Procedure : 2018/2155(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0449/2018

Ingediende teksten :

A8-0449/2018

Debatten :

PV 14/01/2019 - 21
CRE 14/01/2019 - 21

Stemmingen :

PV 15/01/2019 - 8.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0013

VERSLAG     
PDF 473kWORD 55k
10.12.2018
PE 623.953v02-00 A8-0449/2018

over de EU-richtsnoeren en het mandaat van de speciaal EU-gezant voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging buiten de EU

(2018/2155(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Rapporteur: Andrzej Grzyb

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de EU-richtsnoeren en het mandaat van de speciaal EU-gezant voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging buiten de EU

(2018/2155(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de internationale wettelijke bescherming van de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst of levensovertuiging uit hoofde van artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) van 1948, artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) van 1966, de Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van onverdraagzaamheid en discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging van 1981, artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de artikelen 10, 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien algemeen commentaar nr. 22 van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties van 30 juli 1993 op artikel 18 van de UVRM van 1948, en VN-resolutie 16/18 van 12 april 2011 over de bestrijding van intolerantie, negatieve beeldvorming en stigmatisering, discriminatie, aanzetten tot geweld en gewelddaden gericht tegen personen op grond van godsdienst of levensovertuiging,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 2 en 21,

–  gezien artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien artikel 17 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de conclusies van de Raad van 21 februari 2011 over onverdraagzaamheid, discriminatie en geweld op basis van godsdienst of overtuiging,

–  gezien het strategisch EU-kader en EU-actieplan voor mensenrechten en democratie, aangenomen door de Raad op 25 juni 2012, en het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019,

–  gezien de EU-richtsnoeren van 24 juni 2013 inzake bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging,

–  gezien zijn aanbeveling van 13 juni 2013 over de ontwerprichtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging(1),

–  gezien zijn resoluties van 20 januari 2011 over de situatie van christenen in de context van vrijheid van godsdienst(2), van 4 februari 2016 over de stelselmatige massamoord op religieuze minderheden door "ISIS/Da'esh"(3) en van 14 december 2017 over de situatie van de Rohingya(4),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 inzake de nieuwe benadering van de EU van mensenrechten en democratie – evaluatie van de activiteiten van het Europees Fonds voor Democratie (EFD) sinds de oprichting(5), met name de paragrafen 27 en 28,

–  gezien zijn resoluties van 14 december 2016(6) over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015, met name paragraaf 14, en van 13 december 2017(7) over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld 2016 en het beleid van de Europese Unie ter zake, met name paragraaf 8,

–  gezien het op 5 oktober 2012 door het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten (OHCHR) gepubliceerde Actieplan van Rabat betreffende het verbod op het uitdragen van haat op grond van nationaliteit, ras of godsdienst waarmee wordt aangezet tot discriminatie, vijandigheid of geweld,

–  gezien het mandaat van de speciaal gezant voor de bevordering van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst buiten de EU,

–  gezien Verordening (EU) nr. 235/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot instelling van een financieringsinstrument voor democratie en mensenrechten in de wereld(8),

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 mei 2014 over een op rechten gebaseerde benadering van ontwikkelingssamenwerking, die alle mensenrechten omvat, en het werkdocument van de diensten van de Commissie van 30 april 2014 getiteld "Tool-Box – A rights-based approach, encompassing all human rights for EU development cooperation" (SWD(2014)0152),

–  gezien de uitreiking in 2015 door het Europees Parlement van de Sacharovprijs voor de vrijheid van gedachte aan de Saudische blogger en activist Raif Badawi voor zijn opmerkelijke inspanningen gericht op het bevorderen van het openbaar debat over godsdienst en politiek in zijn land; gezien zijn nog steeds voortdurende gevangenhouding na veroordeeld te zijn tot tien jaar gevangenschap, duizend zweepslagen en een hoge boete wegens vermeende "belediging van de islam",

–  gezien de zaak van de Pakistaanse christelijke vrouw Asia Bibi, die gevangen werd genomen en ter dood werd veroordeeld wegens godslastering, en gezien haar recente vrijspraak,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0449/2018),

