Procedure : 2018/0256M(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0478/2018

Ingediende teksten :

A8-0478/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 16/01/2019 - 12.3

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0016

VERSLAG     
PDF 663kWORD 76k
19.12.2018
PE 627.726v03-00 A8-0478/2018

met een niet-wetgevingsontwerpresolutie over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds

(10593/2018 – C8-0463/2018 – 2018/0256M(NLE))

Commissie internationale handel

Rapporteur: Marietje Schaake

AMENDEMENTEN
NIET-WETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

NIET-WETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds

(10593/2018 – C8-0463/2018– 2018/0256M(NLE))

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10593/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) (i), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0463/2018),

–  gezien de Euro-Mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds,

–  gezien de overeenkomst tussen Marokko en de EU over wederzijdse liberalisatiemaatregelen inzake landbouw- en visserijproducten, ook wel de liberaliseringsovereenkomst, die in werking is getreden op 1 september 2013,

–  gezien de uitspraak van het Gerecht in zaak T-512/12 van 10 december 2015,

–  gezien de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in zaak C-104/16 P van 21 december 2016,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 11 juni 2018 (SWD(2018) 0346), dat bij het voorstel voor een besluit van de Raad is gevoegd,

–  gezien het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 en de artikelen 34 en 36 daarvan,

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal aan de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over de situatie in de Westelijke Sahara (S/2018/277),

–  gezien de resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties 2414 (2018) over de situatie in de Westelijke Sahara (S/RES/2414 (2018)),

  gezien het Handvest van de Verenigde Naties, met name artikel 73 in Hoofdstuk XI betreffende niet-zelfbesturende gebieden,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name titel V, hoofdstuk I, artikel 21, lid 1,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 218, lid 6, onder a),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van ...(1) over het ontwerp van besluit van de Raad,

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie visserij (A8-0478/2018),

A.  overwegende dat de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko historische betrekkingen hebben, een nauwe samenwerking onderhouden die is opgebouwd in het kader van een veelomvattend partnerschap dat politieke, economische en sociale aspecten omvat, gesterkt door de geavanceerde status en de bereidheid van beide partijen om deze verder te ontwikkelen;

B.  overwegende dat de liberaliseringsovereenkomst tussen de EU en Marokko op 1 september 2013 in werking is getreden; overwegende dat op 19 november 2012 het Front Polisario de overeenkomst heeft voorgelegd aan het HvJ-EU met als argument dat de toepassing van de overeenkomst op het grondgebied van de Westelijke Sahara in strijd is met het internationaal recht;

C.  overwegende dat op 10 december 2015 het Gerecht het besluit van de Raad inzake de sluiting van de liberaliseringsovereenkomst nietig heeft verklaard; overwegende dat de Raad op 19 februari 2016 unaniem tegen dit arrest beroep heeft ingesteld;

D.  overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 21 december 2016 heeft bepaald dat de liberaliseringsovereenkomst geen rechtsgrondslag bevat op grond waarvan de Westelijke Sahara tot de werkingssfeer van de overeenkomst behoort en derhalve niet van toepassing kan zijn op dit gebied;

E.   overwegende dat punt 106 van het arrest bepaalt dat het volk van de Westelijke Sahara moet worden beschouwd als een "derde" in de zin van het beginsel van de relatieve werking van verdragen, wiens toestemming vereist is voor de uitvoering van de overeenkomst op het grondgebied; overwegende dat derhalve de werkingssfeer van deze overeenkomst zich niet uitstrekt tot het grondgebied van de Westelijke Sahara bij gebrek aan een dergelijke toestemming;

F.  overwegende dat ondernemingen nog steeds uit de Westelijke Sahara kunnen uitvoeren naar de Europese Unie, maar dat sinds 21 december 2016 geen tariefpreferenties meer van toepassing zijn op uit dit gebied afkomstige producten;

G.  overwegende dat er onvoldoende informatie beschikbaar is op grond waarvan de EU-douaneautoriteiten kunnen bepalen of de uit Marokko uitgevoerde producten afkomstig zijn uit de Westelijke Sahara, en daardoor het arrest van het HvJ-EU niet kan worden nageleefd;

H.  overwegende dat de Raad, na het arrest van het HvJ-EU, de Commissie een mandaat heeft verleend om de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euro-mediterrane associatieovereenkomst te wijzigen teneinde opneming van producten uit de Westelijke Sahara mogelijk te maken; overwegende dat de opneming ervan per definitie enige vorm van traceerbaarheid vereist om dergelijke producten te identificeren;

I.  overwegende dat het essentieel is om te waarborgen dat de overeenkomst in overeenstemming is met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-104/16 P van 21 december 2016;

J.  overwegende dat de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) in Brussel en Rabat gekozen functionarissen en verscheidene vertegenwoordigers en organisaties van het maatschappelijk middenveld uit het niet-zelfbesturende grondgebied van de Westelijke Sahara hebben geraadpleegd;

K.  overwegende dat het Parlement het noodzakelijk acht om de situatie ter plaatse zelf te evalueren en inzicht te krijgen in de verschillende opvattingen die onder de bevolking leven; overwegende dat het Parlement herinnert aan de conclusies van het studiebezoek van de INTA aan het gebied op 2 en 3 september 2018;

L.  overwegende dat de wijziging van de liberaliseringsovereenkomst in een bredere politieke en geopolitieke context plaatsvindt;

M.  overwegende dat na het einde van de Spaanse kolonisatie van de Westelijke Sahara het gebied al meer dan veertig jaar onderwerp is van een conflict;

N.  overwegende dat de Westelijke Sahara door de Verenigde Naties wordt beschouwd als een niet-gedekoloniseerd gebied;

O.  overwegende dat resolutie 2440 (2018) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties het mandaat van Minurso met nog eens zes maanden heeft verlengd;

