Procedure : 2018/2112(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0038/2019

Ingediende teksten :

A8-0038/2019

Debatten :

PV 11/02/2019 - 16
CRE 11/02/2019 - 16

Stemmingen :

PV 12/02/2019 - 9.16
CRE 12/02/2019 - 9.16
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0077

VERSLAG     
PDF 232kWORD 71k
28.1.2019
PE 629.770v02-00 A8-0038/2019

over de tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen inzake nauwere samenwerking

(2018/2112(INI))

Commissie constitutionele zaken

Rapporteur: Alain Lamassoure

AMENDEMENTEN
TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN
 ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN

Procedure en bronnen

In het kader van de voorbereiding van dit verslag over de tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen inzake nauwere samenwerking heeft de rapporteur informatie verzameld en onder meer gebruikgemaakt van de volgende bronnen:

  een hoorzitting over de institutionele structuur en governance van de bestaande vormen van nauwere samenwerking, die georganiseerd werd door de Commissie constitutionele zaken en die plaatsvond op 24 september 2018;

  de studie "The Implementation of Enhanced Cooperation in the EU", uitgevoerd in opdracht van beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken, die op 10 oktober 2018 werd gepresenteerd in de Commissie constitutionele zaken;

  een effectbeoordeling achteraf van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS), getiteld "The implementation of the Treaty provisions concerning enhanced cooperation";

  een uitgebreide analyse van de intergouvernementele samenwerking in federale staten, uitgevoerd door de beleidsondersteunende afdeling van DG EXPO;

  een studiebezoek aan Washington D.C., Verenigde Staten;

  een studiebezoek aan Bern, Zwitserland.

Belangrijkste bevindingen

Interne dimensie

Verdragsbepalingen inzake nauwere samenwerking:

Overeenkomstig de Verdragen kunnen lidstaten op Europese beleidsgebieden waarop de Unie geen exclusieve bevoegdheden heeft onderling een nauwere samenwerking aangaan. Nauwere samenwerking is mogelijk als daaraan ten minste negen lidstaten deelnemen. Nauwere samenwerking stelt de deelnemende lidstaten in staat om op het betreffende beleidsgebied intensiever samen te werken dan in de Verdragen is voorzien. Nauwere samenwerking vindt plaats onder auspiciën van de Europese Unie, waarbij de lidstaten gebruikmaken van de instellingen van de Unie en de procedures overeenkomstig de Verdragen (artikel 20 VEU en artikel 326 VWEU).

Nauwere samenwerking staat open voor alle lidstaten op het moment waarop zij wordt aangegaan. Deelneming op een later tijdstip blijft steeds mogelijk mits de lidstaat die wenst deel te nemen de in het kader van de nauwere samenwerking vastgestelde handelingen naleeft (artikel 20 VEU en de artikelen 327, 328 en 331 VWEU).

De procedure voor het aangaan van een nauwere samenwerking is neergelegd in artikel 329 VWEU. Toestemming om een nauwere samenwerking aan te gaan wordt verleend door de Raad (besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid, waarbij gestemd wordt door alle lidstaten, ook de lidstaten die niet aan de nauwere samenwerking deelnemen), op voorstel van de Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement.

De in het kader van een nauwere samenwerking vastgestelde handelingen worden niet beschouwd als onderdeel van het acquis van de Unie. Zij worden alleen door de deelnemende lidstaten toegepast (artikel 20 VEU) en zijn niet verbindend voor niet-deelnemende lidstaten.

De Raad en de Commissie zorgen voor de samenhang van ieder optreden in het kader van een nauwere samenwerking, zowel onderling als met het beleid van de Unie (artikel 334 VWEU).

Het Verdrag van Lissabon bevat "passerelle"-clausules waaraan in geval van nauwere samenwerking toepassing gegeven kan worden, behalve als het gaat om besluiten die gevolgen hebben op militair of defensiegebied. Overeenkomstig deze "passerelle"-clausules kan besloten worden dat handelingen niet meer met eenparigheid van stemmen hoeven te worden vastgesteld, maar dat daarvoor een gekwalificeerde meerderheid volstaat, en kan toepassing gegeven worden aan de gewone wetgevingsprocedure waar normaal de bijzondere wetgevingsprocedure van toepassing is (artikel 333 VWEU).

Het Verdrag voorziet in specifieke procedures voor nauwere samenwerking op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (de artikelen 22 en 31 VEU), voor permanente gestructureerde samenwerking op het gebied van defensie (artikel 42, lid 6, en artikel 46 VEU), voor samenwerking in het kader van een Europese defensiemissie en samenwerking in het kader van het Europees Defensieagentschap (de artikelen 44 en 45 VEU) en voor samenwerking in strafzaken en politiële samenwerking (de artikelen 82, 86 en 87 VWEU).

Artikel 332 VWEU heeft betrekking op de financiële aspecten van een nauwere samenwerking. In dit artikel wordt bepaald dat de kosten die verband houden met een nauwere samenwerking, met uitzondering van de administratieve kosten voor de instellingen, ten laste van de deelnemende lidstaten komen, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen van al zijn leden anders besluit.

Volgens artikel 330 VWEU kunnen alle lidstaten deelnemen aan de beraadslagingen, maar kunnen alleen de lidstaten die deelnemen aan een nauwere samenwerking een stem uitbrengen.

Voorbeelden van nauwere samenwerking:

Bijzondere bepalingen voor een specifieke lidstaat of een groep lidstaten bestaan reeds sinds het Verdrag van Rome, waarin was vastgelegd dat de Benelux-landen lid konden blijven van regionale unies. Dit uitgangspunt bleef bij de toetreding van Zweden, Finland en Denemarken behouden en dus konden deze landen lid blijven van de Noordse Raad.

Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam in 1999 bestaat er nauwere samenwerking in een vorm die vergelijkbaar is met de vorm zoals we die nu kennen. Bij het Verdrag van Lissabon werd er echter een aanzienlijke stroomlijning doorgevoerd waardoor de procedure veel efficiënter is geworden en fungeert als standaardprocedure voor gedifferentieerde integratie.

Tot nu toe is er slechts vier keer besloten tot het aangaan van een nauwere samenwerking, te weten op de volgende gebieden: het Europees Openbaar Ministerie, echtscheidingsrecht, vermogensrecht en EU-eenheidsoctrooi. Alleen op het gebied van het echtscheidingsrecht is reeds begonnen met de uitvoering.

Daarnaast is er nog een bijzondere vorm van nauwere samenwerking, de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO), waarover in 2017 overeenstemming werd bereikt en waaraan sinds dat jaar ook daadwerkelijk uitvoering wordt gegeven.

Ten slotte zij erop gewezen dat de Raad een machtigingsbesluit heeft aangenomen voor nauwere samenwerking tussen een aantal lidstaten op het gebied van belasting op financiële transacties, maar dat de uitvoering hiervan nog op zich laat wachten.

Vermeldenswaard is ook dat er in de Unie nog diverse andere vormen van gedifferentieerde integratie bestaan: het Schengenakkoord (het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken hebben een opt-out bedongen; enkele andere lidstaten willen graag toetreden), de eenheidsmunt (het Verenigd Koninkrijk en Denemarken hebben een opt-out bedongen; Zweden heeft de euro nog niet ingevoerd en enkele andere lidstaten zullen de euro invoeren als zij aan alle criteria daarvoor voldoen), "opt-out"-clausules met betrekking tot de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (Denemarken kiest voor constructieve onthouding).