A.  overwegende dat vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst en levensovertuiging, binnen het EU-kader en in deze resolutie doorgaans het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging genoemd, een onvervreemdbaar en fundamenteel recht is, zoals alle andere, waar eenieder zonder enig onderscheid van welke aard ook aanspraak op heeft, zoals is vastgelegd in internationale en Europese basisteksten, waaronder de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; overwegende dat eenieder recht heeft op eerbiediging van alle mensenrechten zoals die worden erkend in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Europees Handvest van de grondrechten, zonder onderscheid op grond van ras, etniciteit, bekwaamheid, geslacht, seksuele geaardheid, godsdienstige overtuiging of gebrek aan godsdienstige overtuiging; overwegende dat overeenkomstig artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie het internationaal optreden van de Unie gestoeld is op de beginselen die ten grondslag liggen aan de oprichting van de Unie; overwegende dat de Unie overeenkomstig artikel 2 van het Verdrag is gecreëerd naar het evenbeeld van samenlevingen die worden gekenmerkt door pluralisme en verdraagzaamheid;

B.  overwegende dat het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat wereldwijd en in Europa een leidend principe is in de staatsinrichting;

C.  overwegende dat het Europees Parlement secularisme heeft gedefinieerd als een strikte scheiding tussen de godsdienstige en politieke autoriteiten, wat impliceert dat elke vorm van religieuze inmenging in het functioneren van de overheid en elke vorm van publieke inmenging in religieuze aangelegenheden worden verworpen, behalve om de voorschriften op het gebied van veiligheid en openbare orde (inclusief de eerbiediging van de vrijheid van anderen) te handhaven en voor iedereen – zowel gelovigen als agnosten en atheïsten – in dezelfde mate het recht op vrijheid van geweten te garanderen;

D.  overwegende dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging impliceert dat eenieder het recht heeft om te kiezen waarin te geloven of om niet te geloven, het recht om zonder enige dwang van godsdienst of overtuiging te veranderen of hier afstand van te doen, alsmede het recht om zijn gedachte, geweten, godsdienst en levensovertuiging te praktiseren en te belijden, hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé; overwegende dat het belijden van gedachte, geweten, godsdienst of levensovertuiging tot uitdrukking kan worden gebracht in erediensten, in het onderhouden van geboden en voorschriften, in praktische toepassing ervan en in onderricht; overwegende dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging gemeenschappen van gelovigen en niet-gelovigen het recht geeft om hun ethos te behouden of hier afstand van te doen en dienovereenkomstig te handelen, en religieuze, seculiere en niet-confessionele organisaties recht geeft op een erkende rechtspersoonlijkheid; overwegende dat de bescherming van personen die een of geen godsdienst belijden, en de effectieve aanpak van schendingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals discriminatie of juridische beperkingen op grond van godsdienst of levensovertuiging, gelden als fundamentele voorwaarden voor het waarborgen van ieders gelijke recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging;

E.  overwegende dat theïstische, niet-theïstische en atheïstische levensovertuigingen, alsook het recht geen enkele godsdienst of levensovertuiging te belijden, ook worden beschermd onder artikel 18 van het IVBPR; overwegende dat het belijden of niet belijden van een godsdienst of levensovertuiging een absoluut recht is dat onder geen enkel beding mag worden beperkt;

F.  overwegende dat alle mensenrechten en fundamentele vrijheden ondeelbaar, onderling afhankelijk en onderling verbonden zijn; overwegende dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging elementen van vele andere mensenrechten en fundamentele vrijheden omvat en daarvan afhankelijk is, zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering en vereniging, en dat zij tezamen een belangrijke rol vervullen in de strijd tegen alle vormen van onverdraagzaamheid en discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging;

G.  overwegende dat de vrijheid van godsdienst eindigt waar de rechten en vrijheden van anderen worden geschonden, en dat de beleving van een godsdienst of overtuiging nooit en onder geen enkel voorwendsel gewelddadig extremisme of verminking kan rechtvaardigen en evenmin een vrijgeleide kan zijn voor handelingen die de inherente waardigheid van het individu aantasten;

H.  overwegende dat de eerbiediging van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging rechtstreeks bijdraagt tot democratie, ontwikkeling, de rechtsstaat, vrede en stabiliteit; overwegende dat schendingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging op grote schaal voorkomen, mensen in alle delen van de wereld treffen, de waardigheid van het menselijk leven raken, onverdraagzaamheid veroorzaken of aanwakkeren en vaak vroegtijdige aanwijzingen zijn voor sluimerend geweld of conflicten; overwegende dat staten de zorgvuldigheidsplicht hebben om geweld of de dreiging met geweld ten aanzien van personen op grond van hun godsdienst of levensovertuiging te voorkomen, onderzoeken en bestraffen, en ervoor moeten zorgen dat er verantwoording wordt afgelegd in het geval dergelijke schendingen zich voordoen;