P.  overwegende dat de EU en haar lidstaten de soevereiniteit van Marokko over het grondgebied van de Westelijke Sahara niet erkennen; overwegende dat de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie Front Polisario erkennen als de vertegenwoordiger van de bevolking van de Westelijke Sahara;

Q.  overwegende dat de Verenigde Naties de Westelijke Sahara beschouwt als een niet-zelfbesturend gebied in de zin van artikel 73 van het Handvest;

1.  herinnert eraan dat Marokko een bevoorrechte partner van de EU in het zuidelijk nabuurschap is, waarmee de EU een sterk, strategisch en langdurig partnerschap heeft opgebouwd dat betrekking heeft op politieke, economische en maatschappelijke vraagstukken, evenals op veiligheid en migratie; benadrukt dat Marokko een geavanceerde status is toegekend binnen het Europese nabuurschapsbeleid (ENB);

2.  benadrukt dat het belangrijk is dat deze overeenkomst voorziet in waarborgen wat betreft de eerbiediging van het internationaal recht, met inbegrip van de mensenrechten, en dat de overeenkomst in overeenstemming is met het desbetreffende arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

3.  wijst op de verplichting voor de EU en haar lidstaten op grond van artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) om de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht na te leven; benadrukt in dit verband dat artikel 2 van het Handvest van de Verenigde Naties onder andere betrekking heeft op eerbiediging van het beginsel van zelfbeschikking van volkeren;

4.  herinnert eraan dat het optreden van de Unie op het internationaal toneel krachtens artikel 21 VEU moet worden geleid door de beginselen van de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de eerbiediging van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht;

5.  benadrukt dat deze overeenkomst niet betekent dat de soevereiniteit van Marokko over de Westelijke Sahara, dat momenteel bij de Verenigde Naties als niet-zelfbesturend gebied geregistreerd staat en waarvan grote delen momenteel door het Koninkrijk Marokko worden bestuurd, op welke manier dan ook wordt erkend, en benadrukt dat het standpunt van de EU blijft dat de inspanningen van de VN worden ondersteund om te komen tot een rechtvaardige, duurzame en wederzijds aanvaardbare oplossing voor het conflict in de Westelijke Sahara waarmee wordt voorzien in de zelfbeschikking van het volk van de Westelijke Sahara, overeenkomstig het internationaal recht, het VN-Handvest en de VN-resoluties over deze kwestie; herhaalt dan ook zijn volledige steun aan de persoonlijk gezant van de secretaris-generaal van de VN voor de Westelijke Sahara, de heer Horst Köhler, in zijn inspanningen om de partijen terug naar de onderhandelingstafel van de VN te helpen om tot een dergelijke oplossing te komen; roept de partijen op deze onderhandelingen zonder voorwaarden vooraf en te goeder trouw te hervatten; benadrukt dat de ratificatie van de gewijzigde liberaliseringsovereenkomst tussen de EU en Marokko geen enkel nadelig gevolg mag hebben voor de uitkomst van het vredesproces met betrekking tot de Westelijke Sahara;

6.  hoopt dat de begin december in Genève gehouden bijeenkomst van de bij het conflict betrokken partijen, op initiatief van de Verenigde Naties en met deelname van Algerije en Mauritanië, zal bijdragen tot de hervatting van het vredesproces;

7.  erkent de twee in het arrest van het HvJ-EU gestelde criteria, namelijk dat in de tekst van de overeenkomst de Westelijke Sahara uitdrukkelijk moet worden vermeld en de instemming van de bevolking moet zijn verkregen, alsook het derde door de Raad toegevoegde criterium, namelijk de noodzaak om ervoor te zorgen dat de overeenkomst de plaatselijke bevolking ten goede komt;

8.  benadrukt, zoals wordt verklaard in het verslag van de Commissie, dat alle redelijke en haalbare stappen zijn ondernomen om navraag te doen naar de instemming van de betrokken bevolking door middel van deze inclusieve raadplegingen;

9.  onderstreept dat de Commissie en de EDEO gedurende het gehele raadplegingsproces regelmatig contact onderhielden met het team van de persoonlijk gezant van de secretaris-generaal van de VN voor de Westelijke Sahara, om te waarborgen dat de inspanningen van de VN om te komen tot een duurzame oplossing door middel van de voorgestelde overeenkomst worden gesteund;

10.  neemt kennis van de legitieme belangen van de bevolking in het gebied en is van mening dat met het oog op de economische ontwikkeling van het gebied een gerespecteerde en geaccepteerde oplossing moet worden gevonden voor het lopende conflict; is tegelijkertijd ervan overtuigd dat het Sahrawi-volk ook het recht heeft zich in afwachting van een politieke oplossing te ontwikkelen;

11.  stelt vast, op basis van gesprekken met verschillende plaatselijke actoren en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, dat sommige partijen hun steun aan de overeenkomst betuigen door hun recht op economische ontwikkeling te verdedigen, en andere partijen van mening zijn dat het politieke conflict eerst moet worden opgelost voordat handelspreferenties worden verleend; merkt op dat tijdens inclusieve raadplegingen onder leiding van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) met een reeks organisaties uit de Westelijke Sahara en andere organisaties en organen, er door de meerderheid van de deelnemende partijen steun is uitgedrukt voor de sociaal-economische voordelen van de voorgestelde tariefpreferenties;

12.  wijst erop dat het HvJ-EU in zijn arrest niet heeft verklaard op welke wijze de bevolking haar instemming moet uitdrukken en is dan ook van mening dat er enige onzekerheid blijft bestaan over dit criterium;