Belangrijkste bevindingen van het onderzoek naar de uitvoering van de bestaande gevallen van nauwere samenwerking

•  de bestaande gevallen van nauwere samenwerking zijn zeer uiteenlopend: de aantallen deelnemende landen lopen sterk uiteen, de wetgevingstechnieken die toegepast worden zijn verschillend, er zijn verschillen in het type secretariaat of administratief orgaan dat bevoegd is voor de operationele fase en er zijn verschillen in de bepalingen inzake financiering en personeelsbezetting;

•  in alle gevallen werd tot nauwere samenwerking besloten nadat het onmogelijk bleek om in de Raad unanimiteit te bereiken;

•  behalve in het geval van PESCO werd altijd voor nauwere samenwerking gekozen als uiterste middel, na het mislukken van pogingen om in de Raad overeenstemming te bereiken over een ontwerpwetgevingsvoorstel van de Commissie;

•  ook al is nauwere samenwerking een uiterste middel, gebleken is dat het een instrument is waarmee een wetgevingsimpasse als gevolg van het ontbreken van unanimiteit in de Raad kan worden doorbroken (uitgezonderd de nauwere samenwerking op het gebied van belasting op financiële transacties, waarover nog altijd wordt onderhandeld);

•  de rechtsgrond is in de meeste gevallen een verordening van de Raad, met uitzondering van PESCO, waar het een besluit van de Raad is;

•  het aantal deelnemende lidstaten ligt meestal veel hoger dan het vereiste minimumaantal van 9, en varieert van 17 tot 26. Wat betreft de deelname aan nauwere samenwerking is het interessant om te vermelden dat België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Oostenrijk, Portugal en Slovenië aan alle gevallen van nauwere samenwerking hebben deelgenomen sinds die mogelijkheid bestaat, dat de lidstaten van de eurozone in dit kader gewoonlijk een centrale rol spelen, en dat de oostelijke en noordelijke lidstaten en de lidstaten die reeds een opt-out hebben bedongen minder vaak aan een nauwere samenwerking deelnemen;

•  hoewel slechts de deelnemende lidstaten stemmen, kunnen over het algemeen alle lidstaten deelnemen aan de beraadslagingen over nauwere samenwerking;

•  bij alle gevallen van nauwere samenwerking is voorzien in een herzieningsclausule;

•  het EOM (Europees Openbaar Ministerie) heeft veruit de ingewikkeldste operationele structuur, die nauwere samenwerking op het gebied van het eenheidsoctrooi omvat, en tevens een afzonderlijke intergouvernementele overeenkomst, los van de Verdragen, betreffende een eengemaakt octrooigerecht;

•  het proces van nauwere samenwerking inzake belasting op financiële transacties loopt nog, maar de werkzaamheden in dit kader liggen zeker niet stil, want de belanghebbende lidstaten blijven van gedachten wisselen over dit onderwerp en de Commissie doet haar best om alle niet-deelnemende landen hierbij te betrekken;

•  sommige gevallen van nauwere samenwerking (bijvoorbeeld de nauwere samenwerking inzake het EOM) zouden kunnen leiden tot "meeliftgedrag" bij niet-deelnemende lidstaten, maar in de praktijk hebben deze gevallen het hoogste aantal deelnemende lidstaten (26);

Belemmeringen voor en uitdagingen op het gebied van nauwere samenwerking

•  de totstandbrenging van nauwere samenwerking heeft in de tot nu toe gerealiseerde gevallen tamelijk veel tijd in beslag genomen (gemiddeld 4-5 jaar en in het geval van het Europees eenheidsoctrooi zelfs 12 jaar), met uitzondering van PESCO, waar de nauwere samenwerking veel sneller (in ongeveer een jaar) tot stand werd gebracht. De duur van de procedure kan ten dele verklaard worden door feit dat slechts in laatste instantie tot nauwere samenwerking kan worden besloten, namelijk als duidelijk is dat er in de Raad geen unanimiteit kan worden bereikt, maar zou ook toegeschreven kunnen worden aan een gebrek aan politieke wil om sneller vooruitgang te boeken wat betreft de zeer gevoelige onderwerpen waarbij gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om nauwere samenwerking aan te gaan. Een duidelijk voorbeeld is PESCO, waarbij er sprake was van een krachtige politieke wil, waardoor de besluitvorming veel sneller verliep en er veel sneller tot uitvoering kon worden overgegaan.

•  nauwere samenwerking kan niet uit het niets ontstaan; er moet een voorstel van de Commissie aan ten grondslag liggen, waarover in de normale wetgevingscyclus geen overeenstemming kon worden bereikt;

•  tot de belangrijkste obstakels voor nauwere samenwerking behoren het vereiste van unanimiteit en de verschillende soevereiniteitskwesties in de verschillende lidstaten;

•  nauwere samenwerking is alleen mogelijk op gebieden waarop sprake is van gedeelde bevoegdheden en mag de interne markt niet ondermijnen; dit is een wezenlijk, maar subjectief criterium, waarbij de Commissie de volledige bevoegdheid heeft om te beoordelen of aan dit criterium is voldaan of niet; dit gegeven kan de lidstaten ontmoedigen om zich in te zetten voor de totstandbrenging van nauwere samenwerking op gebieden die verband houden met de interne markt, omdat zij in dat geval moeten bewijzen dat de samenwerking de interne markt niet zal ondermijnen;

•  het vereiste van een gekwalificeerde meerderheid met deelname van alle lidstaten voor een machtiging tot nauwere samenwerking zorgt ervoor dat het vrij moeilijk is om tot nauwere samenwerking over te gaan met slechts het minimaal vereiste aantal lidstaten, en de kans dat dit lukt is nog kleiner als de lidstaten tot nauwere samenwerking wensen over te gaan op een gebied waarop eerder geen gekwalificeerde meerderheid werd bereikt;

•  wat een redelijke termijn is voor de constatering dat unanimiteit niet kan worden bereikt, zodat tot nauwere samenwerking kan worden overgegaan (artikel 20, lid 2, VEU), is moeilijk te bepalen;

•  de Raad kan pas toestemming verlenen om een nauwere samenwerking aan te gaan na goedkeuring van het Parlement, maar verder is de betrokkenheid van het Parlement slechts marginaal;

•  in de Verdragen is geen procedure vastgelegd voor de situatie dat een lidstaat zijn deelname aan een nauwere situatie wenst te beëindigen, noch voor de situatie dat een lidstaat niet langer aan de vereisten voldoet, uitgezonderd het speciale geval van PESCO (artikel 46, leden 4 en 5, VEU);

•  er is een potentiële lacune in de organisatie van nauwere samenwerking die verband houdt met het vereiste om in het kader van een nauwere samenwerking vast te houden aan het unanimiteitsvereiste, tenzij de "passerelle"-clausule van artikel 333 VWEU wordt toegepast en besloten wordt tot besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid. Het gevaar bestaat dat een niet-belanghebbende lidstaat gaat deelnemen aan een nauwere samenwerking uitsluitend om door gebruik te maken van het unanimiteitsvereiste de werking ervan te verstoren en te voorkomen dat de "passerelle"-clausule wordt toegepast om over te gaan tot besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid.