I.  overwegende dat de EU, in overeenstemming met artikel 21 VEU, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de eerbiediging van de menselijke waardigheid bevordert en beschermt als een van de leidende beginselen van haar buitenlands beleid;

J.  overwegende dat in veel landen nog steeds sprake is van religieuze beperkingen en vijandelijkheden, voortgebracht door regeringen of gemeenschappen; overwegende dat bepaalde religieuze minderheden in toenemende mate blootstaan aan bedreigingen en vervolging door overheids- en niet-overheidsactoren; overwegende dat mensenrechtenverdedigers die zich inzetten voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, over de hele wereld steeds meer blootstaan aan bedreigingen en aanvallen;

K.  overwegende dat, in navolging van de doelstelling om de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst te bevorderen via het buitenlands beleid van de EU, de Raad in juni 2013 de EU-richtsnoeren tot bevordering en bescherming van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst heeft aangenomen, en de Commissie in mei 2016 de eerste speciaal gezant voor de bevordering van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst buiten de EU heeft aangesteld met een eenjarig mandaat dat sindsdien tweemaal op jaarbasis is verlengd;

L.  overwegende dat de EU de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging heeft bevorderd, op internationaal niveau en via multilaterale fora, met name door de leiding te nemen bij de thematische resoluties over de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in de Algemene Vergadering van de VN (AVVN) en de VN-Mensenrechtenraad (MRR) en door het mandaat te steunen van en samen te werken met de speciale VN-rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, maar ook via de samenwerking met gelijkgestemde derde landen;

M.  overwegende dat de bevordering van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, onder meer via de steun vanuit het maatschappelijk middenveld voor de bescherming van de rechten van gelovigen en niet-gelovigen en met name van mensen die behoren tot religieuze en levensbeschouwelijke minderheden, de ondersteuning van mensenrechtenverdedigers, de strijd tegen discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging en de bevordering van de interculturele en interreligieuze dialoog, een financieringsprioriteit vormen in het kader van het Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR) voor de periode 2014-2020; overwegende dat ook door het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en financiële instrumenten van de EU, zoals het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), het Europees nabuurschapsinstrument (ENI), het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP) en het instrument voor pretoetredingssteun (IPA), projecten zijn ondersteund die bijdragen tot een beter klimaat voor de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst;

1.  benadrukt dat de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst en levensovertuiging, binnen het EU-kader en in deze resolutie doorgaans de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging genoemd, een universeel mensenrecht, een EU-waarde en een belangrijke en onbetwistbare pijler van waardigheid is, met aanzienlijke gevolgen voor alle mensen, hun persoonlijke identiteit en ontwikkeling. en samenlevingen; onderstreept dat mensen de vrijheid moeten hebben hun privéleven te organiseren in overeenstemming met hun eigen overtuigingen; benadrukt dat het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging het recht om niet te geloven en om theïstische, niet-theïstische, agnostische of atheïstische standpunten te huldigen en het recht op geloofsafval omvat; bevestigt dat het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging naar behoren moet worden beschermd, bevorderd en gewaarborgd door alle actoren en moet worden versterkt door middel van een interreligieuze en interculturele dialoog, overeenkomstig artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de waarden van de Europese Unie zoals vastgelegd in het VEU en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; onderstreept de plicht die staten hebben om de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging te waarborgen en alle mensen gelijk te behandelen, zonder discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging, om zo hun vreedzame, democratische en pluralistische samenlevingen te behouden, waarin respectvol wordt omgegaan met diversiteit en levensovertuigingen;

