgvuldig follow-up te geven aan de ontvangen meldingen en de melders binnen een redelijke termijn feedback te geven over de naar aanleiding van de melding te nemen of reeds genomen maatregelen (zoals afsluiting wegens onvoldoende bewijs of om andere redenen, de start van een onderzoek en eventueel de bevindingen daarvan en/of maatregelen om het aan de orde gestelde probleem aan te pakken, doorverwijzing naar een bevoegde autoriteit voor follow-up), mits dergelijke informatie geen afbreuk doet aan het onderzoek of de rechten van de betrokkenen schaadt.

(49)  Naast de zeer reële en zeer redelijke angst voor represailles is het gebrek aan vertrouwen in de doeltreffendheid van een melding een van de belangrijkste factoren die potentiële klokkenluiders afschrikken. Het is derhalve gerechtvaardigd dat de bevoegde autoriteiten duidelijk worden verplicht om zorgvuldig follow-up te geven aan de ontvangen meldingen en de melders binnen een redelijke termijn feedback te geven over de naar aanleiding van de melding te nemen of reeds genomen maatregelen (zoals afsluiting wegens onvoldoende bewijs of om andere redenen, de start van een onderzoek en eventueel de bevindingen daarvan en/of maatregelen om het aan de orde gestelde probleem aan te pakken, doorverwijzing naar een bevoegde autoriteit voor follow-up), mits dergelijke informatie geen afbreuk doet aan het onderzoek of de rechten van de betrokkenen schaadt.

Amendement    54

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 50

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(50)  Follow-up en feedback moet binnen een redelijke termijn worden gegeven; dit is noodzakelijk om het probleem waarop de melding wellicht betrekking heeft, snel aan te pakken en onnodige openbaarmaking te voorkomen. De betrokken termijn mag niet langer zijn dan drie maanden, maar kan tot zes maanden worden verlengd als de specifieke omstandigheden van een zaak hiertoe nopen, zoals met name de aard en complexiteit van het voorwerp van de melding, op grond waarvan wellicht een langdurig onderzoek vereist is.

(50)  Follow-up en feedback moet binnen een redelijke termijn worden gegeven; dit is noodzakelijk om het probleem waarop de melding wellicht betrekking heeft, snel aan te pakken en onnodige openbaarmaking te voorkomen. De betrokken termijn mag niet langer zijn dan twee maanden, maar kan tot vier maanden worden verlengd als de specifieke omstandigheden van een zaak hiertoe nopen, zoals met name de aard en complexiteit van het voorwerp van de melding, op grond waarvan wellicht een langdurig onderzoek vereist is.

Amendement    55

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 52

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(52)  Om doeltreffend te kunnen communiceren met het personeel dat met de behandeling van meldingen is belast, dienen de bevoegde autoriteiten te beschikken over en gebruik te maken van specifieke kanalen, die losstaan van hun normale systemen voor het behandelen van klachten van het publiek en waarmee zaken op gebruiksvriendelijke wijze schriftelijk, mondeling, elektronisch en niet-elektronisch kunnen worden gemeld.

(52)  Om doeltreffend te kunnen communiceren met het personeel dat met de behandeling van meldingen is belast, dienen de bevoegde autoriteiten te beschikken over en gebruik te maken van specifieke kanalen, die losstaan van hun normale systemen voor het behandelen van klachten van het publiek en waarmee zaken op gebruiksvriendelijke en vertrouwelijke wijze schriftelijk, mondeling, elektronisch en niet-elektronisch kunnen worden gemeld.

Amendement    56

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 53

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(53)  De bevoegde autoriteiten zouden moeten beschikken over personeelsleden die met de behandeling van meldingen zijn belast, onder meer op het gebied van de toepasselijke gegevensbeschermingsvoorschriften, en die speciaal zijn opgeleid voor de verwerking van meldingen, de communicatie met de melder en een passende follow-up van de melding.

(53)  Voor het ontvangen en verwerken van meldingen, de communicatie met de melder, een passende follow-up van de melding, alsook het verstrekken van informatie en advies aan iedere belanghebbende persoon, moeten de bevoegde autoriteiten beschikken over specifieke personeelsleden die regelmatig professioneel worden opgeleid, onder meer op het gebied van de toepasselijke gegevensbeschermingsvoorschriften.

Amendement    57

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 54

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(54)  Personen die het voornemen hebben iets te melden, moeten met kennis van zaken kunnen beslissen of, hoe en wanneer zij tot melding overgaan. De bevoegde autoriteiten moeten daarom goed toegankelijke informatie openbaar maken over de kanalen die beschikbaar zijn voor melding aan de bevoegde autoriteiten, de toepasselijke procedures en de personeelsleden die binnen deze autoriteiten met de behandeling van meldingen zijn belast. Alle informatie over meldingen moet transparant, eenvoudig te begrijpen en betrouwbaar zijn, teneinde melding te bevorderen en niet te ontmoedigen.

(54)  Personen die het voornemen hebben iets te melden, moeten met kennis van zaken kunnen beslissen of, hoe en wanneer zij tot melding overgaan. De bevoegde autoriteiten moeten daarom goed toegankelijke informatie openbaar maken, in geval externe melding mogelijk is, over de kanalen die beschikbaar zijn voor melding aan de bevoegde autoriteiten, de toepasselijke procedures en de personeelsleden die binnen deze autoriteiten met de behandeling van meldingen zijn belast. Alle informatie over meldingen moet transparant, eenvoudig te begrijpen en betrouwbaar zijn, teneinde melding te bevorderen en niet te ontmoedigen.

Amendement    58

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 57

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(57)  De lidstaten moeten erop toezien dat alle meldingen van een inbreuk naar behoren worden geregistreerd en dat iedere melding binnen de bevoegde autoriteit kan worden opgevraagd, en dat informatie die via de meldingen wordt ontvangen, als bewijsmateriaal kan worden gebruikt in het kader van eventuele handhavingsmaatregelen.

(57)  De lidstaten moeten erop toezien dat alle meldingen van een inbreuk naar behoren worden geregistreerd en dat iedere melding binnen de bevoegde autoriteit kan worden opgevraagd, en dat informatie die via de meldingen wordt ontvangen, als bewijsmateriaal kan worden gebruikt in het kader van eventuele handhavingsmaatregelen, waar mogelijk met geheimhouding van de identiteit en de bescherming van de privacy van de melder, en in voorkomend geval, beschikbaar gesteld wordt voor andere lidstaten of autoriteiten van de Unie waarbij, waar mogelijk, de vertrouwelijkheid van de identiteit van de melder in acht wordt genomen. Het blijft de verantwoordelijkheid van zowel de verzendende als de ontvangende autoriteiten om te zorgen voor volledige bescherming van de identiteit van de melder en, waar mogelijk, te zorgen voor de bescherming van zijn privacy.

Amendement    59

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 58

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(58)  De bescherming van de persoonsgegevens van de melder en van de betrokkene is van cruciaal belang ter voorkoming van onbillijke behandeling of reputatieschade als gevolg van de bekendmaking van persoonsgegevens, met name gegevens waaruit de identiteit van de betrokkene blijkt. Daarom dienen, overeenkomstig de vereisten van Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (de algemene verordening gegevensbescherming, hierna ook “GDPR” genoemd), de bevoegde autoriteiten passende gegevensbeschermingsprocedures vast te stellen die specifiek gericht zijn op de bescherming van de melder, de betrokkene en eventuele derden naar wie in de melding wordt verwezen, met inbegrip van een beveiligd systeem binnen de bevoegde autoriteit, dat uitsluitend toegankelijk is voor bevoegd personeel.

(58)  De bescherming van de persoonsgegevens van de melder en van de betrokkene, alsook de vertrouwelijkheid van informatie, zijn van cruciaal belang ter voorkoming van onbillijke behandeling, alle vormen van pesterij of intimidatie, of reputatieschade als gevolg van de bekendmaking van persoonsgegevens, met name gegevens waaruit de identiteit van de betrokkene blijkt. Daarom dienen, overeenkomstig de vereisten van Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (de algemene verordening gegevensbescherming, hierna ook "GDPR" genoemd), de bevoegde autoriteiten passende gegevensbeschermingsprocedures vast te stellen die specifiek gericht zijn op de bescherming van de melder, de betrokkene en eventuele derden naar wie in de melding wordt verwezen, met inbegrip van een beveiligd systeem binnen de bevoegde autoriteit, dat uitsluitend toegankelijk is voor bevoegd personeel.

Amendement    60

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 60

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(60)  Om bescherming te genieten, moeten de melders, in het licht van de omstandigheden en de informatie waarover zij ten tijde van de melding beschikken, redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de door hen gemelde zaken waar zijn. Deze aanname moet redelijk worden geacht tenzij en totdat het tegendeel is aangetoond. Het gaat om een essentiële waarborg tegen kwaadwillige, lichtzinnige of oneerlijke meldingen, die ervoor zorgt dat wie willens en wetens onjuiste of misleidende informatie meldt, geen bescherming geniet. Ook zorgt dit uitgangspunt ervoor dat de bescherming niet verloren gaat als de melder te goeder trouw een onjuiste melding heeft gedaan. Evenzo zouden melders voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn in aanmerking moeten komen als zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de gemelde informatie binnen het toepassingsgebied van de richtlijn valt.

(60)  Melders moeten de bescherming van deze richtlijn genieten ongeacht of zij zich tot interne of externe meldingskanalen wenden of van beide gebruikmaken, en zonder bijzondere voorwaarden of volgorde van voorkeur. Melders die hun recht op openbaarmaking uitoefenen moeten op dezelfde wijze bescherming uit hoofde van deze richtlijn genieten. Deze bescherming moet gedurende de gehele meldingsprocedure van toepassing zijn, ook wanneer de procedure is beëindigd, tenzij kan worden aangetoond dat er van dreiging of represaille geen sprake is. Om bescherming te genieten, moeten de melders te goeder trouw handelen in de zin dat zij, in het licht van de omstandigheden en de informatie waarover zij ten tijde van de melding beschikken, redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de door hen gemelde zaken waar zijn. Deze aanname moet redelijk worden geacht tenzij en totdat het tegendeel is aangetoond. Het gaat om een essentiële waarborg tegen kwaadwillige, lichtzinnige of oneerlijke meldingen, die ervoor zorgt dat wie willens en wetens onjuiste of misleidende informatie meldt, geen bescherming geniet en verantwoordelijk kan worden gehouden op grond van de nationale wetgeving van de lidstaten. Ook zorgt dit uitgangspunt ervoor dat de bescherming niet verloren gaat als de melder te goeder trouw een onjuiste melding heeft gedaan. Evenzo zouden melders voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn in aanmerking moeten komen als zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de gemelde informatie binnen het toepassingsgebied van de richtlijn valt.

Amendement    61

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 61

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(61)  De vereiste van een trapsgewijs gebruik van meldingskanalen, als algemene regel, is nodig om te waarborgen dat de informatie de personen bereikt die kunnen bijdragen tot het vroegtijdig en doeltreffend wegnemen van risico’s voor het algemeen belang en tot de preventie van ongerechtvaardigde reputatieschade als gevolg van openbaarmaking. Tegelijkertijd zijn bepaalde uitzonderingen op deze benadering nodig, zodat de melder naar gelang van de individuele omstandigheden van het geval het meest geschikte kanaal kan kiezen. Bovendien moeten openbaarmakingen worden beschermd, gezien de democratische beginselen zoals transparantie en verantwoordingsplicht en grondrechten zoals vrijheid van meningsuiting en vrijheid van de media, en moet het belang van werkgevers om hun organisaties te besturen en hun belangen te beschermen worden afgewogen tegen het belang van het publiek om te worden beschermd tegen schade, overeenkomstig de in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria57.

(61)  Er moet voor worden gezorgd dat alle meldingskanalen, interne en externe, toegankelijk zijn voor de melder en dat de melder naar gelang van de individuele omstandigheden van het geval het meest geschikte kanaal kan kiezen, teneinde te waarborgen dat de informatie de personen of entiteiten bereikt die kunnen bijdragen tot het vroegtijdig en doeltreffend wegnemen van risico’s voor het algemeen belang. Bovendien moeten openbaarmakingen worden beschermd, gezien de democratische beginselen zoals transparantie en verantwoordingsplicht en grondrechten zoals vrijheid van meningsuiting, vrijheid van de media en recht op informatie, en moet het legitieme belang van werkgevers om hun organisaties te besturen en hun reputatie en belangen te beschermen worden afgewogen tegen het belang van het publiek om te worden beschermd tegen schade, overeenkomstig de in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria57.

__________________

__________________

57 Een van de criteria om te bepalen of een represaille ten aanzien van klokkenluiders die zaken openbaar maken, de vrijheid van meningsuiting aantast op een wijze die niet nodig is in een democratische samenleving, is of de melder die is overgegaan tot de openbaarmaking, over alternatieve kanalen voor openbaarmaking beschikte; zie bijvoorbeeld Guja vs. Moldova [GC], nr. 14277/04, EHRM 2008.

57 Een van de criteria om te bepalen of een represaille ten aanzien van klokkenluiders die zaken openbaar maken, de vrijheid van meningsuiting aantast op een wijze die niet nodig is in een democratische samenleving, is of de melder die is overgegaan tot de openbaarmaking, over alternatieve kanalen voor openbaarmaking beschikte (zie bijvoorbeeld Guja vs. Moldova [GC], nr. 14277/04, EHRM 2008).

Amendement    62

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 62

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(62)  In de regel moeten melders eerst gebruikmaken van de interne kanalen waarover zij beschikken en meldingen richten aan hun werkgever. Het kan echter gebeuren dat er geen interne kanalen zijn (in het geval van entiteiten die dergelijke kanalen niet op grond van een verplichting uit hoofde van deze richtlijn of toepasselijk nationaal recht hoeven op te zetten), dat het gebruik ervan niet verplicht is (hetgeen het geval kan zijn voor personen zonder dienstbetrekking) of dat de interne kanalen wel zijn gebruikt, maar niet goed werkten (de melding werd bijvoorbeeld niet zorgvuldig of binnen een redelijke termijn behandeld, of er is geen actie ondernomen om de inbreuk op het recht aan te pakken, ondanks de positieve resultaten van het vooronderzoek).

(62)  In de regel moeten melders eerst gebruikmaken van de interne of externe kanalen waarover zij beschikken en meldingen richten aan hun werkgever. Bovendien moet ook bescherming worden verleend ingeval het Unierecht voorziet in de mogelijkheid dat de melder zich direct tot de organen of instanties van de Unie richt, bijvoorbeeld als het gaat om fraude met betrekking tot de begroting van de Unie, om preventie en opsporing van het witwassen van geld en terrorismefinanciering, of om financiële diensten.

Amendement    63

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 63

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(63)  In andere gevallen kan niet redelijkerwijs worden verwacht dat de interne kanalen naar behoren functioneren; bijvoorbeeld wanneer de melder gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij in verband met de melding met represailles te maken zou krijgen, de vertrouwelijkheid niet zou worden beschermd, de uiteindelijk verantwoordelijke in de werkgerelateerde context bij de inbreuk betrokken is, de inbreuk zou kunnen worden verhuld, bewijs zou kunnen worden achtergehouden of vernietigd, de doeltreffendheid van het onderzoek door de bevoegde autoriteiten zou kunnen worden aangetast of dringend optreden geboden is (bijvoorbeeld vanwege een imminent risico van een wezenlijk en specifiek gevaar voor het leven, de gezondheid en de veiligheid van personen of voor het milieu). In al deze gevallen moeten personen die een externe melding richten tot de bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, tot organen of instanties van de Unie, worden beschermd. Bovendien moet ook bescherming worden verleend ingeval de wetgeving van de Unie voorziet in de mogelijkheid dat de melder zich direct tot de bevoegde nationale autoriteiten of instellingen, organen of instanties van de Unie richt, bijvoorbeeld als het gaat om fraude ten nadele van de begroting van de Unie, om preventie en opsporing van het witwassen van geld en terrorismefinanciering, of om financiële diensten.

Schrappen

Amendement    64

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 64

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(64)  Personen die direct overgaan tot een openbaarmaking, dienen ook voor bescherming in aanmerking te komen in geval een inbreuk (nog) niet is aangepakt (bijvoorbeeld omdat de inbreuk niet naar behoren is beoordeeld of onderzocht, of omdat geen corrigerende maatregelen zijn genomen), ondanks een interne en/of externe melding na een trapsgewijs gebruik van de beschikbare kanalen, of ingeval melders gegronde redenen hebben om aan te nemen dat de pleger van de inbreuk en de bevoegde autoriteit samenspannen, dat bewijs kan worden verhuld of vernietigd, of dat de doeltreffendheid van onderzoek door de bevoegde autoriteiten in gevaar zou kunnen komen, of in geval van imminent en klaarblijkelijk gevaar voor het algemeen belang, of wanneer sprake is van een risico op onherstelbare schade, waaronder fysiek letsel.

(64)  Personen die direct overgaan tot een openbaarmaking, dienen ook voor bescherming in aanmerking te komen in geval een inbreuk (nog) niet is aangepakt (bijvoorbeeld omdat de inbreuk niet naar behoren is beoordeeld of onderzocht, of omdat geen corrigerende maatregelen zijn genomen), ondanks een interne en/of externe melding, of ingeval melders redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de pleger van de inbreuk en de bevoegde autoriteit samenspannen, of dat relevante externe autoriteiten direct of indirect betrokken zijn bij de vermeende wanpraktijken, dat bewijs kan worden verhuld of vernietigd, of dat de doeltreffendheid van onderzoek door de bevoegde autoriteiten in gevaar zou kunnen komen, of in geval van imminent en klaarblijkelijk gevaar of schade voor het algemeen belang, of wanneer sprake is van een risico op onherstelbare schade, waaronder fysiek letsel of wanneer sprake is van een dringende situatie.

Amendement    65

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 64 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(64 bis)  De bescherming van klokkenluiders draagt bij aan het voorkomen en herstellen van handelingen die schadelijk zijn voor het algemeen belang. Het is weliswaar belangrijk om in deze richtlijn een coherent en solide systeem voor meldingen van misstanden te definiëren, maar de kern van het systeem moet gebaseerd zijn op de relevantie en het belang van de informatie die onder de aandacht gebracht wordt van de betrokken organisatie, de bevoegde autoriteiten of het publiek. Het is daarom van groot belang ervoor te zorgen dat de door deze richtlijn geboden bescherming wordt verleend aan eenieder die een melding of een publieke openbaarmaking verricht als gedefinieerd in deze richtlijn, en dat geen argumenten mogen worden gebruikt om hen deze bescherming te weigeren.

Amendement    66

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 65

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(65)  Melders moeten worden beschermd tegen alle directe of indirecte represailles van de zijde van hun werkgever of klant/ontvanger van diensten en van personen die werken voor of optreden namens laatstgenoemden, zoals collega’s en leidinggevenden in dezelfde organisatie of in andere organisaties waarmee de melder contact onderhoudt in het kader van zijn werkgerelateerde activiteiten, als represailles door de betrokkene worden aanbevolen of geduld. Er is bescherming nodig tegen represaillemaatregelen ten aanzien van de melder zelf, maar ook tegen represailles ten aanzien van de juridische entiteit die de melder vertegenwoordigt, zoals weigering van dienstverlening, opname op een zwarte lijst of een bedrijfsboycot. Indirecte represailles omvatten tevens maatregelen tegen familieleden van de melder die ook in een werkgerelateerde positie ten opzichte van diens werkgever of klant/ontvanger van diensten verkeren en maatregelen tegen werknemersvertegenwoordigers die de melder ondersteuning hebben verleend.

(65)  Melders moeten worden beschermd tegen alle directe of indirecte represailles van de zijde van hun werkgever of klant/ontvanger van diensten en van personen die werken voor of optreden namens laatstgenoemden, zoals collega’s en leidinggevenden in dezelfde organisatie of in andere organisaties waarmee de melder contact onderhoudt in het kader van zijn werkgerelateerde activiteiten, als represailles door de betrokkene worden aanbevolen of geduld. Er is bescherming nodig tegen represaillemaatregelen ten aanzien van de melder zelf, maar ook tegen represailles ten aanzien van de juridische entiteit die de melder vertegenwoordigt, zoals weigering van dienstverlening, opname op een zwarte lijst of een bedrijfsboycot. Indirecte represailles omvatten tevens maatregelen tegen facilitators of familieleden van de melder die ook in een werkgerelateerde positie ten opzichte van diens werkgever of klant/ontvanger van diensten verkeren en maatregelen tegen werknemersvertegenwoordigers die de melder ondersteuning hebben verleend.

Amendement    67

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 66

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(66)  Als represailles ongebreideld voorkomen en onbestraft blijven, heeft dit een remmend effect op potentiële klokkenluiders. Een duidelijk wettelijk verbod op represailles heeft een belangrijk afschrikkend effect, dat nog wordt versterkt door bepalingen inzake persoonlijke aansprakelijkheid en sancties ten aanzien van degenen die zich schuldig maken aan represailles.

(66)  Als represailles ongebreideld voorkomen en onbestraft blijven, heeft dit een remmend effect op potentiële klokkenluiders. Een duidelijk wettelijk verbod op represailles heeft een belangrijk afschrikkend effect, en moet worden versterkt door bepalingen inzake persoonlijke aansprakelijkheid en sancties ten aanzien van degenen die zich schuldig maken aan represailles, en ten aanzien van degenen in leidinggevende posities die dergelijke represailles faciliteren en/of negeren.

Amendement    68

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 67

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(67)  Potentiële klokkenluiders die niet goed weten hoe zij een melding kunnen doen en of zij uiteindelijk zullen worden beschermd, kunnen zich van melding laten weerhouden. De lidstaten dienen te waarborgen dat relevante informatie op gebruiksvriendelijke wijze wordt verstrekt en gemakkelijk toegankelijk is voor het grote publiek. Individueel, onpartijdig en vertrouwelijk advies dient kosteloos beschikbaar te zijn. Zo kan bijvoorbeeld worden uitgelegd of de betrokken informatie onder de toepasselijke regels voor de bescherming van klokkenluiders valt, welk meldingskanaal het best kan worden gebruikt en welke alternatieve procedures beschikbaar zijn ingeval de informatie niet onder de toepasselijke regels valt ("wegwijs maken"). Toegang tot dergelijke adviezen kan ertoe bijdragen dat meldingen op een verantwoorde wijze via de passende kanalen worden gedaan en dat inbreuken en misstanden tijdig worden ontdekt of zelfs voorkomen.

(67)  Potentiële klokkenluiders die niet goed weten hoe zij een melding kunnen doen en of zij uiteindelijk zullen worden beschermd, kunnen zich van melding laten weerhouden. De lidstaten dienen te waarborgen dat relevante informatie op gemakkelijk te begrijpen wijze wordt verstrekt en gemakkelijk toegankelijk is voor het grote publiek. Individueel, onpartijdig en vertrouwelijk advies dient kosteloos beschikbaar te zijn. Zo kan bijvoorbeeld worden uitgelegd of de betrokken informatie onder de toepasselijke regels voor de bescherming van klokkenluiders valt, welk meldingskanaal het best kan worden gebruikt en welke alternatieve procedures beschikbaar zijn ingeval de informatie niet onder de toepasselijke regels valt ("wegwijs maken"). Toegang tot dergelijke adviezen, in het bijzonder via de bevoegde autoriteiten, kan ertoe bijdragen dat meldingen op een verantwoorde wijze via de passende kanalen worden gedaan en dat inbreuken en misstanden tijdig worden ontdekt of zelfs voorkomen.

Amendement    69

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 67 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(67 bis)  In de lidstaten die een uitgebreide bescherming bieden aan melders, is er sprake van een verscheidenheid aan regelingen om melders te begeleiden en te ondersteunen. Op basis van bestaande optimale werkwijzen en de verschillende omstandigheden in de lidstaten zou het mogelijk moeten zijn dat in iedere lidstaat één onafhankelijke en duidelijk gedefinieerde autoriteit of een informatiecentrum wordt opgericht die/dat individueel advies en actuele informatie verstrekt, op voorwaarde dat voor voldoende garanties wordt gezorgd. Dit advies of deze informatie moet worden verstrekt aan eenieder die hierom vraagt. De informatie of het advies kan betrekking hebben op zaken als beschermingsmaatregelen, de geschiktheid van de kanalen voor melding of het toepassingsgebied van de richtlijn.

Amendement    70

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 69

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(69)  Het moet niet mogelijk zijn om door middel van een overeenkomst afstand te doen van de rechten en verplichtingen waarin deze richtlijn voorziet. Er mag geen gebruik worden gemaakt van de wettelijke en contractuele verplichtingen van natuurlijke personen, zoals getrouwheidsbedingen of vertrouwelijkheids-/niet-openbaarmakingsovereenkomsten, om werknemers van melden te weerhouden, bescherming te ontzeggen of wegens een melding te straffen. Tegelijkertijd mag deze richtlijn geen afbreuk doen aan de bescherming van het wettelijk verschoningsrecht of andere beroepsgeheimen waarin het nationale recht voorziet.

(69)  Het moet niet mogelijk zijn om door middel van een overeenkomst afstand te doen van de rechten en verplichtingen waarin deze richtlijn voorziet. Er mag geen gebruik worden gemaakt van de wettelijke en contractuele verplichtingen van natuurlijke personen, zoals getrouwheidsbedingen of vertrouwelijkheids-/niet-openbaarmakingsovereenkomsten, om werknemers van melden te weerhouden, bescherming te ontzeggen of wegens een melding te straffen. Tegelijkertijd mag deze richtlijn geen afbreuk doen aan de bescherming van het wettelijk verschoningsrecht of andere beroepsgeheimen, zoals het medisch beroepsgeheim en de vertrouwelijke relatie tussen advocaat en cliënt, waarin het nationale recht voorziet, of van de vertrouwelijkheid die nodig is om de nationale veiligheid te bescherming wanneer het nationaal recht hierin voorziet.

Amendement    71

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 70

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(70)  Represaillemaatregelen worden dikwijls gerechtvaardigd op andere gronden dan de melding en het kan zeer moeilijk zijn voor melders om het verband aan te tonen, terwijl degenen die zich schuldig maken aan de represaille wellicht beschikken over meer macht en middelen om de ondernomen actie en de redenering te boekstaven. Als de melder eenmaal prima facie heeft aangetoond dat hij een melding of openbaarmaking heeft gedaan in de zin van deze richtlijn en te maken heeft gekregen met benadeling, dient de bewijslast te verschuiven naar de persoon die voor de benadeling heeft gezorgd; het dient aan laatstgenoemde te zijn om aan te tonen dat de benadeling op geen enkele wijze verband hield met de melding of openbaarmaking.

(70)  Represaillemaatregelen worden dikwijls gerechtvaardigd op andere gronden dan de melding of de publieke openbaarmaking en het kan zeer moeilijk zijn voor melders om het verband aan te tonen, terwijl degenen die zich schuldig maken aan de represaille wellicht beschikken over meer macht en middelen om de ondernomen actie en de redenering te boekstaven. Als de melder eenmaal prima facie heeft aangetoond dat hij een melding of openbaarmaking heeft gedaan in de zin van deze richtlijn en te maken heeft gekregen met benadeling, dient de bewijslast te verschuiven naar de persoon die voor de benadeling heeft gezorgd; het dient aan laatstgenoemde te zijn om aan te tonen dat de benadeling op geen enkele wijze verband hield met de melding of openbaarmaking.

Amendement    72

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 71

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(71)  Naast een uitdrukkelijk wettelijk verbod op represailles is het van cruciaal belang dat melders die te maken krijgen met een represaille, toegang hebben tot rechtsmiddelen. Het toepasselijke rechtsmiddel wordt in elk geval bepaald door het soort represaille waarmee men te maken heeft gekregen. Daarbij kan het gaan om maatregelen tot herplaatsing (bijvoorbeeld bij ontslag, overplaatsing of degradatie, of bij weigering van opleiding of bevordering) of tot herstel van een opgezegde dienstverleningsovereenkomst, vergunning of machtiging; vergoeding voor concrete of toekomstige financiële verliezen (gederfd loon, maar ook toekomstige inkomstenderving, kosten in verband met verandering van beroep); vergoeding voor andere economische schade, zoals juridische kosten en medische zorgkosten, en voor immateriële schade (smartengeld).

(71)  Naast een uitdrukkelijk wettelijk verbod op represailles is het van cruciaal belang dat melders die te maken krijgen met een represaille, toegang hebben tot rechtsmiddelen en vergoeding. Het toepasselijke rechtsmiddel wordt in elk geval bepaald door het soort represaille waarmee men te maken heeft gekregen, en de geleden schade moet volledig worden vergoed. Daarbij kan het gaan om maatregelen tot herplaatsing (bijvoorbeeld bij ontslag, overplaatsing of degradatie, of bij weigering van opleiding of bevordering) of tot herstel van een opgezegde dienstverleningsovereenkomst, vergunning of machtiging; vergoeding voor concrete of toekomstige financiële verliezen (gederfd loon, maar ook toekomstige inkomstenderving, kosten in verband met verandering van beroep); vergoeding voor andere economische schade, zoals juridische kosten en kosten van medische en psychologische zorg, en voor immateriële schade (smartengeld).

Amendement    73

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 72

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(72)  De juridische stappen mogen per rechtsstelsel verschillen, maar zij dienen altijd te voorzien in een rechtsmiddel dat zo volledig en doeltreffend mogelijk is. De rechtsmiddelen mogen potentiële toekomstige klokkenluiders niet ontmoedigen. Zo kan het, zeker in grotere organisaties, tot een stelselmatige praktijk leiden als vergoeding wordt toegestaan als alternatief voor herplaatsing, hetgeen een afschrikkend effect op toekomstige klokkenluiders heeft.

(72)  De juridische stappen mogen per rechtsstelsel verschillen, maar zij dienen te voorzien in volledige vergoeding van de geleden schade.

Amendement    74

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 73

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(73)  Van bijzonder belang voor melders zijn voorlopige maatregelen in afwachting van de voltooiing van mogelijk langdurige gerechtelijke procedures. Maatregelen in kort geding kunnen met name noodzakelijk zijn ter beëindiging van bedreigingen, pogingen tot represailles of aanhoudende represailles (zoals intimidatie op het werk) of ter voorkoming van vormen van represaille zoals ontslag, die na verloop van veel tijd wellicht moeilijk ongedaan zijn te maken en de betrokkene financieel te gronde kunnen richten – een perspectief dat potentiële klokkenluiders sterk kan ontmoedigen.

(73)  Van bijzonder belang voor melders zijn voorlopige maatregelen in afwachting van de voltooiing van mogelijk langdurige gerechtelijke procedures. Maatregelen in kort geding kunnen met name noodzakelijk zijn ter beëindiging van bedreigingen, pogingen tot represailles of aanhoudende represailles (zoals intimidatie buiten en op het werk) of ter voorkoming van vormen van represaille zoals verbaal of fysiek geweld, of ontslag, die na verloop van veel tijd wellicht moeilijk ongedaan zijn te maken en de betrokkene financieel te gronde kunnen richten – een perspectief dat potentiële klokkenluiders sterk kan ontmoedigen.

Amendement    75

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 74

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(74)  Potentiële klokkenluiders kunnen zich ook in hoge mate laten afschrikken door maatregelen die buiten de werkgerelateerde context tegen melders worden genomen, zoals een procedure wegens laster of schending van auteursrechten, bedrijfsgeheimen, vertrouwelijkheid of de bescherming van persoonsgegevens. Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad58 stelt melders vrij van de civiele maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die in deze richtlijn zijn vastgesteld, wanneer het vermeende verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim plaatsvond om wangedrag, fouten of illegale activiteiten te onthullen, op voorwaarde dat de verweerder handelde met het oog op de bescherming van het algemeen openbaar belang. Ook in andere procedures dienen melders zich erop te kunnen beroepen dat de melding of openbaarmaking overeenkomstig deze richtlijn heeft plaatsgevonden. In voorkomend geval dient het aan de persoon die de procedure heeft aangespannen, te zijn om te bewijzen dat de melder beoogde de wet te schenden.

(74)  Potentiële klokkenluiders kunnen zich ook in hoge mate laten afschrikken door maatregelen die buiten de werkgerelateerde context tegen melders worden genomen, zoals een procedure wegens laster of schending van auteursrechten, bedrijfsgeheimen, vertrouwelijkheid of de bescherming van persoonsgegevens. Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad58 stelt melders vrij van de civiele maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die in deze richtlijn zijn vastgesteld, wanneer het vermeende verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim plaatsvond om wangedrag, fouten of illegale activiteiten te onthullen, op voorwaarde dat de verweerder handelde met het oog op de bescherming van het algemeen openbaar belang. Deze richtlijn mag daarom geen afbreuk doen aan de bepalingen die zijn vastgelegd in Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad en beide handelingen dienen als complementair te worden beschouwd. De in deze richtlijn opgenomen bescherming, procedures en omstandigheden moeten bijgevolg van toepassing zijn op gevallen die onder de materiële werkingssfeer van de richtlijn vallen, zelfs wanneer de gemelde informatie als een bedrijfsgeheim kan worden gekwalificeerd. Richtlijn (EU) 2016/943 moet in andere gevallen gelden. Ook in andere procedures dienen melders zich erop te kunnen beroepen dat de melding of openbaarmaking overeenkomstig deze richtlijn heeft plaatsgevonden. In voorkomend geval dient het aan de persoon die de procedure heeft aangespannen, te zijn om te bewijzen dat de melder beoogde de wet te schenden.

_________________

_________________

58 Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PB L 157 van 15.6.2016, blz. 1).

58 Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PB L 157 van 15.6.2016, blz. 1).

