Procedure : 2018/2094(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0427/2018

Ingediende teksten :

A8-0427/2018

Debatten :

PV 11/02/2019 - 20
CRE 11/02/2019 - 20

Stemmingen :

PV 13/02/2019 - 8.16
CRE 13/02/2019 - 8.16
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0098

VERSLAG     
5.12.2018
PE 625.528v02-00 A8-0427/2018

over de stand van het debat over de toekomst van Europa

(2018/2094(INI))

Commissie constitutionele zaken

Rapporteur: Ramón Jáuregui Atondo

Rapporteur voor advies (*):Ivana Maletić, Commissie economische en monetaire zaken

(*) Medeverantwoordelijke commissie – artikel 54 van het Reglement

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 ADVIES van de Commissie begrotingscontrole
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de stand van het debat over de toekomst van Europa

(2018/2094(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend op 13 december 2007,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het Europees Sociaal Handvest, het aanvullend protocol hierbij en de herziene versie ervan,

–  gezien artikel 295 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de informele bijeenkomst van de 27 staatshoofden en regeringsleiders van 29 juni 2016,

–  gezien de verklaring en de routekaart van Bratislava van de 27 lidstaten van 16 september 2016,

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(1),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over de Europese pijler van sociale rechten(2),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 inzake de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(3),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele bestel van de Europese Unie(4),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over de begrotingscapaciteit voor de eurozone(5),

–  gezien zijn resolutie van 16 maart 2017 over constitutionele, juridische en institutionele gevolgen van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid: door het Verdrag van Lissabon geboden mogelijkheden(6),

–  gezien het witboek van de Commissie van 1 maart 2017 en de vijf achtereenvolgende discussienota's (COM(2017)2025, COM(2017) 206, COM(2017) 240, COM(2017) 291, COM(2017) 315, COM(2017) 358),

–  gezien de verklaring van Rome van 25 maart 2017,

–  gezien de kennisgeving van het Verenigd Koninkrijk van 29 maart 2017 betreffende zijn voornemen om zich uit de Europese Unie terug te trekken,

–  gezien de resolutie van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het witboek van de Commissie over de toekomst van Europa en andere zaken van 6 juli 2017(7),

–  gezien de resolutie van het Europees Comité van de Regio's over het Witboek van de Europese Commissie over de toekomst van Europa – Beschouwingen en scenario's voor de EU-27 tegen 2025(8),

–  gezien de diverse bijdragen van nationale parlementen aan het witboek en de discussienota's van de Commissie over de toekomst van Europa,

–  gezien de toespraak van de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, van 12 september 2018 over de Staat van de Unie in 2018,

–  gezien de toespraak van de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, over de Staat van de Unie 2017 van 13 september 2017 en de routekaart naar een meer verenigde, sterkere en democratischere Unie van 24 oktober 2017 (COM(2017) 650),

–  gezien de toespraak op de Sorbonne van de Franse president Emmanuel Macron van 26 september 2017 over het initiatief voor een Europa dat soeverein, verenigd en democratisch is,

–  gezien de informele top van staatshoofden en regeringsleiders van de EU in Tallinn van 29 september 2017,

–  gezien de Leiderschapsagenda die tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad van 19 en 20 oktober 2017 is aangenomen,

–  gezien de interinstitutionele proclamatie betreffende de Europese pijler van sociale rechten door de Raad, het Parlement en de Commissie van 17 november 2017,

–  gezien de routekaart van de Commissie voor de verdere verdieping van Europa's economische en monetaire unie (EMU) van 6 december 2017 (COM(2017) 821) en in het bijzonder het voorstel voor het instellen van een Europees Monetair Fonds (EMF) (COM(2017) 827), het voorstel om de inhoud van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in het rechtskader van de Unie te integreren (COM(2017) 824) en de Mededeling betreffende een Europese minister van Economische Zaken en Financiën (COM(2017) 823),

–  gezien de bijeenkomst van de Europese Raad van 14 en 15 december 2017, en de leidersbijeenkomst en de Eurotop die in het verlengde daarvan plaatsvonden,

–  gezien de brief van 26 nationale parlementen uit 20 lidstaten van 20 december 2017 betreffende de transparantie van de besluitvorming in de Raad,

–  gezien de verklaring die op 10 januari 2018 werd aangenomen tijdens de top van de zuidelijke landen van de Europese Unie (Cyprus, Frankrijk, Griekenland, Malta, Portugal en Spanje), getiteld "Bringing the EU forward in 2018", de verklaring van 26 januari 2018 over de toekomst van Europa van de landen van de Visegrad-groep (Tsjechische Republiek, Hongarije, Polen en Slowakije), en de gezamenlijke verklaring van de Europese ministers van Financiën van Finland, Denemarken, Estland, Ierland, Letland, Litouwen, Nederland en Zweden van 6 maart 2018,

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 13 februari 2018 getiteld: "Een Europa dat resultaten boekt: institutionele opties om de werkzaamheden van de Unie doeltreffender te maken" (COM(2018) 95),

–  gezien Aanbeveling (EU) 2018/234 van de Commissie van 14 februari 2018 over het bevorderen van het Europese karakter en het efficiënte verloop van de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2019(9),

–  gezien de informele bijeenkomst van de 27 staatshoofden en regeringsleiders van 23 februari 2018,

–  gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2016(10),

–  gezien zijn resolutie van 19 april 2018 over de tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen betreffende nationale parlementen(11),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 van 2 mei 2018 (COM(2018) 322),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie van 2 mei 2018 (COM(2018) 325),

–  gezien de top EU-Westelijke Balkan van 17 mei 2018,

–  gezien het speciaal verslag van de Europese Ombudsman van 16 mei 2018 naar aanleiding van het strategisch onderzoek OI/2/2017/TE inzake de transparantie van het wetgevingsproces in de Raad,

–  gezien de verklaring van Meseberg van 19 juni 2018,

–  gezien de bijeenkomst van de Europese Raad op 28 en 29 juni 2018,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's getiteld "Nadenken over Europa: de inbreng van regionale en lokale overheden bij het herstellen van het vertrouwen in de Europese Unie" van 9 oktober 2018,

–  gezien de debatten over de toekomst van Europa met staatshoofden en regeringsleiders, die door het Europees Parlement zijn georganiseerd,

–  gezien het schrijven van de Commissie juridische zaken,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie internationale handel, de Begrotingscontrolecommissie en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0427/2018),

A.  overwegende dat de Europese Unie een ongekend voorbeeld is van supranationale integratie die haar volkeren sinds de grensverleggende Schuman-verklaring van 9 mei 1950 duurzame vrede, welvaart en welzijn heeft gebracht; overwegende dat gedeelde veiligheid, eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat, de eerbiediging van de mensenrechten en het welzijn van haar volkeren centraal staan in haar streven en optreden;

B.  overwegende dat, om maar een paar voorbeelden te noemen, het vrije verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen, de eenheidsmunt, het Erasmusprogramma, het regionaal, landbouw- en cohesiebeleid, en Horizon 2020, fundamentele verwezenlijkingen zijn van de Unie die bijdragen aan het welzijn van de Europese burgers; overwegende dat de Unie over de nodige bevoegdheden en middelen moet beschikken om de uitdagingen van de 21e eeuw het hoofd te bieden;

C.  overwegende dat de Unie de afgelopen jaren met meerdere crises is geconfronteerd die haar veerkracht en haar vermogen om daadkrachtig en eensgezind op te treden op de proef hebben gesteld;

D.  overwegende dat er in de periode 2014-2017 meer sociaal evenwichtig en effectief monetair en macro-economisch beleid is geweest dat heeft bijgedragen tot economisch en sociaal herstel, zoals de ongebruikelijke beleidsmaatregelen van de Europese Centrale Bank, de flexibiliteit van het stabiliteits- en groeipact en het investeringsplan voor Europa;

E.  overwegende dat Europa erin is geslaagd de meest kritieke momenten van de financiële en economische crisis onder controle te houden en voor een deel te overwinnen, maar dat er nog belangrijke en dringende hervormingen wachten op het niveau van de EU en de lidstaten op het gebied van het economische bestuur in het algemeen en meer specifiek met betrekking tot de euro, alsook wat betreft de verdere versterking van de eengemaakte markt en het herstel en de ontwikkeling van de sociale standaarden van onze welvaartsstaat;

F.  overwegende dat gezien de veelvoudige interne en externe huidige en toekomstige uitdagingen waarmee de Unie in een onstabiele en complexe wereld wordt geconfronteerd, met name uitdagingen die verband houden met migratie, krimpende bevolking, terrorisme, veiligheid, klimaatverandering, milieukwesties, de instandhouding van de multilaterale wereldorde, de voltooiing van de EMU, mondialisering, vrije en eerlijke op regels gebaseerde internationale handel, buitenlandse zaken en defensie, de ontwikkeling van de sociale pijler, en de bestrijding van anti-Europa-populisme, onverdraagzaamheid en vreemdelingenhaat, de EU de geest van samenwerking en solidariteit tussen de lidstaten nieuw leven moet inblazen, gebaseerd op de artikelen 2 en 3 van het VEU en het Handvest van de grondrechten, en het in het Verdrag van Lissabon verankerde doel om een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa tot stand te brengen het optreden van de Unie moet blijven inspireren om de Europese integratie verder te versterken en deze uitdagingen doeltreffend aan te pakken;

G.  overwegende dat het Parlement zich ernstig zorgen maakt over het toenemend aantal populistische, xenofobe en anti-Europese bewegingen in heel Europa; overwegende dat de Unie en haar lidstaten grotere inspanningen moeten leveren om de democratische waarden, de grondbeginselen en de doelstellingen van Europese integratie te verdedigen en te bevorderen;

H.  overwegende dat het referendum in het Verenigd Koninkrijk in juni 2016, dat ertoe heeft geleid dat het Verenigd Koninkrijk op 29 maart 2017 kennis heeft gegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken, het debat over de toekomst van de Unie heeft verhevigd; overwegende dat de onderhandelingen over het geplande vertrek van het VK uit de EU hebben aangetoond hoe groot de onderlinge afhankelijkheid van de lidstaten is, hoezeer we ons allemaal verlaten op gezamenlijke instrumenten en beleid, en hoeveel het kost om ergens uit te stappen;

I.  overwegende dat het verhevigde debat over de toekomst van Europa, naast de resoluties van het Parlement zelf over de toekomst van Europa van 16 februari 2017, tot uitdrukking komt in de verklaring en de routekaart van Bratislava, het Witboek van de Commissie over de toekomst van Europa, de verklaring van Rome, de Leidersagenda die in oktober 2017 werd aangenomen door de Europese Raad, en in de diverse bijdragen van afzonderlijke of groepen lidstaten, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, alsook in plenaire debatten in het Europees Parlement met staatshoofden en regeringsleiders over de "toekomst van Europa", in interparlementaire commissievergaderingen en in de organisatie van burgerdialogen en raadplegingen van verschillende instellingen, organen en lidstaten;

J.  overwegende dat uit de Parlemeter-enquête, die tussen 8 en 26 september 2018 is uitgevoerd, blijkt dat 62 % van de respondenten van mening is dat het lidmaatschap van hun land een goede zaak is en dat 68 % van mening is dat het EU-lidmaatschap hun land voordelen heeft opgeleverd, het hoogste resultaat dat sinds 1983 gemeten is;

K.  overwegende dat de waarden en beginselen waarop de Unie gebaseerd is een sfeer bepalen waarmee elke Europese burger zich kan identificeren, ongeacht de politieke of culturele verschillen die aan de nationale identiteit verbonden zijn;

L.  overwegende dat de aanstaande verkiezingen voor het Europees Parlement de gelegenheid bieden om een beeld te krijgen van de stand van het debat over de toekomst van Europa, mede gezien de voornaamste institutionele prioriteiten van het Europees Parlement, de Commissie en de Raad voor de komende mandaatsperiode;

M.  overwegende dat de EU voor een bijzonder belangrijke periode staat in haar constructieproces gezien de aard en de omvang van haar problemen, en dat deze alleen kunnen worden opgelost door samen te werken en door meer en betere integratie en solidariteit tussen de lidstaten, waarbij de huidige bepalingen van het Verdrag van Lissabon volledig worden benut, en vervolgens de Verdragen worden hervormd om de institutionele besluitvorming te verbeteren en voor een passend evenwicht tussen de bevoegdheden te zorgen;

N.  overwegende dat institutionele hervormingen erop gericht moeten zijn om de besluitvormingsprocessen democratischer te maken en de transparantie van de besluitvorming en controleerbaarheid van de Unie en haar instellingen te verbeteren; overwegende dat, gezien deze doelstellingen, het passend en een goed moment is om zinvolle participatie van burgers in het Europese project te bevorderen, raadplegingen te organiseren en een regelmatige dialoog aan te moedigen met burgers en representatieve organisaties, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 11 van het VEU;

O.  overwegende dat de Unie een sterkere governancestructuur nodig heeft met meer democratische controle door het Parlement, om de uitdagingen van vandaag en morgen het hoofd te bieden; overwegende dat transparantie en integriteit van de instellingen en organen van de EU van essentieel belang zijn om het vertrouwen van de burgers te winnen;

P.  overwegende dat de gezamenlijke Frans-Duitse verklaring van Meseberg een reeks overwegingen en voorstellen bevat ter versterking van de Europese samenwerking, met name op het gebied van economisch bestuur;

Q.  overwegende dat de bevordering van een Europese dimensie van cultuur en onderwijs van essentieel belang is voor de versterking van het Europees burgerschap, gezien het feit dat een gebrek aan kennis van de Unie, als gevolg waarvan jongere generaties de neiging hebben de verwezenlijkingen van de Unie als vanzelfsprekend te beschouwen, haar parten speelt;

1.  wijst erop dat in de resoluties van het Parlement over de toekomst van Europa van 16 februari 2017 het belang benadrukt wordt van het enkelvoudige institutionele kader en de Gemeenschapsmethode, en diverse voorstellen en initiatieven van bijzonder belang voor de Europese integratie naar voren worden gebracht die een bijdrage kunnen leveren aan de toekomstige ontwikkeling van Europa;

2.  benadrukt dat de Unie de toekomstige uitdagingen het hoofd moet bieden door middel van sterkere en betere politieke integratie, waarbij mensenrechten, fundamentele vrijheden en democratische beginselen volledig in acht worden genomen en worden bevorderd, en door onderlinge samenwerking; wijst erop dat burgers een Europa wensen dat hun rechten, hun welzijn en hun maatschappelijk model beschermt op basis van gedeelde soevereiniteit, hetgeen passende politieke integratie noodzakelijk maakt; verzoekt de staatshoofden en regeringsleiders deze koers te volgen in een hernieuwde geest van solidariteit en samenwerking;