2.  uit zijn diepe bezorgdheid over het feit dat het aantal schendingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in de wereld en de vervolging van gelovigen en niet-gelovigen de afgelopen jaren sterk zijn toegenomen; hekelt de instrumentalisering van religieuze vraagstukken voor politieke doeleinden, alsook geweld, intimidatie en sociale druk jegens (groepen) personen op grond van gedachte, geweten, godsdienst of levensovertuiging; veroordeelt de vervolging van en aanvallen op etnische en religieuze groepen, niet-gelovigen, atheïsten en andere minderheden, en de vervolging van vrouwen en meisjes en van personen op grond van hun seksuele geaardheid; veroordeelt gedwongen bekeringen en schadelijke praktijken zoals genitale verminking van vrouwen, alsook gedwongen huwelijken en bepaalde andere praktijken die samengaan met of als uiting worden beschouwd van een godsdienst of levensovertuiging, en dringt erop aan dat de verantwoordelijken voor dit soort schendingen onmiddellijk ter verantwoording worden geroepen; benadrukt dat schendingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging dikwijls de kiem leggen voor oorlogen of andere vormen van gewapende conflicten of deze in toenemende mate verergeren, met schendingen van het humanitair recht tot gevolg, waaronder massamoorden of genocide; onderstreept dat door schendingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging de democratie wordt ondermijnd, ontwikkeling wordt belemmerd en de verworvenheid van andere fundamentele vrijheden en rechten wordt aangetast; benadrukt dat dit de internationale gemeenschap, de EU en haar lidstaten ertoe verplicht om hun vastberadenheid opnieuw te bevestigen en hun inspanningen ter bevordering van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging voor iedereen te versterken;

3.  benadrukt dat de EU en haar lidstaten zich er overeenkomstig artikel 21 VEU toe hebben verbonden de eerbiediging van de mensenrechten te bevorderen, als een beginsel dat ten grondslag ligt aan het buitenlands beleid van de EU; is zeer verheugd over het feit dat de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging door middel van de EU-richtsnoeren van 2013 zijn opgenomen in het buitenlands beleid en extern optreden van de EU, en dringt in dit opzicht aan op verdere versterking van activiteiten gericht op bewustmaking en de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren;

4.  benadrukt dat de EU zich overeenkomstig artikel 17 VWEU inzet voor de instandhouding van een open, transparante en periodieke dialoog met kerken en religieuze, levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties; wijst op de effecten van deze dialogen op de eerbiediging van andere mensenrechten; benadrukt dat dergelijke interreligieuze en interculturele dialogen vaak een beter onthaal vinden bij sommige internationale partners van de EU en een startpunt vormen voor vooruitgang op andere terreinen;

5.  benadrukt dat het van belang is een brug te slaan naar niet-gelovigen in landen waar het recht zich te organiseren en het recht op vrijheid van vergadering niet gelden;

De EU-strategie ter bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging via internationale betrekkingen en samenwerking

6.  is ingenomen met de versterking van de bevordering van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in het buitenlands beleid en extern optreden van de EU in de afgelopen jaren, met name door middel van de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU en het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019; is verheugd over het feit dat deze versterking ertoe leidt dat veel partnerlanden zich meer inzetten voor de inachtneming van artikel 18 van zowel het UVRM als het IVBPR;

7.  wijst op de benoeming van een speciaal gezant voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging buiten de EU in 2016 door de voorzitter van de Commissie, in antwoord op de resolutie van het Parlement van 4 februari 2016; is van mening dat de benoeming van de speciaal gezant een belangrijk stap voorwaarts is en dat hiermee de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging duidelijk wordt erkend in het kader van de mensenrechtenagenda van het buitenlands beleid en extern optreden van de EU, zowel op bilateraal als op multilateraal niveau, en binnen de ontwikkelingssamenwerking; spoort de speciaal gezant aan zijn inzet en zijn samenwerking en de complementariteit van zijn optreden met de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten op dit vlak voort te zetten, waaronder de verspreiding van de EU-richtsnoeren; wijst met instemming op de actieve steun van de commissaris voor Internationale Samenwerking en Ontwikkeling en DG DEVCO voor de speciaal gezant;

8.  benadrukt dat de inspanningen ter bevordering van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en inter- en intrareligieuze en interculturele dialogen, alsook dialogen tussen aanhangers van verschillende overtuigingen en levensbeschouwingen, gekoppeld moeten worden aan de preventie van religieus extremisme op basis van complementariteit en wederzijdse versterking, als een manier om de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in de wereld te handhaven, met name binnen buurlanden en andere landen waarmee de EU speciale betrekkingen onderhoudt; onderstreept dat ook niet-confessionele, humanistische en seculiere organisaties een belangrijke rol spelen bij de preventie van religieus extremisme;