Amendement    76

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 75

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(75)  De betrokken leges kunnen een aanzienlijk deel uitmaken van de kosten voor melders die de tegen hen genomen represaillemaatregelen betwisten door middel van een gerechtelijke procedure. Hoewel zij deze leges aan het eind van de procedure mogelijk kunnen terugvorderen, kunnen zij deze wellicht niet vooraf voldoen, met name als zij werkloos zijn en op een zwarte lijst staan. Bijstand voor strafrechtelijke procedures, met name overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad59, en meer in het algemeen steun voor wie in ernstige financiële moeilijkheden verkeren, zou in bepaalde gevallen van cruciaal kunnen zijn voor de doeltreffende handhaving van hun recht op bescherming.

(75)  De betrokken leges kunnen een aanzienlijk deel uitmaken van de kosten voor melders die de tegen hen genomen represaillemaatregelen betwisten door middel van een gerechtelijke procedure. Hoewel zij deze leges aan het eind van de procedure mogelijk kunnen terugvorderen, kunnen zij deze wellicht niet vooraf voldoen, met name als zij werkloos zijn en op een zwarte lijst staan. Bijstand voor strafrechtelijke procedures, met name overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad59, en meer in het algemeen steun voor wie in ernstige financiële moeilijkheden verkeren, zou in bepaalde gevallen van cruciaal kunnen zijn voor de doeltreffende handhaving van hun recht op bescherming. Klokkenluiders moeten ook vergoeding kunnen eisen voor alle intimidatie waarvan zij het slachtoffer zijn geworden of het geleden verlies van bestaande of toekomstige bestaansmiddelen, indien de schade het gevolg is van vergelding.

_________________

_________________

59 Richtlijn 2016/1919/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (PB L 297 van 4.11.2016, blz. 1).

59 Richtlijn 2016/1919/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (PB L 297 van 4.11.2016, blz. 1).

Amendement    77

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 76

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(76)  De rechten van de betrokkene dienen te worden beschermd om reputatieschade of andere negatieve gevolgen te voorkomen. Bovendien dienen het recht van verweer en de toegang tot rechtsmiddelen van de betrokkene volledig te worden geëerbiedigd in elke fase van de procedure die volgt op een melding, overeenkomstig de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten dienen het recht van verweer van de betrokkene te waarborgen, met inbegrip van het recht op toegang tot het dossier, het recht te worden gehoord en het recht op een doeltreffend rechtsmiddel tegen een besluit betreffende de betrokkene, overeenkomstig de toepasselijke procedures van nationaal recht in het kader van een onderzoek of de daaropvolgende gerechtelijke procedures.

(76)  De rechten van de betrokkene dienen te worden beschermd om reputatieschade of andere negatieve gevolgen te voorkomen. Bovendien dienen het recht van verweer en de toegang tot rechtsmiddelen van de betrokkene volledig te worden geëerbiedigd in elke fase van de procedure die volgt op een melding, overeenkomstig de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten dienen de geheimhouding van de identiteit van de betrokkene te eerbiedigen en het recht van verweer te waarborgen, met inbegrip van het recht op toegang tot het dossier, het recht te worden gehoord en het recht op een doeltreffend rechtsmiddel tegen een besluit betreffende de betrokkene, overeenkomstig de toepasselijke procedures van nationaal recht in het kader van een onderzoek of de daaropvolgende gerechtelijke procedures. Hiertoe moeten passende maatregelen worden genomen om individuele personen en het maatschappelijk middenveld bewuster van dergelijke rechten te maken.

Amendement    78

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 77

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(77)  Iedere persoon die direct of indirect te maken krijgt met vooroordelen, als gevolg van de melding of openbaarmaking van onjuiste of misleidende informatie, dient onverminderd gebruik te kunnen maken van de bescherming en de rechtsmiddelen die hem uit hoofde van de regels van gemeen recht ter beschikking staan. Indien willens en wetens tot een dergelijke onjuiste of misleidende melding of openbaarmaking is overgegaan, dienen de betrokkenen in aanmerking te komen voor vergoeding overeenkomstig het nationale recht.

(77)  Iedere persoon die direct of indirect te maken krijgt met vooroordelen, als gevolg van de melding of openbaarmaking van onjuiste of misleidende informatie, dient onverminderd gebruik te kunnen maken van de bescherming en de rechtsmiddelen die hem uit hoofde van de regels van gemeen recht ter beschikking staan. Indien willens en wetens tot een dergelijke onjuiste of misleidende melding of openbaarmaking is overgegaan, mogen klokkenluiders geen recht op bescherming genieten en dienen de betrokkenen in aanmerking te komen voor vergoeding overeenkomstig het nationale recht.

Amendement    79

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 78

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(78)  Sancties zijn nodig om de doeltreffendheid van de regels inzake de bescherming van klokkenluiders te waarborgen. Sancties tegen degenen die represailles of andere nadelige maatregelen ten aanzien van melders nemen, kunnen een afschrikkende werking hebben. Als is aangetoond dat een persoon willens en wetens een onjuiste melding of openbaarmaking heeft verricht, dienen sancties te kunnen worden opgelegd om verdere kwaadwillige meldingen te voorkomen en de geloofwaardigheid van het systeem te vrijwaren. Dergelijke sancties dienen evenredig te zijn, zodat zij geen afschrikkend effect op potentiële klokkenluiders hebben.

(78)  Sancties zijn nodig om de doeltreffendheid van de regels inzake de bescherming van klokkenluiders te waarborgen. Sancties tegen degenen die represailles of andere nadelige maatregelen ten aanzien van melders nemen, kunnen een afschrikkende werking hebben. Als is aangetoond dat een persoon willens en wetens een onjuiste melding of openbaarmaking heeft verricht, dienen ook sancties te kunnen worden opgelegd om verdere kwaadwillige meldingen te voorkomen en de geloofwaardigheid van het systeem te vrijwaren. Indien lidstaten voorzien in sancties voor bijvoorbeeld laster of verspreiding van onjuiste informatie, kunnen deze sancties eveneens van toepassing te zijn op willens en wetens verrichte onjuiste meldingen of openbaarmakingen. Dergelijke sancties dienen evenredig te zijn, zodat zij geen afschrikkend effect op potentiële klokkenluiders hebben.

Amendement    80

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 80

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(80)  Deze richtlijn voert minimumnormen in en het dient de lidstaten vrij te staan regelingen in te voeren of te handhaven die gunstiger zijn voor de melder, mits dergelijke bepalingen geen afbreuk doen aan de maatregelen ter bescherming van de betrokkenen.

(80)  Deze richtlijn voert minimumnormen in en de lidstaten moeten vrij zijn en worden aangespoord om regelingen in te voeren of te handhaven die gunstiger zijn voor de melder. De omzetting van deze richtlijn vormt in geen geval een rechtvaardiging voor een verlaging van het algemene beschermingsniveau dat melders reeds geboden wordt uit hoofde van het nationaal recht in de gebieden waar het van toepassing is.

Amendement    81

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 82

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(82)  Het materiële toepassingsgebied van deze richtlijn is gebaseerd op de identificatie van gebieden waarop de invoering van bescherming van klokkenluiders op basis van het momenteel beschikbare bewijs gerechtvaardigd en noodzakelijk lijkt. Dit materiële toepassingsgebied kan worden uitgebreid naar andere gebieden of Uniehandelingen, als dit – in het licht van bewijs dat in de toekomst mogelijk naar voren komt of op grond van de evaluatie van de wijze waarop deze richtlijn is toegepast – nodig blijkt om de handhaving te versterken.

(82)  Het materiële toepassingsgebied van deze richtlijn is gebaseerd op de identificatie van gebieden waarop de invoering van bescherming van klokkenluiders op basis van het momenteel beschikbare bewijs gerechtvaardigd en noodzakelijk lijkt. Dit materiële toepassingsgebied kan worden uitgebreid naar andere gebieden of Uniehandelingen, als dit – in het licht van bewijs dat de Commissie moet blijven verzamelen en dat in de toekomst mogelijk naar voren komt of op grond van de evaluatie van de wijze waarop deze richtlijn is toegepast – nodig blijkt om de handhaving te versterken.

Amendement    82

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 84

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(84)  De doelstelling van deze richtlijn, namelijk klokkenluiders doeltreffend beschermen met het oog op sterkere handhaving op bepaalde beleidsterreinen en met betrekking tot bepaalde rechtshandelingen waarvoor geldt dat inbreuken op het Unierecht het algemeen belang ernstig kunnen schaden, kan niet afdoende worden bereikt als de lidstaten afzonderlijk of op een ongecoördineerde wijze optreden, maar kan beter worden verwezenlijkt als de Unie minimumnormen aanreikt voor een geharmoniseerde bescherming van klokkenluiders. Bovendien kan alleen optreden van de Unie voor samenhang zorgen en de bestaande regels van de Unie inzake de bescherming van klokkenluiders stroomlijnen. De EU kan derhalve maatregelen treffen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(84)  De doelstelling van deze richtlijn, namelijk klokkenluiders doeltreffend beschermen met het oog op sterkere handhaving op bepaalde beleidsterreinen en met betrekking tot bepaalde rechtshandelingen waarvoor geldt dat inbreuken op het Unierecht het algemeen belang kunnen schaden, kan niet afdoende worden bereikt als de lidstaten afzonderlijk of op een ongecoördineerde wijze optreden, maar kan beter worden verwezenlijkt als de Unie minimumnormen aanreikt voor een geharmoniseerde bescherming van klokkenluiders. Bovendien kan alleen optreden van de Unie voor samenhang zorgen en de bestaande regels van de Unie inzake de bescherming van klokkenluiders stroomlijnen. De EU kan derhalve maatregelen treffen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

Amendement    83

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 85

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(85)  Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze richtlijn moet derhalve worden toegepast overeenkomstig deze rechten en beginselen. Deze richtlijn beoogt met name de volledige eerbiediging te waarborgen van de vrijheid van meningsuiting en van informatie, het recht op bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op een hoog niveau van consumentenbescherming, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en de rechten van de verdediging.

(85)  Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en de beginselen die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 11. Deze richtlijn moet derhalve worden toegepast overeenkomstig deze rechten en beginselen door onder meer de volledige eerbiediging te waarborgen van de vrijheid van meningsuiting en van informatie, het recht op bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op een hoog niveau van consumentenbescherming, het recht op rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, het recht op een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid, het recht op een hoog niveau van milieubescherming, het recht op behoorlijk bestuur, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en de rechten van de verdediging. Er moet bijzondere aandacht worden besteed aan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), en met name artikel 10.

Amendement    84

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 85 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(85 bis)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de vrijheid van de lidstaten om dezelfde of vergelijkbare regels in te voeren voor inbreuken op het nationaal recht om te zorgen voor een samenhangend en alomvattend kader voor de bescherming van personen die inbreuken melden.

Amendement    85

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 85 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(85 ter)   Er moet bijzondere aandacht worden geschonken aan de resolutie van het Europees Parlement van 14 februari 2017 over de rol van klokkenluiders bij de bescherming van de financiële belangen van de EU, en aan de resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over legitieme maatregelen ter bescherming van klokkenluiders die handelen in het algemeen belang bij het onthullen van vertrouwelijke informatie van bedrijven en overheidsinstanties.

Amendement    86

Voorstel voor een richtlijn

Artikel -1 (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel -1

 

Voorwerp

 

Deze richtlijn heeft ten doel de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden te vergroten en de handhaving van dit recht met het oog op het algemeen belang te versterken, door te zorgen voor een hoog niveau van bescherming van vrijheden en grondrechten, en minimumnormen te stellen voor de bescherming van melders van onrechtmatige activiteiten of vormen van rechtsmisbruik op de in artikel 1 vermelde gebieden.

Amendement    87

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 1

Artikel 1

Materieel toepassingsgebied

Materieel toepassingsgebied

1.  Met het oog op een betere tenuitvoerlegging van het recht en het beleid van de Unie op specifieke gebieden, bevat deze richtlijn gemeenschappelijke minimumnormen voor de bescherming van melders van de navolgende onrechtmatige activiteiten of vormen van rechtsmisbruik:

1.  Deze richtlijn bevat gemeenschappelijke minimumnormen voor de bescherming van melders van de navolgende onrechtmatige activiteiten of vormen van rechtsmisbruik:

a)  inbreuken die binnen het toepassingsgebied vallen van de handelingen van de Unie als beschreven in de bijlage (delen I en II), met betrekking tot de volgende gebieden:

a)  inbreuken op handelingen van de Unie, onder meer de handelingen die zijn opgenomen in de bijlage (delen I en II) en de handelingen tot uitvoering ervan, die verband houden met de volgende gebieden:

i)  overheidsopdrachten;

i)  overheidsopdrachten;

ii)  financiële diensten en voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering1;

ii)  financiële diensten en voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering; 1

iii)  productveiligheid;

iii)  productveiligheid;

iv)  veiligheid van het vervoer;

iv)  productveiligheid;

v)  bescherming van het milieu;

v)  bescherming van het milieu;

vi)  nucleaire veiligheid;

vi)  nucleaire veiligheid;

vii)  veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, diergezondheid en dierenwelzijn;

vii)  veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, diergezondheid en dierenwelzijn;

viii)  volksgezondheid;

viii)  volksgezondheid;

ix)  consumentenbescherming;

ix)  consumentenbescherming;

x)  bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, beveiliging van netwerk- en informatiesystemen.

x)  bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, beveiliging van netwerk- en informatiesystemen. en

 

x bis)  werkgelegenheid, arbeidsvoorwaarden, werknemersrechten en het beginsel van gelijke kansen en behandeling van mannen en vrouwen op het werk.

b)  inbreuken op de artikelen 101, 102, 106, 107 en 108 VWEU en inbreuken die onder het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad en Verordening (EU) nr. 2015/1589 van de Raad vallen;

b)  inbreuken op de artikelen 101, 102, 106, 107 en 108 VWEU en inbreuken die onder het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad en Verordening (EU) nr. 2015/1589 van de Raad vallen;

c)  inbreuken waardoor de financiële belangen van de Unie als omschreven in artikel 325 VWEU en nader toegelicht in met name Richtlijn (EU) 2017/1371 en Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 worden geschaad;

c)  inbreuken waardoor de financiële belangen van de Unie als omschreven in artikel 325 VWEU en nader toegelicht in met name Richtlijn (EU) 2017/1371 en Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 worden geschaad;

d)  inbreuken in verband met de interne markt, als bedoeld in artikel 26, lid 2, VWEU, met betrekking tot handelingen die in strijd zijn met de regels van de vennootschapsbelasting of constructies die erop gericht zijn een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van het toepasselijke belastingrecht ondermijnt.

d)  inbreuken in verband met de interne markt, als bedoeld in artikel 26, lid 2, VWEU, met betrekking tot handelingen die in strijd zijn met de regels van de vennootschapsbelasting of constructies die erop gericht zijn een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van het toepasselijke belastingrecht ondermijnt.

2.  Indien de in deel 2 van de bijlage vermelde sectorspecifieke handelingen van de Unie specifieke regels inzake het melden van inbreuken bevatten, zijn die regels van toepassing. De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op alle zaken betreffende de bescherming van melders die niet in voornoemde sectorspecifieke handelingen van de Unie zijn geregeld.

2.  Indien de in deel 2 van de bijlage vermelde sectorspecifieke handelingen van de Unie specifieke regels inzake het melden van inbreuken bevatten, zijn die regels van toepassing. De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op alle zaken betreffende de bescherming van melders die niet in voornoemde sectorspecifieke handelingen van de Unie zijn geregeld.

________________

______________

1 ECON en LIBE exclusief bevoegd

1 ECON en LIBE exclusief bevoegd

Amendement    88

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 2

Artikel 2

Persoonlijk toepassingsgebied

Persoonlijk toepassingsgebied

1.  Deze richtlijn is van toepassing op melders die werkzaam zijn in de particuliere of publieke sector en die informatie over inbreuken hebben verkregen in een werkgerelateerde context, met inbegrip van ten minste de volgende personen:

1.  Deze richtlijn is van toepassing op melders en facilitators die te goeder trouw handelen, die werkzaam zijn in de particuliere of publieke sector en die informatie over inbreuken hebben verkregen in een werkgerelateerde context, met inbegrip van ten minste de volgende personen:

a)  personen met de status van werknemer in de zin van artikel 45 VWEU;

a)  personen met de status van werknemer, in overeenstemming met het nationaal recht en de nationale praktijk of in de zin van artikel 45 VWEU, met inbegrip van ambtenaren;

b)  personen met de status van zelfstandige als bedoeld in artikel 49 VWEU;

b)  personen met de status van zelfstandige als bedoeld in artikel 49 VWEU;

c)  aandeelhouders en personen die behoren tot het leidinggevend orgaan van een onderneming, met inbegrip van niet bij het dagelijks bestuur betrokken leden, vrijwilligers en onbezoldigde stagiairs;

c)  aandeelhouders en personen die behoren tot het leidinggevend orgaan van een onderneming, met inbegrip van niet bij het dagelijks bestuur betrokken leden, vrijwilligers en bezoldigde of onbezoldigde stagiairs;

d)  een ieder die werkt onder toezicht en leiding van aannemers, onderaannemers en leveranciers.

d)  een ieder die werkt onder toezicht en leiding van aannemers, onderaannemers, dienstverleners en leveranciers.

2.  Deze richtlijn is ook van toepassing op melders wier werkgerelateerde verhouding nog moet aanvangen, ingeval informatie over een breuk is verkregen tijdens de aanwervingsprocedure of andere precontractuele onderhandelingen.

2.  Deze richtlijn is ook van toepassing op melders die te goeder trouw handelen en wier werkgerelateerde verhouding nog moet aanvangen, ingeval informatie over een breuk is verkregen tijdens de aanwervingsprocedure of andere precontractuele onderhandelingen, alsmede op melders wier werkgerelateerde verhouding is beëindigd.

 

 

Amendement    89

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 3

Artikel 3

Definities

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

(1)  "inbreuken": feitelijke of mogelijke onrechtmatige activiteiten of vormen van rechtsmisbruik met betrekking tot de handelingen en beleidsterreinen van de Unie die binnen het in artikel 1 en de bijlage bedoelde toepassingsgebied vallen;

(1)  "inbreuken": feitelijke of mogelijke onrechtmatige activiteiten of vormen van rechtsmisbruik met betrekking tot de handelingen en beleidsterreinen van de Unie die binnen het in artikel 1 en de bijlage bedoelde toepassingsgebied vallen;

(2)  "onrechtmatige activiteiten": handelen of nalaten dat strijdig is met het Unierecht;

(2)  "onrechtmatige activiteiten": handelen of nalaten dat strijdig is met het Unierecht;

(3)  "rechtsmisbruik": handelen of nalaten dat binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt en kennelijk formeel niet onrechtmatig is, maar het doel of de toepassing van de toepasselijke regels ondermijnt;

(3)  "rechtsmisbruik": handelen of nalaten dat binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt en kennelijk formeel niet onrechtmatig is, maar het doel of de toepassing van de toepasselijke regels ondermijnt;

(4)  "informatie over inbreuken": bewijs over feitelijke inbreuken alsmede redelijke vermoedens over mogelijke inbreuken die zich nog niet hebben voorgedaan;

(4)  "informatie over inbreuken": bewijs over feitelijke inbreuken alsmede redelijke vermoedens over mogelijke inbreuken die zich nog niet hebben voorgedaan;

(5)  "melding": het verstrekken van informatie over een inbreuk die heeft plaatsgevonden of dreigt plaats te vinden binnen de organisatie waar de melder werkt of heeft gewerkt of binnen een organisatie waarmee hij uit hoofde van zijn werk in contact is geweest;

(5)  "melding": het verstrekken van informatie over een inbreuk die heeft plaatsgevonden of dreigt plaats te vinden binnen de organisatie waar de melder werkt of heeft gewerkt of binnen een organisatie waarmee hij uit hoofde van zijn werk in contact is geweest;

(6)  "interne melding": het binnen een publieke of private juridische entiteit verstrekken van informatie over inbreuken;

(6)  "interne melding": het binnen een publieke of private juridische entiteit verstrekken van informatie over inbreuken;

(7)  "externe melding": het aan de bevoegde autoriteiten verstrekken van informatie over inbreuken;

(7)  "externe melding": het aan de bevoegde autoriteiten verstrekken van informatie over inbreuken;

(8)  "openbaarmaking": het in het publieke domein brengen van in een werkgerelateerde context verkregen informatie over inbreuken;

(8)  "openbaarmaking": het in het publieke domein brengen van in een werkgerelateerde context verkregen informatie over inbreuken;

(9)  "melder": een natuurlijke persoon of rechtspersoon die informatie over inbreuken meldt of openbaar maakt die hij in de context van zijn werkgerelateerde activiteiten heeft verkregen;

(9)  "melder": een natuurlijke persoon of rechtspersoon die informatie over inbreuken meldt of openbaar maakt die hij in de context van zijn werkgerelateerde activiteiten heeft verkregen;

 

(9 bis)  "facilitator": een natuurlijke persoon die de melder bijstaat of helpt bij het meldproces in een werkgerelateerde context.

(10)  "werkgerelateerde context": huidige of vroegere arbeidsactiviteiten in de publieke of particuliere sector waardoor, ongeacht de aard van de activiteiten, personen informatie kunnen verkrijgen over inbreuken en waarbij deze personen te maken kunnen krijgen met represailles als zij deze inbreuken melden;

(10)  "werkgerelateerde context": huidige of vroegere arbeidsactiviteiten in de publieke of particuliere sector waardoor, ongeacht de aard van de activiteiten, personen informatie kunnen verkrijgen over inbreuken en waarbij deze personen te maken kunnen krijgen met represailles als zij deze inbreuken melden;

(11)  "betrokkene": een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de melding of bij de openbaarmaking wordt genoemd als persoon aan welke de inbreuk wordt toegeschreven of die met de inbreuk in verband wordt gebracht;

(11)  "betrokkene": een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de melding of bij de openbaarmaking wordt genoemd als persoon aan welke de inbreuk wordt toegeschreven of die met de inbreuk in verband wordt gebracht;

(12)  "represaille": een dreigend of feitelijk handelen of nalaten naar aanleiding van een interne of externe melding, dat binnen een werkgerelateerde context plaatsvindt en tot ongerechtvaardigde benadeling van de melder leidt of kan leiden;

(12)  "represaille": een dreigend of feitelijk, direct of indirect, handelen of nalaten naar aanleiding van een interne of externe melding of publieke openbaarmaking, dat binnen een werkgerelateerde context plaatsvindt en tot ongerechtvaardigde benadeling van de melder leidt of kan leiden;

(13)  "follow-up": optreden van de ontvanger van de interne of externe melding om de juistheid van de beweringen in de melding na te gaan en de gemelde inbreuk zo nodig aan te pakken, via maatregelen zoals intern vooronderzoek, vervolging, terugvordering van middelen en afsluiting;

(13)  "follow-up": optreden van de ontvanger van de interne of externe melding om de juistheid van de beweringen in de melding na te gaan en de gemelde inbreuk zo nodig aan te pakken, via maatregelen zoals intern vooronderzoek, vervolging, terugvordering van middelen en afsluiting;

(14)  "bevoegde autoriteit": een nationale autoriteit die gerechtigd is meldingen overeenkomstig hoofdstuk III te ontvangen en die is aangewezen om de in deze richtlijn vervatte plichten te vervullen, met name wat betreft de follow-up van de meldingen.

(14)  "bevoegde autoriteit": een nationale autoriteit die gerechtigd is meldingen overeenkomstig hoofdstuk III te ontvangen en die is aangewezen om de in deze richtlijn vervatte plichten te vervullen, met name wat betreft de follow-up van de meldingen;

 

(14 bis)  "te goeder trouw": de melder gaat er, in het licht van de omstandigheden en de informatie waarover hij op het moment van melding beschikt, redelijkerwijs vanuit dat de gemelde informatie juist is en binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn valt.

Amendement    90

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 4

Artikel 4

Verplichting tot het opzetten van interne kanalen en procedures voor melding en follow-up van meldingen

Verplichting tot het opzetten van interne kanalen en procedures voor melding en follow-up van meldingen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat juridische entiteiten in de particuliere en de publieke sector interne kanalen en procedures voor melding en follow-up van meldingen opzetten, na overleg met de sociale partners, indien van toepassing.

1.  De lidstaten zorgen er overeenkomstig nationale praktijken voor dat werkgevers en andere juridische entiteiten in de particuliere en de publieke sector interne kanalen en procedures voor melding en follow-up van meldingen opzetten, na overleg en in overeenstemming met de sociale partners.

2.  Dergelijke kanalen en procedures bieden de werknemers van de entiteit de mogelijkheid een melding te doen. Zij kunnen ook andere personen die in contact staan met de entiteit in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), c) en d), deze mogelijkheid bieden, maar het gebruik van interne kanalen voor melding is niet verplicht voor deze categorieën personen.

2.  Dergelijke kanalen en procedures bieden de werknemers van de entiteit de mogelijkheid een melding te doen. Zij bieden ook andere personen die in contact staan met de entiteit in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), c) en d), deze mogelijkheid. Deze meldingskanalen moeten duidelijk door de entiteit worden aangegeven en moeten zowel intern als extern gemakkelijk toegankelijk zijn.

3.  De in lid 1 bedoelde juridische entiteiten in de particuliere sector zijn:

3.  De in lid 1 bedoelde juridische entiteiten in de particuliere sector zijn:

a)  particuliere juridische entiteiten met 50 of meer werknemers;

a)  particuliere juridische entiteiten met 50 of meer werknemers;

b)  particuliere juridische entiteiten met een jaaromzet of jaarlijks balanstotaal van de groep van 10 miljoen EUR of meer;

b)  particuliere juridische entiteiten met een jaaromzet of jaarlijks balanstotaal van de groep van 10 miljoen EUR of meer;

c)  particuliere juridische entiteiten, ongeacht hun omvang, die actief zijn op het gebied van financiële diensten of kwetsbaar zijn waar het gaat om witwassen van geld of terrorismefinanciering, als geregeld krachtens de handelingen van de Unie waarnaar in de bijlage wordt verwezen.

c)  particuliere juridische entiteiten, ongeacht hun omvang, die actief zijn op het gebied van financiële diensten of kwetsbaar zijn waar het gaat om witwassen van geld of terrorismefinanciering, als geregeld krachtens de handelingen van de Unie waarnaar in de bijlage wordt verwezen.

 

3 bis.  In afwijking van de punten a) en b) van lid 3, mogen de lidstaten de volgende juridische entiteiten uitsluiten van de in lid 1 vermelde juridische entiteiten in de particuliere sector:

 

a)  particuliere juridische entiteiten met minder dan 250 werknemers;

 

b)  particuliere juridische entiteiten met een jaaromzet van maximaal 50 miljoen EUR, en/of een jaarlijks balanstotaal van maximaal 43 miljoen EUR.

4.  Na een passende risicobeoordeling, waarbij rekening wordt gehouden met de aard van de activiteiten van de entiteiten en het daaraan verbonden risiconiveau, kunnen lidstaten kleine particuliere juridische entiteiten, als omschreven in de aanbeveling van 6 mei 2003 van de Commissie62, voor zover deze niet worden bedoeld in lid 3, onder c), verplichten om kanalen en procedures voor interne meldingen op te zetten.

4.  Na een passende risicobeoordeling, waarbij rekening wordt gehouden met de aard van de activiteiten van de entiteiten en het daaraan verbonden risiconiveau voor, in het bijzonder, het milieu en de volksgezondheid, kunnen lidstaten kleine particuliere juridische entiteiten, als omschreven in de aanbeveling van 6 mei 2003 van de Commissie62, voor zover deze niet worden bedoeld in lid 3, onder c), verplichten om kanalen en procedures voor interne meldingen op te zetten.

5.  Ieder door een lidstaat uit hoofde van lid 4 genomen besluit wordt aan de Commissie gemeld, met een motivering en de in de risicobeoordeling gebruikte criteria. De Commissie stelt de overige lidstaten van dat besluit in kennis.

5.  Ieder door een lidstaat uit hoofde van lid 4 genomen besluit wordt aan de Commissie gemeld, met een motivering en de in de risicobeoordeling gebruikte criteria. De Commissie stelt de overige lidstaten van dat besluit in kennis.

6.  De in lid 1 bedoelde juridische entiteiten in de publieke sector zijn:

6.  De in lid 1 bedoelde juridische entiteiten in de publieke sector zijn:

a)  de nationale overheid;

a)  de nationale overheid;

b)  de regionale overheid en regionale diensten;

b)  de regionale overheid en regionale diensten;

c)  gemeenten met meer dan 10 000 inwoners;

c)  gemeenten met meer dan 10 000 inwoners;

d)  andere publiekrechtelijke entiteiten.

d)  andere publiekrechtelijke entiteiten.

_________________

_______________

62 Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

62 Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

Motivering

Gedetailleerde bepalingen inzake kanalen voor interne meldingen moeten een nationale bevoegdheid blijven voor lidstaten die in hun nationale wetgeving krachtige bepalingen hebben opgenomen.

Amendement    91

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 5

Artikel 5

Procedures voor interne meldingen en follow-up van meldingen

Procedures voor interne meldingen en follow-up van meldingen

1.  De procedures voor meldingen en follow-up van meldingen bedoeld in artikel 4 omvatten:

1.  De procedures voor meldingen en follow-up van meldingen bedoeld in artikel 4 omvatten:

a)  kanalen voor het ontvangen van meldingen die door hun ontwerp, opzet en beheer de geheimhouding van de identiteit van de melder waarborgen en waartoe niet-gemachtigde personeelsleden geen toegang hebben;

a)  kanalen voor het ontvangen van meldingen die door hun op veiligheid gerichte ontwerp, opzet en beheer de geheimhouding van de identiteit van de melder, de facilitators en de betrokkene waarborgen en waartoe niet-gemachtigde personeelsleden geen toegang hebben;

 

a bis)  een vertrouwelijke bevestiging van ontvangst van de melding aan de melder, binnen een termijn van ten hoogste zeven dagen na ontvangst;

b)  de aanwijzing van een persoon of een dienst die bevoegd is follow-up te geven aan de meldingen;

b)  de aanwijzing van een onpartijdige persoon of een onafhankelijke dienst die bevoegd is follow-up te geven aan de meldingen;

c)  een zorgvuldige follow-up van de melding door de aangewezen persoon of dienst;

c)  een zorgvuldige follow-up van de melding door de aangewezen persoon of dienst en, indien nodig, passend en tijdig optreden;

 

c bis)  zorgvuldige follow-up van anonieme meldingen;

d)  een redelijke termijn, van ten hoogste drie maanden vanaf de melding, om de melder feedback te geven over de follow-up van de melding;

d)  een redelijke termijn, van ten hoogste twee maanden vanaf de bevestiging van ontvangst van de melding, om de melder feedback te geven over de follow-up van de melding; Deze termijn kan worden verlengd tot vier maanden als de specifieke omstandigheden van een zaak hiertoe nopen, zoals met name wanneer de aard en complexiteit van het onderwerp van de melding wellicht een langdurig onderzoek vereisen.

 

d bis)  de mogelijkheid voor de melder om te worden geraadpleegd en commentaar te geven gedurende het onderzoek en de mogelijkheid dat deze commentaren in overweging worden genomen wanneer zij door de in punt b) vermelde persoon of dienst relevant worden geacht; en

e)  duidelijke en gemakkelijk toegankelijke informatie over de procedures en informatie over hoe en onder welke voorwaarden meldingen extern kunnen worden gedaan aan de krachtens artikel 13, lid 2, bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, aan organen en instanties van de Unie.

e)  duidelijke en gemakkelijk toegankelijke informatie over de procedures en informatie over hoe en onder welke voorwaarden meldingen extern kunnen worden gedaan aan de krachtens artikel 13, lid 2, bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, aan organen en instanties van de Unie.

2.  De in lid 1, onder a), bedoelde kanalen bieden de mogelijkheid om inbreuken te melden op elk van de volgende wijzen:

2.  De in lid 1, onder a), bedoelde kanalen bieden de mogelijkheid om inbreuken te melden op elk van de volgende wijzen:

a)  schriftelijke meldingen in elektronische vorm of op papier en/of mondelinge meldingen via een telefoonlijn, al dan niet met gespreksopname;

a)  schriftelijke meldingen in elektronische vorm of op papier en/of mondelinge meldingen via een telefoonlijn, of andere voicemailsystemen, al dan niet met gespreksopname met voorafgaande toestemming van de melder;

b)  fysieke ontmoetingen met de persoon of de dienst die is aangewezen voor de ontvangst van meldingen.

b)  fysieke ontmoetingen met de persoon of de dienst die is aangewezen voor de ontvangst van meldingen.

Meldingskanalen kunnen intern worden beheerd door een daartoe aangewezen persoon of dienst dan wel extern worden verzorgd door een derde, mits de in lid 1, onder a), bedoelde waarborgen en vereisten in acht worden genomen.

 

3.  De persoon of dienst bedoeld in lid 1, onder b), kan dezelfde zijn als die welke bevoegd is om de meldingen te ontvangen. Daarnaast kunnen vertrouwenspersonen worden aangewezen, aan wie melders en degenen die overwegen een melding te doen, vertrouwelijk advies kunnen vragen.

3.  De persoon of dienst bedoeld in lid 1, onder b), kan dezelfde zijn als die welke bevoegd is om de meldingen te ontvangen, op voorwaarde dat aan de vertrouwelijkheids- en onpartijdigheidsgaranties als bedoeld onder de punten a) en b) van lid 1 is voldaan. Daarnaast kunnen vertrouwenspersonen worden aangewezen, aan wie melders en degenen die overwegen een melding te doen, vertrouwelijk advies kunnen vragen.

 

3 bis.  De in artikel 4 vastgelegde procedures voor de melding en follow-up van meldingen waarborgt dat de melder of eenieder die overweegt een melding te doen het recht heeft om tijdens alle fasen van de procedure te worden begeleid door een werknemersvertegenwoordiger, ook tijdens de fysieke ontmoetingen als bedoeld in dit artikel.