13.  erkent dat de overeenkomst kan leiden tot de bevordering van sociale en duurzame ontwikkeling die een essentiële bijdrage levert aan de huidige economische, sociale en ecologische ontwikkeling en de mogelijkheden voor de ontwikkeling van zowel laag- als hooggeschoolde werkgelegenheidskansen ter plaatse; merkt op dat naar schatting circa 59 000 banen exportafhankelijk zijn, hetgeen overeenkomt met circa 10 % van de in het gebied wonende bevolking;

14.  is van mening dat de tariefpreferenties van de EU een positief effect hebben gehad op de sectoren landbouw en visserij en hun exportniveaus in het niet-zelfbesturende gebied van de Westelijke Sahara; verzoekt evenwel zorgvuldig te controleren dat hier sprake is van lokale toegevoegde waarde, dat er lokaal wordt geherinvesteerd en in fatsoenlijke banen voor de lokale bevolking wordt voorzien;

15.  is ervan overtuigd dat, ongeacht de uitkomst van het vredesproces, de lokale bevolking zal profiteren van de economische ontwikkeling en de daaruit voortvloeiende investeringen in infrastructuur, werkgelegenheid, gezondheidszorg en onderwijs;

16.  erkent de bestaande investeringen in diverse sectoren en het streven naar de ontwikkeling van groene technologieën zoals hernieuwbare energie en de installatie voor de ontzilting van zeewater, maar benadrukt dat verdere inspanningen nodig zijn om te zorgen voor meer integratie in alle geledingen van de lokale economie;

17.  erkent de zakelijke initiatieven van Sahrawis, met name die van jonge mensen, onder wie vele vrouwen, en benadrukt hun behoefte aan meer exportmogelijkheden en rechtszekerheid teneinde meer investeringen mogelijk te maken in sectoren met een grote vraag naar werk, zoals landbouw, visserij en infrastructuur;

18.  erkent het strategisch potentieel van de Westelijke Sahara als investeringsknooppunt voor de rest van het Afrikaanse continent;

19.  waarschuwt voor de schadelijke effecten van het niet toepassen van tariefpreferenties voor producten uit het niet-zelfbesturend gebied van de Westelijke Sahara, en het signaal dat hiermee wordt afgegeven aan de jongere generatie die investeert of bereid is te investeren in het gebied, en haar potentieel om het te ontwikkelen; onderstreept het risico dat activiteiten worden verplaatst naar regio's waar van de preferenties kan worden geprofiteerd; merkt op dat de niet-uitvoering van tariefpreferenties volgens de Commissie de economische en sociale situatie van de lokale bevolking in de betrokken gebieden zou kunnen verslechteren;

20.  is ervan overtuigd dat de aanwezigheid van de Europese Unie via onder meer deze overeenkomst de voorkeur verdient boven afschaffing wanneer het gaat om de uitoefening van en het toezicht op de mensenrechten en de individuele vrijheden, en verlangt een doortastende evaluatie en dialoog met Marokko over deze kwesties;

21.  wijst erop dat andere delen van de wereld, die minder waarde hechten aan duurzame ontwikkeling, hoge arbeids- en sociale normen en mensenrechten, uitkijken naar nieuwe handelsmogelijkheden en grotere invloed zullen verkrijgen waar de EU zich terugtrekt;

22.  benadrukt dat de voortdurende betrokkenheid van de EU bij het gebied een positief hefboomeffect zal hebben op de duurzame ontwikkeling ervan;

23.  benadrukt dat rechtszekerheid van essentieel belang is voor het aantrekken van duurzame en langetermijninvesteringen in het gebied en derhalve voor de dynamiek en diversificatie van de lokale economie;

24.  wijst erop dat sinds het arrest van het HvJ-EU de lidstaten geen handelspreferenties kunnen toepassen op producten die uit het niet-zelfbesturend gebied van de Westelijke Sahara afkomstig zijn en dat er aan de rechtsonzekerheid voor de ondernemers een einde is gekomen;

25.  is zich ervan bewust en ernstig bezorgd dat het tot dusver bijzonder moeilijk is gebleken om vast te stellen welke producten worden uitgevoerd uit het niet-zelfbesturend gebied van de Westelijke Sahara;

26.  benadrukt dat een kerncriterium voor instemming met de overeenkomst door het Parlement is dat erop wordt toegezien dat er een mechanisme in werking wordt gesteld waardoor de douaneautoriteiten van de lidstaten toegang hebben tot betrouwbare informatie over producten die afkomstig zijn uit de Westelijke Sahara en in de EU worden ingevoerd, in volledige overeenstemming met de douanewetgeving van de EU; benadrukt dat een dergelijk mechanisme tijdig gedetailleerde en uitgesplitste statistische gegevens over dergelijke uitvoer beschikbaar zal maken; erkent de inspanningen van de Commissie en Marokko om hiervoor een oplossing te vinden, en verzoekt hen snel een dergelijk mechanisme in te voeren; verzoekt de Commissie van alle beschikbare corrigerende maatregelen gebruik te maken als de tenuitvoerlegging van de overeenkomst niet bevredigend is;

27.  benadrukt dat het zonder een geldende overeenkomst waarin een mechanisme is opgenomen dat de identificatie van producten mogelijk maakt, het onmogelijk is te weten of en hoeveel producten afkomstig uit het niet-zelfbesturende gebied van de Westelijke Sahara op de Europese markt terechtkomen;

28.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de tussen de EU en Marokko overeengekomen regeling van jaarlijkse wederzijdse uitwisseling van informatie en statistische gegevens met betrekking tot de producten die vallen onder de dekking van de briefwisseling, noodzakelijk is om de reikwijdte van de overeenkomst en de impact ervan op ontwikkeling en plaatselijke bevolkingsgroepen te evalueren;

29.  roept de Commissie en de EDEO ertoe op om nauwlettend toe te zien op de uitvoering en de resultaten van de overeenkomst en van hun bevindingen stelselmatig verslag uit te brengen aan het Parlement;