•  nauwere samenwerking biedt oplossingen voor gemeenschappelijke problemen met het gemak dat geprofiteerd kan worden van de institutionele en administratieve ondersteuning van de Unie, maar weerhoudt de lidstaten er niet van om ook buiten de EU-Verdragen om op zoek te gaan naar oplossingen;

Externe dimensie

Flexibele vormen van samenwerking op subfederaal niveau in de lidstaten:

Duitsland en Italië hebben wettelijke bepalingen die de mogelijkheid bieden tot diverse vormen van flexibele samenwerking op subfederaal niveau, enigszins vergelijkbaar met nauwere samenwerking. Artikel 117, voorlaatste alinea, van de Italiaanse grondwet luidt als volgt: "Overeenkomsten tussen een regio en andere regio's die ten doel hebben de uitvoering van taken op regionaal niveau te verbeteren, al dan niet door middel van de oprichting van gemeenschappelijke organen, worden geratificeerd door regionaal recht". Dergelijke overeenkomsten worden vaak gesloten met het oog op de uitvoering van gemeenschappelijke projecten, met name projecten met een grensoverschrijdende dimensie (gezondheid, vervoer, digitalisering van openbare diensten, enz.). Deze overeenkomsten, die betrekking hebben op gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheden van de staat vallen, worden gesloten onder benamingen als "overeenkomst", "protocol" en "akkoord".

Ook de Duitse deelstaten kennen vormen van verticale en horizontale coördinatie om praktische problemen op te lossen. Daarbij kan sprake zijn van tijdelijke of permanente regio-overschrijdende samenwerking. Horizontale samenwerking tussen en onder deelstaten vindt plaats op een soort derde (niet-grondwettelijk vastgelegd) niveau tussen het federale niveau en het niveau van de deelstaten. Eens per drie maanden vergaderen de minister-presidenten van de deelstaten om hun standpunt ten aanzien van gemeenschappelijke thema's te bepalen, die zij vervolgens voorleggen aan de federale regering, en de deelstaatministers voor de diverse beleidsgebieden vergaderen regelmatig met elkaar over een breed scala aan onderwerpen, waaronder ontwerpwetgeving. De conferentie van minister-presidenten van de deelstaten komt onder meer bijeen om de continuïteit van maatregelen op het niveau van de deelstaten te waarborgen, ondanks wisselende meerderheden in de Bondsraad, fungeert als controle-instrument ten opzichte van de federale regering, houdt de Europese ontwikkelingen in de gaten, fungeert als centraal punt voor diverse pacten tussen de deelstaten en als arbiter voor de vergaderingen van de deelstaatministers. Het vereiste van unanimiteit en het roterend voorzitterschap van de conferenties van minister-presidenten zorgen ervoor dat niet de partijbelangen van één partij de doorslag geven.

Het meest voorkomende en bekendste instrument voor samenwerking tussen de deelstaten is de interstatelijke overeenkomst. Een dergelijke overeenkomst is noch gebaseerd op het federale recht, noch op het recht van de deelstaten, maar op gewoonterecht, dat gevormd is op het "derde niveau" tussen de federatie en de deelstaten. Er zijn twee soorten van dergelijke overeenkomsten: administratieve overeenkomsten en statelijke overeenkomsten. Het verschil is dat de eerste vorm zich uitsluitend richt tot de uitvoerende instanties van de deelstaten, en de tweede vorm verbindend is voor de deelstaten zelf, en ook goedgekeurd moet worden door de parlementen van de deelstaten. Voorbeelden hiervan zijn overeenkomsten inzake de oprichting van bepaalde publieke radio- en televisienetwerken en kijk- en luistergeld, en de overeenkomst inzake de verdeling van studenten over de diverse universiteiten. Er zijn overeenkomsten waaraan alle deelstaten deelnemen en ook overeenkomsten tussen een aantal deelstaten.

Naast deze formele, juridisch bindende overeenkomsten is er ook nog de "politieke afspraak" (politische Absprache), die meestal het resultaat is van een conferentie van ministers van de deelstaten over een bepaald beleidsgebied dat van overkoepelend belang is. Zo komen in het kader van de permanente conferentie van ministers van Onderwijs en Cultuur van de deelstaten van de Bondsrepubliek Duitsland de ministers en senatoren van de deelstaten bijeen die verantwoordelijk zijn voor onderwijs en opleiding, hoger onderwijs en onderzoek en culturele zaken. Dit orgaan neemt resoluties aan die de status van aanbeveling hebben. De "afspraken" zijn niet juridisch bindend, maar worden wel geacht politiek en moreel bindend te zijn.

Buiten de Unie

Ook in een aantal federale staten buiten de Europese Unie wordt in verschillende omvang en in verschillende vormen samengewerkt. De rapporteur heeft met name onderzoek gedaan naar vormen van samenwerking in de VS, Zwitserland, Australië en Canada.

Verenigde Staten

Het politieke en juridische stelsel van de VS kent diverse vormen van flexibele samenwerking tussen de staten (interstatelijke overeenkomsten, geharmoniseerde wetten, memoranda van overeenstemming), die vergelijkbaar zijn met nauwere samenwerking in de EU. Vanwege de afwijkende aard van het Amerikaanse federalisme (competitief federalisme) zijn de beleidsgebieden waarop interstatelijke overeenkomsten worden gesloten niet dezelfde als die waarop in de EU dergelijke overeenkomsten worden gesloten. Veel interstatelijke overeenkomsten in de VS hebben betrekking op beleidsgebieden die verband houden met de interne markt, zoals belastingen, wederzijdse erkenning van kwalificaties en toegang tot gedeelde infrastructuur (waterwegen, metrostelsels en vervoer). Doel van de overeenkomsten is het vergemakkelijken van het leven van burgers en ondernemingen buiten het federale niveau om (omdat regulering op dat niveau veel omslachtiger is). Er zijn interstatelijke overeenkomsten die de hele VS bestrijken en waaraan dus alle staten van de VS deelnemen, maar zonder dat ook de federale overheid daaraan te pas komt. De belangrijkste reden om te kiezen voor deze samenwerkingsvorm is dat er zo veel sneller resultaten geboekt kunnen worden dan wanneer de federale overheid erbij betrokken zou worden.

Dat ligt anders in de EU. De EU heeft reeds een aanzienlijk niveau van harmonisatie van de regelgeving voor de interne markt bereikt en de gebieden waarop vooral gebruik wordt gemaakt van het instrument van nauwere samenwerking zijn de politiek gevoeliger gebieden waarop de lidstaten er niet in slagen om tot unanieme overeenstemming te komen. De gebieden waarop de EU kiest voor nauwere samenwerking, zoals PESCO en het EOM, zijn gebieden waarop in de VS juist sprake is van federale bevoegdheden.

Wat de juridische status van interstatelijke overeenkomsten en nauwere samenwerking betreft, zij erop gewezen dat interstatelijke overeenkomsten akkoorden zijn tussen staten, en dus geen federale wetten. Interstatelijke overeenkomsten krijgen echter wel de status van federale wet als het congres het noodzakelijk acht ze te bekrachtigen, wat regelmatig voorkomt. Voor nauwere samenwerking geldt echter dat alle wetgeving die in het kader van deze procedure wordt vastgesteld, automatisch Uniewetgeving wordt.