Amendement    92

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 6

Artikel 6

Verplichting om kanalen voor externe melding op te zetten en follow-up te geven aan meldingen

Verplichting om kanalen voor externe melding op te zetten en follow-up te geven aan meldingen

1.  De lidstaten wijzen de autoriteiten aan die bevoegd zijn om meldingen te ontvangen en te behandelen.

1.  De lidstaten wijzen de autoriteiten aan die bevoegd zijn om meldingen te ontvangen en te behandelen.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten:

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten:

a)  onafhankelijke en autonome meldingskanalen opzetten, die veilig zijn en de geheimhouding waarborgen, voor het ontvangen en in behandeling nemen van door de melder verstrekte informatie;

a)  onafhankelijke en autonome meldingskanalen opzetten, die veilig zijn en de geheimhouding waarborgen, voor het ontvangen en in behandeling nemen van door de melder verstrekte informatie;

b)  de melder binnen een redelijke termijn, van ten hoogste drie maanden of in naar behoren gemotiveerde gevallen, zes maanden, feedback geven over de follow-up van de melding;

Schrappen

c)  de informatie in de melding naargelang van het geval aan de bevoegde organen of instanties van de Unie doorgeven voor verder onderzoek, indien het nationale recht of Unierecht hierin voorziet.

c)  de informatie in de melding naargelang van het geval aan de bevoegde organen of instanties van de Unie doorgeven voor verder onderzoek, indien het nationale recht of Unierecht hierin voorziet.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten follow-up aan de meldingen geven door de noodzakelijke maatregelen te nemen en, voor zover mogelijk, het voorwerp van de meldingen te onderzoeken. De bevoegde autoriteiten stellen de melder in kennis van het eindresultaat van het onderzoek.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten follow-up aan de meldingen geven door de noodzakelijke maatregelen te nemen en, voor zover mogelijk, het voorwerp van de meldingen te onderzoeken, en dat zij het recht hebben indien nodig passende corrigerende maatregelen te nemen. De bevoegde autoriteiten stellen de melder in kennis van het eindresultaat van het onderzoek.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat elke autoriteit die een melding heeft ontvangen, maar niet bevoegd is om de gemelde inbreuk aan te pakken, de melding doorzendt aan de bevoegde autoriteit en dat de melder hierover wordt geïnformeerd.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat elke autoriteit die een melding heeft ontvangen, maar niet bevoegd is om de gemelde inbreuk aan te pakken, de melding binnen een redelijke termijn doorzendt aan de bevoegde autoriteit op een veilige manier en met inachtneming van de desbetreffende gegevensbeschermings- en vertrouwelijkheidswetten en -regels. De melder wordt onverwijld over deze doorzending geïnformeerd.

Amendement    93

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 7

Artikel 7

Opzet van kanalen voor externe melding

Opzet van kanalen voor externe melding

1.  Specifieke kanalen voor externe melding worden als onafhankelijk en autonoom beschouwd, indien zij aan elk van de volgende criteria voldoen:

1.  Specifieke kanalen voor externe melding worden als onafhankelijk en autonoom beschouwd, indien zij aan elk van de volgende criteria voldoen:

a)  zij zijn gescheiden van de algemene communicatiekanalen van de bevoegde autoriteit, ook van de kanalen waarlangs de bevoegde autoriteit in het kader van haar normale dagelijkse activiteiten intern en met derden communiceert;

a)  zij zijn gescheiden van de algemene communicatiekanalen van de bevoegde autoriteit, ook van de kanalen waarlangs de bevoegde autoriteit in het kader van haar normale dagelijkse activiteiten intern en met derden communiceert;

b)  door hun ontwerp, opzet en beheer waarborgen de kanalen de volledigheid, integriteit en geheimhouding van de informatie en zijn zij niet toegankelijk voor niet-gemachtigde personeelsleden van de bevoegde autoriteit ;

b)  door hun ontwerp, opzet en beheer waarborgen de kanalen de volledigheid, integriteit en geheimhouding van de informatie, met inbegrip van de identiteit van de melder en de betrokkene, en zijn zij niet toegankelijk voor niet-gemachtigde personeelsleden van de bevoegde autoriteit ;

c)  zij bieden de mogelijkheid om, met het oog op verder onderzoek, informatie duurzaam op te slaan overeenkomstig artikel 11.

c)  zij bieden de mogelijkheid om, met het oog op verder onderzoek, informatie duurzaam op te slaan overeenkomstig artikel 11.

2.  De specifieke meldingskanalen bieden de mogelijkheid om een melding te doen op ten minste elk van de volgende wijzen:

2.  De specifieke meldingskanalen bieden de mogelijkheid om een melding te doen op ten minste elk van de volgende wijzen:

a)  schriftelijk, in elektronische vorm of op papier;

a)  schriftelijk, in elektronische vorm of op papier;

b)  mondeling, via een telefoonlijn, al of niet met gespreksopname;

b)  mondeling, via een telefoonlijn, al of niet met gespreksopname;

c)  tijdens een fysieke ontmoeting met personeelsleden van de bevoegde autoriteit die met de behandeling van meldingen zijn belast.

c)  tijdens een fysieke ontmoeting met personeelsleden van de bevoegde autoriteit die met de behandeling van meldingen zijn belast, indien de melder dit wenst, in aanwezigheid van een werknemersvertegenwoordiger.

3.  De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat een melding die op andere wijze dan via de specifieke meldingskanalen bedoeld in de leden 1 en 2 wordt ontvangen, via specifieke communicatiekanalen onverwijld en ongewijzigd wordt toegezonden aan de met de behandeling van meldingen belaste personeelsleden van de bevoegde autoriteit.

3.  De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat een melding die op andere wijze dan via de specifieke meldingskanalen bedoeld in de leden 1 en 2 wordt ontvangen, via specifieke communicatiekanalen onverwijld en ongewijzigd wordt toegezonden aan de met de behandeling van meldingen belaste personeelsleden van de bevoegde autoriteit.

4.  De lidstaten stellen procedures in om ervoor te zorgen dat als een melding aanvankelijk wordt gericht tot een persoon die niet is aangewezen als verantwoordelijk voor de behandeling van meldingen, deze persoon niet overgaat tot openbaarmaking van informatie aan de hand waarvan de melder of betrokkene zou kunnen worden geïdentificeerd.

4.  De lidstaten stellen procedures in om ervoor te zorgen dat als een melding aanvankelijk wordt gericht tot een persoon die niet is aangewezen als verantwoordelijk voor de behandeling van meldingen, deze persoon niet overgaat tot openbaarmaking van informatie aan de hand waarvan de melder of betrokkene zou kunnen worden geïdentificeerd.

Amendement    94

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 8

Artikel 8

Met de behandeling van meldingen belaste personeelsleden

Met de behandeling van meldingen belaste personeelsleden

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten beschikken over personeelsleden die specifiek belast zijn met de behandeling van meldingen. Deze personeelsleden worden specifiek opgeleid voor de behandeling van meldingen van inbreuken.

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten beschikken over een passend aantal bekwame personeelsleden die specifiek belast zijn met de behandeling van meldingen. Deze personeelsleden worden specifiek opgeleid voor de behandeling van meldingen en voldoen aan de vertrouwelijkheidsvereisten waarin deze richtlijn voorziet.

2.  De met de behandeling van meldingen belaste personeelsleden vervullen de volgende taken:

2.  De met de behandeling van meldingen belaste personeelsleden vervullen de volgende taken:

a)  het verstrekken van informatie aan belangstellenden over de meldingsprocedures;

a)  het verstrekken van informatie aan belangstellenden over de meldingsprocedures;

b)  het ontvangen van en follow-up geven aan meldingen;

b)  het ontvangen van en follow-up geven aan meldingen. Zij bepalen of de melding onder het toepassingsgebied van de richtlijn valt.

c)  het onderhouden van contact met de melder om deze te informeren over de vooruitgang en het resultaat van het onderzoek.

c)  het onderhouden van contact met de melder om deze te informeren over de vooruitgang en het resultaat van het onderzoek.

Amendement    95

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 9

Artikel 9

Procedures voor externe melding

Procedures voor externe melding

1.  De procedures voor externe meldingen bepalen:

1.  De procedures voor externe meldingen voorzien in:

a)  de wijze waarop de bevoegde autoriteit de melder kan verzoeken om de gemelde informatie toe te lichten of de aanvullende informatie waarover hij beschikt, te verstrekken;

a)  de wijze waarop de bevoegde autoriteit de melder kan verzoeken om de gemelde informatie toe te lichten of de aanvullende informatie waarover hij beschikt, te verstrekken;

 

a bis)  een vertrouwelijke bevestiging van ontvangst van de melding aan de melder, binnen een termijn van ten hoogste zeven dagen na ontvangst;

b)  een redelijke termijn, van ten hoogste drie maanden of, in naar behoren gemotiveerde gevallen, zes maanden, om de melder feedback te geven over de follow-up van de melding en over de aard en inhoud van deze feedback;

b)  een redelijke termijn, van ten hoogste twee maanden na de bevestiging van ontvangst van de melding, voor de zorgvuldige follow-up van de melding, indien nodig onder meer door passende maatregelen te nemen en onderzoeken naar het voorwerp van de melding te verrichten, en om de melder feedback te geven over de follow-up van de melding en over de aard en inhoud van deze feedback; Deze termijn kan in naar behoren gemotiveerde gevallen worden verlengd tot vier maanden;

 

b bis)  follow-up van anonieme meldingen in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen uit hoofde van het nationaal recht.

c)  de geheimhoudingsregels die van toepassing zijn op meldingen, met inbegrip van een gedetailleerde beschrijving van de omstandigheden waaronder de vertrouwelijke gegevens van een melder openbaar mogen worden gemaakt.

c)  de geheimhoudingsregels die van toepassing zijn op meldingen, met inbegrip van een gedetailleerde beschrijving van de omstandigheden waaronder de vertrouwelijke gegevens van een melder en van een betrokkene openbaar mogen worden gemaakt.

 

c bis)  de mogelijkheid voor de melder om te worden geraadpleegd en commentaar te geven gedurende het onderzoek en de mogelijkheid dat deze commentaren in overweging worden genomen wanneer zij door de bevoegde autoriteit relevant worden geacht.

2.  De gedetailleerde beschrijving bedoeld in lid 1, onder c), omvat de uitzonderlijke gevallen waarin de geheimhouding van persoonsgegevens niet kan worden gewaarborgd, zoals wanneer de openbaarmaking van gegevens een noodzakelijke en evenredige verplichting is die door de wetgeving van de Unie of door nationale wetgeving wordt opgelegd in het kader van een onderzoek of daaropvolgende gerechtelijke procedures dan wel ter bescherming van de vrijheden van anderen, zoals het recht op verdediging van de betrokkene, waarbij telkens passende waarborgen krachtens die wetgeving van toepassing zijn.

2.  De gedetailleerde beschrijving bedoeld in lid 1, onder c), omvat de uitzonderlijke gevallen waarin de geheimhouding van persoonsgegevens niet kan worden gewaarborgd, zoals wanneer de openbaarmaking van gegevens een noodzakelijke en evenredige verplichting is die door de wetgeving van de Unie of door nationale wetgeving wordt opgelegd in het kader van een onderzoek of daaropvolgende gerechtelijke procedures dan wel ter bescherming van de vrijheden van anderen, zoals het recht op verdediging van de betrokkene, waarbij telkens passende waarborgen krachtens die wetgeving van toepassing zijn.

3.  De gedetailleerde beschrijving bedoeld in lid 1, onder c), moet duidelijk en eenvoudig te begrijpen zijn en goed toegankelijk zijn voor de melders.

3.  De gedetailleerde beschrijving bedoeld in lid 1, onder c), moet duidelijk en eenvoudig te begrijpen zijn en goed toegankelijk zijn voor de melders.

Amendement    96

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 10

Artikel 10

Informatie over de ontvangst en follow-up van meldingen

Informatie over de ontvangst en follow-up van meldingen

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten in een afzonderlijke, gemakkelijk herkenbare en toegankelijke rubriek op hun website in elk geval de volgende informatie publiceren:

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten in een afzonderlijke, gemakkelijk herkenbare en toegankelijke rubriek op hun website in elk geval de volgende informatie publiceren:

a)  de voorwaarden waaronder melders in aanmerking komen voor bescherming krachtens deze richtlijn;

a)  de voorwaarden waaronder melders in aanmerking komen voor bescherming krachtens deze richtlijn;

b)  de communicatiekanalen voor het ontvangen van en follow-up geven aan meldingen;

b)  de communicatiekanalen voor het ontvangen van en follow-up geven aan meldingen;

i)  de telefoonnummers, met de vermelding of de gesprekken bij gebruik van die telefoonlijnen al dan niet worden opgenomen;

i)  de telefoonnummers, met de vermelding of de gesprekken bij gebruik van die telefoonlijnen al dan niet worden opgenomen;

ii)  specifieke elektronische en postadressen, die veilig zijn en geheimhouding waarborgen, om contact op te nemen met de personeelsleden die met de behandeling van meldingen zijn belast;

ii)  specifieke elektronische en postadressen, die veilig zijn en geheimhouding waarborgen, om contact op te nemen met de personeelsleden die met de behandeling van meldingen zijn belast;

c)  de procedures die van toepassing zijn bij meldingen van inbreuken als bedoeld in artikel 9;

c)  de procedures die van toepassing zijn bij meldingen van inbreuken als bedoeld in artikel 9;

d)  de geheimhoudingsregels die van toepassing zijn op meldingen, en met name de informatie over de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) 2016/679, artikel 13 van Richtlijn (EU) 2016/680 en artikel 11 van Verordening (EG) nr. 45/2001, naargelang van het geval.

d)  de geheimhoudingsregels die van toepassing zijn op meldingen, en met name de informatie over de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig de artikelen 5 en 13 van Verordening (EU) 2016/679, artikel 13 van Richtlijn (EU) 2016/680 en artikel 11 van Verordening (EG) nr. 45/2001, naargelang van het geval.

e)  de soort follow-up die meldingen moeten krijgen;

e)  de soort follow-up die meldingen moeten krijgen;

f)  de beschikbare rechtsmiddelen en procedures tegen represailles en de mogelijkheden om vertrouwelijk advies te ontvangen voor personen die overwegen tot melding over te gaan;

f)  de beschikbare rechtsmiddelen en procedures tegen represailles en de mogelijkheden om vertrouwelijk advies te ontvangen voor personen die overwegen tot melding over te gaan;

g)  een verklaring waarin duidelijk wordt uitgelegd dat personen die overeenkomstig deze richtlijn informatie aan de bevoegde autoriteiten verstrekken, niet geacht worden inbreuk te maken op enige bij overeenkomst of bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking van de openbaarmaking van informatie, en dat deze personen op geen enkele wijze aansprakelijk mogen worden gesteld in verband met deze openbaarmaking.

g)  een verklaring waarin duidelijk wordt uitgelegd dat personen die overeenkomstig deze richtlijn informatie aan de bevoegde autoriteiten verstrekken, niet geacht worden inbreuk te maken op enige bij overeenkomst of bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking van de openbaarmaking van informatie, en dat deze personen op geen enkele wijze aansprakelijk mogen worden gesteld in verband met deze openbaarmaking.

 

g bis)   een jaarverslag over de ontvangen meldingen en de behandeling ervan, met eerbiediging van de vertrouwelijkheidsvereisten van mogelijk lopende onderzoeken;

 

g ter)  contactinformatie van de onafhankelijke administratieve autoriteit als bedoeld in artikel 14 bis.

Amendement    97

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 11

Artikel 11

Registratie van ontvangen meldingen

Registratie van ontvangen meldingen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten een register bijhouden van elke ontvangen melding.

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten een register bijhouden van elke ontvangen melding, in overeenstemming met de in deze richtlijn vastgelegde vertrouwelijkheidsvereisten. De registers worden niet langer bewaard dan met het oog op de meldingsprocedure noodzakelijk en evenredig is en zij worden gewist zodra de meldingsprocedure is voltooid. De in deze registers opgenomen persoonsgegevens worden behandeld overeenkomstig de Uniewetgeving inzake gegevensbescherming.

2.  De bevoegde autoriteiten zenden onverwijld een bevestiging van ontvangst van een schriftelijke melding naar het post- of e-mailadres dat door de melder is opgegeven, tenzij de betrokkene hiertegen uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt of de bevoegde autoriteit op redelijke gronden van oordeel is dat de bevestiging van ontvangst van een schriftelijke melding afbreuk zou doen aan de bescherming van de identiteit van de melder.

2.  De bevoegde autoriteiten en de juridische entiteiten van de particuliere en de publieke sector zenden onverwijld een bevestiging van ontvangst van een schriftelijke melding naar het post- of e-mailadres dat door de melder is opgegeven, tenzij de melder hiertegen uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt of de bevoegde autoriteit op redelijke gronden van oordeel is dat de bevestiging van ontvangst van een schriftelijke melding afbreuk zou doen aan de bescherming van de identiteit van de melder.

3.  Wanneer voor het melden een telefoonlijn met gespreksopname wordt gebruikt, met instemming van de melder, heeft de bevoegde autoriteit het recht om de mondelinge melding te registreren op een van de navolgende wijzen:

3.  Wanneer voor het melden een telefoonlijn met gespreksopname wordt gebruikt, met instemming van de melder, en op voorwaarde dat wordt voldaan aan de vertrouwelijkheidseisen uit hoofde van deze richtlijn, en met inachtneming van de nodige vertrouwelijkheid, registreren de bevoegde autoriteiten en de juridische entiteiten van de particuliere en de publieke sector de mondelinge melding op een van de navolgende wijzen:

a)  een opname van het gesprek in een duurzame, opvraagbare vorm; of

a)  een opname van het gesprek in een duurzame, opvraagbare vorm; of

b)  een volledige en nauwkeurige schriftelijke weergave van het gesprek, opgesteld door de met de behandeling van meldingen belaste personeelsleden van de bevoegde autoriteit.

b)  een volledige en nauwkeurige schriftelijke weergave van het gesprek, opgesteld door de met de behandeling van meldingen belaste personeelsleden van de bevoegde autoriteit.

De bevoegde autoriteit biedt de melder de mogelijkheid de schriftelijke weergave van het telefoongesprek te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.

De bevoegde autoriteiten en de juridische entiteiten van de particuliere en de publieke sector bieden de melder de mogelijkheid het transcript van het telefoongesprek te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.

4.  Wanneer voor de melding een telefoonlijn zonder gespreksopname wordt gebruikt, heeft de bevoegde autoriteit het recht om de mondelinge melding te registreren in de vorm van een nauwkeurig verslag van het gesprek, opgesteld door de met de behandeling van meldingen belaste personeelsleden. De bevoegde autoriteit biedt de melder de mogelijkheid het verslag van het telefoongesprek te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.

4.  Wanneer een telefoonlijn zonder gespreksopname wordt gebruikt voor het melden van inbreuken, registreren de bevoegde autoriteiten en de juridische entiteiten van de particuliere en de publieke sector de mondelinge melding in de vorm van een nauwkeurig verslag van het gesprek, opgesteld door de met de behandeling van meldingen belaste personeelsleden. De bevoegde autoriteiten en de juridische entiteiten van de particuliere en de publieke sector bieden de melder de mogelijkheid het transcript van het telefoongesprek te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.

5.  Wanneer een persoon verzoekt om een bijeenkomst met de met de behandeling van meldingen belaste personeelsleden van de bevoegde autoriteit om een melding te verrichten overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder c), zorgen de bevoegde autoriteiten ervoor, mits de melder hiermee instemt, dat een volledig en nauwkeurig verslag van de bijeenkomst wordt bijhouden in een duurzame en opvraagbare vorm. De bevoegde instantie heeft het recht om het verslag van de bijeenkomst te registreren door middel van:

5.  Wanneer een persoon verzoekt om een bijeenkomst met de met de behandeling van meldingen belaste personeelsleden van de bevoegde autoriteiten of van de juridische entiteiten van de particuliere en de publieke sector om een melding te verrichten overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder c), zorgen de bevoegde autoriteiten en de juridische entiteiten van de particuliere en de publieke sector ervoor, mits de melder hiermee instemt, dat een volledig en nauwkeurig verslag van de bijeenkomst wordt bijgehouden in een duurzame en opvraagbare vorm. De bevoegde autoriteiten en de juridische entiteiten van de particuliere en de publieke sector registreren het verslag van de bijeenkomst door middel van:

a)  een opname van het gesprek in een duurzame, opvraagbare vorm; of

a)  een opname van het gesprek in een duurzame, opvraagbare vorm; of

b)  volledige en nauwkeurige notulen van de bijeenkomst, opgesteld door de met de behandeling van meldingen belaste personeelsleden van de bevoegde autoriteit.

b)  volledige en nauwkeurige notulen van de bijeenkomst, opgesteld door de met de behandeling van meldingen belaste personeelsleden van de bevoegde autoriteit en van de juridische entiteiten van de particuliere en de publieke sector.

De bevoegde autoriteit biedt de melder de mogelijkheid het verslag van de bijeenkomst te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.

De bevoegde autoriteiten en de juridische entiteiten van de particuliere en de publieke sector bieden de melder de mogelijkheid het transcript van de bijeenkomst te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.

 

5 bis.  Wanneer de vraag van openbaarmaking als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder c) zich voordoet, stellen de bevoegde autoriteiten de melder hiervan op de hoogte en sturen hem een schriftelijke motivering voor de openbaarmaking van de desbetreffende vertrouwelijke gegevens. De melder krijgt de mogelijkheid om de motivering te controleren, te rectificeren, en in te stemmen met de gronden voor openbaarmaking.

 

Amendement    98

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 13

Artikel 13

Voorwaarden voor de bescherming van de melders

Voorwaarden voor de bescherming van de melders

1.  Een melder komt in aanmerking voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn als hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de gemelde informatie juist was op het moment van melding en dat deze informatie binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn valt.

1.  Een melder die een interne of externe melding of beide verricht komt in aanmerking voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn als hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de gemelde informatie juist was op het moment van melding en dat deze informatie binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn valt.

2.  Een melder die een externe melding verricht, komt in aanmerking voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn als een van de volgende voorwaarden is vervuld:

 

a)  de melder heeft eerst een interne melding gedaan, maar naar aanleiding daarvan zijn geen passende maatregelen genomen binnen de redelijke termijn bedoeld in artikel 5;

 

b)  er stonden de melder geen kanalen voor interne melding ter beschikking of de melder kon niet redelijkerwijs worden geacht op de hoogte te zijn van de beschikbaarheid van dergelijke kanalen;

 

c)  het gebruik van kanalen voor interne meldingen was niet verplicht voor de melder, overeenkomstig artikel 4, lid 2,

 

d)  de melder kon niet redelijkerwijs worden geacht gebruik te maken van kanalen voor interne melding, gezien de inhoud van de melding;

 

e)  de melder had gerede gronden om aan te nemen dat het gebruik van kanalen voor interne melding de doeltreffendheid van onderzoeksacties door bevoegde autoriteiten in gevaar zou kunnen brengen;

 

f)   de melder was op grond van Unierecht gerechtigd om de melding direct via externe meldingskanalen tot een bevoegde autoriteit te richten.

 

3.  Een persoon die inbreuken die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, meldt aan de relevante organen of instanties van de Unie, komt in aanmerking voor bescherming als neergelegd in deze richtlijn onder dezelfde voorwaarden als iemand die een externe melding heeft gedaan overeenkomstig de in lid 2 vastgestelde voorwaarden.

3.  Een persoon die inbreuken die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, meldt aan de relevante organen of instanties van de Unie, komt in aanmerking voor bescherming als neergelegd in deze richtlijn onder dezelfde voorwaarden als iemand die een melding heeft gedaan overeenkomstig de in lid 1 vastgestelde voorwaarden.

4.  Een persoon die informatie openbaar maakt over inbreuken die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, komt in aanmerking voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn als:

4.  Een persoon die informatie openbaar maakt over inbreuken die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, komt in aanmerking voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn als:

a)  hij eerst een interne en/of externe melding heeft verricht overeenkomstig de hoofdstukken II en III en lid 2 van dit artikel, maar er naar aanleiding van die melding geen passende maatregelen werden genomen binnen de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, lid 2, onder b), en artikel 9, lid 1, onder b); of

a)  hij eerst een interne en/of externe melding heeft verricht overeenkomstig de hoofdstukken II en III en lid 2 van dit artikel, maar er naar aanleiding van die melding geen passende maatregelen werden genomen binnen de redelijke termijn bedoeld in artikel 5, lid 1, onder d), en artikel 9, lid 1, onder b); of

b)   hij niet redelijkerwijs kon worden geacht gebruik te maken van kanalen voor interne en/of externe melding, wegens dreigend of manifest gevaar voor het algemeen belang, de bijzondere omstandigheden van de zaak of een risico op onherstelbare schade.

b)   hij redelijke gronden heeft om te geloven dat hij niet redelijkerwijs kon worden geacht gebruik te maken van kanalen voor interne en/of externe melding, bijvoorbeeld wegens dreigend of manifest gevaar voor het algemeen belang, de bijzondere omstandigheden van de zaak of een risico op onherstelbare schade, zoals .in gevallen waarin melders gegronde redenen hebben om aan te nemen dat de pleger van de inbreuk en de bevoegde autoriteit samenspannen, of dat er sprake is van directe of indirecte betrokkenheid van de desbetreffende externe autoriteiten bij de vermeende wanpraktijken, of dat bewijs kan worden verhuld of vernietigd, of wanneer er sprake is van een noodsituatie of een risico op onherstelbare schade.

 

4 bis.  De melder van een anonieme melding van wie de identiteit in een later stadium bekend wordt, komt in aanmerking voor de uit hoofde van deze richtlijn geboden bescherming, onder dezelfde voorwaarden als melders van wie de identiteit bij de melding of de openbaarmaking al bekend was.

Amendement    99

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 14

Artikel 14

Verbod op represailles tegen melders

Verbod op represailles tegen melders

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om elke vorm van directe of indirecte represailles tegen melders die voldoen aan de voorwaarden van artikel 13 te verbieden, waarbij het met name gaat om:

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om elke vorm van directe of indirecte represailles tegen melders die voldoen aan de voorwaarden van artikel 13, tegen personen die voornemens zijn een melding te doen of tegen facilitators, te verbieden, waarbij het met name gaat om:

a)  schorsing, ontslag of soortgelijke maatregelen;

a)  schorsing, ontslag of soortgelijke maatregelen;

b)  degradatie of weigering van bevordering;

b)  degradatie of weigering van bevordering;

c)  overdracht van taken, verandering van locatie van de arbeidsplaats, loonsverlaging, verandering van de werktijden;

c)  overdracht van taken, verandering van locatie van de arbeidsplaats, loonsverlaging, verandering van de werktijden;

d)  weigering van opleiding;

d)  weigering van opleiding;

e)  negatieve prestatiebeoordeling of arbeidsreferentie;

e)  negatieve prestatiebeoordeling of arbeidsreferentie;

f)  opleggen of toepassen van een disciplinaire maatregel, berisping of andere sanctie, zoals een financiële sanctie;

f)  opleggen of toepassen van een disciplinaire maatregel, berisping of andere sanctie, zoals een financiële sanctie;

g)  dwang, intimidatie, pesterijen en uitsluiting op het werk;

g)  dwang, intimidatie, pesterijen en uitsluiting;

h)  discriminatie, benadeling of ongelijke behandeling;

h)  discriminatie, benadeling of ongelijke behandeling;

i)  niet-omzetting van een tijdelijke arbeidsovereenkomst in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;

i)  niet-omzetting van een tijdelijke arbeidsovereenkomst in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;

j)  niet-verlenging of vroegtijdige beëindiging van een tijdelijke arbeidsovereenkomst;

j)  niet-verlenging of vroegtijdige beëindiging van een tijdelijke arbeidsovereenkomst;

k)  schade, met inbegrip van reputatieschade, of financieel verlies, met inbegrip van omzetderving en inkomstenderving;

k)  schade, met inbegrip van reputatieschade, met name op social media, of financieel verlies, met inbegrip van omzetderving en inkomstenderving;

l)  opname op een zwarte lijst op basis van een informele of formele overeenkomst voor een hele sector of bedrijfstak, waardoor de melder geen baan meer vindt in de sector of bedrijfstak;

l)  opname op een zwarte lijst op basis van een informele of formele overeenkomst voor een hele sector of bedrijfstak, waardoor de melder geen baan meer vindt in de sector of bedrijfstak;

m)  vroegtijdige beëindiging of opzegging van een contract voor de levering van goederen of diensten;

m)  vroegtijdige beëindiging of opzegging van een contract voor de levering van goederen of diensten als gevolg van de melding uit hoofde van deze richtlijn;

n)  intrekking van een vergunning of machtiging.

n)  intrekking van een vergunning of machtiging;

 

n bis)  verplichte psychiatrische of medische verwijzingen;

 

n ter)  opheffing of intrekking van veiligheidsmachtiging;

Amendement    100

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 14 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 14 bis

 

Begeleiding van de melder door een onafhankelijke derde

 

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de melder of de persoon die voornemens is een melding te doen of bepaalde informatie openbaar te maken tijdens deze procedure ondersteuning geboden wordt. Bij de ondersteuning wordt de identiteit van de in dit lid bedoelde personen geheimgehouden. De ondersteuning kan met name bestaan uit:

 

a)  onpartijdig, vertrouwelijk en kosteloos advies, met name met betrekking tot het toepassingsgebied van deze richtlijn, de meldingswijzen en de aan de melder geboden bescherming, alsmede de rechten van de betrokkene;

 

b)  juridisch advies in geval van geschil, overeenkomstig artikel 15, lid 8;

 

c)  psychologische ondersteuning, overeenkomstig artikel 15, lid 8.

 

2.  Deze ondersteuning kan worden verstrekt door een informatiecentrum of één duidelijk gedefinieerde en onafhankelijke administratieve autoriteit.

Amendement    101

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 14 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 14 ter

 

De verplichting tot geheimhouding van de identiteit van melders

 

1. De identiteit van de melder mag niet openbaar worden gemaakt zonder zijn uitdrukkelijke toestemming. Deze vertrouwelijkheidsvereiste is eveneens van toepassing op informatie die kan worden gebruikt voor de vaststelling van de identiteit van de melder.

 

2. Eenieder die de in lid 1 van dit artikel bedoelde gegevens in bezit krijgt, is gehouden tot bescherming van die gegevens.

 

3. De betrokkenen heeft onder geen enkele voorwaarde het recht informatie te verkrijgen over de identiteit van de melder.

 

4. Omstandigheden waaronder de vertrouwelijke gegevens van een melder openbaar mogen worden gemaakt, zijn beperkt tot de gevallen waarin de openbaarmaking van gegevens een noodzakelijke en evenredige verplichting is uit hoofde van het nationale of Unierecht in het kader van een onderzoek of een daaropvolgende gerechtelijke procedure dan wel ter bescherming van de vrijheden van anderen, zoals het recht op verdediging van de betrokkene, waarbij telkens passende waarborgen krachtens die wetgeving van toepassing zijn.

 

5. In de in lid 3 bedoelde gevallen stelt de persoon die is aangewezen om de melding te ontvangen en daaraan follow-up te geven, de melder in kennis voordat zijn vertrouwelijke gegevens worden openbaar gemaakt.

 

6. De kanalen voor interne en externe melding waarborgen door hun ontwerp, opzet en beheer de geheimhouding van de identiteit van de melder en voorkomen de toegang van niet-gemachtigde personeelsleden; 

Amendement    102

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 15

Artikel 15

Maatregelen voor de bescherming van melders tegen represailles

Maatregelen voor de bescherming van melders en facilitators tegen represailles

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat melders die voldoen aan de in artikel 13 genoemde voorwaarden worden beschermd tegen represailles. Daarbij gaat het met name om de in de leden 2 tot en met 8 genoemde maatregelen.

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat melders die voldoen aan de in artikel 13 genoemde voorwaarden worden beschermd tegen represailles. Daarbij gaat het met name om de in de leden 2 tot en met 8 genoemde maatregelen.

2.   Volledige en onafhankelijke informatie en adviezen over de beschikbare rechtsmiddelen en procedures die bescherming bieden tegen represailles, dienen gemakkelijk toegankelijk te zijn voor het publiek.

2.   Volledige en onafhankelijke informatie en adviezen over de beschikbare rechtsmiddelen en procedures die bescherming bieden tegen represailles, dienen gemakkelijk toegankelijk te zijn voor het publiek.

3.  Melders hebben toegang tot effectieve bijstand van bevoegde autoriteiten ten aanzien van elke autoriteit die betrokken is bij de bescherming van de melder tegen represailles, onder meer door, voor zover de nationale wetgeving daarin voorziet, het feit te bekrachtigen dat zij in aanmerking komen voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn.

3.  Melders en facilitators hebben toegang tot effectieve bijstand van bevoegde autoriteiten ten aanzien van elke autoriteit die betrokken is bij de bescherming van de melder tegen represailles, onder meer door, voor zover de nationale wetgeving daarin voorziet, het feit te bekrachtigen dat zij in aanmerking komen voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn.

4.  Een persoon die overgaat tot een externe melding aan de bevoegde autoriteit of tot een openbaarmaking overeenkomstig deze verordening, wordt niet geacht inbreuk te hebben gemaakt op enige beperking op de openbaarmaking van informatie zoals vastgesteld in een overeenkomst, of zoals neergelegd in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, en een dergelijke openbaarmaking brengt voor de melder generlei aansprakelijkheid met zich mee.

4.  Een persoon die overgaat tot een externe melding aan de bevoegde autoriteit of tot een openbaarmaking overeenkomstig deze verordening, wordt niet geacht inbreuk te hebben gemaakt op enige beperking op de openbaarmaking van informatie zoals vastgesteld in een overeenkomst, of zoals neergelegd in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, en een dergelijke openbaarmaking brengt voor de melder generlei aansprakelijkheid met zich mee.