30.  herinnert eraan dat de EU en Marokko, zoals vastgesteld in de oorspronkelijke overeenkomst die in 2012 is gesloten, hebben onderhandeld over een ambitieuze en alomvattende overeenkomst inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten, waarin is bepaald dat Marokko de volledige lijst van geografische aanduidingen van de EU moet beschermen; brengt eveneens in herinnering dat de in 2015 ingeleide procedure voor de sluiting van de overeenkomst is opgeschort ten gevolge van het arrest van het Hof van 21 december 2016; verzoekt de EU en Marokko die procedure onmiddellijk te hervatten en snel terug te keren naar de DCFTA-onderhandelingen;

31.  herinnert aan de bijzonder grote gevoeligheid voor de Europese tuinbouwsector van bepaalde uitvoer van groenten en fruit uit Marokko naar de Unie waarvoor preferenties gelden die worden verleend bij de overeenkomst van 8 maart 2012 betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten;

32.  benadrukt dat de toegang van alle derde landen tot de interne markt van de EU afhankelijk moet worden gesteld van de inachtneming van de sanitaire, fytosanitaire, traceerbaarheids- en milieuregels en -normen van de EU;

33.  vraagt de Commissie om bevordering van equivalente maatregelen en controles tussen Marokko en de Europese Unie op het gebied van sanitaire, fytosanitaire, traceerbaarheids- en milieunormen en van regels inzake oorsprongsetikettering, teneinde een eerlijke concurrentie tussen de twee markten te waarborgen;

34.  herinnert eraan dat de bijgewerkte overeenkomst de tariefcontingenten en de regeling voor preferentiële invoer zoals eerder overeengekomen niet wijzigt en slechts het geografische toepassingsgebied van de overeenkomst verduidelijkt voor de Europese producenten;

35.  wenst er de aandacht op te vestigen dat de uitvoer van groenten en fruit naar de Unie waarvoor preferenties gelden uit hoofde van de overeenkomst in kwestie (namelijk tomaten en meloenen) gedeeltelijk afkomstig is van het grondgebied van de Westelijke Sahara en dat er ambitieuze projecten bestaan om deze productie en uitvoer nog uit te breiden;

36.  neemt desondanks kennis van de verduidelijking die deze nieuwe overeenkomst heeft aangebracht en hoopt dat deze overeenkomst voortaan een stabiel en onbetwistbaar kader kan bieden voor de betrekkingen tussen de partijen bij deze overeenkomst en voor de betrokken marktdeelnemers aan weerszijden van de Middellandse Zee;

37.  merkt op dat de gevoelige landbouwproducten in het oog moeten worden gehouden en dat een strikte toepassing van de quota noodzakelijk is, wil de overeenkomst evenwichtig functioneren; herinnert eraan dat artikel 7 van Protocol nr. 1 van de overeenkomst van 2012 een vrijwaringsclausule bevat op grond waarvan het mogelijk is passende maatregelen te nemen indien verhoogde invoer van gevoelige landbouwproducten uit hoofde van de overeenkomst ernstige problemen veroorzaakt op de markt en/of de desbetreffende productiesector ernstig schaadt; spreekt de wens uit dat de preferentiële invoer van gevoelige landbouwproducten uit Marokko en de Westelijke Sahara in de Unie aan passend en alomvattend toezicht door de Commissie onderworpen zal zijn en dat de Commissie bereid blijft zo nodig onverwijld gebruik te maken van bovenvermelde clausule;

38.  neemt nota van het feit dat de EU-vaartuigen die in de betrokken wateren actief zijn, wettelijk verplicht zijn een volgsysteem voor vaartuigen (VMS) mee te voeren en dat de positie van een vaartuig aan de Marokkaanse autoriteiten moet worden meegedeeld, zodat het perfect mogelijk is de vaartuigen te volgen en te registreren waar hun visserijactiviteiten plaatsvinden;

39.  roept de EU ertoe op zich meer in te zetten voor de bevordering van regionale samenwerking tussen de Maghreb-landen, die alleen kan leiden tot enorme positieve gevolgen voor de regio en daarbuiten;

40.  wijst op de strategische noodzaak voor de EU om meer te werken met de Maghreb-landen en de banden met deze landen te ontwikkelen; ziet de uitbreiding van de associatieovereenkomst binnen deze context als een logisch onderdeel van deze strategie;

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(0000)0000.


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (21.11.2018)

aan de Commissie internationale handel

inzake het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko betreffende over de wijziging van de protocollen 1 en 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds

(2018/0256M(NLE))

Rapporteur voor advies: Anders Primdahl Vistisen

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat Marokko een bevoorrechte partner van de EU in het zuidelijk nabuurschap is, waarmee de EU een sterk, strategisch en langdurig partnerschap heeft opgebouwd dat betrekking heeft op politieke, economische en maatschappelijke vraagstukken, evenals op veiligheid en migratie; benadrukt dat Marokko een geavanceerde status is toegekend binnen het Europese nabuurschapsbeleid (ENB);

2.  benadrukt dat er in het kader van deze overeenkomst waarborgen moeten worden gegeven wat betreft de eerbiediging van het internationaal recht, met inbegrip van de mensenrechten, en dat de overeenkomst in overeenstemming moet zijn met het desbetreffende arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

3.  wijst op de verplichting voor de EU en haar lidstaten op grond van artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) om de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht te eerbiedigen; benadrukt in dit verband dat artikel 2 van het Handvest van de Verenigde Naties onder andere betrekking heeft op eerbiediging van het beginsel van zelfbeschikking van volkeren;

