Procedure : 2018/2095(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0416/2018

Ingediende teksten :

A8-0416/2018

Debatten :

PV 14/01/2019 - 22
CRE 14/01/2019 - 22

Stemmingen :

PV 15/01/2019 - 8.14
CRE 15/01/2019 - 8.14
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0014

VERSLAG     
PDF 490kWORD 58k
29.11.2018
PE 623.839v02-00 A8-0416/2018

over gendergelijkheid en belastingbeleid in de EU

(2018/2095(INI))

Commissie economische en monetaire zaken

Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

Rapporteurs: Marisa Matias, Ernest Urtasun

(Gezamenlijke commissievergaderingen – Artikel 55 van het Reglement)

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 MINDERHEIDSSTANDPUNT
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over gendergelijkheid en belastingbeleid in de EU

(2018/2095(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 8, 10, 11, 153 en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 23 en 33 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het EU‑actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 juni 2016 over gendergelijkheid (00337/2016),

–  gezien het aan de conclusies van de Raad van 7 maart 2011 gehechte Europees pact voor gendergelijkheid voor de periode 2011‑2020 (07166/2011),

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), met name artikel 14 inzake het verbod op discriminatie,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en het VN‑rapport getiteld "Final study on illicit financial flows, human rights and the 2030 Agenda for Sustainable Development" van de onafhankelijke deskundige inzake de effecten van buitenlandse schulden en andere internationale financiële verplichtingen van staten met betrekking tot de volledige uitoefening van alle mensenrechten, met name economische, sociale en culturele rechten, van 15 januari 2016,

–  gezien het VN‑verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 18 december 1979,

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking die op 15 september 1995 tijdens de vierde wereldvrouwenconferentie werden aangenomen en de slotdocumenten van de bijzondere zittingen van de VN Peking +5 (2000), Peking +10 (2005), Peking +15 (2010) en Peking +20 (2015),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), en artikel 3 daarvan dat "gender" definieert als "de sociaal geconstrueerde rollen, gedragingen, activiteiten en eigenschappen die een bepaalde maatschappij passend acht voor vrouwen en mannen", en het Inter‑Amerikaans Verdrag ter voorkoming, bestraffing en uitbanning van geweld tegen vrouwen (Verdrag van Belém do Pará) van 1994,

–  gezien resolutie 70/1 van de Algemene Vergadering van de VN van 25 september 2015, getiteld "Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling",

–  gezien de belangrijke verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake gendergelijkheid, waaronder het Verdrag betreffende gelijke beloning (nr. 100), het Verdrag betreffende discriminatie (arbeid en beroep) (nr. 111), het Verdrag betreffende arbeiders met gezinsverantwoordelijkheid (nr. 156) en het Verdrag betreffende de bescherming van het moederschap (nr. 183),

–  gezien het werkdocument met aanbevelingen, ingediend bij het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen door de organisaties Centre for Economic and Social Rights (CESR), Alliance Sud, Global Justice Clinic at New York University School of Law, Public Eye en Tax Justice Network, getiteld "Swiss Responsibility for the Extraterritorial Impacts of Tax Abuse on Women's Rights", waarin wordt gewezen op de onevenredige belastingdruk op vrouwen, met name vrouwen met een laag inkomen en vrouwen in ontwikkelingslanden, die het gevolg is van het verlies van overheidsinkomsten als gevolg van grensoverschrijdende belastingfraude,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015, getiteld "Strategic engagement for gender equality 2016‑2019" (SWD(2015)0278),

–  gezien de Europa 2020‑strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei van de Commissie,

–  gezien de landenverslagen van de Commissie in het kader van het Europees Semester 2018,

–  gezien het verslag van de Commissie van 2017 over de gelijkheid van mannen en vrouwen in de Europese Unie,

–  gezien het verslag van de Commissie, getiteld "Taxation Trends in the European Union – Data for the EU Member States, Iceland and Norway, 2018 Edition",

–  gezien het verslag van de Commissie van 8 mei 2018 over de ontwikkeling van kinderopvangfaciliteiten voor jonge kinderen met het oog op een verbetering van de arbeidsparticipatie van vrouwen, een beter evenwicht tussen werk en privéleven voor werkende ouders en het ontstaan van duurzame en inclusieve groei in Europa (de "doelstellingen van Barcelona") (COM(2018)0273),

–  gezien Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten,

–  gezien het voorstel van 18 januari 2018 voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat de btw-tarieven betreft (COM(2018)0020),

–  gezien de gendergelijkheidsindex van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE),

–  gezien het verslag van VN-Vrouwen uit 2015 getiteld "Progress of the world's women 2015-2016: Transforming economies, realizing rights",

–  gezien het eindrapport 2005 van de groep deskundigen van de Raad van Europa voor genderbudgettering, waarin genderbudgettering wordt gedefinieerd als "een op gender gebaseerde beoordeling van begrotingen, waarbij het genderperspectief op alle niveaus van de begrotingsprocedure wordt geïntegreerd en inkomsten en uitgaven worden geherstructureerd om gendergelijkheid te bevorderen",

–  gezien de studie van de onderzoeksdienst van het Europees Parlement van 2015, getiteld "Bringing transparency, coordination and convergence to corporate tax policies in the European Union – I – Assessment of the magnitude of aggressive corporate tax planning",

–  gezien de slotopmerkingen van het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen over extraterritoriale verplichtingen in verband met het gendereffect van illegale geldstromen en ontwijking van de vennootschapsbelasting m.b.t. Zwitserland (2016) en Luxemburg (2018)(1),

–  gezien de beleidsnota van het Institute of Development Studies van 2016, getiteld "Redistributing Unpaid Care Work – Why Tax Matters for Women's Rights",

–  gezien de studie van beleidsondersteunende afdeling C: Rechten van de burger en Constitutionele Zaken van het Parlement van april 2017, getiteld "Gender equality and taxation in the European Union",

–  gezien het verslag van VN-Vrouwen van april 2018, getiteld "Gender, taxation and equality in developing countries",

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2012 over de rol van vrouwen in de groene economie(2),

–  gezien het OESO-rapport over de uitvoering van de aanbevelingen van de OESO inzake gendergelijkheid (juni 2017) en de Tax and Benefit Models 2015 van de OESO,

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(3),

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2016 over vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken in de EU(4),

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief(5),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2017 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie 2014‑2015(6),

–  gezien zijn aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking(7),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0416/2018),