9.  roept op tot meer samenwerking om vervolging van minderheden op grond van gedachte, geweten, godsdienst of levensovertuiging te voorkomen, de voorwaarden te scheppen voor vreedzame co-existentie tussen gemeenschappen die worden gekenmerkt door diversiteit, en te zorgen voor een permanente dialoog tussen religieuze leiders en actoren, wetenschappers, kerken en andere confessionele organisaties, groepen niet-gelovigen, nationale mensenrechteninstellingen, mensenrechtenverdedigers, organisaties voor vrouwenrechten en de rechten van jongeren, vertegenwoordigers uit het maatschappelijk middenveld, en de media; roept de EDEO en EU-delegaties op om met hun diverse gesprekspartners een reeks gemeenschappelijke doelstellingen vast te stellen om de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging via de dialoog over mensenrechten te bevorderen;

10.  is van mening dat religieus analfabetisme, evenals het gebrek aan kennis over en erkenning van de rol die godsdiensten voor een groot deel van de mensheid spelen, vooroordelen en stereotypen voeden, wat bijdraagt aan de toename van spanningen, misverstanden en respectloze en oneerlijke behandeling die verband houden met de opvattingen en het gedrag van grote delen van de bevolking; benadrukt het belang van onderwijs voor het behouden en opbouwen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging wereldwijd en voor de strijd tegen onverdraagzaamheid; roept de verantwoordelijke personen in de (sociale) media op om een positieve en respectvolle bijdrage te leveren aan openbare debatten, teneinde negatieve vooroordelen en stereotypen over religies en gelovigen te voorkomen, en om hun vrijheid van meningsuiting op een verantwoordelijke manier uit te oefenen, zoals vereist door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens;

11.  betreurt het feit dat sommige landen wetten hebben, toepassen of willen introduceren waarmee straffen worden opgelegd voor godslastering, bekering of geloofsafval, waaronder de doodstraf; betreurt het feit dat deze wetten in het algemeen tot doel hebben de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van meningsuiting te beperken en vaak worden gebruikt als een vorm van onderdrukking van minderheden en politieke onderdrukking; wijst ook op de situatie in sommige andere landen die te maken hebben met of het risico lopen op conflicten waarin religieuze kwesties de drijvende kracht zijn of als instrument worden ingezet; roept de EU op haar politieke betrokkenheid te vergroten om in haar buitenlands beleid prioriteit te geven aan de inspanningen ten aanzien van alle betrokken deze landen, met het oog op de intrekking van dergelijke discriminerende wetten en de beëindiging van de onderdrukking van mensenrechtenverdedigers en de inkrimping van de ruimte van het maatschappelijk middenveld op religieuze gronden; dringt er bij de EU op aan een mensenrechtendialoog met betrekking tot de eerbiediging van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging op te nemen in alle onderhandelingen die worden gevoerd met het oog op de sluiting van overeenkomsten met derde landen;

12.  veroordeelt de aanhoudende detentie van Raif Badawi, winnaar van de Sacharovprijs, na een onwettig proces en dringt er bij de Saudische autoriteiten op aan over te gaan tot zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating;

13.  verzoekt de Pakistaanse autoriteiten de veiligheid van Asia Bibi en haar gezin te waarborgen;

De speciaal gezant voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging buiten de EU

14.  is ingenomen met het feit dat de speciaal gezant doeltreffende netwerken heeft opgezet binnen de Commissie, alsook met de Raad, het Europees Parlement en andere belanghebbenden; roept de speciaal gezant op om jaarlijks verslag uit te brengen over de bezochte landen en zijn thematische prioriteiten;

15.  roept de Raad en de Commissie op een transparante en alomvattende beoordeling uit te voeren van de doeltreffendheid en toegevoegde waarde van de post van de speciaal gezant in het proces van de verlenging van zijn of haar mandaat; verzoekt de Raad en de Commissie om op basis van deze beoordeling het institutionele mandaat, de capaciteit en de taken van de speciaal gezant op gepaste wijze te ondersteunen door de mogelijkheid te onderzoeken van een meerjarige termijn die jaarlijks wordt herzien en door binnen alle relevante EU-instellingen netwerken te ontwikkelen;

16.  benadrukt dat de taken van de speciaal gezant gericht moeten zijn op de bevordering van de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst en levensovertuiging, alsook van het recht om niet te geloven, het recht op geloofsafval en het recht om atheïstische standpunten te huldigen, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de situatie van niet-gelovigen die gevaar lopen; beveelt aan dat de rol van de speciaal gezant onder meer de volgende bevoegdheden omvat: de zichtbaarheid, effectiviteit en samenhang van en verantwoording voor het EU-beleid inzake de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging buiten de EU verbeteren; het Europees Parlement, de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie een jaarlijks voortgangsverslag en een uitvoerig verslag over het mandaat van de speciaal gezant aan het einde daarvan voorleggen; en nauw samenwerken met de Groep rechten van de mens (Cohom) van de Raad;