Interstatelijke overeenkomsten zijn een zeer flexibel instrument: het aantal deelnemende staten loopt sterk uiteen, staten kunnen toetreden en hun deelname beëindigen en ook gebeurt het regelmatig dat staten van verdere deelname worden uitgesloten.

Ondanks alle verschillen kunnen er tussen de twee systemen ook parallellen getrokken worden. Zo lijken de zogeheten uniforme wetten zeer sterk op de nauwere samenwerking in het kader van de EU inzake echtscheidingsrecht en vermogensrecht, en lijkt de nauwere samenwerking in het kader van de EU inzake belasting op financiële transacties, mocht die ooit een feit worden, erg op de interstatelijke overeenkomsten van de VS inzake belastingheffing.

De bestaande Amerikaanse voorbeelden van interstatelijke samenwerking kunnen van nut zijn voor de praktische organisatie van nauwere samenwerking in het kader van de EU. Bijvoorbeeld zou het zeer nuttig kunnen zijn om een speciale commissie in te stellen die onderzoek doet op gebieden waarop wellicht mogelijkheden zijn voor nauwere samenwerking in de toekomst. De VS kent dergelijke organen, te weten de National Governors’ Association, de Uniform Laws Commission en het National Centre for Interstate Compacts, die proactief onderzoek doen op gebieden waarop interstatelijke samenwerking wellicht voordelen zou kunnen opleveren. Interstatelijke overeenkomsten zijn gewoonlijk zeer gedetailleerd en omvatten ook aanvullende wetgeving waarin, nadat een politiek akkoord is bereikt, de dagelijkse werking van de overeenkomst wordt geregeld. Ook dit is een onderdeel dat wellicht bij toekomstige gevallen van nauwere samenwerking zou kunnen worden overgenomen: het opstellen van procedurele regels met nauwkeurige bepalingen inzake de besluitvorming, werking, administratie en begroting van de nauwere samenwerking nadat die is aangegaan.

Canada

Intergouvernementele betrekkingen vallen in Canada onder de uitvoerende macht en de Canadese grondwet bevat geen specifieke bepalingen inzake intergouvernementele samenwerking tussen provincies, territoria en de federale regering. De parlementen spelen in het kader van de intergouvernementele samenwerking geen rol van betekenis.

Intergouvernementele betrekkingen zijn geïnstitutionaliseerd door middel van vergaderingen van de premiers van de provincies en territoria (met de premier van de federale regering) en de Council of the Federation (zonder de premier). Deze fora lijken echter geen bindende intergouvernementele wetgeving te produceren. Canada kent formele en informele concordaten, maar die zijn slechts van raadgevende aard en binden de ondertekenende partijen niet.

Een bijzonderheid van het Canadese systeem is dat provincies de mogelijkheid hebben om niet deel te nemen aan overeenkomsten inzake kostendeling tussen de federale en de provinciale overheid en om niet deel te nemen aan wijzigingen van de grondwet waarbij wetgevende bevoegdheden worden overdragen van de provincies naar het parlement. Op grond van de constitutionele wet van 1982 wordt aan een provincie die ervoor kiest om niet aan een dergelijke wijziging met betrekking tot onderwijs of enige andere culturele aangelegenheid deel te nemen financiële compensatie toegekend. Quebec heeft er sinds 1965 (op grond van de Established Programs Act) reeds een aantal keren voor gekozen om aan een aantal grote programma's niet deel te nemen, bijvoorbeeld op het gebied van ziektekostenverzekering, beroepsopleiding, volksgezondheid, steun aan ouderen en gehandicapten.

Zwitserland

Op grond van artikel 48 van de Zwitserse grondwet hebben kantons het recht om interkantonnale overeenkomsten te sluiten. Het belangrijkste voorbeeld hiervan zijn de concordaten, die gebruikt worden om bestaande wetgeving ten uitvoer te leggen of om wetgeving of regelingen te creëren of te harmoniseren over de grenzen van de verschillende kantons heen. Voor elk concordaat moeten de wetgevingsprocedures van de verschillende kantons gevolgd worden en eenmaal gesloten worden zij aangemerkt als bindende wetgeving.

Een andere vorm van horizontale samenwerking is de interkantonnale conferentie. Interkantonnale conferenties zijn permanente fora voor intergouvernementele betrekkingen, waarbij leden van de bestuursraad die binnen hun eigen kanton verantwoordelijk zijn voor een bepaald beleidsgebied bijeenkomen om van gedachten te wisselen. Een specifiek voorbeeld van een dergelijke conferentie is de conferentie van kantonnale regeringen, die voornamelijk is opgericht om invloed te kunnen uitoefenen op beleidsmaatregelen op het gebied van internationale betrekkingen, en dan met name de Europese integratie.

Australië

Australië kent intergouvernementele overeenkomsten tussen provincies. Deze overeenkomsten vormen een belangrijk en flexibel instrument om problemen aan te pakken op gebieden waarop zowel de federale als de subfederale overheid bevoegdheden hebben. Daarnaast maken de Australische provincies veel gebruik van "mirroring legislation". Kort gezegd houdt dit in dat een staat wetgeving kan aannemen volgens de normale op het niveau van staten toe te passen wetgevingsprocedure, waarna deze wetgeving ook rechtstreeks van toepassing wordt in een andere staat die deze wetgeving wenst over te nemen.


ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen inzake nauwere samenwerking

(2018/2112(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de bepalingen van de Verdragen inzake nauwere samenwerking, met name de artikelen 20, 42, lid 6, 44, 45 en 46 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en de artikelen 82, 83, 86, 87, 187, 188, 326, 327, 328, 329, 330, 331, 332, 333 en 334 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de bepalingen van de Verdragen inzake andere bestaande vormen van gedifferentieerde integratie, met name de artikelen 136, 137 en 138 VWEU houdende specifieke bepalingen voor de lidstaten die de euro als munt hebben,

–  gezien het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie (VSCB),

–  gezien Protocol nr. 10 betreffende de permanente gestructureerde samenwerking, ingesteld bij artikel 42 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, Protocol nr. 14 betreffende de Eurogroep en Protocol nr. 19 betreffende het Schengenacquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(1),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele bestel van de Europese Unie(2),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over de begrotingscapaciteit voor de eurozone(3),

–  gezien zijn resolutie van 16 maart 2017 over constitutionele, juridische en institutionele gevolgen van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid: door het Verdrag van Lissabon geboden mogelijkheden(4),

–  gezien zijn resolutie van 17 januari 2019 over gedifferentieerde integratie(5),

–  gezien het witboek van de Commissie van 1 maart 2017 (COM(2017)2025) en de vijf naar aanleiding daarvan opgestelde discussienota’s (COM(2017)0206), COM(2017)0240, COM(2017)0291, COM(2017)0315, COM(2017)0358),

–  gezien de verklaring van Rome van 25 maart 2017,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0038/2019),

A.  overwegende dat de Unie er een bijzonder belang bij heeft dat de lidstaten, op bepaalde gebieden waarop de Unie geen exclusieve bevoegdheden heeft, een nauwere samenwerking aangaan om op die manier het Europese project een stap verder te brengen en het leven van de burgers te vergemakkelijken;