5.  In gerechtelijke procedures in verband met benadeling waarmee de melder te maken heeft gekregen, is het, gesteld dat de melder redelijke gronden aanvoert om aan te nemen dat de benadeling een represaille was voor de melding of openbaarmaking, aan de persoon die de represaillemaatregel heeft genomen om aan te tonen dat de benadeling geen gevolg was van de melding, maar uitsluitend was gebaseerd op naar behoren gemotiveerde gronden.

5.  In gerechtelijke procedures in verband met benadeling waarmee de melder te maken heeft gekregen, is het, gesteld dat de melder redelijke gronden aanvoert om aan te nemen dat de benadeling een represaille was voor de melding of openbaarmaking, aan de persoon die de represaillemaatregel heeft genomen om aan te tonen dat de benadeling geen gevolg was van de melding of publieke openbaarmaking, maar uitsluitend was gebaseerd op naar behoren gemotiveerde gronden.

6.  Melders hebben passende toegang tot herstelmaatregelen in verband met represailles, met inbegrip van maatregelen in kort geding, in afwachting van de voltooiing van gerechtelijke procedures, overeenkomstig het nationale kader.

6.  Melders en facilitators hebben passende toegang tot herstelmaatregelen in verband met represailles, met inbegrip van maatregelen in kort geding, in afwachting van de voltooiing van gerechtelijke procedures, overeenkomstig het nationale kader.

7.   Naast de in Richtlijn (EU) 2016/943 geregelde vrijstelling van maatregelen, procedures en rechtsmiddelen, hebben melders in gerechtelijke procedures, onder meer wegens laster, schending van auteursrechten, schending van de geheimhoudingsplicht of wegens verzoeken om schadeloosstelling op grond van privaatrecht, publiekrecht of collectief arbeidsrecht, het recht te verzoeken om ongegrondverklaring op grond van het feit dat zij de melding of openbaarmaking overeenkomstig deze richtlijn hebben verricht.

7.   Naast de in Richtlijn (EU) 2016/943 geregelde vrijstelling van maatregelen, procedures en rechtsmiddelen, hebben melders in gerechtelijke procedures, onder meer wegens laster, schending van auteursrechten, schending van de geheimhoudingsplicht of wegens verzoeken om schadeloosstelling op grond van privaatrecht, publiekrecht of collectief arbeidsrecht, het recht te verzoeken om ongegrondverklaring op grond van het feit dat zij de melding of openbaarmaking overeenkomstig deze richtlijn hebben verricht. De lidstaten nemen eveneens de nodige maatregelen om dit recht te verzoeken om ongegrondverklaring uit te breiden naar individuele leden van maatschappelijke organisaties wanneer zij in betrokken zijn bij een melding.

8.  Naast het verlenen van rechtsbijstand aan melders in strafrechtelijke procedures en in grensoverschrijdende civiele procedures overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/1919 en Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad63, en overeenkomstig de nationale wetgeving, kunnen de lidstaten voorzien in verdere maatregelen om melders juridische en financiële bijstand en steun te bieden in het kader van een gerechtelijke procedure.

8.  Naast het verlenen van rechtsbijstand aan melders in strafrechtelijke procedures en in grensoverschrijdende civiele procedures overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/1919 en Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad63, en overeenkomstig de nationale wetgeving, kunnen de lidstaten voorzien in verdere maatregelen om melders juridische en financiële bijstand en steun te bieden, met inbegrip van psychologische ondersteuning, in het kader van een gerechtelijke procedure.

________________

________________

63 Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken (PB L 136 van 24.5.2008, blz. 3).

63 Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken (PB L 136 van 24.5.2008, blz. 3).

Amendement    103

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 15 bis

 

Corrigerende maatregelen

 

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om rechtsmiddelen en volledige vergoeding te waarborgen voor melders die voldoen aan de in artikel 13 vastgelegde voorwaarden. Dergelijke corrigerende maatregelen onderzoekingen kunnen de volgende vorm aannemen:

 

a) re-integratie;

 

b) herstel van een opgezegde vergunning, machtiging of overeenkomst;

 

c) vergoeding voor concrete of toekomstige financiële verliezen;

 

d) vergoeding voor andere economische schade of immateriële schade.

Amendement    104

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 16 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Als de identiteit van de betrokkenen niet bekend is bij het publiek, zorgen de bevoegde autoriteiten ervoor dat hun identiteit wordt beschermd zolang het onderzoek loopt.

2.  De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de identiteit van de betrokkene wordt beschermd zolang het onderzoek loopt, maar in geen geval na het begin van de strafrechtelijke procedure.

Amendement    105

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 16 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 16 bis

 

Rechten van betrokken personen

 

De lidstaten zorgen ervoor dat personen geen ongerechtvaardigde, directe of indirecte, schade lijden door bevindingen of meldingen die het resultaat zijn van een beoordeling of een onderzoek, of als gevolg van meldingen of publieke openbaarmakingen als gedefinieerd in deze richtlijn. Het recht op een eerlijk verhoor of proces wordt eveneens ten volle geëerbiedigd.

Amendement    106

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 17

Artikel 17

Sancties

Sancties

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties toepasselijk zijn op natuurlijke personen of rechtspersonen die:

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties toepasselijk zijn op natuurlijke personen of rechtspersonen die:

a)  een melding belemmeren of trachten te belemmeren;

a)  een melding belemmeren of trachten te belemmeren;

b)  represaillemaatregelen nemen tegen melders;

b)  represaillemaatregelen nemen tegen melders en facilitators;

c)  vexatoire procedures aanspannen tegen melders;

c)  vexatoire procedures aanspannen tegen melders;

d)  de verplichting tot geheimhouding van de identiteit van melders schenden.

d)  de verplichting tot geheimhouding van de identiteit van melders en van betrokkenen schenden.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties toepasselijk zijn op personen die kwaadwillige of oneerlijke meldingen of openbaarmakingen verrichten, met inbegrip van maatregelen om personen schadeloos te stellen die schade hebben ondervonden van kwaadwillige of oneerlijke meldingen of openbaarmakingen.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties toepasselijk zijn op personen die willens en wetens onjuiste meldingen of openbaarmakingen verrichten, en dat maatregelen worden genomen om personen schadeloos te stellen die schade hebben ondervonden van dergelijke onjuiste meldingen of openbaarmakingen.

Amendement    107

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 17 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 17 bis

 

Geen afstand van rechten en rechtsmiddelen

 

De in deze richtlijn voorziene rechten en rechtsmiddelen mogen niet terzijde worden gesteld of beperkt door arbeidsovereenkomsten, -beleid, -vormen of -voorwaarden, noch door aan geschillen voorafgaande arbitrageovereenkomsten. Elke poging om deze rechten en rechtsmiddelen terzijde te stellen of te beperken, wordt als nietig en niet-afdwingbaar beschouwd en kan het voorwerp zijn van een boete of sanctie.

Amendement    108

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 17 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 17 ter

 

Verplichting tot samenwerking

 

1. De autoriteiten van de lidstaten die in kennis worden gesteld van inbreuken op het Unierecht, zoals bedoeld in deze richtlijn, stellen alle andere betrokken autoriteiten van de lidstaten en/of instanties en agentschappen van de Unie hiervan onverwijld op de hoogte en werken hiermee op loyale, doeltreffende en vlotte wijze samen.

 

2. De autoriteiten van de lidstaten die door de autoriteiten van andere lidstaten in kennis worden gesteld van mogelijke inbreuken op het Unierecht, zoals bedoeld in deze richtlijn, formuleren een inhoudelijk antwoord op de maatregelen die in verband met die kennisgeving zijn genomen, geven een officiële ontvangstbevestiging af en voorzien in een contactpunt voor verdere samenwerking.

 

3. De autoriteiten van de lidstaten beschermen de ontvangen vertrouwelijke informatie, met name de informatie met betrekking tot de identiteit en andere persoonsgegevens van de melders.

 

4. De autoriteiten van de lidstaten verlenen vertrouwelijke toegang tot de van de melders ontvangen informatie en zorgen voor een tijdige facilitering van verzoeken om nadere informatie.

 

5. De autoriteiten van de lidstaten delen alle relevante informatie over inbreuken op het Unierecht of het nationale recht in internationale gevallen met andere bevoegde autoriteiten van de lidstaten op een tijdige wijze.

Amendement    109

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 18 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Elke verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn, met inbegrip van de uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten, geschiedt overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn (EU) 2016/680. Elke uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten op het niveau van de Unie geschiedt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad Persoonsgegevens die niet relevant zijn voor de behandeling van een specifiek geval, worden onmiddellijk gewist.

Elke verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn, met inbegrip van de uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten, geschiedt overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn (EU) 2016/680. Elke uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten op het niveau van de Unie geschiedt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad Persoonsgegevens die niet relevant zijn voor de behandeling van een specifiek geval, worden niet verzameld, en worden, indien bij toeval verzameld, onmiddellijk gewist.

Amendement    110

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 19

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 19

Artikel 19

Gunstiger behandeling

Gunstiger behandeling en non-regressieclausule

De lidstaten kunnen bepalingen voor de rechten van melders vaststellen of handhaven die gunstiger zijn dan die welke in deze richtlijn zijn vastgelegd, onverlet artikel 16 en artikel 17, lid 2.

1.  De lidstaten kunnen bepalingen voor de rechten van melders vaststellen of handhaven die gunstiger zijn dan die welke in deze richtlijn zijn vastgelegd, onverlet artikel 16 en artikel 17, lid 2.

 

1 bis.  Omzetting van deze richtlijn vormt geen rechtvaardiging voor een verlaging van het algemene beschermingsniveau dat melders reeds geboden wordt uit hoofde van het nationaal recht in de gebieden waar het van toepassing is.

Amendement    111

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 19 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 19 bis

 

Eerbiediging van de autonomie van de sociale partners

 

Deze richtlijn laat de autonomie van de sociale partners en hun recht om overeenkomstig hun nationale recht, tradities en praktijken en onder eerbiediging van de bepalingen van het Verdrag collectieve overeenkomsten te sluiten, onverlet.

Motivering

Het is van groot belang de nationale arbeidsmarktmodellen te eerbiedigen wat de autonomie van de sociale partners betreft.

Amendement    112

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 20 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  Bij de omzetting van deze richtlijn kunnen de lidstaten overwegen een onafhankelijke autoriteit voor de bescherming van klokkenluiders op te richten.

Amendement    113

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten verstrekken de Commissie alle relevante informatie betreffende de uitvoering en toepassing van deze richtlijn. Uiterlijk op 15 mei 2023 dient de Commissie op basis van de verstrekte informatie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering en toepassing van deze richtlijn.

1.  De lidstaten verstrekken de Commissie alle relevante informatie betreffende de uitvoering en toepassing van deze richtlijn. Uiterlijk op 15 mei 2023 dient de Commissie op basis van de verstrekte informatie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering en toepassing van deze richtlijn. Dit verslag bevat tevens een eerste beoordeling van de wenselijkheid om het toepassingsgebied van deze richtlijn uit te breiden tot andere gebieden of handelingen van de Unie.

Amendement    114

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 2 – letter c bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c bis)  het aantal represaillemaatregelen tegen melders dat is vastgesteld.

Amendement    115

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  Uiterlijk op 15 mei 2027 dient de Commissie, rekening houdend met haar krachtens lid 1 ingediende verslag en de krachtens lid 2 ingediende statistieken van de lidstaten, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in waarin de gevolgen worden beoordeeld van de nationale wetgeving tot omzetting van deze richtlijn. In dat verslag wordt de toepassing van deze richtlijn geëvalueerd en nagegaan of aanvullende maatregelen nodig zijn, waaronder eventuele wijzigingen om het toepassingsgebied van deze richtlijn uit te breiden tot andere gebieden of handelingen van de Unie.

3.  Uiterlijk op 15 mei 2025 dient de Commissie, rekening houdend met haar krachtens lid 1 ingediende verslag en de krachtens lid 2 ingediende statistieken van de lidstaten, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in waarin de gevolgen worden beoordeeld van de nationale wetgeving tot omzetting van deze richtlijn. In dat verslag wordt de toepassing van deze richtlijn, de mogelijke gevolgen voor grondrechten zoals privacy, het recht op het vermoeden van onschuld en het recht op een eerlijk proces, geëvalueerd en nagegaan of aanvullende maatregelen nodig zijn, waaronder eventuele wijzigingen om het toepassingsgebied van deze richtlijn uit te breiden tot andere gebieden of handelingen van de Unie.

Amendement    116

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.  Deze verslagen worden openbaar gemaakt en zijn gemakkelijk toegankelijk.

Amendement    117

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 21 bis

 

Actualisering van de bijlage

 

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 21 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlage bij deze richtlijn te actualiseren wanneer een nieuwe Unie-rechtshandeling onder het in artikel 1, lid 1, onder a), of het in artikel 1, lid 2, vastgestelde materiële toepassingsgebied valt.

Amendement    118

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 21 ter

 

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

 

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

 

2.  De in artikel 21 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van … [PB: gelieve de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn in te vullen]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

 

3.  De in artikel 21 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

 

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

 

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

 

6.  Een overeenkomstig artikel 21 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen drie maanden na kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien het Europees Parlement en de Raad, vóór het verstrijken van die periode, aan de Commissie hebben meegedeeld dat zij geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.

Amendement    119

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter B – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

B  Artikel 1, onder a), punt ii) – financiële diensten, voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering:

B  Artikel 1, onder a), punt ii) – financiële diensten, belastingontduiking, belastingfraude, belastingontwijking, voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering1 bis:

 

_________________

 

1 bis ECON en LIBE exclusief bevoegd

Amendement    120

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter B bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

B bis.   Artikel 1, onder a), punt ii ter) – sociale normen, gezondheid en veiligheid op het werk

 

1.   Sociale normen van de Europese Unie, als met name geregeld bij:

 

(i)   Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid (PB L 6 van 10.1.1979, blz. 24);

 

(ii)   Richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever om de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of -verhouding van toepassing zijn (PB L 288 van 18.10.1991, blz. 32);

 

(iii)   Richtlijn 91/383/EEG van de Raad van 25 juni 1991 ter aanvulling van de maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van de werknemers met arbeidsbetrekkingen voor bepaalde tijd of uitzendarbeid-betrekkingen (PB L 206 van 29.7.1991, blz. 19);

 

(iv)   Richtlijn 94/33/EG van de Raad van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk (PB L 216 van 20.8.1994, blz. 12);

 

(v)   Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (PB L 225 van 12.8.1998, blz. 16);

 

(vi)   Richtlijn 98/49/EG van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 209 van 25.7.1998, blz. 46);

 

(vii)   Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16);

 

(viii)   Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22);

 

(ix)   Richtlijn 2000/79/EG van de Raad van 27 november 2000 inzake de inwerkingstelling van de Europese Overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van mobiel personeel in de burgerluchtvaart gesloten door de Association of European Airlines (AEA), de European Transport Workers' Association (ETF), de European Cockpit Association (ECA), de European Regions Airline Association (ERA) en de International Air Carrier Association (IACA) (PB L 302 van 1.12.2000, blz. 57);

 

(x)   Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB L 82 van 22.3.2001, blz. 16);

 

(xi)   Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 35) en Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1);

 

(xii)   Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PB L 235 van 23.9.2003, blz. 10);

 

(xiii)   Richtlijn 2004/113/EG van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37);

 

(xiv)   Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299 van 18.11.2003, blz. 9);

 

(xv)   Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23);

 

(xvi)   Richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283 van 28.10.2008, blz. 36);

 

(xvii)   Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad (PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1);

 

(xviii)   Richtlijn 2014/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende maatregelen om de uitoefening van de in de context van het vrije verkeer van werknemers aan werknemers verleende rechten te vergemakkelijken (PB L 128 van 30.4.2014, blz. 8);

 

(xix)   Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt ("de IMI-verordening") (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11);

 

(xx)   Richtlijn 2014/50/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende minimumvereisten voor de vergroting van de mobiliteit van werknemers tussen de lidstaten door het verbeteren van de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten (PB L 128 van 30.4.2014, blz. 1);

 

(xxi)   Verordening (EG) nr. 450/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2003 betreffende de loonkostenindex (PB L 69 van 13.3.2003, blz. 1);

 

(xxii)   Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 51);

 

(xxiii)   Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1);

 

(xxiv)  Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB L 141 van 27.5.2011, blz. 1);

 

(xxv)   Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (PB L 72 van 12.3.2014, blz. 1);

 

(xxvi)   Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 19).

 

2.   Normen met betrekking tot gezondheid en veiligheid op het werk, als met name geregeld bij:

 

(i)   alle bijzondere richtlijnen in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG;

 

(ii)  Richtlijn 92/29/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PB L 113 van 30.4.1992, blz. 19);

 

(iii)   Richtlijn 2001/95/EG van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4);

 

(iv)   Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 95/16/EG (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 24);

 

(v)   Richtlijn 2006/15/EG van de Commissie van 7 februari 2006 tot vaststelling van een tweede lijst van indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling ter uitvoering van Richtlijn 98/24/EG van de Raad en tot wijziging van de Richtlijnen 91/322/EEG en 2000/39/EG (PB L 38 van 9.2.2006, blz. 36);

 

(vi)   Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PB L 260 van 30.9.2008, blz. 13);

 

(vii)   Richtlijn 2009/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats (tweede bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG (PB L 260 van 3.10.2009, blz. 5);

 

(viii)   Richtlijn 2009/148/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk (PB L 330 van 16.12.2009, blz. 28);

 

(ix)   Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 70).

Amendement    121

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter E – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

E  Artikel 1, onder a), punt v) – milieubescherming:

E  Artikel 1, onder a), punt v) – milieubescherming, duurzame ontwikkeling, afvalbeheer, zee- en luchtverontreiniging, geluidshinder, bescherming en beheer van water en bodem, bescherming van de natuur en de biodiversiteit, evenals bestrijding van klimaatverandering:

Amendement    122

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter E – punt 1 (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1.   Bepalingen met betrekking tot milieuaansprakelijkheid, met inbegrip van:

(NB: deze titel moet worden ingevoegd vóór bijlage I, deel I, letter E, punt i).)

Amendement    123

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter E – punt iii

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(iii)  Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PB L 295 van 12.11.2010, blz. 23);

Schrappen

Amendement    124

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – Deel I – letter E – punt iv

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(iv)  Richtlijn 2009/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot wijziging van Richtlijn 2005/35/EG inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken (PB L 280 van 27.10.2009, blz. 52);

Schrappen

Amendement    125

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – Deel I – letter E – punt v

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(v)  Verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie van kooldioxide-emissies door maritiem vervoer en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 55);

Schrappen

Amendement    126

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – Deel I – letter E – punt vi

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(vi)  Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG (PB L 330 van 10.12.2013, blz. 1);

Schrappen

Amendement    127

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – Deel I – letter E – punt vii

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(xvii)  Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 60);

Schrappen

Amendement    128

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – Deel I – letter E – punt viii

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(viii)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1);

Schrappen

Amendement    129

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – Deel I – letter E – punt ix

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(ix)  Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (PB L 313 van 28.11.2015, blz. 1).

Schrappen

Amendement    130

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter E – punt 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.    Bepalingen met betrekking tot de toegang tot milieu-informatie:

 

(i)  Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26);

 

(ii)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43);

 

(iii)  Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB L 264 van 25.9.2006, blz. 13);

 

(iv)  Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).

 

(v)  Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17).

 

(NB: dit punt moet worden ingevoegd na letter E, punt ii).)

Amendement    131

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter E – punt 1 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 ter.   Bepalingen met betrekking tot milieu en klimaat, met inbegrip van:

 

(i)  Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 614/2007 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 185);

 

(ii)  Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16);

 

(iii)  Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 63) en alle daarmee samenhangende verordeningen;

 

(iv)  Verordening (EU) nr. 421/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, met het oog op de tenuitvoerlegging tegen 2020 van een internationale overeenkomst die op emissies van de internationale luchtvaart wereldwijd één marktgebaseerde maatregel toepast (PB L 129 van 30.4.2014, blz. 1);

 

(v)  Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114);

 

(vi)  Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13);

 

(vii)  Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 195);

 

(viii)  Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51);

 

(ix)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

Amendement    132

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter E – punt 1 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 quater.   Bepalingen met betrekking tot duurzame ontwikkeling en afvalbeheer, met inbegrip van:

 

(i)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3);

 

(ii)  Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1);

 

(iii)  Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1);

 

(iv)  Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB L 365 van 31.12.1994, blz. 10);

 

(v)  Richtlijn (EU) 2015/720 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende de vermindering van het verbruik van lichte plastic draagtassen (PB L 115 van 6.5.2015, blz. 11);

 

(vi)  Richtlijn 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (PB L 197 van 24.7.2012, blz. 38);

 

(vii)  Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG (PB L 266 van 26.9.2006, blz. 1);

 

(viii)  Richtlijn 2011/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 88);

 

(ix)  Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PB L 269 van 21.10.2000, blz. 34);

 

(x)  Richtlijn 2005/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen inzake herbruikbaarheid, recyclebaarheid en mogelijke nuttige toepassing, en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PB L 310 van 25.11.2005, blz. 10);

 

(xi)  Richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's) (PB L 243 van 24.9.1996, blz. 31);

 

(xii)  Richtlijn 2011/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 88);

 

(xiii)  Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30);

 

(xiv)  Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (PB L 27 van 30.1.2010, blz. 1);

 

(xv)  Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en Richtlijn 2009/16/EG (PB L 330 van 10.12.2013, blz. 1);

 

(xvi)  Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 60);

 

(xvii)  Verordening (Euratom) nr. 1493/93 van de Raad van 8 juni 1993 betreffende de overbrenging van radioactieve stoffen tussen lidstaten (PB L 148 van 19.6.1993, blz. 1).

Amendement    133

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter E – punt 1 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 quinquies.   Bepalingen met betrekking tot zee- en luchtverontreiniging en geluidshinder, met inbegrip van:

 

(i)  Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1);

 

(ii)  Richtlijn 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht (PB L 23 van 26.1.2005, blz. 3);

 

(iii)  Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7);

 

(iv)  Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (PB L 286 van 31.10.2009, blz. 1);

 

(v)  Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB L 309 van 27.11.2001, blz. 22);

 

(vi)  Richtlijn 94/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations (PB L 365 van 31.12.1994, blz. 24);

 

(vii)  Richtlijn 2009/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 inzake fase II-benzinedampterugwinning tijdens het bijtanken van motorvoertuigen in benzinestations (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 36);

 

(viii)  Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1);

 

(ix)  Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 1);

 

(x)  Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1);

 

(xi)  Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1);

 

(xii)  Richtlijn 1999/94/EG betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot bij het op de markt brengen van nieuwe personenauto's (PB L 12 van 18.1.2000, blz. 16);

 

(xiii)  Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (PB L 145 van 31.5.2011, blz. 1);

 

(xiv)  Richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PB L 161 van 14.6.2006, blz. 12);

 

(xv)  Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (PB L 120 van 15.5.2009, blz. 12);

 

(xvi)  Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (PB L 252 van 16.9.2016, blz. 53);

 

(xvii)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17);

 

(xviii)  Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (PB L 313 van 28.11.2015, blz. 1);

 

(xix)  Richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PB L 8 van 13.1.2009, blz. 3);

 

(xx)  Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim ("de kaderverordening") (PB L 96 van 31.3.2004, blz. 1);

 

(xxi)  Richtlijn 2006/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 8);

 

(xxii)  Richtlijn 2002/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 houdende wijziging van de richtlijnen op het gebied van maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (PB L 324 van 29.11.2002, blz. 53);

 

(xxiii)  Verordening (EU) nr. 546/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 718/1999 van de Raad betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren (PB L 163 van 29.5.2014, blz. 15);

 

(xxiv)  Richtlijn 2009/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG met betrekking tot de specificatie van benzine, dieselbrandstof en gasolie en tot invoering van een mechanisme om de emissies van broeikasgassen te monitoren en te verminderen, tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad met betrekking tot de specificatie van door binnenschepen gebruikte brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 93/12/EEG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 88);

 

(xxv)  Richtlijn 2009/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot wijziging van Richtlijn 2005/35/EG inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken (PB L 280 van 27.10.2009, blz. 52);

 

(xxvi)  Verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie van kooldioxide-emissies door maritiem vervoer en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 55);

 

(xxvii)  Verordening (EG) nr. 782/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 14 april 2003 houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen (PB L 115 van 9.5.2003, blz. 1);

 

(xxviii)  Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12);

 

(xxix)  Richtlijn 2000/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2000 inzake de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten betreffende de geluidsemissie in het milieu door materieel voor gebruik buitenshuis (PB L 162 van 3.7.2000, blz. 1);

 

(xxx)  Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12).

Amendement    134

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter E – punt 1 sexies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 sexies.   Bepalingen met betrekking tot water- en bodembescherming en -beheer, met inbegrip van:

 

(i)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1);

 

(ii)  Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid, tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 84);

 

(iii)  Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PB L 372 van 27.12.2006, blz. 19);

 

(iv)  Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40);

 

(v)  Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32);

 

(vi)  Richtlijn 2003/40/EG van de Commissie van 16 mei 2003 tot vaststelling van de lijst, de grenswaarden voor de concentratie en de vermelding op het etiket van bestanddelen van natuurlijk mineraalwater en van de voorwaarden voor het gebruik van met ozon verrijkte lucht bij de behandeling van natuurlijk mineraalwater en bronwater (PB L 126 van 22.5.2003, blz. 34);

 

(vii)  Verordening (EU) nr. 115/2010 van de Commissie van 9 februari 2010 tot vaststelling van de voorwaarden voor het gebruik van geactiveerd aluminiumoxide om fluoride uit natuurlijk mineraalwater en bronwater te verwijderen (PB L 37 van 10.2.2010, blz. 13);

 

(viii)  Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG (PB L 64 van 4.3.2006, blz. 37);

 

(ix)  Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19);

 

(x)  Verordening (EG) nr. 648/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende detergentia (PB L 104 van 8.4.2004, blz. 1);

 

(xi)  Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1);

 

(xii)  Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PB L 372 van 27.12.2006, blz. 19);

 

(xiii)  Richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico's (PB L 288 van 6.11.2007, blz. 27);

 

(xiv)  Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 124 van 25.4.2014, blz. 1).

Amendement    135

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter E – punt 1 septies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 septies.   Bepalingen met betrekking tot de bescherming van de natuur en de biodiversiteit, met inbegrip van:

 

(i)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7);

 

(ii)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7);

 

(iii)  Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35);

 

(iv)  Verordening (EG) nr. 1936/2001 van de Raad van 27 september 2001 tot vaststelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden (PB L 263 van 3.10.2001, blz. 1);

 

(v)  Verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur (PB L 168 van 28.6.2007, blz. 1);

 

(vi)  Richtlijn 83/129/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de lidstaten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde producten (PB L 91 van 9.4.1983, blz. 30);

 

(vii)  Verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PB L 286 van 31.10.2009, blz. 36);

 

(viii)  Verordening (EG) nr. 734/2008 van de Raad van 15 juli 2008 betreffende de bescherming van kwetsbare mariene ecosystemen in volle zee tegen de nadelige effecten van bodemvistuig (PB L 201 van 30.7.2008, blz. 8);

 

(ix)  Verordening (EG) nr. 812/2004 van de Raad van 26 april 2004 tot vaststelling van maatregelen betreffende de incidentele vangsten van walvisachtigen bij de visserij en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 88/98 (PB L 150 van 30.4.2004, blz. 12);

 

(x)  Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1);

 

(xi)  Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB L 166 van 19.6.2006, blz. 1);

 

(xii)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 792/2012 van de Commissie van 23 augustus 2012 tot vaststelling van voorschriften voor het ontwerp van de vergunningen, certificaten en andere documenten waarin Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer voorziet, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie (PB L 242 van 7.9.2012, blz. 13);

 

(xiii)  Verordening (EG) nr. 1523/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 houdende een verbod op het in de handel brengen, de invoer naar en de uitvoer uit de Gemeenschap van katten- en hondenbont en van producten die dergelijk bont bevatten (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 1);

 

(xiv)  Richtlijn 1999/22/EG van de Raad van 29 maart 1999 betreffende het houden van wilde dieren in dierentuinen (PB L 94 van 9.4.1999, blz. 24);

 

(xv)  Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PB L 295 van 12.11.2010, blz. 23);

 

(xvi)  Verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PB L 347 van 30.12.2005, blz. 1);

 

(xvii)  Verordening (EU) nr. 1307/2014 van de Commissie van 8 december 2014 houdende vaststelling van de criteria en geografische grenzen van graslanden met grote biodiversiteit voor de doeleinden van artikel 7 ter, lid 3, onder c), van Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en artikel 17, lid 3, onder c), van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 351 van 9.12.2014, blz. 3).

Amendement    136

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter E – punt 1 octies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 octies.   Bepalingen met betrekking tot chemische stoffen, met inbegrip van:

 

(i)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

Amendement    137

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter E – punt 1 nonies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 nonies.   Bepalingen met betrekking tot biologische producten, met inbegrip van:

 

(i)  Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1).

Amendement    138

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter F – punt i bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

 

(i bis) Richtlijn 2014/87/Euratom van de Raad van 8 juli 2014 tot wijziging van Richtlijn 2009/71/Euratom tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 219 van 25.7.2014, blz. 42);

Amendement    139

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter G – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

G  Artikel 1, onder a), punt vii) – voedsel- en diervoederveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn:

G  Artikel 1, onder a), punt vii) – voedsel- en diervoederveiligheid:

Amendement    140

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter G – punt 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.  Andere wetgevingshandelingen op het gebied van voedsel- en diervoederveiligheid, met name:

 

(i)   Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1);

 

(ii)  Richtlijn 2009/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (PB L 125 van 21.5.2009, blz. 75);

 

(iii)  Verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 24);

 

(iv)  Verordening (EG) nr. 1946/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gemodificeerde organismen (PB L 287 van 5.11.2003, blz. 1);

 

(v)   Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1);

 

(vi)  Verordening (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 inzake meststoffen (PB L 304 van 21.11.2003, blz. 1);

 

(vii)  Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1);

 

(viii)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 91/414/EEG en 79/117/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1);

 

(ix)  Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71);

 

(x)  Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1);

 

(xi)  Verordening (Euratom) 2016/52 van de Raad van 15 januari 2016 tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar en tot intrekking van Verordening (Euratom) nr. 3954/87 en de Verordeningen (Euratom) nr. 944/89 en (Euratom) nr. 770/90 van de Commissie (PB L 13 van 20.1.2016, blz. 2);

 

(xii)  Verordening (Euratom) 2016/52 van de Raad van 15 januari 2016 tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar en tot intrekking van Verordening (Euratom) nr. 3954/87 en de Verordeningen (Euratom) nr. 944/89 en (Euratom) nr. 770/90 van de Commissie (PB L 13 van 20.1.2016, blz. 2);

 

(xiii)  Verordening (Euratom) 2016/52 van de Raad van 15 januari 2016 tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar en tot intrekking van Verordening (Euratom) nr. 3954/87 en de Verordeningen (Euratom) nr. 944/89 en (Euratom) nr. 770/90 van de Commissie (PB L 13 van 20.1.2016, blz. 2);

 

(xiv)  Besluit 2002/628/EG van de Raad van 25 juni 2002 inzake de sluiting namens de Europese Gemeenschap van het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 48);

 

(xv)  Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1);

 

(xvi)  Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11);

 

(xvii)  Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan en tot intrekking van de Richtlijnen 85/358/EEG en 86/469/EEG en de Beschikkingen 89/187/EEG en 91/664/EEG (PB L 125 van 23.5.1996, blz. 10);

 

(xviii)  Richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van beta-agonisten en tot intrekking van de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG (PB L 125 van 23.5.1996, blz. 3);

 

(xix)  Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55);

 

(xx)  Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 206);

 

(xxi)  Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11);

 

(xxii)  Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie van 15 november 2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen (PB L 338 van 22.12.2005, blz. 1);

 

(xxiii)  Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1);

 

(xxiv)  Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad (PB L 325 van 12.12.2003, blz. 31);

 

(xxv)  Verordening (EG) nr. 1331/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot vaststelling van een uniforme goedkeuringsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma's (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 1);

 

(xxvi)  Verordening (EG) nr. 1332/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake voedingsenzymen en tot wijziging van Richtlijn 83/417/EEG van de Raad, Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad, Richtlijn 2000/13/EG, Richtlijn 2001/112/EG van de Raad en Verordening (EG) nr. 258/97 (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 7);

 

(xxvii)  Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 16);

 

(xxviii)  Verordening (EG) nr. 1334/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake aroma’s en bepaalde voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen voor gebruik in levensmiddelen en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1601/91 van de Raad, Verordening (EG) nr. 2232/96, Verordening (EG) nr. 110/2008 en Richtlijn 2000/13/EG (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 34);

 

(xxix)  Verordening (EG) nr. 2065/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 10 november 2003 inzake in of op levensmiddelen gebruikte of te gebruiken rookaroma's (PB L 309 van 26.11.2003, blz. 1);

 

(xxx)  Richtlijn 2009/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het gebruik van extractiemiddelen bij de productie van levensmiddelen en bestanddelen daarvan (PB L 141 van 6.6.2009, blz. 3);

 

(xxxi)  Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen (PB L 37 van 13.2.1993, blz. 1);

 

(xxxii)  Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie van 19 december 2006 tot vaststelling van maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PB L 364 van 20.12.2006, blz. 5);

 

(xxxiii) Richtlijn 1999/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 februari 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de behandeling van voedsel en voedselingrediënten met ioniserende straling (PB L 66 van 13.3.1999, blz. 16);

 

(xxxiv)  Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen en houdende intrekking van de Richtlijnen 80/590/EEG en 89/109/EEG (PB L 338 van 13.11.2004, blz. 4);

 

(xxxv)  Richtlijn 82/711/EEG van de Raad van 18 oktober 1982 betreffende de basisregels voor de controle op migratie van bestanddelen van materialen en voorwerpen van kunststof bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen (PB L 297 van 23.10.1982, blz. 26);

 

(xxxvi)  Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18);

 

(xxxvii) Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing, en tot intrekking van Richtlijn 92/52/EEG van de Raad, Richtlijnen 96/8/EG, 1999/21/EG, 2006/125/EG en 2006/141/EG van de Commissie, Richtlijn 2009/39/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 41/2009 en (EG) nr. 953/2009 van de Commissie (PB L 181 van 29.6.2013, blz. 35);

 

(xxxiii)   Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PB L 150 van 14.6.2018, blz. 1);

 

(xxxix) Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487);

 

(xxxx) Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 354 van 20.12.2013, blz. 22);

 

(xxxxi) Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671);

 

(xxxxii) Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29);

 

(xxxxiii) Richtlijn 90/167/EEG van de Raad van 26 maart 1990 tot vaststelling van de voorwaarden voor de bereiding, het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders met medicinale werking (PB L 92 van 7.4.1990, blz. 42);

 

(xxxxiv) Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1);

 

(xxxxv) Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 mei 2002 inzake ongewenste stoffen in diervoeding (PB L 140 van 30.5.2002, blz. 10);

 

(xxxxvi) Verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad, Richtlijn 80/511/EEG van de Commissie, Richtlijnen 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG van de Raad en Beschikking 2004/217/EG van de Commissie (PB L 229 van 1.9.2009, blz. 1);

 

(xxxxii) Richtlijn 2008/38/EG van de Commissie van 5 maart 2008 tot vaststelling van de lijst van bestemmingen voor diervoeders met bijzonder voedingsdoel (PB L 62 van 6.3.2008, blz. 9);

 

(xxxxiii) Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 tot vaststelling van voorschriften voor diervoederhygiëne (PB L 35 van 8.2.2005, blz. 1).