17.  prijst het werk van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, onder meer op het gebied van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging; benadrukt dat bij de ontwikkeling van institutionele mandaten moet worden voorkomen dat de taken en bevoegdheden van de speciaal gezant en de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten elkaar overlappen;

18.  merkt op dat een aantal lidstaten onlangs nieuwe posten heeft gecreëerd met verantwoordelijkheid voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, wier functie vergelijkbaar is met die van de speciaal gezant; benadrukt de noodzaak van een consistente benadering die de rechten van alle religieuze gemeenschappen alsook niet-gelovigen omvat; pleit voor samenwerking tussen de speciaal gezant en de nationale functionarissen die belast zijn met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging buiten hun eigen land, alsmede met de Groep Cohom en het Europees Parlement; roept op tot versterkte samenwerking en gemeenschappelijke en wederzijdse inspanningen tussen de EU-delegaties en de ambassadeurs van de lidstaten, teneinde te zorgen voor een consistente en verenigde stem bij de bevordering van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging buiten de EU en ondersteuning te bieden aan gemeenschappen en personen die te maken hebben met schendingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging;

19.  beveelt aan de mogelijkheid te overwegen om een informele advieswerkgroep op te richten, bestaande uit vertegenwoordigers van instellingen van de lidstaten op het gebied van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en andere relevante instellingen, alsook vertegenwoordigers van het Europees Parlement en deskundigen, wetenschappers en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, waaronder kerken en andere confessionele organisaties en niet-confessionele organisaties;

20.  beveelt aan dat de speciaal gezant de samenwerking met zijn tegenhangers buiten de EU verder ontwikkelt, met name door nauw samen te werken met en ondersteuning te bieden aan de werkzaamheden van de speciale EU-vertegenwoordiger voor de mensenrechten en de verschillende VN-rapporteurs, in het bijzonder de rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, de mogelijkheid te onderzoeken om gezamenlijke EU-VN-initiatieven te ontplooien inzake discriminatie van religieuze groepen en minderheden, alsook van niet-gelovigen en mensen die van godsdienst veranderen, een godsdienst bekritiseren of afstand van een godsdienst doen, en met gezamenlijke voorstellen te komen voor het uitbannen van dergelijke discriminatie; wijst op het voorstel voor het instellen van een officiële, jaarlijkse internationale dag, onder de vlag van de VN, ter herinnering aan alle slachtoffers en overlevenden van religieuze vervolging;

De EU-richtsnoeren over de bevordering en de bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

21.  is van mening dat de EU-richtsnoeren een duidelijke reeks politieke lijnen, beginselen, normen en thema's voor prioritaire acties bevatten, alsmede een instrumentarium voor toezicht, evaluatie, verslaglegging en demarches door EU-vertegenwoordigers in derde landen, die tezamen een solide strategische aanpak voor de EU en haar lidstaten vormen waarmee zij een doeltreffende rol kunnen vervullen in de bevordering van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst buiten de EU;

22.  dringt erop aan de EU-richtsnoeren over de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging met spoed op doeltreffende wijze ten uitvoer te leggen om de EU een grotere invloed te geven bij het bevorderen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in de wereld; benadrukt dat inzicht in de wijze waarop samenlevingen gevormd en beïnvloed kunnen worden door ideeën, religies en andere vormen van cultuur en levensovertuiging, met inbegrip van niet-gelovigheid, cruciaal is voor een beter begrip van de bevordering van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in het buitenlands beleid van de EU en in internationale samenwerkingsverbanden; dringt erop aan evenveel aandacht te besteden aan de situatie van niet-gelovigen, atheïsten en geloofsafvalligen die te maken hebben met vervolging, discriminatie en geweld;