4.  benadrukt dat deze overeenkomst niet betekent dat de soevereiniteit van Marokko over de Westelijke Sahara, dat momenteel bij de Verenigde Naties als niet-zelfbesturend gebied geregistreerd staat en waarvan grote delen momenteel door het Koninkrijk Marokko worden bestuurd, op welke manier dan ook wordt erkend, en benadrukt dat het standpunt van de EU blijft dat de inspanningen van de VN worden ondersteund om te komen tot een rechtvaardige, duurzame en wederzijds aanvaardbare oplossing voor het conflict in de Westelijke Sahara waarmee wordt voorzien in de zelfbeschikking van het volk van de Westelijke Sahara, overeenkomstig het internationaal recht, het VN-Handvest en de VN-resoluties over deze kwestie; herhaalt dan ook zijn volledige steun aan de persoonlijk gezant van de secretaris-generaal van de VN voor de Westelijke Sahara, de heer Horst Köhler, in zijn inspanningen om de partijen terug naar de onderhandelingstafel van de VN te helpen om tot een dergelijke oplossing te komen; roept de partijen op deze onderhandelingen zonder voorwaarden vooraf en te goeder trouw te hervatten;

5.  hoopt dat de bijeenkomst van de bij het conflict betrokken partijen begin december in Genève, op initiatief van de Verenigde Naties en met deelname van Algerije en Mauritanië, zal bijdragen tot de hervatting van het vredesproces;

6.  merkt op dat tijdens inclusieve raadplegingen onder leiding van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) met een reeks politieke en sociaal-economische spelers uit de Westelijke Sahara, maatschappelijke organisaties en andere organisaties en organen, er door de meerderheid van de deelnemende partijen steun is uitgedrukt voor de sociaal-economische voordelen van de voorgestelde tariefpreferenties; merkt op dat de niet-uitvoering van tariefpreferenties volgens de Commissie de economische en sociale situatie van de lokale bevolking in de betrokken gebieden zou kunnen verslechteren;

7.  benadrukt, zoals wordt verklaard in het verslag van de Commissie, dat alle redelijke en haalbare stappen zijn ondernomen om navraag te doen naar de instemming van de betrokken bevolking door middel van deze inclusieve raadplegingen;

8.  onderstreept dat de Commissie en de EDEO gedurende het gehele raadplegingsproces regelmatig contact onderhielden met het team van de persoonlijk gezant van de secretaris-generaal van de VN voor de Westelijke Sahara, om te waarborgen dat de inspanningen van de VN om te komen tot een duurzame oplossing door middel van de voorgestelde overeenkomst worden gesteund;

9.  roept de EU ertoe op zich meer in te zetten voor de bevordering van regionale samenwerking tussen de Maghreb-landen, die alleen kan leiden tot enorme positieve gevolgen voor de regio en daarbuiten;

10.  wijst op de strategische noodzaak voor de EU om meer te werken met de Maghreb-landen en de banden met deze landen te ontwikkelen; ziet de uitbreiding van de associatieovereenkomst binnen deze context als een logisch onderdeel van deze strategie;

11.  neemt kennis van de briefwisseling en erkent de inspanningen van de Commissie en de EDEO om binnen hun bevoegdheidsterrein de voordelen voor de bevolking te beoordelen en ervoor te zorgen dat deze met de overeenkomst instemt; merkt op dat de overeenkomst voorziet in een wederzijdse en regelmatige uitwisseling van informatie tussen de EU en Marokko; verzoekt de diensten van de Commissie om met de Marokkaanse autoriteiten het beste mechanisme op te richten om langs technische weg informatie te verzamelen over producten uit de Westelijke Sahara;

12.  herinnert eraan dat het optreden van de Unie op het internationaal toneel krachtens artikel 21 VEU moet worden geleid door de beginselen van de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de eerbiediging van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht; merkt dan ook op dat er alleen instemming kan worden gegeven als er blijk wordt gegeven van een duidelijk voornemen om de mensenrechtensituatie te verbeteren.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds

Document- en procedurenummers

2018/0256M(NLE)

Bevoegde commissie

 

INTA

 

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

AFET

13.9.2018

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Anders Primdahl Vistisen

20.6.2018

Datum goedkeuring

21.11.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

43

15

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Michèle Alliot-Marie, Nikos Androulakis, Petras Auštrevičius, Bas Belder, Victor Boştinaru, Elmar Brok, Klaus Buchner, James Carver, Lorenzo Cesa, Georgios Epitideios, Eugen Freund, Michael Gahler, Iveta Grigule-Pēterse, Sandra Kalniete, Tunne Kelam, Wajid Khan, Andrey Kovatchev, Eduard Kukan, Arne Lietz, Sabine Lösing, Andrejs Mamikins, David McAllister, Francisco José Millán Mon, Javier Nart, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Ioan Mircea Paşcu, Alojz Peterle, Tonino Picula, Kati Piri, Julia Pitera, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Michel Reimon, Sofia Sakorafa, Jean-Luc Schaffhauser, Anders Sellström, Alyn Smith, Jordi Solé, Dobromir Sośnierz, Jaromír Štětina, Dubravka Šuica, Charles Tannock, László Tőkés, Miguel Urbán Crespo, Ivo Vajgl, Anders Primdahl Vistisen

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Doru-Claudian Frunzulică, Ana Gomes, Takis Hadjigeorgiou, Marek Jurek, Antonio López-Istúriz White, David Martin, Gilles Pargneaux, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Marietje Schaake, Eleni Theocharous, Bodil Valero, Mirja Vehkaperä, Željana Zovko

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

43

+

ALDE

Petras Auštrevičius, Iveta Grigule-Pēterse, Javier Nart, Jozo Radoš, Marietje Schaake, Mirja Vehkaperä

ECR

Bas Belder, Marek Jurek, Charles Tannock, Eleni Theocharous, Anders Primdahl Vistisen