3.  wijst erop dat alle staatshoofden en regeringsleiders die de voltallige vergadering van het Parlement tijdens de debatten over de toekomst van Europa hebben toegesproken, hebben erkend dat het nodig is om de uitdagingen van de toekomst samen aan te gaan en datgene beter te doen wat alleen samen kan worden bereikt;

4.  spreekt opnieuw de overtuiging uit dat gedifferentieerde integratie open moet blijven staan voor alle lidstaten en als methode van verdergaande Europese integratie en solidariteit moet blijven fungeren, hoewel dit niet mag worden verward met het idee van een Europa "à la carte"; benadrukt dat in het huidige debat over gedifferentieerde integratie niet mag worden gezinspeeld op de invoering van een eersteklas- en tweedeklaslidmaatschap van de Unie;

5.  wijst erop dat gedifferentieerde integratie niet mag worden gebruikt als manier om een rem te zetten op de politieke integratie;

6.  benadrukt dat de crisis het evenwicht tussen de voornaamste instellingen van de Unie heeft verstoord en dat de Europese Raad zijn eigen politieke initiatief uitoefent ten koste van het recht van initiatief van de Commissie en de intergouvernementele methode versterkt; is van mening dat de communautaire methode het meest geschikt is voor de werking van de Unie; roept de talrijke resoluties in herinnering die het Parlement in dit verband heeft aangenomen en herhaalt zijn oproep aan de Europese Raad om de grenzen van zijn bevoegdheden als verankerd in met name artikel 15 VEU ten volle te eerbiedigen;

7.  wijst er nogmaals op dat unanimiteit, die volgens de Verdragen voor bepaalde fundamentele kwesties vereist is, op belangrijke momenten en bij belangrijke beslissingen een bijna onoverkomelijke hindernis vormt, en pleit daarom met betrekking tot de besluitvormingsprocedures voor toepassing in de Raad van het beginsel van besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid (BGM) en voor wetgeving het gebruik van de gewone wetgevingsprocedure op de terreinen waar dit mogelijk is; herinnert eraan dat dit op grond van de huidige Verdragen kan worden bereikt door gebruik te maken van de verschillende "passerelle"-clausules of, in het geval van nauwere samenwerking, door gebruik te maken van artikel 333 van de VWEU;

8.  is in dit verband ingenomen met de aankondiging van voorzitter Juncker in zijn toespraak over de Staat van de Unie op 13 september 2017 en 12 september 2018 dat hij voornemens is om het gebruik van BMG in de Raad voor te stellen op bepaalde specifieke beleidsterreinen, maar betreurt het dat de verordening betreffende het meerjarig financieel kader (MFK) niet tot de genoemde onderwerpen behoort;

9.  is bijzonder ingenomen met het feit dat de Commissie heeft voorgesteld om BMG te gebruiken voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), met betrekking tot standpunten over mensenrechtenkwesties in internationale fora, besluiten om sanctieregelingen vast te stellen, en besluiten om civiele missies te starten of uit te voeren als reactie op crises in het buitenland, gegeven het belang om de besluitvorming sneller en doeltreffender te maken, en de noodzaak voor de Unie om met één stem te spreken;

10.  herhaalt zijn voorstel om van de Raad een echte wetgevende kamer op gelijke voet met het Parlement te maken, zoals uiteengezet in zijn resolutie van 16 februari 2017 over de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon, en de transparantie van het besluitvormingsproces in de Raad te vergroten; wijst in dit verband op het speciaal verslag van de Europese Ombudsman inzake de transparantie van het wetgevingsproces in de Raad en op het schrijven van de COSAC-delegaties van 20 december 2017 waarin wordt aangedrongen op meer transparantie van de politieke besluitvorming, met name van de kant van de Raad en informele organen zoals de Eurogroep, in het verlengde van vergelijkbare verzoeken van het Parlement in dit verband;

11.  is van mening dat er verschillende opties zijn om door de aanpassing van de structuur en de werkmethoden van het college van commissarissen de Commissie flexibeler te maken, bijvoorbeeld door de benoeming van vicevoorzitters die verantwoordelijk zijn voor een beleidscluster of de benoeming van hogere en lagere commissarissen;

12.   herinnert eraan dat het Parlement weliswaar geen formeel initiatiefrecht heeft op grond van de huidige Verdragen, maar dat het de Commissie kan verzoeken passende voorstellen in te dienen inzake aangelegenheden die naar het oordeel van het Parlement besluiten van de Unie voor de tenuitvoerlegging van de Verdragen vergen, en herinnert de Commissie, in overeenstemming met artikel 10 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(12), aan haar verplichting om verzoeken om voorstellen voor besluiten van de Unie onverwijld en gedetailleerd in overweging te nemen; herinnert er voorts aan dat dit interinstitutioneel akkoord ook bepalingen bevat over de interinstitutionele jaarlijkse en meerjarenprogrammering, die een aanvullend instrument vormen voor het Parlement om de wetgevingsagenda vorm te geven;

13.  wijst nogmaals op zijn voorstel om, in het geval van een mogelijke toekomstige herziening van de Verdragen, het recht van wetgevend initiatief ook aan het Europees Parlement toe te wijzen, als rechtstreekse vertegenwoordiger van de EU-burger;

14.  benadrukt met klem dat het toetsingsrecht en met name het enquêterecht van het Parlement moet worden versterkt en dat het specifieke, reële en duidelijk omschreven bevoegdheden moet worden verleend;

15.  neemt nota van het verslag van de taskforce inzake subsidiariteit, evenredigheid en "minder en efficiënter optreden" van 10 juli 2018, waarin aanbevelingen worden gedaan voor een nieuwe manier van werken in verband met subsidiariteit en evenredigheid; is van mening dat veel van die aanbevelingen, met name in verband met de rol van de nationale parlementen in de Unie en de wenselijke hervorming van het systeem voor vroegtijdige waarschuwing, al door het Parlement aan de orde zijn gesteld; wijst erop dat de taskforce tot de conclusie kwam dat er op alle gebieden waarop de EU momenteel actief is een toegevoegde Europese waarde wordt geboden en dat ze dan ook geen in het Verdrag vastgelegde bevoegdheden of beleidsterreinen heeft kunnen vinden die opnieuw definitief aan de lidstaten moeten toekomen, gedeeltelijk noch als geheel;

16.  is ingenomen met de aanbevelingen van de verschillende instellingen waarin wordt opgeroepen tot een actievere rol van de nationale parlementen, met name bij de controle van het optreden van hun regeringen binnen de Europese instellingen; herinnert tevens aan de fundamentele rol van lokale autoriteiten en met name regionale parlementen met wetgevende bevoegdheden;

17.  benadrukt het belang van samenwerking op interinstitutioneel niveau, met inachtneming van de in de Verdragen neergelegde prerogatieven van elke instelling, die een nieuw kader heeft gekregen met het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven, en wijst erop dat vereenvoudiging een permanente oefening is die tot doel heeft de processen en procedures op EU-niveau gemakkelijker te begrijpen, ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met de standpunten van alle belanghebbenden en uiteindelijk de deelname van de burgers aan de werking van de Europese Unie te vergemakkelijken;

18.  is ingenomen met de gezamenlijke afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten die is ondertekend door de Raad, het Parlement en de Commissie tijdens de sociale top voor eerlijke banen en groei wijst erop dat de bevoegdheden en instrumenten om de pijler in praktijk te brengen hoofdzakelijk in handen zijn van lokale, regionale en nationale overheden, alsook van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld, terwijl het Europees Semester een kader vormt om van de prestaties van de lidstaat in dit verband op de hoogte te blijven; herinnert er in dit verband voorts aan dat de sociale dialoog een onmisbaar instrument is gebleken om de beleidsvormings- en wetgevingsprocessen van de EU en de maatschappelijke legitimatie daarvan te verbeteren;

19.  neemt kennis van het niet-bindende karakter van de sociale pijler, waardoor het onmogelijk zal zijn de aandacht van de EU te verschuiven van economisch beleid, de interne markt en het begrotingsbeleid naar sociale beleidsdoelstellingen; wijst erop dat de Unie krachtens de in artikel 9 van het VWEU verankerde horizontale sociale clausule zorgvuldig rekening moet houden met de effecten van EU-wetgeving op sociale normen en werkgelegenheid, en maatschappelijk belanghebbenden hierbij naar behoren moet raadplegen;

20.  benadrukt dat milieubescherming een hoge prioriteit voor de EU moet zijn in het licht van de huidige achteruitgang van het milieu, en een plaats moet krijgen in alle beleid en maatregelen van de Unie; benadrukt dat de EU doeltreffende maatregelen moet nemen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en het aandeel van hernieuwbare energie in de energiemix en energiebesparing te verhogen tot het niveau dat nodig is om aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te voldoen;

21.  verzoekt de lidstaten nogmaals het herzien Europees Sociaal Handvest en het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid (ETS nr. 78) te ondertekenen en te ratificeren;

22.  onderstreept dat het belangrijk is om het proces van verdieping en voltooiing van de EMU voort te zetten, om zo bij te dragen aan het behoud van de stabiliteit van de eenheidsmunt en de intensivering van de convergentie van het economisch, begrotings- en arbeidsmarktbeleid en sociale normen van de lidstaten; herhaalt dat alle lidstaten, afgezien van Denemarken dat over een opt-out beschikt, op zeker ogenblik de euro als hun munt moeten invoeren; steunt verdere stappen richting de ontwikkeling van het ESM;

23.  benadrukt in dit opzicht dat er behoefte is aan sterk politiek engagement, efficiënt bestuur en democratische verantwoording op Europees en nationaal niveau, met name aan parlementaire controle in de verschillende fasen van het Europees Semester, door zowel het Europees Parlement als de nationale parlementen, teneinde het economische en financiële bestuur van de eurozone te voorzien van meer maatschappelijke, economische en democratische legitimiteit, en de follow-up van de aanbevelingen van de Unie te verbeteren;

24.  wijst op zijn standpunt in zijn resolutie van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele kader van de Europese Unie, dat het begrotingsbeleid en economisch beleid een "gedeelde bevoegdheid" van de Unie en de lidstaten moet worden;

25.  neemt kennis van de toenadering van de standpunten van Frankrijk en Duitsland over het idee voor een begrotingscapaciteit voor de eurozone; herhaalt zijn standpunt dat een dergelijke capaciteit binnen het kader van de EU moet worden ontwikkeld;

26.  neemt nota van het voorstel van de Commissie betreffende een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen en bespreekt nieuwe begrotingsinstrumenten gericht op stabilisering;

27.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie betreffende een steunprogramma voor hervormingen; benadrukt dat de medebeslissende en toezichthoudende bevoegdheden van het Parlement met betrekking tot de besteding van EU-middelen niet mogen worden verzwakt; maakt zich zorgen over het feit dat in de periode 2011-2017 slechts 9 % van de landenspecifieke aanbevelingen (LSA's) volledig ten uitvoer is gelegd; neemt nota van de convergentiefaciliteit, die lidstaten buiten de eurozone met een duurzaam begrotings- en economisch beleid zal stimuleren en ondersteunen om hervormingen door te voeren en te voldoen aan de criteria voor toetreding tot de eurozone;

28.  is verheugd over het toekomstige InvestEU-programma en benadrukt dat met dit fonds de investeringskloof in de EU verder moet worden gedicht; steunt investeringen in materiële en immateriële activa, waaronder cultureel erfgoed, om groei, investeringen en werkgelegenheid te bevorderen, met speciale aandacht voor kmo's, kleine en middelgrote beursgenoteerde ondernemingen en sociale ondernemingen, en aldus bij te dragen tot een beter welzijn, een eerlijkere inkomensverdeling en economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie;

29.  neemt kennis van de Mededeling van de Commissie over een Europese minister van Economische Zaken en Financiën; wijst erop dat de samenvoeging van de functies van vicevoorzitter van de Commissie voor Economische Zaken en voorzitter van de Eurogroep de parlementaire verantwoording op Europees niveau zou kunnen verbeteren;

30.  is van mening dat de toekomstige EU-begroting de toegevoegde waarde van Europa in sociaaleconomisch opzicht moet bevorderen, de modernisering van het EU-beleid moet ondersteunen, middelen voor nieuwe vraagstukken moet waarborgen, moet blijven bijdragen tot economische en sociale convergentie en cohesie tussen en binnen de lidstaten om zo de Europese solidariteit, stabiliteit, gelijkheid en slimme, duurzame en inclusieve groei te bevorderen, ook in het licht van de door de EU gedane toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs, de eerbiediging en bevordering van de in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) genoemde fundamentele waarden moet waarborgen en moet worden toegerust met nieuwe eigen middelen, rekening houdend met het werk van de groep op hoog niveau inzake eigen middelen;

31.  is ingenomen met het feit dat het voorstel van de Commissie over de eigen middelen echte nieuwe eigen middelen bevat, zoals het Parlement had verzocht, maar betreurt het dat er geen andere mogelijke inkomstenbronnen worden voorgesteld; spreekt zijn bezorgdheid uit over het voorstel van de Commissie inzake het MFK voor de periode 2021-2027, omdat het onvoldoende financiële verbintenissen bevat om het hoofd te bieden aan zowel de huidige als de toekomstige uitdagingen van de EU; betreurt de standpunten van sommige lidstaten die weigeren om de EU meer middelen ter beschikking te stellen, hoewel unaniem erkend wordt dat aan nieuwe uitdagingen en verantwoordelijkheden het hoofd moet worden geboden, wat een behoefte aan extra financiële middelen met zich meebrengt; wijst erop dat uitgaven op EU-niveau een besparing op nationaal niveau kunnen inhouden doordat overlappingen worden vermeden en er schaalvoordelen ontstaan;

32.  benadrukt dat het belangrijk is om in het proces van het Europees Semester opwaartse economische en sociale convergentie te waarborgen; ziet het belang in van de vaststelling van de Europese pijler van sociale rechten; merkt op dat het Europees Semester versterkt en gestroomlijnd is, maar wijst erop dat meer betrokkenheid van nationale parlementen de nationale zeggenschap zou helpen verbeteren, hetgeen dan weer tot een betere tenuitvoerlegging van de LSA's zou leiden en het proces van het Europees Semester zou verbeteren; merkt op dat het eerst en vooral de lidstaten zijn die verantwoordelijk zijn voor de keuze van een passend en duurzaam begrotingsbeleid en economisch beleid;

