Procedure : 2018/2111(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0041/2019

Ingediende teksten :

A8-0041/2019

Debatten :

PV 11/02/2019 - 16
CRE 11/02/2019 - 16

Stemmingen :

PV 12/02/2019 - 9.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0076

VERSLAG     
PDF 272kWORD 88k
29.1.2019
PE 631.784v02-00 A8-0041/2019

over de tenuitvoerlegging van de verdragsbepalingen inzake EU-burgerschap

(2018/2111(INI))

Commissie constitutionele zaken

Rapporteur: Maite Pagazaurtundúa Ruiz

AMENDEMENTEN
TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN
 ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie verzoekschriften
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN

Inleiding

Overeenkomstig artikel 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit burger van de Unie. Het burgerschap van de Unie komt bovenop het nationale burgerschap zonder dat te vervangen, en bestaat uit een combinatie van rechten en plichten die verband houden met de rechten die voortvloeien uit het burgerschap van een lidstaat.

Het Europese burgerschap is er nooit in geslaagd de rol van Europese burgers op andere gebieden van de opbouw van Europa volledig te weerspiegelen en heeft een zeer beperkte materiële impact op de gemiddelde burger.

Het is een constructie die nergens ter wereld een equivalent heeft. De invoering ervan is een van de successen van het Europese project, maar het valt niet te ontkennen dat het zijn volledige potentieel niet heeft bereikt. Dit verslag over de tenuitvoerlegging van de verdragsbepalingen inzake burgerschap is bedoeld om de doeltreffendheid van de in de Verdragen vervatte begrippen te evalueren. Het heeft tevens tot doel de Europese instellingen aanbevelingen te doen met het oog op de verbetering van de tenuitvoerlegging, reikwijdte en doeltreffendheid ervan, teneinde de kloof tussen het Europese integratieproces en het potentieel van het burgerschap van de Unie te verkleinen.

Onderzoeksactiviteiten

Bij de voorbereiding van het verslag zijn de volgende onderzoeksactiviteiten uitgevoerd:

-  technische vergaderingen met de Europese Commissie, DG JUST, C3 – Burgerschap en vrij verkeer,

-  een analyse van de academische literatuur over vrij verkeer, bestrijding van discriminatie, staatloosheid en verwerving van burgerschap, en de studies van beleidsondersteunende afdeling C over belemmeringen voor het recht op vrij verkeer en verblijf voor EU-burgers en hun gezinnen (september 2016) en de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement over het programma Europa voor de burger 2014-2020 (juli 2016),

-  een analyse van het verslag van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten getiteld "Making EU citizens' rights a reality: national courts enforcing freedom of movement and related rights" (Verwezenlijking van de rechten van EU-burgers: handhaving van vrij verkeer en aanverwante rechten door nationale rechtbanken) van augustus 2018,

-  een overzicht van de rechtspraak, met name in verband met vrij verkeer en de toepassing van Richtlijn 2004/38/EU, in het bijzonder de zaken Zhu en Chen (C-200/02), Ruiz Zambrano (C-34/09), Rottmann (C-135/08), McCarthy (C-434/09), Dereci (C-256/11), O e.a. (C-356/11 en C-357/11) Iida (C-40/11) en Alimanovic (C-67/14).

Ambigue status van het EU-burgerschap

Het begrip "Europese burger" is niet eenduidig, ondanks het feit dat het Verdrag van Lissabon de EU definieert als een unie van staten en burgers.

Deze onduidelijkheid is grotendeels te wijten aan het feit dat de uitoefening van sommige van deze rechten rechtstreeks verband houdt met de interne markt – via de verdragsbepalingen inzake vrij verkeer – en dus alleen betrekking heeft op mobiele burgers: hieronder vallen het kiesrecht en het verbod op discriminatie op grond van nationaliteit. Een beperkt aantal burgerschapsrechten kan door EU-burgers onafhankelijk worden uitgeoefend, zoals de ondersteuning van een Europees burgerinitiatief (artikel 24 VWEU), de toegang tot documenten (artikel 11 VEU) en het recht om een verzoekschrift in te dienen, het recht om zich tot de ombudsman te wenden en het recht om met de EU-instellingen te communiceren in een van de officiële talen (artikel 24), en tot op zekere hoogte het recht op consulaire bescherming (artikel 23 VWEU). De uitoefening ervan is nog wat ingewikkelder, aangezien het EU-burgerschap ook in wisselwerking staat met een aantal andere bepalingen en in het bijzonder het Handvest van de grondrechten van de EU.

De rechtbanken van de EU hebben een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van het EU-burgerschap, uitgaande van de veronderstelling dat het burgerschap van de Unie "de primaire hoedanigheid van de staatsburgers van de lidstaten [moet] zijn"(1). Hiertoe hebben zij allereerst een aantal concepten in de wetgeving inzake vrij verkeer verduidelijkt, welke later geconsolideerd zijn in de EU-burgerschapsrichtlijn (2004/38/EU). Ten tweede heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie via een geleidelijk proces het verband tussen nationale maatregelen en het EU-burgerschap opgehelderd. Het heeft in het bijzonder zijn jurisprudentie ontwikkeld volgens welke artikel 20 VWEU "zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten"(2).

Politieke rechten

Vanuit politiek oogpunt weerspiegelt de aard van burgerschap het behoren van burgers tot een politieke gemeenschap, met betrekking tot belangrijke elementen zoals de legitimiteit van besluitvorming en de deelname van individuen aan politieke actie. Politieke rechten zijn bedoeld om de actieve deelname van burgers aan het politieke proces te bevorderen en bij te dragen aan een goed bestuur.

Artikel 15 VWEU (toegang tot documenten), artikel 22 VWEU (stemrecht bij Europese en lokale verkiezingen in de lidstaat van verblijf) en artikel 24 VWEU (recht om verzoekschriften in te dienen) zijn duidelijk vastgelegd en vormen de kern van de politieke rechten die voortvloeien uit het Europese burgerschap. Hoewel de gemiddelde opkomst bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2014 42,6 % bedroeg, waren jonge Europeanen (tussen 18 en 24 jaar) het vaakst geneigd om niet te gaan stemmen. Volgens de meest recente Eurobarometer-enquête was slechts 19 % van de ondervraagde Europeanen op de hoogte van de datum van de volgende Europese verkiezingen, gaf 31 % een verkeerd antwoord en antwoordde 50 % met "weet ik niet".

Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon werd artikel 15, lid 3, VWEU de rechtsgrondslag voor de toegang van het publiek tot documenten. Hoewel deze bepaling het recht van het publiek op toegang tot documenten uitbreidt tot alle instellingen, organen en instanties van de Unie, is het nog onduidelijk wanneer er een nieuwe verordening zal worden vastgesteld om de regeling inzake de toegang van het publiek tot documenten aan te passen aan de vereisten van het Verdrag.

Tot de belangrijkste in de Verdragen verankerde rechten behoren de antidiscriminatiebepalingen, ingevoerd op basis van de rechtsgrondslag van artikel 19 VWEU. Er zijn verschillende sectorale richtlijnen aangenomen, maar helaas is er sinds 2008 geen akkoord bereikt over de horizontale antidiscriminatierichtlijn.

In het licht van de gevallen van misbruik van persoonsgegevens werd het waarborgen van de veiligheid en integriteit van de verkiezingen ook een publieke zaak. De waardevolle bijdrage van de Commissie aan de versterking van de veiligheid van de komende Europese verkiezingen moet worden erkend.(3)

Het Europees burgerinitiatief (artikel 24 VWEU) is een fundamenteel instrument voor de democratische participatie van burgers en wordt momenteel wordt herzien. Sinds 2012 waren slechts vier initiatieven succesvol: Right2Water, One of Us, Stop Vivisection en Stop Glyphosate. De verordening over het Europees burgerinitiatief wordt momenteel herzien met als algemeen doel de versterking van dit unieke recht van EU-burgers om actief deel te nemen aan het politieke leven van de EU.

"Europa voor de burger" is een EU-programma dat tot doel heeft het Europese burgerschap te bevorderen door te streven naar actieve deelname van burgers aan het democratisch bestel van de EU. De Commissie heeft dit jaar een voorstel voor een vervolgprogramma ingediend: het programma Rechten en waarden(4).

Er moet worden opgemerkt dat deze programma's sterk gericht zijn op onderwijs. Hoewel de bevoegdheden van de EU op dit gebied beperkt zijn, is het potentieel van de EU-Verdragen, en met name artikel 165 VWEU, zelden gebruikt als rechtsgrondslag om de Europese dimensie van het onderwijs aan burgers te bevorderen.

We moeten ons voor ogen houden dat burgers die hun democratische rechten volledig uitoefenen in overeenstemming met de beginselen van de rechtsstaat, zich verbonden voelen met de democratie waaraan zij deelnemen, en dat de democratie en de rechtsstaat waarden van de Europese Unie zijn in de zin van artikel 2 VEU.

Vrij verkeer

Het recht op vrij verkeer en verblijf (artikel 21 VEU), het verbod op discriminatie op grond van nationaliteit (artikel 18 VEU) en het vrije verkeer van werknemers (artikel 45 VEU) zijn vermoedelijk de aspecten van het Europese burgerschap die het dichtst bij de burger staan, omdat ze dagelijks kunnen worden uitgeoefend(5) – en wellicht ook omdat het vrijheden zijn die onlosmakelijk verbonden zijn met vertrouwen, solidariteit en Europese cohesie.

Er zij echter op gewezen dat er alleen sprake kan zijn van vrij verkeer als EU-burgers zich verplaatsen (volgens Eurostat wonen meer dan 16 miljoen Europeanen in een andere lidstaat). Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (burgerrechtenrichtlijn)(6) werd opgesteld om de uitoefening van deze rechten te stroomlijnen en administratieve formaliteiten te beperken. In studies en verslagen van de Commissie, het Europees Parlement en andere EU-organen en -instanties wordt echter voortdurend gewezen op tekortkomingen in de tenuitvoerlegging ervan(7). Uit onderzoek is gebleken dat diverse lidstaten grote moeite hebben om te bepalen welke jurisprudentie relevant is voor de praktijk van de nationale autoriteiten en nationale rechtbanken. Bovendien is er melding gemaakt van gevallen van discriminatie op grond van nationaliteit met betrekking tot de toegang tot werk en diverse diensten (huur, bankwezen, onderwijs) en belastingen, die weliswaar niet rechtstreeks verband houden met de burgerschapsrichtlijn, maar wel van invloed zijn op de uitoefening van het recht op verkeer. Ten slotte blijft de bevordering van het recht op inreis en verblijf voor familieleden van EU-burgers die onderdaan van derde landen zijn, in een aantal lidstaten problematisch: vaak wordt hun de toegang tot versnelde procedures voor het verkrijgen van een visum ontzegd en krijgen zij aan de grenzen te maken met buitensporige administratieve vereisten.

Vrij verkeer is een van de belangrijkste thema's in de brexitonderhandelingen. De burgerschapsstatus van meer dan 4,5 miljoen mensen (3,5 miljoen Europeanen die in het Verenigd Koninkrijk wonen en meer dan een miljoen Britten die in een andere lidstaat wonen) is nog altijd niet geregeld.

Rechten in het buitenland

Het recht op consulaire bescherming, zoals vastgelegd in artikel 23 VEU, vloeit voort uit het feit dat niet alle lidstaten in alle landen van de wereld een ambassade of consulaat hebben (en 14 derde landen zelfs maar één ambassade in een EU-lidstaat).

De bekendheid met deze rechten en de uitoefening ervan blijven beperkt; daarom lijkt een evaluatie van de tenuitvoerlegging ervan gerechtvaardigd. Er moet worden nagegaan hoe de rol van de EU-delegaties verder kan worden versterkt, met name gezien het feit dat Richtlijn 2016/679 flexibiliteit biedt wat betreft de taakverdeling tussen deze delegaties en de vertegenwoordigingen van de lidstaten.

Kennis en uitoefening van de EU-burgerschapsrechten

Het gebrek aan kennis van en inzicht in de rechten die voortvloeien uit het EU-burgerschap lijkt een van de horizontale problemen te zijn die alle bovengenoemde burgerschapsaspecten beïnvloeden. Uit recente Eurobarometer-enquêtes(8) inzake burgerschap blijkt dat slechts 54 % van de respondenten enige kennis heeft van zijn rechten als EU-burger, terwijl 45 % dat niet heeft en 67 % er meer over zou willen weten. Betere en duidelijkere informatie over deze rechten en een heldere, actuele interpretatie van de wijze waarop deze rechten kunnen worden uitgeoefend, zijn van cruciaal belang voor het succes van het EU-burgerschap.

2

Potentieel van artikel 25 VWEU

Het burgerschap van de Europese Unie moet zich nu echter bewijzen in een nieuwe en complexe dimensie die niet expliciet in de Verdragen is vastgelegd, als validator van de Europese structuur. Artikel 25 VWEU biedt een uniek potentieel om de nieuwe dimensies van de toekomstige ontwikkeling van de rechten van EU-burgers te weerspiegelen. Overeenkomstig de procedure die is vastgesteld voor de uitbreiding en versterking van deze rechten, zullen de lidstaten en de Commissie hierbij waarschijnlijk de doorslag geven.

(1)

Zaak Grzelczyk (C-184/99)

(2)

Zaak Ruiz Zambrano (C-34/09)

(3)

Aanbeveling van de Commissie van 12 september 2018 betreffende electorale samenwerkingsnetwerken, onlinetransparantie, bescherming tegen cyberincidenten en bestrijding van desinformatiecampagnes in het kader van de verkiezingen voor het Europees Parlement.

(4)

COM(2018)0383.

(5)

De "Europeanisering" van het dagelijks leven van vele Europese burgers is groter dan we vaak denken. Ter illustratie: meer dan 50 % van de Europeanen communiceert regelmatig via telefoon, internet, post of e-mail met familie en/of vrienden in het buitenland, heeft de afgelopen twee jaar minstens één andere lidstaat bezocht, kijkt televisie in een vreemde taal of is vertrouwd met ten minste één ander EU-land (zie het door de EU gefinancierde onderzoeksproject EUCROSS).

(6)

PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.

(7)

Zie bijvoorbeeld de meest recente bijdrage van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten getiteld "Making EU citizens' rights a reality: national courts enforcing freedom of movement and related rights" (Verwezenlijking van de rechten van EU-burgers: handhaving van vrij verkeer en aanverwante rechten door nationale rechtbanken), 2018.

(8)

Voorjaars-Eurobarometer 89/2018, verslag over burgerschap


ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de tenuitvoerlegging van de verdragsbepalingen inzake EU-burgerschap

(2018/2111(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 6, 9, 10, 11, 12, 21 en 23 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 8, 9, 10, 15, 18, 20, 21, 22, 23, 24, 26, 45, 46, 47, 48, 153 en 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 10 en 11 VEU en de bepaling in artikel 10, lid 3, dat "iedere burger [...] het recht [heeft] aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen",

–  gezien artikel 3, lid 2, VEU, waarin het recht op het vrije verkeer van personen is verankerd,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het meerjarig financieel kader voor de periode 2020-2027,

  gezien Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(1),

–  gezien Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad van 14 april 2014 tot oprichting van het programma "Europa voor de burger"(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie(4),

–  gezien Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013(5),

–  gezien Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties(6),

–  gezien Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties(7) en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt(8),

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van een EU-noodreisdocument en tot intrekking van Besluit 96/409/GBVB (COM(2018)0358),

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/637 van de Raad van 20 april 2015 betreffende de coördinatie- en samenwerkingsmaatregelen ter vergemakkelijking van de consulaire bescherming van niet-vertegenwoordigde burgers van de Unie in derde landen en tot intrekking van Besluit 95/553/EG,

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Rechten en waarden (COM(2018)0383),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2009 betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (COM(2009)0313),

–  gezien het verslag van de Commissie van 24 januari 2017, getiteld "Versterking van de rechten van de burgers in een Unie van democratische verandering – Verslag over het EU-burgerschap 2017" (COM(2017)0030),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 12 september 2018 betreffende electorale samenwerkingsnetwerken, onlinetransparantie, bescherming tegen cyberincidenten en bestrijding van desinformatiecampagnes in het kader van de verkiezingen voor het Europees Parlement (C(2018)5949),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(9),

–  gezien zijn resolutie van 28 oktober 2015 over het Europees burgerinitiatief(10) en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees burgerinitiatief (COM(2017)0482),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over het verslag over het te koop aanbieden van het EU-burgerschap(11),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over leren over de EU op school(12),

–  gezien zijn resolutie van 2 maart 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad van 14 april 2014 tot vaststelling van het programma "Europa voor de burger" voor de periode 2014-2020(13),

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2017 over belemmeringen van het vrije verkeer van EU-burgers en van hun vrijheid om in de interne markt te werken(14),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 31 januari 2013 over de bevordering van het kiesrecht van EU-burgers,

–  gezien de in 2016 door beleidsondersteunende afdeling C van het Parlement gepubliceerde studie getiteld "Belemmeringen voor het recht van vrij verkeer en verblijf voor EU-burgers en hun gezinnen",

–  gezien het verslag van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten van 2018 getiteld "Making EU citizens' rights a reality: national courts enforcing freedom of movement and related rights" (Verwezenlijking van de rechten van EU-burgers: handhaving van vrij verkeer en aanverwante rechten door nationale rechtbanken),

–  gezien de resultaten van Eurobarometer 89/2018,

  gezien zijn resolutie van 7 februari 2018 over de samenstelling van het Europees Parlement(15),

  gezien zijn aanbeveling van 4 juli 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad tot wijziging van de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, gehecht aan Besluit 76/787/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 20 september 1976 (de "Kieswet")(16),

–  gezien zijn besluit van 7 februari 2018 over de herziening van de kaderovereenkomst over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie(17),

  gezien zijn resolutie van 30 mei 2018 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen(18),

–  gezien zijn resolutie van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 – Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord(19),

  gezien de mededeling van de Commissie van 12 september 2018 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Vrije en eerlijke Europese verkiezingen garanderen" (COM(2018)0637),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie verzoekschriften (A8-0041/2019),

A.  overwegende dat het EU-burgerschap en de daarmee verband houdende rechten aanvankelijk in 1992 door het Verdrag van Maastricht werden geïntroduceerd en verder werden versterkt door het Verdrag van Lissabon, dat in december 2009 in werking trad, maar dat zij slechts gedeeltelijk ten uitvoer zijn gelegd;

B.  overwegende dat de rechten, waarden en beginselen waarop de Unie is gebaseerd, als bepaald in de artikelen 2 en 6 van het VEU, de burger in het absolute middelpunt van het Europese project plaatsen; overwegende dat het debat omtrent de toekomst van Europa daarom ook impliceert dat wordt nagedacht over de kracht van onze gemeenschappelijke identiteit;

C.  overwegende dat de beginselen van transparantie, integriteit en verantwoordingsplicht van de EU-instellingen en van het besluitvormingsproces, zoals deze voortvloeien uit de artikelen 10 en 11 VEU en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, inhoudelijke elementen zijn van het concept van burgerschap en essentieel zijn voor het opbouwen en versterken van de geloofwaardigheid van en het vertrouwen in de Unie als geheel; overwegende dat het gebruik van ad-hoc- en intergouvernementele regelingen en instrumenten op verschillende EU-beleidsgebieden, alsook van informele besluitvormingsinstanties, waarmee de gangbare wetgevingsprocedures worden omzeild en gede-institutionaliseerd, dergelijke beginselen ernstig dreigt te ondermijnen;

D.  overwegende dat de EU moeilijkheden heeft ondervonden bij de aanpak van diverse crises met belangrijke sociaal-economische gevolgen, die geleid hebben tot de opkomst van populistische en nationalistische ideologieën op basis van exclusieve identiteiten en chauvinistische criteria die in strijd zijn met de Europese waarden;

E.  overwegende dat het onbevredigende beheer van de verschillende crises de teleurstelling van de burgers over een aantal resultaten van het integratieproject van de EU, groter heeft gemaakt; overwegende dat het van cruciaal belang is ervoor te zorgen dat het EU-burgerschap wordt beschouwd als een gekoesterd voorrecht onder de burgers, onder meer door het vertrouwen in het EU-project te herstellen, door voorrang te geven aan de bevordering van alle burgerrechten, waaronder burgerrechten, politieke en sociale rechten, door ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de democratie binnen de Unie verbetert, de fundamentele rechten en vrijheden in de praktijk worden uitgeoefend en elke burger de kans heeft om deel te nemen aan het democratische leven van de Unie, en tegelijkertijd maatschappelijke organisaties meer te betrekken bij de besluitvormings- en uitvoeringsprocessen;

F.  overwegende dat de huidige herziening van het EBI erop is gericht het burgerinitiatief doeltreffender te maken en de participatieve democratie en actief burgerschap te bevorderen;

G.  overwegende dat toegang tot EU-burgerschap wordt verkregen middels het bezit van de nationaliteit van een lidstaat, hetgeen geregeld is door nationale wetgeving; overwegende tegelijkertijd dat de uit het EU-burgerschap voortvloeiende rechten en plichten in het EU-recht zijn verankerd en niet afhankelijk zijn van lidstaten, en derhalve niet op ongerechtvaardigde wijze door hen kunnen worden beperkt;

H.  overwegende dat de lidstaten in verband met de toegang tot nationaal burgerschap onderworpen moeten zijn aan de beginselen van het EU-recht, zoals evenredigheid, de rechtsstaat en non-discriminatie, die grondig zijn uitgewerkt in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

I.  overwegende dat het vooruitzicht van de brexit de nadruk heeft gelegd op het belang van de rechten van het EU-burgerschap, met name onder jonge Europeanen, alsook van de rol die deze rechten spelen in het leven van miljoenen EU-burgers, en dat het ook in de EU heeft gezorgd voor een toegenomen bewustzijn over het mogelijke verlies van deze rechten aan beide zijden;

J.  overwegende dat de gemiddelde deelname aan de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2014 42,6 % bedroeg; overwegende dat volgens de in mei 2018 gepubliceerde Eurobarometer slechts 19 % van de ondervraagde Europeanen de datum van de volgende Europese verkiezingen kende;

K.  overwegende dat de kantoren van Europe Direct nauwelijks bekend zijn bij EU-burgers, ook al is hun voornaamste taak informatie te verstrekken;

L.  overwegende dat er in de EU meer dan 400 Europe Direct-informatiecentra zijn die de Commissie bijstaan om te communiceren over het beleid van de Europese Unie dat rechtstreeks van belang is voor de burgers, met als doel de burgers op lokaal en regionaal niveau bij de zaak te betrekken;

M.  overwegende dat het begrip burgerschap de relatie van burgers met een politieke gemeenschap definieert, met inbegrip van hun rechten, plichten en verantwoordelijkheden; overwegende dat artikel 20 VWEU burgers van de Unie het actief en passief kiesrecht verleent voor de verkiezingen voor het Europees Parlement en voor gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijven, onder dezelfde voorwaarden als de burgers van dat land;

N.  overwegende dat de Europese burgers rechtstreeks vertegenwoordigd zijn in het Europees Parlement en dat alle burgers gelijke aandacht moeten krijgen van de instellingen van de Unie; overwegende dat het gendermainstreamingsbeginsel is neergelegd in artikel 8 VWEU, dat bepaalt dat de Unie er bij elk optreden naar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen;

O.  overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in een aantal zaken heeft geoordeeld dat de onderdanen van een lidstaat zich ook ten opzichte van die lidstaat kunnen beroepen op de uit het EU-burgerschap voortvloeiende rechten(20);

P.  overwegende dat diverse lidstaten zogeheten "gouden visa" en investeringsprogramma's aanbieden, door middel waarvan hun nationaliteit kan worden verkregen;

Q.  overwegende dat vrij verkeer de EU-burgers kansen geeft om te reizen, te studeren, te werken en te wonen in andere EU-landen; overwegende dat meer dan 16 miljoen Europeanen gebruikmaken van hun recht om in een ander EU-land te wonen;

R.  overwegende dat het recht op vrij verkeer centraal staat in het EU-burgerschap en een aanvulling vormt op de andere vrijheden van de interne markt van de EU; overwegende dat jonge Europeanen bijzonder gehecht zijn aan het recht op vrij verkeer, dat wordt beschouwd als de meest positieve prestatie van de EU na het waarborgen van vrede in Europa;

S.  overwegende dat bij de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2004/38 praktische problemen zijn ondervonden en dat het voor Europeanen nog steeds moeilijk kan zijn om naar een andere lidstaat te verhuizen of in een andere lidstaat te wonen vanwege discriminatie op grond van nationaliteit of inreis- en verblijfsvereisten; overwegende dat er een uitgebreide jurisprudentie van het Hof van Justitie bestaat die erop gericht is de belangrijkste concepten voor mobiele EU-burgers te verduidelijken;

T.  overwegende dat het recht op consulaire bescherming wordt gewaarborgd door de artikelen 20 en 23 VWEU en dat EU-burgers derhalve op het grondgebied van een derde land waar hun lidstaat van nationaliteit niet vertegenwoordigd is, recht hebben op bescherming door een andere lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat; overwegende dat noodsituaties, natuurrampen of gebeurtenissen zoals terroristische aanslagen Europese burgers kunnen treffen die onderdaan zijn van een lidstaat die geen vertegenwoordiging heeft in het betrokken derde land;

U.  overwegende dat de Commissie in het verslag over het EU-burgerschap 2017 heeft toegezegd een EU-brede informatie- en bewustmakingscampagne omtrent het EU-burgerschap te organiseren om zo de burgers te helpen beter te begrijpen wat hun rechten inhouden; overwegende dat de lidstaten en de maatschappelijke organisaties ook moeten delen in deze verantwoordelijkheid om EU-burgers beter te informeren over hun rechten en plichten;

V.  overwegende dat uit het verslag over het EU-burgerschap 2017 van de Commissie blijkt dat sinds 2012 steeds meer mensen aangeven te maken te hebben gehad met enige vorm van discriminatie;

W.  overwegende dat de totstandbrenging van het Schengengebied en de integratie van het Schengenacquis in het EU-kader de bewegingsvrijheid binnen de EU sterk hebben vergroot en een van de grootste verworvenheden van het Europese integratieproces zijn;

X.  overwegende dat de invoering van het Europees burgerschap een verworvenheid van het Europese project is die nog niet ten volle wordt benut; overwegende dat het Europees burgerschap een uniek concept is, dat zijn gelijke in de wereld niet kent;

1.  is van mening dat niet alle bepalingen met betrekking tot EU-burgerschap naar volledig potentieel ten uitvoer zijn gelegd, ook al zou dit de basis kunnen vormen voor de versterking van een Europese identiteit; benadrukt dat het creëren van Unie-burgerschap bewezen heeft dat er een vorm van burgerschap kan bestaan die niet door nationaliteit wordt bepaald en dat dit burgerschap de basis vormt van een politieke ruimte waaruit rechten en plichten voortvloeien, die worden bepaald door de wet van de Europese Unie en niet de staat; verzoekt de instellingen van de Unie de noodzakelijke maatregelen te nemen om verbeteringen aan te brengen in de tenuitvoerlegging, het bereik en de effectiviteit van de Verdragsbepalingen betreffende het burgerschap, alsmede van de overeenkomstige bepalingen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; wijst erop dat de burgers van de Unie onvoldoende bekend zijn met hun rechten uit hoofde van het burgerschap van de Unie;

2.  herinnert eraan dat het EU-burgerschap een aanvulling is op het burgerschap van een lidstaat; benadrukt dat het EU-burgerschap de complementariteit van meerdere identiteiten voor de burger mogelijk maakt en dat exclusief nationalisme en populistische ideologieën die capaciteit ondermijnen; is van mening dat actief burgerschap uitoefenen en burgerparticipatie aanmoedigen van essentieel belang zijn om de burgers het gevoel te geven dat zij deel uitmaken van een politiek project ter bevordering van een gedeeld gevoel van Europese identiteit, wederzijds begrip, interculturele dialoog en transnationale samenwerking en voor het vormen van open, inclusieve, samenhangende en veerkrachtige samenlevingen;

3.  is van mening dat de volledige tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie door de instellingen, organen en instanties van de EU en de actieve bevordering van de rechten en beginselen die daarin zijn verankerd essentieel zijn om de effectieve betrokkenheid van burgers bij het democratisch project van de EU te waarborgen, en om gestalte te geven aan de bepalingen van artikel 20 VWEU;

4.  benadrukt dat het geheel van rechten en verplichtingen dat voortvloeit uit het Unie-burgerschap niet op ongerechtvaardigde wijze kan worden beperkt; dringt er in dit verband bij de lidstaten op aan dat zij gebruikmaken van hun prerogatieven om het burgerschap in een geest van eerlijke samenwerking toe te kennen, ook in het geval van kinderen van EU-burgers die moeite hebben om te voldoen aan de criteria voor het burgerschap volgens de nationale regels; benadrukt dat burgerschapsrechten pas op doeltreffende wijze kunnen worden uitgeoefend, als alle in het Handvest van de grondrechten verankerde rechten en vrijheden worden beschermd en bevorderd, ook voor mensen met een handicap, die hun grondrechten op dezelfde manier moeten kunnen uitoefenen als alle andere burgers, en als gendermainstreaming wordt toegepast teneinde ervoor te zorgen dat vrouwen ten volle gebruik kunnen maken van de rechten die aan het EU-burgerschap verbonden zijn;

5.  herinnert eraan dat het burgerschap van de Unie ook verdere implicaties heeft en rechten meebrengt op het gebied van democratische participatie, op basis van de artikelen 10 en 11 VEU; benadrukt dat, voor het uitoefenen van het recht tot deelname aan het democratisch proces in de Unie, besluiten zo open mogelijk en zo dicht mogelijk bij de burger moeten worden genomen, en dat het daarom essentieel is te zorgen voor de relevante garanties met betrekking tot transparantie in de besluitvorming en de strijd tegen corruptie;

6.  betreurt de bestaande opt-outs van sommige lidstaten ten aanzien van onderdelen van de EU-verdragen, die de rechten van burgers ondermijnen en de facto verschillen in de rechten van burgers teweegbrengen die volgens de EU-verdragen gelijk verondersteld worden te zijn;

7.  merkt op dat de programma's Erasmus+, Rechten, gelijkheid en burgerschap, en Europa voor burgers grote voordelen bieden aan EU-burgers, met name aan jongeren, door hun bewustzijn met betrekking tot hun status als EU-burgers te verhogen en hun kennis van de rechten die voortvloeien uit die status en de onderliggende waarden te vergroten; is van mening dat Europese vrijwilligersprogramma's, zoals Europees vrijwilligerswerk en het Europees Solidariteitskorps, eveneens een integrale rol vervullen in de totstandkoming van een Europees burgerschap; onderstreept het enorme belang van dergelijke programma's, met name voor jongeren, en adviseert deze financieel te versterken;

Politieke rechten

8.  is bezorgd over de trend naar een lagere opkomst van kiezers, zowel tijdens nationale verkiezingen als tijdens verkiezingen voor het Europees Parlement, met name onder jongeren; is ervan overtuigd dat het versterken van de publieke ruimte van de EU en de volledige tenuitvoerlegging van het Europees burgerschap kunnen bijdragen tot het ombuigen van die neerwaartse trend, door de burgers meer het gevoel te geven dat ze deel uitmaken van een Europese gemeenschap en door de representatieve democratie te versterken;

9.  herinnert eraan dat transnationale lijsten de publieke ruimte van de EU binnen het kader van EU-verkiezingen kunnen versterken door een EU-breed debat op basis van EU-gerelateerd beleid te bevorderen in plaats van de verkiezingscampagne rond nationale kwesties te organiseren;

10.  erkent de inspanningen van de Commissie ter bevordering van programma's die gericht zijn op de bevordering van het Europese burgerschap en de bewustmaking van burgers ten aanzien van hun politieke rechten; stelt echter vast dat er weinig vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van artikel 165 VWEU als rechtsgrondslag om de Europese dimensie van het onderwijs aan burgers te bevorderen; acht het van essentieel belang de deelname van burgers aan het democratisch bestel van de EU te bevorderen en is van mening dat de ontwikkeling van EU-leerplannen in onderwijsstelsels prioriteit moet krijgen om te kunnen voortbouwen op het potentieel van het EU-burgerschap;

11.  betreurt nogmaals dat sommige EU-burgers hun stemrecht wordt ontzegd in hun lidstaat van nationaliteit en dat zij niet mogen deelnemen aan de nationale parlementsverkiezingen in hun lidstaat van verblijf; onderstreept dat het verlies van stemrecht als gevolg van verblijf in een andere lidstaat, burgers ervan kan weerhouden naar een andere lidstaat te verhuizen en daarom mogelijk een schending van artikel 18 VWEU inhoudt;

12.  is van mening dat er in een systeem van representatieve democratie voor moet worden gezorgd dat de EU-instellingen naar behoren functioneren teneinde alle politieke rechten van EU-burgers te beschermen; benadrukt dat informatie met betrekking tot EU-burgerschap en de rechten die aan het bezit van dat burgerschap worden ontleend in alle officiële talen van de Europese Unie toegankelijk moet zijn, om het begrip van het EU-burgerschap te versterken; betreurt dat artikel 15, lid 3,VWEU, dat de wettelijke basis is geworden voor openbare toegang tot documenten en dat de regeling inzake toegang uitbreidt tot alle instellingen, organen en instanties van de Unie, sinds het van kracht worden van het Verdrag van Lissabon nog altijd niet volledig ten uitvoer is gelegd; is van mening dat de voortgang in de goedkeuring van de nieuwe verordening voortdurend is belemmerd door de lidstaten;

Vrij verkeer

13.  is verheugd over de voordelen die het vrij verkeer oplevert voor EU-burgers en voor de economie van de lidstaten; wijst erop dat de rechten die worden ontleend aan Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, niet altijd bekend zijn en niet altijd worden geëerbiedigd, hetgeen leidt tot obstakels voor vrij verkeer en verblijf voor burgers van de EU en hun families, alsmede tot discriminatie van deze burgers; herinnert aan de verplichting van de lidstaten om de rechten met betrekking tot vrijheid van verkeer, met inbegrip van gezinshereniging, voor echtgenoten van hetzelfde geslacht te beschermen;

14.  is erover bezorgd dat de interpretatie van bepaalde voorzieningen en bepalingen van Richtlijn 2004/38/EG door nationale gerechtshoven niet alleen varieert tussen verschillende lidstaten, maar soms ook binnen hetzelfde rechtsgebied; merkt met bezorgdheid op dat nationale autoriteiten zich niet altijd volledig bewust zijn van de rechten en plichten die zijn vastgelegd in Richtlijn 2004/38/EG;

15.  wijst op het probleem van het ontbreken van informatie of het verstrekken van onjuiste of verwarrende informatie met betrekking tot visumvereisten voor familieleden of met betrekking tot verblijfsrechten; dringt erop aan dat de lidstaten ervoor zorgen dat onnodige belemmeringen voor het inreis-/verblijfsrecht worden weggenomen, met name voor familieleden van EU-burgers die de nationaliteit hebben van een derde land;

16.  vindt het verontrustend dat burgers moeilijkheden ondervinden bij de erkenning van hun beroepskwalificaties in Europa; gelooft dat de Richtlijn betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en het Europees kwalificatiekader hebben bijgedragen tot het faciliteren van erkenning tussen lidstaten onderling; is tevens van mening dat beroepserkenning van essentieel belang is om een hogere mate van mobiliteit voor zowel studenten als beroepsbeoefenaren te waarborgen; adviseert de Europese Commissie door te gaan met het zoveel mogelijk faciliteren van beroepserkenning;

17.  is uiterst bezorgd over de bevindingen van het onderzoek dat is uitgevoerd door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, namelijk dat er sprake is van discriminatie bij het vinden van werk, bij het verkrijgen van toegang tot diverse diensten, zoals het huren van een auto of een appartement of bij bepaalde bankdiensten, alsook op het gebied van onderwijs en belastingen; benadrukt dat discriminatie op basis van nationaliteit het vrij verkeer van burgers van de Unie kan belemmeren; verzoekt de EU en de lidstaten speciale aandacht te schenken aan het monitoren van dergelijke gevallen van discriminatie en doortastende maatregelen te nemen om deze te voorkomen;

18.  onderstreept de rol van mobiliteit in de persoonlijke ontwikkeling van jongeren door het bevorderen van leren en culturele uitwisselingen en door een beter begrip van actief burgerschap en van wat dit in de praktijk betekent; spoort de lidstaten aan steun te verlenen aan EU-programma's die mobiliteit bevorderen;

19.  erkent het belang van cultuur, kunst en wetenschap als essentiële aspecten van actief EU-burgerschap; wijst erop dat zij een grote rol spelen als het erom gaat burgers het gevoel te geven dat zij deel uitmaken van de Unie, het wederzijds begrip te vergroten en de interculturele dialoog te stimuleren;

Consulaire bescherming

20.  merkt op dat momenteel bijna 7 miljoen EU-burgers in landen buiten de EU woonachtig zijn en dat dit aantal naar verwachting zal stijgen tot ten minste 10 miljoen in 2020;

21.  is van oordeel dat het recht op consulaire bescherming alle EU-burgers ten goede komt, en herinnert eraan dat consulaire bescherming in Richtlijn 2015/637 van 20 april 2015 inzake consulaire bescherming(21) wordt geïnterpreteerd in de ruimst mogelijke zin, d.w.z. als elke vorm van consulaire bijstand; benadrukt dat deze rechten nog altijd weinig bekend zijn;

22.  verzoekt de Commissie een beoordeling van de tenuitvoerlegging van Richtlijn (EU) 2015/637 te publiceren en waar nodig inbreukprocedures in te leiden; verzoekt de lidstaten noodprotocollen te ontwikkelen waarbij rekening wordt gehouden met niet-vertegenwoordigde burgers, teneinde de communicatie in noodsituaties te verbeteren in coördinatie met de vertegenwoordigingen van andere lidstaten en EU-delegaties; dringt eens te meer aan op een versterking van de rol van de EU-delegaties in derde landen en benadrukt de meerwaarde van het diplomatieke netwerk van de EU dat ter plaatse is uitgebouwd;

Het indienen van een verzoekschrift bij het Europees Parlement en het indienen van een klacht bij de Europese Ombudsman

23.  benadrukt het belang van het recht om een verzoekschrift in te dienen, zoals vastgesteld in respectievelijk artikel 227 VWEU en artikel 44 van het Handvest van de grondrechten, en het recht om zich tot de Ombudsman te wenden volgens artikel 228 VWEU en artikel 43 van het Handvest van de grondrechten; is ingenomen met de werkzaamheden van de Europese Ombudsman op het gebied van de strijd tegen wanbeheer binnen de instellingen, organen en instanties van de Unie, en in het bijzonder op het gebied van transparantie; benadrukt het belang van transparantie voor een goede democratische werking en participatie binnen de Unie die vertrouwen wekt bij de burgers; onderschrijft in dit opzicht de aanbevelingen van de Ombudsman in haar recent speciaal verslag inzake de transparantie van het wetgevingsproces in de Raad;

Aanbevelingen

24.  beveelt aan dat de Commissie gebruikmaakt van haar bevoegdheid op grond van artikel 258 VWEU om het HvJ-EU te vragen of het verlies van stemrecht als gevolg van het verblijf in een andere EU-lidstaat moet worden beschouwd als een schending van het recht op vrij verkeer en verblijf; roept de lidstaten nogmaals op de Verkiezingsgedragscode van de Commissie van Venetië ten uitvoer te leggen, wat onder meer inhoudt dat niet langer het kiesrecht wordt ontnomen aan in het buitenland woonachtige onderdanen bij de verkiezingen voor de nationale parlementen;

25.  stelt voor dat de Commissie, door middel van de procedure van artikel 25 VWEU, de in artikel 20, lid 2, VWEU vermelde rechten verruimt, zodat EU-burgers kunnen kiezen of zij hun stem uitbrengen in hun lidstaat van nationaliteit of van verblijf, en dat deze verruiming tot alle verkiezingen wordt uitgebreid, overeenkomstig de grondwettelijke mogelijkheden van elke lidstaat;

26.  adviseert de lidstaten voorzieningen voor e-democratie op lokaal en nationaal niveau te introduceren en deze te integreren in het politieke proces, om deelname aan de democratie te faciliteren voor zowel burgers als ingezetenen;

27.  is van mening dat de herziening van het rechtskader voor het Europees burgerinitiatief (EBI) een kans biedt om de deelname van burgers aan de EU-beleidsvorming te vergroten door het instrument minder bureaucratisch en toegankelijker te maken;

28.  vraagt de Commissie dat zij robuustere praktijken ontwikkelt met betrekking tot de politieke en juridische follow-up van succesvolle Europese burgerinitiatieven;

29.  dringt erop aan dat er meer middelen worden geïnvesteerd in en dat er aanvullende programma's en initiatieven worden opgezet die gericht zijn op het bevorderen van een Europese publieke ruimte waarin het genot van fundamentele rechten en vrijheden, sociaal welzijn en de verwezenlijking van Europese waarden het model worden voor de identiteit van de burgers; verwelkomt het programma Rechten en waarden als een waardevol voorbeeld van actieve ondersteuning door de Unie van haar waarden en rechten die worden ontleend aan het EU-burgerschap en die zijn verankerd in de Verdragen, onder andere door het ondersteunen van maatschappelijke organisaties die deze rechten en waarden bevorderen en beschermen; benadrukt dat de huidige begroting voor het programma Rechten en waarden gehandhaafd moet worden; is fel gekant tegen de verlaging van deze begroting in het nieuwe meerjarige financieel kader voor 2021-2027, zoals voorgesteld door de Commissie;

30.  spoort de Europese fracties en hun partijleden met kracht aan om te zorgen voor een evenwichtige gendervertegenwoordiging door toepassing van het ritssysteem of andere gelijkwaardige methoden bij het opstellen van de kandidatenlijsten;

31.  stelt voor de zichtbaarheid van Europe Direct-kantoren aanzienlijk te verbeteren; onderstreept dat deze kantoren dienen te functioneren als een structuur van tussenpersonen tussen het openbaar bestuur in de lidstaten en maatschappelijke organisaties (met inbegrip van vakbonden, brancheorganisaties en openbare en particuliere organen) om actief informatie te verstrekken aan de Europese burgers over hun rechten en plichten en om te stimuleren dat de burgers op lokaal niveau deelnemen aan het democratisch bestel van de Europese Unie; moedigt lidstaten en instanties op regionaal en lokaal niveau aan actief samen te werken met deze kantoren; onderstreept dat deze kantoren synergieën kunnen creëren met programma's als Europa voor de burger; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat deze bureaus de relevante informatie centraliseren die de EU-burgers in staat stelt hun rechten uit te oefenen en de uitoefening van de burgerschapsrechten van de EU te vergemakkelijken; is van mening dat de SOLVIT-dienst verder moet worden gestroomlijnd om de rechten van de EU-burgers effectiever te beschermen voordat zij gerechtelijke of administratieve stappen ondernemen;

32.  verzoekt in dit verband de Commissie een voorstel in te dienen dat zowel de rol van de Europe Direct-kantoren als de uitoefening van het EU-burgerschap versterkt, voortbouwend op de rechten die aan de werknemers zijn toegekend bij de toepassing van Richtlijn 2014/54, met inbegrip van het recht van de EU-burgers op bescherming tegen discriminatie, de uitoefening van hun stemrecht krachtens artikel 22 VWEU en hun recht op vrij verkeer krachtens artikel 21 VWEU en Richtlijn 2004/38/EG, alsook het recht op vrij verkeer van hun gezinsleden;

33.  verzoekt de Commissie systematisch op te treden tegen inbreuken van de lidstaten op Richtlijn 2004/38/EG en vraagt om een herziening van de EU-richtsnoeren voor de toepassing en interpretatie van wetgeving die gevolgen heeft voor EU-burgers, teneinde ook de recente jurisprudentie van het HvJ-EU in aanmerking te nemen en er zodoende voor te zorgen dat het EU-recht zijn volle effect kan sorteren;

34.  roept op tot de consistente tenuitvoerlegging van gendermainstreaming in alle activiteiten van de EU, met name tijdens het aannemen van wetgeving of de tenuitvoerlegging van beleid in verband met EU-burgerschap;

35.  herinnert eraan dat het Parlement sinds 2014 herhaaldelijk zijn bezorgdheid heeft geuit over het feit dat nationale regelingen voor de directe of indirecte verkoop van het EU-burgerschap het concept van het Europese burgerschap zelf ondermijnen; verzoekt de Commissie toezicht te houden op dergelijke regelingen en een verslag op te stellen over nationale regelingen die het EU-burgerschap toekennen aan investeerders, zoals bedoeld in het verslag over het EU-burgerschap 2017;

36.   betreurt dat in het verslag over het burgerschap 2017 van de Commissie niet wordt verwezen naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het recht om een verzoekschrift in te dienen, het recht om zich tot de Europese Ombudsman te wenden, het recht op toegang tot documenten, noch naar het recht om een EBI te ondersteunen; verzoekt de Commissie om bij de volgende evaluatie ten volle aandacht te besteden aan de bepalingen van het Handvest en deze tekortkomingen aan te pakken;

37.  benadrukt dat een toenemend aantal Europese burgers is geconfronteerd met terreuraanslagen in een land dat niet hun eigen land is, en dringt er daarom op aan dat in de lidstaten protocollen worden vastgesteld om niet-nationale Europese burgers te helpen in geval van een terreuraanslag, overeenkomstig Richtlijn (EU) 2017/541 inzake terrorismebestrijding;

38.  stelt voor aan de lidstaten een Europese openbare feestdag vast te stellen op 9 mei om het Europees samenhorigheidsgevoel te bevorderen en ruimte te creëren voor maatschappelijke bewegingen en activiteiten;

39.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om te komen met een voorstel voor de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van het Parlement betreffende een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten;

40.   is er vast van overtuigd dat het beginsel van non-discriminatie een hoeksteen is van Europees burgerschap en een algemeen beginsel en fundamentele waarde van de EU-wetgeving is in overeenstemming met artikel 2 VEU; dringt erbij de Raad op aan de goedkeuring van de horizontale EU-antidiscriminatierichtlijn af te ronden, teneinde de grondrechten binnen de Unie verder te waarborgen door middel van de goedkeuring van concrete EU-wetgeving waarmee de artikelen 18 en 19 VWEU volledig ten uitvoer worden gelegd in een horizontale aanpak; betreurt het feit dat de antidiscriminatierichtlijn tien jaar na de publicatie van het voorstel van de Commissie nog steeds door de Raad wordt geblokkeerd;

41.  herinnert aan de in de Verdragen vastgelegde plicht om toe te treden tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM); verzoekt de Commissie de nodige stappen te ondernemen om de toetreding van de Unie tot het EVRM te voltooien en toe te treden tot het Europees Sociaal Handvest;

42.  benadrukt dat kwaliteitsvolle burgerschapsvorming voor alle leeftijden (formeel en informeel) cruciaal is om burgers in staat te stellen hun democratische rechten met vertrouwen uit te oefenen en om een democratische samenleving naar behoren te laten functioneren; merkt op dat alleen een voortdurende inspanning op het gebied van onderwijs kan zorgen voor een grotere deelname aan verkiezingen op Europees niveau en voor meer intercultureel begrip en solidariteit in Europa, alsook voor het overwinnen van discriminatie, vooroordelen en ongelijkheid tussen mannen en vrouwen; beveelt aan artikelen 165, 166 en 167 VWEU te gebruiken als rechtsgrond voor het verkennen van het potentieel van onderwijs, beroepsonderwijs en jongerenbeleid;

43.  herinnert eraan dat de politieke partijen op Europees niveau "bijdragen tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de wil van de burgers van de Unie" (artikel 10, lid 4, VEU); dringt er daarom op aan dat individuele burgers van de EU de kans krijgen om direct het lidmaatschap van een politieke partij op Europees niveau aan te vragen;

44.   herinnert eraan dat de Europese dimensie van de Europese parlementsverkiezingen moet worden bevorderd om bij te dragen aan de mogelijke toekomstige werkzaamheden van het Parlement door gebruikmaking van zijn recht van wetgevingsinitiatief uit hoofde van artikel 225 van het VWEU; roept de Commissie en de lidstaten op extra inspanningen te leveren voor het bevorderen van de burgerrechten onder de Europese burgers, waaronder de rechten die verband houden met het stemrecht; onderstreept dat betere en meer gerichte informatie over Europees beleid en over de impact van EU-wetgeving op het dagelijks leven van de burgers de opkomst bij Europese verkiezingen zou verhogen; herinnert eraan dat deelname aan de Europese verkiezingen moet worden gestimuleerd door een verbeterde zichtbaarheid van Europese politieke partijen; herhaalt dat het stimuleren van deelname aan Europese verkiezingen een gedeelde verantwoordelijkheid is van burgers, lidstaten en de EU; benadrukt dat de burgers geïnformeerd moeten worden over de recente hervorming van het kiesrecht en het Spitzenkandidat-proces; onderstreept het politiek en symbolisch belang van deze figuur voor het versterken van het EU-burgerschap;

45.  herinnert eraan dat het Europees Parlement het parlement is van de gehele Unie en dat het een essentiële rol vervult in het garanderen van de legitimiteit van de politieke instellingen van de EU door deze verantwoordingsplichtig te maken door middel van een goede parlementaire controle; dringt er daarom op aan dat de wetgevende en controlerende bevoegdheden van het Parlement moeten worden gegarandeerd, geconsolideerd en versterkt;

46.  herinnert aan de richtsnoeren van de Commissie voor de toepassing van de EU-gegevensbeschermingswetgeving in het kader van de verkiezingen en haar mededeling van 12 september 2018 over het garanderen van vrije en eerlijke verkiezingen in Europa (COM(2018)0637); dringt erop aan dat alles in het werk wordt gesteld om ervoor te zorgen dat de verkiezingen vrij zijn van ongeoorloofde inmenging; onderstreept de noodzaak van een welomschreven EU-beleid om anti-Europese propaganda en gerichte desinformatie aan te pakken;

47.  moedigt de Commissie aan de democratische participatie te bevorderen door haar dialoog met de burgers te intensiveren, het begrip van de burgers voor de rol van de EU-wetgeving in hun dagelijks leven te vergroten en hun actief en passief kiesrecht op lokaal, nationaal en Europees niveau te benadrukken;

48.  verzoekt de Commissie in dit opzicht gebruik te maken van sociale media en digitale instrumenten, met bijzondere aandacht voor het verhogen van de participatie van jongeren en personen met een handicap; dringt aan op ontwikkeling en toepassing van instrumenten voor e-democratie, bijvoorbeeld onlineplatforms, teneinde burgers op een meer rechtstreekse manier te betrekken bij het democratische leven in de EU en hen aldus aan te zetten tot meer engagement;

49.  ondersteunt de productie en verspreiding van pers- en multimediamateriaal in alle officiële EU-talen dat erop gericht is de EU-burgers beter bewust te maken van hun rechten en hen beter in staat te stellen doeltreffend gebruik te maken van deze rechten in elke lidstaat;

50.  is van mening dat de Europese instellingen, gezien de groeiende impact van sociale media op het leven van burgers, moeten doorgaan met het ontwikkelen van nieuwe mechanismen en openbaar beleid ter bescherming van de grondrechten van personen in de digitale omgeving; benadrukt de behoefte aan veilige, rechtvaardige en transparante deling van gegevens van burgers; benadrukt dat vrije media en toegang tot pluraliteit van meningen een onmisbaar onderdeel zijn van een gezonde democratie en dat mediageletterdheid van cruciaal belang is en al op jonge leeftijd moet worden ontwikkeld;

51.  moedigt aan dat gebruik wordt gemaakt van artikel 25 VWEU om maatregelen te nemen die de uitoefening van het Europees burgerschap op een dagelijkse basis kunnen faciliteren;

52.  verzoekt de Commissie overeenkomstig artikel 25 VWEU in het volgende verslag over het burgerschap van de Unie aandacht te besteden aan de ontwikkeling van de rechten van het EU-burgerschap in de secundaire wetgeving en de jurisprudentie, en een routekaart voor te stellen waarin al deze vorderingen worden gebundeld om formeel rekening te houden met de ontwikkeling van de Unie op dit gebied;

53.  onderstreept dat deze exercitie in overeenstemming met artikel 25 VWEU uiteindelijk zou moeten leiden tot concrete initiatieven met het oog op de consolidatie van burgerrechten en vrijheden in het kader van een EU-burgerschapsstatuut, vergelijkbaar met de Europese pijler van de sociale rechten, met inbegrip van de fundamentele rechten en vrijheden die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten, naast de sociale rechten die in de Europese Pijler van de sociale rechten en de waarden die in artikel 2 van het VEU zijn vastgelegd als bepalende elementen van de Europese "publieke ruimte", waaronder het bestuursmodel dat relevant is voor die openbare ruimte, waardigheid, vrijheid, de rechtsstaat, democratie, pluralisme, tolerantie, gerechtigheid en solidariteit, gelijkheid en non-discriminatie, waarmee bij een toekomstige of eventuele hervorming van de Verdragen rekening zou worden gehouden;

°

°  °

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1)

PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

(2)

PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.

(3)

PB L 115 van 17.4.2014, blz. 3.

(4)

PB L 141 van 27.5.2011, blz. 1.

(5)

PB L 107 van 22.4.2016, blz. 1.

(6)

PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.

(7)

PB L 354 van 28.12.2013, blz. 132.

(8)

PB L 316 van 14.11.2012, blz. 1.

(9)

PB C 252 van 18.7.2018, blz. 215.

(10)

PB C 355 van 20.10.2017, blz. 17.

(11)

PB C 482 van 23.12.2016, blz. 117.

(12)

PB C 58 van 15.2.2018, blz. 57.

(13)

PB C 263 van 25.7.2018, blz. 28.

(14)

PB C 263 van 25.7.2018, blz. 98.

(15)

PB C 463 van 21.12.2018, blz. 83.

(16)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0282.

(17)

PB C 463 van 21.12.2018, blz. 89.

(18)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0226.

(19)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0449.

(20)

Bijvoorbeeld, arrest van het Hof van 8 maart 2011, Gerardo Ruiz Zambrano tegen Office national de l’emploi (ONEM), C-34/09, ECLI:EU:C:2011:124, arrest van het Haf van 2 maart 2010, Janko Rottman tegen Freistaat Bayern, C-135/08, ECLI:EU:C:2010:104, arrest van het Hof van 5 mei 2011, Shirley McCarthy tegen Secretary of State for the Home Department, C-434/09, ECLI:EU:C:2011:277 en arrest van het Hof van 15 november 2011, Murat Dereci en anderen tegen Bundesministerium für Inneres, C-256/11, ECLI:EU:C:2011:734.

(21)

PB L 106 van 24.4.2015, blz. 1.


ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (11.1.2019)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake de tenuitvoerlegging van de verdragsbepalingen inzake EU-burgerschap

(2018/2111(INI))

Rapporteur voor advies: Martina Anderson

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien het verslag van de Commissie van 24 januari 2017, getiteld "Versterking van de rechten van de burgers in een Unie van democratische verandering – Verslag over het EU-burgerschap 2017" (COM(2017)0030),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2017 over het verslag over het EU-burgerschap 2017: Versterking van de rechten van de burgers in een Unie van democratische verandering(1),

–  gezien Richtlijn 2004/38/EG(2) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden,

–  gezien de conclusies van de Raad van 9 juni 2011 over de voltooiing van het Schengenevaluatieproces inzake de mate waarin Bulgarije en Roemenië gereed zijn om uitvoering te geven aan alle bepalingen van het Schengenacquis (9166/3/11 resp. 9167/3/11),

–  gezien de kennisgeving van 29 maart 2017, waarin het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) aan de Raad kennis heeft gegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken,

–  gezien zijn resolutie van 13 november 2018 over minimumnormen voor minderheden in de EU(3),

–  gezien zijn resolutie van 7 februari 2018 over de bescherming en non-discriminatie ten aanzien van minderheden in de EU-lidstaten(4),

A.  overwegende dat de Europese Unie volgens artikel 2 VEU berust op eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten;

B.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie alle persoonlijke, burgerlijke, politieke, economische en sociale rechten die mensen in de EU hebben, verenigt; overwegende dat het Handvest ten doel heeft Europese burgers te beschermen tegen elke vorm van discriminatie, bijvoorbeeld op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere opvattingen, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid; overwegende dat artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) elke discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt;

C.  overwegende dat het consolideren van de rechten van burgers en democratische instellingen ook inhoudt dat alle vormen van discriminatie en genderongelijkheid bestreden moeten worden;

D.  overwegende dat burgerschapsrechten pas op doeltreffende wijze kunnen worden uitgeoefend, als de lidstaten alle in het Handvest van de grondrechten neergelegde rechten en vrijheden eerbiedigen;

E.  overwegende dat het burgerschap van de Unie wordt verkregen middels de nationaliteit van een lidstaat en dat het burgerschap van de Unie duidelijk naast het nationale burgerschap komt, zoals blijkt uit artikel 9 VEU; overwegende dat het burgerschap van de Unie een aanvulling op het nationale burgerschap vormt, maar niet in de plaats daarvan treedt; overwegende dat de lidstaten gebruik moeten maken van hun bevoegdheden om het staatsburgerschap toe te kennen in een geest van loyale samenwerking, een en ander in overeenstemming met de Verdragen, waarin de rechten en waarborgen van het burgerschap van de Unie zijn geconsolideerd, waarmee het Handvest van de grondrechten rechtskracht heeft gekregen; overwegende dat Noord-Ierland een bijzondere positie inneemt, omdat de burgers op grond van de gezamenlijke overeenkomst van de EU en het VK van december 2017 in hun verblijfplaats hun rechten als EU-burgers moeten kunnen genieten en uitoefenen; overwegende dat in artikel 20 VWEU is bepaald dat een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit tevens burger van de Unie is, en dat de burgers van de Unie de rechten genieten en plichten hebben die zijn neergelegd in de Verdragen en het Handvest;

F.  overwegende dat het recht op gelijke behandeling een van de basisbeginselen van de Europese Unie is, en een grondrecht is van alle mensen; overwegende dat in artikel 9 met betrekking tot het burgerschap van de Unie uitdrukkelijk wordt vermeld dat de Unie het beginsel van gelijkheid van haar burgers moet eerbiedigen en dat de burgers gelijke aandacht moeten genieten van de instellingen, organen en instanties van de Unie;

G.  overwegende dat ongeveer 8 % van alle EU-burgers tot een nationale minderheid behoort en dat ongeveer 10 % een regionale of minderheidstaal spreekt; overwegende dat de EU nog steeds geen gemeenschappelijk EU-kader, bijvoorbeeld benchmarks en sancties, heeft ontwikkeld om de rechten van deze burgers te beschermen;

H.  overwegende dat uit het verslag over het EU-burgerschap 2017 van de Commissie blijkt dat sinds 2012 steeds meer mensen aangeven te maken te hebben gehad met enige vorm van discriminatie;

I.  overwegende dat de vrijheid van verkeer een van de vier fundamentele vrijheden van de EU is, een hoeksteen is van de Europese integratie, en een van de rechten is die door EU-burgers het meest worden gewaardeerd; overwegende dat het recht op vrij verkeer en de uitoefening van dat recht centraal staan in het EU-burgerschap; overwegende dat EU-burgers bij de uitoefening van hun recht op vrij verkeer en verblijf nog altijd met een aantal hardnekkige belemmeringen en soms met nieuwe belemmeringen kampen, zoals buitensporige documentatievereisten, omslachtige procedures voor de verkrijging van verblijfsrechten, moeilijkheden bij de toegang tot gezondheidszorg en lange procedures voor het verkrijgen van toegang tot werk of erkenning van beroepskwalificaties; overwegende dat diverse Europese burgers binnen de EU zijn uitgewezen of een uitwijzingsbevel hebben gekregen;

J.  overwegende dat de totstandbrenging van het Schengengebied en de integratie van het Schengenacquis in het EU-kader een grote bijdrage hebben geleverd aan de vrijheid van verkeer in de EU, en dat dit een van de grootste verworvenheden van het Europese integratieproces vormt; overwegende dat de Raad in zijn conclusies van 9 juni 2011 (9166/3/11 en 9167/3/11) de geslaagde voltooiing van het evaluatieproces en de technische paraatheid van Bulgarije en Roemenië voor toetreding tot het Schengengebied heeft bevestigd;

K.  overwegende dat het Europees Parlement de enige EU-instelling is die rechtstreeks wordt gekozen; overwegende dat de beginselen van representatieve democratie, controleerbaarheid en transparantie fundamentele pijlers zijn van het Europees Parlement;

L.  overwegende dat Europese burgers rechtstreeks vertegenwoordigd worden in het Europees Parlement, en een democratisch recht hebben om actief en passief aan de Europese verkiezingen deel te nemen, onverminderd enkele specifieke in de Verdragen neergelegde regelingen die voor een aantal lidstaten gelden; overwegende dat deze rechten geëerbiedigd dienen te worden, ook als burgers op het grondgebied van een andere lidstaat woonachtig zijn; overwegende dat EU-burgers overeenkomstig artikel 22 VWEU en artikel 10 VEU het recht moeten hebben om actief en passief aan de verkiezingen voor het Europees Parlement deel te nemen;

M.  overwegende dat het recht op vrij verkeer een van de grootste verworvenheden van de Unie is; overwegende dat het voorkomt dat Europese burgers die gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer, bij Europese en lokale verkiezingen niet kunnen stemmen of belemmerd worden om te gaan stemmen, namelijk in lidstaten die de uitoefening van dit recht niet op passende wijze faciliteren en bevorderen;

N.  overwegende dat Noord-Ierland de grootste gevolgen zal ondervinden van de brexit; overwegende dat de invoering van een harde grens met de Republiek Ierland een groot punt van zorg is, omdat invoering van een harde grens gevolgen heeft voor het recht op vrij verkeer en voor EU-burgerschapsrechten;

O.  overwegende dat de invoering van het Europees burgerschap een verworvenheid van het Europese project is die nog niet ten volle wordt benut; overwegende dat het Europees burgerschap een uniek concept is, dat zijn gelijke in de wereld niet kent;

1.  benadrukt dat de EU de plicht heeft minderheden gelijke bescherming te bieden en de rechten van minderheden in dezelfde mate te beschermen als de rechten van niet-minderheden; wijst erop dat in artikel 2 VEU is bepaald dat de bescherming van minderheden behoort tot de waarden waarop de Unie berust; merkt voorts op dat de artikelen 21 (inzake non-discriminatie) en 22 (inzake culturele, religieuze en taalkundige verscheidenheid) van het Handvest van de grondrechten bij de inwerkingtreding van het VWEU juridisch bindend zijn geworden; merkt op dat alle rechten die momenteel gewaarborgd worden krachtens het Handvest van de grondrechten en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook het rechterlijk toezicht en de bescherming door het Hof van Justitie van de Europese Unie, voor burgers in Noord-Ierland van fundamenteel belang zijn voor de tenuitvoerlegging van het Goede Vrijdagakkoord;

2.  benadrukt dat autochtone nationale, etnische en taalkundige minderheidsgemeenschappen een bijzondere bijdrage leveren aan de Europese diversiteit en cultuur; herinnert eraan dat het behoud en de bevordering van culturele en taalkundige diversiteit binnen en tussen lidstaten niet alleen een fundamentele waarde is, maar ook een belangrijke taak van de Europese Unie;

3.  wijst erop dat de burgers van de Unie onvoldoende bekend zijn met hun rechten uit hoofde van het burgerschap van de Unie, waaronder het recht om een stem uit te brengen bij Europese en lokale verkiezingen en het recht op consulaire bescherming van de ambassades van andere lidstaten; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de deelname van burgers aan het democratische leven te bevorderen door burgers ten volle te informeren over hun stemrechten en belemmeringen voor deelname aan het democratische leven weg te nemen, en kwesties op het gebied van toegankelijkheid, deelname, non-discriminatie en gelijkheid aan te pakken, om ervoor te zorgen dat alle EU-burgers, ook burgers met een handicap, hun grondrechten gelijkelijk kunnen uitoefenen;

4.  stelt met bezorgdheid vast dat enkele lidstaten hun onderdanen, die Europese burgers zijn, geen stemrecht bieden voor de verkiezingen voor het Europees Parlement, een praktijk die ten koste gaat van de diversiteit van de standpunten in het Parlement en die afbreuk doet aan de verantwoordingsplicht van de Europese instellingen jegens de Europese burgers; stelt zich op het standpunt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat hun onderdanen alle economische, sociale, politieke, milieu- en democratische rechten genieten die samenhangen met het burgerschap van de Unie; wijst erop dat er in de lidstaten op verschillende wijze toepassing wordt gegeven aan het recht dat is neergelegd in artikel 20, lid 2, VWEU; spoort de lidstaten aan om een zo ruim mogelijke toepassing te geven aan het stemrecht;

5.  verzoekt de Commissie om stelselmatig toezicht te houden op de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG in de lidstaten en om passende maatregelen te nemen om eventuele belemmeringen van het recht op vrij verkeer weg te nemen, zodat alle EU-burgers hun recht op vrij verkeer ten volle kunnen uitoefenen, zonder onderworpen te worden aan grenscontroles;

6.  verzoekt de Raad en de Europese Raad om alle landen die aan de vereiste technische criteria voldoen, de mogelijkheid te bieden lid te worden van het Schengengebied, zodat alle EU-burgers van hun recht op vrij verkeer gebruik kunnen maken, ongehinderd door grenscontroles;

7.  merkt op dat momenteel bijna 7 miljoen EU-burgers in landen buiten de EU woonachtig zijn en dat dit aantal naar verwachting zal stijgen tot ten minste 10 miljoen in 2020; benadrukt dat de lidstaten een brede democratische deelname bij de komende Europese verkiezingen van 2019 moeten bevorderen; dringt erop aan dat Richtlijn (EU) 2015/637 volledig en doeltreffend wordt uitgevoerd, om consulaire bescherming te waarborgen voor EU-burgers in derde landen waar hun lidstaat niet vertegenwoordigd is;

8.  is bezorgd over bepaalde praktijken die in sommige lidstaten plaatsvinden, zoals de toekenning van "gouden visa", d.w.z. het toekennen van burgerschapsrechten aan onderdanen van derde landen louter in ruil voor investeringen en op basis van minimale vereisten; benadrukt dat het EU-burgerschap niet gereduceerd mag worden tot handelswaar; dringt er bij deze lidstaten op aan te stoppen met de verkoop van verblijfsvergunningen via gouden visa en programma's voor investeerders, en ervoor te zorgen dat hun nationaliteit niet te koop is, gezien het grote risico van corruptie, schending en misbruik van het Schengengebied voor criminele doeleinden; verzoekt de Commissie om in het kader van haar voorstel zorgvuldig te kijken naar de nationale regelingen voor de verlening van het Unieburgerschap aan investeerders, en daarbij te benadrukken dat de lidstaten het EU-recht volledig in acht moeten nemen wanneer zij gebruikmaken van hun bevoegdheid om het burgerschap te verlenen;

9.  dringt er bij de lidstaten op aan rekening te houden met de bijzondere situatie van kinderen van EU-burgers die hun Verdragsrechten uitoefenen, wanneer het gevaar bestaat dat die kinderen niet aan de criteria voor burgerschap uit hoofde van nationale regels voldoen, met name wanneer voor de verkrijging van het burgerschap moet worden aangetoond dat zij een nauwe band hebben met het betrokken land;

10.  stelt met bezorgdheid vast dat het recht op een gezinsleven van veel EU-onderdanen die getrouwd zijn of een vaste relatie hebben met een onderdaan van een derde land, kan worden aangetast als gevolg van nationale wetgeving of van de slechte uitvoering ervan, wat ook geldt voor hun vermogen om hun Verdragsrechten uit te oefenen wanneer zij binnen de EU reizen;

11.  dringt er bij de lidstaten op aan het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen in beslissingen inzake de verwijdering van onderdanen van derde landen van hun grondgebied en herinnert eraan dat dergelijke beslissingen verband moeten houden met de persoon in kwestie, alleen genomen mogen worden na grondig onderzoek van de omstandigheden, en de grondrechten moeten eerbiedigen;

12.  roept het Bureau voor de grondrechten op om in zijn werkprogramma een begin te maken met de bestrijding op lokaal, regionaal en nationaal niveau van discriminatie op grond van regionale of minderheidstalen;

13.  is van mening dat de EU, om inhoud te geven aan de verwijzing naar minderheden en naar de gelijkheid van alle EU-burgers in artikel 2, respectievelijk artikel 9 VEU, en om het potentieel van het EU-burgerschap beter te benutten, stappen moet zetten om de fundamentele waarden van de EU en de rechten van minderheden te beschermen; herhaalt de noodzaak om een omvattend EU-systeem voor de bescherming van autochtone nationale, etnische en taalkundige minderheden op te zetten door bestaande instrumenten van het internationaal recht te integreren en bewezen beste praktijken in de EU te volgen; meent dat een dergelijk kader moet voorzien in eigen hoge normen en vergezeld moet gaan van een solide monitoringmechanisme;

14.  veroordeelt in krachtige bewoordingen de toename van het aantal gevallen van racisme, xenofobie, discriminatie en aanzetten tot haat, en de geweldsuitingen van neofascistische en neonazistische organisaties in een aantal lidstaten van de EU;

15.  benadrukt dat het waarborgen van de rechten en belangen van EU-27-burgers die in het Verenigd Koninkrijk wonen of hebben gewoond en burgers van het Verenigd Koninkrijk die in de EU-27 wonen of hebben gewoond, als een absolute prioriteit moet worden beschouwd bij de onderhandelingen over de brexit; is uiterst bezorgd over de huidige stand van de onderhandelingen over de uittreding van het VK uit de EU en over de desastreuze gevolgen die een scenario zonder overeenkomst zal hebben voor het leven van meer dan vijf miljoen mensen; verzoekt de Britse en de Ierse regering om ervoor te zorgen dat de uit hoofde van de Verdragen en relevante internationale overeenkomsten geldende rechten van in Groot-Brittannië en Noord-Ierland wonende EU-burgers, na de brexit worden beschermd;

16.  verzoekt de Commissie om snel en kordaat op te treden en van de lidstaten te verlangen dat zij alle relevante gegevens aanleveren en alle relevante controles uitvoeren, zodat de integriteit en veiligheid van het Schengensysteem niet in gevaar komen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.1.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

40

7

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Asim Ademov, Martina Anderson, Heinz K. Becker, Monika Beňová, Michał Boni, Caterina Chinnici, Rachida Dati, Frank Engel, Laura Ferrara, Romeo Franz, Kinga Gál, Ana Gomes, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Monika Hohlmeier, Sophia in ‘t Veld, Cécile Kashetu Kyenge, Monica Macovei, Roberta Metsola, Claude Moraes, Ivari Padar, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Csaba Sógor, Helga Stevens, Traian Ungureanu, Bodil Valero, Marie-Christine Vergiat, Udo Voigt, Josef Weidenholzer, Cecilia Wikström, Kristina Winberg, Tomáš Zdechovský, Auke Zijlstra

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Dennis de Jong, Anna Hedh, Lívia Járóka, Marek Jurek, Jean Lambert, Jeroen Lenaers, Andrejs Mamikins, Angelika Mlinar, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Christine Revault d’Allonnes Bonnefoy

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Norbert Erdős, Fernando Ruas, Adam Szejnfeld

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

40

+

ALDE

Nathalie Griesbeck, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Cecilia Wikström

EFDD

Laura Ferrara

GUE/NGL

Martina Anderson, Dennis de Jong, Marie-Christine Vergiat

PPE

Asim Ademov, Heinz K. Becker, Michał Boni, Rachida Dati, Frank Engel, Kinga Gál, Monika Hohlmeier, Lívia Járóka, Jeroen Lenaers, Roberta Metsola, Fernando Ruas, Csaba Sógor, Adam Szejnfeld, Traian Ungureanu, Tomáš Zdechovský

S&D

Monika Beňová, Caterina Chinnici, Ana Gomes, Sylvie Guillaume, Anna Hedh, Cécile Kashetu Kyenge, Andrejs Mamikins, Claude Moraes, Ivari Padar, Christine Revault d'Allonnes Bonnefoy, Birgit Sippel, Josef Weidenholzer

VERTS/ALE

Romeo Franz, Jean Lambert, Judith Sargentini, Bodil Valero

7

-

ECR

Marek Jurek, Monica Macovei, Helga Stevens, Kristina Winberg

ENF

Auke Zijlstra

NI

Udo Voigt

PPE

Norbert Erdős

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB C 369 van 11.10.2018, blz. 11.

(2)

PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0447.

(4)

PB C 463 van 21.12.2018, blz. 21.


ADVIES van de Commissie verzoekschriften (21.11.2018)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake de tenuitvoerlegging van de verdragsbepalingen inzake EU-burgerschap

(2018/2111(INI))

Rapporteur voor advies: Notis Marias

SUGGESTIES

De Commissie verzoekschriften verzoekt de bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat het burgerschap van de Unie, zoals vastgesteld in artikel 20 VWEU, naast het daarin genoemde recht om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven, het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, het recht op consulaire bescherming door een andere lidstaat, indien nodig, en het recht om verzoekschriften in te dienen en zich tot de Europese Ombudsman te wenden in alle verdragstalen, ook verdere implicaties heeft en rechten met zich meebrengt op het gebied van democratische participatie, op basis van de artikelen 11 VEU en 24 VWEU, hoofdstuk V van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en andere rechtsgrondslagen;

2.  is van mening dat de EU-instellingen meer inspanningen moeten leveren om de handhaving van de kiesrechten van de burgers van de Unie doeltreffender te maken met het oog op het effectief aanpakken van het probleem van een steeds lagere opkomst; benadrukt dat de kieswetten in veel lidstaten nog steeds ingewikkeld en discriminerend zijn en in sommige gevallen de uitoefening van het kiesrecht zeer bemoeilijken of zonder meer verhinderen, met name in het geval van EU-burgers die gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer, in totaal naar schatting 15 miljoen mensen; roept de Commissie op om follow-up te geven aan het verlies van stemrecht van EU-burgers die ingezetene zijn van een andere lidstaat en om concrete maatregelen voor te stellen ter bescherming van hun politieke rechten; dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten te verzoeken om de beste praktijken die burgers helpen krachtens artikel 22, lid 2, VWEU te stemmen voor de Europese verkiezingen en zich ervoor kandidaat te stellen, actief te handhaven, waaronder de publicatie van kieswetten ten minste één jaar voor de Europese verkiezingen, de bestrijding van fake news en alle populistische retoriek, en de bevordering van pluralisme in de media; is van oordeel dat de standpunten van de leden van het Europees Parlement door de publieke en private media zodanig moeten worden weergegeven dat objectiviteit en pluralisme worden gewaarborgd;

3.  herinnert eraan dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) heeft bijgedragen aan de progressieve ontwikkeling van het begrip burgerschap, zodanig dat bepaalde aspecten een relatieve autonomie hebben gekregen bezien vanuit de Europese constitutionele situatie; herinnert eraan dat artikel 20 VWEU zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten(1);

4.  herinnert eraan dat volgens artikel 17 VEU bij de benoeming van de voorzitter van de Commissie rekening moet worden gehouden met de verkiezingen voor het Europees Parlement; onderstreept het politieke belang en de symbolische waarde van deze figuur voor het EU-burgerschap en is van mening dat de voorzitter van de volgende Commissie door de Europese Raad moet worden gekozen uit de "Spitzenkandidaten" (topkandidaten) die in totaal meer steun krijgen binnen de verschillende fracties van het Europees Parlement;

5.  is er van overtuigd dat het beginsel van non-discriminatie een hoeksteen is van Europees burgerschap en een algemeen beginsel en fundamentele waarde van de EU-wetgeving in overeenstemming met artikel 2 VEU; benadrukt in het bijzonder dat artikel 10 VWEU discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid verbiedt bij de bepaling en uitvoering van het beleid en optreden van de Unie; herinnert eraan dat ook artikel 21 van het Handvest van de grondrechten discriminatie op deze gronden verbiedt maar ook op grond van genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, of geboorte; herinnert eraan dat de richtlijn inzake rassengelijkheid (2000/43/EG)(2) het verbod heeft ingevoerd van discriminatie op grond van ras of etnische afstamming in de context van arbeid; wijst erop dat de richtlijn gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot goederen en diensten (2004/113/EG)(3) en de richtlijn gelijke behandeling van mannen en vrouwen (2006/54/EG)(4) gelijke behandeling alleen in verband met sociale zekerheid waarborgen; vindt het spijtig dat de richtlijnen meer dan tien jaar na de uiterste datum voor hun omzetting nog steeds niet ten uitvoer worden gelegd;

6.  betreurt het feit dat de anti-discriminatierichtlijn die het beginsel van gelijke behandeling buiten de arbeidsmarkt toepast en bescherming tegen discriminatie uitbreidt met een horizontale benadering tien jaar na de publicatie van het voorstel van de Commissie nog steeds door de Raad wordt geblokkeerd; gelooft dat de toekomstige voorzitters van de Raad ernaar moeten streven om voor het einde van het mandaat een positie over de richtlijn te formuleren;

7.  herhaalt de resultaten van de openbare hoorzitting van de Commissie verzoekschriften in juni 2017 over het herstellen van het vertrouwen van burgers in het Europees project, waarin onder meer wordt benadrukt dat het EU-besluitvormingsproces en de instellingen voor alle burgers van de Unie meer open en transparant moeten worden gemaakt; gelooft dat de directe participatie van burgers en volledige transparantie in alle fasen van het EU-besluitvormingsproces essentieel zijn om de democratische rechten van de burgers te versterken en het democratisch tekort op EU-niveau aan te pakken; benadrukt dat door de strijd tegen corruptie geloofwaardig te leiden de Unie een cruciale stap zou zetten, niet alleen voor het garanderen van een goed functionerend bestuur in alle lidstaten en het beschermen van het algemeen belang van de belastingbetaler, maar ook voor de verbetering van haar imago in de ogen van EU-burgers; is van mening dat de EU een voorbeeld moet stellen en de hoogste normen moet toepassen om belangenverstrengeling te vermijden, ook met betrekking tot benoemingen voor relevante posten in de EU-instellingen en -agentschappen; betreurt het dat er recent sprake was van draaideurconstructies voor commissarissen, wat het aanzien van de Unie door de publieke opinie schaadt;

8.  herinnert eraan dat de Commissie, om een doeltreffende tenuitvoerlegging te waarborgen van het Unierecht door de lidstaten met betrekking tot alle uit de Verdragen voortvloeiende burgerschapsrechten en met name het recht op vrije verplaatsing, haar verplichtingen uit hoofde van de artikelen 258 tot en met 260 VWEU als hoedster van de Verdragen volledig moet blijven nakomen; dringt er bij de Commissie op aan alle haar ter beschikking staande instrumenten en mechanisme hiervoor te gebruiken; benadrukt het belang om de besluitvormings- en handhavingsactiviteiten van de Unie doeltreffender en zichtbaarder te maken om ervoor te zorgen dat de burgers van de Unie een beter geïnformeerd beeld hebben van de EU;

9.  verwijst naar zijn resolutie van 12 december 2017 over het verslag over het EU-burgerschap 2017: versterking van de rechten van de burgers in een Unie van democratische verandering(5), waarin onder meer wordt benadrukt dat deze in het Verdrag vastgelegde rechten en verplichtingen niet op ongerechtvaardigde wijze door de lidstaten kunnen worden beperkt; onderstreept dat de succesvolle uitoefening van burgerschapsrechten pas kan plaatsvinden wanneer alle in het EU-Handvest van de grondrechten vastgelegde rechten en vrijheden door de lidstaten worden gewaarborgd;

10.  nodigt alle Europese instellingen uit om het fenomeen "geef Brussel de schuld" te bestrijden, waarmee de lidstaten de verantwoordelijkheid voor beslissingen die ze zelf hebben genomen als leden van de Raad afschuiven op de Europese Unie; roept de Raad op tot meer transparantie van het besluitvormingsproces;

11.  roept op tot het opnemen van gendermainstreaming en een genderperspectief in alle evaluatie- en beoordelingsprocessen in verband met actuele wetsteksten en toekomstige voorstellen betreffende het burgerschap;

12.  herinnert aan dat de politieke partijen op Europees niveau "bijdragen tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de wil van de burgers van de Unie" (artikel 10, lid 4 VEU); stelt daarom voor dat individuele burgers van de EU de mogelijkheid moeten hebben om direct lid te worden van een politieke partij op Europees niveau;

13.  is van mening dat de uitoefening van het kiesrecht op gemeentelijk niveau door burgers van de Unie krachtens artikel 22, lid 1, VWEU onlosmakelijk verbonden is aan het recht op vrij verkeer en EU-burgerschap; meent dat participerende democratie op EU-niveau effectiever zou zijn met een echt democratisch bestuur dat in staat is om volledige transparantie, effectieve bescherming van grondrechten, directe betrokkenheid van burgers in het EU-besluitvormingsproces en de opname van de prioriteiten van EU-burgers in de politieke agenda van de EU te garanderen; gelooft dat hulpmiddelen van participerende en directe democratie moeten worden versterkt om ook de politieke betrokkenheid van burgers in lokale en nationale gemeenschappen te vergroten; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan beste praktijken ook ter bevordering van een hogere opkomst bij gemeentelijke en lokale verkiezingen in de hele Unie te stimuleren, met name door onderwijs, meer aandacht voor het belang van lokale verkiezingen, voorlichting over de rechten van EU-burgers op dit gebied en rechtstreekse bevordering van deelname aan dergelijke verkiezingen; erkent dat de huidige situatie waarin burgers van sommige lidstaten hun recht om te stemmen in nationale verkiezingen in hun land van herkomst verliezen, terwijl ze ook niet mogen stemmen in de nationale verkiezingen van hun land van verblijf, moet worden verbeterd; meent dat deze ontzegging van het kiesrecht van EU-burgers niet strookt met hun recht uit hoofde van het Verdrag om volledig deel te nemen aan het democratische leven van de Unie;

14.  herinnert eraan dat het recht om overeenkomstig 227 VWEU een verzoekschrift in te dienen voor burgers een formeel kanaal is om rechtstreeks met de EU-instellingen te communiceren, om de tekortkomingen en inconsistenties van EU-wetgeving te belichten met het oog op het doel de economische, sociale en culturele rechten volledig te beschermen, en de onjuiste toepassing of omzetting van Unierecht door nationale autoriteiten te melden; wijst erop dat burgers in de hele Unie weliswaar op de hoogte zijn van het recht om een verzoekschrift in te dienen, maar dat de EU-instituties van een aanhoudend gebrek aan efficiëntie getuigen in het aanspreken en oplossen van problemen waarop burgers hen door middel van verzoekschriften opmerkzaam hebben gemaakt; vraagt de EU-instituties om een effectieve strategie vast te stellen die erop gericht is de volledige bescherming van de grondrechten van burgers te waarborgen en de samenwerking met nationale, regionale en lokale autoriteiten te verbeteren, vooral op beleidsdomeinen in verband waarmee het grootste aantal verzoekschriften wordt ingediend, namelijk milieu, grondrechten (meer bepaald stemrechten en kinderrechten), het vrij verkeer van personen, sociale zaken en werkgelegenheid, discriminatie en immigratie;

15.  benadrukt dat het recht om een verzoekschrift in te dienen bij het Europees Parlement een fundamenteel onderdeel vormt van het burgerschap van de Unie; herhaalt dat artikel 227 VWEU en artikel 44 van het Handvest van de grondrechten, het recht erkennen van iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat om een verzoekschrift in te dienen; herinnert aan het belangrijke verband tussen de verzoekschriftenprocedure en de toezichts- en handhavingsactiviteiten van de Commissie op grond van de artikelen 258 tot en met 260 VWEU; dringt er bij alle EU-instellingen en de lidstaten op aan het verstrekken van informatie en onderwijs over het recht om verzoekschriften in te dienen onder alle burgers van de Unie te bevorderen als een instrument voor het stimuleren van participerende democratie en het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid; benadrukt dat volledige toegankelijkheid van EU-instituties en de inhoud van hun beleid, ook met digitale middelen en voor personen met beperkingen, absoluut noodzakelijk is;

16.  onderstreept het belang van het recht van iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat overeenkomstig de artikelen 24 en 228 VWEU om een klacht bij de Europese Ombudsman in te dienen over gevallen van wanbeheer bij de werkzaamheden van de instellingen van de Europese Unie, met name wat betreft het recht op toegang tot openbare documenten; verzoekt zowel de EU-instellingen als de lidstaten alle burgers van de Unie over dit recht meer voor te lichten; merkt op dat het gebruik van een open, efficiënt en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat van essentieel belang blijft voor de effectieve uitoefening van dit recht, in overeenstemming met artikel 41 van het Handvest van de grondrechten; brengt artikel 1 van de VEU in herinnering dat bepaalt dat beslissingen zo dicht mogelijk bij de burger moeten worden genomen; herinnert aan de cruciale bijdrage van het bureau van de Europese Ombudsman aan het vergroten van de algehele transparantie en openheid van de besluitvorming en wetgevingsprocedures van de EU, waardoor de actieve participatie daarin van de burgers van de Unie wordt ondersteund en hun vertrouwen wordt vergroot; staat in dit verband volledig achter de aanbevelingen van het strategisch onderzoek van de Ombudsman OI/2/2017/TE ten aanzien van de transparantie van het wetgevingsoverleg in de voorbereidende instanties van de Raad van de EU;

17.  stelt een herziening voor van Verordening (EG) nr. 1049/2001(6) inzake de toegang van het publiek tot documenten teneinde dit door EU-burgers en het maatschappelijk middenveld uitgeoefende recht te versterken;

18.  is er van overtuigd dat transparantie een essentieel bestanddeel is van de rechtsstaat, en het waarborgen van transparantie tijdens het gehele wetgevingsproces van invloed is op de effectieve verwezenlijking van het stemrecht, het recht op verkiesbaarheid en andere rechten, zoals het recht op vrije meningsuiting, en met name het aspect van de uitingsvrijheid en het recht op informatie; is ook van mening dat voor de bevordering van een actief Europees burgerschap ruimte moet zijn voor openbare controle, herziening en evaluatie van het proces en de mogelijkheid om de uitkomst van dat proces aan te vechten; onderstreept dat dit ertoe zou bijdragen dat EU-burgers geleidelijk vertrouwd worden met basisbegrippen van het wetgevingsproces en de participerende aspecten zou bevorderen van het democratische leven in de Unie;

19.  overweegt dat meertaligheid binnen de instellingen en in hun interactie met burgers een essentieel aspect is om de notie van EU-burgerschap te versterken; roept op tot meer inspanningen om zoveel mogelijk te garanderen dat officiële documenten beschikbaar worden gemaakt in meer dan de drie werktalen;

20.  moedigt lidstaten aan te zorgen voor meer politieke vorming in EU-aangelegenheden, onder andere over EU-burgerrechten in hun schoolprogramma's, en de opleiding van leraren dienovereenkomstig aan te passen;

21.  neemt kennis van de koppeling tussen burgerschapsrechten van de Unie en de Europese pijler van sociale rechten; benadrukt dat het recht om in de Unie vrij te reizen en te werken alleen kan worden versterkt door middel van meer wetgevingsmaatregelen die gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, billijke arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming en integratie in de hele EU waarborgen; verzoekt de Commissie concrete maatregelen te nemen om de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten te bevorderen; roept lidstaten ertoe op om Verordening (EG) nr. 987/2009(7) tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels volledig en effectief om te zetten om de overdraagbaarheid van sociale uitkeringen (bijv. nationale pensioenen, ziektekostenverzekering, werkloosheidsuitkeringen en gezinstoelagen) te waarborgen;

22.  benadrukt de noodzaak om af te zien van bezuinigingsmaatregelen en efficiënt en consistent beleid op EU-niveau vast te stellen om volledige werkgelegenheid en adequate sociale bescherming, de hoogste niveaus van onderwijs en opleiding en het hoogste beschermingsniveau van menselijke gezondheid en het milieu te kunnen garanderen;

23.  betreurt de bestaande opt-outs van sommige lidstaten ten aanzien van onderdelen van de EU-verdragen, die de rechten van burgers ondermijnen en de facto verschillen in de rechten van burgers teweegbrengen die volgens de EU-verdragen gelijk verondersteld worden te zijn;

24.  is van mening dat de herziening van het rechtskader voor het Europees burgerinitiatief (EBI) een kans biedt om deelname van burgers aan EU-beleidsvorming te vergroten door het instrument minder bureaucratisch, toegankelijker en effectiever te maken; onderstreept dat de Unie voldoende infrastructuur en ondersteuning beschikbaar moet stellen voor de uitvoering van de volledige EBI-procedure; herinnert eraan dat burgerinitiatieven adequate aandacht verdienen van de EU-instellingen, zoals benadrukt wordt in de recente jurisprudentie van het HvJ-EU (zaak T-646/13, Bürgerausschuss für die Bürgerinitiative Minority SafePack – one million signatures for diversity in Europe/Europese Commissie); benadrukt de noodzaak om uitgebreidere regels en betere praktijken te ontwikkelen met betrekking tot de politieke en juridische follow-up van geslaagde Europese burgerinitiatieven;

25.  erkent dat de brexit de eerste keer zal zijn dat EU-burgers hun EU-burgerschap en de daarbij behorende rechten, privileges en bescherming wordt ontnomen; herinnert eraan dat, wanneer EU-burgerschap eenmaal is verleend, we ervoor moeten zorgen dat diegenen die gebruik hebben gemaakt van zijn voorrechten niet in een juridisch vacuüm terecht komen wanneer het wordt afgenomen, in het bijzonder wanneer dit tegen hun wil gebeurt, zoals we hebben gezien bij de terugtrekking van het VK uit de Unie; roept ertoe op om burgerrechten zeker te stellen in een afzonderlijke overeenkomst in het kader van de lopende brexit-onderhandelingen om ze van het politieke proces los te koppelen en hun bescherming zelfs in een "no-deal"-scenario te kunnen garanderen; overweegt de mogelijkheid van levenslang EU-burgerschap of een vorm van geassocieerd burgerschap voor diegenen wier EU-burgerschap is afgenomen;

26.  gelooft dat de Solvit-dienst verder moet worden gemainstreamd en aanvullende bevoegdheden moet worden toegekend om kwesties in verband met het recht op vrije verplaatsing, inclusief het recht op binnenkomst, alsook kwesties in verband met verblijf en discriminatie, efficiënter aan te kunnen pakken, voordat er enige gerechtelijke of bestuurlijke oplossing wordt gezocht, wat de burger de tijd en de noodzaak bespaart om van zijn rechtsmiddelen gebruik te maken, en tijdig op hun problemen in te kunnen gaan;

27.  gelooft dat het EU-burgerschapsprogramma's zoals "Erasmus+" of "Europa voor burgers", samen met andere initiatieven die tot doel hebben de democratische participatie in het leven van de Unie te bevorderen, zoals crowdsourcing, cruciale elementen zijn die moeten worden vernieuwd en bevorderd binnen het aanstaande meerjarig financieel kader;

28.  overweegt dat het Handvest van de grondrechten, dat deel uitmaakt van het Verdrag van Lissabon, het meest essentiële stuk wetgeving is voor EU-burgerschap, zowel wat de symboliek als wat de inhoud betreft; betreurt het dat artikel 51 van het Handvest, in combinatie met een herhaaldelijk restrictieve interpretatie daarvan, de toepassing ervan onmogelijk maakt;

29.  overweegt dat ondanks de inspanningen van de Europese instellingen, de bewustwording van rechten in veel lidstaten nog steeds tekortschiet en dit het grootste obstakel vormt voor het volledige genot van de rechten die uit de status van Europees burger voortvloeien;

30.  benadrukt dat het geheel van rechten en verplichtingen dat voortvloeit uit het Unie-burgerschap niet op ongerechtvaardigde wijze kan worden beperkt;

31.  roept de lidstaten op de Europese burgers beter te informeren over hun rechten en plichten, en een gelijke toegang tot deze rechten in zowel hun land van herkomst als in andere lidstaten te bevorderen;

32.  herinnert eraan de het Verdrag van Lissabon de procedure voor zijn eigen herziening bevat, zoals vastgesteld in artikel 48 van het Verdrag van de Europese Unie; onderstreept dat dit een waardevol hulpmiddel is om de mogelijkheden van EU-burgerschap te bevorderen; merkt op dat er tien jaar zijn verstreken sinds de laatste verdragsherziening, een van de langste periodes in de afgelopen decennia waarin geen herziening heeft plaatsgevonden; is van mening dat de realiteit van brexit een goede reden en unieke aanleiding is om een nieuw herzieningsproces te starten; stelt in dit verband voor een nieuwe Europese Conventie op te richten.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.11.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

1

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

Margrete Auken, Beatriz Becerra Basterrechea, Andrea Cozzolino, Pál Csáky, Miriam Dalli, Rosa Estaràs Ferragut, Eleonora Evi, Takis Hadjigeorgiou, Peter Jahr, Rikke-Louise Karlsson, Svetoslav Hristov Malinov, Lukas Mandl, Notis Marias, Ana Miranda, Miroslavs Mitrofanovs, Marlene Mizzi, Gabriele Preuß, Eleni Theocharous, Cecilia Wikström

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Urszula Krupa, Kostadinka Kuneva, Julia Pitera, Ángela Vallina

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Asim Ademov, Adam Szejnfeld, Mihai Ţurcanu

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

19

+

ALDE

Beatriz Becerra Basterrechea, Cecilia Wikström

ECR

Urszula Krupa, Notis Marias, Eleni Theocharous

EFDD

Eleonora Evi

GUE/NGL

Takis Hadjigeorgiou, Kostadinka Kuneva, Ángela Vallina

NI

Rikke-Louise Karlsson

PPE

Pál Csáky, Julia Pitera

S&D

Andrea Cozzolino, Miriam Dalli, Marlene Mizzi, Gabriele Preuß

VERTS/ALE

Margrete Auken, Ana Miranda, Miroslavs Mitrofanovs

1

-

PPE

Rosa Estaràs Ferragut

6

0

PPE

Asim Ademov, Peter Jahr; Svetoslav Hristov Malinov, Lukas Mandl Adam Szejnfeld, Mihai Ţurcanu,

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 8 maart 2011, Gerardo Ruiz Zambrano / Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), C-34/09, ECLI:EU:C:2011:124.

(2)

Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22).

(3)

Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37).

(4)

Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23).

(5)

PB C 369 van 11.10.2018, blz. 11.

(6)

Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43);

(7)

PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.1.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Mercedes Bresso, Pascal Durand, Esteban González Pons, Danuta Maria Hübner, Ramón Jáuregui Atondo, Alain Lamassoure, Jo Leinen, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Markus Pieper, Paulo Rangel, Helmut Scholz, György Schöpflin, Pedro Silva Pereira, Barbara Spinelli, Josep-Maria Terricabras, Kazimierz Michał Ujazdowski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Pervenche Berès, Ashley Fox, Sylvia-Yvonne Kaufmann

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Michael Gahler, Jarosław Wałęsa


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

19

+

ALDE

Maite Pagazaurtundúa Ruiz

GUE/NGL

Helmut Scholz, Barbara Spinelli

NI

Kazimierz Michał Ujazdowski

PPE

Michael Gahler, Esteban González Pons, Danuta Maria Hübner, Alain Lamassoure, Markus Pieper, György Schöpflin, Jarosław Wałęsa

S&D

Pervenche Berès, Mercedes Bresso, Ramón Jáuregui Atondo, Sylvia Yvonne Kaufmann, Jo Leinen, Pedro Silva Pereira

VERTS/ALE

Pascal Durand, Josep Maria Terricabras

3

-

ECR

Ashley Fox

ENF

Gerolf Annemans

PPE

Paulo Rangel

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouiding

Laatst bijgewerkt op: 8 februari 2019Juridische mededeling