ENF

Jean-Luc Schaffhauser

PPE

Michèle Alliot-Marie, Elmar Brok, Lorenzo Cesa, Michael Gahler, Sandra Kalniete, Tunne Kelam, Andrey Kovatchev, Eduard Kukan, Antonio López-Istúriz White, David McAllister, Francisco José Millán Mon, Alojz Peterle, Julia Pitera, Cristian Dan Preda, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Anders Sellström, Jaromír Štětina, Dubravka Šuica, László Tőkés, Željana Zovko

S&D

Nikos Androulakis, Victor Boştinaru, Doru-Claudian Frunzulică, Wajid Khan, Andrejs Mamikins, David Martin, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Gilles Pargneaux, Ioan Mircea Paşcu, Tonino Picula

15

-

ALDE

Ivo Vajgl

GUE/NGL

Takis Hadjigeorgiou, Sabine Lösing, Sofia Sakorafa, Miguel Urbán Crespo

NI

Georgios Epitideios, Dobromir Sośnierz

S&D

Eugen Freund, Ana Gomes, Kati Piri

VERTS/ALE

Klaus Buchner, Michel Reimon, Alyn Smith, Jordi Solé, Bodil Valero

2

0

NI

James Carver

S&D

Arne Lietz

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (14.11.2018)

aan de Commissie internationale handel

inzake het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds

(2018/0256M(NLE))

Rapporteur voor advies: Michel Dantin

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert aan de bijzonder grote gevoeligheid voor de Europese tuinbouwsector van bepaalde uitvoer van groenten en fruit uit Marokko naar de Unie waarvoor preferenties gelden die worden verleend bij de overeenkomst van 8 maart 2012 betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten;

2.  herinnert eveneens aan het advies dat op 13 juli 2011 door de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling werd goedgekeurd in het kader van de procedure tot goedkeuring van deze overeenkomst door het Parlement, waarin werd aanbevolen de goedkeuring te weigeren;

3.  stelt vast dat de meeste punten van zorg die in het in 2011 uitgebrachte advies zijn geuit vanuit het perspectief van de Europese tuinbouwsector nog steeds bestaan, terwijl de algemene context voor de sector moeilijk en onstabiel is, onder meer door het Russische invoerverbod dat nog steeds van kracht is en doordat de Europese landbouw nog steeds als pasmunt wordt gebruikt in internationale handelsbesprekingen;

4.  benadrukt dat de toegang van alle derde landen tot de interne markt van de EU afhankelijk moet worden gesteld van de inachtneming van de sanitaire, fytosanitaire, traceerbaarheids- en milieuregels en -normen van de EU;

5.  benadrukt dat de Europese producenten nog steeds met ernstige concurrentieproblemen en risico's van marktverstoringen te kampen hebben door aanzienlijke verschillen met de Marokkaanse producenten inzake totale productiekosten, arbeidsvoorwaarden en sanitaire, fytosanitaire en milieunormen;

6.  vraagt de Commissie om bevordering van equivalente maatregelen en controles tussen Marokko en de Europese Unie op het gebied van sanitaire, fytosanitaire, traceerbaarheids- en milieunormen en van regels inzake oorsprongsetikettering, teneinde een eerlijke concurrentie tussen de twee markten te waarborgen;

7.  herinnert eraan dat de bijgewerkte overeenkomst de tariefcontingenten en de regeling voor preferentiële invoer zoals eerder overeengekomen niet wijzigt en slechts het geografische toepassingsgebied van de overeenkomst verduidelijkt voor de Europese producenten;

8.  betreurt dat de bepalingen die zijn vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1308/2013 (integrale gemeenschappelijke marktordening) om problemen op te lossen die ontstaan bij de juiste toepassing van de invoerprijzen van groenten en fruit uit Marokko, ineffectief worden voor de hogere categorieën, de zogenoemde "babyvariëteiten", die veel hogere marktprijzen hebben maar een standaard productwaarde toegekend krijgen bij aankomst in de EU, zoals in het geval van kerstomaten; verzoekt de Commissie om een einde te maken aan deze anomalie;

9.  wenst er de aandacht op te vestigen dat de uitvoer van groenten en fruit naar de Unie waarvoor preferenties gelden uit hoofde van de overeenkomst in kwestie (namelijk tomaten en meloenen) gedeeltelijk afkomstig is van het grondgebied van de Westelijke Sahara en dat er ambitieuze projecten bestaan om deze productie en uitvoer nog uit te breiden;

10.  betreurt de rechtsonzekerheid als gevolg van het arrest van het Hof van Justitie van 21 december 2016; vindt het zorgwekkend dat de Commissie niet in staat is om betrouwbare en gedetailleerde gegevens te verstrekken over de preferentiële invoer van producten uit de Westelijke Sahara die sinds die datum heeft kunnen plaatsvinden ondanks dat arrest; vraagt zich af in welke mate de preferenties die tijdens deze periode eventueel zonder geldige rechtsgrond zijn toegekend, schadelijk zijn geweest voor de begroting van de Unie; twijfelt er wegens het gebrek aan voldoende vergelijkbare gegevens aan of de Commissie het effect van het voorstel voor een nieuwe overeenkomst naar behoren kan beoordelen en bepleit dan ook dat het in de briefwisseling bepaalde met betrekking tot het uitwisselen van informatie snel in de praktijk wordt gebracht;

11.  neemt desondanks kennis van de verduidelijking die deze nieuwe overeenkomst heeft aangebracht en hoopt dat deze overeenkomst voortaan een stabiel en onbetwistbaar kader kan bieden voor de betrekkingen tussen de partijen bij deze overeenkomst en voor de betrokken marktdeelnemers aan weerszijden van de Middellandse Zee;

