Procedure : 2018/2102(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0474/2018

Ingediende teksten :

A8-0474/2018

Debatten :

PV 30/01/2019 - 25
CRE 30/01/2019 - 25

Stemmingen :

PV 31/01/2019 - 9.17
CRE 31/01/2019 - 9.17
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0062

VERSLAG     
PDF 233kWORD 74k
18.12.2018
PE 628.570v02-00 A8-0474/2018

over het jaarverslag over het mededingingsbeleid

(2018/2102(INI))

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteur: Michel Reimon

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het jaarverslag over het mededingingsbeleid

(2018/2102(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 7, 8, 9, 11,12, 39, 42, 101 t/m 109 en 174,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 35, 37 en 38,

–  gezien het verslag van de Commissie van 18 juni 2018 over het mededingingsbeleid in 2017 (COM(2018)0482) en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie van dezelfde datum,

–  gezien Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard,

–  gezien Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen,

–  gezien het Witboek van de Commissie "Naar een effectievere EU-concentratiecontrole" van 9 juli 2014 (COM(2014)0449),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 22 maart 2017 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt (COM(2017)0142) (de ECN+-richtlijn),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 juli 2016 betreffende het begrip "staatssteun" in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C(2016)2946),

–  gezien zijn resolutie van 5 februari 2014 over EU-samenwerkingsovereenkomsten betreffende de handhaving van het mededingingsbeleid – de toekomst(1),

–  gezien de relevante regels, richtsnoeren, besluiten, resoluties, mededelingen en documenten van de Commissie over mededinging,

–  gezien zijn resoluties van 19 april 2018(2) en 14 februari 2017(3) over de jaarverslagen over het EU-mededingingsbeleid in 2017, respectievelijk 2016,

–  gezien zijn studie van juli 2018 "Competition issues in the area of financial technology (FinTech)", geschreven in opdracht van de werkgroep mededinging van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien de antwoorden van de Commissie op de schriftelijke vragen E-000344-16, E-002666-16 en E-002112-16,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 december 2018 inzake het verslag van de Commissie van 18 juni 2018 over het mededingingsbeleid 2017,

–  gezien het eindverslag van de Commissie van 10 mei 2017 over sectoronderzoek naar e-commerce (COM(2017)0229),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0474/2018),

A.  overwegende dat het mededingingsbeleid al meer dan 60 jaar bestaat en dat een krachtig en doeltreffend EU-mededingingsbeleid altijd een hoeksteen van het Europees project is geweest;

B.  overwegende dat belastingontduiking en belastingontwijking tot oneerlijke mededinging leiden, die met name nadelig is voor kleine en middelgrote ondernemingen;

C.  overwegende dat witwassen, belastingontwijking en belastingontduiking de eerlijke verdeling van de belastinginkomsten in de lidstaten ondermijnen en zo de mededinging op de interne markt verstoren;

D.  overwegende dat grootschalige belastingontwijking door zeer vermogende particulieren en bedrijven niet alleen de gewone belastingbetaler, de overheidsfinanciën en de sociale uitgaven schaadt, maar ook een bedreiging vormt voor goed bestuur, de macro-economische stabiliteit, de sociale cohesie en het vertrouwen van het publiek in de instellingen van de Unie en de lidstaten;

E.  overwegende dat sommige regeringen en rechtsgebieden, waaronder ook enkele in de EU, zich hebben gespecialiseerd in of zich inlaten met het opzetten van mededingingsverstorende preferentiële belastingregelingen ten gunste van multinationale ondernemingen en zeer vermogende particulieren, die feitelijk geen economische substantie in deze rechtsgebieden hebben, maar er slechts worden vertegenwoordigd door schijnvennootschappen;

1.  is van mening dat een mededingingsbeleid dat gebaseerd is op gelijke voorwaarden in alle sectoren een hoeksteen van de Europese sociale markteconomie is en een sleutelrol vervult bij het waarborgen van de goede werking van de interne markt; is ingenomen met het verslag van de Commissie over het mededingingsbeleid 2017 en met haar inspanningen en activiteiten die gericht zijn op de daadwerkelijke toepassing van de mededingingsregels in de Unie ten bate van alle EU-burgers, met name die in een zwakke positie als consument; verzoekt de Commissie bovendien te blijven zorgen voor de volledige handhaving van de mededingingsregels van de EU, met bijzondere aandacht voor de moeilijkheden waarmee kmo's worden geconfronteerd, en te voorkomen dat deze regels in de lidstaten ongelijk worden toegepast;

2.  is ingenomen met de gestructureerde dialoog met de commissaris voor Mededinging en met de inspanningen van de Commissie om nauw te blijven samenwerken met de leden van de bevoegde commissie van het Parlement en de werkgroep mededinging, en moedigt deze initiatieven verder aan; beschouwt het jaarverslag van de Commissie over het mededingingsbeleid als een onontbeerlijke oefening op het gebied van democratisch toezicht; herinnert eraan dat het Parlement de afgelopen jaren via de gewone wetgevingsprocedure bij de vormgeving van het kader voor de mededingingsregels is betrokken, bijvoorbeeld in de voorgestelde ECN+-richtlijn; merkt op dat het Parlement medebeslissingsbevoegdheid moet krijgen om het kader voor de mededingingsregels vorm te geven en betreurt dat de democratische dimensie van dit beleidsterrein van de Unie niet is versterkt in recente verdragswijzigingen; dringt erop aan de Verdragen in die zin te wijzigen;

3.  vraagt de Commissie een zorgvuldige analyse te maken van de aanzienlijke potentiële schadelijke effecten van de voorgenomen fusie tussen Siemens en Alstom op de mededinging op de Europese spoorwegmarkt en de negatieve gevolgen voor de gebruikers, die zullen worden geconfronteerd met hogere prijzen, minder keuze, slechtere dienstverlening, lagere kwaliteit en minder innovatie; wijst erop dat de voorgenomen fusie de markt voor hogesnelheidsmaterieel, spoorwegen en metrolijnen naar alle waarschijnlijkheid zal schaden, evenals de hele spoorweginfrastructuur, omdat het fusiebedrijf een dominante positie in de EU zal krijgen, in het bijzonder in lidstaten als België, Denemarken, Nederland, Roemenië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk;

4.  merkt op dat de Commissie in 2018 een wetgevingsvoorstel heeft ingediend voor een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP), dat zou worden beheerd door een particulier pensioenfonds; wijst erop dat dit wetgevingsvoorstel in eerste instantie uit de koker kwam van de financiëledienstverleningsgigant BlackRock, 's werelds grootste vermogensbeheerder, die ongeveer twee derde van zijn imperium van 6 biljoen USD heeft gebouwd op pensioenen, en door de Commissie is voorgesteld na intensief gelobby door BlackRock; ziet ook steeds meer bewijs voor de stelling dat reusachtige vermogensbeheerders als BlackRock de mededinging in echte markten en tussen bedrijven belemmeren; verzoekt de Commissie bijzonder alert te blijven voor de risico's van een dominante positie in de markt voor particuliere pensioenproducten;

5.  benadrukt dat daadwerkelijke mededinging op de Europese interne markt met name de consument ten goede moet komen;

6.  is ingenomen met het onderzoek naar kartelvorming bij vrachtwagenproducenten; neemt met voldoening kennis van het feit dat de Commissie niet alleen heeft gekeken naar de effecten van het kartel tussen grote vrachtwagenproducenten op de prijzen van vrachtwagens, maar ook sancties heeft opgelegd wegens hun samenspanning om de invoering van schonere vrachtwagens te vertragen;

7.  benadrukt dat de mededingingsregels op de Verdragen gebaseerd zijn en, zoals neergelegd in artikel 7 VWEU, moeten worden geïnterpreteerd in het licht van de bredere Europese waarden die ten grondslag liggen aan de regelgeving op het gebied van sociale zaken, de sociale markteconomie, milieunormen, het klimaatbeleid en consumentenbescherming; is van mening dat bij de toepassing van het EU-mededingingsrecht alle marktverstoringen moeten worden aangepakt, met inbegrip van marktverstoringen die zijn ontstaan door negatieve externe effecten op sociaal en milieugebied;

8.  is van mening dat het mededingingsbeleid, gezien de mogelijkheden die dit beleid biedt om concrete initiatieven te nemen, de energietransitie in de EU als geheel, de economische en sociale integratie in Europa en ecologisch duurzame agrarische activiteiten moet bevorderen en het vermogen van grote energiebedrijven om de energieprijzen te verhogen moet beperken;

9.  wijst erop dat zelfs wanneer producten en diensten gratis worden aangeboden, zoals dat met name gebeurt in de digitale economie, consumenten soms nog altijd oneerlijk gedrag moeten accepteren, zoals een lagere kwaliteit, minder keuze en innovatie, of afpersingspraktijken; is van mening dat de EU-mededingingsregels en de toepassing ervan ook tal van aspecten moeten bestrijken die verder reiken dan uitsluitend op de prijs gerichte benaderingen, en ook oog moeten hebben voor ruimere overwegingen zoals de kwaliteit van producten en diensten, waarbij ook de persoonlijke levenssfeer van burgers van belang is;

10.  wijst op de enorme veranderingen in markten als gevolg van de voortdurende technologische ontwikkeling, die zowel kansen als uitdagingen creëren; benadrukt in dit verband het cruciale belang van het mededingingsbeleid voor de verdere ontwikkeling van de digitale eengemaakte markt; benadrukt dat er dringend behoefte is aan een kader dat, met het oog op de bevordering van innovatie op het gebied van gegevens en nieuwe bedrijfsmodellen, effectief de uitdagingen van de op data gebaseerde en de algoritme-economie aanpakt; benadrukt in het bijzonder dat meerdere digitale platforms die toegang hebben tot en controle hebben over steeds meer gegevens kunnen zorgen voor schaalvoordelen en aanzienlijke externe effecten op netwerken, en kunnen leiden tot marktfalen als gevolg van buitensporige concentratie en winstbejag uit een dominante marktpositie; is in dit verband ingenomen met de benoeming van speciale adviseurs van de commissaris die zich zullen bezighouden met de toekomstige uitdagingen van de digitalisering voor het mededingingsbeleid, en ziet hun bevindingen en aanbevelingen voor actie met belangstelling tegemoet; benadrukt de noodzaak van een gemeenschappelijke EU-brede aanpak op dit gebied;

11.  benadrukt dat gebruikers zich vaak niet bewust zijn van de mate waarin hun gegevens worden gebruikt en doorgegeven aan derden voor marketing- of commerciële doeleinden; verzoekt de Commissie overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Richtlijn 2002/58/EG (de e-privacyrichtlijn) ervoor te zorgen dat digitale bedrijven persoonsgegevens alleen exploiteren nadat de betrokken abonnee of gebruiker hiertoe uitdrukkelijk toestemming heeft verleend, en dat zonder deze toestemming gegevens niet kunnen worden doorgegeven aan derden waarmee het bedrijf of het platform een overeenkomst heeft; is bijgevolg van mening dat digitale markten vanuit een multidisciplinair oogpunt moeten worden beoordeeld, omdat gedrag dat de mededinging vervalst kan leiden tot inbreuken op andere rechtsgebieden zoals gegevensbescherming of consumentenrecht; benadrukt dat een passende handhavingsrespons vereist dat verschillende mededingingsautoriteiten met elkaar samenwerken, met name mededingings-, consumentenbeschermings- en gegevensbeschermingsautoriteiten, zoals de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming heeft voorgesteld in zijn initiatief voor een clearing house(4);

