Procedure : 2017/2023(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0465/2018

Ingediende teksten :

A8-0465/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/01/2019 - 10.5

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0037

VERSLAG     
PDF 496kWORD 58k
13.12.2018
PE 622.144v06-00 A8-0465/2018

over grensoverschrijdende vorderingen tot restitutie van in oorlogen en gewapende conflicten buitgemaakte kunstwerken en cultuurgoederen

(2017/2023(INI))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Pavel Svoboda

Rapporteur voor advies (*):Nikolaos Chountis, Commissie cultuur en onderwijs

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement)

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over grensoverschrijdende vorderingen tot restitutie van in oorlogen en gewapende conflicten buitgemaakte kunstwerken en cultuurgoederen

(2017/2023(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van Den Haag van 1954 inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict en het tweede protocol daarbij van maart 1999;

–  gezien zijn resolutie van 14 december 1995 over de restitutie van geplunderde bezittingen aan joodse gemeenschappen(1) en van 16 juli 1998 over de teruggave van de bezittingen van de slachtoffers van de holocaust(2),

–  gezien het in december 2016 aangenomen pakket maatregelen ter versterking van de capaciteit van de EU voor de bestrijding van de financiering van terrorisme en georganiseerde criminaliteit, ter nakoming van de in het actieplan tegen terrorismefinanciering van 2 februari 2016 (COM(2016)0050) gedane verbintenissen, en gezien het voorstel voor een verordening betreffende de invoer van cultuurgoederen (COM(2017)0375),

–  gezien zijn resolutie van 30 april 2015 – "De vernieling van cultuurgoederen door ISIS/Da'esh"(3),

–  gezien het Unidroit-verdrag van 24 juni 1995 inzake de internationale terugkeer van gestolen en onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen,

–  gezien Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht(4),

–  gezien artikel 1 van Protocol nr. 1 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

–  gezien artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 116/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de uitvoer van cultuurgoederen(5),

–  Gezien Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(6), met name artikel 7, lid 4,

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2003 over een juridisch kader voor het vrije verkeer binnen de interne markt van goederen waarvan het eigenaarschap waarschijnlijk wordt aangevochten(7),

–  gezien de studie uit 2016 van zijn directoraat-generaal Intern Beleid over grensoverschrijdende vorderingen tot restitutie van in gewapende conflicten en oorlogen buitgemaakte kunstwerken en alternatieven voor gerechtelijke procedures,

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming) (8),

–  gezien het Unesco-verdrag van 14 november 1970 inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden en te verhinderen,

–  gezien Resolutie 14232/12 van de Raad van 4 oktober 2012 over het opzetten van een informeel netwerk van wetshandhavingsautoriteiten en expertise op het gebied van cultuurgoederen (EU-Cultnet),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A8‑0000/2018),

A.  overwegende dat, volgens Interpol, de zwarte markt voor kunstwerken even winstgevend aan het worden is als de zwarte markt voor drugs, wapens en namaakgoederen;

B.  overwegende dat, volgens de effectbeoordeling van het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de invoer van cultuurgoederen (COM(2017)0375), 80 tot 90 % van de wereldwijde handel in antiquiteiten goederen van illegale herkomst betreft;

C.  overwegende dat cultureel erfgoed een van de hoekstenen van de beschaving vormt, onder meer doordat het een grote symbolische waarde heeft, een cultureel geheugen voor de mensheid vormt en mensen verenigt; overwegende dat oorlogvoerende partijen en terroristische organisaties de afgelopen jaren overal ter wereld een reeks misdrijven tegen het werelderfgoed hebben gepleegd, en overwegende dat waardevolle kunstwerken, standbeelden en archeologische voorwerpen door bepaalde derde landen verkocht en in de EU ingevoerd worden, waarbij de winst mogelijk gebruikt wordt om terroristische activiteiten te financieren; overwegende dat een krachtig standpunt ingenomen moet worden tegen de illegale handel in cultuurgoederen, zoals kunstwerken die tijdens gewapende conflicten en oorlogen in Libië, Syrië en Irak buitgemaakt werden; overwegende dat cultuurgoederen van groot cultureel, artistiek, historisch en wetenschappelijk belang zijn en beschermd moeten worden tegen onrechtmatige toe-eigening en plundering;

D.  overwegende dat na afloop van de Tweede Wereldoorlog al snel stappen zijn ondernomen om de geroofde bezittingen op te sporen en terug te brengen naar het land van herkomst;

E.  overwegende dat de restitutie van op illegale wijze verhandelde, opgegraven of verkregen voorwerpen verzekerd moet worden, in overeenstemming met de toezeggingen van de EU op het gebied van een eerlijke rechtsgang en schadeloosstelling van slachtoffers, evenals het statuut van de Unesco en de verdragen inzake de bescherming van erfgoed;

F.  overwegende dat zowel in de beginselen van de Conferentie van Washington over door de nazi's geconfisqueerde kunst, in het forum van Vilnius als in de verklaring van Terezin over activa uit de holocaustperiode en aanverwante zaken, het belang van restitutie voor individueel onroerend goed wordt benadrukt; overwegende dat sinds de Conferentie van Washington naar schatting 1 000 tot 2 000 kunstwerken zijn gerestitueerd(9); overwegende dat er geen volledige lijst is van de kunstwerken die de afgelopen jaren zijn gerestitueerd;

G.  overwegende dat er nog steeds kunstwerken vermist zijn en nog niet teruggegeven zijn aan de rechtmatige eigenaren of hun erfgenamen; overwegende dat Jonathan Petropoulos op de conferentie van Washington in 1998 gesteld heeft dat er in heel Europa ongeveer 650 000 kunstwerken gestolen zijn en dat Ronald Lauder heeft verklaard dat 11 000 kunstwerken ter waarde van 10 tot 30 miljard dollar op dat moment (1998) nog steeds vermist waren; overwegende dat de Claims Conference-WJRO in het algemeen antwoordt dat er geen nauwkeurige schattingen zijn: er zijn ongeveer 650 000 kunstwerken gestolen, waarvan er wellicht 100 000 nog steeds vermist zijn;

H.  overwegende dat rechtzoekenden nog steeds juridische problemen ondervinden, enerzijds als gevolg van de vaak zeer specifieke aard van hun vorderingen en anderzijds wegens het aflopen van de naoorlogse restitutiewetgeving, de niet-terugwerkende kracht van conventionele normen, het feit dat er geen definitie bestaat voor "geroofde kunst", de verjaringsbepalingen inzake vorderingen en de bepalingen inzake bezittingen en goede trouw;

I.  overwegende dat de vorderingen tot restitutie van buitgemaakte kunstwerken en cultuurgoederen vooral ressorteren onder het internationaal publiekrecht; overwegende dat deze regels aangevuld moeten worden door sterkere regels in het internationaal privaatrecht;

J.  overwegende dat deze onvoldoende ontwikkelde dimensie van het privaatrecht, zowel op internationaal als op Europees niveau, bijdraagt tot de rechtsonzekerheid in grensoverschrijdende restitutiezaken van geroofde kunstwerken en cultuurgoederen, niet alleen met betrekking tot afgelopen transacties in verband met door de nazi's geroofde kunst, maar ook met betrekking tot toekomstige zaken;

K.  overwegende dat er geen EU-wetgeving bestaat die een uitdrukkelijke en uitvoerige regeling biedt voor vorderingen tot restitutie van kunstwerken en cultuurgoederen die in gewapende conflicten zijn buitgemaakt, door particulieren;

L.  overwegende dat de Unesco, samen met de grote veilinghuizen, musea en vooraanstaande verzamelaars in Europa, geavanceerd onderzoek verricht naar de herkomst van deze werken, teneinde ze aan hun eigenaars te kunnen teruggeven;

M.  overwegende dat de Internationale Museumraad, om de databank van Interpol over gestolen eigendommen aan te vullen, al meer dan tien jaar "rode lijsten" publiceert, met categorieën van voorwerpen die kwetsbaar zijn voor illegale handel;

1.  betreurt dat er tot op heden vrijwel geen gevolg is gegeven aan zijn resolutie over een juridisch kader voor het vrije verkeer binnen de interne markt van goederen waarvan het eigenaarschap waarschijnlijk wordt aangevochten, waarin het Parlement de Commissie heeft verzocht een studie uit te voeren naar een aantal aspecten in verband met civiel- en procesrechtelijke regels, herkomstonderzoek, catalogiseringssystemen, alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen en de waarde van de oprichting van een grensoverschrijdende coördinerende administratieve autoriteit; is van mening dat artikel 81, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) als rechtsgrondslag kan dienen voor het verlenen van bevoegdheden aan de Unie om op dit gebied op te treden;

2.  benadrukt dat het plunderen van kunstwerken en andere cultuurgoederen in gewapende conflicten en oorlogen, evenals in vredestijd, een gemeenschappelijke bron van ernstige zorg is waar iets aan gedaan moet worden in termen van zowel preventie als restitutie van geplunderde culturele bezittingen om de integriteit van het cultureel erfgoed te beschermen en te waarborgen, alsmede de identiteit van samenlevingen, gemeenschappen, groepen en individuen;

3.  merkt op dat er op EU-niveau onvoldoende aandacht is besteed aan de restitutie van in gewapende conflicten buitgemaakte, gestolen of illegaal verkregen kunstwerken en cultuurgoederen, met name op het gebied van privaatrecht, internationaal privaatrecht en burgerlijke rechtsvordering; verzoekt de Commissie te zorgen voor bescherming, ondersteuning en aanmoediging van grensoverschrijdende vorderingen tot restitutie van cultuurgoederen die zijn ontheemd en verduisterd als gevolg van door de staat gesanctioneerde plunderingen en die zijn buitgemaakt tijdens gewapende conflicten; vraagt de Commissie en de lidstaten met aanbevelingen en richtsnoeren te komen om de behoefte aan ondersteuning van nationale instellingen in de lidstaten met betrekking tot vorderingen tot restitutie onder de aandacht te brengen;

4.  benadrukt dat instellingen zoals de Unesco en Interpol oproepen om de bescherming van cultureel erfgoed te verbeteren en staten de verantwoordelijkheid te geven om maatregelen in te voeren om restitutie te bevorderen;

5.  betreurt dat er geen betrouwbare statistieken voorhanden zijn over de precieze omvang van de plundering van en de illegale handel in cultuurgoederen; vraagt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor betrouwbare statistieken op dit gebied;

6.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de meeste van de huidige politieke en wetgevingsinitiatieven uitsluitend gericht zijn op administratief, publiek- en/of strafrecht; benadrukt dat meer aandacht nodig is voor het privaatrecht om een alomvattend regelgevingskader op te zetten; verzoekt de bevoegde autoriteiten hiertoe alle nodige maatregelen en initiatieven te nemen;

7.  is van oordeel dat meer onderzoek verricht moet worden naar de illegale handel in cultuurgoederen, die momenteel nog een blinde vlek is, teneinde meer informatie te verkrijgen over de schaal, de structuur en de dimensies ervan, naar het voorbeeld van, onder meer, het ILLICID-project dat momenteel in Duitsland loopt;

8.  verheugt zich erover dat een aantal lidstaten erkennen dat de unieke problemen in verband met de vorderingen tot restitutie van in oorlogen en gewapende conflicten buitgemaakte, gestolen of illegaal verkregen kunstwerken en cultuurgoederen, moeten worden aangepakt om te komen tot juridische oplossingen waardoor de eigendomsrechten van particulieren, nationale en lokale overheidsinstellingen en religieuze verenigingen die tijdens een gewapend oorlogsconflict ten onrechte van hun kunstwerken zijn beroofd, gewaarborgd worden;

9.  benadrukt dat het belangrijk is om een collectief bewustzijn te creëren om deze illegale praktijken aan de kaak te stellen, en herinnert eraan dat telkens wanneer een voorwerp van zijn eigenaar wordt weggenomen, er historische en wetenschappelijke waarde permanent verloren gaat;

10.  merkt op dat het stimuleren van de ontwikkeling van eerlijke praktijken in de kunsthandel en restitutie vanuit een transnationaal en mondiaal perspectief de meest efficiënte manier is om de illegale handel in cultuurgoederen en de ontwikkeling van een zwarte markt voor kunst tegen te gaan en restitutie te bevorderen, zowel wat hun beoogde preventieve werking als het gezochte bestraffings- of dwangeffect betreft;

11.  is van mening dat, om een aantal regels te hebben aan de hand waarvan de plundering en smokkel van kunstwerken en cultuurgoederen op effectieve wijze kunnen worden voorkomen, en om wereldwijd te zorgen voor een volledig transparante, verantwoorde en ethische kunstmarkt, de Commissie moet trachten samen te werken met derde landen om vruchtbare samenwerkingsverbanden aan te gaan, rekening houdend met de beginselen als vastgelegd in het Unidroit-verdrag van 1995 over gestolen of illegaal geëxporteerde culturele voorwerpen;

12.  is van mening dat EU-wetgevingsmaatregelen, met inbegrip van de dimensie van het internationaal privaatrecht, enkel voor toekomstige transacties geschikt zijn;

13.  is van mening dat het tijd is om een einde te maken aan het jarenlange argumenteren en nuanceren en dat er een verantwoordelijke en ethische Europese kunstmarkt tot stand moet worden gebracht; verzoekt de Commissie in dit verband maatregelen op het gebied van het burgerlijk recht vast te stellen om een oplossing te vinden voor de moeilijke problemen waarmee particuliere partijen worden geconfronteerd die de restitutie vragen van kunstwerken die werkelijk aan hen toebehoren; vraagt de Commissie tegelijkertijd een nieuw discussiekader te ontwikkelen voor de identificatie van beste praktijken en oplossingen, nu en in de toekomst;

14.  verwelkomt het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de invoer van cultuurgoederen van 13 juli 2017 (COM(2017)0375), alsook de door het Parlement aangenomen amendementen op het voorstel van 25 oktober 2018; herhaalt dat het, gezien de wereldwijde schaal van de kunstmarkt en het aantal kunstvoorwerpen dat in particulier bezit is, nodig is om meer te doen op het gebied van grensoverschrijdende restitutie van kunstwerken en cultuurgoederen die zijn geplunderd tijdens gewapende conflicten en oorlogen; benadrukt dat onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen en Europese samenwerking hun nut hebben bewezen voor de identificatie en daaropvolgende restitutie van buitgemaakte voorwerpen waardoor in sommige gevallen kon worden voorkomen dat terroristische groeperingen of oorlogen werden gefinancierd;

15.  betreurt dat, wegens het ontbreken van regels, laksheid of uiteenlopende regelgeving in de lidstaten op het gebied van onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen en naar de nodige zorgvuldigheid, veel grensoverschrijdende restitutieclaims niet op een effectieve en gecoördineerde wijze gestand kunnen worden gedaan, wat plundering en illegale handel kan stimuleren en smokkel kan aanmoedigen; stelt vast dat het, door het ontbreken van gemeenschappelijke normen voor alle betrokkenen, inclusief musea, kunsthandelaren, verzamelaars, toeristen en reizigers, vaak onduidelijk is welke procedure er gevolgd moet worden; vraagt de Commissie daarom de regels inzake onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen te harmoniseren en een aantal basisbeginselen van het Unidroit-verdrag van 1995 over gestolen of illegaal geëxporteerde culturele voorwerpen op te nemen;

16.   benadrukt dat dringend moet worden bevorderd dat er stelselmatig hoogwaardig en onafhankelijk onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen wordt gedaan om buitgemaakte kunstwerken te identificeren, de restitutie ervan aan de legitieme eigenaren te faciliteren, te zorgen voor een volledig transparante, verantwoorde en ethische kunstmarkt, en plundering van en handel in kunst en cultuurgoederen tijdens gewapende conflicten en oorlogen op effectieve wijze te voorkomen en ontmoedigen; wijst op de mogelijkheden die worden geboden door de Europese financiële instrumenten in deze richting; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan speciale onderwijsprogramma's inzake onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen aan te moedigen en te ondersteunen, zowel op nationaal als op Unieniveau, met name om degenen die betrokken zijn bij de bestrijding van de illegale handel in cultuurgoederen in staat te stellen hun expertise uit te breiden en te verbeteren, ook door middel van grensoverschrijdende projecten;

17.  is van oordeel dat onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen nauw verband houdt met de verplichting om de nodige zorgvuldigheid te betrachten bij de verwerving van kunstwerken en een bron van ernstige zorg vormt voor alle actoren op de kunstmarkt, aangezien het verwerven, bewust of door nalatigheid, van gestolen kunstwerken volgens bepaalde nationale wetten strafbaar is;

18.  is van mening dat er uiteraard moet worden gezorgd voor de opstelling van een uitvoerige lijst van alle cultuurgoederen, ook die in Joods bezit die door de nazi's en hun bondgenoten zijn geroofd, vanaf het moment van roof tot vandaag; dringt er bij de Commissie op aan steun te verlenen aan een catalogiseringssysteem, dat ook door openbare instanties en particuliere kunstcollecties moet worden gebruikt, om gegevens te verzamelen over de situatie van geroofde, gestolen of illegaal verkregen cultuurgoederen en de precieze status van bestaande claims; dringt er bij de Commissie op aan digitaliseringsprojecten te ondersteunen om digitale databanken op te zetten of bestaande databanken te verbinden, om de uitwisseling van dergelijke gegevens en onderzoek naar de herkomst te vergemakkelijken;

19.  is van mening dat er, om zorgvuldig onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen te kunnen doen, een transactieregister moet worden ingevoerd dat zo gedetailleerd mogelijk is; verzoekt de Commissie de opstelling van gemeenschappelijke richtsnoeren voor deze registers te ondersteunen en passende maatregelen vast te stellen om de lidstaten ertoe aan te moedigen een algemene verplichting in te voeren voor professionals op de kunstmarkt om zo'n transactieregister bij te houden, en meer in het algemeen, zich aan te sluiten bij het Unidroit-verdrag van 1995 over gestolen of illegaal geëxporteerde culturele voorwerpen;

20.  dringt er bij de Commissie op aan onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen in heel de Unie aan te moedigen en financieel te ondersteunen; stelt voor dat de Commissie een discussieforum organiseert om beste praktijken uit te wisselen en de beste oplossingen te vinden voor nu en in de toekomst;

21.  verzoekt de Commissie te overwegen een specifiek alternatief mechanisme voor de beslechting van geschillen op te zetten voor de behandeling van gevallen van geroofde kunstwerken en cultuurgoederen, teneinde bestaande juridische obstakels uit de weg te ruimen, bijvoorbeeld een hybride vorm van arbitrage en bemiddeling; benadrukt het belang van duidelijke normen en transparante en neutrale procedures;

22.  stelt vast dat verjaringstermijnen vaak problemen opleveren voor eisers in restitutiekwesties; verzoekt de Commissie deze kwestie te beoordelen en een juist evenwicht te vinden voor de verjaringstermijn die van toepassing is op vorderingen tot restitutie van geroofde kunst, met inbegrip van door de nazi's geroofde kunst, waarbij de bescherming van zowel de belangen van de slachtoffers van roof en diefstal als die van de markt in aanmerking moeten worden genomen; is van mening dat de Amerikaanse "Holocaust Expropriated Art Recovery Act" als voorbeeld kan dienen;

23.  verzoekt de Commissie te overwegen wetgevingsmaatregelen te nemen om het rechtsstelsel voor grensoverschrijdende vorderingen tot restitutie van in oorlogen en gewapende conflicten buitgemaakte kunstwerken en cultuurgoederen te versterken;

24.  verzoekt de bevoegde EU-instellingen de lidstaten aan te moedigen informatie over bestaande praktijken met betrekking tot het controleren van de herkomst van cultuurgoederen te delen en hun samenwerking te intensiveren teneinde de controlemaatregelen en de administratieve procedures die bedoeld zijn om de herkomst van cultuurgoederen te bepalen, te harmoniseren;

25.  wijst op het gebrek aan coördinatie op het niveau van de lidstaten wat de interpretatie van het begrip "de nodige zorgvuldigheid" betreft; verzoekt de Commissie het begrip "de nodige zorgvuldigheid" met betrekking tot goede trouw te verduidelijken; wijst bij wijze van voorbeeld op artikel 16 van de Zwitserse federale wet inzake de internationale overdracht van culturele goederen, dat kunsthandelaren en veilinghouders verbiedt een kunsttransactie aan te gaan als zij enige twijfel hebben over de herkomst van het object; merkt op dat volgens deze wet de bewijslast gedeeltelijk op de verkoper wordt overgedragen; de bezitter van een kunstwerk kan zich echter niet op het beginsel van goede trouw beroepen als hij/zij niet kan bewijzen dat hij/zij op het moment van aankoop voldoende aandachtig is geweest; dringt er bij de Commissie op aan maatregelen te nemen om de kunstmarkt en potentiële kopers bewust te maken van het belang van onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen, aangezien dat onderzoek nauw verband houdt met de verplichting om de nodige zorgvuldigheid te betrachten;

26.  verzoekt de Commissie gemeenschappelijke beginselen te ontwikkelen voor de toegang tot openbare of particuliere archieven die informatie bevatten over de identificatie en de locatie van goederen en dringt erop aan over te gaan tot een grondige inventarisatie van de bestaande databanken over cultuurgoederen en de oprichting te plannen van een centrale meta-databank waarin met de beschikbare informatie rekening wordt gehouden, die regelmatig wordt geactualiseerd en door alle relevante actoren kan worden geraadpleegd; is van oordeel dat op basis van deze centrale meta-databank een gemeenschappelijke catalogus moet worden ingevoerd, waarbij gebruik kan worden gemaakt van gestandaardiseerde identificatiecodes; verzoekt de Commissie derhalve de invoering aan te moedigen van de door de ICOM en andere organisaties ontwikkelde en bevorderde identificatiecodes als marktnorm binnen de gehele interne markt; wijst erop dat een dergelijke databank moet worden gekoppeld aan de Interpol-databank voor gestolen kunstwerken, en regelmatig moet worden bijgewerkt;

27.  is van mening dat met het oog op een grondiger en nauwkeuriger onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen, de oprichting van een documentaire databank of een transactieregister een verdere nuttige aanvulling op de hierboven genoemde databank kan zijn; verzoekt de Commissie passende maatregelen vast te stellen om de lidstaten ertoe aan te moedigen een algemene verplichting in te voeren voor actoren op de kunstmarkt om dergelijke documentaire databanken of transactieregisters bij te houden, en meer in het algemeen, zich aan te sluiten bij het Unidroit-verdrag van 1995 over gestolen of illegaal geëxporteerde culturele voorwerpen;

28.  is van oordeel dat de centrale databank moet functioneren aan de hand van een gemeenschappelijk catalogiseringssysteem waarbij voorwerpen op een gestandaardiseerde wijze worden geïdentificeerd (met inachtneming van kenmerken zoals materialen, technieken, afmetingen, opschriften, titel, onderwerp, datum of periode enz.);

29.  verzoekt de Commissie gemeenschappelijke beginselen vast te stellen voor de wijze waarop eigendom of titel wordt vastgesteld, alsmede regels inzake verjaring en bewijsstandaarden en het concept van kunstroof, met inachtneming van de in de lidstaten geldende regels;

30.  roept de lidstaten en kandidaat-lidstaten op al het nodige te doen om maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat er mechanismen in het leven worden geroepen die de restitutie van de in deze resolutie genoemde eigendommen bevorderen, en er rekening mee te houden dat de restitutie van in het kader van misdaden tegen de menselijkheid buitgemaakte, gestolen of illegaal verkregen kunstwerken aan de rechtmatige eisers een zaak van algemeen belang is in de zin van artikel 1 van Protocol nr. 1 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens;

31.  onderstreept dat, om een aantal regels te hebben aan de hand waarvan de plundering en smokkel van kunstwerken en cultuurgoederen op effectieve wijze kunnen worden voorkomen, en om wereldwijd te zorgen voor een volledig transparante, verantwoorde, ethische en rekenschap afleggende kunstmarkt, de Commissie moet trachten samen te werken met derde landen om vruchtbare samenwerkingsverbanden aan te gaan, met het oog op de restitutie van in deze resolutie bedoelde eigendommen, rekening houdend met zowel de beginselen als vastgelegd in het Unidroit-verdrag van 1995 over gestolen of illegaal geëxporteerde culturele voorwerpen als artikel 1 van Protocol nr. 1 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens;

32.  herinnert eraan dat in het onderwijs wordt gestimuleerd dat kunstwerken en andere cultuurgoederen worden geëerbiedigd en gewaardeerd als symbolen van cultureel erfgoed en dat onderwijs daarom een belangrijke rol speelt om plundering van en illegale handel in cultuurgoederen te voorkomen en te ontmoedigen; dringt er derhalve bij de Commissie en de lidstaten op aan onderwijs- en bewustmakingsactiviteiten aan te moedigen en te ondersteunen, ook in een non-formele en informele context;

33.  dringt er bij de Commissie en alle relevante bevoegde autoriteiten op aan maatregelen te nemen om zowel de kunstmarkt als potentiële kopers bewust te maken van het belang van onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen, aangezien dat onderzoek nauw verband houdt met de verplichting om de nodige zorgvuldigheid te betrachten;

34.  herinnert eraan dat nauwe samenwerking tussen de politie- en douanediensten op Europees en internationaal niveau essentieel is om de illegale handel in cultureel erfgoed te bestrijden;

35.  steunt het idee dat de grensoverschrijdende restitutieprocedures betreffende geplunderde, gestolen of illegaal verkregen kunstwerken en cultuurgoederen, alsook de actieve bevordering van onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen moeten worden geagendeerd in de context van het Europees Jaar van het cultureel erfgoed 2018 ("EYCH"); dringt er derhalve bij de Commissie en de werkgroep die zij heeft opgericht op aan dit onderwerp op te nemen in het EYCH-activiteitenprogramma voor 2018;

°

°  °

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

  PB C 17 van 22.1.1996, blz. 199.

(2)

  PB C 292 van 21.9.1998, blz. 166.

(3)

  PB C 346 van 21.9.2016, blz. 55.

(4)

  PB L 159 van 28.5.2014, blz. 1.

(5)

  PB L 39 van 10.2.2009, blz. 1.

(6)

  PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1.

(7)

  PB C 91E van 15.4.2004, blz. 500.

(8)

  PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.

(9)

  Cijfers van de Claims Conference-WJRO Looted Art and Cultural Property Initiative.


TOELICHTING

In de afgelopen jaren is de kwestie van roofkunst en de restitutie van cultuurgoederen een punt van aandacht geworden zowel in het historisch onderzoek als bij het grote publiek. Het probleem van geroofde cultuurgoederen, in oorlogstijd buitgemaakt door middel van geweld, inbeslagname of door schijnbaar legale transacties of veilingen, blijft deel uitmaken van de menselijke geschiedenis. De plunderingen in de koloniale tijd evenals de plunderingen in Syrië en Irak vormen nog steeds een enorm probleem.

Een van de grootste georganiseerde en geïnstitutionaliseerde diefstallen van kunstwerken in de geschiedenis vond plaats tijdens de Tweede Wereldoorlog. Miljoenen voorwerpen met culturele waarde werden door de nazi's in beslag genomen of gestolen; vandaag, meer dan zeventig jaar na het einde van de oorlog, zijn duizenden kunstvoorwerpen nog steeds vermist en niet teruggegeven aan de rechtmatige eigenaren of hun erfgenamen. Rechtbanken zijn vaak niet in staat om claims op hun merites te beoordelen.

Volgens het internationale recht was deze plundering illegaal. Tijdens de oorlog maakten de Verenigde Naties duidelijk dat geroofde en door staten teruggevorderde eigendommen moesten worden gerestitueerd aan het land van herkomst voor teruggave aan de oorspronkelijke eigenaar. Deze geroofde eigendommen kregen vervolgens een speciale status van het Tribunaal van Neurenberg, dat uitdrukkelijk oordeelde dat de plundering van privé-eigendommen tijdens de oorlog volgens artikel 6, onder b), van het Handvest van Neurenberg een misdrijf naar internationaal recht kon vormen. In zijn eindarrest oordeelde het Tribunaal specifiek dat bepaalde plunderingen die zich na 1 september 1939 hadden voorgedaan, een misdrijf tegen de menselijkheid waren. In nationale wetten die na de oorlog in Zwitserland, België, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Italië en Nederland werden aangenomen, werd dit begrip erkend, waardoor werd uitgegaan van een vermoeden ten gunste van de oorspronkelijke eigenaar van tijdens deze periode geroofde goederen. Dat er internationale normen bestaan inzake particuliere claims op door de nazi's geroofde kunst is onder meer te verklaren door het aflopen van de naoorlogse restitutiewetten, de niet‑terugwerkende kracht van conventionele normen en diverse rechtsbegrippen zoals verjaringstermijnen voor claims of verkrijgende verjaring, goede trouw en het ontbreken van een definitie van roofkunst.

Na het Verdrag van den Haag van 1954 inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict(1), het UNESCO-verdrag van 1970 inzake de middelen om illegale invoer, uitvoer en eigendomsoverdracht van cultuurgoederen te verbieden en te verhinderen(2) en het UNIDROIT-verdrag van 1995 inzake gestolen of onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen(3), heeft de Conferentie van Washington de kwestie van het herkomstonderzoek en de restitutie van kunstwerken aan hun rechtmatige vooroorlogse eigenaren of hun erfgenamen weer op de internationale agenda gezet. De internationale praktijk van vandaag wordt gekenmerkt door een gebrek aan transparantie: vaak worden zaken beslecht en werken verhandeld in een vertrouwelijke overeenkomst zonder juridische argumentatie. Oostenrijk, Frankrijk, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland hebben echter panels gevormd om instellingen te helpen bij restitutiezaken. In september 2018 hebben het Moderna Museet en het Nationalmuseum in Stockholm een voorstel ingediend bij de Zweedse regering met het verzoek om ook een onafhankelijk panel op te richten om te helpen bij de behandeling van zaken aangaande door de nazi's geroofde kunst.

Deskundigen van lokale, nationale en internationale instellingen zoals ministeries, musea, veilinghuizen, archieven, galeries of zelfs particuliere verzamelaars zijn begonnen met het nemen van maatregelen om de kunstwereld te motiveren tot eerlijke praktijken voor het identificeren, terughalen en teruggeven van geroofde kunst. Het terrein blijft echter opgedeeld langs nationale, institutionele en professionele krijtlijnen en er is nog steeds een duidelijke tendens om zich te richten op specifieke gevallen of collecties(4). Zie het onderzoek uitgevoerd door de beleidsafdeling burgerrechten en constitutionele zaken in opdracht van de Commissie juridische zaken "Grensoverschrijdende vorderingen tot restitutie van in oorlogen en gewapende conflicten buitgemaakte kunstwerken en cultuurgoederen".

Tegen deze achtergrond heeft de Europese Unie een aantal inspanningen geleverd om de gevolgen van het roven van kunst tijdens de Tweede Wereldoorlog aan te pakken. Deze inspanningen zijn begonnen met Richtlijn 93/7/EEG van de Raad betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht, waarbij een mechanisme voor samenwerking tussen de lidstaten werd ingesteld om de integriteit van het cultureel erfgoed van de lidstaten beter te beschermen en te waarborgen. Deze richtlijn werd snel gevolgd door de aanneming door het Europees Parlement op 14 december 1995 van een resolutie over de restitutie van geplunderde bezittingen aan joodse gemeenschappen en op 16 juli 1998 van een resolutie over de teruggave van de bezittingen van de slachtoffers van de holocaust. Het verslag-De Clercq over een juridisch kader voor het vrije verkeer binnen de interne markt van goederen waarvan het eigenaarschap waarschijnlijk wordt aangevochten, is op 17 november 2003 unaniem op commissieniveau goedgekeurd(5). Een maand later nam de plenaire vergadering van het Europees Parlement met een overweldigende meerderheid van 487 stemmen voor en 10 stemmen tegen de resolutie aan waarin de lidstaten worden opgeroepen alles in het werk te stellen om de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat er mechanismen in het leven worden geroepen die de restitutie van geroofde kunstwerken naar hun rechtmatige eigenaars bevorderen. Ook werd aangedrongen op maatregelen van de kant van de Commissie, die een studie had moeten verrichten naar de verschillende aspecten van het burgerlijk recht en het procesrecht, herkomstonderzoek, catalogiseringssystemen, alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen en de waarde van het oprichten van een grensoverschrijdende coördinerende administratieve autoriteit. De Commissie heeft geen gevolg gegeven aan de verzoeken van het Parlement.

Er bestaan op internationaal niveau geen geharmoniseerde regels inzake jurisdictiegeschillen voor deze specifieke kwestie. Verordening (EU) nr. 1215/2012(6) ("Brussel I") en het Verdrag van Lugano betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken hebben tot doel vooraf vast te stellen welk gerecht of welke gerechten bevoegd zijn. Artikel 7, lid 4, van Brussel I bepaalt welke rechtbank bevoegd is voor het onderzoek van civiele vorderingen tot invordering van een cultuurgoed op grond van eigendom. De toepassing ervan is echter beperkt tot de bij Richtlijn 93/7/EG (nu ingetrokken en vervangen door Richtlijn 2014/60/EG) gedefinieerde categorie van cultuurgoederen. Brussel I biedt enige zekerheid over collisierechtelijke kwesties in verband met het forum, maar niet over de keuze van het recht, de verjaringstermijn, de bewijsstandaarden of de wijze van verwerving van de titel. Deze worden geregeld door Verordening (EG) nr. 593/2008(7) ("Rome I") en Verordening (EG) nr. 864/2007(8) ("Rome II"). Rome I en II zijn van toepassing op vorderingen met betrekking tot gestolen of geroofde kunst of kunst die onder dwang is verkregen, indien de vordering is ingesteld in de vorm van een geschil over een contract of onrechtmatige daad. Door te bepalen welk recht van toepassing is op een geschil, bepalen de Rome-verordeningen ook de verjaringstermijn, de wijze van het verkrijgen van de eigendomstitel en de bewijsstandaarden die op de kwesties van toepassing zijn. De verordeningen hebben evenwel geen terugwerkende kracht en zijn alleen van toepassing op respectievelijk overeenkomsten die vanaf 17 december 2009 zijn gesloten en schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich op of na 11 januari 2009 hebben voorgedaan. Vorderingen tegen verweerders die buiten de lidstaten woonachtig zijn, vallen niet binnen de werkingssfeer van de verordening. In die gevallen wordt de bevoegdheid van de rechtbanken van de staat bepaald door de regels van internationaal privaatrecht van die staat.

Een belangrijk aspect van de grensoverschrijdende vorderingen tot restitutie van in oorlogen en gewapende conflicten buitgemaakte kunstwerken en cultuurgoederen, is de afbakening van het toepassingsgebied. In grote lijnen kan dit worden onderverdeeld in drie grote categorieën:

1.  Plundering en diefstal die hebben plaatsgevonden in een historisch tijdperk zoals de kolonisatie.

2.  Plundering en diefstal die recent hebben plaatsgevonden, zoals in de Tweede Wereldoorlog.

3.  Plundering en diefstal in het heden en de toekomst.

Voor alle drie zijn verschillende behandelingen en beleidsinstrumenten vereist.

(1)

14 mei 1954, 249 UNTS 240.

(2)

17 november 1970, 823 UNTS 231.

(3)

24 juni 1995, 34 UNTS 1322.

(4)

Zie het onderzoek uitgevoerd door de beleidsafdeling burgerrechten en constitutionele zaken in opdracht van de Commissie juridische zaken "Grensoverschrijdende vorderingen tot restitutie van in oorlogen en gewapende conflicten buitgemaakte kunstwerken en cultuurgoederen".

(5)

A5-0278/2003.

(6)

Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1).

(7)

Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB L 177 van 4.7.2008, blz. 6).

(8)

Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 40).


ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (28.6.2018)

aan de Commissie juridische zaken

inzake grensoverschrijdende vorderingen tot restitutie van in oorlogen en gewapende conflicten buitgemaakte kunstwerken en cultuurgoederen

(2017/2023(INI))

Rapporteur voor advies (*): Nikolaos Chountis

(*)  Procedure met medeverantwoordelijke commissies – artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat in het onderwijs wordt gestimuleerd dat kunstwerken en andere cultuurgoederen worden geëerbiedigd en gewaardeerd als symbolen van cultureel erfgoed en identiteit en dat onderwijs daarom een belangrijke rol speelt om plundering van en illegale handel in cultuurgoederen te voorkomen en te ontmoedigen; dringt er derhalve bij de Commissie en de lidstaten op aan onderwijs- en bewustmakingsactiviteiten aan te moedigen en te ondersteunen, ook in een niet-formele en informele context;

2.  benadrukt dat het grensoverschrijdende karakter van de meeste restitutieclaims een duidelijke en coherente grensoverschrijdende benadering vereist om de huidige problemen te kunnen overwinnen zodat er eerlijke en billijke oplossingen kunnen worden gevonden; dringt er bij de Commissie op aan om op het niveau van de Unie een adviesorgaan op te richten om de lidstaten en andere actoren bij te staan in hun pogingen om buitgemaakte kunstwerken en andere cultuurgoederen te lokaliseren en te identificeren en de restitutie aan hun legitieme eigenaren te bespoedigen;

3.  benadrukt dat het plunderen van kunstwerken en andere cultuurgoederen in gewapende conflicten en oorlogen, evenals in vredestijd, een bron van ernstige zorg is waar iets aan gedaan moet worden in termen van zowel preventie als restitutie van geplunderde culturele bezittingen, teneinde de integriteit van het cultureel erfgoed en de identiteit van samenlevingen, gemeenschappen, groepen en individuen te beschermen en te waarborgen;

4.   benadrukt dat het dringend noodzakelijk is om stelselmatig hoogwaardig en onafhankelijk onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen te bevorderen, om buitgemaakte kunstwerken te identificeren, de restitutie ervan aan de legitieme eigenaren te faciliteren, te zorgen voor een volledig transparante, verantwoorde en ethische kunstmarkt, en plundering van en handel in kunst en cultuurgoederen tijdens gewapende conflicten en oorlogen op effectieve wijze te voorkomen en te ontmoedigen; wijst op de mogelijkheden die daartoe worden geboden door de Europese financieringsinstrumenten; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan speciale onderwijsprogramma's inzake onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen aan te moedigen en te ondersteunen, zowel op nationaal als op Unieniveau, met name om degenen die betrokken zijn bij de bestrijding van de illegale handel in cultuurgoederen in staat te stellen hun expertise uit te breiden en te verbeteren, ook door middel van grensoverschrijdende projecten;

5.  is verheugd over het voorstel van de Commissie voor een verordening betreffende de invoer van cultuurgoederen van 13 juli 2017; benadrukt dat het, gezien de wereldwijde schaal van de kunstmarkt en het aantal kunstvoorwerpen in particulier bezit, nodig is om meer te doen op het gebied van grensoverschrijdende restitutie van kunstwerken en cultuurgoederen die zijn geplunderd tijdens gewapende conflicten en oorlogen; benadrukt dat onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen en Europese samenwerking hun nut hebben bewezen voor de identificatie van buitgemaakte voorwerpen, waarna zij konden worden gerestitueerd en in sommige gevallen kon worden voorkomen dat terroristische groeperingen of oorlogen werden gefinancierd;

6.  is zich ervan bewust dat onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen nauw verband houdt met de verplichting om de nodige zorgvuldigheid te betrachten bij de verwerving van kunstwerken en een bron van ernstige zorg vormt voor alle actoren op de kunstmarkt, aangezien het verwerven, bewust of door nalatigheid, van gestolen kunstwerken volgens bepaalde nationale wetten strafbaar is;

7.  dringt er bij de lidstaten op aan de nodige maatregelen te treffen om een einde te maken aan de illegale handel in cultuurgoederen die afkomstig zijn van het grondgebied van staten die in oorlog zijn, zoals Syrië en Irak, en zo te voorkomen dat cultuurgoederen worden gebruikt om terroristische activiteiten te financieren;

8.   betreurt dat veel grensoverschrijdende restitutieclaims niet op doeltreffende en gecoördineerde wijze kunnen worden uitgevoerd omdat de regels op het gebied van onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen en de zorgvuldigheidseisen ontbreken, te laks zijn of verschillen tussen de lidstaten, wat de plundering en handel kan stimuleren en de smokkel kan aanmoedigen; merkt op dat door het ontbreken van gemeenschappelijke normen voor alle betrokkenen, inclusief musea, kunsthandelaren, verzamelaars, toeristen en reizigers, vaak onduidelijk blijft welke procedure er gevolgd moet worden; vraagt de Commissie daarom de regels inzake onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen te harmoniseren en daarin een aantal basisbeginselen van het UNIDROIT-Verdrag van 1995 over gestolen of illegaal geëxporteerde culturele voorwerpen op te nemen;

9.   merkt op dat het toenemende bewustzijn van het publiek met betrekking tot kunstwerken en cultuurgoederen die buitgemaakt zijn tijdens WO II en meer recentelijk de toegenomen plundering van kunst en cultuurgoederen tijdens de conflicten in Irak en Syrië, en het feit dat onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen belangrijk is, geleid hebben tot de ontwikkeling van nuttige middelen voor de vaststelling van de geschiedenis van het eigenaarschap van een kunstwerk; waardeert de initiatieven van musea en andere publieke en particuliere instellingen om instrumenten te ontwikkelen om onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen te vergemakkelijken; dringt er bij de Commissie op aan over te gaan tot een grondige inventarisatie van de bestaande databanken en de oprichting te overwegen van een centrale meta-databank waarin met de beschikbare informatie rekening wordt gehouden, die regelmatig wordt geactualiseerd en door alle relevante actoren kan worden geraadpleegd;

10.   is van oordeel dat op basis van deze centrale meta-databank een gemeenschappelijke catalogus moet worden ingevoerd, waarbij gebruik kan worden gemaakt van gestandaardiseerde identificatiecodes; verzoekt de Commissie er derhalve naar te streven dat de door de ICOM en andere organisaties ontwikkelde en bevorderde identificatiecodes binnen de gehele interne markt als marktnorm worden ingevoerd;

11.   is van mening dat er, om zorgvuldig onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen te kunnen doen, een transactieregister moet worden ingevoerd dat zo gedetailleerd mogelijk is; verzoekt de Commissie de opstelling te ondersteunen van gemeenschappelijke richtsnoeren voor dergelijke registers en passende maatregelen vast te stellen om de lidstaten ertoe aan te moedigen een algemene verplichting in te voeren voor professionals op de kunstmarkt om zo'n transactieregister bij te houden en, meer in het algemeen, zich aan te sluiten bij het UNIDROIT-Verdrag van 1995 over gestolen of illegaal geëxporteerde culturele voorwerpen;

12.  is van mening dat de Commissie, om een geheel van regels te hebben waarmee de plundering en smokkel van kunstwerken en cultuurgoederen op effectieve wijze kunnen worden voorkomen en om wereldwijd te zorgen voor een volledig transparante, verantwoorde en ethische kunstmarkt, moet trachten samen te werken met derde landen om vruchtbare samenwerkingsverbanden aan te gaan, rekening houdend met de beginselen als vastgelegd in het UNIDROIT-Verdrag van 1995 over gestolen of illegaal geëxporteerde culturele voorwerpen;

13.  verzoekt de Commissie de lidstaten aan te moedigen om informatie over bestaande praktijken met betrekking tot het controleren van de herkomst van cultuurgoederen te delen en hun samenwerking te intensiveren, teneinde de controlemaatregelen en de administratieve procedures die bedoeld zijn om de herkomst van cultuurgoederen te bepalen, te harmoniseren;

14.  dringt er bij de Commissie op aan onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen in de Unie aan te moedigen en financieel te ondersteunen; stelt voor dat de Commissie een discussieforum organiseert om de beste praktijken uit te wisselen en de beste oplossingen te vinden voor nu en in de toekomst;

15.  dringt er bij de Commissie op aan maatregelen te nemen om de kunstmarkt en potentiële kopers bewust te maken van het belang van onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen, aangezien dat onderzoek nauw verband houdt met de verplichting om de nodige zorgvuldigheid te betrachten;

16.  steunt het idee dat de grensoverschrijdende restitutieprocedures betreffende kunstwerken en cultuurgoederen die geplunderd zijn in gewapende conflicten en oorlogen en de actieve bevordering van onderzoek naar de herkomst van cultuurgoederen moeten worden geagendeerd in de context van het Europees Jaar van het cultureel erfgoed 2018 ("EYCH"); dringt er derhalve bij de Commissie en de werkgroep die zij heeft opgericht op aan dit onderwerp op te nemen in het EYCH-activiteitenprogramma voor 2018.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.1.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

3

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Nikolaos Chountis, Silvia Costa, Mircea Diaconu, Damian Drăghici, Angel Dzhambazki, Jill Evans, María Teresa Giménez Barbat, Petra Kammerevert, Svetoslav Hristov Malinov, Curzio Maltese, Rupert Matthews, Stefano Maullu, Luigi Morgano, John Procter, Michaela Šojdrová, Yana Toom, Helga Trüpel, Sabine Verheyen, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Algirdas Saudargas


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.11.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

17

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Joëlle Bergeron, Jean-Marie Cavada, Kostas Chrysogonos, Mady Delvaux, Mary Honeyball, Sajjad Karim, Sylvia-Yvonne Kaufmann, António Marinho e Pinto, Julia Reda, Evelyn Regner, Pavel Svoboda, Axel Voss, Francis Zammit Dimech, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Sergio Gaetano Cofferati, Luis de Grandes Pascual, Tiemo Wölken, Kosma Złotowski


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

17

+

ALDE

Jean-Marie Cavada, António Marinho e Pinto

EFDD

Joëlle Bergeron

GUE/NGL

Kostas Chrysogonos

PPE

Daniel Buda, Luis de Grandes Pascual, Pavel Svoboda, Axel Voss, Francis Zammit Dimech, Tadeusz Zwiefka

S&D

Sergio Gaetano Cofferati, Mady Delvaux, Mary Honeyball, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Evelyn Regner, Tiemo Wölken

VERTS/ALE

Julia Reda

1

-

ECR

Kosma Złotowski

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 11 januari 2019Juridische mededeling