Amendement    141

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – Deel I – punt 4 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  Bescherming van het dierenwelzijn, zoals geregeld bij:

G bis.  Artikel 1, onder a), punt vii bis) – dierenbescherming, diergezondheid en dierenwelzijn

 

Bepalingen en normen met betrekking tot dierenbescherming, diergezondheid en dierenwelzijn, als met name geregeld bij:

Amendement    142

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter G bis – punt iv – xxv (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(iv)  Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33);

 

(v)  Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29);

 

(vi)  Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56);

 

(vii)  Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13);

 

(viii)  Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 59);

 

(ix)  Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van, de handel in en de binnenkomst in de Unie van raszuivere fokdieren, hybride fokvarkens en levende producten daarvan en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 652/2014, de Richtlijnen 89/608/EEG en 90/425/EEG van de Raad en tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van dierfokkerij ("fokkerijverordening") (PB L 171 van 29.6.2016, blz. 66);

 

(x)  Richtlijn 2008/73/EG van de Raad van 15 juli 2008 tot vereenvoudiging van de procedures voor het opstellen en publiceren van lijsten met informatie op veterinair en zoötechnisch gebied en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG, 77/504/EEG, 88/407/EEG, 88/661/EEG, 89/361/EEG, 89/556/EEG, 90/426/EEG, 90/427/EEG, 90/428/EEG, 90/429/EEG, 90/539/EEG, 91/68/EEG, 91/496/EEG, 92/35/EEG, 92/65/EEG, 92/66/EEG, 92/119/EEG, 94/28/EG en 2000/75/EG, Beschikking 2000/258/EG en de Richtlijnen 2001/89/EG, 2002/60/EG en 2005/94/EG (PB L 219 van 14.8.2008, blz. 40);

 

(xi)  Verordening (EG) nr. 1255/97 van de Raad van 25 juni 1997 betreffende de communautaire criteria voor halteplaatsen en tot aanpassing van het in de bijlage bij Richtlijn 91/628/EEG bedoelde reisschema (PB L 174 van 2.7.1997, blz. 1);

 

(xii)  Richtlijn 96/93/EG van de Raad van 17 december 1996 inzake de certificering van dieren en dierlijke producten (PB L 13 van 16.1.1997, blz. 28);

 

(xiii)  Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en Richtlijnen 92/102/EEG en 64/432/EEG (PB L 5 van 9.1.2004, blz. 8);

 

(xiv)  Beschikking 2006/968/EG van de Commissie van 15 december 2006 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad wat betreft richtsnoeren en procedures voor de elektronische identificatie van schapen en geiten (PB L 401 van 30.12.2006, blz. 41);

 

(xv)  Beschikking 1999/879/EG van de Raad van 17 december 1999 betreffende het op de markt brengen en het toedienen van boviene somatotropine (BST) en tot intrekking van Beschikking 90/218/EEG (PB L 331 van 23.12.1999, blz. 71);

 

(xvi)  Richtlijn 1999/74/EG van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PB L 203 van 3.8.1999, blz. 53);

 

(xvii)  Richtlijn 2007/43/EG van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PB L 182 van 12.7.2007, blz. 19);

 

(xiii)  Richtlijn 2008/119/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (PB L 10 van 15.1.2009, blz. 7);

 

(xix)  Richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (PB L 47 van 18.2.2009, blz. 5);

 

(xx)  Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PB L 308 van 9.11.1991, blz. 1);

 

(xxi)  Richtlijn 2013/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 tot wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad wat betreft de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Unie van honden, katten en fretten (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 107);

 

(xxii)  Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 1);

 

(xxiii)  Richtlijn 2009/156/EG van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen (PB L 192 van 23.7.2010, blz. 1);

 

(xxiv)  Richtlijn 92/35/EEG van de Raad van 29 april 1992 tot vaststelling van controlevoorschriften en van maatregelen ter bestrijding van paardenpest (PB L 157 van 10.6.1992, blz. 19).

Amendement    143

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter H – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

H  Artikel 1, onder a), punt viii) – volksgezondheid:

H  Artikel 1, onder a), punt viii) – volksgezondheid en gezondheidsbeveiliging:

Amendement    144

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter H – punt 1 – punt i bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(i bis)  Richtlijn (EU) 2016/1214 van de Commissie van 25 juli 2016 tot wijziging van Richtlijn 2005/62/EG wat betreft normen en specificaties betreffende kwaliteitszorgsystemen voor bloedinstellingen (PB L 199 van 26.7.2016, blz. 14);

Amendement    145

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter H – punt 1 – punt i ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(i ter)  Richtlijn 2005/61/EG van de Commissie van 30 september 2005 ter uitvoering van Richtlijn 2002/98/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de traceerbaarheidsvoorschriften en de melding van ernstige ongewenste bijwerkingen en voorvallen (PB L 256 van 1.10.2005, blz. 32);

Amendement    146

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter H – punt 1 – punt i quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(i quater)   Richtlijn 2004/33/EG van de Commissie van 22 maart 2004 tot uitvoering van Richtlijn 2002/98/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot bepaalde technische voorschriften voor bloed en bloedbestanddelen (PB L 91 van 30.3.2004, blz. 25);

Amendement    147

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter H – punt 1 – punt i quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(i quinquies)   Richtlijn 2005/62/EG van de Commissie van 30 september 2005 ter uitvoering van Richtlijn 2002/98/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft communautaire normen en specificaties inzake een kwaliteitszorgsysteem voor bloedinstellingen (PB L 256 van 1.10.2005, blz. 41);

Amendement    148

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter H – punt 1 – punt iii bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(iii bis)  Richtlijn 2010/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 inzake kwaliteits- en veiligheidsnormen voor menselijke organen, bestemd voor transplantatie (PB L 207 van 6.8.2010, blz. 14).

Amendement    149

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – Deel I – letter H – punt 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.  Productie, presentatie en verkoop van tabaks- en aanverwante producten, zoals geregeld bij Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 1).

5.  Productie, presentatie en verkoop van tabaks- en aanverwante producten, zoals geregeld bij Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 1), en reclame en sponsoring voor tabaksproducten, zoals geregeld bij Richtlijn 2003/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de reclame en sponsoring voor tabaksproducten (PB L 152 van 20.6.2003, blz. 16).

Amendement    150

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter H – punt 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

5 bis.  Preventie van schade door alcoholgebruik en prioriteiten van de EU-strategie ter ondersteuning van de lidstaten bij het beperken van aan alcohol gerelateerde schade.

Amendement    151

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter H – punt 5 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

5 ter.  Andere wetgevingshandelingen op het gebied van volksgezondheid, met name:

 

(i) Verordening (EU) 2017/746 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie (PB L 117 van 5.5.2017, blz. 176);

 

(ii) Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 59).

Amendement    152

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel I – letter J bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

J bis.  Artikel 1, onder a), punt x bis) – werkgelegenheid, arbeidsvoorwaarden, werknemersrechten en het beginsel van gelijke kansen en behandeling van mannen en vrouwen op het werk

 

1.  Arbeidswetgeving van de Europese Unie, als met name geregeld bij:

 

(i)  Richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever om de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of -verhouding van toepassing zijn (PB L 288 van 18.10.1991, blz. 32);

 

(ii)  Richtlijn 91/383/EEG van de Raad van 25 juni 1991 ter aanvulling van de maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van de werknemers met arbeidsbetrekkingen voor bepaalde tijd of uitzendarbeid-betrekkingen (PB L 206 van 29.7.1991, blz. 19);

 

(iii)  Richtlijn 94/33/EG van de Raad van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk (PB L 216 van 20.8.1994, blz. 12);

 

(iv)  Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (PB L 225 van 12.8.1998, blz. 16);

 

(v)  Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16);

 

(vi)  Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB L 82 van 22.3.2001, blz. 16);

 

(vii)  Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap - Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de vertegenwoordiging van de werknemers (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29-34);

 

(viii)  Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299 van 18.11.2003, blz. 9);

 

(ix)  Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23);

 

(x)  Richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283 van 28.10.2008, blz. 36);

 

(xi)  Richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid (PB L 327 van 5.12.2008, blz. 9-14);

 

(xii)  Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28-44);

 

(xiii)  Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad (PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1);

 

(xiv)  Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt ("de IMI-verordening") (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11);

 

(xv)  Verordening (EG) nr. 450/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2003 betreffende de loonkostenindex (PB L 69 van 13.3.2003, blz. 1);

 

(xvi)  Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 19).

 

2.  Arbeidsvoorwaarden, als met name geregeld bij:

 

(i)  alle bijzondere richtlijnen in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG;

 

(ii)  Richtlijn 2009/104/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 september 2009 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats (tweede bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG (PB L 260 van 3.10.2009, blz. 5);

 

(iii)  Richtlijn 2009/148/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk (PB L 330 van 16.12.2009, blz. 28);

 

(iv)  Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 70).

Amendement    153

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel II – letter A – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

A  Artikel 1, onder a), punt ii) – financiële diensten, voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering:

A  Artikel 1, onder a), punt ii) – financiële diensten, belastingontduiking, belastingfraude, belastingontwijking, voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering:

Amendement    154

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I –Deel II – letter C bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

C bis  Bescherming van de financiële belangen van de Unie:

 

(i)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie.

(1)

PB C 405 van 9.11.2018, blz. 1.

(2)

PB C .../Nog niet in het Publicatieblad verschenen.


TOELICHTING

De bescherming van klokkenluiders: een essentieel instrument ter bescherming van het algemeen belang

Het denken over de bescherming van klokkenluiders heeft zich de afgelopen decennia in Europa danig ontwikkeld. In het licht van de vele studies en de feedback op ervaringen, is het thans genoegzaam aangetoond dat klokkenluiders een positieve rol spelen bij het voorkomen en herstellen van schade voor het algemeen belang. Het potentieel van klokkenluiden wordt echter bij lange na niet ten volle benut gezien het feit dat vele personen die in een werkgerelateerde context schade constateren voor het algemeen belang dit nog steeds niet systematisch melden. Er zijn hiervoor vele redenen aan te wijzen die variëren van een gebrek aan kennis van de meldingsmogelijkheden tot de vrees voor represailles als men zich uitspreekt. Dit heeft nadelige gevolgen voor de gehele samenleving, omdat een groot aantal inbreuken op het algemeen belang, gaande van kwesties in het kader van het milieu, bestrijding van belastingontwijking, corruptie, tot kwesties op het gebied van volksgezondheid, zich blijven voordoen en het recht op informatie van de burgers hierdoor wordt beknot.

In de lidstaten zijn de ontwikkelingen van de wetgeving inzake de bescherming van klokkenluiders dikwijls het gevolg van schandalen of grote rampen. De aanbevelingen van de Raad van Europa in 2014 zijn een belangrijke stap geweest bij de totstandkoming van een aantal normen die de lidstaten gevraagd wordt in hun nationale wetgeving om te zetten.

Het ingediende voorstel is voor een deel geïnspireerd door deze normen en de jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens inzake de vrijheid van meningsuiting. De rapporteur is zeer tevreden dat de Commissie de keuze heeft gemaakt om het voorstel voor een richtlijn op deze aanbevelingen te doen aansluiten en daarbij rekening te houden met de resolutie van het Europees van 24 oktober 2017.

Toepassingsgebied: de effectiviteit van het voorgestelde instrument waarborgen

De rapporteur is positief over het brede en horizontale toepassingsgebied waardoor veel sectoren worden bestreken, gaande van de bescherming van de financiële belangen van de Unie tot de nucleaire veiligheid, bescherming van het milieu, van de volksgezondheid en de bestrijding van belastingontwijking. Iemand kan worden beschouwd als klokkenluider wanneer hij een inbreuk op een handeling van de Unie met betrekking tot de in de bijlage bij het voorstel omschreven sectoren, meldt of openbaar maakt. Er bestaat echter een risico voor gedragingen die geen inbreuk vormen in de zin van de richtlijn. Daarom stelt de rapporteur voor dat alle misstanden in deze sectoren worden bestreken. Op deze wijze wordt volgens de rapporteur de bescherming van het algemeen belang, die de kern van het voorstel vormt, beter in aanmerking genomen.

Gezien het feit dat de Europese Unie berust op een gemeenschap van waarden en beginselen die de eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden waarborgt, is het volgens de rapporteur nodig deze grondrechten op te nemen in het toepassingsgebied van de tekst.

De ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Unie kunnen, in het kader van hun beroepsactiviteiten, beschikken over informatie die tot een melding zou kunnen leiden in de zin van dit voorstel voor een richtlijn en mogelijkerwijze het slachtoffer zijn van represailles. Daarom is het van belang om hen dezelfde bescherming toe te kennen als andere werknemers. Het is ook belangrijk ervoor te zorgen dat degenen die de melder bij zijn handelen ondersteunen ook worden beschermd, met inbegrip van onderzoeksjournalisten.

Meldingskanalen: handelen in het belang van de klokkenluider

In de ogen van de rapporteur biedt het concept van meldingskanalen zoals opgenomen in de voorliggende tekst voldoende garanties wat soliditeit en onafhankelijkheid betreft. Deze garanties kunnen nog verder versterkt worden door te voorzien in een kennisgeving van ontvangst van de melding. Aangezien de termijnen voor de afhandeling die door de Commissie wordt voorgesteld aan de lange kant zijn en afbreuk kunnen doen aan de melding, stelt de rapporteur voor deze termijnen te verkorten. Volgens haar moeten de werknemersvertegenwoordigers volledig worden betrokken bij het opzetten van interne kanalen en advies en ondersteuning kunnen verlenen aan degenen die dat wensen. De vertegenwoordigers van de werknemers zijn immers aanwezig op de werkvloer en het beste in staat om een potentiële klokkenluider bij zijn handelen te ondersteunen en te informeren over de interne meldingskanalen en zijn rechten en plichten. Het is dan ook belangrijk deze rol in het kader van deze richtlijn aan hen toe te kennen.

Voorts is het noodzakelijk een hoge mate van vertrouwelijkheid van de identiteit van de melder te garanderen. De personen die onregelmatigheden constateren zijn immers vaak geneigd zich terughoudend op te stellen en zelfcensuur toe te passen uit vrees dat hun identiteit bekend wordt. Het is aangetoond dat de inachtneming van dit criterium het aantal ontvangen meldingen verhoogt. De betreffende bepalingen in de voorliggende tekst moeten dan ook dusdanig versterkt worden dat van het beginsel van vertrouwelijkheid slechts kan worden afgeweken in uitzonderlijke en welomschreven omstandigheden.

Voorrang aan de doelmatigheid van de melding en het recht op informatie

De voorliggende tekst bouwt op een relatief strikte volgorde in het gebruik van meldingskanalen, waarop afwijkingen mogelijk zijn. In de regel geldt dat een potentiële klokkenluider eerst zijn werkgever moet inschakelen, daarna uiterlijk drie maanden de afhandeling van zijn melding moet afwachten om bij een onbevredigend antwoord een externe autoriteit te kunnen inlichten om eventueel nog eens zes maanden te wachten. Dit kan niet alleen in belangrijke mate afbreuk doen aan de melding zelf maar kan met name de melder in de problemen brengen in zijn relatie met de werkgever. Voorts is in deze benadering de melder degene die moet aantonen dat, mocht hij afwijken van de in het voorstel vastgestelde volgorde, hij het meest geschikte kanaal heeft gekozen. Tegen de achtergrond van een reeds scheve machtsverhouding kan dit leiden tot benadeling van de melder. Ten slotte houdt deze aanpak onvoldoende rekening met het recht op informatie van de burgers in geval van schade voor het algemeen belang. Om deze redenen stelt rapporteur voor deze hiërarchie van kanalen te heroverwegen en de melder meer flexibiliteit te bieden bij het kiezen van het meest geschikte kanaal.

Hoewel gewaardeerd wordt dat de voorliggende tekst bescherming biedt aan personen die redelijke gronden hebben om ten tijde van de melding aan te nemen dat de gemelde informatie waarheidsgetrouw was, is de rapporteur van mening dat deze bepaling moet worden verduidelijkt om elke mogelijkheid uit te sluiten dat de bescherming wordt geweigerd op grond van de motieven van de klokkenluider. De tekst moet eerst aandacht besteden aan de relevantie van de verstrekte informatie in het licht van het algemeen belang alvorens in te gaan op de motieven voor de bekendmaking.

Een effectieve en volledige bescherming van de klokkenluiders waarborgen

Het voorstel voor een richtlijn bevat een algemeen verbod op represailles die vermeld zijn in een lijst. Deze lijst kan in geen geval als uitputtend worden beschouwd, aangezien alleen de verbeelding de grenzen bepaalt van de represaillemaatregelen die worden gebruikt. Bijgevolg is het nodig duidelijk te maken dat het hier slechts voorbeelden betreft.

De rapporteur wijst graag op het belang van bepaalde beschermingsmaatregelen. Een van deze maatregelen betreft de omkering van de bewijslast. De formulering in het voorstel voor een richtlijn is versterkt om deze bepaling volledig tot zijn recht te laten komen.

Anonieme meldingen hebben reeds plaatsgevonden en zullen blijven plaatsvinden. De rapporteur wenst daarom een bepaling op te nemen die ervoor zorgt dat iemand wiens identiteit tegen zijn zin bekend wordt door deze tekst wordt gedekt.

Tussen/in sommige lidstaten is er sprake van een verscheidenheid aan begeleidende en ondersteunende regelingen voor personen die een melding of een openbaarmaking verrichten. Bijvoorbeeld kunnen vertrouwelijke adviezen over de klokkenluidenmechanismen worden verstrekt door overheidsinstanties, werknemersorganisaties dan wel organisaties van het maatschappelijk middenveld. De rapporteur is van mening dat deze systemen essentieel zijn om de klokkenluider bij zijn handelen te ondersteunen en stelt daarom voor dat de richtlijn het mogelijk maakt dat deze systemen in de verschillende lidstaten worden ingevoerd, naargelang de nationale context. Zij wenst voorts dat klokkenluiders, naast juridische en financiële bijstand, recht krijgen op psychologische ondersteuning.

Voldoende rechtszekerheid om vrijuit te kunnen spreken

Sommige onderdelen van dit voorstel kunnen een afschrikkingseffect hebben op degenen die een melding willen doen. Dit is met name het geval wat betreft het element ernstige schade, waarvan de mate moeilijk te beoordelen is door een individu en welke beoordeling hem kan worden tegengeworpen om zijn handelen af te keuren. Het is daarom nodig bescherming te waarborgen zodra de informatie schade voor het algemeen belang aan het licht brengt, ongeacht de ernst.

In dezelfde geest bevat het voorstel voor een richtlijn sancties om kwaadwillige en oneerlijke meldingen te ontmoedigen. Deze bepaling lijkt overbodig gezien de reeds bestaande bepalingen in het nationale recht waarin sancties zijn voorzien voor gevallen van laster en reputatieschade. Door te voorzien in aanvullende sancties dreigt de voorliggende tekst een afschrikkend of ontmoedigend effect te hebben, ook als er sprake is van legitieme meldingen. De rapporteur stelt voor dit tekstdeel te schrappen.

Zij is van mening dat de voorliggende tekst een eerste stap is maar belangrijke vragen doet rijzen wat betreft de uitbreiding van zijn toepassingsgebied. Volgens haar moet dit laatste snel aan een evaluatie en, indien nodig, aan een herziening worden onderworpen, teneinde de horizontale aspecten te verbeteren en de begrijpelijkheid voor de burgers te verhogen.


ADVIES VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN INZAKE DE RECHTSGROND

Dhr. Pavel Svoboda

Voorzitter

Commissie juridische zaken

BRUSSEL

Betreft:  Advies inzake de rechtsgrond van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (COM(2018)0218 – C8‑0159/2018 – 2018/0106(COD))

Geachte heer de Voorzitter,

Op 24 september 2018 heeft de Commissie juridische zaken, overeenkomstig artikel 39, lid 5, van het Reglement, op eigen initiatief besloten een advies in te dienen over de juistheid van de aanvullende rechtsgronden zoals ingevoerd door in de commissie ingediende amendementen, volgens welke bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de oorspronkelijke rechtsgrond van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden ("het voorstel") zouden worden toegevoegd.

De Commissie heeft haar voorstel op verschillende sectorale rechtsgronden gebaseerd. De rechtsgrond is als volgt geformuleerd:

"Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 16, 33, 43 en 50, artikel 53, lid 1, en de artikelen 62, 91, 100, 103, 109, 114, 168, 169, 192, 207 en 325, lid 4, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 31,"

Vijf amendementen zijn ingediend waarin wordt voorgesteld om de artikelen 19, lid 2, 77, lid 2, 78, 79, 83, lid 1, 153, 154, 157 en 352 VWEU toe te voegen. Met betrekking tot artikel 153, wordt er in twee amendementen voorgesteld om het gehele artikel toe te voegen, terwijl er in een enkel amendement wordt voorgesteld om slechts de letters a), b) en e) van lid 1 van dat artikel toe te voegen en in een ander amendement om slechts de letters a) en b) van lid 1 van artikel 153 toe te voegen.

De voorgestelde wijzigingen van de rechtsgrond gaan gepaard met overeenkomstige wijzigingen van het toepassingsgebied van de voorgestelde richtlijn. Bij de uiteindelijke beoordeling vanuit inhoudelijk oogpunt of er aanvullende rechtsgronden aan het voorstel moeten worden toegevoegd moet dan ook rekening worden gehouden met de eventuele aanneming van amendementen waarbij het toepassingsgebied wordt gewijzigd en met de doelstelling en inhoud van het voorstel zoals aangenomen. Onderhavig advies over de rechtsgrond is eerder gericht op de verenigbaarheid, vanuit procedureel oogpunt, van de rechtsgronden waarvan toevoeging wordt voorgesteld, en de verenigbaarheid ervan met de gekozen handeling, d.w.z. een richtlijn.

I – Achtergrond

Het Parlement heeft in zijn resolutie van 24 oktober 2017 over legitieme maatregelen ter bescherming van klokkenluiders die handelen in het algemeen belang en zijn resolutie van 20 januari 2017 over de rol van klokkenluiders bij de bescherming van de financiële belangen van de EU(1), de Commissie verzocht een horizontaal wetgevingsvoorstel in te dienen dat garanties biedt voor een hoog niveau van bescherming van klokkenluiders in de EU, zowel in de openbare als in de particuliere sector en bij de nationale en EU-instellingen.

Regels betreffende klokkenluiders bestaan momenteel op een aantal gebieden van het recht van de Unie, namelijk in het Statuut van de ambtenaren en in een aantal verordeningen betreffende het witwassen van geld en financiële markten.

In het onderhavige voorstel voor een richtlijn wordt de sectorale aanpak gevolgd: het voorziet in regels betreffende klokkenluiders die van toepassing zijn op schendingen van het recht van de Unie op de gebieden die genoemd worden in het toepassingsgebied en in de bijlage die een lijst bevat van de relevante onderdelen van de Unie-wetgeving die rechtstreeks worden genoemd of waarnaar wordt verwezen.

II - Relevante Verdragsbepalingen

Artikel 19 VWEU luidt als volgt:

Artikel 19

1. Onverminderd de andere bepalingen van de Verdragen, kan de Raad, binnen de grenzen van de door de Verdragen aan de Unie verleende bevoegdheden, met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, op voorstel van de Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement, passende maatregelen nemen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden.

2. Het Europees Parlement en de Raad kunnen, in afwijking van lid 1, volgens de gewone wetgevingsprocedure, stimuleringsmaatregelen van de Unie, harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten uitgezonderd, de basisbeginselen vaststellen ter ondersteuning van de maatregelen die de lidstaten nemen om bij te dragen tot de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen.

Artikel 77 VWEU luidt als volgt:

Artikel 77

1. De Unie ontwikkelt een beleid dat tot doel heeft:

(a) het voorkomen dat personen, ongeacht hun nationaliteit, bij het overschrijden van de binnengrenzen aan enige controle worden onderworpen;

(b) te zorgen voor personencontrole en efficiënte bewaking bij het overschrijden van de buitengrenzen;

(c) geleidelijk een geïntegreerd systeem voor het beheer van de buitengrenzen op te zetten.

2. Voor de toepassing van lid 1 stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen vast voor:

(a) het gemeenschappelijk beleid inzake visa en andere verblijfstitels van korte duur;

(b) de controles waaraan personen bij het overschrijden van de buitengrenzen worden onderworpen;

(c) de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen gedurende een korte periode vrij in de Unie kunnen reizen;

(d) de geleidelijke invoering van een geïntegreerd systeem van beheer van de buitengrenzen;

(e) het voorkomen dat personen, ongeacht hun nationaliteit, bij het overschrijden van de binnengrenzen aan enige controle worden onderworpen.

3. Indien een optreden van de Unie noodzakelijk blijkt om de uitoefening van het in artikel 20, lid 2, onder a), bedoelde recht te vergemakkelijken, kan de Raad, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, bepalingen inzake paspoorten, identiteitskaarten, verblijfsvergunningen en daarmee gelijkgestelde documenten vaststellen, tenzij de Verdragen in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

4. Dit artikel laat de bevoegdheid van de lidstaten inzake de geografische afbakening van hun grenzen overeenkomstig het internationaal recht onverlet.

Artikel 78 VWEU luidt als volgt:

Artikel 78

1. De Unie ontwikkelt een gemeenschappelijk beleid inzake asiel, subsidiaire bescherming en tijdelijke bescherming, teneinde iedere onderdaan van een derde land die internationale bescherming behoeft, een passende status te verlenen en de naleving van het beginsel van non-refoulement te garanderen. Dit beleid moet in overeenstemming zijn met het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen alsmede met de andere toepasselijke verdragen.

2. Voor de toepassing van lid 1 stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen vast voor een gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat omvat:

(a) een uniforme asielstatus voor onderdanen van derde landen die in de hele Unie geldt;

(b) een uniforme subsidiaire-beschermingsstatus voor onderdanen van derde landen die, als zij geen asiel krijgen in de Europese Unie, internationale bescherming behoeven;

(c) een gemeenschappelijk stelsel voor tijdelijke bescherming van ontheemden in geval van een massale toestroom;

(d) gemeenschappelijke procedures voor toekenning of intrekking van de uniforme status van asiel of van subsidiaire bescherming;

(e) criteria en instrumenten voor de vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek of van een verzoek om subsidiaire bescherming;

(f) normen betreffende de voorwaarden inzake de opvang van asielzoekers of van aanvragers van subsidiaire bescherming;

(g) partnerschap en samenwerking met derde landen om de stromen van asielzoekers of aanvragers van subsidiaire of tijdelijke bescherming te beheersen.

3. Indien een of meer lidstaten ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een noodsituatie terechtkomen, kan de Raad op voorstel van de Commissie voorlopige maatregelen ten gunste van de betrokken lidstaat of lidstaten vaststellen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel 79 VWEU luidt als volgt:

Artikel 79

1. De Unie ontwikkelt een gemeenschappelijk immigratiebeleid, dat erop gericht is in alle stadia te zorgen voor een efficiënt beheer van de migratiestromen, een billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven, en een preventie en intensievere bestrijding van illegale immigratie en mensenhandel.

2. Voor de toepassing van lid 1 stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen vast op de volgende gebieden:

(a) de voorwaarden voor toegang en verblijf, en normen betreffende de afgifte door de lidstaten van langlopende visa en verblijfstitels, onder andere met het oog op gezinshereniging;

(b) de omschrijving van de rechten van onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, alsook de voorwaarden ter regeling van het vrije verkeer en het vrije verblijf in andere lidstaten;

(c) illegale immigratie en illegaal verblijf, met inbegrip van verwijdering en repatriëring van illegaal verblijvende personen;

(d) bestrijding van mensenhandel, met name handel in vrouwen en kinderen.

3. De Unie kan overeenkomsten met derde landen sluiten waarmee de overname door hun land van oorsprong of herkomst wordt beoogd van onderdanen van derde landen die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst, aanwezigheid of verblijf op het grondgebied van een van de lidstaten.

4. Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, maatregelen vaststellen om het optreden van de lidstaten ter bevordering van de integratie van onderdanen van derde landen die legaal op hun grondgebied verblijven, aan te moedigen en te ondersteunen, met uitsluiting van enige harmonisering van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten.

5. Dit artikel laat het recht van de lidstaten onverlet, zelf te bepalen hoeveel onderdanen van derde landen, afkomstig uit derde landen, tot hun grondgebied worden toegelaten teneinde daar al dan niet in loondienst arbeid te verrichten.

Artikel 83 VWEU luidt als volgt:

Artikel 83

1. Het Europees Parlement en de Raad kunnen volgens de gewone wetgevingsprocedure bij richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie die voortvloeit uit de aard of de gevolgen van deze strafbare feiten of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden.

Het betreft de volgende vormen van criminaliteit: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de vervalsing van betaalmiddelen, computercriminaliteit en georganiseerde criminaliteit.

Afhankelijk van de ontwikkelingen in de criminaliteit kan de Raad bij besluit vaststellen, welke andere vormen van criminaliteit aan de in dit lid genoemde criteria voldoen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

2. Indien onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van het strafrecht nodig blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij richtlijnen minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en de sancties op het betrokken gebied. Onverminderd artikel 76 worden deze richtlijnen vastgesteld volgens de gewone of een bijzondere wetgevingsprocedure die gelijk is aan de procedure voor de vaststelling van de betrokken harmonisatiemaatregelen.

3. Wanneer een lid van de Raad van oordeel is dat een in de leden 1 en 2 bedoelde richtlijn afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van zijn strafrechtstelsel, kan hij verzoeken dat het ontwerp aan de Europese Raad wordt voorgelegd. In dat geval wordt de gewone wetgevingsprocedure geschorst. Na bespreking, en in geval van een consensus, verwijst de Europese Raad, binnen vier maanden na die schorsing het ontwerp terug naar de Raad, waardoor de schorsing van de gewone wetgevingsprocedure wordt beëindigd.

In geval van verschil van mening en indien ten minste 9 van de lidstaten nauwere samenwerking wensen aan te gaan op grond van de betrokken ontwerp-richtlijn, stellen zij binnen dezelfde termijn het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan in kennis. In dat geval wordt de in artikelen 20, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en 329, lid 1, van dit Verdrag bedoelde machtiging tot nauwere samenwerking geacht te zijn verleend en zijn de bepalingen betreffende nauwere samenwerking van toepassing."

Artikel 153 VWEU luidt als volgt:

Artikel 153

1. Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 151 wordt het optreden van de lidstaten op de volgende gebieden door de Unie ondersteund en aangevuld:

(a) de verbetering van met name het arbeidsmilieu, om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen;

(b) arbeidsvoorwaarden;

(c) de sociale zekerheid en de sociale bescherming van de werknemers;

(d) de bescherming van de werknemers bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst;

(e) de informatie en de raadpleging van de werknemers;

(f) de vertegenwoordiging en collectieve verdediging van de belangen van werknemers en werkgevers, met inbegrip van de medezeggenschap, onder voorbehoud van lid 5;

(g) de werkgelegenheidsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen die op wettige wijze op het grondgebied van de Unie verblijven;

(h) de integratie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, onverminderd artikel 166;

(i) de gelijkheid van mannen en vrouwen wat hun kansen op de arbeidsmarkt en de behandeling op het werk betreft;

(j) de bestrijding van sociale uitsluiting;

(k) de modernisering van de stelsels voor sociale bescherming, onverminderd punt c).

2. Te dien einde kunnen het Europees Parlement en de Raad:

(a) maatregelen aannemen die erop gericht zijn de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen door middel van initiatieven ter verbetering van de kennis, ontwikkeling van de uitwisseling van informatie en optimale praktijken, bevordering van innoverende benaderingswijzen en evaluatie van ervaringen, met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten;

(b) op de in lid 1, onder a) tot en met i), bedoelde gebieden door middel van richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen die geleidelijk van toepassing zullen worden, met inachtneming van de in elk van de lidstaten bestaande omstandigheden en technische voorschriften. In deze richtlijnen wordt vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen daardoor zou kunnen worden belemmerd.