A.  overwegende dat in de artikelen 2 en 3 van het VEU is neergelegd dat non-discriminatie en gelijkheid van vrouwen en mannen behoren tot de doelstellingen van de EU en tot de waarden waarop de Unie berust; overwegende dat de Europese Unie er op grond van de artikelen 8 en 10 VWEU toe gehouden is er bij de omschrijving en uitvoering van haar beleid en optreden naar te streven ongelijkheden op te heffen, de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen en discriminatie te bestrijden; overwegende dat het Handvest van de grondrechten rechten en beginselen bevat die verwijzen naar het verbod op directe en indirecte discriminatie (artikel 21, lid 1) en gelijkheid van vrouwen en mannen (artikel 23); overwegende dat de in het Handvest neergelegde rechten rechtstreeks van belang zijn voor de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen (artikel 51 van het Handvest);

B.  overwegende dat er in de Europese Unie nog altijd sprake is van ondervertegenwoordiging van vrouwen op de arbeidsmarkt en dat de totale arbeidsparticipatie van vrouwen nog altijd bijna 12 % lager ligt dan de arbeidsparticipatie van mannen; overwegende dat 31,5 % van de werkende vrouwen in de EU in deeltijd werkt, en dat dit percentage bij werkende mannen op 8,2 % ligt;

C.  overwegende dat het van het allergrootste belang is dat de arbeidsparticipatiekloof tussen vrouwen en mannen wordt aangepakt en dat de genderpensioenkloof, die momenteel in de EU gemiddeld bijna 40 % bedraagt en die het gevolg is van het feit dat vrouwen gedurende hun leven met diverse ongelijkheden te maken krijgen en vaak periodes van hun leven niet op de arbeidsmarkt actief zijn, wordt verkleind;

D.  overwegende dat de loonkloof tussen vrouwen en mannen in de EU momenteel 16 % bedraagt, hetgeen inhoudt dat vrouwen in de EU in alle economisch sectoren gemiddeld per uur 16 % minder verdienen dan mannen;

E.  overwegende dat het cumulatieve effect van de diverse kloven (de loonkloof en de arbeidsparticipatiekloof, loopbaanonderbrekingen, onderbrekingen wegens de zorg voor kinderen en het feit dat vrouwen vaker in deeltijd werken) in aanzienlijke mate bijdraagt aan de loon- en pensioenkloof tussen vrouwen en mannen, en dat vrouwen daardoor een groter risico lopen op armoede en sociale uitsluiting, met alle negatieve gevolgen van dien voor hun kinderen en gezin;

F.  overwegende dat er in het actieprogramma van Peking op wordt gewezen dat beleidsmaatregelen en programma's, onder meer op het gebied van belastingen, vanuit genderperspectief moeten worden bekeken, en dat er zo nodig aanpassingen moeten worden doorgevoerd om te zorgen voor een billijker verdeling van productiemiddelen, welvaart, kansen, inkomen en diensten;

G.  overwegende dat in het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen is bepaald dat binnen gezinnen ten aanzien van elk gezinslid de beginselen van gelijkheid, rechtvaardigheid en individuele ontplooiing geëerbiedigd moeten worden, en dat vrouwen recht hebben op gelijke behandeling en ook op het gebied van het belastingrecht behandeld moeten worden als individuele, autonome burgers en niet als personen die afhankelijk zijn van mannen;

H.  overwegende dat de lidstaten, als ondertekenaars van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, zich ertoe hebben verbonden maximaal gebruik te maken van de hun ter beschikking staande middelen om steeds nader tot een algehele verwezenlijking van de economische, sociale en culturele rechten te komen;

I.  overwegende dat regelgeving inzake personenbelasting die vrouwen impliciet benadeelt wat betreft de toegang tot werkgelegenheid, arbeidsvoorwaarden of door de werkgever verstrekte pensioenen, in strijd kan zijn met artikel 14 van Richtlijn 2006/54/EG(8) betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(9);

J.  overwegende dat in het werkdocument van de diensten van de Commissie "Strategic Engagement for Gender Equality (2016-2019)" gebieden worden genoemd waarop gendergelijkheid essentieel is, zoals belastingbeleid, maar geen bindende voorschriften zijn opgenomen en evenmin wordt opgeroepen tot een grotere inzet inzake gendermainstreaming op het niveau van de lidstaten;

K.  overwegende dat er binnen het belastingbeleid sprake kan zijn van expliciete of impliciete genderdiscriminatie; overwegende dat er sprake is van expliciete genderdiscriminatie als er verschillende belastingbepalingen gelden voor mannen en vrouwen, en dat er sprake is van impliciete genderdiscriminatie als op papier voor iedereen dezelfde regels gelden, maar in de praktijk sprake is van ongelijkheid omdat de betreffende belastingbepaling vanwege verschillen in gedragingen/inkomenspatronen niet dezelfde gevolgen heeft voor vrouwen als voor mannen; overwegende dat de meeste lidstaten belastingvoorschriften die uitdrukkelijk onderscheid maken tussen mannen en vrouwen hebben afgeschaft, maar dat impliciete verschillen op belastinggebied zich nog steeds in de hele EU voordoen vanwege de wisselwerking tussen belastingvoorschriften en de sociaaleconomische werkelijkheid;

L.  overwegende dat beleidskeuzes inzake het genereren en herverdelen van inkomsten onevenredige gevolgen kunnen hebben voor het inkomen en de financiële zekerheid van vrouwen, en de toegang van vrouwen tot kwalitatief hoogwaardige openbare diensten kunnen beperken, waardoor het vermogen van vrouwen om hun economische en sociale rechten uit te oefenen alsmede de vooruitgang in de richting van gendergelijkheid worden ondermijnd;

M.  overwegende dat het gebrek aan aandacht voor genderaspecten binnen het belastingbeleid op Europees en nationaal niveau de bestaande verschillen tussen vrouwen en mannen (op het gebied van werkgelegenheid, inkomen, onbetaald werk, pensioenen, armoede, welvaart enz.) vergroot, vrouwen ontmoedigt zich op de arbeidsmarkt te begeven en te blijven werken, en traditionele genderrollen en stereotypes bekrachtigt;

N.  overwegende dat de ontwikkeling van belastingbeleid een essentieel onderdeel is van de Europa 2020‑strategie; overwegende dat het Europees semester zich vooral richt op het waarborgen van de naleving van het stabiliteits- en groeipact en dat in prioriteiten en aanbevelingen, met name op het gebied van belastingen, over het algemeen geen aandacht wordt besteed aan genderaspecten;

O.  overwegende dat het regressieve karakter van de veranderingen die de lidstaten de afgelopen decennia op het gebied van de belasting op arbeid, vennootschappen, consumptie en vermogen hebben doorgevoerd, heeft geleid tot een afname van het herverdelingseffect van belastingstelsels en tot een toename van inkomensongelijkheden; overwegende dat deze structurele verandering op het gebied van belastingheffing de belastingdruk heeft verschoven naar groepen met een laag inkomen en dus met name naar vrouwen, vanwege de ongelijke inkomensverdeling tussen vrouwen en mannen, het geringe aantal vrouwen in de categorie grootverdieners, de bovengemiddelde consumptieratio's voor vrouwen met betrekking tot basisgoederen en -diensten en het feit dat van het totale inkomen van vrouwen een relatief groot deel bestaat uit inkomen uit arbeid en een relatief klein deel uit inkomen uit vermogen(10);