33.  betreurt dat er tot op heden geen praktisch vervolg is gegeven aan zijn verzoek tot het vaststellen van een convergentiecode – aan te nemen volgens de medebeslissingsprocedure – om zo een meer effectief kader voor economische beleidscoördinatie te creëren; herinnert er voorts aan dat, zonder afbreuk te doen aan het gestroomlijnde Europees Semester, het Parlement verzocht heeft om de sluiting van een interinstutioneel akkoord waarin het Parlement een grotere rol in het Europees Semester wordt toebedeeld; herinnert in dit verband aan zijn suggestie die het met name in zijn resolutie over de tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen betreffende nationale parlementen heeft gedaan, om de begrotingskalenders op nationaal en Europees niveau gedurende het hele proces beter op elkaar af te stemmen om zowel het Europees Parlement als de nationale parlementen nauwer bij het Europees Semester te betrekken;

34.  benadrukt dat het van belang is zich in te zetten voor de voltooiing van de bankenunie, dat er openheid moet zijn en dat alle lidstaten die deelnemen aan de bankenunie moeten kunnen rekenen op gelijke behandeling; brengt in herinnering dat de voltooiing van de bankenunie, met een Europees depositoverzekeringsstelsel en een budgettair vangnet voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, en de uitvoering van de risicoreductiemaatregelen moeten worden voortgezet;

35.  is ingenomen met de antiwitwasmaatregelen die door de Commissie zijn voorgesteld in het kader van de herziening van het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFS); spoort de Raad aan de wetgevingsonderhandelingen met het Parlement voor het einde van deze zittingsperiode af te ronden aangezien het beleid ter bestrijding van het witwassen van geld moet worden versterkt om te voorkomen dat er zich in de toekomst situaties voordoen waarbij financiële instellingen actief meewerken aan het witwassen van geld;

36.  verzoekt de Commissie om met behulp van de Europese toezichthoudende autoriteiten belemmeringen op de interne markt in kaart te brengen en weg te nemen en de bescherming van de consument te helpen waarborgen; is van mening dat de daadwerkelijke handhaving van de EU-wetgeving een van de hoofdprioriteiten van de Commissie moet zijn;

37.  verzoekt de Commissie om waar passend en per geval verordeningen te verkiezen boven richtlijnen als wetgevingsinstrument voor de bankenunie en voor wetgeving inzake financiële diensten, om versnippering te voorkomen en te vermijden dat toezichthouders rekening moeten houden met verschillende nationale regelingen;

38.  benadrukt dat de kapitaalmarktenunie dringend moet worden voltooid; wijst erop dat diepe en goed geïntegreerde kapitaalmarkten complementair zijn aan de bankenunie, omdat deze bijdragen aan private risicodeling, zorgen voor meer economische convergentie, helpen bij het opvangen van toekomstige schokken en waar nodig kunnen leiden tot een betere toewijzing van middelen; vraagt dat er grondig wordt onderzocht welk kader het meest geschikt is om beter rekening te houden met de snel veranderende aard van financiële diensten; wijst erop dat een betere toegang tot aanvullende financieringsbronnen vooral nuttig zou zijn voor startende ondernemingen en kmo's, aangezien dit hun duurzame groei en ontwikkeling zou bevorderen;

39.  is ingenomen met de tot nu toe verrichte werkzaamheden en acht het noodzakelijk de omvattende herziening van de bestaande btw-wetgeving voort te zetten; dringt aan op de intensivering van de strijd tegen belastingfraude, belastingontwijking en belastingontduiking; neemt kennis van de werkzaamheden van de Commissie op het vlak van eerlijke belastingheffing in de digitale economie;

40.  vraagt alle Europese instellingen en organen, inclusief de Commissie, de Europese Centrale Bank, de Europese Investeringsbank en het gemeenschappelijk toezichtmechanisme, om hun inspanningen op het vlak van communicatie nog verder op te voeren, met als doel de Europese burgers beter uit te leggen wat zij doen en hen te voorzien van meer informatie;

41.  benadrukt dat Europa een positieve kracht in de wereld is en dit ook moet blijven, door vast te houden aan haar waarden, het multilateralisme en het internationaal recht; wijst erop dat de Unie en haar lidstaten de grootste bijdrage leveren aan de internationale ontwikkelingshulp;

42.  verwelkomt het besluit van de Raad tot instelling van de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO), de gecoördineerde jaarlijkse evaluatie inzake defensie (CARD) en het Europees Defensiefonds (EDF) als een belangrijke stap naar een gemeenschappelijk defensiebeleid, en neemt kennis van de voorstellen van bepaalde lidstaten voor het instellen van een EU-veiligheidsraad en een Europees Interventie Initiatief; herinnert aan zijn oproep tot het opzetten van een permanente Raad van ministers van Defensie voorgezeten door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), en onderstreept het belang van gepaste democratische verantwoording voor de beslissingen die op dit gebied worden genomen, alsook de noodzaak van nauwere samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen in dit verband;

43.  is verheugd over de versterking van het Europese mechanisme voor civiele bescherming en dringt andermaal aan op de oprichting van een Europese noodhulpmacht voor civiele bescherming, aangezien de bestaande Verdragen daarvoor een goede basis vormen;

44.  wijst erop dat de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag voor de rechten van de mens nog steeds hangende is; verzoekt om het opnemen van de bepalingen van het Euratom-Verdrag in het VEU en het VWEU;

45.  betreurt het gebrek aan overeenstemming tussen de lidstaten over de prioriteiten en de uitvoering van een integraal immigratiebeleid op EU-niveau, dat het mogelijk moet maken om de migratiestromen te sturen en te reguleren, de buitengrenzen van de EU doeltreffender te controleren, samen te werken met landen van herkomst en doorvoer, en de eerbiediging van de grondrechten van migranten en asielzoekers te waarborgen, naast andere doelstellingen; benadrukt dat de duidelijk strijdige belangen die door de lidstaten worden aangevoerd, met elkaar moeten worden verzoend, en aan de onvrede van de burgers moet worden tegemoetgekomen, om het Europese integratieproject, dat rechtstreeks te lijden heeft onder de instrumentalisering van de migratiekwestie door de eurosceptische partijen, niet in gevaar te brengen;

46.  herinnert aan zijn standpunt met betrekking tot de herziening van het Dublinstelsel; onderstreept voorts hoe belangrijk het is om het partnerschap met Afrika te versterken en neemt kennis van de Mededeling van de Commissie van 12 september 2018 getiteld "Meer legale mogelijkheden voor migratie naar Europa: onmisbaar voor een evenwichtig en omvattend migratiebeleid" (COM(2018)0635);

47.  benadrukt het belang van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) ondersteund door een goed gefinancierde begroting; wijst op het centrale belang van het GLB voor de historische ontwikkeling van de Unie; merkt op dat het GLB een fundamentele rol speelt om voor bloeiende plattelandsgebieden en zekerheid van de voedselvoorziening te zorgen; stipt aan dat de komende hervorming van het GLB een gelegenheid is om de verwezenlijking van de doelstellingen kracht bij te zetten; onderstreept dat het GLB een van de oudste beleidsmaatregelen is en een van de belangrijkste en meest geïntegreerde beleidsmaatregelen moet blijven, en dat het GLB zal blijven bijdragen aan de opbouw van het toekomstige Europa door middel van meer integratie, milieubehoud, voedselzekerheid en veiligheid van de EU-burgers; merkt op dat het beleid inzake landbouw en plattelandsontwikkeling uitstekende mogelijkheden biedt voor de levering van collectieve goederen; benadrukt dat de Europese landbouw een cruciale rol speelt bij de voedselvoorziening op aarde, en 46 miljoen mensen werk biedt; wijst op de rol die het GLB speelt om bodem, water en andere natuurlijke hulpbronnen gezond en in goede toestand te houden; benadrukt dat landbouw een cruciale rol speelt bij de prioriteiten van de Unie om de gevolgen van de klimaatverandering te beperken en duurzame ontwikkeling te bevorderen; onderstreept hoe belangrijk een goed gefinancierd en hervormd GLB is om de vele uitdagingen waarvoor de Unie in de toekomst gesteld wordt het hoofd te kunnen bieden; onderstreept dat het GLB niet alleen om landbouw en landbouwers gaat maar ook om het helpen ontwikkelen van de bredere plattelandsgemeenschappen waarin zij actief zijn;

48.  benadrukt dat het gemeenschappelijk handelsbeleid een fundamentele pijler van het externe beleid van de Unie moet blijven, gegeven het feit dat het rechtstreekse gevolgen heeft voor de levens van de burgers, en dat het de Unie moet helpen zich aan te passen aan haar nieuwe rol in een wereld met meerdere leidende spelers op het wereldtoneel; dringt er bij de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden op aan samen te werken op de volgende gebieden:

a)  het gemeenschappelijk handelsbeleid versterken door het in het bredere beleidskader te integreren; met betrekking tot het mondiale handelsbeleid het voortouw nemen op multi- en bilateraal niveau;

b)  een leidende rol spelen bij de verdediging van een open, op regels gebaseerd, eerlijk en op duurzame ontwikkeling gericht wereldhandelssysteem zodat EU-ondernemingen wereldwijd actief kunnen zijn onder gelijke voorwaarden, volgens voorspelbare regels, onder eerlijke concurrentie en overeenkomstig vastgestelde verplichtingen, onder meer door constructief te werken aan een gemeenschappelijk EU-standpunt voor de intergouvernementele onderhandelingen van de VN over aansprakelijkheid voor mensenrechtenschendingen en door de verantwoordingsplicht van bedrijven evenals bindende zorgvuldigheidsverplichtingen met betrekking tot de toeleverings- en productieketen te stimuleren;

c)  het Parlement volledig en onverwijld op de hoogte houden van de onderhandelingen en het mandaat van de Raad, en tijdens de gehele uitvoeringstermijn van internationale overeenkomsten, om te waarborgen dat het zijn bevoegdheden en prerogatieven kan uitoefenen; de onderhandelingsprocessen vereenvoudigen en verkorten en het toezicht van het Parlement in de loop daarvan versterken; de transparantie voor de EU-burgers vergroten door de onderhandelingsrichtsnoeren (mandaten) voor handelsovereenkomsten bekend te maken voor de start van de onderhandelingen; ten volle de Verdragsbepalingen en recente EU-rechtspraak respecteren waarin is bepaald dat de Unie exclusief bevoegd is voor de gemeenschappelijke handelspolitiek;

d)  in handelsovereenkomsten systematisch hoofdstukken opnemen over digitale handel en kmo's evenals bindende en afdwingbare hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling naast bepalingen inzake gendergelijkheid en het voortouw nemen bij multilaterale besprekingen over deze thema's; ten volle de privacy van gegevens van EU-burgers verdedigen;

e)  de samenhang versterken van het gemeenschappelijk handelsbeleid met het GBVB en het Europees ontwikkelings- en klimaatbeleid, om de in artikel 3, lid 5, van het VEU en de artikelen 21, 207 en 208 van het VWEU vastgelegde waarden en doelstellingen te waarborgen, volledig overeenkomstig de Europese consensus inzake ontwikkeling;

49.  is van mening dat de Unie internationale handel moet blijven bevorderen zonder toegevingen te doen in verband met de verdediging van sociale, arbeids- en milieunormen; waarschuwt voor handelsoorlogen die voor iedereen nadelig uitpakken en de spanningen op het gebied van politiek en veiligheid doen oplopen;

50.  herinnert eraan dat in artikel 17, lid 7 van het VEU staat dat de Europese Raad, rekening houdend met de verkiezingen voor het Europees Parlement en na passende raadplegingen, bij het Europees Parlement met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een kandidaat voordraagt voor het ambt van voorzitter van de Europese Commissie; benadrukt zijn vaste voornemen om door te gaan met het Spitzenkandidaten-proces voor de verkiezing van de volgende voorzitter van de Commissie, overeenkomstig het Verdrag van Lissabon, en is in dit verband ingenomen met de steun van de Commissie en bepaalde lidstaten; benadrukt dat tijdens de benoemingsprocedure van de voorzitter van de Commissie goed overleg met het Parlement van het allergrootste belang is, aangezien, na de verkiezingen, het Parlement bepaalt welke kandidaat door een meerderheid van zijn samenstellende leden kan worden gesteund en het resultaat van zijn interne besprekingen aan de Europese Raad zal doen toekomen; herinnert eraan dat de kandidaat moet zijn aangewezen als lijsttrekker door een van de Europese politieke partijen en in de aanloop naar de Europese verkiezingen campagne moet hebben gevoerd voor de functie van voorzitter van de Commissie; is van mening dat deze praktijk haar nut duidelijk heeft bewezen doordat zij het maatschappelijk draagvlak voor de Europese verkiezingen en de supranationale rol van het Europees Parlement als exponent van het Europese burgerschap en de Europese soevereiniteit vergroot; waarschuwt opnieuw dat het Parlement bereid is tijdens de benoemingsprocedure van de Commissievoorzitter elke kandidaat af te wijzen die in de aanloop naar de Europese verkiezingen niet als lijsttrekker werd aangewezen;

51.  betreurt de frequente en wijdverbreide neiging om impopulaire beslissingen toe te schrijven aan Brussel en nationale autoriteiten van hun politieke verantwoordelijkheden te ontslaan, aangezien deze oneerlijke en opportunistische houding schadelijk is voor Europa, anti-Europese gevoelens en nationalisme bevordert en de EU-instellingen in diskrediet brengt; is bovendien van mening dat het onterecht toeschrijven van beslissingen in strijd is met de verplichting om voor regeringsoptreden verantwoording af te leggen; benadrukt dat een correcte uitvoering en toepassing van het EU-recht van essentieel belang is voor de verwezenlijking van het beleid van de Unie en voor het bevorderen van wederzijds vertrouwen tussen de Unie, de lidstaten en de burgers en spreekt zijn bezorgdheid uit over het optreden van lidstaten die dit weigeren te doen;

52.  onderstreept dat de sociale en milieugevolgen van het EU-beleid grondiger moeten worden beoordeeld door ook rekening te houden met de kosten van het niet uitvaardigen van wetten op Europees niveau (de zogenaamde "kosten van het niet-bestaan van Europa");

53.  benadrukt dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan het bestuursrecht van de EU, zoals blijkt uit zijn resolutie van 9 juni 2016 waarin wordt opgeroepen tot een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat(13);