23.  roept op tot vergroting van de kennis betreffende de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en is in dit verband ingenomen met de inspanningen die de EDEO en de Commissie tot nu toe hebben geleverd om EU-ambtenaren en nationale diplomaten een opleiding te verstrekken op het gebied van religieuze en levensbeschouwelijke geletterdheid en geschiedenis, alsook over de situatie van religieuze minderheden en niet-gelovigen, met inachtneming van de beginselen van pluralisme en neutraliteit; benadrukt echter dat er bredere en systematischere opleidingsprogramma's nodig zijn die ervoor kunnen zorgen dat de EU-richtsnoeren onder de aandacht van de ambtenaren en diplomaten van de EU en de lidstaten worden gebracht en meer worden gebruikt, en dat de samenwerking met de speciaal gezant wordt versterkt; beveelt aan dat academici, kerken en religieuze gemeenschappen en organisaties in al hun diversiteit, alsmede niet-confessionele organisaties, mensenrechtenorganisaties en maatschappelijke organisaties betrokken worden bij dit opleidingsproces; roept de Commissie en de Raad op om adequate middelen ter beschikking te stellen voor dergelijke opleidingsprogramma's;

24.  roept de Commissie en de EDEO op om erop toe te zien dat er een aan de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging gewijd hoofdstuk wordt opgenomen in de EU-jaarverslagen over de mensenrechten en democratie in de wereld en de voortgangsverslagen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de EU-richtsnoeren, en dit te doen toekomen aan het Europees Parlement en de Raad; merkt op dat in de EU-richtsnoeren bepaald is dat de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren wordt beoordeeld door de Groep Cohom na een periode van drie jaar, en dat een dergelijke beoordeling niet is medegedeeld of openbaar gemaakt; dringt erop aan dat de beoordeling onverwijld openbaar wordt gemaakt; is van mening dat de beoordeling optimale werkwijzen moet benadrukken, verbeteringspunten moet aangeven en concrete aanbevelingen moet bieden inzake de tenuitvoerlegging, volgens een vast tijdschema en mijlpalen, en jaarlijks moet worden geëvalueerd; dringt erop aan dat de beoordeling wordt opgenomen in de EU-jaarverslagen over de mensenrechten en democratie in de wereld;

25.  onderstreept de verantwoordelijkheden van de contactpunten op het gebied van de mensenrechten, ook in verband met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, binnen alle EU-delegaties en GVDB-missies; dringt erop aan dat er passende middelen worden toegewezen aan deze delegaties en missies om hen in staat te stellen hun werkzaamheden op het gebied van controle, beoordeling en melding van zorgwekkende mensenrechtensituaties uit te voeren, waaronder die met betrekking tot de eerbiediging van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging;

26.  herinnert aan het belang van de landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie, waarmee het EU-optreden wordt afgestemd op de specifieke situatie en behoeften van elk land; dringt erop aan gepaste aandacht te besteden aan kwesties die verband houden met de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en richtlijnen op te stellen voor het EU-optreden, zodat deze kwesties kunnen worden behandeld binnen de landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie wanneer de eerbiediging van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst in het gedrang komt; herhaalt zijn verzoek om de leden van het Europees Parlement toegang te geven tot de inhoud van de landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie;

Het EU-optreden inzake de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst in multilaterale fora

27.  is ingenomen met de toezegging van de EU om de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in multilaterale fora te bevorderen, met name binnen de VN, de Raad van Europa en de OVSE en in het kader van de betrekkingen met de Organisatie van Islamitische Samenwerking (OIS); steunt in dit verband de EU-samenwerking met de speciaal VN-rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en het Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens; beveelt aan dat de EU de leiding blijft nemen bij het opstellen van resoluties in de Algemene Vergadering van de VN en de VN-Mensenrechtenraad inzake de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en dat zij probeert allianties aan te gaan en gemeenschappelijke standpunten met derde landen en internationale organisaties te verdedigen; roept de EU en de OIS op te overwegen een gezamenlijke resolutie voor te bereiden inzake de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging binnen het VN-kader;

De financieringsinstrumenten van de EU

28.  uit zijn tevredenheid over het feit dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging is aangemerkt als een prioriteit van het financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld (EIDHR); neemt kennis van de verhoging van de EIDHR-middelen die zijn toegewezen aan projecten aangaande de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging sinds de vaststelling van de EU-richtsnoeren; roept de Commissie en de EDEO op om erop toe te zien dat de diplomatieke werkzaamheden van de EU ter bevordering van de mensenrechten, met inbegrip van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de projecten die worden gefinancierd door het EIDHR, elkaar wederzijds versterken, en om bij de toewijzing van middelen de beginselen van pluralisme, neutraliteit en billijkheid in acht te nemen; benadrukt dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging behalve door de op mensenrechten gerichte fondsen ook ondersteund kan worden door andere instrumenten, bijvoorbeeld fondsen die zich richten op conflictpreventie of onderwijs en cultuur; roept de Commissie en de Raad op om binnen het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2021-2027 voldoende middelen te behouden voor projecten die gerelateerd zijn aan de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging via de financieringsinstrumenten voor het externe optreden van de EU; pleit ervoor dat het EIDHR de middelen krijgt de bescherming of exfiltratie van vrijdenkers en mensenrechtenverdedigers die in hun herkomstland worden bedreigd of vervolgd te financieren;