P.  overwegende dat vrouwen met name kunnen lijden onder economische ongelijkheid omdat de inkomensverdeling tussen vrouwen en mannen ongelijk is, slechts een gering percentage van alle grootverdieners vrouw is, en van het totale inkomen van vrouwen het grootste deel bestaat uit inkomen uit arbeid en een veel kleiner deel uit inkomen uit kapitaal(11);

Q.  overwegende dat de gemiddelde vennootschapsbelastingtarieven sinds de jaren 80 enorm zijn gedaald, van 40 % tot 21,9 % in 2018, terwijl de tarieven voor verbruiksbelastingen (waarvan de btw een grote component is) sinds 2009 zijn gestegen tot 20,6 % in 2016(12);

R.  overwegende dat de belastingverlagingen na 2015 lijken te zijn toegenomen en dat sommige multinationals er al in slagen hun effectieve belastingtarief tot onder de 1 % terug te brengen dankzij het zeer bedrijfsvriendelijke belastingklimaat in sommige lidstaten(13);

S.  overwegende dat de derving van belastinginkomsten voor de EU als gevolg van agressieve belastingplanning wordt geschat op ten minste 50‑70 miljard EUR per jaar(14); overwegende dat de lidstaten daardoor inkomsten mislopen, die gecompenseerd moeten worden via andere vormen van belastingheffing of door terugdringing van de uitgaven, en dat deze beleidsmaatregelen hoe dan ook grotere gevolgen hebben voor vrouwen;

T.  overwegende dat in het huidige macro-economische beleid meer rekening moet worden gehouden met het belang van onbetaalde zorg en huishoudelijk werk en overwegende dat uit gegevens blijkt dat 80 % van de zorg in de EU wordt verleend door onbetaalde zorgverleners, en dat 75 % daarvan vrouwen zijn; overwegende dat bepaalde belastingmaatregelen en onderfinanciering van overheidsdiensten en van de toegang tot sociale voorzieningen onevenredig grote gevolgen hebben voor groepen met een laag inkomen, en met name voor vrouwen, aangezien zij vaak, zonder dat zij daarvoor worden betaald, de gaten dichten in de zorg, de opvoeding en andere vormen van gezinsondersteuning, waardoor de onevenredig grote verantwoordelijkheid van vrouwen voor zorgtaken in stand wordt gehouden; overwegende dat het de armste en kwetsbaarste vrouwen in de EU-landen zijn die de dubbele last dragen van informele zorg en laagbetaald onzeker werk(15);

U.  overwegende dat bijna alle lidstaten met betrekking tot de inkomstenbelasting een duaal systeem hanteren, in die zin dat zij een hoger marginaal belastingtarief toepassen op het inkomen van de tweede verdiener en uniforme belastingtarieven hebben ingevoerd voor de meeste soorten inkomsten uit vermogen; overwegende dat de onevenredig hoge belastingdruk die er in de meeste lidstaten op tweede verdieners ligt als gevolg van de directe progressieve belastingregelingen die gelden voor inkomsten uit arbeid, een van de belangrijkste redenen is waarom de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt zo laag blijft(16), naast andere belastingbepalingen en voorschriften inzake sociale zekerheid, alsook de kosten van en het gebrek aan kinderopvang;

V.  overwegende dat is gebleken dat duale inkomstenbelastingstelsels het herverdelingseffect van de inkomstenbelasting doen afnemen; overwegende dat duale inkomstenbelastingstelsels de ongelijke verdeling van inkomsten uit kapitaal tussen vrouwen en mannen in gedeelde huishoudens niet hebben kunnen verhelpen, maar juist verergeren;

W.  overwegende dat de niveaus van de inactiviteitsval (momenteel 40 %) en de lage-inkomensval, die vrouwen onevenredig zwaar treffen en hen ontmoedigen om ten volle deel te nemen aan de arbeidsmarkt, in belangrijke mate worden bepaald door bepalingen inzake directe belastingen en door het verlies van socialezekerheidsvoorzieningen;

X.  overwegende dat, als het inkomen van een gezin voor de berekening van de verschuldigde belastingen wordt samengevoegd en het inkomen van de vrouw wordt gezien als een aanvulling op dat van de mannelijke kostwinner, het inkomen van vrouwen voor de inkomstenbelasting in de praktijk hoger kan worden belast dan dat van mannen; overwegende dat alleen Zweden en Finland geacht kunnen worden een strikt geïndividualiseerd stelsel van inkomstenbelasting te hebben; overwegende dat een gezamenlijke belastingaangifte weliswaar financieel voordeliger kan zijn voor het huishouden als geheel, omdat over het gezamenlijke inkomen minder belasting hoeft te worden betaald dan wanneer de partners afzonderlijk aangifte zouden doen, maar dat het niet zo is dat vrouwen ook altijd profiteren van dit financiële voordeel of kunnen beslissen over de manier waarop deze middelen worden besteed;

Y.  overwegende dat in sommige lidstaten gezinnen nog altijd recht hebben op belastingverlaging als een van de partners ten laste van de andere komt, dat er lidstaten zijn waar getrouwde stellen recht hebben op een toeslag en/of waar gezinnen met één kostwinner recht hebben op belastingkredieten, waardoor de asymmetrieën met eenoudergezinnen (waarbij in de meeste gevallen een vrouw de alleenstaande ouder is) in stand worden gehouden en geen rekening wordt gehouden met de diversiteit van gezinssituaties in de EU; overwegende dat dergelijke belastingvoordelen in veel gevallen de vrouwelijke partner ontmoedigen om te gaan werken en er direct of indirect toe leiden dat vrouwen hun tijd aan onbetaald werk besteden in plaats van aan betaald werk;

Z.  overwegende dat de invloed van belastingheffing op de genderkloof op het gebied van vermogen uit onderneming, persoonlijk vermogen en eigendom een onderontwikkeld onderzoeksterrein is en dat er dringend voor moet worden gezorgd dat op deze gebieden naar geslacht uitgesplitste gegevens beschikbaar komen;

1.  verzoekt de Commissie om in alle beleidsmaatregelen inzake belastingen gendergelijkheid te ondersteunen en de lidstaten specifieke richtsnoeren en aanbevelingen te doen toekomen, waarin staat dat de lidstaten hun fiscaal beleid aan een genderevaluatie moeten onderwerpen om een einde te maken aan belastinggerelateerde genderdiscriminatie en om ervoor te zorgen dat er geen nieuwe belastingen, wetten inzake overheidsuitgaven, programma's of praktijken worden vastgesteld die de verschillen tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt of met betrekking tot het inkomen na belastingen vergroten of het model van de man als kostwinner versterken;