12.  verzoekt de Commissie een hoorzitting te organiseren met technologiebedrijven en daarvoor de ceo's van Google, Facebook en Apple uit te nodigen om met name te bespreken hoe persoonsgegevens van consumenten worden geoogst en gebruikt door derde landen; is bezorgd over het feit dat gebruikers, regelgevers en soms zelfs ook app-ontwikkelaars en adverteerders zich niet bewust zijn van de omvang van de gegevensstromen van smartphones naar digitalereclamebedrijven en andere derden; wijst erop dat door derden via apps op smartphones verzamelde gegevens van alles kunnen omvatten, van profielinformatie, zoals leeftijd en geslacht, tot locatie-informatie, zoals gegevens over nabijgelegen zendmasten of wifirouters, alsook informatie over alle andere apps op de telefoon; is van mening dat de EU burgers moet informeren over de problemen met monopolievorming en marktconcentratie rond deze gegevensverzamelende bedrijven;

13.  verzoekt de Commissie in dit verband het controleren van de data die nodig zijn voor het ontwikkelen en leveren van diensten ook bij het formuleren van richtsnoeren met betrekking tot artikel 102 VWEU als het uitoefenen van marktmacht te kwalificeren én interoperabiliteit te verlangen tussen onlineplatforms en aanbieders van sociale netwerken; wijst eveneens op de ontwikkeling van zelflerende algoritmen en kunstmatige intelligentie, vooral wanneer bedrijven deze van derden betrekken, en de gevolgen daarvan voor de aard van kartelactiviteiten; verzoekt de Commissie in haar volgende jaarverslag over het mededingingsbeleid gedetailleerde informatie over deze kwesties te verstrekken;

14.  wijst op het belang van goed werkende Uniemechanismen voor collectief verhaal, die moeten waarborgen dat consumenten die nadeel ondervinden van praktijken die de mededinging schaden een passende vergoeding ontvangen;

15.  acht het noodzakelijk dat het recht van grensoverschrijdende portabiliteit op een zodanige wijze wordt gewaarborgd dat de bestaande grenzen aan dit recht niet de vaste contouren van rechtmatige marktpraktijken worden; benadrukt dat het belangrijk is om een eind te maken aan het ongerechtvaardigd gebruik en misbruik van obstakels die worden opgeworpen om vermeende geografische redenen, waarvoor als grond vaak ten onrechte intellectuele-eigendomsrechten worden aangevoerd;

16.  is van oordeel dat de jurisdictionele drempels voor het starten van een EU-onderzoek naar een concentratie, die op de omzet van het overnemende en het over te nemen bedrijf stoelen, niet altijd geschikt zijn voor de digitale economie, waar "waarde" vaak – voor advertentiedoeleinden – wordt uitgedrukt in het aantal bezoekers van een website; stelt voor deze drempels te herzien en aan te passen aan factoren zoals het aantal consumenten dat met de gevolgen van een concentratie wordt geconfronteerd en de waarde van de hieraan gerelateerde transacties;

17.  benadrukt dat de belemmeringen voor de toegang tot sommige gebieden van de digitale economie steeds onoverkomelijker worden, omdat naarmate oneerlijke gedragingen langer aanhouden het steeds moeilijker wordt om iets te doen aan de nadelige gevolgen ervan voor de mededinging; is van oordeel dat tussentijdse maatregelen een nuttig instrument kunnen zijn om te waarborgen dat de mededinging niet wordt geschaad terwijl een onderzoek loopt; is in dit verband van oordeel dat de Commissie doeltreffend gebruik moet maken van tussentijdse maatregelen, én een correcte rechtsbedeling en de rechten van ondernemingen waartegen een onderzoek loopt, moet waarborgen; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om te analyseren of de vaststelling van tussentijdse maatregelen binnen twee jaar na de datum van omzetting van de ECN+-richtlijn kan worden vereenvoudigd; beveelt de Commissie in dit verband aan om lessen te trekken uit goede praktijken in andere rechtsgebieden;

18.  dringt er bij de Commissie op aan ambitieuzere stappen te ondernemen om illegale belemmeringen voor online mededinging uit de weg te ruimen om ervoor te zorgen dat online winkelen binnen de EU onbelemmerd kan worden aangeboden, de prijsplafonds in sectoren zoals onlineplatforms voor huisvesting en toerisme te monitoren en ervoor te zorgen dat consumenten over grensoverschrijdende toegang beschikken tot een breed scala aan online goederen en diensten tegen concurrerende prijzen; verzoekt de Commissie een sectoronderzoek naar de adverteerdersmarkt uit te voeren om een beter inzicht te krijgen in de dynamiek van de onlineadvertentiemarkt en vast te stellen welke mededingingsvervalsende praktijken door de mededingingsrechtshandhavingsautoriteiten moeten worden aangepakt, zoals sommige nationale mededingingsautoriteiten reeds doen;

19.  benadrukt dat de digitalisering van de moderne economie leidt tot veranderingen in de traditionele economische logica; benadrukt daarom dat alle belastingstelsels er moeten van uitgaan dat digitalisering het nieuwe normaal is voor alle onderdelen van onze economie; wijst op het voorstel van de Commissie om regels vast te stellen voor de belastingheffing op de digitale economie; benadrukt dat digitale belastingheffing de asymmetrie tussen de traditionele economie en nieuwe digitale economische praktijken moet aanpakken en moet voorkomen dat digitalisering en innovatie worden gehinderd of dat er in de economie kunstmatige grenzen worden gecreëerd; benadrukt dat het belangrijk is internationale oplossingen en gemeenschappelijke benaderingen te vinden voor belastingheffing in de digitale economie; verzoekt de Commissie zich in internationale fora, en met name de OESO, te blijven inzetten om hierover overeenstemming te bereiken;

20.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor de belasting van digitale diensten als een cruciale maatregel om de digitale sector een billijk aandeel aan belasting te laten betalen totdat er een permanente oplossing is die ervoor zorgt dat winsten worden belast waar de waarde wordt gecreëerd;

21.  herhaalt dat mededinging in de telecommunicatiesector van essentieel belang is voor innovatie en investeringen in netwerken, en dat het betaalbaar houden van prijzen en de mogelijkheid voor de consument om een keuze te maken uit meerdere diensten moeten worden aangemoedigd; is van mening dat bellen binnen de EU nog steeds zware lasten voor bedrijven en klanten met zich brengt en dat de maatregelen voor het afschaffen van de roamingkosten voor consumenten in de EU niet volstaan om de interne markt verder te verdiepen; erkent dat er stimulansen moeten worden gecreëerd om bellen binnen de EU in overeenstemming te brengen met lokaal telefoneren door investeringen in een volledig Europees of gedeeld netwerk te vergemakkelijken; is van mening dat het beleid efficiënte investeringen in nieuwe netwerken moet bevorderen, rekening moet houden met de impact op consumenten, en op die manier ook nieuwe digitale scheidslijnen tussen huishoudens met een hoog inkomen en huishoudens met een laag inkomen moet voorkomen; verzoekt de Commissie de introductie van breedband te stimuleren door een hoog niveau van mededinging en connectiviteit in de EU te bevorderen en te zorgen voor een snelle uitrol van 5G in de hele Unie teneinde het mondiale concurrentievermogen van de Unie te waarborgen en investeringen aan te trekken; vindt het bij de uitvoering van deze opdracht belangrijk dat in het mededingingsbeleid rekening wordt gehouden met de specifieke aspecten van de aanleg van breedband in plattelandsgebieden, zodat in dit geval het hogere belang prevaleert, namelijk omkering van de trend van toenemende ongelijkheid bij de toegang tot beschikbare technologieën tussen plattelands- en stedelijke gebieden;

22.  is van mening dat gebruikers geen commissielonen horen te betalen voor giro-/zichtrekeningen en spaarrekeningen tenzij daar specifieke diensten aan verbonden zijn;

23.  is ingenomen met het antitrustbesluit van de Commissie om Google een boete van 4,34 miljard EUR op te leggen wegens illegale praktijken met mobiele apparaten die op Android draaien die tot doel hebben de dominantie van haar zoekmachine te versterken; verzoekt de Commissie de mededingingszaak tegen Google Shopping, die acht jaar geleden, in november 2010, is ingeleid, in 2019 af te ronden; herinnert de Commissie eraan om het onderzoek naar de behandeling door Google van de zoekresultaten van andere gespecialiseerde zoekdiensten, met inbegrip van de problemen in verband met lokale zoekopdrachten waar Yelp in haar recente klacht gewag van heeft gemaakt, te voltooien; beveelt het directoraat-generaal Concurrentie aan na te denken over de lange duur van mededingingszaken en over de beste manier om daar iets aan te doen; vraagt de Commissie met name in overweging te nemen of er geen tijdslimieten kunnen worden vastgesteld voor mededingingszaken, zoals in concentratiezaken;

24.  herhaalt dat de Commissie ook de volledige, structurele ontvlechting van digitale technologiemonopolies moet overwegen als mogelijke oplossing voor het herstel van de mededinging en de totstandbrenging van gelijke voorwaarden binnen de Europese digitale markt;

25.  wijst erop dat de doeltreffendheid van de mededingingsrechtshandhaving afhankelijk is van het juiste ontwerp en het testen van rechtsmiddelen; benadrukt dat verhaalmogelijkheden voor consumenten belangrijk zijn voor het herstel van het concurrentievermogen in een markt, door consumenten te helpen geïnformeerde besluiten te nemen en "status-quo biases" tegen te gaan; is van mening dat de Commissie bij het vaststellen van corrigerende gedragsmaatregelen gebruik moet maken van gedragseconomie als ondersteunende discipline, zoals sommige nationale mededingingsautoriteiten de afgelopen jaren reeds hebben gedaan;

26.  merkt op dat de voorzitter van de Commissie heeft toegezegd met voorstellen te komen om de fiscale samenwerking tussen de lidstaten te verbeteren door de invoering van een verplichting om te antwoorden op groepsverzoeken met betrekking tot belastingaangelegenheden, zodat een lidstaat alle nodige informatie aan de andere lidstaten kan verstrekken om grensoverschrijdende belastingontduikers te vervolgen, en met voorstellen voor belastinghervorming uit hoofde van artikel 116 VWEU (medebeslissing tussen de Raad en het Parlement) om een einde te maken aan verstoring van de mededingingsvoorwaarden op de interne markt;

27.  erkent dat de Commissie heeft geconcludeerd dat Luxemburg onterecht belastingvoordelen had verleend aan Engie ter waarde van ongeveer 120 miljoen EUR, en dat de terugvorderingsprocedure nog steeds loopt; betreurt dat de regering van Luxemburg heeft besloten beroep in te stellen tegen het besluit van de Commissie;

28.  neemt kennis van het besluit van de commissaris voor Mededinging, Margrethe Vestager, in het onderzoek naar staatssteun aan McDonald's, waarin wordt verklaard dat de niet-belasting van bepaalde winsten van McDonald's in Luxemburg geen onrechtmatige staatssteun vormt; is de mening toegedaan dat de huidige EU-wetgeving niet geschikt is om dubbele niet-belasting op doeltreffende wijze te bestrijden en een eind te maken aan de race naar de bodem op het gebied van de tarieven van de vennootschapsbelasting;