12.  twijfelt aan de relevantie op het gebied van douane en handel van het in de nieuwe overeenkomst gemaakte onderscheid tussen producten uit de Sahara en producten uit Marokko, afgezien van de evidente politieke dimensie; merkt met name op dat de nieuwe overeenkomst geen verdeling bevat van de tariefcontingenten die in de oorspronkelijke overeenkomst waren vastgesteld, en dat de vraag of producten van de Sahara afkomstig zijn of niet bijgevolg helemaal niet zal meespelen bij de toegang tot door de Unie toegekende preferenties;

13.  merkt op dat de gevoelige landbouwproducten in het oog moeten worden gehouden en dat een strikte toepassing van de quota noodzakelijk is, wil de overeenkomst evenwichtig functioneren; herinnert eraan dat artikel 7 van Protocol nr. 1 van de overeenkomst van 2012 een vrijwaringsclausule bevat op grond waarvan het mogelijk is passende maatregelen te nemen indien verhoogde invoer van gevoelige landbouwproducten uit hoofde van de overeenkomst ernstige problemen veroorzaakt op de markt en/of de desbetreffende productiesector ernstig schaadt; spreekt de wens uit dat de preferentiële invoer van gevoelige landbouwproducten uit Marokko en de Westelijke Sahara in de Unie aan passend en alomvattend toezicht door de Commissie onderworpen zal zijn en dat de Commissie bereid blijft zo nodig onverwijld gebruik te maken van bovenvermelde clausule;

14.  herinnert eraan dat de EU en Marokko, zoals vastgesteld in de oorspronkelijke overeenkomst die in 2012 is gesloten, hebben onderhandeld over een ambitieuze en alomvattende overeenkomst inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten, waarin is bepaald dat Marokko de volledige lijst van geografische aanduidingen van de EU moet beschermen; brengt eveneens in herinnering dat de in 2015 ingeleide procedure voor de sluiting van de overeenkomst is opgeschort ten gevolge van het arrest van het Hof van 21 december 2016; dringt erop aan dat deze procedure onverwijld wordt hervat en zo spoedig mogelijk wordt afgerond, in samenhang met de sluiting van de overeenkomst die het onderwerp is van dit advies;

15.  verzoekt de Europese Commissie zo spoedig mogelijk bijeen te komen met de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling van het Europees Parlement om een presentatie te geven over de stand van zaken op het gebied van de handel in landbouwproducten tussen de EU en Marokko, met inbegrip van het effect van de overeenkomst op de Europese producenten en met name op de inkomens van landbouwers, evenals een presentatie over de aanstaande sluiting van de overeenkomst betreffende geografische aanduidingen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko betreffende de wijziging van de protocollen 1 en 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds

Document‑ en procedurenummers

2018/0256M(NLE)

Bevoegde commissie

 

INTA

 

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

AGRI

13.9.2018

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Michel Dantin

30.8.2018

Datum goedkeuring

12.11.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

8

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, José Bové, Daniel Buda, Matt Carthy, Jacques Colombier, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Diane Dodds, Norbert Erdős, Luke Ming Flanagan, Karine Gloanec Maurin, Martin Häusling, Peter Jahr, Jarosław Kalinowski, Zbigniew Kuźmiuk, Norbert Lins, Philippe Loiseau, Giulia Moi, Ulrike Müller, Maria Noichl, Marijana Petir, Maria Lidia Senra Rodríguez, Czesław Adam Siekierski, Tibor Szanyi, Maria Gabriela Zoană, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Franc Bogovič, Angélique Delahaye, Anthea McIntyre, Momchil Nekov, Hilde Vautmans, Miguel Viegas, Thomas Waitz

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

23

+

ALDE

Ulrike Müller, Hilde Vautmans

ECR

Zbigniew Kuźmiuk, Anthea McIntyre

EFDD

John Stuart Agnew, Marco Zullo

ENF

Jacques Colombier, Philippe Loiseau

NI

Diane Dodds

PPE

Franc Bogovič, Daniel Buda, Michel Dantin, Angélique Delahaye, Albert Deß, Norbert Erdős, Peter Jahr, Norbert Lins, Marijana Petir, Czesław Adam Siekierski

S&D

Clara Eugenia Aguilera García, Paolo De Castro, Karine Gloanec Maurin, Maria Gabriela Zoană

8

-

GUE/NGL

Matt Carthy, Luke Ming Flanagan, Maria Lidia Senra Rodríguez, Miguel Viegas

S&D

Maria Noichl

VERTS/ALE

José Bové, Martin Häusling, Thomas Waitz

2

0

EFDD

Giulia Moi

S&D

Eric Andrieu

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

27.11.2018

STANDPUNT IN DE VORM VAN AMENDEMENTEN

van de Commissie visserij

aan de Commissie internationale handel

inzake de niet-wetgevingsontwerpresolutie over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds

(2018/0256M(NLE))

Namens de Commissie visserij: Nils Torvalds (rapporteur voor advies)

Position

AMENDEMENTEN

De Commissie visserij dient bij de bevoegde Commissie internationale handel onderstaande amendementen in:

Amendement    1

Ontwerpresolutie

Paragraaf 18

Ontwerpresolutie

Amendement

18.  is ernstig bezorgd dat het in wezen onmogelijk is om vast te stellen welke producten worden uitgevoerd uit het niet-autonome gebied van de Westelijke Sahara;

18.  is ernstig bezorgd dat het in wezen onmogelijk is om vast te stellen welke producten worden uitgevoerd uit het niet-autonome gebied van de Westelijke Sahara, met uitzondering van visserijproducten uit het gebied van de Westelijke Sahara als vastgesteld door de regels van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee betreffende territoriale en aangrenzende wateren en exclusieve economische zones, die gemakkelijk traceerbaar zijn in de volledige keten;

Amendement    2

Ontwerpresolutie

Paragraaf (nieuw)