Het Europees Parlement en de Raad besluiten volgens de gewone wetgevingsprocedure na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

Op de in lid 1, onder c), d), f) en g), bedoelde gebieden besluit de Raad volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement en de beide Comités.

De Raad kan op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen besluiten dat de gewone wetgevingsprocedure van toepassing is op lid 1, punten d), f) en g).

3. Een lidstaat kan de sociale partners, indien zij gezamenlijk daarom verzoeken, belasten met de uitvoering van de krachtens lid 2 vastgestelde richtlijnen of, in voorkomend geval, de uitvoering van een overeenkomstig artikel 155 vastgesteld besluit van de Raad.

In dat geval verzekert de lidstaat zich ervan dat de sociale partners, uiterlijk op de datum waarop een richtlijn of een besluit moet zijn omgezet of uitgevoerd, de nodige maatregelen bij overeenkomst hebben ingevoerd; de betrokken lidstaat moet zelf alle maatregelen treffen om de in de betrokken richtlijn of het betrokken besluit voorgeschreven resultaten te allen tijde te kunnen waarborgen.

4. De krachtens dit artikel vastgestelde bepalingen:

- laten het recht van de lidstaten om de fundamentele beginselen van hun socialezekerheidsstelsel vast te stellen onverlet en mogen geen aanmerkelijke gevolgen hebben voor het financiële evenwicht van dat stelsel;

- beletten niet dat een lidstaat maatregelen met een hogere graad van bescherming handhaaft of invoert welke met de Verdragen verenigbaar zijn.

5. Dit artikel is niet van toepassing op de beloning, het recht van vereniging, het stakingsrecht of het recht tot uitsluiting."

Artikel 154 VWEU luidt als volgt:

Artikel 154

1. De Commissie heeft tot taak de raadpleging van de sociale partners op het niveau van de Unie te bevorderen en treft alle maatregelen die nuttig kunnen zijn om de dialoog tussen de partners te vergemakkelijken door middel van een evenwichtige ondersteuning van de partijen.

2. Daartoe raadpleegt de Commissie, alvorens voorstellen op het gebied van de sociale politiek in te dienen, de sociale partners over de mogelijke richting van een optreden van de Unie.

3. Indien de Commissie na deze raadpleging van mening is dat een optreden van de Unie wenselijk is, raadpleegt zij de sociale partners over de inhoud van het overwogen voorstel. De sociale partners doen de Commissie een advies of, in voorkomend geval, een aanbeveling toekomen.

4. Ter gelegenheid van de in de leden 2 en 3 bedoelde raadplegingen kunnen de sociale partners de Commissie in kennis stellen van hun wens om het in artikel 155 bedoelde proces in te leiden. Dit proces neemt maximaal negen maanden in beslag, tenzij de betrokken sociale partners en de Commissie gezamenlijk besluiten tot verlenging.

Artikel 157 VWEU luidt als volgt:

Artikel 157

1. Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast.

2. Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt.

Gelijke beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in:

(a) dat de beloning voor gelijke arbeid in stukloon wordt vastgesteld op basis van een zelfde maatstaf;

(b) dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde is voor een zelfde functie.

3. Het Europees Parlement en de Raad nemen volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité maatregelen aan om de toepassing te waarborgen van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werkgelegenheid en beroep, met inbegrip van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid.

4. Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat, om volledige gelijkheid van mannen en vrouwen in het beroepsleven in de praktijk te verzekeren, maatregelen handhaaft of aanneemt waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de uitoefening van een beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren.

Artikel 352 VWEU luidt als volgt:

Artikel 352

1. Indien een optreden van de Unie in het kader van de beleidsgebieden van de Verdragen nodig blijkt om een van de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken zonder dat deze Verdragen in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen passende bepalingen vast. Wanneer de bepalingen door de Raad volgens een bijzondere wetgevingsprocedure worden vastgesteld, besluit hij eveneens met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na goedkeuring van het Europees Parlement.

2. In het kader van de in artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde procedure voor toetsing aan het subsidiariteitsbeginsel vestigt de Commissie de aandacht van de nationale parlementen op de voorstellen die op het onderhavige artikel worden gebaseerd.

3. De op het onderhavige artikel gebaseerde maatregelen mogen in gevallen waarin de Verdragen zulks uitsluiten geen harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inhouden.

4. Dit artikel kan niet als basis dienen voor het verwezenlijken van doelstellingen die tot het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid behoren en elke overeenkomstig dit artikel vastgestelde handeling eerbiedigt de in artikel 40, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie gestelde beperkingen.

III - Algemeen beginsel inzake de keuze van de rechtsgrond

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie moet de keuze van de rechtsgrond van een gemeenschapshandeling berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn, waartoe met name het doel en de inhoud van de handeling behoren(2). De keuze van een onjuiste rechtsgrond kan dan ook aanleiding vormen tot de nietigverklaring van de desbetreffende handeling.

In onderhavig geval moet derhalve worden nagegaan of het voorstel hetzij:

1.  meerdere doelen heeft of uit meerdere componenten bestaat, waarvan er één kan worden gezien als het hoofd- of overwegende doel of de hoofd- of overwegende component, terwijl de andere doelen of componenten slechts ondergeschikt zijn; hetzij

2.  tegelijkertijd een aantal doelstellingen of meerdere componenten heeft die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, waarbij niet één doelstelling of component secundair en indirect is ten opzichte van de andere.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie moet de handeling in het eerste geval op één enkele rechtsgrond worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op het hoofd- of overwegende doel of de hoofd- of overwegende component, terwijl in het tweede geval de handeling gebaseerd moet worden op de verschillende desbetreffende rechtsgronden.(3)

Bovendien is volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie de combinatie van meerdere rechtsgronden mogelijk, indien deze onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn, zonder dat de ene secundair en indirect is ten opzichte van de andere, maar uitsluitend indien deze niet onverenigbare besluitvormingsprocedures tot gevolg hebben.(4) De rechtsgronden waarvan toevoeging wordt voorgesteld moeten in dat licht worden beoordeeld; er dient derhalve te worden beoordeeld of deze in de gewone wetgevingsprocedure voorzien of anderszins met de rechtsgrond zoals voorgesteld door de Commissie verenigbaar zijn.

IV – Doel en inhoud van het voorstel

Aangezien de Commissie de rechtsgrond van haar voorstel tot stand heeft gebracht, komt elke genoemde bepaling overeen met de betreffende onderdelen in het toepassingsgebied en in de bijlage bij het voorstel. Indien bepaalde andere gebieden aan het toepassingsgebied en dientengevolge aan de bijlage worden toegevoegd zou het terecht zijn de rechtsgrond aan te passen door eveneens de betreffende artikelen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de rechtsgrond van de richtlijn toe te voegen.

V - Analyse en vaststelling van de juiste rechtsgrond

Overeenkomstig artikel 19, lid 2, VWEU, kunnen het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure, "de basisbeginselen vaststellen" van "stimuleringsmaatregelen van de Unie" ter ondersteuning van de maatregelen die de lidstaten nemen ter bestrijding van discriminatie.

Deze maatregelen kunnen echter geen "harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten" inhouden. In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 19 van het voorstel in een minimale harmonisatie voorziet: "De lidstaten kunnen bepalingen voor de rechten van melders vaststellen of handhaven die gunstiger zijn dan die welke in deze richtlijn zijn vastgelegd." Derhalve is de toevoeging van artikel 19, lid 2, VWEU, als rechtsgrond niet wenselijk.

Overeenkomstig artikel 77, lid 2, VWEU, kunnen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure "maatregelen" vaststellen op het gebied van grenscontroles, in verband met visa en verblijfstitels van korte duur; controles aan de buitengrenzen; vrijheid van reizen voor onderdanen van derde landen; een geïntegreerd systeem van beheer van de buitengrenzen; en de afwezigheid van controles aan de binnengrenzen.

Deze nieuwe rechtsgrond lijkt verenigbaar met het voorstel vanuit procedureel oogpunt.

Lid 1 van artikel 78 VWEU vormt een algemene verwijzing naar het gemeenschappelijk asielbeleid. Lid 3 betreft de vaststelling van voorlopige maatregelen in een noodsituatie en voorziet uitsluitend in raadpleging van het Europees Parlement.

Lid 2 van dat artikel voorziet in de vaststelling van "maatregelen" volgens de gewone wetgevingsprocedure voor het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, op specifieke gebieden zoals een uniforme asielstatus en een uniforme subsidiaire-beschermingsstatus; tijdelijke bescherming van ontheemden; gemeenschappelijke procedures voor internationale bescherming; normen betreffende de voorwaarden inzake de opvang; en partnerschap en samenwerking met derde landen.

Derhalve is het niet noodzakelijk artikel 78, lid 1, VWEU, als rechtsgrond toe te voegen, terwijl artikel 78, lid 3, VWEU, geen passende rechtsgrond voor het voorstel is. De toevoeging van artikel 78, lid 2, VWEU, lijkt verenigbaar met het voorstel vanuit procedureel oogpunt.

Artikel 79 VWEU betreft het gemeenschappelijk immigratiebeleid. Er dient op te worden gewezen dat de leden 1 en 5 geen rechtsgronden zijn. Lid 3 voorziet in de sluiting van overnameovereenkomsten en kan dan ook niet de rechtsgrond zijn voor de voorgestelde richtlijn. Lid 4 betreft de integratie van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven, maar sluit harmonisering van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten uit.

Lid 2 voorziet in de vaststelling van "maatregelen" volgens de gewone wetgevingsprocedure, bijvoorbeeld op het gebied van de voorwaarden voor toegang en verblijf; rechten van onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven; illegale immigratie en illegaal verblijf; en bestrijding van mensenhandel.

Dientengevolge lijkt uitsluitend de toevoeging van artikel 79, lid 2, VWEU, mogelijk vanuit procedureel oogpunt.

Artikel 83, lid 1, VWEU, voorziet weliswaar in de gewone wetgevingsprocedure, maar lid 3 van dit artikel bevat een "noodrem"-bepaling, volgens welke een lidstaat het dossier aan de Europese Raad kan voorleggen. In dat geval wordt de gewone wetgevingsprocedure geschorst.

Om deze reden is de combinatie van die bepaling met de andere rechtsgronden van het voorstel niet mogelijk.

Er moet worden opgemerkt dat maatregelen op basis van de artikelen 77, 78, 79 en 83 VWEU uitsluitend van toepassing op Ierland en het Verenigd Koninkrijk zullen zijn indien deze lidstaten hiervoor kiezen overeenkomstig Protocol nr. 21 en dat, overeenkomstig Protocol nr. 22, een dergelijke maatregel niet van toepassing op Denemarken zal zijn. De toevoeging van deze artikelen aan de rechtsgrond zou geen gevolgen hebben voor de wetgevingsprocedure in het Parlement maar zou kunnen leiden tot een mogelijke opsplitsing van het voorstel met het oog op de procedure in de Raad, aangezien het aantal lidstaten waarop de verschillende delen van de richtlijn betrekking zouden hebben verschillend zou zijn.

Artikel 153 VWEU is toegevoegd door middel van de amendementen 66, 67, 68 en 69. De amendementen 67 en 69 voegen slechts delen van dat artikel toe, namelijk de letters a), b) en e). Dit artikel bevat een lijst van specifieke gebieden van sociaal beleid, waarop het EU-optreden "het optreden van de lidstaten" kan ondersteunen en aanvullen.

De procedure voor sommige categorieën van deze lijst is niet verenigbaar met het voorstel, aangezien hiervoor eenparigheid van stemmen vereist is. De overblijvende gebieden die in de amendementen worden genoemd, waarop de gewone wetgevingsprocedure van toepassing is zonder de vereiste van eenparigheid van stemmen, worden genoemd in artikel 153, lid 1, letters a), b), en e), VWEU.

Artikel 154 VWEU is geen rechtsgrond voor een handeling van het Europees Parlement. Het bevat procedurele regels die expliciet van toepassing op de Commissie zijn. Dientengevolge moet niet worden overwogen dit artikel toe te voegen.

Wat betreft artikel 157 VWEU over het beginsel van gelijke beloning, voorziet lid 3 van dat artikel in de aanneming van "maatregelen" volgens de gewone wetgevingsprocedure om "de toepassing te waarborgen van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werkgelegenheid en beroep, met inbegrip van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid".

Artikel 157, lid 3, VWEU, lijkt dan ook verenigbaar met het voorstel vanuit procedureel oogpunt.

Ten slotte stelt artikel 352 VWEU de Europese Unie, en in het bijzonder de Raad, in staat om te handelen "indien een optreden van de Unie in het kader van de beleidsgebieden van de Verdragen nodig blijkt om een van de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken", wanneer deze niet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien.

Het voorstel brengt meerdere sectorale rechtsgronden samen om te komen tot wat op een horizontaal instrument kan lijken maar in feite een verzameling sectorale maatregelen is. Artikel 352 VWEU kan uitsluitend worden gebruikt in gevallen waarin de Verdragen niet in de vereiste bevoegdheden voorzien. Aangezien er in het recht van de Unie reeds een aantal maatregelen bestaan die in regels betreffende klokkenluiders voorzien, kan niet worden geconcludeerd dat dit hier het geval is. De toevoeging van artikel 352 VWEU is dan ook per definitie onverenigbaar met de in het voorstel van de Commissie gekozen benadering.

Bovendien is de keuze om artikel 352 VWEU toe te voegen vanuit procedureel oogpunt onverenigbaar met de andere rechtsgronden aangezien hiervoor eenparigheid van stemmen in de Raad en goedkeuring van het Parlement vereist is. Derhalve is artikel 352 VWEU geen passende rechtsgrond voor het voorstel.

VI – Conclusie en aanbeveling

De volgende bepalingen van het VWEU voorzien op zodanige wijze in de gewone wetgevingsprocedure dat deze met de bestaande rechtsgrond zoals voorgesteld door de Commissie verenigbaar zijn: de artikelen 77, lid 2, 78, lid 2), 79, lid 2), 153, lid 1), letters a), b), en e), en 157, lid 3), TFEU.

Wat betreft de artikelen 77, 78 en 79 dient te worden opgemerkt dat hoewel de toevoeging van deze artikelen niet onverenigbaar zou zijn met de procedure in het Parlement, de toevoeging ervan aan de rechtsgrond tot een mogelijke opsplitsing van het voorstel met het oog op de procedure in de Raad zou kunnen leiden.

De artikelen 83, lid 1), en 352 VWEU, zijn niet verenigbaar met de toepasselijke gewone wetgevingsprocedure en dienen niet als nieuwe rechtsgronden te worden toegevoegd. Bovendien is artikel 352 VWEU, dat uitsluitend kan worden gebruikt in gevallen waarin de verdragen niet in de vereiste bevoegdheden voorzien, per definitie onverenigbaar met de in het voorstel van de Commissie gekozen benadering.

Wat betreft artikel 154 VWEU, wordt hierin verwezen naar op de Commissie toepasselijke regels en voorziet dit artikel niet in een rechtsgrond van een handeling van het Europees Parlement en de Raad. Het kan dan ook niet aan de rechtsgrond worden toegevoegd.

Ten slotte is de toevoeging van artikel 19, lid 2, VWEU, niet wenselijk, aangezien op grond van deze bepaling harmonisatie niet is toegestaan.

De uiteindelijke keuze van de rechtsgronden die zijn geïdentificeerd als mogelijke toevoegingen aan de rechtsgrond zoals voorgesteld door de Commissie dient echter af te hangen van de aanneming van de relevante amendementen waarbij specifieke beleidsgebieden aan het toepassingsgebied van de voorgestelde richtlijn worden toegevoegd.

Op haar vergadering van 22 oktober 2018 heeft de Commissie juridische zaken bijgevolg besloten, met eenparigheid van stemmen(5), met 18 stemmen voor, de bevoegde commissie aan te bevelen bovenstaande conclusies in overweging te nemen bij haar beoordeling van de amendementen op het toepassingsgebied van de richtlijn.

Hoogachtend,

Pavel Svoboda

(1)

2016/2224(INI) http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//TEXT+TA+P8-TA-2017-0402+0+DOC+XML+V0//NL en (2016/2055(INI) http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//TEXT+REPORT+A8-2017-0004+0+DOC+XML+V0//NL.

(2)

Zaak C-45/86, Commissie/Raad (Algemene tariefpreferenties), Jurispr. 1987, blz. 1439, punt 5; zaak C-440/05, Commissie/Raad, Jurispr. 2007, blz. I-9097; Zaak C-411/06, Commissie/Parlement en Raad, Jurispr. [2009], blz. I-7585.

(3)

Zie zaak C-411/06, eerder aangehaald, punten 46-47.

(4)

  Arresten van 6 november 2008, Parlement/Raad, C-155/07, EU:C:2008:605, punt 37; en van 3 september 2009, Parlement/Raad, C-166/07, EU:C:2009:499, punten 68 en 69.

(5)

Bij de eindstemming aanwezige leden: Pavel Svoboda (voorzitter), Mady Delvaux (vicevoorzitter) Axel Voss (rapporteur voor advies), Max Andersson, Joëlle Bergeron, Marie‑Christine Boutonnet, Geoffroy Didier, Pascal Durand, Angel Dzhambazki, Heidi Hautala, Mary Honeyball, Sylvia‑Yvonne Kaufmann, Gilles Lebreton, Evelyn Regner, Tiemo Wölken, Francis Zammit Dimech, Tadeusz Zwiefka, Olle Ludvigsson (vervangt Enrico Gasbarra, overeenkomstig artikel 200, lid 2).


ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken (27.9.2018)

aan de Commissie juridische zaken

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden

(COM(2018)0218 – C8-0159/2018 – 2018/0106(COD))

Rapporteur voor advies (*): Miguel Viegas

(*)  Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

BEKNOPTE MOTIVERING

De rapporteur voor advies van ECON is zeer ingenomen met dit voorstel voor EU-brede wetgeving ter bescherming van klokkenluiders. Het Parlement heeft al lange tijd om dit voorstel verzocht, onder meer in het verslag van de PANA-commissie en in een eerder INI-verslag van JURI, waaraan ECON een bijdrage heeft geleverd.

Het voorstel bouwt tevens voort op de door ECON in het kader van eerdere wetgeving, zoals de antiwitwasrichtlijn (AMLD4-5) en de verordening marktmisbruik (MAR), voorgestelde sectorale beschermingsmaatregelen voor klokkenluiders.

De rapporteur voor advies van ECON beoogt met zijn amendementen:

•  verbetering van de definitie (artikel 3)

•  uitbreiding van het toepassingsgebied van de rechten van werknemers (artikel 1)

•  waarborging van materiële ondersteuning (artikel 15)

•  schrapping van overweging 21

•  invoering van de notie dat een klokkenluider de operationele capaciteit van surveillancediensten van de overheid niet kan vervangen

•  invoering van een duidelijk mechanisme voor toekenning van de status van klokkenluider met het oog op rechtszekerheid

•  invoering van de mogelijkheid om anoniem te blijven

•  facilitering van het gebruik van externe kanalen zonder het doorlopen van de interne kanalen

AMENDEMENTEN

De Commissie economische en monetaire zaken verzoekt de bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  Personen die voor een organisatie werken of met een organisatie in contact staan in de context van hun werkgerelateerde activiteiten, zijn vaak als eerste op de hoogte van dreigingen of schade voor het algemeen belang die zich in die context voordoen. Door de noodklok te luiden, spelen zij een belangrijke rol /bij het onthullen en voorkomen van inbreuken op de wetgeving en ter bescherming van het maatschappelijk welzijn. Potentiële klokkenluiders worden echter door vrees voor represailles vaak van melding van hun bezorgdheid of vermoedens weerhouden.

(1)  Personen die voor een organisatie werken of met een organisatie in contact staan in de context van hun werkgerelateerde activiteiten, zijn vaak als eerste op de hoogte van dreigingen of schade voor het algemeen belang die zich in die context voordoen. Deze richtlijn heeft tot doel een klimaat van vertrouwen te scheppen waarin klokkenluiders geconstateerde of vermoede inbreuken op het recht, misstanden of dreigingen voor het algemeen belang kunnen melden. Door de noodklok te luiden, spelen zij een belangrijke rol bij het onthullen en voorkomen van inbreuken op de wetgeving en bij de bescherming van het maatschappelijk welzijn. Vaak echter zien potentiële klokkenluiders er uit vrees voor represailles of juridische consequenties of vanwege een gebrek aan vertrouwen in het nut van een melding van af om hun bezorgdheid of vermoedens te melden.

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  Op Unieniveau fungeren de meldingen van klokkenluiders als een eerste fase van het proces van de handhaving van het Unierecht: zij zijn een middel om de nationale en Europese handhavingssystemen te voorzien van informatie die het mogelijk maakt om inbreuken op het Unierecht op doeltreffende wijze op te sporen, te onderzoeken en te vervolgen.

(2)  Op Unieniveau fungeren de meldingen van klokkenluiders als een eerste fase van het proces van de handhaving van het Unierecht: zij zijn een middel om de nationale en Europese handhavingssystemen te voorzien van informatie die het in veel gevallen mogelijk maakt om inbreuken op het Unierecht op doeltreffende wijze op te sporen, te onderzoeken en te vervolgen.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  Op bepaalde beleidsterreinen kunnen inbreuken op het Unierecht het algemeen belang ernstig schaden, in die zin dat zij significante risico’s voor het maatschappelijk welzijn kunnen vormen. Wanneer op dergelijke terreinen zwakke punten voor de handhaving zijn geconstateerd en klokkenluiders bij uitstek een rol kunnen spelen bij de openbaarmaking van inbreuken, moet de handhaving worden verbeterd door klokkenluiders beter te beschermen tegen represailles en doeltreffende kanalen voor melding op te zetten.

(3)  Inbreuken op het Unierecht kunnen het algemeen belang ernstig schaden, in die zin dat zij significante risico's voor het maatschappelijk welzijn kunnen vormen. Wanneer er zwakke punten in de handhaving zijn geconstateerd en klokkenluiders bij uitstek een rol kunnen spelen bij de openbaarmaking van dergelijke inbreuken, moet de handhaving worden verbeterd door klokkenluiders beter te beschermen tegen represailles en door te zorgen voor doeltreffende kanalen voor melding.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Daarom moeten er minimumnormen komen om een doeltreffende bescherming van klokkenluiders te garanderen ten aanzien van rechtshandelingen en beleidsterreinen waarvoor geldt dat i) de handhaving moet worden verbeterd, ii) onvoldoende melding van misstanden door klokkenluiders van aanzienlijke invloed is op de handhaving en iii) inbreuken op het Unierecht tot ernstige schade voor het algemeen belang leiden.

(5)  Daarom moeten er enkel minimumnormen komen om een doeltreffende bescherming van klokkenluiders te garanderen ten aanzien van rechtshandelingen, beleidsterreinen en lidstaten waarvoor er aanwijzingen zijn dat i) de handhaving moet worden verbeterd, ii) onvoldoende melding van misstanden door klokkenluiders van aanzienlijke invloed is op de handhaving en iii) inbreuken op het Unierecht tot ernstige schade voor het algemeen belang leiden.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)  Bescherming van klokkenluiders is nodig om de handhaving van de Uniewetgeving inzake overheidsopdrachten te verbeteren. Niet alleen moeten fraude en corruptie bij de uitvoering van de EU-begroting, onder meer op het gebied van overheidsopdrachten, worden voorkomen en opgespoord, ook moet worden gezorgd voor verbetering van de thans ontoereikende handhaving van de voorschriften inzake overheidsopdrachten door nationale overheden en bepaalde openbaarnutsbedrijven in het kader van de aanbesteding van goederen, werkzaamheden en diensten. Inbreuken op deze regelgeving leiden tot verstoring van de mededinging, tot hogere kosten voor het bedrijfsleven, tot schending van de belangen van investeerders en aandeelhouders en tot vermindering van de aantrekkingskracht voor investeerders en een ongelijk speelveld voor het Europese bedrijfsleven, en tasten derhalve de goede werking van de eengemaakte markt aan.

(6)  Bescherming van klokkenluiders is nodig om de handhaving van de Uniewetgeving inzake overheidsopdrachten te verbeteren. Niet alleen moeten fraude en corruptie bij de uitvoering van de EU-begroting, onder meer op het gebied van overheidsopdrachten, worden voorkomen en opgespoord, ook moet worden gezorgd voor verbetering van de thans ontoereikende handhaving van de voorschriften inzake overheidsopdrachten door nationale overheden en bepaalde openbaarnutsbedrijven in het kader van de aanbesteding van goederen, werkzaamheden en diensten. Inbreuken op deze regelgeving leiden tot verstoring van de mededinging, tot hogere kosten voor het bedrijfsleven, tot schending van de belangen van investeerders en aandeelhouders en tot vermindering van de aantrekkingskracht voor investeerders en een ongelijk speelveld voor het Europese bedrijfsleven, en tasten derhalve de goede werking van de eengemaakte markt aan. Er moet ook aandacht worden besteed aan de bescherming van degenen die melding maken van misbruik of wangedrag met betrekking tot de EU-begroting en de EU-instellingen.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 bis)  Een regeling ter bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden, vervangt niet de noodzaak tot versterking van de methoden voor toezicht door elke lidstaat en diens overheidsstructuren, waarmee belastingfraude en witwassen van geld steeds beter moeten kunnen worden bestreden, en doet evenmin afbreuk aan de noodzaak tot deelname aan internationale samenwerking op deze gebieden.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  Op het gebied van financiële diensten is de meerwaarde van de bescherming van klokkenluiders al door de Uniewetgever onderkend. In de nasleep van de financiële crisis, die ernstige tekortkomingen inzake de handhaving van de betrokken regelgeving aan het licht heeft gebracht, zijn in een aanzienlijk aantal rechtsinstrumenten op dat terrein maatregelen ter bescherming van klokkenluiders opgenomen34. In het bijzonder wordt, in de context van het prudentiële kader voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, in Richtlijn 2013/36/EU35 voorzien in bescherming van klokkenluiders, die ook geldt voor Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen.

(7)  Op het gebied van financiële diensten is de meerwaarde van de sectorale bescherming van klokkenluiders al door de Uniewetgever onderkend. In de nasleep van de financiële crisis, die ernstige tekortkomingen inzake de handhaving van de betrokken regelgeving aan het licht heeft gebracht, zijn in een aanzienlijk aantal rechtsinstrumenten op dat terrein maatregelen ter bescherming van klokkenluiders opgenomen34. In het bijzonder wordt, in de context van het prudentiële kader voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, in Richtlijn 2013/36/EU35 voorzien in bescherming van klokkenluiders, die ook geldt voor Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Uit een aantal geruchtmakende zaken waarbij Europese financiële instellingen betrokken waren, is echter gebleken dat de bescherming van klokkenluiders binnen de financiële instellingen nog steeds onbevredigend is en dat de vrees voor represailles van zowel werkgevers als autoriteiten klokkenluiders er nog steeds van weerhoudt om met informatie over inbreuken op het recht naar buiten te treden.

_________________

_________________

34 Mededeling Het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector (COM(2010) 716 definitief van 8.12.2010).

34 Mededeling Het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector (COM(2010) 716 definitief van 8.12.2010).

35 Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

35 Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)  Het belang van de bescherming van klokkenluiders in termen van het voorkomen en ontmoedigen van inbreuken op de Unievoorschriften inzake de veiligheid van het vervoer die mensenlevens in gevaar kunnen brengen, is reeds erkend in de sectorale wetgevingsinstrumenten van de Unie inzake de veiligheid van de luchtvaart38 en het zeevervoer39, die in doelgerichte maatregelen voor de bescherming van klokkenluiders en specifieke meldingskanalen voorzien. Deze instrumenten voorzien ook in bescherming tegen represailles voor werknemers die fouten melden die zijzelf te goeder trouw hebben gemaakt (de zogeheten "cultuur van billijkheid"). De bestaande elementen van de bescherming van klokkenluiders in deze twee sectoren dienen te worden aangevuld en daarnaast moet in dergelijke bescherming worden voorzien ter verbetering van de handhaving van de veiligheidsnormen voor andere vervoerswijzen, namelijk het wegvervoer en het spoorvervoer.

(9)  Het belang van de bescherming van klokkenluiders in termen van het voorkomen en ontmoedigen van inbreuken op de Unievoorschriften inzake de veiligheid van het vervoer die mensenlevens in gevaar kunnen brengen, is reeds erkend in de sectorale wetgevingsinstrumenten van de Unie inzake de veiligheid van de luchtvaart38 en het zeevervoer39, die in doelgerichte maatregelen voor de bescherming van klokkenluiders en specifieke meldingskanalen voorzien. Deze instrumenten voorzien ook in bescherming tegen represailles voor werknemers die fouten melden die zijzelf te goeder trouw hebben gemaakt (de zogeheten "cultuur van billijkheid"). De bestaande elementen van de bescherming van klokkenluiders in deze twee sectoren dienen te worden aangevuld en daarnaast moet in dergelijke bescherming worden voorzien om de handhaving van de veiligheidsnormen voor andere vervoerswijzen, namelijk het wegvervoer en het spoorvervoer, onmiddellijk te verbeteren.

_________________

_________________

38 Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 18).

38 Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 18).

39 Richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende bepaalde verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de naleving en de handhaving van het Verdrag betreffende maritieme arbeid (PB L 329 van 10.12.2013, blz. 1) en Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).

39 Richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende bepaalde verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de naleving en de handhaving van het Verdrag betreffende maritieme arbeid (PB L 329 van 10.12.2013, blz. 1) en Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)  Het verzamelen van bewijsmateriaal en het opsporen en bestrijden van milieudelicten en onrechtmatig gedrag dat in strijd is met de bescherming van het milieu levert nog steeds problemen op en derhalve is op dat gebied verbetering nodig, zoals aangegeven in de mededeling van de Commissie "EU-maatregelen om de naleving van de milieuwetgeving en milieugovernance te verbeteren" van 18 januari 201840. Aangezien momenteel slechts in één sectoraal instrument inzake milieubescherming regels inzake de bescherming van klokkenluiders zijn opgenomen41, lijkt invoering daarvan noodzakelijk om doeltreffende handhaving van het milieuacquis van de Unie te waarborgen, omdat inbreuken op het milieuacquis het algemeen belang ernstig kunnen schaden en buiten de landsgrenzen gevolgen kunnen hebben. Dit geldt ook wanneer onveilige producten tot milieuschade kunnen leiden.

(10)  Het verzamelen van bewijsmateriaal en het opsporen en bestrijden van milieudelicten en onrechtmatig gedrag dat in strijd is met de bescherming van het milieu levert helaas nog steeds problemen op en derhalve is op dat gebied verbetering nodig, zoals aangegeven in de mededeling van de Commissie "EU-maatregelen om de naleving van de milieuwetgeving en milieugovernance te verbeteren" van 18 januari 201840. Aangezien momenteel slechts in één sectoraal instrument inzake milieubescherming regels inzake de bescherming van klokkenluiders zijn opgenomen41, lijkt invoering daarvan noodzakelijk om doeltreffende handhaving van het milieuacquis van de Unie te waarborgen, omdat inbreuken op het milieuacquis het algemeen belang ernstig kunnen schaden en buiten de landsgrenzen gevolgen kunnen hebben. Dit geldt ook wanneer onveilige producten tot milieuschade kunnen leiden.

_________________

_________________

40 COM(2018) 10 final

40 COM(2018) 10 final

41 Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66).

41 Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66).

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14)  Ook de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens is een terrein waar klokkenluiders zich in een bevoorrechte positie bevinden om inbreuken op het Unierecht aan het licht te brengen die het algemeen belang ernstig kunnen schaden. Soortgelijke overwegingen gelden voor inbreuken op de richtlijn inzake de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen45, die voorziet in melding van incidenten (ook indien daardoor geen persoonsgegevens in gevaar zijn gebracht) en in beveiligingsvereisten voor aanbieders van essentiële diensten in talrijke sectoren (zoals energie, gezondheid, vervoer en bankdiensten) en aanbieders van belangrijke digitale diensten (zoals cloudcomputing). Meldingen van klokkenluiders zijn op dit terrein met name waardevol ter voorkoming van beveiligingsincidenten die belangrijke economische en sociale activiteiten en veelgebruikte digitale diensten treffen. Deze meldingen dragen bij tot de continuïteit van de verlening van diensten die essentieel zijn voor de werking van de interne markt en het maatschappelijk welzijn.

(14)  Ook de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens is een terrein waar klokkenluiders zich in een bevoorrechte positie bevinden om inbreuken op het Unierecht aan het licht te brengen die het algemeen belang ernstig kunnen schaden. Soortgelijke overwegingen gelden voor inbreuken op de richtlijn inzake de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen45, die voorziet in melding van incidenten (ook indien daardoor geen persoonsgegevens in gevaar zijn gebracht) en in beveiligingsvereisten voor aanbieders van essentiële diensten in talrijke sectoren (zoals energie, gezondheid, vervoer en bankdiensten) en aanbieders van belangrijke digitale diensten (zoals cloudcomputing). Meldingen van klokkenluiders zijn op dit terrein met name waardevol om beveiligingsincidenten die belangrijke economische en sociale activiteiten en veelgebruikte digitale diensten treffen te voorkomen. Deze meldingen dragen bij tot de continuïteit van de verlening van diensten die essentieel zijn voor de werking van de interne markt en het maatschappelijk welzijn.

_________________

_________________

45 Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie.