54.  benadrukt de noodzaak om de Europese publieke ruimte te versterken als een democratische supranationale ruimte; onderstreept dat de voornaamste uitdagingen waarmee Europa wordt geconfronteerd moeten worden aangepakt en besproken vanuit een Europees en niet uitsluitend nationaal perspectief, en door volledig uitvoering te geven aan de in de artikelen 10 en 11 van het VEU verankerde bepalingen; wijst er om deze reden op dat de Europese democratie de transnationale dimensie van haar doelstellingen en uitdagingen moet versterken, en tegelijkertijd een Europees burgerschap gebaseerd op de gemeenschappelijke waarden in de Europese Unie moet bevorderen, meer Europees georiënteerd formeel onderwijs en een maatschappelijk kader dat meer op overleg en participatie gebaseerd is en een campagne voor de komende Europese verkiezingen van 2019 die meer Europees en minder nationaal georiënteerd is;

55.  is ingenomen met de aanpak die door de Unie wordt gevolgd bij de huidige onderhandelingen over de ordelijke uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, en onderstreept de opmerkelijke eensgezindheid die door de EU-instellingen en de lidstaten wordt getoond; constateert dat de ervaringen met de onderhandelingen tot nu toe de enorme complexiteit van dergelijke beslissingen laten zien;

56.  benadrukt nogmaals dat noch nationale soevereiniteit, noch subsidiariteit een rechtvaardiging of legitimering kan vormen voor het feit dat een lidstaat zich systematisch onttrekt aan de fundamentele waarden van de Europese Unie die als leidraad hebben gediend bij de opstelling van de inleidende artikelen van de Europese verdragen die alle lidstaten vrijwillig hebben onderschreven met de belofte zich hieraan te zullen houden; benadrukt bovendien dat het verdedigen van deze waarden fundamenteel is voor de cohesie van het Europese project, de rechten van alle Europeanen en het benodigde wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten; vraagt de Commissie nogmaals spoedig een voorstel in te dienen om gevolg te geven aan zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, rechtsstaat en grondrechten;

57.  wijst erop dat de Europese instellingen volgens het Hof van Justitie (gevoegde zaken C-8/15 P tot en met C-10/15 P(14)) verplicht zijn de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te eerbiedigen en te handhaven, ook al handelen ze buiten het rechtskader van de EU;

58.  herhaalt dat in de context van het debat over de toekomst van Europa aandacht moet worden geschonken aan de vraag hoe het begrotingsstelsel van de Unie kan worden hervormd om een toereikende begroting te garanderen om het voorgenomen beleid te financieren en een beter evenwicht te vinden tussen voorspelbaarheid en reactievermogen, en hoe kan worden gewaarborgd dat de algehele financieringsregelingen niet complexer zijn dan nodig om de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken en om verantwoording te garanderen; is van mening dat er, waar nodig en zonder de werking van de programma's in het gedrang te brengen, meer voorwaarden aan beleidsmaatregelen moeten worden verbonden teneinde bij de uitvoering van de uitgaven van de Unie een goed en doeltreffend financieel beheer te waarborgen;

59.  wijst er op dat het belangrijk is meer aandacht te besteden aan een efficiënter gebruik van de financiële middelen en aan democratische controlemechanismen inzake de EU-begroting; vraagt alle EU-instellingen hun procedures en praktijken ter bescherming van de financiële belangen van de Unie te versterken en actief bij te dragen aan een resultaatgerichte kwijtingsprocedure; beschouwt de kwijtingsprocedure in dit verband als een onontbeerlijk instrument van de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de burgers en de lidstaten van de Unie en wijst op de problemen die zich herhaaldelijk voordoen door gebrek aan medewerking van de zijde van de Raad; stelt met nadruk dat de Raad net als de andere instellingen een verantwoordingsplicht heeft en transparant moet zijn; onderstreept dat hierop geen uitzonderingen mogen gelden;

60.  vestigt de aandacht op het corruptieprobleem, dat aanzienlijke financiële gevolgen heeft en een ernstige bedreiging vormt voor de democratie, de rechtsstaat en overheidsinvesteringen; wijst erop hoe belangrijk het is het geld van de Europese belastingbetaler te beschermen tegen fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad;

61.  herhaalt dat de EU, rekening houdend met de huidige stand van het integratieproject, elke mogelijke piste moet bewandelen om de volledige uitvoering van het Verdrag van Lissabon te waarborgen; wijst erop dat een volgende herziening van de Verdragen moet vertrekken vanuit het bijeenroepen van een Conventie – waarvan de inclusiviteit moet worden gewaarborgd door de keuze van de vertegenwoordigers en die een discussieplatform moet bieden waarbij ook belanghebbenden en burgers betrokken worden – om te komen tot een debat en conclusies over de diverse bijdragen aan de denkoefening over de toekomst van Europa door de instellingen en overige organen van de Unie en de voorstellen die zijn gedaan door staatshoofden en regeringsleiders, nationale parlementen, maatschappelijke organisaties en geraadpleegde burgers;

62.  benadrukt dat de denkoefening over de toekomst van Europa reeds van start is gegaan op basis van de verschillende standpunten over de hervorming van de EU van het Parlement, de Europese Raad en de Commissie; betreurt dat er ondanks die standpunten slechts marginale hervormingen worden beoogd; benadrukt dat het nieuwe Parlement en de nieuwe Commissie, eens ze geïnstalleerd zijn, munt moeten slaan uit het werk dat is verricht in de vorige zittingsperiode en de reeds ingediende voorstellen moeten beginnen uitwerken;

63.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.

(2)

PB C 242 van 10.7.2018, blz. 24.

(3)

PB C 252 van 18.7.2018, blz. 215.

(4)

PB C 252 van 18.7.2018, blz. 201.

(5)

PB C 252 van 18.7.2018, blz. 235.

(6)

PB C 263 van 25.7.2018, blz. 125.

(7)

PB C 345 van 13.10.2017, blz. 11.

(8)

PB C 306 van 15.9.2017, blz. 1.

(9)

PB L 45 van 17.2.2018, blz. 40.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0056.

(11)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0186.

(12)

PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(13)

PB C 86 van 6.3.2018, blz. 126.

(14)

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 20 september 2016, Ledra Advertising Ltd e.a./Europese Commissie en Europese Centrale Bank (ECB), ECLI:EU:C:2016:701.


TOELICHTING

De verklaring van Rome in 2017 vormde de afsluiting van de denkoefening die op 16 september 2016 in Bratislava in gang werd gezet naar aanleiding van het Britse referendum, met het oogmerk een gezamenlijke visie en een stappenplan voor de komende jaren vast te stellen. De lidstaten beloofden te ijveren voor:

•  een veilig en zeker Europa met bewegingsvrijheid voor alle burgers, beveiligde buitengrenzen en een efficiënt migratiebeleid;

•  een welvarend en duurzaam Europa waar aanhoudende en duurzame groei wordt gestimuleerd, met een sterke eengemaakte markt;

•  een sociaal Europa dat de strijd aanbindt tegen werkloosheid, discriminatie, sociale uitsluiting en armoede;

•  een sterker Europa op wereldniveau dat bestaande partnerschappen versterkt, nieuwe partnerschappen aangaat en ernaar streeft zijn gemeenschappelijke veiligheid en defensie te versterken;

De wereld staat niet stil en de gebeurtenissen volgen elkaar op alle gebieden in hoog tempo op. Alles heeft invloed op ons: heel de wereld staat met elkaar in verbinding en de onderlinge afhankelijkheid is steeds groter. Europa wordt hierdoor geconfronteerd met nieuwe uitdagingen die ons dwingen om beslissingen te nemen, zoals een institutioneel bestel dat niet snel en doeltreffend genoeg is, en niet eens in verhouding staat tot de omvang en de relevantie van de problemen. Veel van de ernstige problemen uit de afgelopen jaren worden weliswaar aangepakt, maar zijn nog niet opgelost. De migratiestromen houden aan en vereisen een nieuw beleid. De eurocrisis heeft laten zien hoe belangrijk governance op dit gebied is. De economische crisis vraagt om meer convergentie en nieuw beleid. Over de brexit moet nog zwaar worden onderhandeld. En er dienen zich al nieuwe uitdagingen aan: Protectionisme en Handelsoorlogen? Het buitenlands en defensiebeleid in een chaotische, multipolaire wereld? Veiligheid in geval van langdurig terrorisme? De bescherming van onze gegevens en onze democratische systemen tegen cybermanipulatie en -aanvallen, enz.

Veel van de uitdagingen waarvoor we gesteld worden, zijn mondiaal van aard en vragen om supranationaal optreden, mede door de bestaande internationale organisaties. Klimaatverandering is wellicht het beste voorbeeld van een noodzakelijke internationale aanpak, ondanks het betreurenswaardige besluit van de Verenigde Staten om zich terug te trekken uit de Overeenkomst van Parijs. Migratieproblemen, cyberveiligheid, internationale handel, humanitaire crises, pandemieën, mensenrechten, ontwikkelingssamenwerking, de bestrijding van belastingontduiking en belastingparadijzen enz., kunnen niet door één enkel land worden aangepakt. Zelfs niet alleen door Europa. Er bestaat dan ook een ruime meerderheid in Europa die ons vraagt om samen datgene te blijven doen wat we nu al goed doen, en ook samen de belangrijke uitdagingen het hoofd te bieden waarmee we als Europeanen worden geconfronteerd.

Diverse leiders hebben ons voorgesteld om Europa opnieuw vorm te geven. In Europa klinken voortdurend oproepen om ons institutionele bestel te verbeteren in reactie op de talrijke onzekerheden en bedreigingen. "Een Europa dat ons beschermt" is een van de slogans die wordt gehanteerd om te appelleren aan een Europa dat weer teruggrijpt op haar bestaansreden en sociale functie door persoonlijke en collectieve zekerheid te bieden. "Zelf beslissen" in plaats van de omstandigheden of anderen te laten beslissen, is een andere eis die te horen valt bij voorstanders van Europa, en die neerkomt op de uitoefening van de Europese soevereiniteit in de wereld, in reactie op de digitale revolutie, de uitdagingen op energiegebied, de crisis van de democratie of het sociaal model, of de multilaterale internationale en geopolitieke verhoudingen.

Zonder twijfel heeft een van de belangrijkste discussies betrekking op de verhouding tussen naties en Europa, tussen onze nationale realiteit en de supranationale structuren, alsof deze strijdig zouden zijn met elkaar. Dit is een debat dat over technische aspecten gaat (subsidiariteit, evenredigheid, bevoegdheidsverdelingen enz.), maar de laatste jaren blijft het hier niet toe beperkt. Er is sprake van een nieuw nationalisme, vaak openlijk anti-Europees, dat de natiestaat verdedigt als het enige democratische niveau, waarmee het de grootsheid van het Europese project en zelfs van de Europese democratie ontkent. Het is zaak een evenwicht te vinden bij de uitoefening van ieders respectieve bevoegdheden, waarbij aan Europa uitsluitend die bevoegdheden worden toegekend die noodzakelijk zijn, maar wel op zodanige wijze dat het daarbij niet gehinderd wordt door een verlammende intergouvernementele aanpak.

Het is zaak het Europese project te versterken door een Europese "demos" op te bouwen met de hulp van de politiek, het onderwijs en de cultuur. Het is noodzakelijk om te voorkomen dat Europa verdeeld raakt, dat onze Unie verzwakt wordt en onze burgers aan bescherming inboeten door nationalistisch populisme dat rechten en vrijheden ondermijnt. Het is uiterst belangrijk erop te wijzen dat Europa de optelsom is van identiteiten en volkeren, waarin gevoelens een enorm historisch gewicht hebben. Het is uitermate riskant om deze aan te wakkeren of met elkaar te confronteren.

Het verschijnsel migratie heeft in het Europese debat enorm aan belang gewonnen. Onze morele principes worden op de proef gesteld door wat er in het Middellandse Zeegebied gebeurt. Ons buitenlands beleid vertoont enorme tekortkomingen in conflictgebieden als het Midden-Oosten. We zijn niet in staat onze buitengrenzen doeltreffend te controleren en de communautaire beslissingen over de vastgestelde vluchtelingenquota zijn openlijk in de wind geslagen. Het ergste is wellicht dat in veel van onze samenlevingen immigratie aanleiding is voor gevoelens van afkeer en vreemdelingenhaat. Gevoelens die behendig worden gemanipuleerd en benut door extreemrechtse politici en anti-Europese populistische bewegingen. Het is daarom onontbeerlijk en urgent om het Europese migratiebeleid opnieuw vorm te geven. Dit is een van de voornaamste uitdagingen voor Europa, niet alleen om demografische redenen, maar vooral vanwege het belang om coherent te zijn met de beginselen en waarden (artikel 2 van het Verdrag) waarop onze Unie is gegrondvest.

De ervaringen met de economische en financiële crisis en het beheer daarvan in het kader van de EMU heeft ons veel geleerd en heeft vele gebreken in het institutionele bestel aan het licht gebracht. En niet alleen wat betreft het monetaire en economische beleid. Diverse verslagen van het Europees Parlement wijzen erop: dat de meerderheid van de politieke en economische besluiten hebben plaatsgevonden in de Europese Raad, ten koste van de overige instellingen; dat het democratische draagvlak voor veel besluiten is afgekalfd door de invloed van niet-representatieve technische organen; dat de institutionele architectuur voor het bestuur van de eurozone niet toereikend is en aanzienlijke hervormingen vergt; dat de unanimiteit die door de Verdragen wordt geëist een bijna onoverkomelijke hindernis vormt op belangrijke momenten en bij belangrijke beslissingen; dat het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie betere besluitvorming en middelen vergt, alsook stroomlijning van de internationale vertegenwoordiging van de Unie enz... In het algemeen worden in deze verslagen belangrijke hervormingen voorgesteld van de institutionele werking van de Commissie, het Parlement en de Raad ter vergroting van de transparantie en verbetering van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de beslissingen van de Unie.

Veel van de door te voeren hervormingen en de beslissingen die moeten worden genomen met het oog op de toekomst, vereisen een verdergaande politieke Europese integratie, met name op het gebied van het economische en monetaire bestuur. Dit is de enige democratisch legitieme manier om dit gedaan te krijgen.

Aanpassing van de Verdragen is uiteindelijk misschien de beste manier om die integratie te bereiken, maar lijkt op dit moment niet raadzaam. Dat is een beslissing die eerst onder de loep moet worden genomen en eventueel in de komende zittingsperiode kan worden genomen. Zonder aanpassing van de Verdragen kunnen en moeten er echter op korte termijn veel hervormingen worden doorgevoerd, zoals aangegeven in de resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 over de begrotingscapaciteit voor de eurozone. Nauwere samenwerking blijft een nuttig instrument, bijvoorbeeld op defensiegebied. Een Europa van verschillende snelheden mag echter geen Europa à la carte zijn.