29.  stelt vast dat de Commissie in twee recente zaken, in weerwil van de conclusie van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) dat afwikkeling niet kon worden gerechtvaardigd op grond van het algemeen belang, toch staatssteun heeft goedgekeurd met het argument dat het economische problemen op regionaal niveau zou helpen opvangen, waarmee dus sprake was van twee divergerende interpretaties van het concept algemeen belang; verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de discrepanties tussen de regels inzake staatssteun op het gebied van liquidatiesteun enerzijds en de afwikkelingsregeling als bedoeld in de richtlijn herstel en afwikkeling van banken (BRRD) anderzijds, en vervolgens haar bankenmededeling van 2013 dienovereenkomstig te herzien;

30.  stelt vast dat in een aantal studies(5) bewijs is geleverd voor de verborgen sociale kosten en de verminderde productconcurrentie als gevolg van een hoger niveau van horizontale concentratie van eigendom; verzoekt de Commissie bijgevolg te overwegen om de concentratieverordening dienovereenkomstig te herzien en richtsnoeren te verstrekken voor het gebruik van de artikelen 101 en 102 VWEU in dergelijke gevallen;

31.  benadrukt dat de tijdelijke staatssteun in de financiële sector bij gebrek aan afwikkelingsinstrumenten noodzakelijk kon zijn voor de stabilisatie van het mondiale financiële systeem, maar nu moet worden onderworpen aan een toetsing en moet worden stopgezet; betreurt dat deze toetsing ontoereikend is; herhaalt daarom zijn verzoek aan de Commissie te onderzoeken of banken sinds het begin van de crisis impliciete subsidies en staatssteun hebben ontvangen in de vorm van liquiditeitssteun van de centrale banken; wijst nog eens op de toezegging van commissaris Vestager – gedaan tijdens de gestructureerde dialoog met de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement in november 2017 – om een onderzoek in te stellen naar mogelijke verstoringen van de mededinging die het gevolg zijn van het aankoopprogramma voor de bedrijfssector van de ECB, en een inhoudelijk antwoord te geven; benadrukt in dit verband dat de notie van selectiviteit bij staatssteun een essentieel criterium is dat grondig moet worden onderzocht, en wijst verder op artikel 4, lid 3, VEU, waarin het zogeheten loyaliteitsbeginsel is opgenomen;

32.  is van mening dat het een prioriteit is om ervoor te zorgen dat bij het opvangen van toekomstige bankencrises de regels inzake staatssteun strikt en onpartijdig worden nageleefd, zodat belastingbetalers worden beschermd tegen de last van het redden van banken;

33.  is ingenomen met de invoering door de Commissie van een nieuw anoniem instrument voor klokkenluiders, waarmee kartels en andere mededingingsvervalsende praktijken aan het licht kunnen worden gebracht, zodat ze gemakkelijker kunnen worden opgespoord en vervolgd; neemt kennis van de positieve cijfers over de eerste maanden van gebruik van dit instrument;

34.  toont zich bezorgd dat de toenemende concentratie in de financiële sector de mededinging binnen de sector kan verminderen, en maakt zich tevens zorgen over het ontbreken van een echte interne bankenmarkt als gevolg van de aanhoudende fragmentatie in nationale markten;

35.  benadrukt dat Europa een sterk geharmoniseerd kader voor de rapportage door en belasting van multinationale ondernemingen nodig heeft, met inbegrip van openbare rapportage per land op basis van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB); herinnert eraan dat dit niet alleen een kostenvermindering voor zowel bedrijven als de belastingdiensten van de lidstaten zal opleveren, maar ook het probleem van de verrekenprijzen zal oplossen en zal leiden tot eerlijkere mededinging binnen de eengemaakte markt;

36.  verzoekt de Commissie om schadelijke belastingmaatregelen in de lidstaten te blijven evalueren in het kader van het Europees Semester en om verstoringen van de mededinging en de overloopeffecten daarvan naar andere rechtsgebieden volledig te beoordelen;

37.  verzoekt de Commissie haar inspanningen op het gebied van onderzoek naar misbruik van dominante marktposities ten nadele van consumenten in de EU voort te zetten en zelfs op te voeren; verzoekt de Commissie tegelijkertijd om bestaande overheidsmonopolies en de wettigheid van de concessies strikt te monitoren teneinde te voorkomen dat de mededinging op buitensporige wijze wordt vervalst;

38.  benadrukt dat staatssteun de werking van de interne markt kan verstoren; herinnert aan de strikte voorwaarden voor de toepassing van artikel 107, lid 3, onder b) VWEU; merkt op dat de meeste besluiten in mededingings- en staatssteunzaken worden genomen op nationaal niveau; is daarom van mening dat de Commissie deze besluiten moet monitoren en moet zorgen voor consistente beleidsmaatregelen binnen de interne markt; verzoekt de Commissie een stappenplan voor betere gerichte staatssteun op te stellen; is ingenomen met de voortdurende inspanningen van de Commissie om de verschillende aspecten van de definitie van staatssteun te verduidelijken, zoals blijkt uit haar mededeling betreffende het begrip "staatssteun" in de zin van artikel 107, lid 1 VWEU; wijst met name op de inspanningen om de begrippen "onderneming" en "economische activiteit" te verduidelijken; stelt echter vast dat het moeilijk blijft om een onderscheid te maken tussen economische en niet-economische activiteiten; wijst er verder op dat het de taak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is om de juiste interpretatie van het Verdrag te garanderen; verzoekt de Commissie om bij het toepassen van de EU-staatssteunregels bijzondere aandacht te blijven besteden aan de levering van diensten van algemeen economisch belang (DAEB), zoals energie, vervoer en telecommunicatie, met name in het kader van staatssteun voor geïsoleerde, afgelegen of perifere regio's in de Unie; benadrukt dat het doel van staatssteun ter bevordering van diensten van algemeen belang moet zijn dat consumenten en burgers ervan profiteren, en niet dat gevestigde belangen worden versterkt;

39.  benadrukt dat, gezien de unanimiteitsdrempel in de Raad, belastingheffing hoofdzakelijk een nationale bevoegdheid blijft en dat de beleidskeuzes bijgevolg afhangen van de politieke visie en opvattingen van de respectieve nationale regeringen en parlementen; merkt evenwel op dat het belastinginstrument kan worden gebruikt om impliciete staatssteun aan bedrijven te verlenen, waardoor ongelijke voorwaarden op de interne markt kunnen ontstaan; benadrukt bijgevolg dat moet worden gewaarborgd dat het nationale belastingbeleid de eerlijke mededinging niet verstoort en dat het belasting- en mededingingsbeleid consequent worden toegepast in de interne markt; is verheugd over het feit dat de taskforce inzake staatssteun in de vorm van belastingmaatregelen een permanent orgaan is geworden; dringt erop aan dat de taskforce kan beschikken over voldoende personele middelen en onderzoeksinstrumenten; vraagt om een duidelijk overzicht van de stand van zaken in het onderzoek naar dergelijke kwesties, met inbegrip van het aantal lopende onderzoeken;

benadrukt dat op de interne markt nieuwkomers en bedrijven, met inbegrip van kmo's, die geen gebruikmaken van agressieve belastingpraktijken, worden bestraft; juicht het toe dat de Commissie grondige onderzoeken instelt naar concurrentieverstorende praktijken zoals selectieve belastingvoordelen en systemen voor rulings inzake "overwinst" (excess profit rulings); is met name ingenomen met de richtsnoeren inzake fiscale rulings in de mededeling van de Commissie betreffende het begrip "staatssteun"; verzoekt de lidstaten om een eind te maken aan oneerlijke mededingingspraktijken tussen lidstaten op basis van ongerechtvaardigde fiscale stimulansen; verzoekt de Raad het voorstel betreffende de CCCTB goed te keuren; betreurt het feit dat, op grond van de EU-staatssteunregels, onbetaalde belastingen die worden teruggevorderd van begunstigden van onrechtmatige belastingsteun, worden terugbetaald aan het land dat de steun heeft toegekend; verzoekt de Commissie een oplossing voor dit probleem uit te werken;

benadrukt dat in de komende onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk ook de eerbiediging van eerlijke concurrentie aan de orde moet komen en moet worden gewaarborgd dat het Verenigd Koninkrijk geen cadeaus in de vorm van staatssteun kan uitdelen;

40.  wijst op de verregaande concentratie in de voedselvoorzieningsketen, waarbij een paar ondernemingen een oligopolie op de wereldmarkt voor zaden en pesticiden vormen, ten nadele van zowel consumenten en landbouwers als het milieu en de biodiversiteit; geeft aan dat een dergelijke structuur de landbouwers technologisch en economisch nog afhankelijker zal maken van een handvol mondiaal geïntegreerde "one-stop-shop"-platforms, tot een beperkte zaadgoeddiversiteit zal leiden, in innovatietrends zal resulteren die minder oog hebben voor het milieu en de biodiversiteit, en, uiteindelijk, ten gevolge van een gereduceerde mededinging, de innovatie en de kwaliteit van eindproducten negatief zal beïnvloeden; verzoekt de Commissie, gezien de daling van de agrarische inkomens, in het bijzonder die van kleine landbouwers, om haar optreden te richten op het mogelijk maken van waardige inkomens voor landbouwers, met name op kleine en middelgrote bedrijven;

41.  acht een meer uitputtende controle door de Commissie van het gebruik van patenten in de landbouw noodzakelijk; benadrukt dat het misbruik van patenten landbouwers productie-eisen oplegt die hun marktkansen verkleinen, de biologische diversiteit van gewassen verarmen, de mededinging vervalsen en innovatie tegenhouden; merkt op dat het hier gaat om praktijken die bevorderlijk zijn voor de groei van een agro-industrieel model dat een bepalende rol speelt in de overgang naar een biologisch en ecologisch duurzame landbouw;

42.  verwelkomt initiatieven zoals het "slimme dorpen"-kader, dat aanzet tot grotere wendbaarheid, beter gebruik van middelen en actievere deelname aan de mededinging in de eengemaakte markt, alsook tot een grotere aantrekkelijkheid van dorpen en een betere levenskwaliteit van de inwoners;

43.  erkent het potentieel van blockchaintechnologie voor financiële diensten; waarschuwt echter dat het gebruik van deze technologie om financiële middelen te werven moet worden gereguleerd om buitensporige dumping ten aanzien van gereglementeerde financiële markten, risico's voor beleggers en het risico van witwassen te vermijden; verzoekt de Commissie in dit verband een regelgevingskader voor initial coin offerings (ICO's) voor te stellen;

44.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de recente goedkeuring door de Commissie van de fusie tussen Bayer en Monsanto en over haar erkenning dat zij in haar besluiten geen rekening heeft gehouden met een aantal in het VWEU vervatte doelen, zoals voedselveiligheid, consumentenbescherming en milieu- en klimaatbescherming;

45.  is van mening dat het belangrijk is om maatregelen te nemen tegen ondernemingen die actief zijn in de fase van het in de handel brengen en de distributie van producten in de agrarische keten, en die de landbouwmarkten verstoren, met nadelige gevolgen voor de inkomens van landbouwers en de prijzen voor de consumenten;