B.  overwegende dat overeenkomstig artikel 20, lid 2, nauwere samenwerking slechts in laatste instantie kan worden aangegaan, namelijk wanneer de met de nauwere samenwerking nagestreefde doelstellingen niet binnen een redelijke termijn door de Unie in haar geheel kunnen worden verwezenlijkt;

C.  overwegende dat nauwere samenwerking niet beschouwd moet worden als instrument dat bepaalde lidstaten uitsluit of leidt tot verdeeldheid onder de lidstaten, maar gezien moet worden als een pragmatische oplossing ter bevordering van de Europese integratie;

D.  overwegende dat het vanwege de gevoelige aard van sommige beleidsgebieden niet altijd mogelijk is om de gewone wetgevingsprocedure te volgen, niet alleen omdat in het kader van die procedure eenparigheid van stemmen verlangd wordt, maar ook omdat in de Raad altijd gestreefd wordt naar consensus tussen de lidstaten, ook als een gekwalificeerde meerderheid voldoende zou zijn om tot een besluit te komen;

E.  overwegende dat alle initiatieven tot nauwere samenwerking, met uitzondering van de belasting op financiële transacties, in de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen hadden kunnen worden vastgesteld, als gekwalificeerde meerderheid vereist zou zijn en niet unanimiteit;

F.  overwegende dat er diverse voorbeelden bestaan van subgroepen van lidstaten die in bilaterale of multilaterale vorm met elkaar samenwerken buiten het kader van de Verdragen om, bijvoorbeeld op het gebied van defensie; overwegende dat de economische en monetaire crisis in sommige gevallen noopte tot het snel nemen van besluiten en tot het laten vallen van het unanimiteitsvereiste, wat heeft geleid tot de vaststelling van intergouvernementele instrumenten buiten het rechtskader van de EU, zoals het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) en het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie (VSCB of "begrotingspact");

G.  overwegende dat de procedure voor nauwere samenwerking inhoudt dat ten minste negen lidstaten op een bepaald gebied binnen de structuur van de EU een intensiever samenwerkingsverband tot stand mogen brengen, zonder de overige lidstaten daarbij te betrekken; overwegende dat nauwere samenwerking de daaraan deelnemende lidstaten in staat stelt een gemeenschappelijk doel of initiatief te verwezenlijken en te voorkomen dat onderhandelingen in een impasse raken of door een of meerdere andere lidstaten worden tegengehouden wanneer eenparigheid van stemmen vereist is; overwegende dat in artikel 20, lid 4, VEU is bepaald dat in het kader van een nauwere samenwerking vastgestelde handelingen alleen verbindend zijn voor de lidstaten die aan de nauwere samenwerking deelnemen; overwegende dat nauwere samenwerking alleen kan worden aangegaan op gebieden waarop de EU geen exclusieve bevoegdheden heeft;

H.  overwegende dat in artikel 328, lid 1, is bepaald dat de Commissie en de aan een nauwere samenwerking deelnemende lidstaten erop toe moeten zien dat de deelneming van zoveel mogelijk lidstaten wordt bevorderd;

I.  overwegende dat gebleken is dat nauwere samenwerking tot bevredigende resultaten heeft geleid op het gebied van het echtscheidingsrecht(6), en interessante perspectieven biedt op het gebied van het vermogensrecht(7), het Europees eenheidsoctrooi en het Europees Openbaar Ministerie;

J.  overwegende dat de eerste ervaringen die zijn opgedaan met nauwere samenwerking enkele problemen in verband met dit concept aan het licht hebben gebracht die samenhangen met het feit dat de Verdragen slechts weinig bepalingen bevatten inzake de praktische uitvoering en er bovendien sprake is van een gebrekkige follow-up door de instellingen van de Unie;

K.  overwegende dat uit bestudering van de diverse modellen die toegepast worden in de EU-lidstaten met een federaal model en in federaties buiten de Unie is gebleken dat er door subfederale entiteiten op gebieden van algemeen belang vaak gebruik wordt gemaakt van flexibele samenwerkingsmechanismen;

L.   overwegende dat de lidstaten zonder toepassing van "passerelle"-clausules waarmee in de Raad kan worden overgegaan van besluitvorming met eenparigheid van stemmen op besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid en zonder een omvattende herziening van de Verdragen in de toekomst wellicht vaker toepassing zullen geven aan de bepalingen inzake nauwere samenwerking, om gezamenlijke problemen aan te pakken en gezamenlijke doelstellingen te verwezenlijken;

M.  overwegende dat het met het oog op de soepele werking van dit instrument van belang is om een lijst met punten op te stellen waaraan aandacht moet worden besteed en daarnaast te zorgen voor een routekaart voor een doeltreffende werking van het instrument nauwere samenwerking, naar de letter en de geest van de Verdragen;

Belangrijkste opmerkingen

1.  maakt zich zorgen over het feit dat nauwere samenwerking weliswaar een oplossing biedt voor een gemeenschappelijk probleem, met gebruikmaking van de institutionele structuur van de Unie waardoor de administratieve lasten voor de deelnemende lidstaten beperkt blijven, maar er niet voor heeft gezorgd dat de noodzaak om buiten de Verdragen om vormen van intergouvernementele subgroepen te creëren volledig is weggenomen, en dat de vorming van dergelijke structuren ten koste gaat van de consistentie van de toepassing van het juridisch kader van de EU en daardoor tevens leidt tot een gebrek aan passende democratische controle;

2.  is van mening dat het gemeenschappelijke institutionele kader van de EU behouden moet blijven, teneinde de gemeenschappelijke doelstellingen van de Unie te verwezenlijken en het beginsel van gelijkheid van alle burgers te waarborgen; staat erop dat de communautaire methode of Unie-methode in stand gehouden wordt;

3.  benadrukt dat nauwere samenwerking, anders dan intergouvernementele verdragen, een instrument voor het oplossen van problemen is dat niet alleen legaal maar ook gemakkelijk toepasbaar is, omdat het gebaseerd is op bepalingen in de Verdragen en toegepast wordt binnen de institutionele structuur van de Unie;

4.  wijst erop dat nauwere samenwerking, sinds de invoering van dit instrument bij het Verdrag van Amsterdam, vanwege de aard ervan en vanwege het feit dat dit instrument alleen in laatste instantie mag worden toegepast weliswaar nog niet op grote schaal is toegepast, maar aan belang lijkt te winnen en bovendien tastbare resultaten oplevert;

5.  wijst erop dat uit de tot nu toe opgedane ervaringen blijkt dat nauwere samenwerking het vaakst wordt aangegaan op gebieden waarop de besluitvorming geschiedt door middel van een bijzondere wetgevingsprocedure waarbij unanimiteit vereist is, en voornamelijk is toegepast op het gebied van justitie en binnenlandse zaken;

6.  wijst erop dat de procedure voor het aangaan en de uitvoering van nauwere samenwerking tot nu toe veel tijd in beslag heeft genomen, met name omdat niet duidelijk gedefinieerd is wat verstaan moet worden onder een redelijke termijn voor de vaststelling dat het vereiste aantal stemmen niet bereikt wordt en omdat de politieke wil ontbrak om het politieke proces te versnellen;