Ontwerpresolutie

Amendement

 

wijst op het arrest van het HvJ-EU van 27 februari 2018 (zaak C-266/16) betreffende de visserijovereenkomst en het protocol – dat van kracht was van 15 juli 2014 tot en met 14 juli 2018 – tussen de EU en Marokko, waarin wordt gesteld dat de overeenkomst van toepassing is op de Marokkaanse wateren maar niet de Westelijke Sahara en de daaraan grenzende wateren omvat;

Amendement    3

Ontwerpresolutie

Paragraaf (nieuw)

Ontwerpresolutie

Amendement

 

neemt nota van het feit dat de EU-vaartuigen die in de betrokken wateren actief zijn, wettelijk verplicht zijn een volgsysteem voor vaartuigen (VMS) mee te voeren en dat de positie van een vaartuig aan de Marokkaanse autoriteiten moet worden meegedeeld, zodat het perfect mogelijk is de vaartuigen te volgen en te registreren waar hun visserijactiviteiten plaatsvinden;

Amendement    4

Ontwerpresolutie

Paragraaf (nieuw)

Ontwerpresolutie

Amendement

 

verzoekt de douaneautoriteiten van de lidstaten alle administratieve samenwerkingsmechanismen waarin wordt voorzien in titel V van Protocol nr. 4 toe te passen indien er twijfel is over de werkelijke oorsprong (Sahrawi of Marokkaans) van de goederen die worden aangeboden om te worden ingevoerd;

Amendement    5

Ontwerpresolutie

Paragraaf (nieuw)

Ontwerpresolutie

Amendement

 

benadrukt dat het Parlement de overeenkomst slechts zal goedkeuren als er onder meer een mechanisme komt om producten, waaronder visserijproducten, van de Westelijke Sahara en de daaraan grenzende wateren te traceren, zodat de douaneautoriteiten van de lidstaten en de consumenten een duidelijke aanduiding van hun plaats van herkomst hebben; verzoekt de EU en Marokko hiervoor snel een levensvatbare oplossing te presenteren; rekent erop dat de Commissie voorstellen doet om deze doelstelling te verwezenlijken;

Amendement    6

Ontwerpresolutie

Paragraaf (nieuw)

Ontwerpresolutie

Amendement

 

merkt op dat producten van oorsprong uit de Westelijke Sahara die zijn onderworpen aan controles door de Marokkaanse douaneautoriteiten krachtens de overeenkomst de daarin genoemde handelspreferenties genieten, en dat de tariefpreferenties bijgevolg niet mogen gelden voor visserijproducten die zijn verwerkt in het deel van de Westelijke Sahara dat niet door Marokko wordt gecontroleerd; rekent erop dat de Commissie duidelijkheid schept over de territoriale reikwijdte van de overeenkomst en ervoor zorgt dat exploitanten in de visserijsector in het niet door Marokko gecontroleerde deel van de Westelijke Sahara en visserijproducten uit dit gebied niet worden gediscrimineerd als gevolg van deze overeenkomst;

Amendement    7

Ontwerpresolutie

Paragraaf (nieuw)

Ontwerpresolutie

Amendement

 

betreurt de rechtsonzekerheid die is ontstaan als gevolg van het arrest van het Hof van Justitie van 21 december 2016; vindt het zorgwekkend dat de Commissie niet in staat is om betrouwbare gegevens te verstrekken over de preferentiële invoer van visserijproducten uit de Westelijke Sahara die sinds die datum mogelijk heeft plaatsgevonden ondanks het arrest in kwestie; vraagt zich af hoe groot de schade aan de begroting van de Unie is als gevolg van eventuele preferenties die tijdens deze periode zonder een geldige rechtsgrond zijn toegekend;


PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds

Document- en procedurenummers

2018/0256M(NLE)

Datum raadpleging / verzoek om goedkeuring

6.9.2018

 

 

 

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

INTA

13.9.2018

 

 

 

Medeadviserende commissies

       Datum bekendmaking

AFET

13.9.2018

AGRI

13.9.2018

PECH

13.9.2018

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Marietje Schaake

10.12.2018

 

 

 

Vervangen rapporteurs

Patricia Lalonde

 

 

 

Behandeling in de commissie

5.11.2018

 

 

 

Datum goedkeuring

10.12.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

9

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laima Liucija Andrikienė, Maria Arena, Tiziana Beghin, David Borrelli, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Karoline Graswander-Hainz, Christophe Hansen, France Jamet, Elsi Katainen, Jude Kirton-Darling, Bernd Lange, Anne-Marie Mineur, Sorin Moisă, Alessia Maria Mosca, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Tokia Saïfi, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Joachim Schuster, Joachim Starbatty, Adam Szejnfeld, Iuliu Winkler

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Sajjad Karim, Gabriel Mato, Georg Mayer, Ralph Packet, Johannes Cornelis van Baalen, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Paloma López Bermejo, Javier Nart, Anders Sellström, Miguel Urbán Crespo, Marco Zullo

Datum indiening

20.12.2018


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

24

+

ALDE

Johannes Cornelis van Baalen, Elsi Katainen, Javier Nart, Marietje Schaake

ECR

Sajjad Karim, Ralph Packet, Joachim Starbatty

EFDD

Tiziana Beghin, Marco Zullo

PPE

Laima Liucija Andrikienė, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Christophe Hansen, Gabriel Mato, Sorin Moisă, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Tokia Saïfi, Adam Szejnfeld, Jarosław Wałęsa, Iuliu Winkler

S&D

Bernd Lange, Alessia Maria Mosca, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández

9

-

ENF

France Jamet

GUE/NGL

Paloma López Bermejo, Anne-Marie Mineur, Helmut Scholz, Miguel Urbán Crespo

S&D

Maria Arena, Karoline Graswander-Hainz, Jude Kirton-Darling, Joachim Schuster

3

0

ENF

Georg Mayer

NI

David Borrelli

PPE

Anders Sellström

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 9 januari 2019Juridische mededeling