46.  is ingenomen met de benadering van de Commissie om zich bij de beoordeling van horizontale fusies steeds meer te richten op mededinging op het gebied van innovatie, met name bij fusies van O&O-intensieve markten, en merkt op dat fusies moeten worden beoordeeld vanuit het perspectief van de gehele interne markt; verzoekt de Commissie bovendien de EU-verordening inzake concentraties te evalueren en te analyseren in hoeverre daarin de bevoegdheid moet worden opgenomen om, net als op dit moment al mogelijk is in een aantal lidstaten, maatregelen vast te stellen voor het beschermen van de Europese openbare orde en de rechten en beginselen als verankerd in het VWEU en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, inclusief de milieubescherming;

47.  herhaalt de voorlopige conclusie van de Commissie dat Google misbruik heeft gemaakt van haar marktdominantie als zoekmachine door haar eigen producten een onrechtmatig voordeel te verschaffen; benadrukt dat een totale structurele scheiding tussen de algemene en de gespecialiseerde zoekdiensten van Google noodzakelijk is om een eind te maken aan dit misbruik;

48.  merkt op dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn uitleg van artikel 101 VWEU rekening houdt met de verschillende doelen van de Verdragen; benadrukt echter dat de enge interpretatie van artikel 101 VWEU in de horizontale richtsnoeren van de Commissie in toenemende mate wordt beschouwd als een belemmering voor de samenwerking van kleinere marktspelers met het oog op de vaststelling van strengere milieu- en sociale normen; is van mening dat de Commissie rechtszekerheid moet scheppen met betrekking tot de voorwaarden waaronder collectieve regelingen van producentenorganisaties, met inbegrip van coöperaties, hun verenigingen en brancheorganisaties die in de hele voedselvoorzieningsketen worden opgericht met het oog op duurzaamheid en billijke arbeidsnormen, worden beoordeeld in het kader van het mededingingsrecht, en dat zij dergelijke initiatieven in het kader van het mededingingsbeleid moet aanmoedigen; benadrukt dat een dergelijke benadering de productie van lager geprijsde goederen niet mag verhinderen, met name in sectoren waar consumenten prijsgevoeliger zijn; benadrukt tevens het belang van het evenredigheidsbeginsel, in de zin dat beperking van de mededinging niet verder mag gaan dan nodig is om het algemeen belang te beschermen;

49.  wijst op de gezamenlijk overeengekomen doelen en doelstellingen van de energie-unie en specifiek op de dimensie zekerheid, koolstofvrij maken van de economie, solidariteit en vertrouwen; benadrukt dat het belangrijk is te waarborgen dat de Europese energiemarkten steunen op de rechtsstaat, mededinging, diversiteit van energiebronnen en -leveranciers, voorspelbaarheid en transparantie, en dat moet worden voorkomen dat marktdeelnemers, ongeacht of ze zijn gevestigd in de Unie of in een derde land, een dominante positie kunnen ontwikkelen ten nadele van concurrenten en consumenten; dringt in dit verband aan op beter toezicht op, en waar nodig het opleggen van maatregelen en verplichtingen aan dergelijke marktdeelnemers; merkt met name op dat de strategie van bepaalde energiebedrijven om de EU-gasmarkt te verdelen en het via uitbreiding mogelijk te maken de antitrustregels van de EU te overtreden, naar behoren moet worden aangepakt; onderkent verder dat de wettelijk bindende toezeggingen die door de lidstaten in het kader van de Klimaatovereenkomst van Parijs zijn gedaan, niet kunnen worden verwezenlijkt zonder concrete overheidsmaatregelen voor het bevorderen, mogelijk maken en creëren van stimulansen van de productie en het gebruik van hernieuwbare energie; neemt kennis van de geplande herziening van de richtsnoeren inzake staatssteun en energie, die voortaan ook van toepassing zullen zijn op twee sectoren die het meest van overheidssubsidies profiteren, namelijk kernenergie en fossielebrandstofextractie, en die zal zorgen voor meer flexibiliteit voor door consumenten zelf gegenereerde hernieuwbare energie; wijst op het belang van de voltooiing van de energie-unie via de integratie van markten, met name door waar nodig te investeren in interconnectoren op basis van marktvoorwaarden en commercieel potentieel en door de verhandelbare capaciteit in bestaande interconnectoren te vergroten; benadrukt daarom dat elke goedkeuring van staatssteun voor capaciteitsmechanismen onderworpen moet worden aan een strikte noodzakelijkheidstoets, waaronder een onderzoek van alternatieve maatregelen, met name een efficiënter gebruik van bestaande interconnectoren; benadrukt dat capaciteitsmechanismen vaak aanzienlijke kosten voor de consument met zich brengen en als "verborgen subsidie" fungeren, waardoor niet-rendabele en vervuilende elektriciteitscentrales worden ondersteund, wat het noodzakelijk maakt om ervoor te zorgen dat deze regelingen niet openstaan voor de meest vervuilende middelen bij de goedkeuring van staatssteun die aan hen wordt verleend;

50.  benadrukt dat er meer transparantie vereist is bij het gebruik van publiek-private partnerschappen teneinde te voorkomen dat deze door partners in de private sector worden gebruikt om voordelen ten opzichte van hun concurrenten te verkrijgen;

51.  is ingenomen met het onderzoek door de Commissie naar prijszettingspraktijken voor levensreddende geneesmiddelen, met name in de zaak Aspen;

52.  benadrukt dat het belangrijk is om alle luchtvaartmaatschappijen dezelfde rechten toe te kennen wanneer zij van en naar de EU vliegen; erkent dat dit niet altijd het geval is voor luchtvaartmaatschappijen die buiten de EU actief zijn, die vaak te maken krijgen met oneerlijke praktijken die de mededinging negatief beïnvloeden; verzoekt de Commissie om mededingingsvervalsende praktijken die ook de consumentenbeschermingswetgeving ondermijnen aan te pakken; benadrukt eens te meer dat het belangrijk is te zorgen voor eerlijke concurrentie tussen EU-luchtvaartmaatschappijen en luchtvaartmaatschappijen van derde landen;

53.  benadrukt het belang van een concurrerende vervoerssector; merkt op dat binnen de interne vervoersmarkt de spoorwegsector als gevolg van de fragmentering nog achterblijft; is ingenomen met de stappen die de Commissie heeft gezet om de interne markt voor passagiersvervoer over de weg te voltooien en de werking ervan te verbeteren;

54.  herhaalt dat nieuwe infrastructuurprojecten, met inbegrip van projecten die een lidstaat met een derde land verbinden, onderworpen moeten zijn aan de Europese wetgeving, met name de voorschriften inzake ontvlechting en marktprijsvorming;

55.  benadrukt het belang van en de behoefte aan voldoende financiële en personele middelen bij het directoraat-generaal Mededinging van de Commissie en bij de nationale bevoegde instanties, alsook aan de IT- en digitale expertise die nodig is om de uitdagingen van een op data en algoritmen gebaseerde economie aan te pakken; steunt in dit verband het voorstel om het internemarktprogramma in het kader van het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 uit te breiden met een mededingingsonderdeel;

56.  benadrukt dat de Commissie in haar mededingingsbeleid de interne markt als één markt moet beschouwen, en niet als een aantal onafhankelijke lokale of nationale markten;

57.  benadrukt dat internationale samenwerking onontbeerlijk is voor een doeltreffende handhaving van de beginselen van het mededingingsrecht en voor het voorkomen van tegenstrijdigheden in corrigerende maatregelen en resultaten van handhavingsacties; is in dit opzicht van mening dat mededingingsregels en -praktijken wereldwijd het best kunnen worden verbeterd door middel van eerlijke en transparante besprekingen; is voorstander van een actieve participatie van de Commissie en van nationale en, indien van toepassing, regionale mededingingsautoriteiten in het Internationaal Mededingingsnetwerk;

58.  is ingenomen met de ECN+-richtlijn, die de doeltreffendheid en consistentie van de Uniebrede toepassing van het EU-mededingingsrecht aanzienlijk zal vergroten door ervoor te zorgen dat de nationale mededingingsautoriteiten kunnen beschikken over de benodigde instrumenten, middelen en waarborgen voor hun onafhankelijkheid, met inbegrip van een transparante procedure voor de selectie of benoeming van bestuurders, om afschrikwekkende boetes wegens inbreuken op de mededinging op te leggen; waardeert de vroegtijdige bijstand die de Commissie aan de lidstaten verleent bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn;

59.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat elke toekomstige handelsovereenkomst gelijke voorwaarden waarborgt, met name op het gebied van mededinging en staatssteun; benadrukt dat overheidssteun enkel mag worden toegestaan in bij wijze van uitzondering gerechtvaardigde, juridisch reguleerde gevallen, zodat de concurrentie op de markt niet wordt verstoord, waarbij wordt voorzien in uitzonderingen en rechtvaardigingen die samenhangen met het behalen van de klimaatdoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; herinnert eraan dat "nu bedrijven wereldwijd actief zijn, ook het mededingingstoezicht die stap [moet] zetten", niet in de laatste plaats omdat de verspreiding van informatie- en communicatietechnologieën (ICT's) en de opkomst van de digitale economie hebben geleid tot buitensporige markt- en machtsconcentratie in sommige sectoren; is van mening dat mondiale mededingingsregels en optimale coördinatie tussen mededingingsautoriteiten, met inbegrip van de uitwisseling van informatie in het kader van lopende mededingingsprocedures, een absolute voorwaarde zijn voor de ontwikkeling van eerlijke wereldhandel;

60.  herinnert eraan dat internationale handels- en investeringsovereenkomsten een specifiek en sterk mededingingshoofdstuk moeten bevatten;

61.  verzoekt de Commissie de inspanningen op te voeren met het oog op een ambitieuze openstelling van de internationale markten voor overheidsopdrachten en een betere toegang voor Europese ondernemingen tot publiek-private partnerschappen in derde landen; acht het noodzakelijk dat de asymmetrie die er heerst in verband met de toegang tot overheidsopdrachten tussen de Unie en derde landen, meer bepaald de VS en China, wordt beperkt; roept alle handelspartners van de EU ertoe op om Europese bedrijven en werknemers op niet-discriminerende wijze toegang tot hun markten voor overheidsopdrachten te verlenen; is verheugd dat de besprekingen over het instrument voor internationale overheidsopdrachten opnieuw van start zijn gegaan, omdat met dit instrument wordt gezorgd voor de noodzakelijke wederkerigheid in gevallen waarin handelspartners de toegang tot hun markten voor overheidsopdrachten beperken, en verzoekt de Europese Raad om het snel aan te nemen; steunt de inspanningen van de Commissie om de markten voor overheidsopdrachten in derde landen te openen door middel van bilaterale handelspartnerschappen; herinnert eraan dat ondernemingen die niet onder marktvoorwaarden opereren en gedreven worden door geopolitieke overwegingen vrijwel elke concurrent kunnen verslaan in een Europese aanbestedingsprocedure; verzoekt de Commissie toezicht te houden op aanbestedingsprocedures en te voorkomen dat Europese ondernemingen en werknemers lijden onder de oneerlijke concurrentie van door de staat georkestreerde ondernemingen;