45 Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(18)  In bepaalde Uniehandelingen, met name op het gebied van financiële diensten, zoals Verordening (EU) nr. 596/2014 betreffende marktmisbruik49 en de op basis van die verordening vastgestelde Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2015/2392 van de Commissie50, zijn al uitvoerige voorschriften over de bescherming van klokkenluiders opgenomen. Dergelijke al bestaande Uniewetgeving, waaronder de op de lijst in deel II van de bijlage vermelde handelingen, moet door deze richtlijn worden aangevuld, op zodanige wijze dat de instrumenten volledig in overeenstemming zijn met de minimumnormen, met behoud van de specifieke bepalingen waarvoor zij zijn vastgesteld, die op de desbetreffende sector betrekking hebben. Dit is met name van belang om vast te stellen welke juridische entiteiten op het gebied van financiële diensten en de preventie van witwassen en terrorismefinanciering momenteel verplicht zijn kanalen voor interne melding op te zetten.

(18)  In bepaalde Uniehandelingen, met name op het gebied van financiële diensten, zoals Verordening (EU) nr. 596/2014 betreffende marktmisbruik49 en de op basis van die verordening vastgestelde Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2015/2392 van de Commissie50, zijn al uitvoerige voorschriften over de bescherming van klokkenluiders opgenomen. Dergelijke al bestaande Uniewetgeving, waaronder de op de lijst in deel II van de bijlage vermelde handelingen, moet door deze richtlijn worden aangevuld, op zodanige wijze dat de instrumenten volledig in overeenstemming zijn met de minimumnormen, met behoud van de specifieke bepalingen waarvoor zij zijn vastgesteld, die op de desbetreffende sector betrekking hebben. Dit is met name van belang om vast te stellen welke juridische entiteiten op het gebied van financiële diensten, de preventie van witwassen, de correcte tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/7/EU betreffende betalingsachterstanden, terrorismefinanciering en cybercriminaliteit momenteel verplicht zijn kanalen voor interne melding op te zetten. Aangezien het in deze gevallen vaak gaat om zeer complexe internationale bedrijfs- en financiële constructies, die in veel gevallen onder de bevoegdheid van verschillende jurisdicties vallen, moeten er bepalingen worden vastgesteld voor een gemeenschappelijk aanspreekpunt voor klokkenluiders.

_________________

_________________

49 PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1.

49 PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1.

50 Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2015/2392 van de Commissie van 17 december 2015 bij Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de melding van daadwerkelijke of potentiële inbreuken op deze verordening aan de bevoegde autoriteiten (PB L 332 van 18.12.2015, blz. 126).

50 Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2015/2392 van de Commissie van 17 december 2015 bij Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de melding van daadwerkelijke of potentiële inbreuken op deze verordening aan de bevoegde autoriteiten (PB L 332 van 18.12.2015, blz. 126).

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(19)  Wanneer een nieuwe handeling van de Unie wordt vastgesteld ten aanzien waarvan de bescherming van klokkenluiders relevant is en tot doeltreffender handhaving kan bijdragen, moet steeds worden overwogen of het noodzakelijk is de bijlage bij deze richtlijn te wijzigen om de desbetreffende handeling aan het toepassingsgebied toe te voegen.

(19)  Wanneer een nieuwe handeling van de Unie wordt vastgesteld ten aanzien waarvan de bescherming van klokkenluiders relevant is en tot doeltreffender handhaving kan bijdragen, moet de bijlage bij deze richtlijn worden gewijzigd om de desbetreffende handeling aan het toepassingsgebied toe te voegen.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(20)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bescherming van werknemers die inbreuken op het arbeidsrecht van de Unie melden. Met name moeten de lidstaten er overeenkomstig artikel 11 van Kaderrichtlijn 89/391/EEG reeds op toezien dat werknemers en werknemersvertegenwoordigers geen nadeel ondervinden van verzoeken of voorstellen aan de werkgever om passende maatregelen te nemen om risico’s voor de werknemers te ondervangen en/of bronnen van gevaar uit te schakelen. Werknemers en hun vertegenwoordigers hebben het recht om problemen voor te leggen aan de bevoegde nationale autoriteiten indien zij menen dat de maatregelen die de werkgever heeft getroffen, of de middelen die hij heeft ingezet, niet toereikend zijn om de veiligheid en gezondheid te verzekeren.

(20)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bescherming van werknemers die inbreuken op het arbeidsrecht van de Unie melden. Met name moeten de lidstaten er overeenkomstig artikel 11 van Kaderrichtlijn 89/391/EEG reeds op toezien dat werknemers en werknemersvertegenwoordigers geen nadeel ondervinden van verzoeken of voorstellen aan de werkgever om passende maatregelen te nemen om risico’s voor de werknemers te ondervangen en/of bronnen van gevaar uit te schakelen. Werknemers en hun vertegenwoordigers hebben het recht om problemen voor te leggen aan de bevoegde nationale of EU-autoriteiten indien zij menen dat de maatregelen die de werkgever heeft getroffen, of de middelen die hij heeft ingezet, niet toereikend zijn om de veiligheid en gezondheid te verzekeren.

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 21

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(21)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bescherming van de nationale veiligheid en van gerubriceerde informatie die uit hoofde van het Unierecht of de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat tegen ongeoorloofde toegang moet worden beschermd. Met name dienen de bepalingen van deze richtlijn de verplichtingen die voortvloeien uit Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie of Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie, onverlet te laten.

(21)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bescherming van de nationale veiligheid en van gerubriceerde informatie die uit hoofde van het Unierecht of de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat tegen ongeoorloofde toegang moet worden beschermd. Bovendien dienen de bepalingen van deze richtlijn de verplichtingen die voortvloeien uit Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie of Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie, onverlet te laten.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 26

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(26)  Bescherming dient in de eerste plaats geboden te worden aan personen die de status van "werknemer" hebben in de zin van artikel 45 VWEU, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie52, dat wil zeggen een persoon die gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens leiding prestaties levert en in ruil daarvoor een vergoeding ontvangt. Bescherming dient derhalve tevens te worden geboden aan werknemers die in een atypische arbeidsverhouding verkeren, onder wie deeltijdwerkers en werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd alsmede personen die een arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking met een uitzendbureau hebben, dat wil zeggen soorten werkgerelateerde verhoudingen waarop de standaardvormen van bescherming tegen oneerlijke behandeling vaak moeilijk toe te passen zijn.

(26)  Bescherming dient in de eerste plaats geboden te worden aan personen die de status van "werknemer" hebben in de zin van artikel 45 VWEU, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie52, dat wil zeggen een persoon die gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens leiding prestaties levert en in ruil daarvoor een vergoeding ontvangt. Bescherming dient derhalve tevens te worden geboden aan werknemers die in een atypische arbeidsverhouding verkeren, onder wie deeltijdwerkers en werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd alsmede personen die een arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking met een uitzendbureau hebben, dat wil zeggen soorten werkgerelateerde verhoudingen waarop de standaardvormen van bescherming tegen oneerlijke behandeling vaak moeilijk toe te passen zijn. Gezien het verslag van Transparency International dat in de zomer van 2018 is gepubliceerd en waarin de noodzaak van bescherming van klokkenluiders binnen de EU-instellingen wordt onderstreept, moet de bescherming zich op dezelfde wijze uitstrekken tot het EU-personeel.

_________________

_________________

52 Arresten van: 3 juli 1986 in zaak 66/85, Deborah Lawrie-Blum; 14 oktober 2010 in zaak C-428/09, Union Syndicale Solidaires Isère; 9 juli 2015 in zaak C-229/14, Balkaya; 4 december 2014 in zaak C-413/13, FNV Kunsten; en 17 november 2016 in zaak C-216/15, Ruhrlandklinik.

52 Arresten van: 3 juli 1986 in zaak 66/85, Deborah Lawrie-Blum; 14 oktober 2010 in zaak C-428/09, Union Syndicale Solidaires Isère; 9 juli 2015 in zaak C-229/14, Balkaya; 4 december 2014 in zaak C-413/13, FNV Kunsten; en 17 november 2016 in zaak C-216/15, Ruhrlandklinik.

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 28

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(28)  Doeltreffende bescherming van klokkenluiders strekt zich ook uit tot categorieën personen die weliswaar niet economisch afhankelijk zijn van hun werkgerelateerde activiteiten, maar niettemin te maken kunnen krijgen met represailles als gevolg van het onthullen van inbreuken. Represailles jegens vrijwilligers en onbezoldigde stagiairs kunnen erin bestaan dat geen gebruik meer van hun diensten wordt gemaakt, een negatieve referentie wordt afgegeven voor toekomstige banen of hun reputatie anderszins wordt geschaad.

(28)  Doeltreffende bescherming van klokkenluiders strekt zich ook uit tot categorieën personen die weliswaar niet economisch afhankelijk zijn van hun werkgerelateerde activiteiten, maar niettemin te maken kunnen krijgen met represailles als gevolg van het onthullen van inbreuken. Represailles jegens vrijwilligers en onbezoldigde stagiairs kunnen erin bestaan dat geen gebruik meer van hun diensten wordt gemaakt, een negatieve referentie wordt afgegeven voor toekomstige banen of hun reputatie of carrièremogelijkheden anderszins worden geschaad.

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 30 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(30 bis)  Er moet bescherming worden geboden aan personen die werkzaam zijn bij instellingen binnen de Unie, maar ook aan personen die werkzaam zijn bij Europese entiteiten die buiten het grondgebied van de Unie gevestigd zijn. De bescherming moet tevens worden geboden aan ambtenaren, andere personeelsleden en stagiairs van de instellingen, organen en instanties van de Unie.

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 34

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(34)  Het is aan de lidstaten om vast te stellen welke autoriteiten bevoegd zijn meldingen over inbreuken die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, te ontvangen en daaraan passende follow-up te geven. Daarbij kan het gaan om regulerende of toezichthoudende organen op de betrokken gebieden, wetshandhavingsinstanties, corruptiebestrijdingsinstanties en ombudsmannen. De als bevoegd aangewezen autoriteiten moeten over de nodige capaciteiten en bevoegdheden beschikken voor het beoordelen van de juistheid van de in de melding vervatte beweringen en het aanpakken van de gemelde inbreuken, bijvoorbeeld door over te gaan tot onderzoek, vervolging, terugvordering van middelen of andere passende corrigerende maatregelen, overeenkomstig hun mandaat.

(34)  Het is aan de lidstaten om vast te stellen welke autoriteiten bevoegd zijn meldingen over inbreuken die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, te ontvangen en daaraan passende follow-up te geven, om te zorgen voor een correcte tenuitvoerlegging en om te zorgen voor volledige, loyale en vlotte samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten, zowel binnen de lidstaat zelf als met de betrokken autoriteiten in andere lidstaten. Daarbij kan het gaan om regulerende of toezichthoudende organen op de betrokken gebieden, wetshandhavingsinstanties, corruptiebestrijdingsinstanties en ombudsmannen. De als bevoegd aangewezen autoriteiten moeten niet alleen over de nodige capaciteiten en bevoegdheden, maar ook over voldoende gekwalificeerd personeel beschikken voor het beoordelen van de juistheid van de in de melding vervatte beweringen en het aanpakken van de gemelde inbreuken, bijvoorbeeld door over te gaan tot onderzoek, vervolging, terugvordering van middelen of andere passende corrigerende maatregelen, overeenkomstig hun mandaat.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 37

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(37)  Voor een doeltreffende opsporing en preventie van inbreuken op het Unierecht is het van vitaal belang dat de relevante informatie snel degenen bereikt die het dichtst bij de bron van het probleem staan, het best in staat zijn om onderzoek te verrichten en de bevoegdheid hebben om het probleem aan te pakken, indien mogelijk. Dit betekent dat juridische entiteiten in de particuliere en de publieke sector passende interne procedures dienen op te zetten voor de ontvangst en follow-up van meldingen.

(37)  Voor een doeltreffende opsporing en preventie van inbreuken op het Unierecht is het van vitaal belang dat de relevante informatie snel degenen bereikt die het dichtst bij de bron van het probleem staan, het best in staat zijn om onderzoek te verrichten en de bevoegdheid hebben om het probleem aan te pakken, indien mogelijk. Dit betekent dat juridische entiteiten in de particuliere en de publieke sector passende interne procedures dienen op te zetten voor de ontvangst, analyse en follow-up van meldingen.

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 39

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(39)  De vrijstelling van kleine en micro-ondernemingen van de verplichting om kanalen voor interne melding op te zetten dient niet te gelden voor particuliere ondernemingen die actief zijn op het gebied van financiële dienstverlening. Dergelijke ondernemingen moeten verplicht blijven om kanalen voor interne melding op te zetten, overeenkomstig de bestaande verplichtingen als vervat in het acquis van de Unie op het gebied van financiële diensten.

(39)  De vrijstelling van kleine en micro-ondernemingen van de verplichting om kanalen voor interne melding op te zetten dient niet te gelden voor particuliere ondernemingen die actief zijn op het gebied van financiële dienstverlening of hiermee nauw verbonden zijn. Dergelijke ondernemingen moeten verplicht blijven om kanalen voor interne melding op te zetten, overeenkomstig de bestaande verplichtingen als vervat in het acquis van de Unie op het gebied van financiële diensten.

Amendement    21

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 57

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(57)  De lidstaten moeten erop toezien dat alle meldingen van een inbreuk naar behoren worden geregistreerd en dat iedere melding binnen de bevoegde autoriteit kan worden opgevraagd, en dat informatie die via de meldingen wordt ontvangen, als bewijsmateriaal kan worden gebruikt in het kader van eventuele handhavingsmaatregelen.

(57)  De lidstaten moeten erop toezien dat alle meldingen van een inbreuk naar behoren worden geregistreerd en dat iedere melding binnen de bevoegde autoriteit kan worden opgevraagd, en dat informatie die via de meldingen wordt ontvangen, als bewijsmateriaal kan worden gebruikt in het kader van eventuele handhavingsmaatregelen en, indien van toepassing, ter beschikking kan worden gesteld van de autoriteiten van andere lidstaten of de Europese Unie. Het blijft de verantwoordelijkheid van zowel de verzendende als de ontvangende autoriteiten om te zorgen voor volledige bescherming van klokkenluiders en voor volledige, loyale en vlotte samenwerking.

Amendement    22

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 62

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(62)  In de regel moeten melders eerst gebruikmaken van de interne kanalen waarover zij beschikken en meldingen richten aan hun werkgever. Het kan echter gebeuren dat er geen interne kanalen zijn (in het geval van entiteiten die dergelijke kanalen niet op grond van een verplichting uit hoofde van deze richtlijn of toepasselijk nationaal recht hoeven op te zetten), dat het gebruik ervan niet verplicht is (hetgeen het geval kan zijn voor personen zonder dienstbetrekking) of dat de interne kanalen wel zijn gebruikt, maar niet goed werkten (de melding werd bijvoorbeeld niet zorgvuldig of binnen een redelijke termijn behandeld, of er is geen actie ondernomen om de inbreuk op het recht aan te pakken, ondanks de positieve resultaten van het vooronderzoek).

(62)  Melders moeten eerst gebruikmaken van de interne kanalen waarover zij beschikken en meldingen richten aan hun werkgever. Het kan echter gebeuren dat er geen interne kanalen zijn (in het geval van entiteiten die dergelijke kanalen niet op grond van een verplichting uit hoofde van deze richtlijn of toepasselijk nationaal recht hoeven op te zetten), dat het gebruik ervan niet verplicht is (hetgeen het geval kan zijn voor personen zonder dienstbetrekking) of dat de interne kanalen wel zijn gebruikt, maar niet goed werkten (de melding werd bijvoorbeeld niet zorgvuldig of binnen een redelijke termijn behandeld, of er is geen actie ondernomen om de inbreuk op het recht aan te pakken, ondanks de positieve resultaten van het vooronderzoek).

Amendement    23

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 80

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(80)  Deze richtlijn voert minimumnormen in en het dient de lidstaten vrij te staan regelingen in te voeren of te handhaven die gunstiger zijn voor de melder, mits dergelijke bepalingen geen afbreuk doen aan de maatregelen ter bescherming van de betrokkenen.

(80)  Deze richtlijn voert minimumnormen in en de lidstaten moeten de bevoegdheid hebben en worden aangespoord om regelingen in te voeren of te handhaven die gunstiger zijn voor de melder, mits dergelijke bepalingen geen afbreuk doen aan de maatregelen ter bescherming van de betrokkenen.

Amendement    24

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 84

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(84)  De doelstelling van deze richtlijn, namelijk klokkenluiders doeltreffend beschermen met het oog op sterkere handhaving op bepaalde beleidsterreinen en met betrekking tot bepaalde rechtshandelingen waarvoor geldt dat inbreuken op het Unierecht het algemeen belang ernstig kunnen schaden, kan niet afdoende worden bereikt als de lidstaten afzonderlijk of op een ongecoördineerde wijze optreden, maar kan beter worden verwezenlijkt als de Unie minimumnormen aanreikt voor een geharmoniseerde bescherming van klokkenluiders. Bovendien kan alleen optreden van de Unie voor samenhang zorgen en de bestaande regels van de Unie inzake de bescherming van klokkenluiders stroomlijnen. De EU kan derhalve maatregelen treffen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(84)  De doelstelling van deze richtlijn, namelijk klokkenluiders doeltreffend beschermen met het oog op sterkere handhaving op bepaalde beleidsterreinen en met betrekking tot bepaalde rechtshandelingen waarvoor geldt dat inbreuken op het Unierecht het algemeen belang kunnen schaden, kan niet afdoende worden bereikt als de lidstaten afzonderlijk of op een ongecoördineerde wijze optreden, maar kan beter worden verwezenlijkt als de Unie minimumnormen aanreikt voor een geharmoniseerde bescherming van klokkenluiders. Bovendien kan alleen optreden van de Unie voor samenhang zorgen en de bestaande regels van de Unie inzake de bescherming van klokkenluiders stroomlijnen. De EU kan derhalve maatregelen treffen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

Amendement    25

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – lid 1 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Met het oog op een betere tenuitvoerlegging van het recht en het beleid van de Unie op specifieke gebieden, bevat deze richtlijn gemeenschappelijke minimumnormen voor de bescherming van melders van de navolgende onrechtmatige activiteiten of vormen van rechtsmisbruik:

1.  Met het oog op een betere tenuitvoerlegging van het recht en het beleid van de Unie op specifieke gebieden, bevat deze richtlijn gemeenschappelijke minimumnormen voor de bescherming van melders van onrechtmatige activiteiten, vormen van rechtsmisbruik of dreigingen voor het algemeen belang, waaronder:

Amendement    26

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – lid 1 – letter a – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  inbreuken die binnen het toepassingsgebied vallen van de handelingen van de Unie als beschreven in de bijlage (delen I en II), met betrekking tot de volgende gebieden:

a)  inbreuken die binnen het toepassingsgebied vallen van de handelingen van de Unie op de volgende gebieden:

Amendement    27

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – lid 1 – letter a – punt ii

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

ii)  financiële diensten en voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering;

ii)  financiële diensten, voorkoming van belastingontduiking, belastingfraude, belastingontwijking, het witwassen van geld, terrorismefinanciering, cyberterrorisme en cybercriminaliteit, corruptie en georganiseerde criminaliteit;

Amendement    28

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – lid 1 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  inbreuken op de artikelen 101, 102, 106, 107 en 108 VWEU en inbreuken die onder het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad en Verordening (EU) nr. 2015/1589 van de Raad vallen;

b)  mededingingsrecht, en met name inbreuken op de artikelen 101, 102, 106, 107 en 108 VWEU en inbreuken die onder het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad en Verordening (EU) nr. 2015/1589 van de Raad vallen;

Amendement    29

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – lid 1 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  inbreuken in verband met de interne markt, als bedoeld in artikel 26, lid 2, VWEU, met betrekking tot handelingen die in strijd zijn met de regels van de vennootschapsbelasting of constructies die erop gericht zijn een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van het toepasselijke belastingrecht ondermijnt.

d)  inbreuken in verband met de interne markt, als bedoeld in artikel 26, lid 2, VWEU, en met name met betrekking tot handelingen die in strijd zijn met de regels van de vennootschapsbelasting of constructies die erop gericht zijn een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van het toepasselijke belastingrecht ondermijnt.

Amendement    30

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Indien de in deel 2 van de bijlage vermelde sectorspecifieke handelingen van de Unie specifieke regels inzake het melden van inbreuken bevatten, zijn die regels van toepassing. De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op alle zaken betreffende de bescherming van melders die niet in voornoemde sectorspecifieke handelingen van de Unie zijn geregeld.

2.  Indien de in deel 2 van de bijlage vermelde sectorspecifieke handelingen van de Unie regels inzake het melden van inbreuken bevatten die een hoger niveau van bescherming bieden, zijn die regels van toepassing. De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op alle zaken betreffende de bescherming van melders die niet in voornoemde sectorspecifieke handelingen van de Unie zijn geregeld.

Amendement    31

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 1 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Deze richtlijn is van toepassing op melders die werkzaam zijn in de particuliere of publieke sector en die informatie over inbreuken hebben verkregen in een werkgerelateerde context, met inbegrip van ten minste de volgende personen:

1.  Deze richtlijn is van toepassing op melders en faciliteerders in de particuliere of publieke sector en die informatie over inbreuken hebben verkregen, met inbegrip van ten minste de volgende personen:

Amendement    32

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2– lid 1 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  personen met de status van werknemer in de zin van artikel 45 VWEU;

a)  personen met de status van werknemer in de zin van artikel 45 VWEU, met inbegrip van deeltijdwerkers en werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, alsmede personen met de status van ambtenaar;

Amendement    33

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 1 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  een ieder die werkt onder toezicht en leiding van aannemers, onderaannemers en leveranciers.

d)  een ieder die werkt onder toezicht en leiding van aannemers, onderaannemers, dienstverleners en leveranciers.

Amendement    34

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 1 – letter d bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

d bis)  personen die de melding faciliteren, zoals tussenpersonen of journalisten.

Amendement    35

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Deze richtlijn is ook van toepassing op melders wier werkgerelateerde verhouding nog moet aanvangen, ingeval informatie over een breuk is verkregen tijdens de aanwervingsprocedure of andere precontractuele onderhandelingen.

2.  Deze richtlijn is ook van toepassing op melders wier werkgerelateerde verhouding nog moet aanvangen, ingeval informatie over een breuk is verkregen tijdens de aanwervingsprocedure of andere precontractuele onderhandelingen, en op werkgerelateerde verhoudingen die zijn beëindigd.

Amendement    36

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  Onverminderd de artikelen 22 bis, 22 ter en 22 quater van Verordening nr. 31 (EEG), 11 (EGA), is deze richtlijn ook van toepassing op ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie die informatie melden over inbreuken in de zin van artikel 1.

Amendement    37

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – alinea 1 – punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  "inbreuken": feitelijke of mogelijke onrechtmatige activiteiten of vormen van rechtsmisbruik met betrekking tot de handelingen en beleidsterreinen van de Unie die binnen het in artikel 1 en de bijlage bedoelde toepassingsgebied vallen;

(1)  "inbreuken": feitelijke of mogelijke onrechtmatige activiteiten, nalatigheid of vormen van rechtsmisbruik met betrekking tot de handelingen op beleidsterreinen van de Unie die binnen het in artikel 1 bedoelde toepassingsgebied vallen;

Amendement    38

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – alinea 1 – punt 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  "rechtsmisbruik": handelen of nalaten dat binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt en kennelijk formeel niet onrechtmatig is, maar het doel of de toepassing van de toepasselijke regels ondermijnt;

(3)  "rechtsmisbruik": handelen of nalaten dat binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt en kennelijk formeel niet onrechtmatig is, maar het doel of de toepassing van de toepasselijke regels ondermijnt of een gevaar vormt voor het algemeen belang;

Amendement    39

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – alinea 1 – punt 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  "informatie over inbreuken": bewijs over feitelijke inbreuken alsmede redelijke vermoedens over mogelijke inbreuken die zich nog niet hebben voorgedaan;

(4)  "informatie over inbreuken": bewijs over feitelijke inbreuken alsmede vermoedens over mogelijke inbreuken die zich nog niet hebben voorgedaan;

Amendement    40

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – alinea 1 – punt 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  "melding": het verstrekken van informatie over een inbreuk die heeft plaatsgevonden of dreigt plaats te vinden binnen de organisatie waar de melder werkt of heeft gewerkt of binnen een organisatie waarmee hij uit hoofde van zijn werk in contact is geweest;

(5)  "melding": het verstrekken van informatie over een inbreuk die heeft plaatsgevonden of dreigt plaats te vinden in geval van een ernstige, onmiddellijke dreiging of wanneer sprake is van een risico op onherstelbare schade;

Amendement    41

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – alinea 1 – punt 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)  "openbaarmaking": het in het publieke domein brengen van in een werkgerelateerde context verkregen informatie over inbreuken;

(8)  "openbaarmaking": het in het publieke domein brengen van informatie over inbreuken;

Amendement    42

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – alinea 1 – punt 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)  "melder": een natuurlijke persoon of rechtspersoon die informatie over inbreuken meldt of openbaar maakt die hij in de context van zijn werkgerelateerde activiteiten heeft verkregen;

(9)  "melder": een natuurlijke persoon of rechtspersoon die informatie over inbreuken meldt of openbaar maakt of risico loopt het slachtoffer te worden van vergeldingsmaatregelen; dit omvat personen die buiten de traditionele relatie werkgever/werknemer vallen, zoals adviseurs, contractanten, stagiaires, vrijwilligers, studenten, tijdelijke werknemers en voormalige werknemers;

Amendement    43

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – alinea 1 – punt 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12)  "represaille": een dreigend of feitelijk handelen of nalaten naar aanleiding van een interne of externe melding, dat binnen een werkgerelateerde context plaatsvindt en tot ongerechtvaardigde benadeling van de melder leidt of kan leiden;

(12)  "represaille": een dreigend of feitelijk handelen of nalaten naar aanleiding van een interne, externe melding of openbaarmaking, dat tot ongerechtvaardigde benadeling van de melder, de vermoede melder, of zijn of haar gezinsleden, familieleden of faciliteerders leidt of kan leiden;

Amendement    44

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – alinea 1 – punt 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13)  "follow-up": optreden van de ontvanger van de interne of externe melding om de juistheid van de beweringen in de melding na te gaan en de gemelde inbreuk zo nodig aan te pakken, via maatregelen zoals intern vooronderzoek, vervolging, terugvordering van middelen en afsluiting;

(13)  "follow-up": optreden van de ontvanger van de interne of externe melding om de juistheid van de beweringen in de melding na te gaan en de gemelde inbreuk zo nodig aan te pakken, via maatregelen zoals intern vooronderzoek, vervolging, terugvordering van middelen en afsluiting of enige andere passende corrigerende of matigende maatregel;

Amendement    45

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – alinea 1 – punt 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14)  "bevoegde autoriteit": een nationale autoriteit die gerechtigd is meldingen overeenkomstig hoofdstuk III te ontvangen en die is aangewezen om de in deze richtlijn vervatte plichten te vervullen, met name wat betreft de follow-up van de meldingen.

(14)  "bevoegde autoriteit": een wettelijk verantwoordelijke autoriteit van de Unie of van een lidstaat die gerechtigd is meldingen overeenkomstig hoofdstuk III te ontvangen en die is aangewezen om de in deze richtlijn vervatte plichten te vervullen, met name wat betreft de follow-up van de meldingen.

Amendement    46

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat juridische entiteiten in de particuliere en de publieke sector interne kanalen en procedures voor melding en follow-up van meldingen opzetten, na overleg met de sociale partners, indien van toepassing.

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat juridische entiteiten in de particuliere en de publieke sector interne kanalen en procedures voor melding en follow-up van meldingen opzetten, na overleg met de sociale partners.

Amendement    47

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Dergelijke kanalen en procedures bieden de werknemers van de entiteit de mogelijkheid een melding te doen. Zij kunnen ook andere personen die in contact staan met de entiteit in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), c) en d), deze mogelijkheid bieden, maar het gebruik van interne kanalen voor melding is niet verplicht voor deze categorieën personen.

2.  Dergelijke kanalen en procedures bieden de werknemers van de entiteit de mogelijkheid een melding te doen. Zij bieden ook andere personen die in contact staan met de entiteit in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), c) en d), deze mogelijkheid, maar het gebruik van interne kanalen voor melding is niet verplicht voor deze categorieën personen.

Amendement    48

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 3 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

particuliere juridische entiteiten met een jaaromzet of jaarlijks balanstotaal van 10 miljoen EUR of meer;

particuliere juridische entiteiten met een jaaromzet of jaarlijks balanstotaal van het bedrijf of de groep van 10 miljoen EUR of meer;

Amendement    49

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 3 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  particuliere juridische entiteiten, ongeacht hun omvang, die actief zijn op het gebied van financiële diensten of kwetsbaar zijn waar het gaat om witwassen van geld of terrorismefinanciering, als geregeld krachtens de handelingen van de Unie waarnaar in de bijlage wordt verwezen.

c)  particuliere juridische entiteiten, ongeacht hun omvang, die actief zijn op het gebied van financiële diensten of kwetsbaar zijn waar het gaat om witwassen van geld, terrorismefinanciering of cybercriminaliteit, als geregeld krachtens de handelingen van de Unie waarnaar in de bijlage wordt verwezen.

Amendement    50

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 6 – letter d bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

d bis)  instellingen, organen en instanties van de Europese Unie;

Amendement    51

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 1 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  kanalen voor het ontvangen van meldingen die door hun ontwerp, opzet en beheer de geheimhouding van de identiteit van de melder waarborgen en waartoe niet-gemachtigde personeelsleden geen toegang hebben;

a)  kanalen voor het ontvangen van meldingen die zodanig van ontwerp en opzet zijn en zodanig worden beheerd dat de ontvangst van de melding wordt bevestigd, dat de geheimhouding van de identiteit of de anonimiteit van de melder gewaarborgd is, en dat niet-gemachtigde personeelsleden daartoe geen toegang hebben.

Amendement    52

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 1 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  een redelijke termijn, van ten hoogste drie maanden vanaf de melding, om de melder feedback te geven over de follow-up van de melding;

d)  een redelijke termijn, van ten hoogste drie maanden vanaf de melding, om de melder substantiële feedback te geven over de follow-up van de melding;

Amendement    53

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 2 – alinea 1 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  schriftelijke meldingen in elektronische vorm of op papier en/of mondelinge meldingen via een telefoonlijn, al dan niet met gespreksopname;

a)  schriftelijke meldingen in elektronische vorm of op papier en/of mondelinge meldingen via een telefoonlijn, al dan niet met gespreksopname; voor het opnemen van een telefoongesprek is voorafgaande toestemming van de melder noodzakelijk;

Amendement    54

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 2 – alinea 1 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  fysieke ontmoetingen met de persoon of de dienst die is aangewezen voor de ontvangst van meldingen.

b)  fysieke ontmoetingen met de persoon of de dienst die is aangewezen voor de ontvangst van meldingen, indien de melder dit wenst in aanwezigheid van een vakbondsvertegenwoordiger of zijn juridisch vertegenwoordiger;

Amendement    55

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – lid 2 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  onafhankelijke en autonome meldingskanalen opzetten, die veilig zijn en de geheimhouding waarborgen, voor het ontvangen en in behandeling nemen van door de melder verstrekte informatie;

a)  onafhankelijke en autonome meldingskanalen opzetten, die veilig zijn en de geheimhouding waarborgen, voor het ontvangen en in behandeling nemen van door de melder verstrekte informatie, anonieme meldingen mogelijk maken en de persoonsgegevens van klokkenluiders beschermen;

Amendement    56

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – lid 2 – letter a bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

a bis)  kosteloos en onafhankelijk advies en juridische ondersteuning voor melders en tussenpersonen bevorderen;

Amendement    57

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – lid 2 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  de melder binnen een redelijke termijn, van ten hoogste drie maanden of in naar behoren gemotiveerde gevallen, zes maanden, feedback geven over de follow-up van de melding;

b)  de ontvangst van de melding bevestigen, de melder binnen een redelijke termijn, van ten hoogste drie maanden of in naar behoren gemotiveerde gevallen, zes maanden, feedback geven over de follow-up van de melding;

Amendement    58

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – lid 2 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  de informatie in de melding naargelang van het geval aan de bevoegde organen of instanties van de Unie doorgeven voor verder onderzoek, indien het nationale recht of Unierecht hierin voorziet.

c)  de informatie in de melding naargelang van het geval aan de bevoegde organen of instanties van de Unie of de andere lidstaten doorgeven voor verder onderzoek.

Amendement    59

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – lid 2 – letter c bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c bis)  volledig, loyaal en vlot samenwerken met andere lidstaten en EU-autoriteiten.

Amendement    60

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten follow-up aan de meldingen geven door de noodzakelijke maatregelen te nemen en, voor zover mogelijk, het voorwerp van de meldingen te onderzoeken. De bevoegde autoriteiten stellen de melder in kennis van het eindresultaat van het onderzoek.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten follow-up aan de meldingen geven door de noodzakelijke maatregelen te nemen en, voor zover mogelijk, het voorwerp van de meldingen te onderzoeken. De bevoegde autoriteiten stellen de melder en alle andere betrokken lidstaten en bevoegde autoriteiten, instanties en agentschappen van de EU in kennis van het eindresultaat van het onderzoek.

Amendement    61

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat elke autoriteit die een melding heeft ontvangen, maar niet bevoegd is om de gemelde inbreuk aan te pakken, de melding doorzendt aan de bevoegde autoriteit en dat de melder hierover wordt geïnformeerd.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat elke autoriteit die een melding heeft ontvangen, maar niet bevoegd is om de gemelde inbreuk aan te pakken, de melding doorzendt aan de bevoegde autoriteit en dat de melder hierover wordt geïnformeerd. De lidstaten zorgen ervoor dat bevoegde autoriteiten die meldingen ontvangen maar niet bevoegd zijn om deze te af te handelen, over duidelijke procedures beschikken voor de behandeling van de openbaargemaakte informatie op veilige en vertrouwelijke wijze.