De politieke integratie vergt echter ook een verbetering van de relatie tussen burgers en Europese instellingen. De supranationale, politieke Europese identiteit van de burgers is zwak. Er is geen vertrouwen in die relatie en de samenhang tussen de wil van burgers zoals die tot uitdrukking komt tijdens de verkiezingen en de beleidslijnen van de Unie is minimaal. Voorzitter Juncker, de Europese federalisten, de premiers en vanzelfsprekend het Europees Parlement hebben voorstellen gedaan en beraadslaagd over verbetering van de relatie tussen de burgers en de Europese instellingen en manieren om de werking van de Commissie en het Parlement meer in overeenstemming te brengen met de regels van nationale parlementaire stelsels. In dit verband moet aandacht worden besteed aan de door het Parlement herziene Europese kieswet, de versterking van de Europese politieke partijen, parlementaire meerderheden die het optreden van de Commissie ondersteunen, de controletaken van het Europees Parlement en de betrekkingen met de nationale parlementen, alsook aan vele andere gelijksoortige kwesties, om te komen tot grotere politieke transparantie en een betere relatie met de Europese burgers.

Het debat over de toekomst van Europa heeft in de loop van de huidige zittingsperiode regelmatig aandacht gekregen, met name aan het einde daarvan. Naar aanleiding van de vijf scenario's die de Commissie in het eerste semester van 2017 opstelde, leverden diverse partijen achtereenvolgens een bijdrage, van de Europese instellingen tot Europese onderzoekers en deskundigen. Noemenswaardig waren vooral de bijdragen van de presidenten of premiers van de lidstaten die in de loop van 2018 op uitnodiging van het Europees Parlement hun visie hebben gegeven op de toekomst van Europa.

Dit verslag beoogt een beknopt overzicht te geven van de onderwerpen van debat betreffende de toekomst van Europa en de opties voor Europese integratie richting te geven en te verduidelijken in de aanloop naar de verkiezingen van 2019. In dit verband moet worden opgemerkt dat dit verslag niet tot doel heeft de verschillende alternatieven te bepalen of te kiezen, maar om de problemen vast te stellen, de uitdagingen te beschrijven en de mogelijkheden aan te reiken die de nieuwe volksvertegenwoordigers na de komende verkiezingen zullen moeten behandelen.

Dit verslag beoogt evenmin de wetgevingstechnieken en -hervormingen uiteen te zetten die we kunnen gebruiken om tot verdere integratie te komen. Van deze taak heeft het Europees Parlement zich al uitgebreid gekweten door de volgende resoluties aan te nemen:

–  resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele bestel van de Europese Unie;

–  resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 inzake de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon;

–  resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 over de begrotingscapaciteit voor de eurozone;

Deze en de andere in de "overwegingen" genoemde verslagen vormen het uitgangspunt voor de hervormingen en andere nog uit te voeren stappen die Europa in staat moeten stellen om de bestuurlijke uitdagingen voor de komende jaren het hoofd te bieden.

Het werkelijke doel van dit verslag is om eind 2018, aan het begin van een fundamenteel politiek debat dat gevoerd zal worden tijdens de verkiezingen van mei 2019, een actueel beeld te geven van de grote thema's voor Europa, de uitdagingen waar het voor gesteld staat en de instrumenten waarmee deze kunnen worden aangepakt. Daarbij worden geen oplossingen aangedragen, uit respect voor de instellingen die op basis van de verkiezingen zullen worden vernieuwd. Het zijn de nieuwe volksvertegenwoordigers die dit beslissen. Beoogd wordt enkel een Europese politieke agenda op te stellen op basis van de talrijke en herhaaldelijke boodschappen die ons momenteel bereiken en die door verschillende Europese instellingen en de hoogste autoriteiten van de lidstaten zijn geformuleerd in de achtereenvolgende verslagen, verklaringen en voorstellen, en die allemaal hetzelfde voor ogen hebben: van Europa een grootmacht te maken op het gebied van geopolitiek, handel, klimaat, economie, voeding en diplomatie.


ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken (22.11.2018)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake de stand van het debat over de toekomst van Europa

(2018/2094(INI))

Rapporteur voor advies (*): Ivana Maletić

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie economische en monetaire zaken verzoekt de bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  neemt kennis van de standpunten die tijdens de plenaire debatten over de toekomst van Europa zijn ingenomen; is van mening dat de toekomstige EU-begroting de toegevoegde waarde van Europa in sociaaleconomisch opzicht moet bevorderen, de modernisering van het EU-beleid moet ondersteunen, middelen voor nieuwe vraagstukken moet waarborgen, moet blijven bijdragen tot economische en sociale convergentie van de lidstaten en cohesie tussen en binnen de lidstaten om zo de Europese solidariteit, stabiliteit, gelijkheid en slimme, duurzame en inclusieve groei te bevorderen, ook in het licht van de door de EU gedane toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs, de eerbiediging en bevordering van de in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) genoemde fundamentele waarden moet waarborgen en moet worden toegerust met nieuwe eigen middelen, rekening houdend met het werk van de groep op hoog niveau inzake eigen middelen;

2.  benadrukt dat het van belang is zich in te zetten voor de voltooiing van de bankenunie, dat er openheid moet zijn en dat alle lidstaten die deelnemen aan de bankenunie moeten kunnen rekenen op gelijke behandeling; brengt in herinnering dat de voltooiing van de bankenunie, met een Europees depositoverzekeringsstelsel en een fiscaal vangnet voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, en de uitvoering van de risicoreductiemaatregelen moeten worden voortgezet;

3.  is ingenomen met de antiwitwasmaatregelen die door de Commissie zijn voorgesteld in het kader van de herziening van het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFS); spoort de Raad en het Parlement aan om de wetgevingsonderhandelingen voor het einde van deze zittingsperiode af te ronden; benadrukt dat het antiwitwasbeleid moet worden verbeterd om te verhinderen dat er zich in de toekomst situaties voordoen waarbij financiële instellingen actief meewerken aan het witwassen van geld;

4.  verzoekt de Commissie om met behulp van de Europese toezichthoudende autoriteiten belemmeringen op de interne markt in kaart te brengen en weg te nemen en om de bescherming van de consument te helpen waarborgen; is van mening dat de daadwerkelijke handhaving van de EU-wetgeving een van de belangrijkste prioriteiten van de Commissie moet zijn;

5.  verzoekt de Commissie om waar passend verordeningen te verkiezen boven richtlijnen als wetgevingsinstrument voor de bankenunie en voor wetgeving inzake financiële diensten, om versnippering te voorkomen en te vermijden dat toezichthouders rekening moeten houden met verschillende nationale regelingen, en om dit per geval te beoordelen;

6.  benadrukt dat de kapitaalmarktenunie dringend moet worden voltooid; wijst erop dat diepe en goed geïntegreerde kapitaalmarkten complementair zijn aan de bankenunie, omdat deze bijdragen aan private risicodeling, zorgen voor meer economische convergentie, helpen bij het opvangen van toekomstige schokken en waar nodig kunnen leiden tot een betere toewijzing van middelen; vraagt dat er grondig wordt onderzocht welk kader het meest geschikt is om beter rekening te houden met de snel veranderende aard van financiële diensten; wijst erop dat een betere toegang tot aanvullende financieringsbronnen vooral nuttig zou zijn voor startende ondernemingen en kmo's, aangezien dit hun duurzame groei en ontwikkeling zou bevorderen;

7.  onderstreept dat het belangrijk is om het proces richting de verdieping en voltooiing van de EMU voort te zetten, om zo mee te werken aan het behoud van de stabiliteit van de eenheidsmunt en de intensivering van de convergentie van het economisch, begrotings- en arbeidsmarktbeleid en sociale normen van de lidstaten; benadrukt in dit opzicht dat er nood is aan sterk politiek engagement, doeltreffend bestuur en democratische aansprakelijkheid op Europees en nationaal niveau en met name aan controlerend optreden van het Parlement gedurende de verschillende fasen van het Europees semester; herhaalt dat alle lidstaten, met uitzondering van Denemarken, op zeker ogenblik de euro zullen gebruiken; steunt verdere stappen richting de ontwikkeling van het ESM; neemt nota van het voorstel van de Commissie betreffende een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen en debatteert over nieuwe fiscale instrumenten gericht op stabilisering;

8.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie betreffende een steunprogramma voor hervormingen; benadrukt dat de medebeslissende en toezichthoudende rol van het Parlement met betrekking tot de besteding van EU-middelen niet mag worden afgezwakt; maakt zich zorgen over het feit dat van 2011 tot 2017 slechts 9 % van de landenspecifieke aanbevelingen (LSA's) volledig ten uitvoer is gelegd; neemt nota van de convergentiefaciliteit, die lidstaten buiten de eurozone met een duurzaam fiscaal en economisch beleid zal stimuleren en ondersteunen om hervormingen door te voeren en te voldoen aan de criteria voor toetreding tot de eurozone;

9.  benadrukt dat het belangrijk is om in het proces van het Europees Semester opwaartse economische en sociale convergentie te waarborgen; ziet het belang in van de vaststelling van de Europese pijler van sociale rechten; merkt op dat het Europees Semester versterkt en gestroomlijnd is, maar wijst erop dat meer betrokkenheid van nationale parlementen de nationale zeggenschap zou helpen verbeteren, hetgeen dan weer tot een betere tenuitvoerlegging van de LSA's zou leiden en het proces van het Europees Semester zou verbeteren; merkt op dat het eerst en vooral de lidstaten zijn die verantwoordelijk zijn voor de keuze van een passend en duurzaam begrotingsbeleid en economisch beleid;

10.  is verheugd over het toekomstige InvestEU-programma en benadrukt dat met dit fonds de investeringskloof in de EU verder moet worden gedicht; steunt investeringen in materiële en immateriële activa, waaronder cultureel erfgoed, om groei, investeringen en werkgelegenheid te bevorderen, met speciale aandacht voor kmo's, kleine en middelgrote beursgenoteerde ondernemingen en sociale ondernemingen, en aldus bij te dragen tot een beter welzijn, een eerlijkere inkomensverdeling en economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie;

11.  is ingenomen met de tot nu toe verrichte werkzaamheden en acht het noodzakelijk de omvattende herziening van de bestaande btw-wetgeving voort te zetten; dringt ten zeerste aan op de intensivering van de strijd tegen belastingfraude, belastingontwijking en belastingontduiking; neemt kennis van het werk van de Commissie op het vlak van eerlijke belastingheffing in de digitale economie;

12.  vraagt alle Europese instellingen en organen, inclusief de Commissie, de Europese Centrale Bank, de Europese Investeringsbank en het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme, om hun inspanningen op het vlak van communicatie nog verder op te voeren, met als doel de Europese burgers beter uit te leggen wat zij doen en hen te voorzien van meer informatie.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.11.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

40

7

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Hugues Bayet, Pervenche Berès, David Coburn, Thierry Cornillet, Esther de Lange, Markus Ferber, Jonás Fernández, Giuseppe Ferrandino, Stefan Gehrold, Sven Giegold, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Danuta Maria Hübner, Petr Ježek, Barbara Kappel, Wolf Klinz, Georgios Kyrtsos, Philippe Lamberts, Werner Langen, Bernd Lucke, Olle Ludvigsson, Ivana Maletić, Marisa Matias, Costas Mavrides, Alex Mayer, Luděk Niedermayer, Stanisław Ożóg, Sirpa Pietikäinen, Pirkko Ruohonen-Lerner, Anne Sander, Alfred Sant, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Paul Tang, Ramon Tremosa i Balcells, Ernest Urtasun, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Miguel Viegas, Jakob von Weizsäcker

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Andrea Cozzolino, Jeppe Kofod, Paloma López Bermejo, Michel Reimon, Joachim Starbatty, Lieve Wierinck

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Pilar Ayuso, Elmar Brok, Helga Stevens

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

40

+

ALDE

Thierry Cornillet, Petr Ježek, Wolf Klinz, Ramon Tremosa i Balcells, Lieve Wierinck

ENF

Barbara Kappel

PPE

Pilar Ayuso, Elmar Brok, Markus Ferber, Stefan Gehrold, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Danuta Maria Hübner, Georgios Kyrtsos, Esther de Lange, Werner Langen, Ivana Maletić, Luděk Niedermayer, Sirpa Pietikäinen, Anne Sander, Tom Vandenkendelaere

S&D

Hugues Bayet, Pervenche Berès, Andrea Cozzolino, Jonás Fernández, Giuseppe Ferrandino, Roberto Gualtieri, Jeppe Kofod, Olle Ludvigsson, Costas Mavrides, Alex Mayer, Alfred Sant, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Paul Tang, Jakob von Weizsäcker

VERTS/ALE

Sven Giegold, Philippe Lamberts, Michel Reimon, Ernest Urtasun

7

-

ECR

Bernd Lucke, Joachim Starbatty

EFDD

David Coburn, Marco Valli

GUE/NGL

Paloma López Bermejo, Marisa Matias, Miguel Viegas

3

0

ECR

Stanisław Ożóg, Pirkko Ruohonen-Lerner, Helga Stevens

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie internationale handel (5.11.2018)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake de stand van het debat over de toekomst van Europa

(2018/2094(INI))