2.  benadrukt dat de lidstaten, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zoals gedefinieerd in artikel 5, lid 3, VEU, vrij zijn om de regels voor hun belastingbeleid vast te stellen, mits deze in overeenstemming zijn met de EU-regels; benadrukt voorts dat voor EU-besluiten over belastingzaken eenparigheid van stemmen van alle lidstaten vereist is;

3.  pleit ervoor dat de Commissie (DG TAXUD) uitdrukkelijk belast wordt met de taak om, in samenwerking met EIGE, de effecten van het belastingbeleid van de lidstaten op de gendergelijkheid te monitoren en daar regelmatig verslag over uit te brengen; verzoekt de Commissie om EIGE daartoe meer middelen toe te kennen;

4.  verzoekt de Commissie om de ratificering door de EU van het Verdrag inzake de uitbanning van discriminatie van vrouwen te bevorderen, zoals zij ook heeft gedaan met betrekking tot het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en nog steeds doet met betrekking tot het Verdrag van Istanbul;

5.  spoort de Commissie aan om de status van het werkdocument "strategisch engagement voor gendergelijkheid" te versterken door dit als mededeling aan te nemen(17) en daarin duidelijke doelstellingen en kernactiviteiten op te nemen, om de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen door middel van een sectorale analyse, onder meer van belastingaspecten, van alle EU-maatregelen; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de EU-wetgeving ter voorkoming van indirecte en directe discriminatie op grond van geslacht naar behoren ten uitvoer wordt gelegd en dat de vooruitgang op dit gebied systematisch wordt gecontroleerd, om de gelijkwaardigheid van vrouwen en mannen te waarborgen;

Directe belastingheffing

Inkomstenbelasting

6.  merkt op dat het belastingbeleid verschillende gevolgen heeft voor verschillende soorten huishoudens (huishoudens met twee kostwinners, huishoudens met één kostwinner (man of vrouw), enz.) wijst op de negatieve gevolgen van het niet-stimuleren van de arbeidsparticipatie en de economisch onafhankelijkheid van vrouwen en wijst tevens op de grote genderpensioenkloof die het gevolg is van het feit dat echtparen gezamenlijk worden belast; is van oordeel dat belastingstelsels niet langer gebaseerd moeten worden op de aanname dat gezinnen hun financiële middelen bundelen en gelijkelijk verdelen, en dat individuele belastingheffing cruciaal is om rechtvaardigheid voor vrouwen op fiscaal vlak te realiseren; vindt het essentieel dat mannen en vrouwen gelijke verdieners en gelijke verzorgers worden; verzoekt alle lidstaten om gefaseerd over te gaan tot individuele belastingheffing, maar daarbij alle financiële en overige voordelen die in bestaande systemen van gezamenlijke belastingheffing gekoppeld zijn aan het ouderschap te behouden; beseft dat in sommige lidstaten wellicht een overgangsperiode nodig is om over te stappen op een dergelijk individueel belastingstelsel; dringt erop aan dat tijdens een dergelijke overgangsperiode alle belastinguitgaven op basis van gezamenlijke inkomens worden geschrapt en wijst erop dat ervoor moet worden gezorgd dat alle belastingvoordelen, uitkeringen en overheidsdiensten in natura aan individuen worden gegeven, om hun financiële en maatschappelijke autonomie te waarborgen;

7.  neemt kennis van de mededeling van de Commissie van 20 november 2017, getiteld "EU-actieplan 2017-2019 - De loonkloof tussen vrouwen en mannen aanpakken" (COM(2017)0678), waarin de Commissie acht actielijnen formuleert en de lidstaten aanspoort om meer inspanningen te leveren om de loonkloof tussen vrouwen en mannen doeltreffend aan te pakken om de economische situatie van vrouwen te verbeteren en hun economische onafhankelijkheid te waarborgen;

8.  stelt vast dat in 2014 het gemiddelde belastingtarief voor tweede verdieners met twee kinderen in de EU-lidstaten die lid zijn van de OESO gemiddeld 31 % bedroeg en dat dit percentage voor alle OESO-landen samen gemiddeld op 28 % lag; verzoekt de Commissie de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid in de lidstaten voortdurend te controleren en te versterken om ervoor te zorgen dat ongelijkheden op de arbeidsmarkt en op belastinggebied worden weggewerkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten de horizontale en verticale segregatie op de arbeidsmarkt aan te pakken door een einde te maken aan genderongelijkheid en discriminatie op de arbeidsmarkt en door, met name via onderwijs en voorlichting, meisjes en vrouwen te stimuleren om te gaan studeren, werken en een loopbaan na te streven in innovatieve groeisectoren, onder meer op het gebied van ICT en wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM);

9.  verzoekt de lidstaten om ervoor te zorgen dat fiscale prikkels in verband met de participatie op de arbeidsmarkt en zelfstandig ondernemerschap genderneutraal zijn, en na te denken over fiscale prikkels en andere fiscale voordelen of diensten voor tweede verdieners en alleenstaande ouders; verzoekt de lidstaten voorts om na te denken over oplossingen voor het probleem van de ondervertegenwoordiging van vrouwen op de arbeidsmarkt, en om eventuele negatieve economische prikkels die tweede verdieners ervan weerhouden de arbeidsmarkt te betreden, weg te nemen; merkt op dat genderdiscriminatie zich ook kan voordoen in verband met werkgerelateerde belastingvrijstellingen en -verlagingen, zoals een gunstige fiscale regeling voor gewerkte overuren, die hoofdzakelijk ten goede komen aan beroepsgroepen die vooral uit mannen bestaan;

10.  verzoekt de lidstaten om het progressieve karakter van hun stelsels voor inkomstenbelasting niet af te bouwen, bijvoorbeeld in een poging om de inkomstenbelasting te vereenvoudigen;

11.  is van mening dat de inkomstenbelasting (tariefstructuur, belastingvrijstellingen, aftrekmogelijkheden, toelagen, kredieten, enz.) zo ontworpen moet zijn dat daarmee een gelijke verdeling van betaald en onbetaald werk, inkomen en pensioenrechten tussen vrouwen en mannen bevorderd wordt, en dat prikkels die ertoe leiden dat ongelijke genderrollen blijven bestaan, worden weggenomen;

12.  merkt op dat sommige lidstaten particuliere belastingsaftrekmogelijkheden voor pensioenen kennen die onevenredig voordelig zijn voor grootverdieners en mannen; is van oordeel dat een universeel pensioenstelsel dat vrouwen gelijke toegang geeft tot een goed pensioen de beste manier is om te zorgen voor gendergelijkheid op hogere leeftijd;

Vennootschapsbelasting

13.  wijst nogmaals op het belang van vennootschapsbelasting als inkomstenbron voor de lidstaten en als fundamentele bron van inkomsten voor de goede werking van socialezekerheidsstelsels; maakt zich zorgen over de daling van de wettelijke en effectieve tarieven voor de vennootschapsbelasting in de EU in de afgelopen 35 jaar en over de wedloop naar steeds lagere vennootschapsbelastingen die tussen de lidstaten gaande is, gelet op het feit dat er zes lidstaten zijn die in 2017 hun vennootschapsbelasting hebben verlaagd en dat 15 lidstaten hun vennootschapsbelasting sinds 2009 hebben verlaagd;

14.  merkt op dat invoering van een gemeenschappelijk en rechtvaardig minimumtarief voor de vennootschapsbelasting de enige manier is om een gelijke en eerlijke behandeling van de verschillende marktdeelnemers in de EU en van de belastingplichtigen in het algemeen te waarborgen; dringt er bij de lidstaten op aan de onderhandelingen af te ronden en zonder verder uitstel de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) in te voeren; verzoekt de lidstaten voorts om op het niveau van de Unie een minimumtarief voor de vennootschapsbelasting in te voeren om een einde te maken aan de wedloop naar steeds lagere vennootschapsbelastingen;

15.  verzoekt de lidstaten waarvan in het kader van het Europees semester is vastgesteld dat zij agressieve belastingplanning faciliteren, hun wetgeving aan te passen en deze regelingen zo snel mogelijk te beëindigen(18); is bezorgd over het gevaar dat de lidstaten, ondanks hun inspanningen om de grondslagen voor de vennootschapsbelasting te coördineren, nieuwe regelingen zullen vinden op grond waarvan agressieve belastingplanning door vennootschappen mogelijk wordt, en dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om andere bronnen van belasting te vinden (zoals verbruiksbelastingen), die onevenredige gevolgen hebben voor vrouwen;

16.  verzoekt de lidstaten om de fiscale stimuli of belastingverlichting die zij vennootschappen bieden aldus te rationaliseren dat zij vooral kleine ondernemingen ten goede komen en reële innovatie stimuleren, en om vooraf en achteraf de potentiële effecten van deze stimuli op de gendergelijkheid te beoordelen;

17.  wijst erop dat vennootschapsbelastingen wegens verschillen in bedrijfsvermogen en arbeidsmarktstructuren uiteenlopende gevolgen hebben voor de geslachten, en dat vrouwen minder profiteren van verlagingen van vennootschapsbelastingen en belastingprikkels dan mannen, aangezien vrouwen aanzienlijk ondervertegenwoordigd zijn in de groep van bedrijfseigenaren en aandeelhouders, alsook oprichters van nieuwe en startende ondernemingen(19);

Belasting van kapitaal en vermogen

18.  merkt op dat vennootschapsbelasting en vermogensbelasting een belangrijke bijdrage leveren aan het verkleinen van ongelijkheid, omdat zij zorgen voor herverdeling via het belastingstelsel en voor inkomsten waaruit sociale voorzieningen en sociale overdrachten gefinancierd kunnen worden;

19.  merkt op dat de tekortschietende beschikbaarheid van, de hoge kosten van en de niet toereikende infrastructuur voor goede kinderopvang nog altijd belangrijke belemmeringen vormen voor gelijke deelname van met name vrouwen op alle maatschappelijke terreinen, waaronder werk; verzoekt de lidstaten om door middel van krachtiger fiscale maatregelen, bijvoorbeeld in de vorm van fiscale prikkels, te werken aan een betere beschikbaarheid en toegankelijkheid van betaalbare en goede kinderopvang, en het voor vrouwen gemakkelijker te maken een betaalde baan aan te nemen en een bijdrage te leveren aan een eerlijker verdeling van betaald en onbetaald werk binnen het gezin, en op die manier de genderloonkloof en de genderpensioenkloof te verkleinen; benadrukt dat dit beleid gericht moet zijn op de integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt, en met name op gezinnen met een laag inkomen, alleenstaande ouders en andere kansarme groepen;

20.  verzoekt de lidstaten om de verschillen tussen mannen en vrouwen in de EU op het gebied van vermogen (in de vorm van financiële activa, eigendom van onroerend goed, bedrijfsvermogen, verzekeringsaanspraken, pensioentegoeden en aandelenopties) weg te werken(20); merkt op dat het vooral mannen zijn die profiteren van verlagingen van de belasting op vermogenswinst of verlagingen van de onroerendgoedbelasting, omdat mannen vaker dergelijke middelen bezitten(21);

21.  betreurt dat van de totale belastinginkomsten nog altijd slechts een tamelijk klein deel afkomstig is van vermogensbelasting, te weten 5,8 % van de totale belastinginkomsten in de EU-15 en 4,3 % in de EU-28(22);

22.  betreurt dat het aandeel van de kapitaalbelastingen sinds 2002 een dalende trend laat zien, onder meer als gevolg van de algemene tendens die in veel lidstaten valt waar te nemen om op inkomsten uit kapitaal niet langer de reguliere inkomstenbelastingregeling toe te passen, maar kapitaal te belasten tegen een relatief bescheiden vast belastingtarief(23);

Indirecte belastingen

23.  merkt op dat het aandeel van verbruiksbelastingen in de Unie tussen 2009 en 2016 is gestegen; merkt op dat btw gewoonlijk tussen twee derde en drie vierde van de verbruiksbelastingen in de lidstaten uitmaakt en dat btw gemiddeld ongeveer een vijfde van de totale belastinginkomsten in de EU vertegenwoordigt(24);

24.  merkt op dat er sprake is van genderdiscriminatie wanneer de belastingwetgeving raakvlakken heeft met de verhoudingen tussen vrouwen en mannen, normen en economisch gedrag; merkt op dat btw niet genderneutraal is omdat vrouwen andere consumptiepatronen hebben dan mannen en meer goederen kopen en meer diensten afnemen die verband houden met opvoeding of voeding of die hun gezondheid bevorderen(25); is bezorgd dat dit, in combinatie met het lagere inkomen van vrouwen, ertoe leidt dat vrouwen een hogere belastingdruk ondervinden van de btw; verzoekt de lidstaten om btw-vrijstellingen, lagere tarieven en nultarieven in te voeren voor producten en diensten met positieve sociale effecten en effecten op de gezondheid en/of het milieu, in overeenstemming met de lopende herziening van de btw-richtlijn van de EU;

25.  beschouwt "menstruatiearmoede" als een actueel probleem in de EU en wordt hierin gesteund door Plan International UK dat stelt dat naar schatting 1 op de 10 meisjes geen geld heeft voor maandverband of tampons; betreurt dat producten voor vrouwelijke hygiëne en verzorgingsproducten en -diensten voor kinderen, ouderen en personen met een handicap nog steeds niet in alle lidstaten als basisgoederen worden beschouwd; dringt er bij alle lidstaten op aan om geen btw te heffen op zorgproducten en producten bestemd voor de hygiënische bescherming van de vrouw door gebruik te maken van de flexibiliteit die de btw-richtlijn ter zake biedt en dus voor deze essentiële basisproducten een verlaagd tarief van 0 % in te voeren; beseft dat een prijsverlaging door een btw-vrijstelling voor deze producten een enorm voordeel zou opleveren voor jonge vrouwen; steunt de acties die zijn opgezet ter bevordering van een ruime beschikbaarheid van producten voor de hygiënische bescherming van vrouwen en spoort de lidstaten aan om ervoor te zorgen dat er in bepaalde (openbare) ruimten, zoals scholen, universiteiten en opvangvoorzieningen voor daklozen, en voor vrouwen met een laag inkomen aanvullende producten voor hygiënische bescherming beschikbaar zijn, om "menstruatiearmoede" uit te bannen uit alle openbare toiletten in de hele EU;

De effecten van belastingontduiking en -ontwijking op gendergelijkheid

26.  merkt op dat belastingontduiking en -ontwijking in sterke mate bijdragen tot genderongelijkheid in de Unie en wereldwijd, omdat regeringen door deze fenomenen over minder middelen beschikken om de gelijkheid op nationaal en internationaal niveau te vergroten(26);

27.  herinnert aan zijn aanbevelingen van 13 december 2017 na het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking(27), en aan de aanbevelingen van eerdere bijzondere commissies (TAX en TAX2), opgesteld om belastingontwijking en belastingontduiking in de EU tegen te gaan; verzoekt de lidstaten om zo snel mogelijk hun goedkeuring te hechten aan openbare verslaglegging per land, een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting voor de EU en een herziene richtlijn interest en royalty's;

28.  herinnert aan het standpunt(28) van de commissies PANA, TAX en TAX2 van het Europees Parlement betreffende de oprichting van een goed uitgerust wereldwijd VN-orgaan dat de beschikking krijgt over voldoende aanvullende middelen, om ervoor te zorgen dat alle landen op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan de uitwerking en hervorming van het wereldwijde belastingbeleid; dringt erop aan dat binnen dit orgaan deskundigheid inzake gender aanwezig is en dat dit orgaan de opdracht krijgt om het nationale, regionale en mondiale belastingbeleid te herzien overeenkomstig de verplichtingen inzake gendergelijkheid en mensenrechten;

29.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om op alle internationale fora, onder meer in het kader van de OESO en de VN, te pleiten voor belastinghervormingen ter bevordering van gendergelijkheid, en de oprichting te steunen van een intergouvernementeel belastingorgaan van de VN, met universeel lidmaatschap, gelijke stemrechten en gelijke participatie van vrouwen en mannen; benadrukt dat dit orgaan goed toegerust moet zijn om specifieke deskundigheid op het gebied van genderbewuste belastingheffing te ontwikkelen;

30.  merkt op dat verdragen tot het vermijden van dubbele belasting tussen lidstaten en ontwikkelingslanden gewoonlijk geen bronbelasting bevorderen, hetgeen voordelig is voor multinationals, maar ten koste gaat van de mogelijkheden van ontwikkelingslanden om binnenlandse financiële middelen in te zetten; merkt op dat het niet kunnen inzetten van binnenlandse financiële middelen ten koste gaat van de financiering van openbare diensten, zoals gezondheidszorg en onderwijs, hetgeen onevenredige gevolgen heeft voor vrouwen en meisjes; dringt er bij de lidstaten op aan om de Commissie te machtigen bestaande verdragen tot het vermijden van dubbele belasting te evalueren, om deze problemen te onderzoeken en aan te pakken en om ervoor te zorgen dat toekomstige verdragen tot het vermijden van dubbele belasting niet alleen algemene bepalingen ter voorkoming van misbruik bevatten, maar ook bepalingen inzake gendergelijkheid;

31.  verzoekt de bijzondere commissie TAX3 om bij het formuleren van aanbevelingen ook genderaspecten aan bod te laten komen;

32  betreurt dat onderwerpen die verband houden met belastingbeleid op het niveau van de Raad vaak door individuele lidstaten worden geblokkeerd, omdat zij hun belastingparadijzen willen beschermen; pleit er daarom voor dat er wordt afgestapt van het vereiste van eenparigheid van stemmen van de lidstaten als het gaat om belastingzaken, zodat er vooruitgang kan worden geboekt in de strijd voor fiscale rechtvaardigheid, en de last voor de EU-burgers kan worden verminderd;

Gendermainstreaming op het gebied van het belastingbeleid

33.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om hun belastingbeleid regelmatig te onderwerpen aan gendereffectbeoordelingen vanuit gendergelijkheidsperspectief, en daarbij met name te kijken naar het multiplicatoreffect en naar impliciete discriminatie, om te waarborgen dat maatregelen op belastinggebied in de EU niet direct of indirect discriminerend zijn;

34.  verzoekt de lidstaten beste praktijken uit te wisselen met betrekking tot de opzet van hun arbeidsmarkten en belastingstelsels, om de loon- en pensioenkloof tussen vrouwen en mannen te helpen verkleinen en op die manier een eerlijker en gelijkere fiscale behandeling van vrouwen en mannen te bevorderen;

35.  herinnert de Commissie eraan dat zij sinds het Handvest van de grondrechten van de EU bij het Verdrag van Lissabon in het primaire recht werd opgenomen, wettelijk gehouden is om gendergelijkheid in haar beleid en optreden te bevorderen;

36.  is van oordeel dat het belangrijk is dat vrouwenrechtenorganisaties en maatschappelijke organisaties een leidende rol spelen bij de ontwikkeling van overheidsbeleid, onder meer gezien de gevolgen van belastingmaatregelen voor gendergelijkheid; beseft dat vrouwenrechtenorganisaties en maatschappelijke organisaties in veel landen financiële problemen hebben vanwege bezuinigingen die in het afgelopen decennium zijn doorgevoerd; verzoekt alle lidstaten die de afgelopen tien jaar bezuinigingen hebben doorgevoerd om de financiering van vrouwenrechtenorganisaties weer terug te brengen tot het niveau van vóór 2008;

37.  beseft dat veel belangenbehartigers en groepen uit het maatschappelijk middenveld zich bij discussies over belastingmaatregelen vanwege een gebrek aan deskundigheid op dit gebied aan de kant geschoven voelen, en dat het bedrijfsleven en financiële actoren dus in veel lidstaten in het kader van raadplegingsprocessen over financiële aangelegenheden oververtegenwoordigd zijn; roept de lidstaten op om hier verandering in te brengen door te voorzien in voorlichting over begrotingsprocessen en het maatschappelijk middenveld gelegenheid te bieden daadwerkelijk te worden gehoord;

38.  verzoekt de Commissie om aan haar wettelijke verplichting om gendergelijkheid te bevorderen te voldoen, door bij alle beoordelingen van de opzet van belastingbeleid die zij in het kader van het Europees semester uitvoert, aandacht te besteden aan genderaspecten; benadrukt dat bij de evaluaties van de belastingstelsels van de lidstaten in het kader van het Europees semester en de landenspecifieke aanbevelingen grondig gekeken moet worden naar de effecten ervan op sociaaleconomische genderkloven, het verbod op discriminatie en de bevordering van daadwerkelijke gendergelijkheid, en eveneens gekeken moet worden naar de noodzaak van adequate institutionele maatregelen op het niveau van de lidstaten;

39.  verzoekt de Commissie om aan de hand van de prioriteiten van de Europa 2020-strategie structurele zwakheden in de Europese economie aan te pakken, de loon- en pensioenkloof tussen vrouwen en mannen aan te pakken, het concurrentievermogen en de productiviteit van de EU te verbeteren en een duurzame sociale markteconomie te ondersteunen waarvan alle vrouwen en mannen kunnen profiteren;

40.  herinnert aan zijn standpunt met betrekking tot het voorstel voor een richtlijn inzake rapportage per land(29), waarin ambitieuze maatregelen worden voorgesteld ter verbetering van de transparantie op het gebied van belastingen en publiek toezicht op multinationals, omdat daardoor de burgers toegang zouden krijgen tot informatie over de winsten van deze ondernemingen, de subsidies die zij ontvangen en de belastingen die deze ondernemingen betalen in alle rechtsgebieden waar ze activiteiten ontplooien; pleit ervoor dat er in het kader van alle bestaande en toekomstige onderzoeken en beleidsmaatregelen gericht op fiscale rechtvaardigheid een omvattende genderanalyse wordt uitgevoerd, om de transparantie en controleerbaarheid van belastingmaatregelen te vergroten; dringt er bij de Raad op aan om tot onderlinge overeenstemming te komen over het voorstel om onderhandelingen met de andere instellingen aan te gaan met het oog op de invoering van een verplichting om rapportages per land op te stellen, omdat dat een van de belangrijkste maatregelen is om alle burgers meer transparantie te bieden inzake de belastinggegevens van ondernemingen; herinnert eraan dat het belangrijk is dat de lidstaten de neveneffecten van de materiële effecten van hun belastingmaatregelen regelmatig analyseren, en onder meer onderzoek doen naar eventuele genderdiscriminatie binnen hun belastingbeleid en naar hun vermogen om binnenlandse belastinginkomsten te genereren die ingezet kunnen worden ten behoeve van vrouwenrechten, en wijst erop dat er in het kader van het Platform inzake goed fiscaal bestuur al stappen op dit gebied gezet zijn;

41.  merkt op dat gendergelijkheid niet alleen een fundamenteel mensenrecht is, maar dat de verwezenlijking ervan kan bijdragen tot een meer inclusieve en duurzame groei; benadrukt dat door middel van een begrotingsanalyse vanuit genderperspectief betere informatie kan worden verkregen over de gevolgen van de verdeling van overheidsinvesteringen voor mannen en vrouwen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om genderbewust te budgetteren en wel op zo'n manier dat volledig duidelijk is welk aandeel van de overheidsmiddelen ten goede komt aan vrouwen en dat ervoor wordt gezorgd dat alle maatregelen inzake de besteding en toewijzing van middelen gendergelijkheid bevorderen;

42.  verzoekt de Commissie om zich in te zetten voor de verspreiding van beste praktijken op het gebied van belastingbeleid die gendereffecten in aanmerking nemen en gendergelijkheid bevorderen, met name op het gebied van belastingen op gezinsinkomen en btw; verzoekt de Commissie om in haar jaarlijkse verslag "Taxation Trends in the European Union" een genderanalyse op te nemen;

43.  betreurt dat gendergelijkheid in het meerjarig financieel kader 2021-2027 niet wordt aangemerkt als horizontale prioriteit en is van mening dat dit in strijd is met het beginsel van gendermainstreaming als bedoeld in artikel 8 VWEU; dringt er bij de EU-instellingen op aan om in het kader van de begrotingsprocedure per direct over te gaan tot genderbewust budgetteren met betrekking tot inkomsten en uitgaven, in overeenstemming met de verplichtingen van de EU inzake gendermainstreaming;

44.  dringt bij de lidstaten aan op nakoming van de krachtens het Handvest van de grondrechten van de EU op hen rustende wettelijke verplichting om bij de tenuitvoerlegging van het EU-recht en bij de tenuitvoerlegging van nationaal beleid dat door het EU-recht wordt beheerst gendergelijkheid te bevorderen;

45.  onderstreept dat er meer onderzoek nodig is naar en meer naar gender uitgesplitste gegevens nodig zijn over de verdelings- en allocatieve effecten van het belastingstelsel op de verschillende geslachten; roept, meer bepaald, de lidstaten op om belastinggegevens te verzamelen met betrekking tot individuele personen en niet alleen met betrekking tot gezinnen, en om de gendergerelateerde gegevenslacune inzake consumptiepatronen en de toepassing van verlaagde tarieven, inzake de verdeling van ondernemersinkomen en daarmee samenhangende belastingbetalingen en inzake de verdeling van nettovermogen, kapitaalinkomen en daarmee samenhangende belastingbetalingen op te vullen;

46.  betreurt dat de meeste lidstaten geen geïndividualiseerde gegevens verzamelen of analyseren met betrekking tot de inkomstenbelasting, en dat veel lidstaten alleen nog maar gegevens op gezinsniveau verzamelen op basis van de bepalingen inzake gezamenlijke belastingheffing;

47.  moedigt de lidstaten aan om in het kader van hun beleid een passende structuur op te zetten met belastingprikkels die migrantenvrouwen ertoe bewegen om (weer) een opleiding te gaan volgen of (weer) aan het werk te gaan;

48.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

CEDAW/C/CHE/CO/4-5, par. 40-43 (Zwitserland 2016); CEDAW/C/LUX/CO/6-7, par. 10, 15, 16 (Luxemburg 2018).

(2)

PB C 353E van 3.12.2013, blz. 38.

(3)

PB C 407 van 4.11.2016, blz. 2.

(4)

PB C 66 van 21.2.2018, blz. 30.

(5)

PB C 76 van 28.2.2018, blz. 93.

(6)

PB C 263 van 25.7.2018, blz. 49.

(7)

PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132.

(8)

PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.

(9)

Beleidsafdeling C van het Europees Parlement, Gender equality and taxation in the European Union, 2017.

(10)

Beleidsafdeling C van het Europees Parlement, Gender equality and taxation in the European Union, 2017.

(11)

Beleidsafdeling C van het Europees Parlement, Gender equality and taxation in the European Union, 2017.

(12)

Europese Commissie, DG Belastingen en Douane-Unie, Taxation Trends in the European Union - Data for the EU Member States, Iceland and Norway - 2018 Edition.

(13)

Eurodad, Tax Games: the Race to the Bottom, Europe's role in supporting an unjust global tax system, 2017, en Europese Commissie, 2018 Europees Semester: Landenverslagen, 7 maart 2018.

(14)

Onderzoeksdienst van het Europees Parlement, Bringing transparency, coordination and convergence to corporate tax policies in the European Union - 1 - Assessment of the magnitude of aggressive corporate tax planning, 2015.

(15)

Institute of Development Studies, Redistributing Unpaid Care Work – Why Tax Matters for Women's Rights. Beleidsnota. Uitgave 109. Januari 2016.

(16)

Beleidsafdeling C van het Europees Parlement, Gender equality and taxation in the European Union, 2017.

(17)

Zoals gevraagd in de Conclusies van de Raad over gendergelijkheid van 16 juni 2016.

(18)

Europese Commissie, Europees Semester: landenverslagen, 7 maart 2018.

(19)

Beleidsafdeling C van het Europees Parlement, Gender equality and taxation in the European Union, 2017.

(20)

Action Aid. Making tax work for women’s rights.

(21)

Institute of Development Studies (2016). Redistributing Unpaid Care Work – Why Tax Matters for Women’s Rights. Beleidsnota. Uitgave 109.

(22)

Beleidsafdeling C van het Europees Parlement, Gender equality and taxation in the European Union, 2017.

(23)

Beleidsafdeling C van het Europees Parlement, Gender equality and taxation in the European Union, 2017.

(24)

Beleidsafdeling C van het Europees Parlement, Gender equality and taxation in the European Union, 2017.

(25)

La Fiscalidad en España desde una Perspectiva de Género (2016) - Institut per a l’estudi i la transformació d ela vida quotidiana / Ekona Consultoría.

(26)

VN-rapport "Final study on illicit financial flows, human rights and the 2030 Agenda for Sustainable Development" van de onafhankelijke deskundige inzake de effecten van buitenlandse schulden en andere internationale financiële verplichtingen van staten met betrekking tot de volledige uitoefening van alle mensenrechten, met name economische, sociale en culturele rechten, 2016

(27)

PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132.

(28)

PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132. PB C 101 van 16.3.2018, blz. 79.

(29)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0284.


MINDERHEIDSSTANDPUNT

Anna Záborská en Brian Hayes namens de PPE-Fractie

De Europese Volkspartij steunt gezinnen in Europa en vindt dat gezinnen het recht moeten hebben om te kiezen voor de belastingregeling die het beste bij hun omstandigheden past. Wij staan niet achter een verslag waarin gezinnen dit recht ontzegd wordt.

Dit verslag levert geen bijdrage aan de aanpak van de oorzaken van ongelijkheid. In het verslag worden belastingmaatregelen ten onrechte als discriminerend aangemerkt en wordt het subsidiariteitsbeginsel geschonden. Wij verwerpen deze benadering en pleiten voor verantwoordelijke beleidsvorming, gericht op verbetering van de instrumenten ter bevordering van gelijke kansen voor alle vrouwen op de arbeidsmarkt.

De PPE heeft ambitieuze plannen op het gebied van vrouwenrechten. Wij zijn sterk voorstander van gelijkheid van vrouwen en mannen, dringen aan op tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving die erop gericht is de onbalans op de arbeidsmarkt te verhelpen, en bestrijden alle vormen van discriminatie van vrouwen op het werk, in het onderwijs en in het openbare leven. Wij geloven in beleidsontwikkeling op basis van ervaringen en steunen de verzameling van gegevens consequent. Bovendien heeft de PPE-Fractie altijd het voortouw genomen in de strijd tegen armoede door systematische, gerichte en doeltreffende oplossingen voor te stellen die het evenredigheidsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel van de EU eerbiedigen.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.11.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

41

10

15

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Hugues Bayet, Pervenche Berès, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Maria Corazza Bildt, Thierry Cornillet, Markus Ferber, Giuseppe Ferrandino, Iratxe García Pérez, Stefan Gehrold, Sven Giegold, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Anna Hedh, Gunnar Hökmark, Mary Honeyball, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Wolf Klinz, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Georgios Kyrtsos, Werner Langen, Olle Ludvigsson, Florent Marcellesi, Barbara Matera, Marisa Matias, Costas Mavrides, Alex Mayer, Angelika Mlinar, Luděk Niedermayer, Maria Noichl, Stanisław Ożóg, Dimitrios Papadimoulis, Pina Picierno, João Pimenta Lopes, Terry Reintke, Dariusz Rosati, Anne Sander, Molly Scott Cato, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Michaela Šojdrová, Paul Tang, Ramon Tremosa i Balcells, Ernest Urtasun, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Miguel Viegas, Jakob von Weizsäcker, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Biljana Borzan, Matt Carthy, Mady Delvaux, Lívia Járóka, Urszula Krupa, Paloma López Bermejo, Clare Moody, Mylène Troszczynski, Monika Vana, Julie Ward, Lieve Wierinck

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Marco Affronte, Birgit Collin-Langen, Ádám Kósa


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

41

+

ALDE

Wolf Klinz, Angelika Mlinar, Ramon Tremosa i Balcells, Lieve Wierinck

EFDD

Daniela Aiuto, Marco Valli

GUE/NGL

Malin Björk, Matt Carthy, Paloma López Bermejo, Marisa Matias, Dimitrios Papadimoulis, João Pimenta Lopes, Miguel Viegas

S&D

Hugues Bayet, Pervenche Berès, Vilija Blinkevičiūtė, Biljana Borzan, Mady Delvaux, Giuseppe Ferrandino, Iratxe García Pérez, Roberto Gualtieri, Anna Hedh, Mary Honeyball, Olle Ludvigsson, Costas Mavrides, Alex Mayer, Clare Moody, Maria Noichl, Pina Picierno, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Paul Tang, Julie Ward, Jakob von Weizsäcker

Verts/ALE

Marco Affronte, Sven Giegold, Florent Marcellesi, Terry Reintke, Molly Scott Cato, Ernest Urtasun, Monika Vana

10

-

ECR

Urszula Krupa, Stanisław Ożóg, Jadwiga Wiśniewska

ENF

Mylène Troszczynski

PPE

Anna Maria Corazza Bildt, Stefan Gehrold, Gunnar Hökmark, Werner Langen, Anna Záborská, Michaela Šojdrová

15

0

ALDE

Thierry Cornillet

PPE

Birgit Collin-Langen, Markus Ferber, Brian Hayes, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Lívia Járóka, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Georgios Kyrtsos, Ádám Kósa, Barbara Matera, Luděk Niedermayer, Dariusz Rosati, Anne Sander, Tom Vandenkendelaere, Elissavet Vozemberg-Vrionidi

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 8 januari 2019Juridische mededeling