29.  verzoekt om meer transparantie bij de toewijzing van financiële middelen en controle op het gebruik van middelen door religies en hun activiteiten;

30.  benadrukt dat de EU met betrekking tot haar beleid op het gebied van vrede, veiligheid, conflictpreventie, ontwikkeling en samenwerking geconfronteerd wordt met moeilijkheden, waarvoor oplossingen kunnen worden gevonden met de medewerking van onder meer kerken, religieuze leiders, academici, religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen en verenigingen en zowel confessionele als niet-confessionele organisaties, die allemaal een belangrijk onderdeel vormen van het maatschappelijk middenveld; erkent dat het belangrijk is rekening te houden met de verscheidenheid aan kerken, religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen en verenigingen en confessionele en niet-confessionele organisaties die daadwerkelijk ontwikkelings- en humanitair werk verrichten voor en met deze gemeenschappen; roept de Raad en de Commissie op om, waar gepast, doelstellingen en activiteiten die verband houden met de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging op te nemen in de programmering van de financieringsinstrumenten die verbonden zijn aan die beleidsgebieden, namelijk het EOF, DCI, ENI, IcSP en IPA, alsook eventuele andere instrumenten die na 2020 op de relevante gebieden worden ingevoerd;

31.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de EDEO, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Verenigde Naties.

(1)

PB C 65 van 19.2.2016, blz. 174.

(2)

PB C 136E van 11.5.2012, blz. 53.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0051.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0500.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0274.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0502.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0494.

(8)

PB L 77 van 15.3.2014, blz. 85.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

6.12.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

41

1

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Petras Auštrevičius, Elmar Brok, Klaus Buchner, Lorenzo Cesa, Aymeric Chauprade, Javier Couso Permuy, Georgios Epitideios, Eugen Freund, Michael Gahler, Iveta Grigule-Pēterse, Sandra Kalniete, Tunne Kelam, Wajid Khan, Andrey Kovatchev, Eduard Kukan, Ilhan Kyuchyuk, Arne Lietz, Barbara Lochbihler, Andrejs Mamikins, Ramona Nicole Mănescu, David McAllister, Tamás Meszerics, Clare Moody, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Alojz Peterle, Tonino Picula, Julia Pitera, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Alyn Smith, Jordi Solé, László Tőkés, Anders Primdahl Vistisen

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Asim Ademov, Tanja Fajon, Antonio López-Istúriz White, Marie-Christine Vergiat, Janusz Zemke, Željana Zovko

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

John Howarth, Miroslav Mikolášik, Thomas Waitz, Bogdan Andrzej Zdrojewski


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

41

+

ALDE

Petras Auštrevičius, Iveta Grigule-Pēterse, Ilhan Kyuchyuk, Jozo Radoš

ECR

Anders Primdahl Vistisen

EFDD

Aymeric Chauprade

PPE

Asim Ademov, Elmar Brok, Lorenzo Cesa, Michael Gahler, Sandra Kalniete, Tunne Kelam, Andrey Kovatchev, Eduard Kukan, Antonio López-Istúriz White, David McAllister, Miroslav Mikolášik, Ramona Nicole Mănescu, Alojz Peterle, Julia Pitera, Cristian Dan Preda, László Tőkés, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Željana Zovko

S&D

Tanja Fajon, Eugen Freund, John Howarth, Wajid Khan, Arne Lietz, Andrejs Mamikins, Clare Moody, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Tonino Picula, Janusz Zemke

VERTS/ALE

Klaus Buchner, Barbara Lochbihler, Tamás Meszerics, Alyn Smith, Jordi Solé, Thomas Waitz

1

-

NI

Georgios Epitideios

2

0

GUE/NGL

Javier Couso Permuy, Marie-Christine Vergiat

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 3 januari 2019Juridische mededeling