Rapporteur voor advies: José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat het gemeenschappelijk handelsbeleid een fundamentele pijler van het externe beleid van de Unie moet blijven, met rechtstreekse gevolgen voor de levens van de burgers, en dat het de Unie moet helpen zich aan te passen aan haar nieuwe rol in een wereld met meerdere leidende spelers op het wereldtoneel; dringt er bij de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden op aan daartoe samen te werken op de volgende gebieden:

a)  het gemeenschappelijk handelsbeleid versterken door het in het bredere beleidskader te integreren; met betrekking tot het mondiale handelsbeleid het voortouw nemen op multi- en bilateraal niveau; nauwer samenwerken met de bilaterale, strategische en regionale handelspartners en met multilaterale organisaties zoals de Conferentie van de Verenigde Naties inzake handel en ontwikkeling (UNCTAD), het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), en met name de Wereldhandelsorganisatie (WTO), door actief deel te nemen aan de noodzakelijke hervorming daarvan zodat zij doeltreffender wordt, beter kan inspelen op de nieuwe globale uitdagingen, met inbegrip van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering, en de legitimiteit ervan wordt versterkt; het leiderschap van de Unie en het EU-handelsbeleid krachtiger maken via de bevordering van een op waarden gebaseerd handelsbeleid door de mensenrechtendimensie van de handel en de toepassing van de hoogste Europese normen te versterken;

b)  een leidende rol spelen bij de verdediging van een open, op regels gebaseerd, eerlijk en op duurzame ontwikkeling gericht wereldhandelssysteem om zo het concurrentievermogen van ondernemingen in de EU te bevorderen, door de daadwerkelijke toepassing te waarborgen van internationale regels en overeenkomsten, zoals milieu- en klimaatovereenkomsten, verdragen van de IAO, anticorruptiebepalingen en overeenkomsten inzake financiële transparantie, bestrijding van witwassen, en fiscale samenwerking; erover waken dat EU-ondernemingen wereldwijd actief kunnen zijn onder gelijke voorwaarden, volgens voorspelbare regels, onder eerlijke concurrentie en overeenkomstig vastgestelde verplichtingen, onder meer door constructief te werken aan een gemeenschappelijk EU-standpunt voor de intergouvernementele onderhandelingen van de VN over aansprakelijkheid voor mensenrechtenschendingen en door de verantwoordingsplicht van bedrijven evenals bindende zorgvuldigheidsverplichtingen met betrekking tot de toeleverings- en productieketen te stimuleren;

c)  het Parlement volledig en onverwijld op de hoogte houden van de onderhandelingen en het mandaat van de Raad, en tijdens de gehele uitvoeringstermijn van internationale overeenkomsten, om te waarborgen dat het zijn bevoegdheden en prerogatieven kan uitoefenen; de onderhandelingsprocessen vereenvoudigen en verkorten en het toezicht van het Parlement in de loop daarvan versterken; de transparantie ten aanzien van de EU-burgers vergroten door de onderhandelingsrichtsnoeren (mandaten) voor handelsovereenkomsten bekend te maken voor de start van de onderhandelingen, ook om de voorspelbaarheid en de rechtszekerheid voor marktdeelnemers te vergroten, zodat zij beter en tijdig gebruik kunnen maken van de kansen die zich voordoen voor de EU; ten volle de Verdragsbepalingen en recente EU-rechtspraak respecteren waarin is bepaald dat de Unie exclusief bevoegd is voor de gemeenschappelijke handelspolitiek;

d)  het handelsbeleid aanpassen aan de wereldwijde tendensen van automatisering, digitalisering, toenemende gerichtheid op dienstverlening, de opkomst van mondiale waardeketens en de onderlinge verwevenheid van handel in goederen en in diensten, door te werken aan de opname van passende bepalingen om gegevensoverdracht, concurrerende prijzen voor intermediaire goederen en geliberaliseerde handel in diensten te waarborgen in bilaterale en multilaterale handelsovereenkomsten;

e)  kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) ondersteunen zodat zij ten volle de vruchten kunnen plukken van het gemeenschappelijk handelsbeleid; de investeringen in onderzoek en technologische ontwikkeling en innovatie verhogen, met name met het oog op het koolstofvrij maken van onze economie; de Europese ondernemingen ondersteunen om wereldleider te worden in deze bedrijfstak, het concurrentievermogen te vergroten en fatsoenlijke banen te scheppen; benadrukken dat duurzame ontwikkeling niet mag worden gezien als een belemmering voor investeringen; aandringen op internationale samenwerking en een internationaal participatieproces, met name op het Afrikaanse continent, die duurzame economische cycli op regionaal niveau zouden kunnen bevorderen, tot de creatie van nieuwe banen zouden kunnen leiden en de ontwikkeling van socialebeschermingsmaatregelen zouden kunnen stimuleren;

f)  in handelsovereenkomsten systematisch hoofdstukken opnemen over digitale handel en kmo's evenals bindende en afdwingbare hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling en bepalingen inzake gendergelijkheid en het voortouw nemen bij multilaterale besprekingen over deze thema's; ten volle de privacy van gegevens van EU-burgers verdedigen als neergelegd in de algemene verordening gegevensbescherming van de Unie (Verordening (EU) 2016/679) en de versterking van de EU-normen inzake consumentenbescherming, gegevensbescherming en markttoegang bevorderen; een wereldwijde alliantie nastreven en de autoriteiten van de lidstaten ondersteunen bij de bestrijding van grensoverschrijdende cybercriminaliteit; een digitale EU-strategie ontwikkelen die investeringen omvat in digitale infrastructuur en digitale ondernemingen ten bate van de gehele samenleving;

g)  de aanvraagprocedure voor en de toegang tot het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering vereenvoudigen om rekening te houden met de gevolgen van de geleidelijke en wederkerige liberalisering van de handel in goederen en diensten;

h)  de samenhang versterken van het gemeenschappelijk handelsbeleid met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het Europees ontwikkelings- en klimaatbeleid, om de in artikel 3, lid 5, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 21, 207 en 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vastgelegde waarden en doelstellingen te waarborgen, volledig overeenkomstig de Europese consensus inzake ontwikkeling;

i)  onderkennen dat de extreme politisering van handelsovereenkomsten van de EU de handel kan belemmeren;

j)  het strategische belang onderstrepen van de ontwikkeling van een constructief nabuurschapsbeleid door de opbouw van eerlijke handelsbetrekkingen en economische samenwerking met economieën in het oostelijk en zuidelijk nabuurschap van de Unie, teneinde hun economische en sociale welvaart te bevorderen en banen te scheppen;

k)  anticiperen op de gevolgen van de brexit en manieren voorstellen om negatieve economische gevolgen voor de Unie en haar burgers, met inbegrip van Britse burgers die nu in de Unie wonen, te verzachten;

l)  de communicatiestrategie over het gemeenschappelijk handelsbeleid verbeteren door meer openbare en uitgebreide analyses van de mogelijke effecten van nieuwe handelsovereenkomsten ter beschikking te stellen alvorens de onderhandelingsrichtsnoeren (mandaten) ter zake goed te keuren; beter communiceren over de kansen die de handel onze burgers en ondernemingen biedt; de transparantie vergroten en de dialoog met beroepsmatige en sociale partners en het maatschappelijk middenveld verdiepen om hen passend te betrekken bij het toezicht op en de uitvoering van handelsovereenkomsten, met name via de gezamenlijke dialoog en interne adviesgroepen voor handelsovereenkomsten en via de toewijzing van meer middelen aan deze mechanismen; de burgers van de Unie en de marktdeelnemers helpen om het veranderende evenwicht in de structuur van de mondiale economische betrekkingen beter te begrijpen en zich eraan aan te passen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.11.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

30

3

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Maria Arena, Tiziana Beghin, David Borrelli, Salvatore Cicu, Christofer Fjellner, Eleonora Forenza, Karoline Graswander-Hainz, Christophe Hansen, Heidi Hautala, Nadja Hirsch, Yannick Jadot, France Jamet, Jude Kirton-Darling, Patricia Lalonde, Bernd Lange, David Martin, Emmanuel Maurel, Anne-Marie Mineur, Sorin Moisă, Alessia Maria Mosca, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Tokia Saïfi, Helmut Scholz, Joachim Schuster, Adam Szejnfeld, Iuliu Winkler

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Sajjad Karim, Sander Loones, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Georges Bach, Norbert Lins

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

30

+

ALDE

Nadja Hirsch, Patricia Lalonde

ECR

Sander Loones

EFDD

Tiziana Beghin

GUE/NGL

Helmut Scholz

NI

David Borrelli, Emmanuel Maurel

PPE

Georges Bach, Salvatore Cicu, Christofer Fjellner, Christophe Hansen, Norbert Lins, Sorin Moisă, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Tokia Saïfi, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Adam Szejnfeld, Jarosław Wałęsa, Iuliu Winkler

S&D

Maria Arena, Karoline Graswander-Hainz, Jude Kirton-Darling, Bernd Lange, David Martin, Alessia Maria Mosca, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Joachim Schuster

VERTS/ALE

Heidi Hautala, Yannick Jadot

3

-

ECR

Sajjad Karim

ENF

France Jamet

GUE/NGL

Anne-Marie Mineur

1

0

GUE/NGL

Eleonora Forenza

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie begrotingscontrole (16.11.2018)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake de stand van het debat over de toekomst van Europa

(2018/2094(INI))

Rapporteur voor advies: Petri Sarvamaa

SUGGESTIES

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat Europa op een tweesprong staat met een bepaalde legitimiteitscrisis ten aanzien van Europese beslissingen;

B.  overwegende dat het Europese project dichter bij de EU-burgers moet worden gebracht, met bijzondere aandacht voor hun behoeften, levens en verwachtingen, om vooral de legitimiteit van de EU te versterken en het vertrouwen in en het enthousiasme voor het Europese project te herstellen dankzij een vernieuwd EU-bestuur;

C.  overwegende dat parlementair toezicht op de overheidsuitgaven een fundamenteel onderdeel van een modern democratisch systeem is;

D.  overwegende dat meer democratie in de EU hand in hand gaat met meer transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit, die als de leidende beginselen voor de cultuur binnen de EU-instellingen moeten gelden om een doeltreffend bestuur te bevorderen en voor meer openheid te zorgen ten aanzien van de werking van de EU en haar besluitvormingsproces;

E.  overwegende dat alle EU-instellingen transparant moeten zijn en dat zij ten volle verantwoording verschuldigd zijn aan de burgers van de Unie voor de hun als EU-instellingen toevertrouwde middelen;

F.  overwegende dat de leiders van de EU-27 met de goedkeuring van de Verklaring van Rome op 25 maart 2017 een duidelijk signaal van "eenheid en solidariteit" hebben gegeven;

G.  overwegende dat besluiteloosheid op Europees niveau niet langer een optie is gezien de grote uitdagingen waaraan de Unie het hoofd moet bieden, met name inzake globalisering, migratie, defensie op basis van nauwere samenwerking, sociale kwesties, voltooiing van de Europese Monetaire Unie en de keuze van nieuwe eigen middelen van de EU;

H.  overwegende dat de EU-begroting voor de lidstaten een waardevolle financieringsbron blijft;

1.  is van mening dat het vertrouwen van de burgers in de EU-instellingen van fundamenteel belang is voor de democratie, goed bestuur en doeltreffende beleidsvorming;

2.  benadrukt dat het van essentieel belang is tegenstrijdige visies op Europa te overstijgen en concurrerende prioriteiten met elkaar te verzoenen om te voorkomen dat de Unie uit elkaar gerukt of verzwakt wordt;

3.  erkent dat het vanwege de brexit dringender is geworden verder na te denken over de institutionele architectuur en de uitgavenstructuur van de EU, en het EU-beleid een nieuwe dynamiek te geven;

4.  wijst erop dat het besluit van het Verenigd Koninkrijk om zich uit de Unie terug te trekken ingewikkelde budgettaire gevolgen zal hebben en de EU-begroting negatief zal beïnvloeden; beklemtoont dat de overblijvende EU-27 meer ambitie aan de dag moeten leggen inzake de hervorming van de begroting gezien de huidige en toekomstige uitdagingen van de EU;

5.  is ervan overtuigd dat er nog altijd ruimte is om de democratische verantwoordingsplicht beter in het kader van de Unie te verankeren, namelijk door sterke mechanismen voor politieke legitimiteit en institutionele verantwoordingsplicht te ontwikkelen en door de steeds complexere bestuursstructuren in de EU te stroomlijnen;

6.  wijst erop dat er dringend een budgettaire en administratieve hervorming van de EU nodig is om haar interne processen te stroomlijnen en de EU begrijpelijker en toegankelijker te maken voor haar burgers;

7.  wijst erop dat bij eventuele verdere ontwikkelingen in de architectuur van de Unie met betrekking tot bestaande organen of de oprichting van nieuwe juridische entiteiten altijd rekening moet worden gehouden met de democratische verantwoordingsplicht van de Unie, regelingen ter controle van de openbare financiën, en de efficiëntie van activiteiten;

8.  is van mening dat de leemten in de verantwoordingsplicht binnen de EU moeten worden weggewerkt en dat werk moet worden gemaakt van toezichtsmethoden die meer op samenwerking zijn gestoeld en waarbij democratisch toezicht en auditactiviteiten worden gecombineerd alsook meer transparantie wordt betracht; dringt daarom aan op volledige verantwoordingsplicht van en doeltreffend democratisch toezicht op de Europese Investeringsbank en de Europese Centrale Bank en op de oprichting van toekomstige organen, zoals een Europees Monetair Fonds;

9.  benadrukt voorts dat het tijd is om pragmatisch na te denken over de manier waarop de EU presteert door de kernvragen te beantwoorden hoe het beleid van de Unie het best kan worden uitgevoerd en welke bestuursmodellen moeten worden toegepast om het pad te effenen voor een Europa van tastbare resultaten;

10.  wijst op de noodzaak van een strategische langetermijnvisie voor de EU; acht het moment aangebroken om met een nieuw Europees discours op de proppen te komen en het EU-beleid strategischer uit te voeren, op basis van een aantal duidelijk omschreven en begrijpelijke prioriteiten, collectieve doelstellingen en bevoegdheden van de Unie, om de duidelijkheid en doeltreffendheid te vergroten;

11.  onderstreept dat de vertaling van de overkoepelende politieke doelstellingen in tastbare en zichtbare acties en resultaten voor de EU-burgers regelmatig aan de werkelijkheid moet worden getoetst, en dat het daarom strikt noodzakelijk is begrotingscontrole als een fundamenteel onderdeel van democratische controle te behouden;

12.  wijst erop dat een versterking van de democratische controle en het toezicht door het Parlement niet alleen gebaseerd moet zijn op het traditionele in de gaten houden van bestanden en geldstromen, maar ook op een grondige beoordeling van de prijs-kwaliteitverhouding, een waardevolle en duurzame impact voor de burger en de eerbiediging van de waarden van de Unie en de rechtsstaat;

13.  is van mening dat de eerbiediging van fundamentele waarden, de bescherming van de rechtsstaat in de lidstaten, of de invoering van milieuvoorwaarden noodzakelijke democratische voorwaarden zijn voor de afbakening van eventuele nieuwe vormen van financiële solidariteit van de EU; maakt zich zorgen over recente ontwikkelingen met betrekking tot de gebrekkige eerbiediging van de rechtsstaat in sommige lidstaten; waardeert in dit verband het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten (COM(2018)0324); benadrukt dat de Europese instellingen maatregelen moeten nemen om de rechtsstaat te beschermen;

14.  vraagt dat het huidige kader ter bescherming van de financiële belangen van de Unie wordt versterkt met een systeem van sancties in verhouding tot de ernst van de tekortkomingen of de pogingen tot ondermijning van de rechtsstaat op basis van een onafhankelijke beoordeling, gaande van een inkrimping van de EU-financiering tot de schorsing van betalingen en vastleggingen bij herhaaldelijke tekortkomingen; is van mening dat het Parlement in dergelijke omstandigheden op gelijke voet met de Raad moet staan en betrokken moet zijn bij het besluitvormingsproces met betrekking tot dergelijke procedures en de opheffing van dergelijke maatregelen;