7.  wijst erop dat het gebrek aan duidelijke operationele richtsnoeren voor de opzet en het beheer van nauwere samenwerking, bijvoorbeeld inzake de toepasselijke wetgeving voor gemeenschappelijke instellingen of procedures voor beëindiging van bestaande samenwerking, er wellicht voor heeft gezorgd dat er minder vaak een nauwere samenwerking wordt aangegaan;

8.  herinnert eraan dat in het kader van nauwere samenwerking gebruik wordt gemaakt van de institutionele orde en het recht van de Unie, maar dat de in het kader van nauwere samenwerking vastgestelde handelingen niet automatisch deel uitmaken van het acquis;

9.  is van oordeel dat nauwere samenwerking, hoewel dit instrument beschouwd wordt als een "tweede-keusscenario", een waardevol instrument is om problemen op het niveau van de Unie op te lossen en geschikt is om een aantal institutionele impasses te doorbreken;

10.  is van oordeel dat aan de eerdergenoemde lijst met punten aandacht moet worden besteed om een doeltreffende toepassing en organisatie van het instrument nauwere samenwerking te realiseren, ongeacht het beleidsgebied waarom het gaat of de vorm waarin het wordt gegoten;

Aanbevelingen

11.  stelt daarom voor dat, met het oog op de soepele werking en doeltreffende uitvoering van nauwere samenwerking, aandacht besteed wordt aan een reeks punten en een routekaart wordt gevolgd, zoals hieronder aangegeven;

Besluitvormingsprocedure

12.  wijst erop dat de politieke impuls voor nauwere samenwerking van de lidstaten moet komen, maar dat de discussies over de inhoud ervan gebaseerd moeten zijn op een voorstel van de Commissie;

13.  herinnert eraan dat artikel 225 VWEU het Parlement het recht geeft om een quasi-wetgevingsinitiatief te nemen, wat aldus uitgelegd moet worden dat het Parlement de mogelijkheid heeft om nauwere samenwerking te initiëren op basis van een voorstel van de Commissie waarover geen overeenstemming kon worden bereikt via de reguliere besluitvormingsprocedure binnen het mandaat van twee opeenvolgende voorzitterschappen van de Raad;

14.  is van oordeel dat als gedurende twee opeenvolgende Raadsvoorzitterschappen geen wezenlijke vooruitgang is geboekt binnen de Raad, de conclusie getrokken moet worden dat de beoogde doelstellingen niet door de Unie in haar geheel kunnen worden verwezenlijkt, overeenkomstig het vereiste van artikel 20 VEU;

15.  is van oordeel dat verzoeken van lidstaten om onderling een nauwere samenwerking aan te gaan in beginsel gebaseerd moeten zijn op doelstellingen die minstens zo ambitieus zijn als de doelstellingen die door de Commissie waren geformuleerd voordat werd vastgesteld dat deze niet binnen een redelijke termijn door de Unie in haar geheel konden worden verwezenlijkt;

16.  beveelt ten sterkste aan dat, onmiddellijk nadat de Raad toestemming heeft verleend om nauwere samenwerking aan te gaan, de bijzondere "passerelle"-clausule van artikel 333 VWEU wordt geactiveerd, waarmee wordt overgegaan van besluitvorming met eenparigheid van stemmen op besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid en de gewone wetgevingsprocedure wordt gevolgd in plaats van een bijzondere wetgevingsprocedure, om te voorkomen dat de besluitvorming wederom stagneert vanwege het aanzienlijke aantal deelnemende lidstaten;

17.  acht het noodzakelijk dat in het besluit om toestemming te verlenen tot het aangaan van nauwere samenwerking het kader wordt aangegeven voor de betrekkingen met de niet-deelnemende lidstaten; is van oordeel dat de lidstaten die niet deelnemen aan de nauwere samenwerking desondanks betrokken moeten worden bij de beraadslagingen over het onderwerp waarop de nauwere samenwerking betrekking heeft;

18.  herinnert eraan dat de secretariaten van de Commissie en de Raad de belangrijke taak hebben om ervoor te zorgen dat de lidstaten die niet aan de nauwere samenwerking deelnemen niet op zodanige wijze worden achtergesteld dat hun deelname in een later stadium bemoeilijkt wordt;

Administratie

19.  pleit ervoor dat de Commissie in alle stadia van de nauwere samenwerking, van het voorstel en de beraadslagingen tot en met de uitvoering van de nauwere samenwerking, een actieve rol speelt;

20.  bekrachtigt dat de eenheid van de EU-instellingen behouden moet blijven en dat nauwere samenwerking niet mag leiden tot de vorming van parallelle institutionele regelingen, maar is van oordeel dat er, waar passend, binnen het rechtskader van de EU specifieke organen moeten kunnen worden ingesteld, waarbij geen afbreuk mag worden gedaan aan de bevoegdheden en de rol van de instellingen en organen van de Unie;

Parlementaire controle

21.  herinnert eraan dat het Parlement belast is met de parlementaire controle op nauwere samenwerking; dringt erop aan dat op beleidsgebieden waarop sprake is van gedeelde bevoegdheden, naast het Europees Parlement ook de nationale parlementen en, in voorkomend geval, regionale parlementen meer betrokken worden bij het democratisch toezicht op nauwere samenwerking; wijst op de mogelijkheid om, waar nodig en onverminderd de bevoegdheden van het Parlement, een interparlementair forum op te richten naar het voorbeeld van de interparlementaire conferentie uit hoofde van artikel 13 van het VSCB of de interparlementaire conferentie voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB);

22.  benadrukt dat het noodzakelijk is dat de lidstaten die deelnemen aan een nauwere samenwerking, de regio's die wetgevende bevoegdheden hebben bij deze nauwere samenwerking betrekken als het gaat om onderwerpen die hen raken, zodat de interne verdeling van bevoegdheden wordt geëerbiedigd en de sociale legitimiteit van de nauwere samenwerking wordt vergroot;

23.  pleit ervoor dat het Parlement in het kader van nauwere samenwerking een krachtiger rol gaat spelen, door de Commissie overeenkomstig artikel 225 VWEU te verzoeken om nieuwe vormen van samenwerking voor te stellen, en door voorstellen of bestaande vormen van samenwerking te toetsen; is van oordeel dat het Parlement bij elk stadium van de procedure betrokken moet worden en dus meer moet doen dan alleen maar goedkeuring verlenen; is tevens van oordeel dat er op gezette tijden aan het Parlement verslag moet worden uitgebracht en dat het Parlement zich moet kunnen uitspreken over de uitvoering van nauwere samenwerking;

24.  verzoekt de Raad om het Parlement voortaan bij procedures voor nauwere samenwerking te betrekken alvorens het Parlement om goedkeuring van de definitieve tekst te verzoeken, zodat de medewetgevers van de Unie optimaal kunnen samenwerken;

25.  betreurt evenwel dat de Raad, ondanks de constructieve en voorzichtige aanpak van het Parlement met betrekking tot de procedure voor nauwere samenwerking, niet bijzonder bereid lijkt te zijn om het Parlement formeel bij de procedure te betrekken alvorens het Parlement om goedkeuring van de definitieve tekst te verzoeken;

26.  vindt het noodzakelijk dat het Parlement zijn interne organisatie op het gebied van nauwere samenwerking verbetert; is in dit kader van oordeel dat elke nauwere samenwerking gevolgd moet worden door een daartoe bevoegde vaste commissie, en pleit er daarom voor dat in het Reglement van het Europees Parlement wordt bepaald dat er subcommissies ad hoc kunnen worden ingesteld, waarvan bij voorrang die leden van het Parlement deel kunnen uitmaken die verkozen zijn in de lidstaten die aan de betreffende nauwere samenwerking deelnemen;

Begroting

27.  is van oordeel dat de operationele kosten in verband met nauwere samenwerking gedragen moeten worden door de lidstaten die de nauwere samenwerking zijn aangegaan en dat kosten die ten laste komen van de EU-begroting aan de niet-deelnemende landen moeten worden terugbetaald, tenzij de Raad na raadpleging van het Parlement overeenkomstig artikel 332 VWEU besluit dat de samenwerking gefinancierd wordt uit de EU-begroting, waarmee de uitgaven deel gaan uitmaken van de begroting en dus onderworpen zijn aan de jaarlijkse begrotingsprocedure;

28.  is van oordeel dat als er door de activiteit die door middel van nauwere samenwerking wordt gereguleerd inkomsten worden gegenereerd, deze inkomsten gebruikt moeten worden om de operationele kosten in verband met de nauwere samenwerking te dekken;

Rechtsmacht

29.  is van oordeel dat nauwere samenwerking onder de rechtstreekse rechtsmacht van het Europees Hof van Justitie moet vallen, onverminderd de mogelijkheid om indien dat noodzakelijk is met het oog op de werking van een specifiek geval van nauwere samenwerking een arbitrageprocedure of een gerecht voor de beslechting van geschillen in eerste aanleg in te stellen, tenzij in het Verdrag anders is bepaald, hetgeen in de rechtshandeling tot instelling van nauwere samenwerking moet zijn bepaald;

30.  wijst erop dat als het in het kader van een nauwere samenwerking noodzakelijk is dat er een bijzonder arbitragemechanisme of bijzonder gerecht wordt ingesteld, het Hof van Justitie altijd het laatste arbitrage-orgaan moet zijn;

Aanpassing van de institutionele structuur van de Unie

31.  pleit voor instelling van een speciale eenheid voor nauwere samenwerking binnen de Commissie, onder leiding van de commissaris die verantwoordelijk is voor interinstitutionele betrekkingen, om de institutionele structuur voor de totstandbrenging van initiatieven inzake nauwere samenwerking te coördineren en te stroomlijnen;

32.  acht het noodzakelijk dat de secretariaten van de Commissie en de Raad zich in het kader van nauwere samenwerking proactiever opstellen en pleit er daarom voor dat de secretariaten in samenwerking met het Comité van de Regio's en met name het platform van de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) van het Comité van de Regio's actief gaan zoeken naar gebieden waarop nauwere samenwerking nuttig kan zijn met het oog op de versterking van het Europese project of naar gebieden die raakvlakken hebben met bestaande vormen van nauwere samenwerking, zodat overlappingen en tegenstrijdigheden kunnen worden voorkomen;

Terugtrekking of uitsluiting van deelname van lidstaten

33.  wijst erop dat er in de Verdragen geen bepalingen zijn opgenomen inzake de terugtrekking van lidstaten uit of uitsluiting van deelname van lidstaten aan bestaande gevallen van nauwere samenwerking, uitgezonderd de bepalingen inzake permanente gestructureerde samenwerking (PESCO);

34.  is van oordeel dat er in alle gevallen van nauwere samenwerking duidelijke regels moeten worden vastgesteld inzake terugtrekking van lidstaten die niet langer aan de nauwere samenwerking wensen deel te nemen en inzake uitsluiting van deelname van lidstaten die niet langer voldoen aan de voorwaarden die aan de nauwere samenwerking zijn verbonden; pleit ervoor dat de voorwaarden voor eventuele terugtrekking door of uitsluiting van deelname van een lidstaat worden vastgelegd in de rechtshandeling tot instelling van nauwere samenwerking;

Aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van nauwere samenwerking

35.  acht het noodzakelijk dat er een procedure wordt uitgewerkt voor versnelde goedkeuring van nauwere samenwerking op gebieden van groot politiek belang, in die zin dat in die gevallen een termijn geldt die ten hoogste de duur van twee opeenvolgende voorzitterschappen van de Raad omvat;

36.  verzoekt de lidstaten die deelnemen aan een nauwere samenwerking ernaar te streven dat de nauwere samenwerking in het acquis communautaire wordt opgenomen;

37.  verzoekt de Commissie om overeenkomstig artikel 175, derde alinea, of artikel 352 VWEU maatregelen voor te stellen om het wettelijk kader voor nauwere samenwerking te vereenvoudigen en te harmoniseren (bijvoorbeeld de leidende beginselen inzake de toepasselijke wetgeving voor gemeenschappelijke instellingen of de terugtrekking van een lidstaat) en daarmee het aangaan van nauwere samenwerking te vereenvoudigen;

38.  stelt voor bij een volgende herziening van de Verdragen te onderzoeken of regio's of subnationale organen, met inachtneming van de nationale grondwetten, een rol kunnen spelen bij nauwere samenwerking wanneer deze verband houdt met de exclusieve bevoegdheden van het betreffende niveau;

°

°  °

39.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

(1)

PB C 252 van 18.7.2018, blz. 215.

(2)

PB C 252 van 18.7.2018, blz. 201.

(3)

PB C 252 van 18.7.2018, blz. 235.

(4)

PB C 263 van 25.7.2018, blz. 125.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0044.

(6)

Verordening (EU) nr. 1259/2010 van de Raad van 20 december 2010 tot nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed.

(7)

Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels.


ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (11.1.2019)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake de tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen betreffende nauwere samenwerking

(2018/2112(INI))

Rapporteur voor advies: Tomáš Zdechovský

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat in artikel 86 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) wordt voorzien in een uitdrukkelijke formele basis voor de oprichting van een Europees Openbaar Ministerie (EOM) en dat in het artikel tevens de toepasselijke wetgevingsprocedure en het toepasselijk wetgevingsinstrument worden bepaald, alsook het toepassingsgebied en de bevoegdheden van het toekomstige EOM;

B.  overwegende dat het belangrijk is dat de EU en alle lidstaten fraude die schadelijk is voor de financiële belangen van de EU op een doeltreffende en afschrikkende wijze opsporen en vervolgen om zo de belastingbetalers uit alle lidstaten, die een bijdrage leveren aan de begroting van de Unie, te beschermen;

C.  overwegende dat in artikel 86 VWEU uitdrukkelijk wordt bepaald dat nauwere samenwerking tot stand kan worden gebracht indien er geen eensgezindheid bestaat;

D.  overwegende dat de procedure voor nauwere samenwerking inhoudt dat ten minste negen lidstaten op een bepaald gebied binnen de structuur van de EU een intensiever samenwerkingsverband tot stand mogen brengen, zonder de overige lidstaten daarbij te betrekken; overwegende dat nauwere samenwerking de daaraan deelnemende lidstaten in staat stelt een gemeenschappelijk doel of initiatief te verwezenlijken en te voorkomen dat onderhandelingen in een impasse raken of door een of meerdere andere lidstaten worden tegengehouden wanneer eenparigheid van stemmen vereist is; overwegende dat de in het kader van een nauwere samenwerking vastgestelde handelingen volgens artikel 20, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) alleen bindend zijn voor de lidstaten die aan de nauwere samenwerking deelnemen; overwegende dat de nauwere samenwerking beperkt is tot gebieden waar de EU geen exclusieve bevoegdheden heeft;

E.  overwegende dat de Commissie en de lidstaten die aan de nauwere samenwerking deelnemen er overeenkomstig artikel 328, lid 1, VWEU voor zorgen dat zij zoveel mogelijk lidstaten aansporen om aan de samenwerking deel te nemen;

1.  bevestigt opnieuw dat het Parlement groot voorstander is van de oprichting van een doeltreffend en onafhankelijk EOM om ervoor te zorgen dat de huidige nationale rechtshandhavingsinspanningen ter bescherming van de EU-begroting minder versnipperd zijn en om de bestrijding van fraude in de Europese Unie op te voeren;

2.  herinnert eraan dat het Parlement drie resoluties over de instelling van het Europees Openbaar Ministerie heeft aangenomen, namelijk op 29 april 2015(1), op 5 oktober 2016(2) en op 5 oktober 2017(3); stelt vast dat een aantal van de zorgen van het Parlement die in de bovengenoemde resoluties tot uiting komen, tot op zekere hoogte aan de orde wordt gesteld in de definitieve, door de Raad goedgekeurde tekst; verzoekt de Raad het Parlement in de toekomst te betrekken bij een eventuele procedure voor nauwere samenwerking alvorens het Parlement om goedkeuring van de definitieve tekst te verzoeken, zodat de medewetgevers van de Unie zo goed mogelijk kunnen samenwerken;

3.  betreurt het echter dat de Raad ondanks de constructieve, voorzichtige aanpak van het Parlement met betrekking tot de procedure voor nauwere samenwerking niet bijzonder bereid lijkt te zijn om het Parlement formeel bij de procedure te betrekken alvorens het Parlement om goedkeuring van de definitieve tekst te verzoeken;

4.  is verheugd dat reeds 22 lidstaten deelnemen aan nauwere samenwerking op het gebied van het EOM en wijst op het inclusieve karakter van het EOM; spoort de lidstaten die nog niet deelnemen aan dit zo snel mogelijk te doen, zodat de efficiëntie van het EOM kan worden verbeterd;

5.  merkt op dat het EOM, na de voltooiing van de driejarige opbouwfase, naar verwachting tegen eind 2020 zijn taken oppakt, wat betekent dat het nog te vroeg is om de tenuitvoerlegging van het EOM te beoordelen;

6.  benadrukt dat voor de tenuitvoerlegging van het EOM doeltreffende en efficiënte samenwerking tussen de nationale aanklagers en het EOM vereist is, alsook met de instanties van de EU, zoals het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en Eurojust;

7.  volgt alle stappen die tot dusver bij de oprichting van het EOM zijn genomen op de voet, met inbegrip van de uitvoeringsmaatregelen voor de selectie en benoeming van de Europese hoofdaanklager en de Europese openbaar aanklagers, en de begrotingsmaatregelen;

8.  verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig en volledig op de hoogte te brengen van elke fase van de tenuitvoerlegging en institutionele ontwikkeling van het EOM, met het oog op de mogelijke uitbreiding van zijn mandaat en de toevoeging daaraan van de bestrijding van grensoverschrijdend terrorisme;

9.  is verheugd dat achttien lidstaten met ingang van 29 januari 2019 zullen deelnemen aan nauwere samenwerking op het gebied van vermogensstelsels van huwelijken en geregistreerde partnerschappen; onderstreept dat de grondrechten, waaronder het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie‑ en gezinsleven, en het recht op non-discriminatie, moeten worden beschermd.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.1.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

36

6

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Asim Ademov, Martina Anderson, Heinz K. Becker, Monika Beňová, Michał Boni, Caterina Chinnici, Rachida Dati, Frank Engel, Laura Ferrara, Romeo Franz, Ana Gomes, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Monika Hohlmeier, Sophia in ‘t Veld, Cécile Kashetu Kyenge, Monica Macovei, Roberta Metsola, Claude Moraes, Ivari Padar, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Csaba Sógor, Helga Stevens, Traian Ungureanu, Bodil Valero, Marie-Christine Vergiat, Udo Voigt, Josef Weidenholzer, Cecilia Wikström, Kristina Winberg, Tomáš Zdechovský, Auke Zijlstra

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Dennis de Jong, Anna Hedh, Lívia Járóka, Marek Jurek, Jean Lambert, Jeroen Lenaers, Andrejs Mamikins, Angelika Mlinar, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Christine Revault d’Allonnes Bonnefoy

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Fernando Ruas, Adam Szejnfeld

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

36

+

ALDE

Nathalie Griesbeck, Sophia in ‘t Veld, Angelika Mlinar, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Cecilia Wikström

EFDD

Laura Ferrara

PPE

Asim Ademov, Heinz K. Becker, Michał Boni, Rachida Dati, Frank Engel, Monika Hohlmeier, Lívia Járóka, Jeroen Lenaers, Roberta Metsola, Fernando Ruas, Csaba Sógor, Adam Szejnfeld, Traian Ungureanu, Tomáš Zdechovský

S&D

Monika Beňová, Caterina Chinnici, Ana Gomes, Sylvie Guillaume, Anna Hedh, Cécile Kashetu Kyenge, Andrejs Mamikins, Claude Moraes, Ivari Padar, Christine Revault d’Allonnes Bonnefoy, Birgit Sippel, Josef Weidenholzer

VERTS/ALE

Romeo Franz, Jean Lambert, Judith Sargentini, Bodil Valero

6

-

ECR

Marek Jurek, Monica Macovei, Helga Stevens, Kristina Winberg

ENF

Auke Zijlstra

NI

Udo Voigt

3

0

GUE/NGL

Martina Anderson, Dennis de Jong, Marie-Christine Vergiat

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB C 346 van 21.9.2016, blz. 27.

(2)

PB C 215 van 19.6.2018, blz. 18.

(3)

PB C 346 van 27.9.2018, blz. 246.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.1.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

2

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Mercedes Bresso, Pascal Durand, Esteban González Pons, Danuta Maria Hübner, Ramón Jáuregui Atondo, Alain Lamassoure, Jo Leinen, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Markus Pieper, Paulo Rangel, Helmut Scholz, György Schöpflin, Pedro Silva Pereira, Barbara Spinelli, Josep-Maria Terricabras, Kazimierz Michał Ujazdowski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Pervenche Berès, Ashley Fox, Sylvia-Yvonne Kaufmann

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Michael Gahler, Jarosław Wałęsa


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

18

+

ALDE

Maite Pagazaurtundúa Ruiz

NI

Kazimierz Michał Ujazdowski

PPE

Michael Gahler, Esteban González Pons, Danuta Maria Hübner, Alain Lamassoure, Markus Pieper, Paulo Rangel, György Schöpflin, Jarosław Wałęsa

S&D

Pervenche Berès, Mercedes Bresso, Ramón Jáuregui Atondo, Sylvia Yvonne Kaufmann, Jo Leinen, Pedro Silva Pereira

VERTS/ALE

Pascal Durand, Josep Maria Terricabras

2

-

ECR

Ashley Fox

ENF

Gerolf Annemans

2

0

GUE/NGL

Helmut Scholz, Barbara Spinelli

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 5 februari 2019Juridische mededeling