62.  wijst erop dat de bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, onder meer via het mededingingsbeleid, noodzakelijk is om te zorgen voor een mondiaal gelijk speelveld dat ten goede komt aan werknemers, consumenten en bedrijven, en één van de prioriteiten is van de handelsstrategie van de EU; benadrukt dat in de discussienota over het in goede banen leiden van de mondialisering staat dat de Unie maatregelen moet nemen om gelijke mededingingsvoorwaarden te herstellen; is verheugd dat er in de Economische Partnerschapsovereenkomst met Japan en in de Brede Economische en Handelsovereenkomst met Canada bepalingen over het mededingingsbeleid zijn opgenomen; betreurt echter dat deze bepalingen een beperkte reikwijdte hebben en niet voorzien in een doeltreffende handhaving en geschillenbeslechting; wijst erop hoe belangrijk het is ambitieuze mededingingsbepalingen op te nemen in alle handelsovereenkomsten en de uitvoering ervan af te dwingen, zodat eerlijke regels worden gewaarborgd;

63.  is ingenomen met het voorstel voor het vaststellen van een Europees kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen; beschouwt het als een nuttig instrument om Europese ondernemingen van strategisch belang te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken die de veiligheid en de openbare orde kunnen schaden, en om de eerbiediging van de beginselen van eerlijke mededinging in de EU te waarborgen;

64.  benadrukt het belang van het antisubsidie-instrument om oneerlijke mondiale concurrentie aan te pakken en voorwaarden tot stand te brengen die gelijkwaardig zijn aan de EU-staatssteunregels; betreurt in dit verband dat de Volksrepubliek China in 2017 opnieuw het hoogste aantal nieuw ingestelde handelsbelemmeringen voor Europese ondernemingen en werknemers heeft opgeworpen en betrokken was bij het merendeel van de Europese antisubsidiezaken;

65.  uit zijn bezorgdheid over het douanebeleid van de VS en de invloed ervan op het concurrentievermogen van de Europese ondernemingen; onderstreept dat de maatregelen die de Commissie neemt om het handelsevenwicht met de VS te herstellen doortastend maar ook evenwichtig, evenredig en verenigbaar met de WTO-beginselen moeten zijn;

66.  verzoekt de Commissie meer inspanningen te leveren op het gebied van eerlijke concurrentie op de mondiale markt, onder meer in de strijd tegen de ongerechtvaardigde toepassing van tarifaire belemmeringen en subsidies, door nauwer samen te werken met andere landen, onder meer in het kader van fora als de WTO, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de Conferentie van de Verenigde Naties inzake handel en ontwikkeling (UNCTAD), de G20 en de Wereldbank; herinnert aan de werkzaamheden die tussen 1996 en 2004 in WTO-verband zijn verricht met betrekking tot de interactie tussen handelsbeleid en mededingingsbeleid en betreurt dat dit aspect sindsdien niet langer deel uitmaakt van het WTO-werkprogramma; benadrukt dat bepalingen in WTO-overeenkomsten zoals artikel IX van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (GATS) een grondslag vormen voor verdere samenwerking tussen WTO-leden op het gebied van mededinging; dringt er daarom op aan dat er tijdens de 12e Ministeriële Conferentie van de WTO nieuwe vooruitgang wordt geboekt inzake het garanderen van eerlijke internationale concurrentie;

67.  uit zijn bezorgdheid over het veronderstelde onvermogen van de WTO om niet-markteconomieën en de door subsidies en staatsinmenging veroorzaakte concurrentieverstoringen aan te pakken, maar blijft sterk geloven in de fundamentele rol van de WTO; is verheugd over de tripartiete actie van de VS, Japan en de EU om de WTO dienovereenkomstig te hervormen;

68.  verzoekt de Commissie kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) in de EU beter te ondersteunen, zodat zij hun rechten zowel kunnen beschermen als uitoefenen in het geval van oneerlijke handelspraktijken, meer bepaald bij dumping en het verlenen van subsidies door niet-EU-landen; is zich in dit verband bewust van de inspanningen van de Commissie ter bestrijding van oneerlijke concurrentie in spraakmakende zaken tegen bekende bedrijven, maar benadrukt dat de handhaving van eerlijke concurrentie in het geval van kmo's tevens van wezenlijk belang is;

69.  benadrukt dat een doeltreffende toepassing van de bepalingen inzake duurzame ontwikkeling in handelsovereenkomsten van belang is voor een verbetering van de levensomstandigheden in partnerlanden en voor de bescherming van Europese ondernemingen tegen oneerlijke concurrentie; is ingenomen met de invoering van milieu- en sociale criteria bij de hervorming van antisubsidie- en antidumpingmaatregelen.

70.  merkt op dat het mededingingsbeleid van de EU niet de gewenste resultaten oplevert omdat het weliswaar gericht is op de bescherming van eerlijke mededinging tussen alle spelers op de eengemaakte markt, met bijzondere nadruk op de belangen van de consument, maar er in werkelijkheid als gevolg van de ongelijkheid in de agrovoedingsmiddelenketen een onaanvaardbare druk komt te liggen op de schouders van de landbouwers; is van mening dat de belangen van consumenten en landbouwproducenten op dezelfde voet moeten worden geplaatst;

71.  is van mening dat collectieve organisaties gezien de specifieke aard van landbouwactiviteiten onontbeerlijk zijn om de positie van de primaire producenten in de voedselketen te versterken en om de GLB-doelstellingen zoals omschreven in artikel 39 van het VWEU te kunnen verwezenlijken, en dat de collectieve activiteiten van producentenorganisaties en hun unies – met inbegrip van productieplanning en onderhandelingen over de verkoop en contractbepalingen – daarom als verenigbaar moeten worden beschouwd met artikel 101 van het VWEU; benadrukt dat door landbouwers te groeperen in producentenorganisaties, hun positie in de bevoorradingsketen wordt versterkt;

72.  is van mening dat brancheorganisaties een geslaagd sectoraal bestuursmodel vormen aangezien zij een structuur met eerlijke vertegenwoordiging bieden voor en uitwisselingen organiseren tussen alle actoren uit eenzelfde sector, en het met name mogelijk maken economische en technische informatie over te dragen, de transparantie van de markt te vergroten en risico's en voordelen beter te spreiden; is van mening dat het GLB andere, goed gestructureerde samenwerkingsmodellen zoals dit model moet bevorderen zodat het eenvoudiger wordt om op Europees niveau brancheorganisaties op te richten;

73.  is van mening dat de vaardigheden van producenten- en brancheorganisaties, als we willen dat de huidige tendens zich voortzet, verder moeten worden versterkt, zodat de onderhandelingspositie van de landbouwers even sterk kan worden gemaakt als die van detailhandelaars in de voedselvoorzieningsketen; is van mening dat de EU-cofinanciering voor de oprichting en de werking van deze organisaties moet worden opgetrokken;

74.  vraagt de Commissie om in geval van crises de toepassing van collectieve instrumenten voor marktbeheer te faciliteren via middelen waarvoor geen overheidsfinanciering nodig is, zoals het uit de handel nemen van producten volgens overeenkomsten tussen de actoren in de voedselketen; merkt op dat dergelijke maatregelen door de brancheorganisaties zelf kunnen worden toegepast;

75.  is van mening dat er oneerlijke concurrentie ontstaat voor Europese producenten wanneer producten uit derde landen die niet beantwoorden aan de sociale normen en de gezondheids- en milieunormen van de EU, de Europese markt binnenkomen; eist bijgevolg dat in het kader van zowel lopende als toekomstige handelsbesprekingen wordt gezorgd voor de bescherming van kwetsbare sectoren en voor de systematische toepassing van de beginselen van wederkerigheid en conformiteit voor wat landbouwproducten betreft; vraagt de Commissie dit aspect op te nemen in de onderhandelingen over de brexit;

76.  benadrukt dat toegang tot de interne markt van de EU afhankelijk moet worden gesteld van de naleving van sanitaire, fytosanitaire en milieunormen; vraagt de Commissie om zich in te zetten voor equivalente maatregelen en controles tussen derde landen en de Europese Unie op het gebied van milieu- en voedselveiligheidsnormen, teneinde voor eerlijke concurrentie te zorgen; merkt op dat de hoogste normen op het gebied van milieu en dierenwelzijn hogere kosten met zich kunnen brengen en dat een verlaging van de normen daardoor kan leiden tot concurrentiebeperkend gedrag; beveelt aan dat de Commissie onderzoekt hoe de reikwijdte van het mededingingsbeleid kan worden vergroot om dergelijke dumping, zowel binnen de eengemaakte markt als bij import op de eengemaakte markt, te voorkomen;

77.  wijst erop dat klimaatrampen, waarvan ook landbouwers het slachtoffer zijn, invloed uitoefenen op de markt en de positie van deze landbouwers in de voedselvoorzieningsketen verzwakken; herhaalt dat in de antidumpingregels van de EU(6), die onder meer van toepassing zijn op de landbouwsector, wordt gesteld dat milieudumping tot oneerlijke concurrentie leidt; vraagt dat er rekening wordt gehouden met de belangen van Europese burgers die een duurzame en milieuvriendelijke maatschappij eisen; vraagt de Commissie daarom om, rekening houdend met de werking van de eengemaakte markt en de voordelen voor de hele samenleving, vrijstellingen van de mededingingsregels toe te staan teneinde horizontale en verticale samenwerking op het gebied van duurzaamheidsinitiatieven te vergemakkelijken;

78.  beklemtoont dat het begrip "eerlijke prijs" niet moet worden opgevat als de laagst mogelijke prijs voor de consument, maar een redelijke prijs moet zijn die een correcte beloning voor elke schakel in de voedselvoorzieningsketen mogelijk maakt; benadrukt dat consumenten niet louter geïnteresseerd zijn in lage prijzen maar ook in andere onderwerpen, zoals onder meer dierenwelzijn, milieuduurzaamheid, plattelandsontwikkeling en initiatieven om het gebruik van antibiotica te verlagen en antimicrobiële resistentie te voorkomen; moedigt de mededingingsautoriteiten van de lidstaten aan rekening te houden met de vraag van de consument naar duurzame voedselproductie, wat inhoudt dat er bij de vaststelling van voedselprijzen meer rekening moet worden gehouden met de waarde van "collectieve goederen"; vraagt in dit opzicht dat er in het Europese mededingingsbeleid niet alleen wordt gekeken naar de kleinste gemene deler van "goedkoop voedsel"; is van mening dat productiekosten terdege in aanmerking moeten worden genomen bij de prijsvorming in contracten tussen detailhandelaars/verwerkers en producenten, om te bewerkstelligen dat de prijzen ten minste de kosten dekken;

79.  is ingenomen met het feit dat in de omnibusverordening een procedure wordt vastgesteld aan de hand waarvan een groep landbouwers de Commissie om een niet-bindend advies kan verzoeken over de verenigbaarheid van een collectieve actie met de algemene uitzondering op de mededingingsregels in artikel 209 van de integrale-GMO-verordening; verzoekt de Commissie evenwel, in het licht van de aanbeveling van de taskforce landbouwmarkten, het toepassingsgebied van de algemene afwijking voor de landbouw en het onderlinge verband daarvan met de afwijkingen in de artikelen 149 en 152 te verduidelijken en zo de uitzondering duidelijker af te bakenen, zodat het toepasbaar en haalbaar is om de toepassing van artikel 101 VWEU waar nodig op te schorten;

80.  herinnert eraan dat het individuele plafond voor de de-minimissteun in de landbouwsector in 2013 werd verdubbeld (van 7 500 EUR tot 15 000 EUR), om het hoofd te kunnen bieden aan het snel toenemende aantal economische, klimaat- en gezondheidsgerelateerde crises; merkt op dat het nationale plafond voor de de-minimissteun in hetzelfde jaar slechts licht werd aangepast (van 0,75 % naar 1 % van de waarde van de nationale landbouwproductie), waardoor de lidstaten minder ruimte hadden om steun te verlenen aan landbouwbedrijven in moeilijkheden; schaart zich dan ook achter het voorstel van de Commissie om de lidstaten en regio's meer flexibiliteit te bieden in het kader van de regels met betrekking tot de-minimissteun in de landbouw;

81.  is ingenomen met de ontwikkelingen die het gevolg zijn van de omnibusverordening, waardoor het gemakkelijker wordt om artikel 222 van de GMO-verordening, dat tijdelijke afwijkingen van het mededingingsrecht toestaat, toe te passen; vraagt de Commissie niettemin om de toepassing van de artikelen 219 en 222 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 te verduidelijken met het oog op de invoering van maatregelen bij verstoringen van de markt en bij ernstige onevenwichtigheden op de markt, aangezien de huidige rechtsonzekerheid rond deze twee artikelen ertoe leidt dat niemand ze toepast uit vrees voor mogelijke niet-naleving van door de mededingingsautoriteiten in de lidstaten vastgestelde regels;

82.  wijst erop dat er ingrijpende horizontale en verticale herstructureringen hebben plaatsgevonden, die tot een nog grotere consolidatie hebben geleid in de sowieso al geconcentreerde sectoren van zaaigoed, agrochemicaliën, meststoffen, dierengenetica en landbouwmachines, en in de verwerkings- en kleinhandelssector; vraagt in deze context en naar aanleiding van de overname van Monsanto door de Bayer-groep, die samen ongeveer 24 % van de wereldwijde pesticidenmarkt en 29 % van de wereldwijde zadenmarkt controleren, dat de Commissie toeziet op de veiligstelling van de belangen van de landbouwers, burgers en het milieu in de EU, door de gevolgen van fusies en overnames van leveranciers van landbouwproductiemiddelen, waaronder ook producenten van gewasbeschermingsmiddelen, aan een uitvoerige en holistische beoordeling te onderwerpen, zodat landbouwers tegen concurrerende prijzen innovatieve producten kunnen kopen die van een betere kwaliteit zijn en minder impact hebben op het milieu; onderstreept dat zulke fusies en overnames nadelig kunnen zijn voor de mededinging met betrekking tot de toegankelijkheid van essentiële producten voor landbouwers; is van mening dat de handelsnormen voor zaaigoed en teeltmateriaal voor kleinschalig gebruik moeten worden versoepeld.

83.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de nationale en indien van toepassing de regionale mededingingsautoriteiten van de lidstaten, en de nationale parlementen van de lidstaten.

(1)

PB C 93 van 24.3.2017, blz. 71.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0187.

(3)

PB C 252 van 18.7.2018, blz. 78.

(4)

"Privacy and competitiveness in the age of big data: The interplay between data protection, competition law and consumer protection in the Digital Economy", voorlopig advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, maart 2014, https://edps.europa.eu/sites/edp/files/publication/14-03-26_competitition_law_big_data_en.pdf

(5)

Common Ownership by Institutional Investors and its Impact on Competition, OESO, 5-6 december 2017.

(6)

COM(2013)0192.


ADVIES van de Commissie internationale handel (11.10.2018)

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het jaarverslag over het mededingingsbeleid

(2018/2102(INI))

Rapporteur voor advies: Adam Szejnfeld

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat elke toekomstige handelsovereenkomst een gelijk speelveld waarborgt, met name op het gebied van mededinging en staatssteun; benadrukt dat overheidssteun enkel mag worden toegestaan in bij wijze van uitzondering gerechtvaardigde, juridisch reguleerde gevallen, zodat de concurrentie op de markt niet wordt verstoord, waarbij wordt voorzien in uitzonderingen en rechtvaardigingen die samenhangen met het behalen van de klimaatdoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; herinnert eraan dat "nu bedrijven wereldwijd actief zijn, ook het mededingingstoezicht die stap [moet] zetten", niet in de laatste plaats omdat de verspreiding van informatie- en communicatietechnologieën (ICT's) en de opkomst van de digitale economie hebben geleid tot buitensporige markt- en machtsconcentratie in sommige sectoren; is van mening dat mondiale mededingingsregels en optimale coördinatie tussen mededingingsautoriteiten, met inbegrip van de uitwisseling van informatie in het kader van lopende mededingingsprocedures, een absolute voorwaarde zijn voor de ontwikkeling van eerlijke wereldhandel;

2.  herinnert eraan dat internationale handels- en investeringsovereenkomsten een specifiek en sterk mededingingshoofdstuk moeten bevatten;

3.  verzoekt de Commissie de inspanningen op te voeren met het oog op een ambitieuze openstelling van de internationale markten voor overheidsopdrachten en een betere toegang voor Europese ondernemingen tot publiek-private partnerschappen in derde landen; acht het noodzakelijk dat de asymmetrie die er heerst in verband met de toegang tot overheidsopdrachten tussen de Unie en derde landen, meer bepaald de VS en China, wordt beperkt; roept alle handelspartners van de EU ertoe op om Europese bedrijven en werknemers op niet-discriminerende wijze toegang tot hun markten voor overheidsopdrachten te verlenen; is verheugd dat de besprekingen over het instrument voor internationale overheidsopdrachten opnieuw van start zijn gegaan, omdat met dit instrument wordt gezorgd voor de noodzakelijke wederkerigheid in gevallen waarin handelspartners de toegang tot hun markten voor overheidsopdrachten beperken, en verzoekt de Europese Raad om het snel aan te nemen; steunt de inspanningen van de Commissie om de markten voor overheidsopdrachten in derde landen te openen door middel van bilaterale handelspartnerschappen; herinnert eraan dat ondernemingen die niet onder marktvoorwaarden opereren en gedreven worden door geopolitieke overwegingen vrijwel elke concurrent kunnen verslaan in een Europese aanbestedingsprocedure; verzoekt de Commissie toezicht te houden op aanbestedingsprocedures en te voorkomen dat Europese ondernemingen en werknemers lijden onder de oneerlijke concurrentie van door de staat georkestreerde ondernemingen;

4.  wijst erop dat de bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, onder meer via het mededingingsbeleid, noodzakelijk is om te zorgen voor een mondiaal gelijk speelveld dat ten goede komt aan werknemers, consumenten en bedrijven, en één van de prioriteiten is van de handelsstrategie van de EU; benadrukt dat in de discussienota over het in goede banen leiden van de mondialisering staat dat de Unie maatregelen moet nemen om gelijke mededingingsvoorwaarden te herstellen; is verheugd dat er in de Economische Partnerschapsovereenkomst met Japan en in de Brede Economische en Handelsovereenkomst met Canada bepalingen over het mededingingsbeleid zijn opgenomen; betreurt echter dat deze bepalingen een beperkte reikwijdte hebben en niet voorzien in een doeltreffende handhaving en geschillenbeslechting; wijst erop hoe belangrijk het is ambitieuze mededingingsbepalingen op te nemen in alle handelsovereenkomsten en de uitvoering ervan af te dwingen, zodat eerlijke regels worden gewaarborgd;

5.  benadrukt het belang van mondiale samenwerking op het gebied van handhaving van de mededingingsregels; spoort de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten ertoe aan een actieve rol te spelen in het International Competition Network;

6.  is ingenomen met het voorstel voor het vaststellen van een Europees kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen; beschouwt het als een nuttig instrument om Europese ondernemingen van strategisch belang te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken die de veiligheid en de openbare orde kunnen schaden, en om de eerbiediging van de beginselen van eerlijke mededinging in de EU te waarborgen;

7.  benadrukt het belang van het antisubsidie-instrument om oneerlijke mondiale concurrentie aan te pakken en voorwaarden tot stand te brengen die gelijkwaardig zijn aan de EU-staatssteunregels; betreurt in dit verband dat de Volksrepubliek China in 2017 opnieuw het hoogste aantal nieuw ingestelde handelsbelemmeringen voor Europese ondernemingen en werknemers heeft opgeworpen en betrokken was bij het merendeel van de Europese antisubsidiezaken;

8.  uit zijn bezorgdheid over het douanebeleid van de VS en de invloed ervan op het concurrentievermogen van de Europese ondernemingen; onderstreept dat de maatregelen die de Commissie neemt om het handelsevenwicht met de VS te herstellen doortastend maar ook evenwichtig, evenredig en verenigbaar met de WTO-beginselen moeten zijn;

9.  verzoekt de Commissie meer inspanningen te leveren op het gebied van eerlijke concurrentie op de mondiale markt, onder meer in de strijd tegen de ongerechtvaardigde toepassing van tarifaire belemmeringen en subsidies, door nauwer samen te werken met andere landen, onder meer in het kader van fora als de WTO, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de Conferentie van de Verenigde Naties inzake handel en ontwikkeling (UNCTAD), de G20 en de Wereldbank; herinnert aan de werkzaamheden die tussen 1996 en 2004 in WTO-verband zijn verricht met betrekking tot de interactie tussen handelsbeleid en mededingingsbeleid en betreurt dat dit aspect sindsdien niet langer deel uitmaakt van het WTO-werkprogramma; benadrukt dat bepalingen in WTO-overeenkomsten zoals artikel IX van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (GATS) een grondslag vormen voor verdere samenwerking tussen WTO-leden op het gebied van mededinging; dringt er daarom op aan dat er tijdens de 12e Ministeriële Conferentie van de WTO nieuwe vooruitgang wordt geboekt inzake het garanderen van eerlijke internationale concurrentie;

10.  uit zijn bezorgdheid over het veronderstelde onvermogen van de WTO om niet-markteconomieën en de door subsidies en staatsinmenging veroorzaakte concurrentieverstoringen aan te pakken, maar blijft sterk geloven in de fundamentele rol van de WTO; is verheugd over de tripartiete actie van de VS, Japan en de EU om de WTO dienovereenkomstig te hervormen;

11.  verzoekt de Commissie kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) in de EU beter te ondersteunen, zodat zij hun rechten zowel kunnen beschermen als uitoefenen in het geval van oneerlijke handelspraktijken, meer bepaald bij dumping en het verlenen van subsidies door niet-EU-landen; is zich in dit verband bewust van de inspanningen van de Commissie ter bestrijding van oneerlijke concurrentie in spraakmakende zaken tegen bekende bedrijven, maar benadrukt dat de handhaving van eerlijke concurrentie in het geval van kmo's tevens van wezenlijk belang is;

12.  benadrukt dat een doeltreffende toepassing van de bepalingen inzake duurzame ontwikkeling in handelsovereenkomsten van belang is voor een verbetering van de levensomstandigheden in partnerlanden en voor de bescherming van Europese ondernemingen tegen oneerlijke concurrentie; is ingenomen met de invoering van milieu- en sociale criteria bij de hervorming van antisubsidie- en antidumpingmaatregelen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

11.10.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

28

5

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laima Liucija Andrikienė, Maria Arena, Tiziana Beghin, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Christofer Fjellner, Eleonora Forenza, Karoline Graswander-Hainz, Christophe Hansen, Heidi Hautala, Yannick Jadot, France Jamet, Elsi Katainen, Jude Kirton-Darling, Danilo Oscar Lancini, Bernd Lange, David Martin, Anne-Marie Mineur, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Tokia Saïfi, Helmut Scholz, Joachim Schuster, Adam Szejnfeld, William (The Earl of) Dartmouth, Jan Zahradil

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Sander Loones, Fernando Ruas, Paul Rübig, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Beatriz Becerra Basterrechea, Czesław Hoc, Stanisław Ożóg, Jozo Radoš, Anders Sellström

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

28

+

ALDE

Beatriz Becerra Basterrechea, Elsi Katainen, Jozo Radoš

ECR

Czesław Hoc, Sander Loones, Stanisław Ożóg, Jan Zahradil

EFDD

William (The Earl of) Dartmouth

PPE

Laima Liucija Andrikienė, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Christofer Fjellner, Christophe Hansen, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Fernando Ruas, Paul Rübig, Tokia Saïfi, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Anders Sellström, Adam Szejnfeld

S&D

Maria Arena, Karoline Graswander-Hainz, Jude Kirton-Darling, Bernd Lange, David Martin, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Joachim Schuster

5

-

EFDD

Tiziana Beghin

ENF

Danilo Oscar Lancini

GUE/NGL

Eleonora Forenza, Anne-Marie Mineur, Helmut Scholz

3

0

ENF

France Jamet

Verts/ALE

Heidi Hautala, Yannick Jadot

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (23.11.2018)

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het jaarverslag over het mededingingsbeleid

(2018/2102(INI))

Rapporteur voor advies: Angélique Delahaye

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de mededingingsregels van de EU zijn uitgewerkt met de productie- en diensteneconomie in het achterhoofd;

B.  overwegende dat in artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat de regels betreffende de mededinging slechts in zoverre op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten van toepassing zijn als door het Parlement en de Raad wordt bepaald, gezien de unieke kenmerken en het belang van de landbouwsector; overwegende dat de Europese Commissie in januari 2016 een deskundigengroep (de taskforce landbouwmarkten) heeft opgericht met het oog op het verbeteren van de positie van landbouwers in de voedselketen; overwegende dat deze taskforce in zijn eindverslag van november 2016 onder andere suggesties deed over hoe de markt transparanter kan worden gemaakt, hoe de contractuele betrekkingen in de keten kunnen worden verbeterd en hoe er juridische mogelijkheden kunnen worden gecreëerd voor de organisatie van collectieve acties van landbouwers; overwegende dat de Europese wetgever, met inachtneming van de natuurlijke en structurele specifieke kenmerken van de landbouwactiviteit, vanaf 1962 altijd heeft verdedigd dat de landbouwsector een bijzonder statuut wordt toegekend met betrekking tot de toepassing van het mededingingsrecht, aangezien dit recht niet op dezelfde wijze kan worden toegepast op de landbouw als op andere economische sectoren;

C.  overwegende dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) in het VWEU en in de rechtspraak van de EU voorrang krijgt op de mededingingsregels;

D.  overwegende dat het doel van het GLB volgens artikel 39 van het VWEU erin bestaat de landbouwgemeenschap en de bevolking in de Europese plattelandsgebieden een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van wie in de landbouw werkzaam is, alsook de markten te stabiliseren en de voorziening veilig te stellen;

E.  overwegende dat het toekomstige GLB evenzo moet streven naar het bevorderen van een slimme, veerkrachtige en gediversifieerde landbouwsector die de voedselzekerheid waarborgt, het intensiveren van milieuzorg en klimaatactie en het bijdragen aan de verwezenlijking van de milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen van de Unie, en het versterken van het sociaaleconomische weefsel van de plattelandsgebieden;

F.  overwegende dat de hervorming van het GLB van 2013, de zogenoemde "omnibus"-herziening, en de voorstellen van de Commissie uit 2018 tot doel hebben de positie van landbouwers in de voedselvoorzieningsketen te versterken;

G.  overwegende dat in de specifieke doelstellingen van de richtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de voedselvoorzieningsketen wordt gestreefd naar het behoud van de stabiliteit van de markt, een verhoging van het inkomen van landbouwproducenten en een verbetering van het concurrentievermogen in de landbouw; overwegende dat het voorstel van de Commissie om oneerlijke handelspraktijken in de b2b-voedselvoorzieningsketen aan te pakken, een essentiële stap vormt om de machtsverhoudingen binnen de keten opnieuw in evenwicht te brengen en de relatie tussen koper en leverancier transparanter te maken, en om een duurzamere en concurrentiekrachtigere voedselvoorzieningsketen tot stand te brengen die landbouwers, consumenten en milieu ten goede komt;

H.  overwegende dat de prijzen van landbouwproductiemiddelen de voorbije decennia gestaag zijn gestegen(1), terwijl de prijzen "af boerderij" die landbouwers voor hun producten ontvangen, stagneren;

I.  overwegende dat de "uitzondering voor de landbouw" aan relevantie heeft gewonnen in het kader van een marktgeoriënteerd GLB en de toenemende mondialisering van de landbouwmarkten, en ook in de toekomst in concrete maatregelen moet worden omgezet bij het uitstippelen en ten uitvoer leggen van beleidslijnen alsook bij het controleren van de naleving daarvan door de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten;

J.  overwegende dat de landbouwcomponent van de verordening tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (de "omnibus"-verordening) een belangrijke stap voorwaarts betekent voor het GLB, omdat hierin uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van een uitzondering op de toepassing van artikel 101 VWEU voor producentenorganisaties;

K.  overwegende dat de prejudiciële vraag die aan het Europees Hof van Justitie is voorgelegd in zaak C-671/15 (de "witlofzaak"), aantoont dat producenten, producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties behoefte hebben aan rechtszekerheid tijdens de uitvoering van hun activiteiten(2), vooral in een sector die gekenmerkt is door een sterk versnipperde aanbodzijde die tegenover een geconcentreerde vraagzijde staat, en die het moeilijk heeft om het aanbod te beheersen en de vraag te voorspellen; overwegende dat het arrest van het Hof van Justitie betreffende de toepassing van de mededingingsregels op producenten en producentenorganisaties van cruciaal belang is voor de verduidelijking van impliciete afwijkingen die verband houden met de taken van de producentenorganisaties;

1.  merkt op dat het mededingingsbeleid van de EU niet de gewenste resultaten oplevert omdat het weliswaar gericht is op de bescherming van eerlijke mededinging tussen alle spelers op de eengemaakte markt, met bijzondere nadruk op de belangen van de consument, maar er in werkelijkheid als gevolg van de ongelijkheid in de agrovoedingsmiddelenketen een onaanvaardbare druk komt te liggen op de schouders van de landbouwers; is van mening dat de belangen van consumenten en landbouwproducenten op dezelfde voet moeten worden geplaatst;

2.  is van mening dat collectieve organisaties gezien de specifieke aard van landbouwactiviteiten onontbeerlijk zijn om de positie van de primaire producenten in de voedselketen te versterken en om de GLB-doelstellingen zoals omschreven in artikel 39 van het VWEU te kunnen verwezenlijken, en dat de collectieve activiteiten van producentenorganisaties en hun unies – met inbegrip van productieplanning en onderhandelingen over de verkoop en contractbepalingen – daarom als verenigbaar moeten worden beschouwd met artikel 101 van dat VWEU; benadrukt dat door landbouwers te groeperen in producentenorganisaties, hun positie in de bevoorradingsketen wordt versterkt;

3.  is van mening dat brancheorganisaties een geslaagd sectoraal bestuursmodel vormen aangezien zij een structuur met eerlijke vertegenwoordiging bieden voor en uitwisselingen organiseren tussen alle actoren uit eenzelfde sector, en het met name mogelijk maken economische en technische informatie over te dragen, de transparantie van de markt te vergroten en risico's en voordelen beter te spreiden; is van mening dat het GLB andere, goed gestructureerde samenwerkingsmodellen zoals dit model moet bevorderen zodat het eenvoudiger wordt om op Europees niveau brancheorganisaties op te richten;

4.  is van mening dat de vaardigheden van producenten- en brancheorganisaties, als we willen dat de huidige tendens zich voortzet, verder moeten worden versterkt, zodat de onderhandelingspositie van de landbouwers even sterk kan worden gemaakt als die van detailhandelaars in de voedselvoorzieningsketen; is van mening dat EU-cofinanciering voor de oprichting en de werking van deze organisaties moet worden opgetrokken;

5.  vraagt de Commissie om in geval van crises de toepassing van collectieve instrumenten voor marktbeheer te faciliteren via middelen waarvoor geen overheidsfinanciering nodig is, zoals het uit de handel nemen van producten volgens overeenkomsten tussen de actoren in de voedselketen; merkt op dat dergelijke maatregelen door de brancheorganisaties zelf kunnen worden toegepast;

6.  is van mening dat er oneerlijke concurrentie ontstaat voor Europese producenten wanneer producten uit derde landen die niet beantwoorden aan de sociale normen en de gezondheids- en milieunormen van de EU, de Europese markt binnenkomen; eist bijgevolg dat in het kader van zowel lopende als toekomstige handelsbesprekingen wordt gezorgd voor de bescherming van kwetsbare sectoren en voor de systematische toepassing van de beginselen van wederkerigheid en conformiteit voor wat landbouwproducten betreft; vraagt de Commissie dit aspect op te nemen in de onderhandelingen over de brexit;

7.  benadrukt dat toegang tot de interne markt van de EU afhankelijk moet worden gesteld van de naleving van sanitaire, fytosanitaire en milieunormen; vraagt de Commissie om zich in te zetten voor equivalente maatregelen en controles tussen derde landen en de Europese Unie op het gebied van milieu- en voedselveiligheidsnormen, teneinde voor eerlijke concurrentie te zorgen; merkt op dat de hoogste normen op het gebied van milieu en dierenwelzijn hogere kosten met zich kunnen meebrengen en dat een verlaging van de normen daardoor kan leiden tot concurrentiebeperkend gedrag; beveelt aan dat de Commissie onderzoekt hoe de reikwijdte van het mededingingsbeleid kan worden vergroot om dergelijke dumping, zowel binnen de eengemaakte markt als bij import op de eengemaakte markt, te voorkomen;

8.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de gevolgen die landbouwers, gezien hun kwetsbare financiële situatie en de fundamentele rol die zij vervullen in onze samenleving, ondervinden van marktverstoringen die voortvloeien uit handelsovereenkomsten met derde landen, aangezien de landbouwmarkten worden gekenmerkt door een intense volatiliteit van de landbouwprijzen die de zwakke positie van de landbouwers in de voedselketen nog precairder maakt;

9.  wijst erop dat klimaatrampen, waarvan ook landbouwers het slachtoffer zijn, invloed uitoefenen op de markt en de positie van deze landbouwers in de voedselvoorzieningsketen verzwakken; herhaalt dat in de antidumpingregels van de EU(3), die onder meer van toepassing zijn op de landbouwsector, wordt gesteld dat milieudumping tot oneerlijke concurrentie leidt; vraagt dat er rekening wordt gehouden met de belangen van Europese burgers die een duurzame en milieuvriendelijke maatschappij eisen; vraagt de Commissie daarom om, rekening houdend met de werking van de eengemaakte markt en de voordelen voor de hele samenleving, vrijstellingen van de mededingingsregels toe te staan teneinde horizontale en verticale samenwerking op het gebied van duurzaamheidsinitiatieven te vergemakkelijken;

10.  beklemtoont dat het begrip "eerlijke prijs" niet moet worden opgevat als de laagst mogelijke prijs voor de consument, maar een redelijke prijs moet zijn die een correcte beloning voor elke schakel in de voedselvoorzieningsketen mogelijk maakt; benadrukt dat consumenten niet louter geïnteresseerd zijn in lage prijzen maar ook in andere onderwerpen, zoals onder meer dierenwelzijn, milieuduurzaamheid, plattelandsontwikkeling en initiatieven om het gebruik van antibiotica te verlagen en antimicrobiële resistentie te voorkomen; moedigt de mededingingsautoriteiten van de lidstaten ertoe aan rekening te houden met de door de vraag van de consument naar duurzame voedselproductie, hetgeen inhoudt dat er bij de vaststelling van voedselprijzen meer rekening moet worden gehouden met de waarde van 'collectieve goederen'; vraagt in dit opzicht dat er in het Europese mededingingsbeleid niet alleen wordt gekeken naar de kleinste gemene deler van "goedkoop voedsel"; is van mening dat productiekosten terdege in aanmerking moeten worden genomen bij de prijsvorming in contracten tussen detailhandelaars/verwerkers en producenten, om te bewerkstelligen dat de prijzen ten minste de kosten dekken;

11.  herhaalt zijn voorstel om de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013 (de integrale-GMO-verordening) waarmee de mogelijkheid wordt geschapen om voorschriften vast te stellen tot regulering van het aanbod van kaas met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding (artikel 150), van ham met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding (artikel 172) en van wijn (artikel 167), uit te breiden naar andere producten met een keurmerk, zodat het eenvoudiger wordt om het aanbod af te stemmen op de vraag;

12.  onderstreept dat het begrip "relevante markt" in de analyse van de Commissie opnieuw moet worden gedefinieerd zodat het betrekking heeft op de volledige betrokken sector, met als doel beperkende interpretaties te vermijden;

13.  benadrukt dat de voorgestelde limiet voor rechtstreekse betalingen ernstige gevolgen kan hebben voor het concurrentievermogen van middelgrote landbouwbedrijven;

14.  is ingenomen met het feit dat in de omnibusverordening een procedure wordt vastgesteld aan de hand waarvan een groep landbouwers de Commissie om een niet-bindend advies kan verzoeken over de verenigbaarheid van een collectieve actie met de algemene uitzondering op de mededingingsregels in artikel 209 van de integrale-GMO-verordening; verzoekt de Commissie evenwel, in het licht van de aanbeveling van de taskforce landbouwmarkten, het toepassingsgebied van de algemene afwijking voor de landbouw en het onderlinge verband daarvan met de afwijkingen in de artikelen 149 en 152 te verduidelijken en zo de uitzondering duidelijker af te bakenen, zodat het toepasbaar en haalbaar is om de toepassing van artikel 101 VWEU waar nodig op te schorten;

15.  herinnert eraan dat het individuele plafond voor de de-minimissteun in de landbouwsector in 2013 werd verdubbeld (van 7 500 EUR tot 15 000 EUR), om het hoofd te kunnen bieden aan het snel toenemende aantal economische, klimaat- en en gezondheidsgerelateerde crises; merkt op dat het nationale plafond voor de de-minimissteun in hetzelfde jaar slechts licht werd aangepast (van 0,75 % naar 1 % van de waarde van de nationale landbouwproductie), waardoor de lidstaten minder ruimte hadden om steun te verlenen aan landbouwbedrijven in moeilijkheden; schaart zich dan ook achter het voorstel van de Commissie om de lidstaten en regio's meer flexibiliteit te bieden in het kader van de regels met betrekking tot de-minimissteun in de landbouw;

16.  ondersteunt het voorstel van de Commissie om de lidstaten meer flexibiliteit te bieden in het kader van de regels met betrekking tot staatssteun in de landbouw zodat zij landbouwers kunnen aanmoedigen uit voorzorg vrijwillig meer te sparen om beter voorbereid te zijn op het snel toenemende aantal risico's op het gebied van klimaat, gezondheid en economie;

17.  is ingenomen met de ontwikkelingen die het gevolg zijn van de omnibusverordening, waardoor het gemakkelijker wordt om artikel 222 van de GMO-verordening, dat tijdelijke afwijkingen van het mededingingsrecht toestaat, toe te passen; vraagt de Commissie niettemin om de toepassing van de artikelen 219 en 222 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 te verduidelijken met het oog op de invoering van maatregelen bij verstoringen van de markt en bij ernstige onevenwichtigheden op de markt, aangezien de huidige rechtsonzekerheid rond deze twee artikelen ertoe leidt dat niemand ze toepast uit vrees voor mogelijke niet-naleving van door de mededingingsautoriteiten in de lidstaten vastgestelde regels;

18.  onderstreept dat een marktgeoriënteerd GLB, in tijden van ernstige verstoringen van het marktevenwicht, wanneer de landbouwsector in het gedrang komt en alle burgers worden getroffen door een mogelijke terugslag op de essentiële voedselvoorziening, de landbouwers moet ondersteunen en moet voorzien in aanvullende afwijkingen van de mededingingsregels voor overeenkomsten en besluiten tussen landbouwers, producentenorganisaties, hun unies en erkende brancheorganisaties, zolang die tijdelijk en volledig gerechtvaardigd zijn; acht het bovendien essentieel om de mogelijkheid uit hoofde van artikel 164 van de GMO-verordening tot uitbreiding van de regels van overeenkomsten of besluiten genomen door krachtens artikel 222 van de GMO-verordening erkende landbouworganisaties, uit te breiden;

19.  wijst erop dat er ingrijpende horizontale en verticale herstructureringen hebben plaatsgevonden, die tot een nog grotere consolidatie hebben geleid in de sowieso al geconcentreerde sectoren van zaaigoed, agrochemicaliën, meststoffen, dierengenetica en landbouwmachines, en in de verwerkings- en kleinhandelssector; vraagt in deze context en naar aanleiding van de overname van Monsanto door de Bayer-groep, die samen ongeveer 24 % van de wereldwijde pesticidenmarkt en 29 % van de wereldwijde zadenmarkt controleren, dat de Commissie toeziet op de veiligstelling van de belangen van de landbouwers, burgers en het milieu in de EU, door de gevolgen van fusies en overnames van leveranciers van landbouwproductiemiddelen, waaronder ook producenten van gewasbeschermingsmiddelen, aan een uitvoerige en holistische beoordeling te onderwerpen, zodat landbouwers tegen concurrerende prijzen innovatieve producten kunnen kopen die van een betere kwaliteit zijn en minder impact hebben op het milieu; onderstreept dat zulke fusies en overnames nadelig kunnen zijn voor de mededinging met betrekking tot de toegankelijkheid van essentiële producten voor landbouwers; is van mening dat de handelsnormen voor zaaigoed en teeltmateriaal voor kleinschalig gebruik moeten worden versoepeld.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.11.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

31

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Daniel Buda, Nicola Caputo, Jacques Colombier, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Luke Ming Flanagan, Karine Gloanec Maurin, Esther Herranz García, Jan Huitema, Peter Jahr, Jarosław Kalinowski, Norbert Lins, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Giulia Moi, Ulrike Müller, James Nicholson, Maria Noichl, Maria Lidia Senra Rodríguez, Ricardo Serrão Santos, Marc Tarabella

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Angélique Delahaye, Maria Heubuch, Anthea McIntyre, John Procter, Sofia Ribeiro, Annie Schreijer-Pierik

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Stanisław Ożóg, Monika Vana

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

31

+

ALDE

Jan Huitema, Ulrike Müller

ECR

Anthea McIntyre, James Nicholson, Stanisław Ożóg, John Procter

ENF

Jacques Colombier, Philippe Loiseau

PPE

Daniel Buda, Michel Dantin, Angélique Delahaye, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Esther Herranz García, Peter Jahr, Jarosław Kalinowski, Norbert Lins, Mairead McGuinness, Sofia Ribeiro, Annie Schreijer-Pierik

S&D

Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Nicola Caputo, Paolo De Castro, Karine Gloanec Maurin, Maria Noichl, Ricardo Serrão Santos, Marc Tarabella

Verts/ALE

Maria Heubuch, Monika Vana

0

-

3

0

EFDD

Giulia Moi

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan, Maria Lidia Senra Rodríguez

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Cijfers van Eurostat betreffende de prijsindex van landbouwproducten (apri_pi); zie ook overweging B van de resolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2012 over de toeleveringsketen voor landbouwproductiemiddelen: structuur en gevolgen (PB C 227 E/3 van 6.8.2013).

(2)

Arrest van het Hof van Justitie van 14 november 2017, Président de l’Autorité de la concurrence tegen Association des producteurs vendeurs d’endives (APVE) e.a., C-671/15, ECLI:EU:C:2017:860.

(3)

COM(2013)0192.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.12.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

32

2

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pervenche Berès, Esther de Lange, Markus Ferber, Brian Hayes, Wolf Klinz, Georgios Kyrtsos, Philippe Lamberts, Werner Langen, Bernd Lucke, Olle Ludvigsson, Ivana Maletić, Marisa Matias, Gabriel Mato, Alex Mayer, Bernard Monot, Luděk Niedermayer, Ralph Packet, Sirpa Pietikäinen, Anne Sander, Martin Schirdewan, Molly Scott Cato, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Marco Valli, Miguel Viegas, Jakob von Weizsäcker

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Enrique Calvet Chambon, Mady Delvaux, Syed Kamall, Alain Lamassoure, Luigi Morgano, Michel Reimon, Lieve Wierinck

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Barbara Lochbihler, Jarosław Wałęsa


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

32

+

ALDE

Enrique Calvet Chambon, Wolf Klinz, Lieve Wierinck

ECR

Syed Kamall, Bernd Lucke, Ralph Packet

EFDD

Bernard Monot

GUE/NGL

Marisa Matias, Martin Schirdewan

PPE

Markus Ferber, Brian Hayes, Georgios Kyrtsos, Alain Lamassoure, Esther de Lange, Ivana Maletić, Gabriel Mato, Luděk Niedermayer, Sirpa Pietikäinen, Anne Sander, Jarosław Wałęsa

S&D

Pervenche Berès, Mady Delvaux, Olle Ludvigsson, Alex Mayer, Luigi Morgano, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Jakob von Weizsäcker

Verts/ALE

Philippe Lamberts, Barbara Lochbihler, Michel Reimon, Molly Scott Cato

2

-

GUE/NGL

Miguel Viegas

PPE

Werner Langen

1

0

EFDD

Marco Valli

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 21 januari 2019Juridische mededeling