15.  wijst erop dat het noodzakelijk is het streven naar Europese meerwaarde te bevorderen en er met andere woorden voor te zorgen dat de bundeling van middelen op Europees niveau betere resultaten oplevert dan financiering op het nationale niveau, dat zich niet kan toespitsen op het realiseren van Europese collectieve voorzieningen;

16.  acht het noodzakelijk betere instrumenten voor structurele hervormingen in de hele EU te ontwerpen door te voorzien in substantiële Europese collectieve voorzieningen en daarbij de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen;

17.  is van mening dat er, waar nodig en zonder de werking van de programma's in het gedrang te brengen, meer voorwaarden aan beleidsmaatregelen moeten worden verbonden teneinde bij de uitvoering van de uitgaven van de Unie een goed en doeltreffend financieel beheer te waarborgen;

18.  herhaalt dat in de context van het debat over de toekomst van Europa aandacht moet worden geschonken aan de vraag hoe het begrotingsstelsel van de Unie kan worden hervormd om een toereikende begroting te garanderen om het voorgenomen beleid te financieren en een beter evenwicht te vinden tussen voorspelbaarheid en reactievermogen, en hoe kan worden gewaarborgd dat de algehele financieringsregelingen niet complexer zijn dan nodig om de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken en om verantwoording te garanderen;

19.  acht het passend om te zorgen voor een​begroting met een echte meerwaarde voor de burgers van de EU;

20.  benadrukt dat het veiligstellen van voldoende financiële middelen, gekoppeld aan de modernisering van het systeem van eigen middelen, namelijk door te voorzien in stabiele, doeltreffende en echte, autonome Europese middelen, van essentieel belang is om de investeringen alsmede de ambities en invloed van de Unie op het internationale toneel op een hoog niveau te houden;

21.  onderstreept dat de Europese agentschappen een onmisbare rol vervullen inzake het ter beschikking stellen van deskundigheid op hun respectieve werkterreinen en bij het vertegenwoordigen van de EU in de lidstaten; benadrukt dat het derhalve van essentieel belang is ervoor te zorgen dat het werk van de agentschappen in de toekomst goed gestructureerd en georganiseerd is, dat de door de agentschappen verrichte activiteiten zinvol zijn en dat zij te allen tijde voldoende zichtbaarheid krijgen;

22.  benadrukt voorts dat het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) in de EU-begroting moet worden opgenomen, zoals reeds is vermeld in het voorstel voor het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode 2021-2027, om versnippering van de begroting te voorkomen; wijst erop dat als het EOF in de EU-begroting wordt opgenomen, de kwijtingsautoriteit beter in staat is de uitgaven in de EU te controleren;

23.  vraagt alle EU-instellingen hun procedures en vaste praktijken ter bescherming van de financiële belangen van de Unie te verstevigen en actief mee te werken aan een resultaatgerichte kwijtingsprocedure; beschouwt de kwijtingsprocedure in dit verband als een onontbeerlijk instrument van de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de burgers van de Unie;

24.  wijst erop hoe belangrijk het is het geld van de Europese belastingbetaler te beschermen tegen fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad;

25.  wijst op de problemen die zich tot dusver herhaaldelijk in de kwijtingsprocedures voordeden, door gebrek aan medewerking van de zijde van de Raad; stelt met nadruk dat de Raad net als de andere instellingen verantwoordingsplichtig en transparant moet zijn; onderstreept dat hierop geen uitzonderingen mogen gelden;

26.  acht de oprichting van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) een belangrijke mijlpaal ter verwezenlijking van een Europese publieke ruimte; verzoekt de Commissie werk te maken van een snelle totstandbrenging van het EOM door voldoende middelen ter beschikking te stellen;

27.  vestigt de aandacht op het corruptieprobleem, dat aanzienlijke financiële gevolgen heeft en een ernstige bedreiging vormt voor de democratie, de rechtsstaat en overheidsinvesteringen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de publicatie van een jaarverslag over corruptie te hervatten;

28.  verzoekt de Commissie mogelijkheden voor toekomstige methodes van samenwerking met de Groep van Staten tegen Corruptie (Greco) van de Raad van Europa voor te stellen en verzoekt de EU het lidmaatschap van die groep aan te vragen en het Parlement op de hoogte te houden van de vooruitgang in verband met die aanvraag;

29.  vraagt om het integriteitsbeleid en het ethische kader van alle instellingen en agentschappen van de EU te versterken door een betere toepassing van gedragscodes, bescherming van klokkenluiders, ethische beginselen, transparantie en verantwoordingsplicht;

30.  spoort er bij wijze van leidend beginsel toe aan de contouren van het Europa van de toekomst te schetsen en daarbij te zorgen voor een evenwicht tussen verantwoordelijkheid en nieuwe solidariteit en de voorkeur te geven aan de communautaire methode boven de intergouvernementele methode als governance van de EU;

31.  acht het noodzakelijk het debat over de toekomst van Europa op het hoogste institutionele niveau voort te zetten, met bijzondere aandacht voor een efficiënter gebruik van de financiële middelen en voor de democratische controlemechanismen inzake de EU-begroting.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

15.11.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Inés Ayala Sender, Zigmantas Balčytis, Dennis de Jong, Tamás Deutsch, Martina Dlabajová, Luke Ming Flanagan, Ingeborg Gräßle, Arndt Kohn, Gilles Pargneaux, Georgi Pirinski, Petri Sarvamaa, Bart Staes, Derek Vaughan, Tomáš Zdechovský, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Caterina Chinnici, Marian-Jean Marinescu, Andrey Novakov, Julia Pitera, Richard Sulík

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

19

+

ALDE

Nedzhmi Ali, Martina Dlabajová

ECR

Richard Sulík

GUE/NGL

Dennis de Jong

EPP

Ingeborg Gräßle, Marian-Jean Marinescu, Andrey Novakov, Julia Pitera, Petri Sarvamaa, Tomáš Zdechovský, Joachim Zeller

S&D

Inés Ayala Sender, Zigmantas Balčytis, Caterina Chinnici, Arndt Kohn, Gilles Pargneaux, Georgi Pirinski, Derek Vaughan

Greens/EFA

Bart Staes

1

-

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan

1

0

EPP

Tamás Deutsch

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (14.11.2018)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake de stand van het debat over de toekomst van Europa

(2018/2094(INI))

Rapporteur: Ivan Jakovčić

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de landbouwproducten van de EU bijdragen tot haar economische ontwikkeling op het gebied van productie en verwerking en tot haar levend cultureel en gastronomisch erfgoed en daarmee de territoriale en sociale samenhang stimuleren en de lokale en regionale tradities ondersteunen; overwegende dat de vraag naar hoogwaardige en traditionele producten in Europa en wereldwijd toeneemt; overwegende dat de toekomst van de Unie mede afhangt van bloeiende en dynamische plattelandsgebieden, met inbegrip van uitgestrekte plattelandsgebieden;

B.  overwegende de landbouw en bosbouw een centrale rol spelen bij effectief grondbeheer met het oog op bestrijding van de klimaatverandering op basis van eerbiediging van internationale overeenkomsten, waarbij alle aspecten van de volksgezondheid gewaarborgd worden;

C.  overwegende dat de meest uitgesproken critici van de Unie erop wijzen dat er een discrepantie bestaat tussen de maatregelen die de Unie voorstelt en de uitvoering ervan op nationaal en lokaal niveau; overwegende dat de terugtrekking van het VK belangrijke gevolgen zal hebben voor de toekomstige financiering van de Unie;

D.  overwegende dat de wereldwijde vraag naar voedsel volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie (Food and Agricultural Organization - FAO) in 2050 met 70 % zal zijn gestegen; overwegende dat het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) economische meerwaarde voor de landbouw moet garanderen, de productiviteit moet verhogen bij minder beschikbare hulpbronnen, eerlijke concurrentie moet bevorderen, en moet zorgen voor gezond en hoogwaardig voedsel tegen redelijke prijzen; overwegende dat deze GLB-doelstellingen in het toekomstige Europa centraal moeten blijven staan;

E.  overwegende dat gendergelijkheid een van de kerndoelstellingen van de EU en de lidstaten is; overwegende dat veel van de taken die vrouwen in plattelandsgebieden vervullen landbouwbedrijven levensvatbaar en plattelandsgemeenschappen dynamisch helpen houden; overwegende dat de inspanningen om de ontvolking van plattelandsgebieden tegen te gaan verband houden met kansen voor vrouwen en jongeren, en dat vrouwen in plattelandsgebieden momenteel met een veelvoud van uitdagingen worden geconfronteerd;

1.  benadrukt hoe belangrijk het is dat het GLB wordt ondersteund door een goed gefinancierde begroting; wijst op het centrale belang van het GLB voor de historische ontwikkeling van de Unie; merkt op dat het GLB een fundamentele rol speelt om voor bloeiende plattelandsgebieden en zekerheid van de voedselvoorziening te zorgen; stipt aan dat de komende hervorming van het GLB een gelegenheid is om de verwezenlijking van de doelstellingen kracht bij te zetten; onderstreept dat het GLB een van de oudste beleidsvormen is en een van de belangrijkste en meest geïntegreerde beleidsvormen moet blijven, en dat het GLB zal blijven bijdragen aan de opbouw van het toekomstige Europa door middel van meer integratie, milieubehoud, voedselzekerheid en veiligheid van de EU-burgers;

2.  benadrukt dat de Europese landbouw een cruciale rol speelt bij de voedselvoorziening op aarde, en 46 miljoen mensen werk biedt; wijst op de uitdagingen die internationale handelsovereenkomsten en crises met zich meebrengen; merkt op dat EU-regelgeving om oneerlijke handelspraktijken aan te pakken tot doel heeft een duurzamer voedselvoorzieningsketen te waarborgen in het belang van zowel de landbouwers als de consumenten;

3.  merkt op dat het beleid inzake landbouw en plattelandsontwikkeling uitstekende mogelijkheden biedt voor de levering van collectieve goederen; wijst erop dat landbouw niet alleen verantwoordelijk is voor de aanlevering van grondstoffen en producten voor de voedingsindustrie en andere bedrijfstakken maar ook een grote invloed uitoefent op het milieu en het landschap; is daarom van mening dat de milieukwaliteit van de EU sterk afhankelijk is van hulpbronnenbeheer en op het niveau van het landbouwbedrijf toegepast beheer;

4.  staat achter het langetermijndoel van overschakeling naar een door de markt gestuurde en duurzame Europese landbouw waarbij het concurrentievermogen wordt vergroot en de behoefte van landbouwers aan inkomenssteun afneemt; vraagt om het GLB op andere EU-beleidsgebieden af te stemmen en onderstreept de noodzaak van algemene begrotingsdiscipline; vindt dan ook dat er, wanneer er begrotingsverhogingen nodig zijn voor bepaalde prioriteiten, in de eerste plaats elders moet worden bezuinigd;

5.  onderstreept dat er een werkelijke vereenvoudiging van het GLB nodig is om te komen tot een beleid waarin de nadruk veeleer op resultaten en output dan op naleving ligt; is van mening dat het GLB marktgerichter moet zijn, waarbij landbouwers minder afhankelijk worden van overheidssteun en de sector meer concurrentievermogen krijgt;

6.  wijst erop dat het groeiende probleem van de ontvolking van plattelandsgebieden moet worden aangepakt met doelgerichte maatregelen en synergieën tussen EU-beleidsterreinen om de duurzaamheid van de Europese landbouwsector te bevorderen en zo jonge landbouwers in de betreffende gebieden te ondersteunen en aan te moedigen; wijst erop dat landbouwers in tal van lidstaten problemen ondervinden op het vlak van generatievernieuwing;

7.  wijst op de rol die het GLB speelt om bodem, water en andere natuurlijke hulpbronnen gezond en in goede toestand te houden; stipt aan dat de Europese landbouwproducenten zich inspannen voor goede milieupraktijken en de vastgestelde streefcijfers om de klimaatverandering aan te pakken;

8.  benadrukt hoe belangrijk biologische productie, geografische aanduidingen en de synergie ervan zijn, en dat dit ten goede komt aan zowel producenten als consumenten; herinnert eraan hoe belangrijk de toegang tot innovatie en een eerlijke werking van de voedselketen is; roept ertoe op een pijler van het nieuwe GLB te bestemmen voor de prioriteiten waarmee werkgelegenheid wordt gecreëerd en wordt gegarandeerd dat de landbouwproducten en levensmiddelen uit de EU van de hoogste kwaliteit zijn;

9.  benadrukt dat landbouw een cruciale rol speelt bij de prioriteiten van de Unie om de gevolgen van de klimaatverandering te beperken en duurzame ontwikkeling te bevorderen; wijst erop dat er in dat opzicht een solide en adequate begroting voor landbouw nodig is;

10.  vestigt de aandacht op de dalende landbouwinkomens in de EU, als gevolg van de stijgende productiekosten en de prijsvolatiliteit, waardoor het vermogen van de landbouwers om hun productie in stand te houden, negatief wordt beïnvloed; wijst op de kosten die de Europese landbouwers moeten dragen om te voldoen aan de strengste voedselveiligheids-, milieu-, dierenwelzijns- en arbeidsnormen ter wereld; benadrukt dat de landbouwers compensatie uit het GLB moeten krijgen voor het feit dat zij collectieve goederen verstrekken aan de maatschappij;

11.  benadrukt dat de kwaliteitsregelingen van de EU voor geografische aanduidingen (beschermde oorsprongsbenaming, beschermde geografische aanduiding en gegarandeerde traditionele specialiteit) productnamen beschermen tegen misbruik, hun bekendheid vergroten, de waarde ervan in het kader van internationale overeenkomsten verhogen, landbouwers meer inkomen bieden en het consumentenvertrouwen versterken; benadrukt dat het gebruik van het Europese logo de zichtbaarheid vergroot en de kwaliteit garandeert van landbouwproducten die voor de export bestemd zijn, en dat dit tevens geldt voor termen ter aanduiding van oorsprong of kwaliteit;

12.  dringt erop aan dat landbouwers die extra kosten maken wegens specifieke beperkingen van gebieden met een hoge natuurwaarde, zoals berggebieden, eilanden, ultraperifere gebieden en andere achtergestelde gebieden, speciale aandacht zouden krijgen; is van mening dat voor deze regio's, vanwege hun specifieke beperkingen, GLB-financiering van essentieel belang is en dat bezuinigingen zeer schadelijke gevolgen zouden hebben voor een groot aantal landbouwproducten; spoort de lidstaten aan om kwaliteitsregelingen te ontwikkelen en in te voeren om de betrokken producenten de mogelijkheid te bieden deze snel te gaan gebruiken;