Amendement    62

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7 – lid 1 – letter c bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c bis)  zij bevorderen kosteloos en onafhankelijk advies en juridische ondersteuning voor melders en tussenpersonen;

Amendement    63

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7 – lid 2 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  tijdens een fysieke ontmoeting met personeelsleden van de bevoegde autoriteit die met de behandeling van meldingen zijn belast.

c)  tijdens een fysieke ontmoeting met personeelsleden van de bevoegde autoriteit die met de behandeling van meldingen zijn belast, indien de melder dit wenst, in aanwezigheid van een vakbondsvertegenwoordiger of juridisch vertegenwoordiger, waarbij vertrouwelijkheid wordt gewaarborgd en de anonimiteit wordt geëerbiedigd.

Amendement    64

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten beschikken over personeelsleden die specifiek belast zijn met de behandeling van meldingen. Deze personeelsleden worden specifiek opgeleid voor de behandeling van meldingen van inbreuken.

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten beschikken over een voldoende aantal bevoegde personeelsleden die specifiek belast zijn met de behandeling van meldingen. Deze personeelsleden worden specifiek opgeleid voor de behandeling van meldingen van inbreuken.

Amendement    65

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8 – lid 2 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  het onderhouden van contact met de melder om deze te informeren over de vooruitgang en het resultaat van het onderzoek.

c)  het onderhouden van vertrouwelijk contact met de melder om deze te informeren over de vooruitgang en het resultaat van het onderzoek.

Amendement    66

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 9 – lid 1 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  een redelijke termijn, van ten hoogste drie maanden of, in naar behoren gemotiveerde gevallen, zes maanden, om de melder feedback te geven over de follow-up van de melding en over de aard en inhoud van deze feedback;

b)  een redelijke termijn, van ten hoogste drie maanden of, in naar behoren gemotiveerde gevallen, zes maanden, om de melder substantiële feedback te geven over de follow-up van de melding en over de aard en inhoud van deze feedback;

Amendement    67

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 10 – alinea 1 – letter g bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

g bis)  de contactgegevens van maatschappelijke organisaties waar kosteloos juridisch advies kan worden verkregen.

Amendement    68

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Een melder komt in aanmerking voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn als hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de gemelde informatie juist was op het moment van melding en dat deze informatie binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn valt.

1.  Een melder komt in aanmerking voor bescherming en krijgt de status van melder uit hoofde van deze richtlijn als hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de gemelde informatie juist was op het moment van melding en dat deze informatie binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn valt, ongeacht het gekozen kanaal voor melding. De bescherming geldt ook voor personen die te goeder trouw onjuiste onthullingen doen en melders moeten daadwerkelijk beschermd worden terwijl een onthulling op juistheid wordt onderzocht.

Amendement    69

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 – lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.  Personen die anoniem informatie die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt, openbaar maken en wier identiteit wordt onthuld, komen ook in aanmerking voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn.

Amendement    70

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 – lid 1 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 ter.  De lidstaten stellen duidelijke criteria vast voor het toekennen van de rechten en het verlenen van de bescherming waarin deze richtlijn voorziet aan melders vanaf het moment dat zij een melding verrichten.

Amendement    71

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Een melder die een externe melding verricht, komt in aanmerking voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn als een van de volgende voorwaarden is vervuld:

Schrappen

a)  de melder heeft eerst een interne melding gedaan, maar naar aanleiding daarvan zijn geen passende maatregelen genomen binnen de redelijke termijn bedoeld in artikel 5;

 

b)  er stonden de melder geen kanalen voor interne melding ter beschikking of de melder kon niet redelijkerwijs worden geacht op de hoogte te zijn van de beschikbaarheid van dergelijke kanalen;

 

c)  het gebruik van kanalen voor interne meldingen was niet verplicht voor de melder, overeenkomstig artikel 4, lid 2,

 

d)  de melder kon niet redelijkerwijs worden geacht gebruik te maken van kanalen voor interne melding, gezien de inhoud van de melding;

 

e)  de melder had gerede gronden om aan te nemen dat het gebruik van kanalen voor interne melding de doeltreffendheid van onderzoeksacties door bevoegde autoriteiten in gevaar zou kunnen brengen;

 

f)  de melder was op grond van Unierecht gerechtigd om de melding direct via externe meldingskanalen tot een bevoegde autoriteit te richten.

 

Amendement    72

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  Een persoon die informatie openbaar maakt over inbreuken die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, komt in aanmerking voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn als:

Schrappen

a) hij eerst een interne en/of externe melding heeft verricht overeenkomstig de hoofdstukken II en III en lid 2 van dit artikel, maar er naar aanleiding van die melding geen passende maatregelen werden genomen binnen de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, lid 2, onder b), en artikel 9, lid 1, onder b); of

 

b) hij niet redelijkerwijs kon worden geacht gebruik te maken van kanalen voor interne en/of externe melding, wegens dreigend of manifest gevaar voor het algemeen belang, de bijzondere omstandigheden van de zaak of een risico op onherstelbare schade.

 

Amendement    73

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 14 – alinea 1 – letter g

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

g)  dwang, intimidatie, pesterijen en uitsluiting op het werk;

g)  dwang, intimidatie, pesterijen en uitsluiting;

Amendement    74

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 14 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 14 bis

 

Ondersteuning van de melder of melders door een onafhankelijke derde

 

1. De lidstaten kunnen bepalen dat de melder of de persoon die voornemens is een melding te doen of bepaalde informatie openbaar te maken tijdens deze procedure ondersteuning geboden wordt. Bij de ondersteuning wordt de identiteit van de in dit lid bedoelde personen geheimgehouden. De ondersteuning kan met name bestaan uit:

 

a) onpartijdig, vertrouwelijk en kosteloos advies, met name met betrekking tot het toepassingsgebied van deze richtlijn, de kanalen voor het doen van een melding en de aan de melder geboden bescherming, alsmede diens rechten;

 

b) juridisch advies in geval van een geschil;

 

c) psychologische ondersteuning.

 

2. Deze ondersteuning kan worden geboden door een onafhankelijke administratieve autoriteit, vakbond of andere organisatie die werknemers vertegenwoordigt of een geaccrediteerd orgaan dat daartoe door de lidstaat is aangewezen, mits aan de volgende criteria is voldaan:

 

a) het is op geldige wijze volgens het recht van een lidstaat opgericht;

 

b) het heeft een legitiem belang bij het waarborgen van de naleving van de bepalingen van deze richtlijn; en

 

c) het heeft geen winstoogmerk.

Amendement    75

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

8.  Naast het verlenen van rechtsbijstand aan melders in strafrechtelijke procedures en in grensoverschrijdende civiele procedures overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/1919 en Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad63, en overeenkomstig de nationale wetgeving, kunnen de lidstaten voorzien in verdere maatregelen om melders juridische en financiële bijstand en steun te bieden in het kader van een gerechtelijke procedure.

8.  Naast het verlenen van rechtsbijstand aan melders in strafrechtelijke procedures en in grensoverschrijdende civiele procedures overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/1919 en Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad63, en overeenkomstig de nationale wetgeving, kunnen de lidstaten besluiten om te voorzien in verdere maatregelen om melders juridische en financiële bijstand en steun te bieden in het kader van een gerechtelijke procedure, alsook financiële steun in gevallen van tijdelijke inkomstenderving.

__________________

__________________

63 Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken (PB L 136 van 24.5.2008, blz. 3).

63 Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken (PB L 136 van 24.5.2008, blz. 3).

Amendement    76

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 15 bis

 

Verplichting tot geheimhouding van de identiteit van de melder

 

1. De identiteit van de melder of melders mag niet worden onthuld zonder zijn of haar uitdrukkelijke toestemming. Deze geheimhoudingsplicht geldt ook ten aanzien van informatie die kan worden gebruikt om de melder te identificeren.

 

2. Een persoon die de beschikking heeft over de in lid 1 bedoelde informatie of die deze informatie verkrijgt mag deze informatie niet openbaar maken.

 

3. De omstandigheden waaronder, in afwijking van lid 2, informatie inzake de identiteit van de melder kan worden onthuld beperken zich tot uitzonderlijke gevallen waarin de openbaarmaking van die informatie een noodzakelijke en evenredige verplichting is die door de wetgeving van de Unie of door nationale wetgeving wordt opgelegd in het kader van een onderzoek of een gerechtelijke procedure dan wel ter bescherming van de vrijheden van anderen, zoals het recht op verdediging van de betrokkene, waarbij telkens passende waarborgen krachtens die wetgeving van toepassing zijn. In dergelijke gevallen moeten passende en doeltreffende maatregelen worden genomen om de veiligheid en het welzijn van de melder of melders te waarborgen.

 

4. In de in lid 3 bedoelde gevallen stelt de persoon die is aangewezen om de melding te ontvangen, de melder tijdig in kennis voordat zijn identiteit wordt onthuld en pleegt hij of zij met hem of haar overleg over mogelijke alternatieve maatregelen.

 

5. De interne en externe kanalen voor melding zijn zodanig ontworpen dat de geheimhouding van de identiteit van de melder is gewaarborgd en niet-gemachtigde personen daartoe geen toegang hebben. Er wordt informatie bewaard over welke personeelsleden toegang hebben gehad tot vertrouwelijke informatie, met inbegrip van het tijdstip en de data van die toegang.

Amendement    77

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 17 – lid 1 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  de verplichting tot geheimhouding van de identiteit van melders schenden.

d)  de verplichting tot geheimhouding van de identiteit of de anonimiteit van melders schenden.

Amendement    78

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 17 – lid 1 – letter d bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

d bis)  na sluiting van de zaak opnieuw de door de melder gemelde inbreuk plegen.

Amendement    79

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 17 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties toepasselijk zijn op personen die kwaadwillige of oneerlijke meldingen of openbaarmakingen verrichten, met inbegrip van maatregelen om personen schadeloos te stellen die schade hebben ondervonden van kwaadwillige of oneerlijke meldingen of openbaarmakingen.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties toepasselijk zijn op personen die kwaadwillige of oneerlijke meldingen of openbaarmakingen verrichten.

Amendement    80

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 17 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 17 bis

 

Verplichting tot samenwerking

 

1. De autoriteiten van de lidstaten die in kennis worden gesteld van inbreuken op het Unierecht, zoals bedoeld in deze richtlijn, zijn verplicht alle andere betrokken autoriteiten van de lidstaten en/of instanties en agentschappen van de EU onverwijld te informeren en daarmee op loyale, doeltreffende en vlotte wijze samen te werken.

 

2. De autoriteiten van de lidstaten die door de autoriteiten van andere lidstaten in kennis worden gesteld van mogelijke inbreuken op het Unierecht, zoals bedoeld in deze richtlijn, moeten inhoudelijk reageren en meedelen welke maatregelen zij in verband met die kennisgeving hebben genomen, een officiële ontvangstbevestiging afgeven en een contactpunt voor verdere samenwerking vermelden.

 

3. De autoriteiten van de lidstaten zijn verplicht de ontvangen vertrouwelijke informatie te beschermen, met name met betrekking tot de identiteit en andere persoonsgegevens van de melders.

 

4. De autoriteiten van de lidstaten zijn verplicht vertrouwelijke toegang te verlenen tot de van de melders ontvangen informatie en verzoeken om nadere informatie tijdig te vergemakkelijken.

 

5. De autoriteiten van de lidstaten zijn verplicht alle relevante informatie over inbreuken op het Unierecht of het nationale recht in internationale gevallen met andere bevoegde autoriteiten van de lidstaten op een tijdige wijze te delen.

Amendement    81

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 17 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 17 ter

 

Geen afstand van rechten en rechtsmiddelen

 

De in deze richtlijn voorziene rechten en rechtsmiddelen mogen niet terzijde worden gesteld of beperkt door arbeidsovereenkomsten, -beleid, -vormen of -voorwaarden, noch door aan geschillen voorafgaande arbitrageovereenkomsten. Elke poging om deze rechten en rechtsmiddelen terzijde te stellen of te beperken, wordt als nietig en niet-afdwingbaar beschouwd.

Amendement    82

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 20 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  Bij de omzetting van deze richtlijn kunnen de lidstaten overwegen een onafhankelijke autoriteit voor de bescherming van klokkenluiders op te richten.

Amendement    83

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 22 bis

 

Actualisering van de bijlagen

 

Wanneer een nieuwe handeling van de EU onder het in artikel 1, lid 1, onder a), of het in artikel 1, lid 2, vastgestelde materiële toepassingsgebied valt, past de Commissie de bijlagen dienovereenkomstig aan door middel van een gedelegeerde handeling. 

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden

Document- en procedurenummers

COM(2018)0218 – C8-0159/2018 – 2018/0106(COD)

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

JURI

28.5.2018

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

ECON

28.5.2018

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Miguel Viegas

31.5.2018

Behandeling in de commissie

29.8.2018

24.9.2018

 

 

Datum goedkeuring

24.9.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

15

7

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pervenche Berès, Markus Ferber, Jonás Fernández, Giuseppe Ferrandino, Sven Giegold, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Barbara Kappel, Philippe Lamberts, Werner Langen, Sander Loones, Bernd Lucke, Olle Ludvigsson, Ivana Maletić, Marisa Matias, Gabriel Mato, Bernard Monot, Luděk Niedermayer, Stanisław Ożóg, Pirkko Ruohonen-Lerner, Anne Sander, Martin Schirdewan, Pedro Silva Pereira, Ernest Urtasun, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Miguel Viegas, Steven Woolfe, Marco Zanni, Esther de Lange

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Doru-Claudian Frunzulică, Ramón Jáuregui Atondo, Rina Ronja Kari, Jeppe Kofod, Marcus Pretzell, Michel Reimon, Romana Tomc, Lieve Wierinck, Roberts Zīle, Sophia in ‘t Veld

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Edouard Martin, Julia Pitera, Virginie Rozière, Sabine Verheyen, Anna Záborská

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

24

+

ECR

Pirkko Ruohonen-Lerner

EFDD

Bernard Monot, Marco Valli

GUE/NGL

Rina Ronja Kari, Marisa Matias, Martin Schirdewan, Miguel Viegas

PPE

Anne Sander, Tom Vandenkendelaere

S&D

Pervenche Berès, Jonás Fernández, Giuseppe Ferrandino, Doru-Claudian Frunzulică, Roberto Gualtieri, Ramón Jáuregui Atondo, Jeppe Kofod, Olle Ludvigsson, Edouard Martin, Virginie Rozière, Pedro Silva Pereira

Verts/ALE

Sven Giegold, Philippe Lamberts, Michel Reimon, Ernest Urtasun

15

-

ECR

Sander Loones

ENF

Barbara Kappel, Marcus Pretzell

NI

Steven Woolfe

PPE

Markus Ferber, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Werner Langen, Ivana Maletić, Gabriel Mato, Luděk Niedermayer, Julia Pitera, Romana Tomc, Sabine Verheyen, Anna Záborská

7

0

ALDE

Lieve Wierinck, Sophia in 't Veld

ECR

Bernd Lucke, Stanisław Ożóg, Roberts Zīle

ENF

Marco Zanni

PPE

Esther de Lange

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (8.11.2018)

aan de Commissie juridische zaken

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden

(COM(2018)0218 – C8-0159/2018 – 2018/0106(COD))

Rapporteur voor advies (*): Maite Pagazaurtundúa Ruiz

(*)  Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

AMENDEMENTEN

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Visum 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 16, 33, 43 en 50, artikel 53, lid 1, en de artikelen 62, 91, 100, 103, 109, 114, 168, 169, 192, 207 en 325, lid 4, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 31,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 9, 10, 11, 12, 15, 16, 33, 43 en 50, artikel 53, lid 1, en de artikelen 62, 91, 100, 103, 109, 114, 168, 169, 192, 207, 325, lid 4, en 352, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 31,

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Visum 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Visum 6 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Gezien de resolutie van het Europees Parlement van 14 februari 2017 over de rol van klokkenluiders bij de bescherming van de financiële belangen van de EU,

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Visum 6 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Gezien de resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over legitieme maatregelen ter bescherming van klokkenluiders die handelen in het algemeen belang bij het onthullen van vertrouwelijke informatie van bedrijven en overheidsinstanties,

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Visum 6 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  Personen die voor een organisatie werken of met een organisatie in contact staan in de context van hun werkgerelateerde activiteiten, zijn vaak als eerste op de hoogte van dreigingen of schade voor het algemeen belang die zich in die context voordoen. Door de noodklok te luiden, spelen zij een belangrijke rol /bij het onthullen en voorkomen van inbreuken op de wetgeving en ter bescherming van het maatschappelijk welzijn. Potentiële klokkenluiders worden echter door vrees voor represailles vaak van melding van hun bezorgdheid of vermoedens weerhouden.

(1)  Personen die voor een organisatie werken of hebben gewerkt of met een organisatie in contact staan of hebben gestaan, zijn vaak als eerste op de hoogte van dreigingen, misdadige of illegale activiteiten of schade voor het algemeen belang die zich in die context voordoen. Door de noodklok te luiden, spelen zij een belangrijke rol bij het onthullen en voorkomen van inbreuken op de wetgeving, ter bescherming van het maatschappelijk welzijn en ter bescherming van het grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en informatie. Klokkenluiders spelen een cruciale rol bij het aan het licht brengen van misstanden en onethisch of oneerlijk gedrag ten aanzien van het algemeen belang. Het is vaak moeilijk voor hen om de rechtmatigheid van feiten te beoordelen, maar volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is het niet aan de klokkenluiders om een juridische beoordeling uit te voeren, zolang zij te goeder trouw handelen in de veronderstelling dat de informatie juist is. Potentiële klokkenluiders worden echter door vrees voor represailles vaak van melding van hun bezorgdheid of vermoedens weerhouden, wanneer zij onregelmatigheden, wanbeheer, misbruik van fondsen, wanbeleid of mogelijke corruptie in verband met de activiteiten van publieke en private organen binnen de Unie onthullen; zij worden en voelen zich niet echt beschermd.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  Op Unieniveau fungeren de meldingen van klokkenluiders als een eerste fase van het proces van de handhaving van het Unierecht: zij zijn een middel om de nationale en Europese handhavingssystemen te voorzien van informatie die het mogelijk maakt om inbreuken op het Unierecht op doeltreffende wijze op te sporen, te onderzoeken en te vervolgen.

(2)  Op Unieniveau fungeren de meldingen van klokkenluiders en onderzoeksjournalisten als een eerste fase van het proces van de handhaving van het Unierecht: zij zijn een middel om de nationale en Europese handhavingssystemen te voorzien van informatie die het mogelijk maakt om inbreuken op het Unierecht op doeltreffende wijze op te sporen, te onderzoeken en te vervolgen.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  Op bepaalde beleidsterreinen kunnen inbreuken op het Unierecht het algemeen belang ernstig schaden, in die zin dat zij significante risico's voor het maatschappelijk welzijn kunnen vormen. Wanneer op dergelijke terreinen zwakke punten voor de handhaving zijn geconstateerd en klokkenluiders bij uitstek een rol kunnen spelen bij de openbaarmaking van inbreuken, moet de handhaving worden verbeterd door klokkenluiders beter te beschermen tegen represailles en doeltreffende kanalen voor melding op te zetten.

(3)  Inbreuken op het Unierecht kunnen het algemeen belang en de uitoefening van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden ernstig schaden. Het is noodzakelijk klokkenluiders beter te beschermen tegen represailles en doeltreffende en vertrouwelijke kanalen voor melding op te zetten.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  De bescherming van klokkenluiders loopt in de EU van lidstaat tot lidstaat uiteen en is niet op alle beleidsterreinen even goed. De gevolgen van inbreuken op het Unierecht met een grensoverschrijdende dimensie die door toedoen van klokkenluiders aan het licht zijn gekomen, illustreren dat ontoereikende bescherming in één land niet alleen negatieve gevolgen kan hebben voor de werking van het EU-beleid in dat land, maar ook haar weerslag kan hebben op andere lidstaten en de EU in haar geheel.

(4)  De bescherming van klokkenluiders loopt in de EU van lidstaat tot lidstaat uiteen en is niet op alle beleidsterreinen even goed. Klokkenluiders worden beschermd als zij inbreuken op het recht, misstanden of wangedrag in het algemeen belang openbaar maken. Ontoereikende bescherming in één lidstaat kan niet alleen negatieve gevolgen hebben voor de werking van het EU-beleid in die lidstaat, maar kan ook haar weerslag hebben op andere lidstaten en de EU in haar geheel.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Daarom moeten er minimumnormen komen om een doeltreffende bescherming van klokkenluiders te garanderen ten aanzien van rechtshandelingen en beleidsterreinen waarvoor geldt dat i) de handhaving moet worden verbeterd, ii) onvoldoende melding van misstanden door klokkenluiders van aanzienlijke invloed is op de handhaving en iii) inbreuken op het Unierecht tot ernstige schade voor het algemeen belang leiden.

(5)  Daarom moeten er wettelijke minimumnormen komen om een doeltreffende bescherming van klokkenluiders aan de hand van een algemene en alomvattende aanpak te garanderen ten aanzien van nationale en Uniehandelingen en beleidsterreinen waarvoor geldt dat i) de handhaving moet worden verbeterd, ii)voldoende melding van misstanden door klokkenluiders van aanzienlijke invloed is op de handhaving en iii) inbreuken op het nationale of Unierecht tot ernstige schade voor het algemeen belang leiden.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)  Het belang van de bescherming van klokkenluiders in termen van het voorkomen en ontmoedigen van inbreuken op de Unievoorschriften inzake de veiligheid van het vervoer die mensenlevens in gevaar kunnen brengen, is reeds erkend in de sectorale wetgevingsinstrumenten van de Unie inzake de veiligheid van de luchtvaart38 en het zeevervoer39, die in doelgerichte maatregelen voor de bescherming van klokkenluiders en specifieke meldingskanalen voorzien. Deze instrumenten voorzien ook in bescherming tegen represailles voor werknemers die fouten melden die zijzelf te goeder trouw hebben gemaakt (de zogeheten "cultuur van billijkheid"). De bestaande elementen van de bescherming van klokkenluiders in deze twee sectoren dienen te worden aangevuld en daarnaast moet in dergelijke bescherming worden voorzien ter verbetering van de handhaving van de veiligheidsnormen voor andere vervoerswijzen, namelijk het wegvervoer en het spoorvervoer.

(9)  Het belang van de bescherming van klokkenluiders in termen van het voorkomen en ontmoedigen van inbreuken op de Unievoorschriften inzake de veiligheid van het vervoer die mensenlevens in gevaar kunnen brengen, is reeds erkend in de sectorale wetgevingsinstrumenten van de Unie inzake de veiligheid van de luchtvaart38 en het zeevervoer39, die in doelgerichte maatregelen voor de bescherming van klokkenluiders en specifieke meldingskanalen voorzien. Deze instrumenten voorzien ook in bescherming tegen represailles voor werknemers die fouten melden die zijzelf te goeder trouw hebben gemaakt (de zogeheten "cultuur van billijkheid"). De bestaande elementen van de bescherming van klokkenluiders in deze twee sectoren dienen onder meer te worden aangevuld en daarnaast moet in dergelijke bescherming worden voorzien ter verbetering van de handhaving van de veiligheidsnormen voor andere vervoerswijzen, namelijk het wegvervoer en het spoorvervoer.

_________________

_________________

38 Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 18).

38 Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 18).

39 Richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende bepaalde verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de naleving en de handhaving van het Verdrag betreffende maritieme arbeid (PB L 329 van 10.12.2013, blz. 1) en Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).

39 Richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende bepaalde verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de naleving en de handhaving van het Verdrag betreffende maritieme arbeid (PB L 329 van 10.12.2013, blz. 1) en Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14)  Ook de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens is een terrein waar klokkenluiders zich in een bevoorrechte positie bevinden om inbreuken op het Unierecht aan het licht te brengen die het algemeen belang ernstig kunnen schaden. Soortgelijke overwegingen gelden voor inbreuken op de richtlijn inzake de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen45, die voorziet in melding van incidenten (ook indien daardoor geen persoonsgegevens in gevaar zijn gebracht) en in beveiligingsvereisten voor aanbieders van essentiële diensten in talrijke sectoren (zoals energie, gezondheid, vervoer en bankdiensten) en aanbieders van belangrijke digitale diensten (zoals cloudcomputing). Meldingen van klokkenluiders zijn op dit terrein met name waardevol ter voorkoming van beveiligingsincidenten die belangrijke economische en sociale activiteiten en veelgebruikte digitale diensten treffen. Deze meldingen dragen bij tot de continuïteit van de verlening van diensten die essentieel zijn voor de werking van de interne markt en het maatschappelijk welzijn.

(14)  Ook de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, die is verankerd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten en in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), is een terrein waar klokkenluiders zich in een bevoorrechte positie bevinden om inbreuken op het Unierecht aan het licht te brengen die het algemeen belang kunnen schaden. Soortgelijke overwegingen gelden voor inbreuken op de richtlijn inzake de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen45, die voorziet in melding van incidenten (ook indien daardoor geen persoonsgegevens in gevaar zijn gebracht) en in beveiligingsvereisten voor aanbieders van essentiële diensten in talrijke sectoren (zoals energie, gezondheid, vervoer en bankdiensten) en aanbieders van belangrijke digitale diensten. Meldingen van klokkenluiders zijn op dit terrein met name waardevol ter voorkoming van beveiligingsincidenten die belangrijke economische en sociale activiteiten en veelgebruikte digitale diensten treffen, en eveneens ter voorkoming van inbreuken op de Uniewetgeving inzake gegevensbescherming. Deze meldingen dragen bij tot de continuïteit van de verlening van diensten die essentieel zijn voor de samenleving.

__________________

__________________

45 Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie.

45 Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)  De bescherming van de financiële belangen van de Unie, die betrekking heeft op de bestrijding van fraude, corruptie en alle andere illegale activiteiten die raken aan de uitgaven van de Unie, de inning van de inkomsten en middelen van de Unie en het vermogen van de Unie, is een belangrijk gebied waarop de handhaving van het Unierecht moet worden verbeterd. Betere bescherming van de financiële belangen van de Unie omvat tevens de tenuitvoerlegging van de begroting van de Unie met betrekking tot uitgaven uit hoofde van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Gebrekkige handhaving op het gebied van de financiële belangen van de Unie, onder meer ter bestrijding van fraude en corruptie op nationaal niveau, leidt tot vermindering van de inkomsten van de Unie en misbruik van EU-middelen, wat een verstorende invloed op overheidsinvesteringen en groei kan hebben en het vertrouwen van het publiek in EU-maatregelen kan ondermijnen. Bescherming van klokkenluiders is noodzakelijk ter vergemakkelijking van het opsporen, voorkomen en ontmoedigen van fraude en illegale activiteiten op dat gebied.

(16)  De bescherming van de financiële belangen van de Unie, die betrekking heeft op de bestrijding van fraude, corruptie en alle andere illegale activiteiten die raken aan de uitgaven van de Unie, de inning van de inkomsten en middelen van de Unie en het vermogen van de Unie, is een belangrijk gebied waarop de handhaving van het Unierecht moet worden verbeterd. Betere bescherming van de financiële belangen van de Unie omvat tevens de tenuitvoerlegging van de begroting van de Unie met betrekking tot uitgaven uit hoofde van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Gebrekkige handhaving op het gebied van de financiële belangen van de Unie, onder meer ter bestrijding van fraude en corruptie op nationaal niveau, leidt tot vermindering van de inkomsten van de Unie en misbruik van EU-middelen, wat een verstorende invloed op overheidsinvesteringen en groei kan hebben en het vertrouwen van het publiek in EU-maatregelen kan ondermijnen.

Ook onderzoeksjournalisten spelen een cruciale rol bij de onthulling van misstanden in verband met al deze gebieden; zij vormen een uitermate kwetsbare beroepsgroep en moeten de openbaarmaking van grootschalige onregelmatigheden en corruptiepraktijken vaak met hun baan, hun vrijheid of zelfs met hun leven bekopen. Er moet daarom een horizontaal wetgevingsvoorstel ter bescherming van klokkenluiders worden vastgesteld, met daarin speciale maatregelen ter bescherming van onderzoeksjournalisten. Bescherming van onderzoeksjournalisten en klokkenluiders is noodzakelijk ter vergemakkelijking van het opsporen, voorkomen en ontmoedigen van fraude en illegale activiteiten op dat gebied.

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(18 bis)  Klokkenluiders die melding maken van wangedrag en schendingen van de arbeids- en sociale wetgeving spelen een belangrijke rol bij de waarborging van veilige en eerlijke werkomgevingen. Personen die melding maken van overtredingen van de regels binnen een organisatie waarvoor zij werken of hebben gewerkt of waarmee zij in contact hebben gestaan, kunnen uit hoofde van deze verordening op volledige bescherming rekenen.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(19)  Wanneer een nieuwe handeling van de Unie wordt vastgesteld ten aanzien waarvan de bescherming van klokkenluiders relevant is en tot doeltreffender handhaving kan bijdragen, moet steeds worden overwogen of het noodzakelijk is de bijlage bij deze richtlijn te wijzigen om de desbetreffende handeling aan het toepassingsgebied toe te voegen.

(19)  Wanneer een nieuwe handeling van de Unie wordt vastgesteld ten aanzien waarvan de bescherming van klokkenluiders relevant is en tot doeltreffender handhaving kan bijdragen, moet deze aan de bijlage bij deze richtlijn worden toegevoegd om de desbetreffende handeling aan het toepassingsgebied toe te voegen.

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(20)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bescherming van werknemers die inbreuken op het arbeidsrecht van de Unie melden. Met name moeten de lidstaten er overeenkomstig artikel 11 van Kaderrichtlijn 89/391/EEG reeds op toezien dat werknemers en werknemersvertegenwoordigers geen nadeel ondervinden van verzoeken of voorstellen aan de werkgever om passende maatregelen te nemen om risico's voor de werknemers te ondervangen en/of bronnen van gevaar uit te schakelen. Werknemers en hun vertegenwoordigers hebben het recht om problemen voor te leggen aan de bevoegde nationale autoriteiten indien zij menen dat de maatregelen die de werkgever heeft getroffen, of de middelen die hij heeft ingezet, niet toereikend zijn om de veiligheid en gezondheid te verzekeren.

(20)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bescherming van werknemers die wangedrag, misstanden of inbreuken op het recht van de Unie, alsmede het nationaal recht melden. Met name moeten de lidstaten er overeenkomstig artikel 11 van Kaderrichtlijn 89/391/EEG reeds op toezien dat werknemers en werknemersvertegenwoordigers geen nadeel ondervinden van verzoeken of voorstellen aan de werkgever om passende maatregelen te nemen om risico's voor de werknemers te ondervangen en/of bronnen van gevaar uit te schakelen. Werknemers en hun vertegenwoordigers hebben het recht om problemen voor te leggen aan de bevoegde nationale autoriteiten indien zij menen dat de maatregelen die de werkgever heeft getroffen, of de middelen die hij heeft ingezet, niet toereikend zijn om de veiligheid en gezondheid te verzekeren.

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 21

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(21)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bescherming van de nationale veiligheid en van gerubriceerde informatie die uit hoofde van het Unierecht of de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat tegen ongeoorloofde toegang moet worden beschermd. Met name dienen de bepalingen van deze richtlijn de verplichtingen die voortvloeien uit Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie of Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie, onverlet te laten.

(21)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bescherming van de nationale veiligheid en van gerubriceerde informatie die uit hoofde van het Unierecht of de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat tegen ongeoorloofde toegang moet worden beschermd. Beperkingen bij het gebruik van informatie inzake de nationale veiligheid moeten begrensd blijven en duidelijk zijn afgebakend. Bovendien dienen de bepalingen van deze richtlijn de verplichtingen die voortvloeien uit Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie of Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie, onverlet te laten.

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 22

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(22)  Personen die in de context van hun werkgerelateerde activiteiten verkregen informatie over dreigingen of schade voor het algemeen belang melden, maken gebruik van hun vrijheid van meningsuiting. Het recht op vrijheid van meningsuiting, dat is vastgelegd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, omvat vrijheid en pluralisme van de media.

(22)  Personen die informatie over dreigingen of schade voor het algemeen belang melden, maken gebruik van hun vrijheid van meningsuiting. Vrijheid van meningsuiting, die in een democratische samenleving van essentieel belang is en is vastgelegd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, omvat vrijheid en pluralisme van de media.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 23

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(23)  Deze verordening maakt gebruik van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over het recht op vrijheid van meningsuiting en de beginselen die op basis daarvan door de Raad van Europa zijn uitgewerkt in de aanbeveling van 2014 over de bescherming van klokkenluiders51.

(23)  Deze verordening maakt gebruik van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over het recht op vrijheid van meningsuiting, en met name zijn uitspraak van 12 februari 2008 in de zaak Guja tegen Moldova, en de beginselen die op basis daarvan door de Raad van Europa zijn uitgewerkt in de aanbeveling van 2014 over de bescherming van klokkenluiders51.

__________________

__________________

51 CM/Rec(2014)7.

51 CM/Rec(2014)7.

 

 

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 24

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(24)  Personen hebben specifieke juridische bescherming nodig als zij de informatie die zij melden, hebben verkregen door hun werkgerelateerde activiteiten en als gevolg daarvan in hun werkomgeving het risico lopen op represailles, bijvoorbeeld wegens schending van de geheimhoudingsplicht of loyaliteitsplicht. De reden die ten grondslag ligt aan het bieden van bescherming is hun positie van economische kwetsbaarheid ten opzichte van de persoon van wie zij de facto afhankelijk zijn voor hun werk. Indien er van een dergelijke werkgerelateerde machtsongelijkheid geen sprake is (bijvoorbeeld bij een gewone klager of een burger die getuige is van een misstand), is bescherming tegen represailles niet nodig.