13.  wijst erop dat het Parlement in 2015 zijn steun heeft toegezegd om geografische aanduidingen uit te breiden tot niet-landbouwproducten; is van mening dat een dergelijke uitbreiding ernstig moet worden overwogen in het debat over de toekomst van Europa daar zij plattelandsgebieden kan ondersteunen door waarde toe te voegen aan traditionele producten en werkgelegenheid te scheppen; dringt er bij de Commissie op aan onverwijld een wetgevingsvoorstel in te dienen om geografische aanduidingen tot niet-landbouwproducten uit te breiden;

14.  onderstreept dat er meer investeringen in landbouw en agrolevensmiddelensystemen nodig zijn, alsook meer uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling, teneinde innovatie te stimuleren, duurzame productieverhogingen te ondersteunen en betere manieren te vinden om problemen zoals waterschaarste en klimaatverandering aan te pakken;

15.  wijst op de rijkdom aan levensmiddelen en smaken en de culinaire verscheidenheid in Europa; benadrukt daarom dat de Europese regionale en lokale traditionele producten en smaken met behulp van GLB-instrumenten zoals steunprogramma’s voor plattelandsontwikkeling in stand moeten worden gehouden;

16.  onderstreept hoe belangrijk een goed gefinancierd en hervormd GLB is om de vele uitdagingen waarvoor de Unie in de toekomst gesteld wordt het hoofd te kunnen bieden; wijst erop dat het GLB landbouwers doeltreffender moet ondersteunen om de landbouwcrises het hoofd te kunnen bieden; benadrukt hoe belangrijk het toekomstige GLB is voor het stimuleren van innovatie en onderzoek en ontwikkeling, en wijst erop dat bij het opstellen van het toekomstige programma Horizon Europa rekening moet worden gehouden met de doelstellingen van het GLB;

17.  wijst op de rol die jonge landbouwers spelen bij het huidige en toekomstige concurrentievermogen van de Europese landbouw en een gegarandeerde voedselproductie; benadrukt dat landbouw niet louter een economische activiteit is en tevens een cruciaal onderdeel van een duurzame EU vormt; benadrukt het belang van de jongere generatie voor de toekomst van Europa;

18.  herinnert aan de rol van vrouwen in plattelandsgebieden en aan hun bijdrage tot de economie als ondernemers en bevorderaars van duurzame ontwikkeling; benadrukt de noodzaak om het potentieel van vrouwen op het gebied van duurzame landbouw en het weerstandsvermogen van plattelandsgebieden te ontwikkelen; dringt derhalve aan op meer steun voor familiebedrijven en jonge landbouwers en op steun voor werkgelegenheid in de landbouw in plattelandsgebieden, met name voor jonge landbouwers;

19.  wijst op het belang van innovatie en onderzoek, met name op het gebied van gewasveredeling, om de Unie in staat te stellen op dit terrein ten volle met de rest van de wereld te concurreren;

20.  onderstreept dat het structuur- en cohesiebeleid en het GLB de afstand tussen de Unie en haar burgers verkleinen door het bevorderen van integratie op lokaal niveau en het waarborgen van een evenwichtige territoriale ontwikkeling, met name in plattelandsgebieden en benadeelde gebieden. benadrukt dan ook hoe belangrijk het is dat het GLB de plattelandsontwikkeling en de biologische landbouw ondersteunt;

21.  wijst erop dat de diversiteit van de landbouw in de EU behouden moet blijven en erkent dat lokale markten die bevoorraad worden met verse en ter plaatse geproduceerde landbouwproducten, ecologisch duurzaam zijn en gevestigde boerengemeenschappen helpen in hun levensonderhoud te voorzien; vraagt om korte toeleveringsketens meer te bevorderen;

22.  benadrukt dat het GLB ertoe bijdraagt dat de levensvatbaarheid van achtergestelde gebieden, waaronder berggebieden, behouden blijft, en daarom cruciaal is om te voorkomen dat vele gebieden in Europa verlaten worden en ontvolkt raken;

23.  onderstreept het belang van plattelandsontwikkeling voor het ondersteunen van multifunctionele landbouw en het stimuleren van partnerschappen tussen landbouwers, lokale gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld, alsook van bijkomende ondernemersactiviteiten, met het oog op het genereren van inkomsten uit gediversifieerde economische activiteiten;

24.  benadrukt dat de huidige plattelandsvlucht interactie vergt tussen GLB-instrumenten en het cohesiebeleid om het platteland aantrekkelijker te maken;

25.  onderstreept dat het GLB niet alleen om landbouw en landbouwers gaat maar ook om het helpen ontwikkelen van de bredere plattelandsgemeenschappen waarin zij actief zijn; onderstreept dat de EU haar plattelandsontwikkelingsbeleid, dat gericht is op een brede reeks onderwerpen, gaande van steun voor startende ondernemingen in plattelandsgebieden en breedbandtoegang tot specifieke milieuproblemen of maatschappelijke uitdagingen waarmee plattelandbewoners te kampen hebben, moet versterken;

26.  onderkent het zorgwekkende hongerprobleem in de wereld en is daarom van mening dat de EU weerstand tegen voedselcrises moet trachten op te bouwen om zo te zorgen voor voldoende voedzaam en betaalbaar voedsel en bij te dragen tot de verwezenlijking van "een wereld zonder honger";

27.  benadrukt dat de stimulerende maatregelen voor duurzame verbouwing van energiegewassen de voedselzekerheid van de bevolking op geen enkele manier in het gedrang mogen brengen;

28.  onderstreept het belang van plattelandsontwikkeling, met inbegrip van het Leader-initiatief, voor het ondersteunen van multifunctionele landbouw en het stimuleren van bijkomende ondernemersactiviteiten en -kansen, met het oog op het genereren van inkomsten uit agrotoerisme en het verzekeren van door de gemeenschap gesteunde landbouw en de verlening van sociale diensten in plattelandsgebieden;

29.  verzoekt de lidstaten de uitwisseling van goede praktijken tussen Europese landbouwers te bevorderen om de samenwerking te verbeteren en de Europese identiteit te versterken.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.11.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

25

8

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, José Bové, Daniel Buda, Matt Carthy, Jacques Colombier, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Diane Dodds, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Luke Ming Flanagan, Karine Gloanec Maurin, Martin Häusling, Jan Huitema, Peter Jahr, Ivan Jakovčić, Jarosław Kalinowski, Zbigniew Kuźmiuk, Norbert Lins, Philippe Loiseau, Giulia Moi, Ulrike Müller, Maria Noichl, Marijana Petir, Maria Lidia Senra Rodríguez, Czesław Adam Siekierski, Tibor Szanyi, Maria Gabriela Zoană, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Franc Bogovič, Maria Heubuch, Anthea McIntyre, Momchil Nekov, Hilde Vautmans, Miguel Viegas, Thomas Waitz

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

25

+

ALDE

Ivan Jakovčić, Ulrike Müller, Hilde Vautmans

ECR

Anthea McIntyre

EFDD

Giulia Moi, Marco Zullo

NI

Diane Dodds

PPE

Franc Bogovič, Daniel Buda, Michel Dantin, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Peter Jahr, Jarosław Kalinowski, Norbert Lins, Marijana Petir

S&D

Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Paolo De Castro, Karine Gloanec Maurin, Momchil Nekov, Maria Noichl, Tibor Szanyi, Maria Gabriela Zoană

8

-

EFDD

John Stuart Agnew

GUE/NGL

Matt Carthy, Luke Ming Flanagan, Maria Lidia Senra Rodríguez, Miguel Viegas

VERTS/ALE

José Bové, Martin Häusling, Thomas Waitz

3

0

ALDE

Jan Huitema

ENF

Jacques Colombier, Philippe Loiseau

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN

Mevrouw Danuta Hübner

Voorzitter van de Commissie constitutionele zaken

ASP 12E157

Brussel

  Betreft: Advies van de Commissie juridische zaken inzake de stand van het debat over de toekomst van Europa – 2018/2094(INI)

Geachte voorzitter,

Vóór de zomervakantie heeft de rapporteur van de Commissie constitutionele zaken, de heer Ramón Jáuregui Atondo, de andere commissies verzocht advies uit te brengen inzake het initiatiefverslag van niet-wetgevende aard van AFCO over de stand van het debat over de toekomst van Europa. Vervolgens hebben de coördinatoren van de Commissie juridische zaken op hun bijeenkomst van 9 juli 2018 besloten om, overeenkomstig artikel 53 van het Reglement, een advies in briefvorm uit te brengen, waarbij de klemtoon louter op de bevoegdheden van onze commissie ligt. Ik werd aangesteld als rapporteur voor advies.

In mijn hoedanigheid van rapporteur voor advies wil ik mijn instemming betuigen met de aanpak die in het ontwerpverslag van AFCO wordt gevolgd, namelijk een beknopt overzicht geven van de onderwerpen van debat betreffende de toekomst van Europa en de opties voor Europese integratie richting geven en verduidelijken in de aanloop naar de verkiezingen van 2019. Deze denkoefening heeft bijgevolg niet tot doel de verschillende alternatieven te bepalen of te kiezen, maar de problemen vast te stellen, de uitdagingen te beschrijven en de mogelijkheden aan te reiken die de Europese leiders en de nieuwe EP-leden na de komende verkiezingen zullen moeten behandelen.

Op haar vergadering van 3 september 2018 heeft JURI een gedachtewisseling over dit dossier gehouden. Vervolgens hebben de coördinatoren hierover via een schriftelijke procedure van gedachten gewisseld, waarna de commissie op haar vergadering van 10 oktober 2018 het onderstaande advies heeft goedgekeurd met 20 stemmen voor, 2 tegen en 0 onthoudingen(1).

De Commissie juridische zaken verzoekt de bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat kwesties betreffende subsidiariteit en evenredigheid duidelijk moeten worden uitgelegd aan de burgers om aan te tonen dat de Europese Unie in het belang van iedereen werkt en dat besluiten op het laagst mogelijke niveau met inspraak van de burgers worden genomen; benadrukt verder dat kwesties betreffende subsidiariteit en evenredigheid een gezamenlijke verantwoordelijkheid zijn van de Unie, haar lidstaten en alle instellingen op alle niveaus die betrokken zijn bij de voorbereiding en de uitvoering van wetgeving en beleid van de Unie; moedigt de Commissie aan om, zoals aangekondigd in haar werkprogramma voor 2018, de mededeling te publiceren over verdere versterking van subsidiariteit en evenredigheid en betere regelgeving in het kader van de dagelijkse werking van de Europese Unie;

2.  benadrukt dat een correcte uitvoering en toepassing van het EU-recht van essentieel belang is voor de verwezenlijking van het beleid van de Unie en voor het bevorderen van wederzijds vertrouwen tussen de Unie, de lidstaten en de burgers;

3.  benadrukt dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan het bestuursrecht van de EU, zoals blijkt uit zijn resolutie van 9 juni 2016 waarin wordt opgeroepen tot een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat(2), waarna de EPRS een effectbeoordeling heeft verricht en er een openbare raadpleging heeft plaatsgevonden;

4.  benadrukt het belang van samenwerking op interinstitutioneel niveau, met inachtneming van de in de Verdragen neergelegde prerogatieven van elke instelling, die een nieuw kader heeft gekregen met het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016, en wijst erop dat vereenvoudiging een permanente oefening is die tot doel heeft de processen en procedures op EU-niveau gemakkelijker te begrijpen, ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met de standpunten van alle belanghebbenden en uiteindelijk de deelname van de burgers aan de werking van de Europese Unie te vergemakkelijken;

5.  benadrukt dat de belangrijkste mondiale uitdagingen van vandaag, zoals digitalisering, automatisering, migratie, terrorisme en klimaatverandering, druk zullen blijven uitoefenen op de rechtsstelsels van de Europese Unie en de lidstaten; is ervan overtuigd dat deze uitdagingen enkel het hoofd kunnen worden geboden binnen een sterke Europese Unie, met innovatieve oplossingen om de nationale wetgevingen verder op elkaar af te stemmen, de justitiële samenwerking te versterken, een verdere hervorming van de Unie door te voeren binnen de grenzen van de bestaande Verdragen, en toezicht te blijven houden op de toepassing van het EU-recht;

6.  is van mening dat bij het toekomstig beleid inzake nieuwe technologieën ethische beginselen moeten worden gevolgd waarbij de mens en het leven van de mens centraal blijven staan.

Ik hoop dat het bovenstaande een nuttige bijdrage zal leveren aan het verslag van de Commissie constitutionele zaken.

Hoogachtend,

(1)

Bij de eindstemming waren aanwezig: Pavel Svoboda (voorzitter en rapporteur), Jean-Marie Cavada, Mady Delvaux, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (ondervoorzitters), Max Andersson, Joëlle Bergeron, Kostas Chrysogonos, Geoffroy Didier, Pascal Durand, Angel Dzhambazki, Rosa Estaràs Ferragut, Enrico Gasbarra, Sajjad Karim, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Angelika Niebler, Virginie Rozière, József Szájer, Axel Voss, Tiemo Wölken, Francis Zammit Dimech, Tadeusz Zwiefka.

(2)

P8_TA(2016)0279


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.11.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

6

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Elmar Brok, Fabio Massimo Castaldo, Pascal Durand, Esteban González Pons, Danuta Maria Hübner, Diane James, Ramón Jáuregui Atondo, Alain Lamassoure, Jo Leinen, Morten Messerschmidt, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Markus Pieper, Paulo Rangel, Helmut Scholz, György Schöpflin, Barbara Spinelli, Claudia Țapardel, Josep-Maria Terricabras

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Sylvia-Yvonne Kaufmann, Jasenko Selimovic, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Wajid Khan, Constanze Krehl


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

18

+

ALDE

Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Jasenko Selimovic

PPE

Elmar Brok, Esteban González Pons, Danuta Maria Hübner, Alain Lamassoure, Markus Pieper, Paulo Rangel, György Schöpflin, Rainer Wieland

S&D

Ramón Jáuregui Atondo, Sylvia Yvonne Kaufmann, Wajid Khan, Constanze Krehl, Jo Leinen, Claudia Țapardel

VERTS/ALE

Pascal Durand, Josep Maria Terricabras

6

-

ECR

Morten Messerschmidt

EFDD

Fabio Massimo Castaldo

ENF

Gerolf Annemans

GUE/NGL

Helmut Scholz, Barbara Spinelli

NI

Diane James

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling