Procedure : 2017/2284(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0045/2019

Ingediende teksten :

A8-0045/2019

Debatten :

PV 12/02/2019 - 5
CRE 12/02/2019 - 5

Stemmingen :

PV 12/02/2019 - 9.21
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0082

VERSLAG     
PDF 245kWORD 85k
30.1.2019
PE 618.102v03-00 A8-0045/2019

inzake de uitvoering van Richtlijn 2009/128/EG betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden

(2017/2284(INI))

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Rapporteur: Jytte Guteland

Rapporteur voor advies (*):

Sofia Ribeiro, Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – artikel 54 van het Reglement

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN
 ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN

Achtergrond

Het zevende milieuactieprogramma stelt zich ten doel dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uiterlijk in 2020 geen schadelijke gevolgen meer heeft voor de gezondheid van de mens noch een onaanvaardbare invloed op het milieu, en dat deze middelen duurzaam worden gebruikt.

Pesticiden spelen een belangrijke rol in de Europese landbouwproductie: zij houden gewassen gezond en voorkomen aantasting door ziekten en plagen. Pesticiden op gewassen kunnen echter lekken en wegstromen en zo de bodem en oppervlaktewateren binnendringen, waardoor het risico bestaat dat zij niet-doelsoorten in ecosystemen op het land en in het water aantasten. Dit heeft gevolgen voor het functioneren van habitats en leidt tot verlies van biodiversiteit. Een voorbeeld hiervan is de sterke achteruitgang van insectenpopulaties. Tevens beïnvloedt dit de vorming en samenstelling van de bodem, alsmede de beschikbaarheid van schoon drinkwater. Residuen van pesticiden in voedsel kunnen tevens een risico vormen voor de gezondheid van de mens. Tegelijkertijd brengen residuen in diervoeder de gezondheid van dieren in gevaar en kunnen zij in de voedselketen terechtkomen. Uiterst verontrustend zijn de gevolgen voor de gezondheid van de mens bij blootstelling aan pesticiden met hormoonverstorende eigenschappen, en de kosten die daaruit voortvloeien. Andere bedenkelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid hangen samen met de neurotoxiciteit van bijvoorbeeld insecticiden en biociden. Dit kan gevolgen hebben voor de werking van de hersenen, met name bij blootstelling tijdens de embryonale ontwikkeling.

De huidige afhankelijkheid van pesticiden als dominante methode om plagen te bestrijden is duidelijk onverenigbaar duurzame landbouw. Gebruik van pesticiden gedurende een langere periode heeft namelijk dikwijls tot gevolg dat schadelijke organismen resistent worden. Een schadelijk bijgevolg van het gebruik van pesticiden is bovendien dat nuttige organismen worden gedood die een belangrijke rol spelen bij de voorkoming van plagen, waardoor secundaire plagen uitbreken. Beide factoren kunnen ertoe leiden dat het gebruik van pesticiden verder toeneemt, waardoor een negatieve spiraal ontstaat. Ten slotte vernietigen pesticiden de biodiversiteit van de landbouwgrond en putten zij de grond uit, wat cruciale gevolgen heeft voor duurzame voedselproductie. In een recent verschenen verslag(1) van de Europese Commissie betreffende statistieken over pesticiden wordt erkend dat “pesticiden een oorzaak van vervuiling zijn en rechtstreekse gevolgen hebben voor met name de biodiversiteit en de toestand van waterlichamen en bodems”. Tegelijkertijd wordt in het VN-verslag 2017 van de speciale rapporteur voor het recht op voedsel(2) onderstreept dat het gebruik van pesticiden schadelijke gevolgen heeft voor de mensenrechten, de menselijke gezondheid (landbouwers, hun gezinnen, omstanders, omwonenden en consumenten) en het milieu. Tevens brengt het verslag aan het licht dat op het gebruik van pesticiden gebaseerde intensieve landbouw niet heeft bijgedragen tot het terugdringen van honger in de wereld, maar veeleer de voedselconsumptie en -verspilling in de geïndustrialiseerde landen heeft doen toenemen.

Het gebruik van pesticiden in Europa is sinds 1996 gestaag toegenomen. De afgelopen jaren is het gemiddelde gebruik niet afgenomen, ook al is er veel gedebatteerd over duurzaamheid van de landbouw en zijn er pesticiden op de markt gekomen die in lage doses gebruikt kunnen worden. In het jaar 2015 zijn in de EU in totaal 400 000 ton pesticiden verkocht, waarvan de overgrote meerderheid in de agrarische sector wordt gebruikt.

Tenuitvoerlegging van de richtlijn

Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden voorziet in een reeks maatregelen om een duurzaam gebruik van pesticiden in de EU tot stand te brengen door de risico’s en gevolgen van het gebruik van pesticiden voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken en het gebruik van geïntegreerde gewasbescherming (IPM) en alternatieve benaderingswijzen of technieken, zoals niet-chemische alternatieven voor pesticiden, te bevorderen.

De lidstaten zijn op grond van artikel 4 van de richtlijn verplicht om nationale actieplannen aan te nemen met kwantitatieve doelstellingen, streefcijfers, maatregelen en tijdschema’s om de risico’s en de gevolgen van het gebruik van pesticiden te beperken en de ontwikkeling en invoering van IPM gewasbescherming en alternatieve benaderingswijzen of technieken aan te moedigen, zodat de afhankelijkheid van het gebruik van pesticiden vermindert. De nationale actieplannen moeten tevens indicatoren bevatten aan de hand waarvan het gebruik van pesticiden met werkzame stoffen die bijzonder zorgwekkend zijn wordt gemonitord, met name wanneer er alternatieven beschikbaar zijn. De lidstaten beschrijven in hun nationale actieplannen hoe zij overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 15 van de richtlijn maatregelen zullen doorvoeren.

Op 10 oktober 2017 heeft de Europese Commissie overeenkomstig de rapportagevereisten uit hoofde van artikel 4, lid, en artikel 16 van de richtlijn een verslag gepubliceerd over de nationale actieplannen van de lidstaten en over de geboekte voortgang bij de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/128/EG betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden.

De rapporteur is ingenomen met het evaluatieverslag van de Commissie, maar is tegelijkertijd sterk verontrust over de gebrekkige tenuitvoerlegging van de richtlijn in het grootste deel van de lidstaten. Er is duidelijk enige voortgang geboekt bij de controle op spuitapparatuur, en bij de ontwikkeling van cursussen en certificeringsregelingen over het optimaal spuiten van pesticiden. Er is echter bijzonder weinig voortgang geboekt bij de bevordering van alternatieve technieken, die cruciaal zijn om de afhankelijkheid van pesticiden werkelijk te kunnen terugdringen. De vraag in de EU naar pesticiden is volgens het Europees Milieuagentschap de afgelopen jaren vrijwel stabiel gebleven(3). Dit zou kunnen betekenen dat de risico's die pesticiden voor de mens en het milieu vormen constant zijn gebleven, ondanks de uitvoering van nationale actieplannen overeenkomstig de richtlijn betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden.

Eenentwintig lidstaten hebben gemeld streefcijfers te hebben voor de beperking van de risico's van het gebruik van pesticiden, en negen lidstaten hebben streefcijfers voor de vermindering van het gebruik van pesticiden, waarbij enkele lidstaten melden streefcijfers te hebben voor zowel risicobeperking als vermindering van het gebruik. Slechts vijf lidstaten stellen meetbare, ambitieuze doelen, waarbij vier lidstaten doelstellingen voor risicobeperking hebben (België, Denemarken, Griekenland en Duitsland), en een lidstaat (Frankrijk) een doelstelling heeft op het gebied van terugdringing van het gebruik. De lidstaten zijn verplicht ten minste elke vijf jaar hun nationale actieplannen te evalueren en deze op basis van de herziening zo nodig te actualiseren. Helaas hebben tot op heden alleen Frankrijk en Litouwen hun nationale actieplannen geëvalueerd en vervolgens herzien.

De rapporteur betreurt het dat de nationale actieplannen inconsistent zijn en dat kwantitatieve doelstellingen, streefcijfers, metingen en tijdschema's voor de diverse gebieden voor het overgrote deel ontbreken, waardoor niet beoordeeld kan worden over er in de hele EU voortgang is geboekt. Veel nationale actieplannen stellen trainingen van gebruikers van pesticiden centraal, maar gaan niet gedetailleerd in op de bescherming van specifieke ecosystemen en het drinkwater. Bovendien wordt in de meeste actieplannen niet duidelijk aangegeven hoe wordt gemeten of de streefcijfers of doelstellingen al dan niet gehaald zijn. Veel lidstaten hebben maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat pesticiden niet langer terecht komen in waterlopen, waaronder wijzigingen van de apparatuur en financiële impulsen voor landbouwers om bufferzones in te richten, maar deze zones bestrijken doorgaans een zeer beperkt gebied en de doelen ervan zijn te weinig ambitieus gesteld.

De rapporteur stemt ten volle in met de belangrijkste conclusie van het verslag, waarin de lidstaten ertoe worden opgeroepen om algemene doelen en kwantificeerbare streefcijfers voor het verminderen van het gebruik van pesticiden vast te stellen, en is van mening dat speciale aandacht moet worden geschonken aan het monitoren van door pesticiden veroorzaakte schade aan het milieu en de gezondheid, het verbeteren van de waterkwaliteit, het stimuleren en behouden van de biodiversiteit, waarbij voorrang wordt gegeven aan het invoeren van de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming (IPM) in de Europese agrarische sector. IPM streeft ernaar het gebruik van pesticiden en andere vormen van interventie op een niveau te houden dat economisch en ecologisch gerechtvaardigd is en dat het risico voor de gezondheid van de mens en het milieu vermindert of tot een minimum beperkt, waarbij fysieke, niet-chemische en duurzame biologische methoden om gewassen te beschermen en plagen tegen te gaan prioriteit krijgen. Helaas hebben de lidstaten tot op heden de IPM-beginselen niet omgezet in dwingende en meetbare criteria, maar zien zij IPM voornamelijk als educatief instrument voor landbouwers en beschikken zij niet over een methode om te beoordelen in hoeverre de IPM-beginselen worden nageleefd. IPM is een hoeksteen van de richtlijn en het is dan ook bijzonder problematisch dat de lidstaten nog geen duidelijke streefcijfers hebben vastgesteld en uitgevoerd. IPM heeft zeer veel onbenutte mogelijkheden wanneer zij wordt ingezet als methode om de consument en het milieu te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van pesticiden. Het is van cruciaal belang dat de lidstaten per direct gebruik gaan maken van deze methode ter vervanging van het conventionele gebruik van pesticiden, en dat zij erop toezien dat, indien noodzakelijk, de juiste stimuleringsmaatregelen voor het invoeren van IPM-methoden bestaan.

De rapporteur is stellig overtuigd van de haalbaarheid van duurzame landbouw waarin de voorkeur wordt gegeven aan preventie, niet-chemische methoden, biologische bestrijding en producten met een laag risico. Een ruimere beschikbaarheid van alternatieven voor gangbare producten, zoals gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, draagt bij aan zowel een duurzame landbouw als aan vergroting van het arsenaal voor de landbouwer doordat er meer mogelijkheden voor gewasbescherming zijn. Er is onderzoek en innovatie nodig om alternatieven te ontwikkelen die beschermen tegen voorkomende en nieuwe plagen, die de afhankelijkheid van pesticiden verminderen en mogelijkheden bieden voor gewasbescherming met een lager risico of nieuwe werkingsmechanismen.

De rapporteur is van mening dat een zo breed mogelijke integratie van de doelstellingen van de richtlijn bij de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de EU het meeste perspectief biedt op volledige en serieuze tenuitvoerlegging van de richtlijn betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden. Het integreren van streefcijfers voor verminderd gebruik van pesticiden en andere IPM-beginselen in het GLB-uitvoeringssysteem is cruciaal om voortgang bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn te garanderen. Tot nu toe hebben de huidige "vergroenende maatregelen" van het GLB weinig positieve effecten ter plaatse gesorteerd. Een werkelijk milieuvriendelijke, economisch levensvatbare en sociaal verantwoordelijke landbouw in Europa komt alleen tot stand wanneer een gemoderniseerd GLB dat draait om duurzaamheid in overeenstemming is met de richtlijn.

De rapporteur onderstreept dat, naar vermoed wordt, een aantal pesticiden als hormoonverstorende verbindingen werkt, of dat dit bewezen is. Desondanks zijn deze pesticiden in heel Europa nog altijd ruim verkrijgbaar en worden zij op grote schaal gebruikt. Deze stoffen moeten zo snel mogelijk worden gecategoriseerd overeenkomstig onlangs vastgestelde criteria, en pesticiden die endocriene werkzame stoffen bevatten, mogen niet op de markt worden gebracht.

Ten slotte vindt de rapporteur het zorgwekkend dat de Commissie nog altijd geen geharmoniseerde risico-indicatoren heeft vastgesteld, hoewel zij uit hoofde van artikel 15 van de richtlijn daartoe onmiskenbaar verplicht is. Alleen dan kan de geboekte voortgang bij het beperken van risico's en negatieve gevolgen van pesticidengebruik voor de gezondheid van de mens en het milieu in alle lidstaten naar behoren gemeten en vergeleken worden.

Conclusie

De rapporteur is ervan overtuigd dat er zowel op EU-niveau als op het niveau van de lidstaten meer moet worden gedaan om ervoor te zorgen dat de richtlijn doeltreffend wordt uitgevoerd. Het blijkt steeds duidelijker dat burgers ongerust worden en van landbouwers verlangen dat zij de afhankelijkheid van pesticiden verminderen. Dit wordt tevens bewezen door het recente succesvolle Europese burgerinitiatief over het verbod op glyfosaat, dat in minder dan zes maanden in heel Europa 1,3 miljoen keer ondertekend is.

De Europese Commissie moet onderkennen dat zij een rol speelt als hoedster van het EU-recht en daarom moet optreden wanneer duidelijk blijkt dat meerdere lidstaten de wetgeving niet naleven. Het is van cruciaal belang dat de Commissie intervenieert wanneer er niet gehandeld wordt of wanneer maatregelen onduidelijk zijn, en wanneer afwijkingen niet gerechtvaardigd zijn of het bepaalde in de richtlijn te buiten gaan. Voorts dient de Commissie bij het monitoren verder te gaan dan het zuiver beoordelen van de naleving van de richtlijn en zich te richten op verbetering van de algehele ecologische resultaten voor bodem, water en biodiversiteit. De Commissie moet bij de ontwikkeling van geharmoniseerde risico-indicatoren in gesprek blijven met belanghebbenden en de lidstaten met het oog op een vergelijkbare en duidelijke reeks gegevens en een betrouwbare beoordeling van de voortgang.

De lidstaten dienen zich proactief op te stellen ten aanzien van de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, en hun wettelijke verplichtingen uit hoofde van het EU-recht na te komen, alsook de verwachtingen van de Europese burgers. De lidstaten moeten alle nodige maatregelen nemen om bestrijding met lage pesticideninzet te bevorderen en daartoe aanzet te geven, waarbij zij waar mogelijk voorrang geven aan niet-chemische methoden, zodat professionele gebruikers van pesticiden overschakelen op praktijken en producten die binnen het gehele voor de bestrijding van een bepaald schadelijk organisme ter beschikking staande aanbod het laagste risico voor de gezondheid van de mens en het milieu opleveren.

(1)

https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=CELEX:52017DC0109&from=EN

(2)

https://documents-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/G17/017/85/PDF/G1701785.pdf?OpenElement

(3)

https://www.eea.europa.eu/airs/2017/environment-and-health/pesticides-sales


ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

inzake de uitvoering van Richtlijn 2009/128/EG betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden

(2017/2284(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (POP's) en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie(4),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad(5); gezien de in april 2018 door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement gepubliceerde beoordeling van de uitvoering van de verordening en de relevante bijlagen bij die beoordeling,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad(6),

–  gezien Richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk(7) en Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene en mutagene agentia op het werk(8),

–  gezien Richtlijn 92/43/EG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (de habitatrichtlijn)(9) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (de vogelrichtlijn)(10),

–  gezien Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water(11),

–  gezien Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(12),

–  gezien Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie van 31 juli 2009 tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(13),

–  gezien Richtlijn 2009/127/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot wijziging van Richtlijn 2006/42/EG met betrekking tot machines voor de toepassing van pesticiden(14),

–  gezien Richtlijn 2013/39/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2008/105/EG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid(15),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (COM(2018) 0392),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie: ‘Agriculture and Sustainable Water Management in the EU’ (landbouw en duurzaam waterbeheer in de EU) (SWD(2017)0153),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 juli 2006 aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: 'Een thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden' (COM(2006)0373 - SEC(2006)0894 - SEC(2006)0895 - SEC(2006)0914),(16)

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over de bevordering van innovatie en economische ontwikkeling in het toekomstige Europese landbouwbeheer(17),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over technologische oplossingen voor duurzame landbouw in de EU(18),

–  gezien zijn resolutie van 15 februari 2017 over biologische pesticiden met een laag risico(19),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie tot hernieuwde goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011(20),

–  gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 inzake vooruitzichten en uitdagingen voor de bijenteeltsector in de EU(21),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende gewasbeschermingsmiddelen(22),

–  gezien de lopende Europese uitvoeringsbeoordeling van Richtlijn 2009/128/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden, en gezien het door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (DG EPRS) op 15 oktober 2018 gepubliceerde verslag,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1185/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende statistieken over pesticiden(23), en gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de tenuitvoerlegging van deze verordening (COM(2017)0109),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1185/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende statistieken over pesticiden (COM(2017)0109),

–  gezien Speciaal verslag nr. 4/2014 van de Europese Rekenkamer: 'Integratie van doelstellingen van het EU-waterbeleid in het GLB: een gedeeltelijk succes',

–  gezien het verslag van de Commissie van 10 oktober 2017 inzake de nationale actieplannen van de lidstaten en de vooruitgang op het gebied van de uitvoering van Richtlijn 2009/128/EG betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden (COM(2017)0587),

–  gezien het overzichtsverslag van oktober 2017 van het directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid van de Commissie (DG SANTE) over de tenuitvoerlegging van de maatregelen van de lidstaten met het oog op een duurzaam gebruik van pesticiden op grond van Richtlijn 2009/128/EG(24),

–  gezien de mededeling van de Commissie: 'Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst - Europese duurzaamheidsmaatregelen' (COM(2016)0739),

–  gezien het zevende milieuactieprogramma(25),

–  gezien het VN-verslag 2017 van de speciale rapporteur voor het recht op voedsel dat is opgesteld overeenkomstig de resoluties 6/2, 31/10 en 32/8 van de VN-Mensenrechtenraad(26),

–  gezien het door de deskundigengroep over duurzame gewasbescherming opgestelde en op 28 juni 2016 door de Raad bekrachtigde uitvoeringsplan(27) om de beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico te vergroten en de toepassing van geïntegreerde plaagbestrijding in de lidstaten te versnellen,

–  gezien de resolutie van de Franse senaat van 19 mei 2017 ter beperking van het gebruik van pesticiden in de Europese Unie(28),

–  gezien het op 18 oktober 2017 verschenen onderzoek naar de biomassa aan vliegende insecten(29),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0045/2019),

A.  overwegende dat Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden (hierna: "de richtlijn") voorziet in een reeks maatregelen om een duurzaam gebruik van pesticiden in de EU tot stand te brengen door de risico's en gevolgen van het gebruik van pesticiden voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken en het gebruik van geïntegreerde gewasbescherming (IPM) en alternatieve benaderingswijzen of technieken, bijvoorbeeld niet-chemische alternatieven voor pesticiden en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009, te bevorderen teneinde de afhankelijkheid van pesticiden te verkleinen en de gezondheid van mens en dier alsook het milieu te beschermen;

B.  overwegende dat de richtlijn een waardevol instrument is om een goede bescherming van het milieu, ecosystemen en de gezondheid van mens en dier tegen gevaarlijke stoffen in pesticiden te kunnen waarborgen en tegelijkertijd duurzame en ecologische oplossingen biedt voor een groter en gevarieerder arsenaal waarmee door plagen, ziekten, onkruid en invasieve uitheemse soorten veroorzaakte verliezen voorkomen en resistentievormen bij ziekteverwekkers bestreden kunnen worden; overwegende dat volledige en omvattende tenuitvoerlegging van de richtlijn noodzakelijk is om een hoge mate van bescherming te verwezenlijken en een overgang naar een duurzame agrarische sector, de productie van veilig en gezond voedsel en een niet-toxisch milieu tot stand te brengen, waarmee grondige bescherming van de gezondheid van mens en dier gewaarborgd is;

C.  overwegende dat de richtlijn moet worden gelezen in samenhang met de andere twee belangrijke stukken wetgeving met betrekking tot de volledige levenscyclus van een pesticide, beginnend met het op de markt brengen ervan (Verordening (EG) nr. 1107/2009) en eindigend met de vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen (Verordening (EG) nr. 396/2005); overwegende dat de doelstelling van de richtlijn om de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen tegen de met het gebruik van pesticiden verbonden risico's dan ook niet gehaald kan worden wanneer het totale "pesticidenpakket" niet volledig ten uitvoer gelegd en niet naar behoren gehandhaafd wordt;

D.  overwegende dat de huidige werkwijzen van de Commissie en de lidstaten met betrekking tot de goedkeuring van werkzame stoffen en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen niet verenigbaar zijn met het doel en de doelstellingen van de richtlijn; overwegende dat de huidige werkwijzen het bereiken van het hoogst mogelijke niveau van bescherming en de overgang naar een duurzame landbouwsector en een niet-giftig milieu in de weg staan;

E.  overwegende dat het beschikbare bewijs duidelijk aantoont dat de tenuitvoerlegging van de richtlijn niet voldoende is afgestemd op aanverwant EU-beleid op het gebied van pesticiden, landbouw en duurzame ontwikkeling, met name maar niet uitsluitend het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen; overwegende dat de richtlijn, alsook aanverwante acties op EU-niveau, een enorm potentieel bieden om waarde toe te voegen aan nationale inspanningen en acties in de landbouwsector en deze uit te breiden, en om het milieu en de gezondheid van de mens beter te beschermen;

F.  overwegende dat het huidige regelgevingskader, met inbegrip van de gegevensvereisten, werd ontwikkeld voor de beoordeling en het beheer van chemische gewasbeschermingsmiddelen en dus weinig geschikt is voor biologische werkzame stoffen en producten met een laag risico; overwegende dat dit ongeschikte regelgevingskader het op de markt brengen van biologische gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico aanzienlijk vertraagt, omdat het aanvragers vaak afschrikt; overwegende dat dit innovatie in de weg staat en het concurrentievermogen van EU-landbouw belemmert; overwegende dat dit tevens tot gevolg heeft dat zestig werkzame stoffen, die volgens de Commissie voor vervanging in aanmerking komen, niet worden vervangen vanwege het gebrek aan veiligere alternatieven, waaronder biologische werkzame stoffen met een laag risico;

G.  overwegende dat gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, waaronder biologische, onvoldoende beschikbaar zijn; overwegende dat op een totaal van nagenoeg vijfhonderd op de EU-markt verkrijgbare werkzame stoffen slechts dertien stoffen zijn goedgekeurd als gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, waarvan twaalf biologisch zijn; overwegende dat de ontoereikende tenuitvoerlegging van de richtlijn de facto heeft geresulteerd in een ongelijk speelveld in Europa met uiteenlopende nationale werkwijzen die de optimale introductie van duurzame alternatieven op de markt belemmeren; overwegende dat deze situatie het voldoende doordringen op de EU-markt van alternatieve risicoarme en niet-chemische producten heeft bemoeilijkt, hetgeen ze minder aantrekkelijk maakt voor landbouwers, die in plaats daarvan op korte termijn kiezen voor kosteneffectievere alternatieven; overwegende dat de slechte beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, waaronder biologische, de ontwikkeling en uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming in de weg staat;

H.  overwegende dat biologische landbouw een belangrijke rol speelt als een systeem met een gering gebruik van pesticiden en verder moet worden aangemoedigd;

I.  overwegende dat er steeds meer bewijs is voor een aanhoudende enorme afname van de insectenpopulatie in Europa die in verband wordt gebracht met de huidige omvang van het gebruik van pesticiden; overwegende dat de waargenomen sterke afname van het aantal insecten niet alleen negatieve gevolgen heeft voor het volledige ecosysteem en de biologische diversiteit, maar ook voor de landbouwsector en zijn economische welzijn en productie in de toekomst;

J.  overwegende dat Europa momenteel op een kruispunt staat dat bepalend is voor de toekomst van de landbouwsector en voor de mogelijkheden van de Unie om duurzaam gebruik van pesticiden te realiseren, met name door middel van hervorming van het GLB; overwegende dat de hervorming van het GLB een aanzienlijk potentieel meebrengt om de stroomlijning en harmonisatie van beleid alsook de tenuitvoerlegging van de richtlijn te versterken en de overgang naar ecologisch duurzamere landbouwpraktijken te vergemakkelijken;

K.  overwegende dat het gebruik van conventionele gewasbeschermingsmiddelen in toenemende mate ter discussie komt te staan wegens de risico's die zij vormen voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu;

L.  overwegende dat het van belang is de ontwikkeling van alternatieve procedures of technieken te bevorderen teneinde de afhankelijkheid van gangbare pesticiden te verminderen en het hoofd te bieden aan het toenemende gevaar van resistentie tegen gangbare gewasbeschermingsmiddelen;

M.  overwegende dat de Raad uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verplicht is erop toe te zien dat de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming, inclusief goede gewasbeschermingspraktijken en niet-chemische methoden van gewasbescherming, alsook plaagbestrijding en gewasbeheer, deel uitmaken van de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers(30);

N.  overwegende dat geïntegreerde gewasbescherming overeenkomstig de richtlijn in de Unie verplicht is; overwegende dat de lidstaten en lokale autoriteiten meer nadruk moeten leggen op duurzaam gebruik van pesticiden, waaronder ook de risicoarme alternatieven voor gewasbescherming;

O.  overwegende dat "duurzaam gebruik" van pesticiden niet kan worden bewerkstelligd zonder rekening te houden met de blootstelling van de mens aan combinaties van werkzame stoffen en formuleringshulpstoffen alsook de cumulatieve en eventuele onderling versterkende gevolgen ervan voor de menselijke gezondheid;

Belangrijkste conclusies

1.  herinnert aan de specifieke doelstellingen van de thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden zijnde, onder meer, de minimalisering van gevaren en risico's voor de gezondheid en het milieu door het gebruik van pesticiden, verbeterde controles op het gebruik en de distributie van pesticiden, de vermindering van de toegepaste hoeveelheden schadelijke werkzame stoffen, onder meer door vervanging van de gevaarlijkste stoffen door veiligere, waaronder niet-chemische, alternatieven, de bevordering van teelten met een gering of geen gebruik van pesticiden, en de opzet van een transparant systeem voor rapportage en monitoring van de vorderingen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie, ook middels de ontwikkeling van passende indicatoren;

2.  acht het essentieel dat de tenuitvoerlegging van de richtlijn wordt geëvalueerd in samenhang met het overkoepelende pesticidenbeleid van de EU, inclusief de bepalingen van de verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen, van Verordening (EU) nr. 528/2012 (de biocidenverordening)(31), van de verordening betreffende maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen, en van Verordening (EG) nr. 178/2002 (de algemene levensmiddelenwetgeving)(32);

3.  betreurt het dat de lidstaten zich weliswaar inspannen, maar over het geheel genomen onvoldoende voortgang bij de tenuitvoerlegging boeken om de belangrijkste doelstellingen van de richtlijn te halen en de mogelijkheden ervan ten volle te benutten, zoals beperking van de algehele risico's die voortkomen uit het gebruik van pesticiden waarbij de afhankelijkheid van pesticiden wordt teruggedrongen, bevordering van de overgang naar ecologisch duurzame en veilige gewasbeschermingstechnieken, en de dringend noodzakelijke verbetering van het milieu en de menselijke gezondheid waarvoor de richtlijn oorspronkelijk was bedoeld; betreurt het dat de Commissie het verslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn drie jaar te laat heeft ingediend;

4.  benadrukt dat de richtlijn volledig ten uitvoer gelegd moet worden en dat de tenuitvoerlegging alle aspecten moet bestrijken, en dat een gedeeltelijke tenuitvoerlegging, dat wil zeggen van bepaalde onderdelen en andere niet, onvoldoende is om de overkoepelende doelstelling van de richtlijn te verwezenlijken, te weten een duurzaam gebruik van pesticiden; onderstreept dat het doorvoeren van geïntegreerde gewasbescherming, zoals niet-chemische alternatieven en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, bijzonder belangrijk is bij de inspanningen ter verwezenlijking van dit doel;

5.  merkt op dat in het voortgangsverslag van de Commissie van 2017 aanzienlijke lacunes worden blootgelegd in de nationale actieplannen van de lidstaten, hetgeen erop lijkt te duiden dat het animo om het milieu en de gezondheid te beschermen in sommige landen lager is wat mogelijk leidt tot oneerlijke marktconcurrentie en ondermijning van de eengemaakte markt; behoudt zich het recht voor lidstaten die niet aan hun verplichtingen voldoen te verwijzen naar de commissaris voor Mededinging;

6.  is verontrust over het feit dat circa 80 % van de nationale actieplannen van de lidstaten geen specifieke informatie bevat over de wijze waarop het behalen van veel doelstellingen en streefcijfers gekwantificeerd moet worden, met name wat betreft de streefcijfers voor geïntegreerde gewasbescherming en waterbeschermingsmaatregelen, benadrukt dat dit het aanzienlijk moeilijker maakt om te meten in hoeverre de lidstaten voortgang hebben geboekt bij de verwezenlijking van de belangrijkste doelstellingen van de richtlijn;

7.  is verontrust over het feit dat de nationale actieplannen inconsistent zijn wanneer het gaat om het stellen van kwantitatieve doelen, streefcijfers, metingen en tijdschema's voor de verscheidene gebieden waarbinnen actie ondernomen moet worden, zodat onmogelijk bepaald kan worden in hoeverre voortgang is geboekt; betreurt dat in slechts vijf nationale actieplannen meetbare doelstellingen op hoog niveau zijn vastgesteld, waarvan er vier verband houden met risicobeperking en slechts één met gebruiksbeperking; betreurt dat tot op heden slechts 11 lidstaten een herzien nationaal actieplan hebben ingediend, hoewel de uiterste termijn voor herziening eind 2017 was;

8.  betreurt het dat er in veel lidstaten niet voldoende engagement is om geïntegreerde gewasbescherming op basis van de acht beginselen ervan toe te passen, waarbij voorrang wordt gegeven aan niet-chemische alternatieven voor pesticiden; betreurt dat een van de belangrijkste uitdagingen ten aanzien van de uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming, die de hoeksteen van de richtlijn vormt, lijkt te bestaan in het huidige ontbreken van passende controle-instrumenten en -methoden ter beoordeling van de naleving in de lidstaten alsook van duidelijke voorschriften en richtsnoeren; onderstreept dat de volledige tenuitvoerlegging van geïntegreerde gewasbescherming een van de cruciale maatregelen is om de afhankelijkheid van het gebruik van pesticiden te verminderen binnen een duurzame landbouw die milieuvriendelijk is, economisch levensvatbaar en sociaal verantwoordelijk, die bijdraagt aan de voedselveiligheid in Europa, die tegelijkertijd de biodiversiteit stimuleert, de gezondheid van mens en dier versterkt, de plattelandseconomie een impuls geeft, en die de kosten voor landbouwers drukt door het gemakkelijker te maken dat in de verschillende Europese zones niet-chemische alternatieven en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico op de markt worden gebracht; onderstreept dat extra financiële impulsen en educatieve maatregelen noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat meer individuele landbouwbedrijven geïntegreerde gewasbescherming invoeren;

9.  is van mening dat geïntegreerde gewasbescherming een waardevol instrument voor landbouwers vormt bij de bestrijding van plagen en ziekten en ter waarborging van de productieopbrengsten; merkt op dat een toegenomen gebruik van geïntegreerde gewasbescherming een tweeledig doel dient, met name het bevorderen van de bescherming van het milieu en de biodiversiteit en het verminderen van de kosten voor landbouwers om over te stappen op duurzamere alternatieven en het gebruik van gangbare pesticiden te beperken; is van mening dat meer inspanningen moeten worden geleverd om de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming te stimuleren door middel van onderzoek en via adviesorganen van de lidstaten; herinnert eraan dat geïntegreerde gewasbescherming een belangrijke rol kan spelen bij het verminderen van de hoeveelheden en soorten pesticiden die worden gebruikt;

10.  merkt op dat biologische bestrijding in het kader van de toolkit voor geïntegreerde gewasbescherming behelst dat nuttige soorten worden gestimuleerd of geïntroduceerd die jagen op schadelijke populaties en deze zo reguleren en onder controle houden; benadrukt daarom dat chemische pesticiden in het kader van geïntegreerde gewasbescherming als laatste redmiddel moeten worden gebruikt nadat andere fysische en biologische methoden zijn gebruikt, en dat chemische pesticiden tevens selectief en gericht moeten worden ingezet, omdat deze nuttige plaagbestrijders anders dreigen uit te sterven, waardoor de gewassen kwetsbaarder worden voor toekomstige plagen;

11.  is verontrust dat er zeer weinig voortgang is geboekt bij het bevorderen en stimuleren van de innovatie, de ontwikkeling en de inzet van niet-chemische alternatieven voor gangbare pesticiden met een laag risico; merkt op dat slechts een handjevol nationale actieplannen stimulansen bevatten voor de registratie van dergelijke alternatieve producten en methoden; benadrukt dat vooral beperkte toepassingen kwetsbaar zijn als gevolg van het gebrek aan beschikbare werkzame stoffen;

12.  benadrukt dat duurzaam en verantwoord gebruik van pesticiden een voorwaarde is voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen.

13.  betreurt het dat werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico slecht beschikbaar zijn, hetgeen voornamelijk veroorzaakt wordt door het langdurige evaluatie-, toelatings- en registratieproces en gedeeltelijk is terug te voeren op het feit dat de voor zulke gevallen voorziene kortere toelatingstermijn van 120 dagen zelden in acht genomen wordt op het niveau van de lidstaten; benadrukt dat de huidige situatie niet in overeenstemming is met de beginselen van het bevorderen en uitvoeren van geïntegreerde gewasbescherming, en beklemtoont dat het van groot belang is dat er pesticiden met een laag risico voorhanden zijn, er toereikend onderzoek wordt gedaan en beste praktijken worden uitgewisseld binnen en tussen de lidstaten om de mogelijkheden van geïntegreerde gewasbescherming ten volle te benutten; is van oordeel dat een snellere goedkeuringsprocedure bevorderlijk zou zijn voor onderzoek in de sector naar de ontwikkeling van nieuwe werkzame bestanddelen met een laag risico, waaronder innovatieve stoffen met een laag risico, om ervoor te zorgen dat landbouwers over voldoende gewasbeschermingsinstrumenten beschikken en daardoor sneller op duurzame gewasbeschermingsmiddelen kunnen overstappen en de doeltreffendheid van geïntegreerde gewasbescherming kunnen verhogen;

14.  herinnert eraan dat toenemende resistentie tegen pesticiden leidt tot een toename van het gebruik en de afhankelijkheid ervan; merkt op dat gebruik op grotere schaal en afhankelijkheid van pesticiden landbouwers zeer duur komt te staan, zowel door de hoge inputkosten als vanwege het verlies aan opbrengst als gevolg van uitputting van de bodem en verminderde bodemkwaliteit;

15.  merkt op dat een ruimere beschikbaarheid op de markt van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico het risico van resistentie tegen werkzame bestanddelen en de gevolgen voor niet-doelsoorten die in verband gebracht worden met gangbare gewasbeschermingsmiddelen zou verminderen;

16.  merkt in dit opzicht op dat resistentie tegen werkzame stoffen in pesticiden biologisch gezien onvermijdelijk is bij zich snel vermeerderende plagen en ziekten, en een groeiend probleem vormt; benadrukt daarom dat chemische pesticiden selectief en gericht moeten worden ingezet, eerder als laatste dan als eerste redmiddel, en pas nadat alle fysische of biologische alternatieven zijn uitgeput; benadrukt dat deze nuttige plaagbestrijders anders dreigen uit te sterven, waardoor de gewassen kwetsbaarder worden voor toekomstige plagen;

17.  merkt verder op dat de grootste vermindering in het gebruik van pesticiden vermoedelijk zal voortvloeien uit systeemveranderingen die de gevoeligheid voor plagen verminderen, voorrang geven aan structurele en biologische diversiteit boven monoculturen en continuteelt, en de resistentie van plagen tegen werkzame bestanddelen verminderen; onderstreept daarom dat de aandacht, de financiering en de integratie-inspanningen met name gericht moeten zijn op ecologische landbouwmethoden die de landbouw als geheel beter bestand maken tegen plagen;

18.  onderstreept dat het GLB in zijn huidige vorm onvoldoende aanmoediging en stimulansen biedt voor het verminderen van de afhankelijkheid van landbouwbedrijven van pesticiden en voor het toepassen van biologische productietechnieken; is van mening dat in het GLB van na 2020 specifieke beleidsinstrumenten noodzakelijk zijn die ertoe bijdragen dat landbouwers hun gedrag bij het gebruik van pesticiden veranderen;

19.  betreurt het feit dat in het voorstel van de Commissie over het nieuwe GLB van na 2020 het beginsel van geïntegreerde gewasbescherming niet in de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen van bijlage III bij dat voorstel is opgenomen; benadrukt dat het ontbreken van een onderling verband tussen deze richtlijn en het nieuwe GLB-model het verminderen van de afhankelijkheid van pesticiden daadwerkelijk in de weg zal staan;

20.  merkt op dat de meeste lidstaten gebruikmaken van nationale risico-indicatoren om de negatieve gevolgen van het gebruik van pesticiden geheel of gedeeltelijk te beoordelen; herinnert eraan dat de lidstaten nog altijd geen overeenstemming hebben bereikt over geharmoniseerde risico-indicatoren voor de hele EU, ook al zijn zij daar uit hoofde van artikel 15 van de richtlijn expliciet toe verplicht, hetgeen het nagenoeg onmogelijk maakt om de voortgang van de verschillende lidstaten en van de Unie als geheel te vergelijken; verwacht dat de geharmoniseerde risico-indicatoren, waarvan de vaststelling nu gaande is, begin 2019 gereed zijn;

21.  benadrukt het fundamentele belang van biodiversiteit en weerbare ecosystemen, met name in het geval van bijen en andere bestuivende insecten, die essentieel zijn om een gezonde en duurzame agrarische sector te kunnen garanderen; onderstreept dat de bescherming van biodiversiteit niet uitsluitend een zaak is van bescherming van het milieu, maar ook een middel om de voedselveiligheid voor Europa in de toekomst voor de langere termijn te garanderen;

22.  is uiterst bezorgd over het voortdurende en mogelijk onomkeerbare verlies van biodiversiteit in Europa, en over de alarmerende afname van gevleugelde insecten, met inbegrip van bestuivende insecten, zoals het onderzoek van oktober 2017 naar de biomassa aan vliegende insecten(33) heeft uitgewezen, waaruit blijkt dat de populatie vliegende insecten in 63 beschermde natuurgebieden in Duitsland in 27 jaar met meer dan 75 % is afgenomen; benadrukt voorts de aanzienlijke achteruitgang van veelvoorkomende vogelsoorten in heel Europa, hetgeen mogelijk het gevolg is van de gekrompen insectenpopulatie; wijst voorts op de onbedoelde effecten van pesticiden op de bodem en bodemorganismen(34), en op andere niet-doelsoorten; is van mening dat pesticiden behoren tot de belangrijkste factoren die verantwoordelijk zijn voor de afname van insecten, plattelandsvogels en andere niet-doelorganismen, en onderstreept voorts dat Europa genoodzaakt is over te gaan op een duurzamer gebruik van pesticiden en het aantal niet-chemische alternatieven en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico voor landbouwers moet verhogen;

23.  benadrukt dat bestrijdingsmiddelen op basis van neonicotinoïden een belangrijke rol spelen bij de verontrustende achteruitgang van de bijenpopulaties in Europa, zoals blijkt uit talrijke internationale onderzoeken die als grondslag hebben gediend voor door burgers ingediende verzoekschriften waarvoor honderdduizenden handtekeningen zijn verzameld in heel Europa;

24.  onderkent dat nationale actieplannen en geïntegreerde gewasbescherming een belangrijke rol spelen bij het terugdringen van het pesticidengebruik teneinde een onomkeerbaar verlies van biodiversiteit te voorkomen, en bij het bevorderen van ecologische landbouwmaatregelen en biologische landbouw in een zo groot mogelijke omvang;

25.  benadrukt verder dat de ontwikkeling van duurzame landbouwopties noodzakelijk is om de gevolgen van klimaatverandering voor de voedselveiligheid te beperken;

26.  is uitermate verontrust over het aanhoudende gebruik van pesticiden met werkzame stoffen die mutageen, kankerverwekkend of giftig voor de voortplanting zijn, of die hormoonverstorende eigenschappen hebben en schadelijk zijn voor mens en dier; benadrukt dat het gebruik van deze pesticiden onverenigbaar is met de doelstellingen van de richtlijn;

27.  benadrukt dat het aquatisch milieu bij uitstek gevoelig is voor pesticiden; is ingenomen met het feit dat bepaalde lidstaten diverse maatregelen hebben genomen om het aquatisch milieu tegen pesticiden te beschermen; betreurt echter dat de meeste lidstaten geen kwantitatieve streefcijfers of tijdschema's hebben vastgesteld voor maatregelen ter bescherming van het aquatisch milieu tegen pesticiden, en waarbij de lidstaten die dit wel hebben gedaan, niet duidelijk hebben omschreven hoe zij meten of de streefcijfers of doelen al dan niet zijn behaald; is voorts van mening dat beter toezicht moet worden gehouden op de thans gebruikte pesticiden in het aquatisch milieu;

28.  merkt op dat de landbouw een van de voornaamste veroorzakers is van het feit dat waterlichamen geen goede chemische toestand bereiken, aangezien de landbouw vervuiling door nitraten en pesticiden veroorzaakt; onderstreept dat het kosteneffectiever is te voorkomen dat pesticiden in zoetwatersystemen terechtkomen dan verwijderingstechnologieën toe te passen, en dat lidstaten landbouwers in dit opzicht de juiste stimulansen moeten bieden; onderkent in dit verband tevens hoe belangrijk de tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water is voor de verbetering van de waterkwaliteit; is ingenomen met de vooruitgang die lidstaten hebben geboekt bij de aanpak van stoffen met een hoge prioriteit, hetgeen ertoe heeft geleid dat minder waterlichamen niet voldoen aan de normen voor stoffen als cadmium, lood en nikkel, alsmede pesticiden;

29.  betreurt het dat de verslechtering van de kwaliteit van waterbronnen in steeds grotere mate heeft geleid tot extra behandelingen door drinkwaterbedrijven om ervoor te zorgen dat water dat is bedoeld voor menselijke consumptie voldoet aan de limieten voor pesticiden die zijn vastgelegd in Richtlijn 98/83/EG betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, en dat de kosten daarvan worden gedragen door de consumenten en niet voor de vervuilers;

30.  benadrukt dat sommige pesticiden internationaal zijn erkend als persistente organische verontreinigende stoffen (POP's) in verband met hun vermogen om zich over lange afstanden te verplaatsen, hun persistentie in het milieu en hun vermogen tot bioconcentratie binnen de gehele voedselketen en biologische ophoping binnen ecosystemen, alsmede hun grote negatieve gevolgen voor de volksgezondheid;

31.  is ermee ingenomen dat in alle lidstaten opleidings- en certificatiestelsels over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zijn opgezet, maar betreurt het dat in bepaalde lidstaten niet wordt voldaan aan de opleidingsvereisten ten aanzien van alle in bijlage I voorgeschreven onderwerpen; benadrukt dat opleiding van de gebruikers van groot belang is om veilig en duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen; acht het passend om onderscheid te maken tussen professionele en niet-professionele gebruikers, aangezien voor hen niet dezelfde verplichtingen gelden; benadrukt dat zowel professionele als niet-professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen passende scholing moeten krijgen;

32.  merkt op dat het gebruik van intelligente technologie en precisielandbouw mogelijkheden biedt om gewasbeschermingsmiddelen effectiever in te zetten, bijvoorbeeld door middel van drones of GPS-precisietechniek; benadrukt voorts dat het gebruik van dergelijke oplossingen in de lidstaten kan worden bevorderd als deze beter worden geïntegreerd in opleidingscursussen en certificeringsprogramma's voor gebruikers van pesticiden in het kader van nationale actieplannen;

33.  benadrukt dat gewasbeschermingsmiddelen niet alleen worden gebruikt in de landbouw, maar ook voor de bestrijding van onkruid en plagen in gebieden die worden gebruikt door een breed publiek of door kwetsbare groepen, zoals bepaald in artikel 12, onder a) van de richtlijn, waaronder parken en spoorwegen; overwegende dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in deze gebieden ongepast is; is ingenomen met het feit dat meerdere lidstaten en een groot aantal regionale en lokale overheden actie hebben ondernomen om het gebruik van pesticiden in gebieden die worden gebruikt door een breed publiek of door kwetsbare groepen te verminderen of te verbieden; stelt echter vast dat in de meerderheid van de lidstaten geen meetbare doelen zijn gesteld;

34.  is verontrust over het feit dat veel lidstaten de vereiste van artikel 12, onder a), onjuist hebben geïnterpreteerd door deze zo uit te leggen als uitsluitend betrekking hebbend op niet-agrarisch gebruik, terwijl bewoners die langdurig worden blootgesteld aan hoge concentraties pesticiden wel degelijk behoren tot de kwetsbare groepen zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1107/2009; merkt voorts op dat de Commissie heeft bevestigd dat er geen wettelijke grond is om agrarische toepassing uit te sluiten van de bepalingen van artikel 12;

35.  merkt op dat lidstaten steun blijven geven aan biologische landbouw als systeem met laag gebruik van pesticiden; is ingenomen met het feit dat het aantal biologische boerderijen in de Unie blijft toenemen, maar merkt op dat de vooruitgang nog altijd aanzienlijk verschilt van lidstaat tot lidstaat;

36.  merkt op dat biologische landbouwers economische verliezen lijden wanneer hun bodem en biologische producten verontreinigd raken als gevolg van het pesticidengebruik van in de buurt gevestigde landbouwbedrijven doordat bijvoorbeeld gesproeide pesticiden verwaaien en persistente werkzame stoffen zich verspreiden in het milieu; wijst er bijgevolg op dat biologische landbouwers zich daardoor gedwongen kunnen zien hun producten te verkopen als conventionele gewassen waardoor zij de meerprijs mislopen of zelfs hun certificering kunnen verliezen als gevolg van handelingen die zij niet kunnen beheersen;

37.  merkt op dat de lidstaten doorgaans weliswaar over systemen beschikken om informatie te vergaren over acute pesticidenvergiftiging, maar dat de nauwkeurigheid van de gegevens in kwestie en het gebruik ervan vragen oproepen; wijst erop dat systemen voor het vergaren van informatie over chronische vergiftiging niet algemeen worden toegepast;

38.  vestigt de aandacht op het feit dat het meest recente rapport van EFSA over residuen van pesticiden in voedsel laat zien dat 97,2 % van de monsters uit heel Europa binnen de wettelijke limieten uit hoofde van de EU-wetgeving bleef, waaruit blijkt dat het voedselproductiesysteem uiterst stringent en veilig is;

Aanbevelingen

39.  verzoekt de lidstaten de tenuitvoerlegging van de richtlijn onverwijld af te ronden;

40.  verzoekt de lidstaten een proactieve rol te spelen bij de praktische tenuitvoerlegging van de richtlijn teneinde lacunes op te sporen en vast te stellen welke specifieke terreinen bijzondere aandacht nodig hebben wat betreft de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, en zich niet te beperken tot de gebruikelijke nationale omzetting en controlemechanismen;

41.  roept de lidstaten op te erkennen dat de EU onverwijld moet handelen om over te gaan naar een duurzamer gebruik van pesticiden en dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de uitvoering van dergelijke praktijken bij de lidstaten ligt; benadrukt dat snel handelen essentieel is;

42.  verzoekt de lidstaten zich te houden aan het vastgestelde tijdsbestek voor de indiening van de herziene nationale actieplannen; verzoekt de lidstaten die nog geen herziene nationale actieplannen hebben ingediend, dit onverwijld te doen, deze keer echter met duidelijke kwantitatieve doelstellingen en een meetbare algemene doelstelling om het gebruik van pesticiden onmiddellijk en blijvend terug te dringen, met duidelijk gedefinieerde jaarlijkse reductiestreefcijfers, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan de mogelijke gevolgen voor bestuivende insecten en aan het bevorderen en invoeren van duurzame niet-chemische alternatieven en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, overeenkomstig de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming;

43.  verzoekt de Commissie verdere richtlijnen te ontwikkelen betreffende alle beginselen van geïntegreerde gewasbescherming en de tenuitvoerlegging daarvan; verzoekt de Commissie in verband hiermee richtlijnen te formuleren voor de vaststelling van criteria voor het meten en evalueren van de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming in de lidstaten;

44.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om alle vereiste maatregelen te nemen met het oog op het bevorderen van pesticiden met een laag risico en voorrang te geven aan niet-chemische opties en methoden die het geringste risico met zich meebrengen dat zij de gezondheid en de natuur schaden en tegelijkertijd zorgen voor effectieve en efficiënte gewasbescherming; benadrukt dat dit alleen kan slagen als de economische prikkels voor landbouwers om te kiezen voor dergelijke opties worden versterkt;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer de nadruk te leggen op het stimuleren van de ontwikkeling van, het onderzoek naar en het op de markt brengen van biologische alternatieven met een laag risico, ook door in het kader van Horizon Europa en binnen het meerjarig financieel kader 2021-2027 meer mogelijkheden voor financiering te creëren; herinnert eraan dat chemische pesticiden in het kader van geïntegreerde gewasbescherming als laatste redmiddel moeten worden gebruikt nadat andere fysische en biologische methoden zijn uitgeput, en dat ecologisch duurzame en veilige gewasbeschermingstechnieken een toegevoegde waarde hebben;

46.  verzoekt de Commissie zonder verder uitstel haar toezeggingen in het kader van het 7e milieuactieprogramma na te komen en een Uniestrategie te presenteren voor een gifvrij milieu dat innovatie en de ontwikkeling van duurzame vervangers, waaronder niet-chemische oplossingen, bevordert; verwacht van de Commissie dat zij in deze strategie met name rekening houdt met de gevolgen van pesticiden voor het milieu en de menselijke gezondheid;

47.  adviseert meer aandacht te schenken aan risicoverlaging, aangezien omvangrijk gebruik van stoffen met een laag risico wel eens schadelijker zou kunnen zijn dan beperkt gebruikt van stoffen met een hoog risico;

48.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de richtlijn en de tenuitvoerlegging ervan beter afgestemd zijn op de EU-wetgeving en het EU-beleid op dit gebied, met name de GLB-bepalingen en Verordening nr. 1107/2009, en met name dat de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming als wettelijke verplichtingen uit hoofde van het GLB worden geïntegreerd overeenkomstig artikel 14 van de richtlijn;

49.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het aantal ontheffingen voor essentieel gebruik uit hoofde van Verordening nr. 1107/2009 strikt te beperken en de relevante richtsnoeren bij te werken om te waarborgen dat de risicobeoordeling van pesticiden in overeenstemming is met de blootstelling en omstandigheden in de praktijk, rekening houdend met alle mogelijke gevolgen voor de gezondheid en het milieu;

50.  beveelt aan de lidstaten de flexibiliteit te geven geïntegreerde gewasbescherming toe te passen in het kader van de vergroenende maatregelen uit hoofde van het GLB;

51.  verzoekt de lidstaten verder te gaan met de vaststelling en doorvoering van geharmoniseerde risico-indicatoren, zoals de Commissie onlangs heeft voorgesteld, zodat duidelijk kan worden gemonitord welke effecten het terugdringen van het gebruik van pesticiden heeft;

52.  verzoekt de Commissie een volledig operationeel en transparant systeem op te zetten voor de regelmatige verzameling van statistische gegevens over het gebruik van pesticiden, de gevolgen van professionele en niet-professionele blootstelling aan pesticiden voor de gezondheid van mens en dier, en de aanwezigheid van residuen van pesticiden in het milieu, met name in de bodem en het water;

53.  roept de Commissie en de lidstaten op tot het bevorderen van onderzoeksprogramma's die erop zijn gericht de gevolgen van het gebruik van pesticiden voor de volksgezondheid te bepalen, rekening houdend met alle toxicologische effecten, met inbegrip van immunotoxiciteit, verstoring van de hormoonhuishouding en toxische effecten op de neurologische ontwikkeling, en met extra aandacht voor de gevolgen van prenatale blootstelling aan pesticiden voor de gezondheid van kinderen;

54.  dringt bij de Commissie aan op een risicogebaseerde benadering voor beheer en gebruik van veelgebruikte gewasbeschermingsmiddelen, die wordt gestaafd door onafhankelijk, collegiaal getoetst, wetenschappelijk bewijs;

55.  verzoekt de Commissie voor het einde van haar huidige mandaat een specifiek wetsvoorstel in te dienen voor de wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009, buiten de algemene herziening in verband met het REFIT-initiatief om, met het oog op toevoeging van een definitie van en een aparte categorie voor 'in de natuur voorkomende stoffen’ en 'natuuridentieke stoffen’, waarbij als criterium wordt gehanteerd dat de stof in de natuur voorkomt en er sprake is van blootstelling aan deze stof, alsook een rigoureuze versnelde procedure vast te stellen voor de evaluatie, vergunning en registratie van biologische pesticiden met een laag risico, in lijn met de resoluties van het Parlement van 15 februari 2017 over pesticiden van biologische oorsprong, en van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van de verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen;

56.  verzoekt de Commissie en de lidstaten toe te zien op de effectieve tenuitvoerlegging van de verplichtingen van de Unie krachtens het protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand en het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen uit 2004, en daarom hun inspanningen tot het elimineren van de fabricage, het op de markt brengen en het gebruik van pesticiden met persistente organische verontreinigende stoffen op te voeren, en tegelijkertijd bepalingen op te stellen betreffende de afvoer van afval dat dergelijke stoffen bevat of ermee is vervuild;

57.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat professioneel gekwalificeerde en onafhankelijke adviesdiensten beschikbaar zijn om advies te geven aan en opleidingen te verzorgen voor eindgebruikers, en met name op het gebied van geïntegreerde gewasbescherming;

58.  verzoekt de Commissie en de lidstaten sterker de nadruk te leggen op verdere investeringen in en onderzoek naar de ontwikkeling en toepassing van precisietechnieken en technieken voor digitale landbouw, zodat gewasbeschermingsmiddelen efficiënter worden en de afhankelijkheid van pesticiden aanzienlijk wordt teruggedrongen, overeenkomstig de doelstellingen van de richtlijn, waardoor minder sprake zal zijn van blootstelling van zowel professionele gebruikers als van het grote publiek; is van mening dat het gebruik van digitalisering respectievelijk precisielandbouw er niet toe mag leiden dat landbouwers afhankelijk raken van input of schulden aangaan;

59.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in gebieden die door een breed publiek of door kwetsbare groepen worden gebruikt, niet langer toe te staan;

60.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te investeren in verder onderzoek naar de gevolgen van pesticiden voor niet-doelsoorten en onmiddellijke actie te nemen om deze gevolgen zoveel mogelijk te beperken;

61.  roept de Commissie en de lidstaten op een landbouwmodel te bevorderen dat is gebaseerd op preventieve en indirecte strategieën voor gewasbescherming, gericht op het verminderen van het gebruik van externe input en op multifunctionele, in de natuur voorkomende stoffen; erkent dat er meer onderzoek moet worden gedaan naar preventieve en indirecte ecologische landbouwstrategieën voor gewasbescherming en dat deze strategieën meer moeten worden toegepast;

62.  verzoekt de lidstaten meer te investeren in aanpassingsmethodes waarmee wordt voorkomen dat agrochemische stoffen in het oppervlakte- en grondwater terechtkomen, alsook in maatregelen om het weglekken van deze stoffen in waterlopen, rivieren en zeeën te beperken; beveelt aan het gebruik ervan te verbieden op bodems waar het gevaar bestaat dat ze afvloeien naar het grondwater;

63.  wijst er met klem op dat het van het allergrootste belang is dat aan de hand van gebruikersdatabanken en verkoopcijfers regelmatig wordt onderzocht hoe de hoeveelheid verkochte pesticiden en het landbouwgebied waarop deze worden toegepast zich tot elkaar verhouden;

64.  verzoekt de Commissie onverwijld een verbod in te stellen op het gebruik van pesticiden met werkzame stoffen die mutageen, kankerverwekkend of giftig voor de voortplanting zijn, of hormoonverstorende eigenschappen hebben en schadelijk zijn voor mens en dier;

65.  roept de lidstaten op zich strikt te houden aan het verbod op de invoer van verboden pesticiden in de EU vanuit derde landen;

66.  verzoekt de Commissie zorgvuldig alle beschikbare maatregelen te overwegen ter waarborging van de naleving van deze richtlijn, met inbegrip van het instellen van inbreukprocedures tegen lidstaten die niet voldoen aan de verplichting tot volledige tenuitvoerlegging van de richtlijn;

67.  verzoekt de Commissie krachtdadig op te treden tegen lidstaten die systematisch misbruik maken van ontheffingen voor verboden pesticiden die neonicotinoïden bevatten;

68.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat het beginsel "de vervuiler betaalt" volledig wordt toegepast en effectief word gehandhaafd met betrekking tot de bescherming van waterbronnen;

69.  verzoekt Horizon Europa voldoende financiering te verschaffen ter bevordering van de ontwikkeling van strategieën voor gewasbescherming op basis van een systeembenadering waarin innovatieve ecologische landbouwtechnieken worden gecombineerd met preventieve maatregelen om het gebruik van externe input zo laag mogelijk te houden;

70.  verzoekt de Commissie een pan-Europees platform voor duurzaam gebruik van pesticiden op te richten, waar belanghebbenden en vertegenwoordigers uit de sector op lokaal en regionaal niveau worden samengebracht, als platform voor het delen van informatie en uitwisselen van aanbevolen werkwijzen voor het terugdringen van het gebruik van pesticiden;

71.  merkt verder op dat de grootste vermindering in het gebruik van pesticiden vermoedelijk zal voortvloeien uit systeemveranderingen die de gevoeligheid voor plagen verminderen, voorrang geven aan structurele en biologische diversiteit boven monoculturen en continuteelt, en de resistentie van plagen tegen werkzame bestanddelen verminderen; onderstreept daarom dat de aandacht, de financiering en de integratie-inspanningen met name gericht moeten zijn op ecologische landbouwmethoden die de landbouw als geheel beter bestand maken tegen plagen;

°

°  °

72.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71.

(2)

PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7.

(3)

PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.

(4)

PB L 136 van 29.5.2007, blz. 3.

(5)

PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(6)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608.

(7)

PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11.

(8)

PB L 229 van 29.6.2004, blz. 23.

(9)

PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.

(10)

PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.

(11)

PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32.

(12)

PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.

(13)

PB L 201 van 1.8.2009, blz. 36.

(14)

PB L 310 van 25.11.2009, blz. 29.

(15)

PB L 226 van 24.8.2013, blz. 1.

(16)

https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=celex:52006DC0372

(17)

PB C 86 van 6.3.2018, blz. 62.

(18)

PB C 86 van 6.3.2018, blz. 51.

(19)

PB C 252 van 18.7.2018, blz. 184.

(20)

PB C 346 van 27.9.2018, blz. 117.

(21)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0057.

(22)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0356.

(23)

PB L 324 van 10.12.2009, blz. 1

(24)

http://ec.europa.eu/food/audits-analysis/overview_reports/details.cfm?rep_id=114

(25)

PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.

(26)

http://www.pan-uk.org/site/wp-content/uploads/United-Nations-Report-of-the-Special-Rapporteur-on-the-right-to-food.pdf

(27)

http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10041-2016-ADD-1/en/pdf

(28)

http://www.senat.fr/leg/ppr16-477.html

(29)

Caspar A. Hallmann et al., ‘More than 75 % decline over 27 years in total flying insect biomass in protected areas’, PLOS, 18 oktober 2017 - https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0185809

(30)

PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1.

(31)

Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).

(32)

Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

(33)

https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0185809

(34)

Zie https://esdac.jrc.ec.europa.eu/public_path/shared_folder/doc_pub/EUR27607.pdf


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (27.11.2018)

aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

inzake de uitvoering van Richtlijn 2009/128/EG betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden

(2017/2284(INI))

Rapporteur voor advies (*): Sofia Ribeiro

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is ingenomen met de vooruitgang die de lidstaten hebben geboekt bij de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/128/EG en onderstreept dat deze richtlijn van groot belang is omdat zij voorziet in een kader voor veilig en duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen;

2.  acht het essentieel dat de tenuitvoerlegging van de richtlijn wordt geëvalueerd in samenhang met het overkoepelende bestrijdingsmiddelenbeleid van de EU, inclusief de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende gewasbeschermingsmiddelen(1), Verordening (EU) nr. 528/2012 betreffende biociden(2), Verordening (EG) nr. 396/2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen(3) en Verordening (EG) nr. 178/2002 betreffende de algemene levensmiddelenwetgeving(4);

3.  spreekt zijn waardering uit voor de inspanningen die zijn geleverd om van het duurzaam gebruik van pesticiden in de EU een succes te maken door de risico's en de potentiële effecten van het gebruik van pesticiden voor de gezondheid van mens en dier alsook voor het milieu te verminderen en door het gebruik van praktijken en technieken die een milieuvriendelijk alternatief vormen voor pesticiden te bevorderen;

4.  merkt op dat de lidstaten doorgaans weliswaar over systemen beschikken om informatie te vergaren over acute pesticidenvergiftiging, maar dat de nauwkeurigheid van de gegevens in kwestie en het gebruik ervan vragen oproepen; wijst erop dat systemen voor het vergaren van informatie over chronische vergiftiging niet algemeen worden toegepast;

5.  merkt op dat het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de richtlijn (COM(2017)0587) dat in oktober 2017 werd voorgelegd, eigenlijk al op 26 november 2014 door de Commissie had moeten worden ingediend;

6.  merkt voorts op dat in het voortgangsverslag van de Commissie van 2017 aanzienlijke lacunes worden blootgelegd in de nationale actieplannen (NAP's) van de lidstaten, dat sommige van deze plannen met aanzienlijke vertraging werden goedgekeurd en wat volledigheid en dekking betreft van elkaar verschilden, en dat slechts vijf NAP's meetbare verminderingsdoelstellingen bevatten;

7.  merkt op dat veel lidstaten hun oorspronkelijke streefcijfers hebben gewijzigd en zich meer richten op het verminderen van de risico's in verband met gewasbeschermingsmiddelen dan op het verminderen van de concreet gebruikte hoeveelheden;

8.  is van mening dat NAP's gebaseerd moeten zijn op resultaten en evaluaties, alsmede op inspanningen;

9.  dringt er bij de Commissie op aan de harmonisatie van risico-indicatoren op EU-niveau te bevorderen en de lidstaten te verplichten uitgebreidere informatie te verstrekken in hun NAP's, die coherent en vergelijkbaar moeten zijn en meetbare en haalbare doelstellingen en streefcijfers moeten bevatten, en betrouwbaardere gegevens te verzamelen, waaronder openbare statistieken over de gevolgen van blootstelling aan pesticiden voor gezondheid, consumenten, dieren, bodemkwaliteit, milieu en over de traceerbaarheid van al dan niet beroepsmatige blootstelling;

10.  pleit daarom voor het vergaren van gegevens over het gebruik van pesticiden als bepaald in Verordening (EG) nr. 1185/2009(5) betreffende statistieken over pesticiden, waaronder het gebruik van eenvoudige indicatoren, en voor meer aandacht voor EU-brede monitoringinstrumenten;

11.  wijst in dit verband op het belang van transparantie ten aanzien van statistieken over pesticidengebruik, aangezien deze van invloed is op het publiek en publieke goederen die meer omvatten dan alleen handelsbelangen;

12.  is van oordeel dat geïntegreerde gewasbescherming (Integrated Pest Management - IPM) een van de hoekstenen van deze richtlijn vormt en een centrale rol speelt bij het verminderen van de afhankelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen – die volgens sommige collegiaal getoetste studies 30 à 50 % zou kunnen bedragen – en dat IPM voor landbouwers een waardevol instrument is ter bestrijding van plagen en ziekten en ter waarborging van de productieopbrengsten;

13.  betreurt dat er in sommige lidstaten nog steeds geen volledig engagement is om geïntegreerde gewasbescherming toe te passen en is van mening dat hierin verandering dient te komen om een ecologisch duurzamere en volksgezondheidsvriendelijkere landbouw met lagere kosten voor landbouwers en voordelen voor milieu, consumenten en landbouwers te ontwikkelen, rekening houdend met het feit dat het gebruik van pesticiden voor teeltdoeleinden vaak essentieel is;

14.  benadrukt daarom dat chemische pesticiden in het kader van geïntegreerde gewasbescherming als laatste redmiddel moeten worden gebruikt nadat andere fysische en biologische methoden zijn uitgeput, en altijd selectief en gericht moeten worden ingezet;

15.  benadrukt dat landbouwers een grotere toolkit met gewasbeschermingsmiddelen nodig hebben, waaronder een groot scala aan werkzame stoffen, stoffen met een laag risico, fysische methoden en alternatieven daarvoor, zoals organismen of hun extracten (biologische bestrijding), om te zorgen voor een alomvattende IPM-strategie die door Europese landbouwers kan worden toegepast;

16.  herinnert eraan dat gewasbeschermingsmiddelen een belangrijk instrument zijn voor de landbouw, het bestrijden van onkruid en plagen in stedelijke gebieden, waaronder openbare parken, spoorlijnen en andere sectoren, niet in de laatste plaats omdat daarmee de door plagen, ziekten, onkruid en invasieve uitheemse soorten veroorzaakte verliezen worden beperkt, weggenomen en voorkomen, en resistentievorming bij ziekteverwekkers wordt bestreden, waardoor het inkomen van landbouwers wordt gestabiliseerd zodat zij op een veilige manier en tegen betaalbare prijzen kunnen produceren;

17.  herinnert er evenwel aan dat toenemende resistentie tegen pesticiden leidt tot een toename van het gebruik en de afhankelijkheid ervan;

18.  vestigt de aandacht op het feit dat het meest recente rapport van EFSA over residuen van pesticiden in voedsel laat zien dat 97,2 % van de monsters uit heel Europa binnen de wettelijke limieten van de EU-wetgeving bleef, waaruit blijkt dat het systeem voor de productie van voedsel uiterst stringent en veilig is;

19.  merkt op dat de lidstaten tal van maatregelen hebben getroffen om het aquatische milieu te beschermen tegen het effect van pesticiden;

20.  is ingenomen met het feit dat de Europese wateren over het algemeen steeds schoner worden, hoewel er nog ruimte voor verbetering is;

21.  dringt aan op meer investeringen in aanpassingsmethodes waarmee wordt voorkomen dat agrochemische stoffen in het oppervlakte- en grondwater terechtkomen;

22.  spoort aan tot maatregelen om het weglekken van deze stoffen in waterlopen, rivieren en zeeën te beperken, en beveelt aan het gebruik ervan te verbieden op bodems waar het gevaar bestaat dat ze afvloeien naar het grondwater;

23.  wijst erop dat het kosteneffectiever is te voorkomen dat pesticiden in zoetwatersystemen terechtkomen dan dure verwijderingstechnologieën toe te passen;

24.  wijst erop dat landbouwers toegang moeten krijgen tot de meest recente digitale technologie en dat er moet worden geïnvesteerd in digitale en precisielandbouw om te voorkomen dat gewasbestrijdingsmiddelen verspreid raken in niet-doelgebieden en om methoden voor biologische bestrijding te ontwikkelen;

25.  onderstreept de noodzaak van onderzoek en innovatie op het gebied van nieuwe laagrisico-gewasbeschermingsmiddelen, aangezien een grotere beschikbaarheid daarvan op de markt het risico van resistentie tegen werkzame bestanddelen en de gevolgen voor niet-doelsoorten in verband met gangbare gewasbeschermingsmiddelen zou verminderen;

26.  dringt bij de Commissie aan op een risicogebaseerde benadering voor beheer en gebruik van deze producten, die wordt gestaafd door collegiaal getoetst, onafhankelijk, wetenschappelijk bewijs;

27.  benadrukt dat vooral beperkte toepassingen te lijden hebben van het gebrek aan beschikbare werkzame stoffen;

28.  is van oordeel dat meer investeringen in en onderzoek naar uitrusting en technologie een belangrijke bijdrage kunnen leveren als het erom gaat gewasbeschermingsmiddelen efficiënter te maken en de kans op blootstelling van landbouwers, exploitanten en het grote publiek te verminderen;

29.  is van oordeel dat een snellere goedkeuringsprocedure bevorderlijk zou zijn voor onderzoek in de sector naar de ontwikkeling van nieuwe werkzame bestanddelen met een laag risico, waaronder nieuwe, innovatieve laagrisicostoffen, om ervoor te zorgen dat landbouwers over voldoende gewasbeschermingsinstrumenten beschikken en daardoor sneller op duurzame gewasbeschermingsmiddelen kunnen overstappen en de doeltreffendheid van IPM kunnen verhogen;

30.  waarschuwt tevens voor de talrijke ontheffingen, die ten koste gaan van de voorspelbaarheid van het gebruik en een belemmering vormen voor investeringen door het bedrijfsleven in onderzoek en innovatie;

31.  herinnert eraan dat het van groot belang is dat een beroep wordt gedaan op het programma Horizon Europa om verder onderzoek naar biologische laagrisicostoffen voor gewasbescherming te financieren en te zoeken naar milieuvriendelijkere mechanische of chemische oplossingen;

32.  benadrukt dat er investeringen nodig zijn om typegoedkeuringen te ontwikkelen, te handhaven en te verkrijgen voor een beperkter gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ten behoeve van een beperkt aantal hoofdgewassen die in ultraperifere regio's worden geteeld, onder meer om de economische levensvatbaarheid en het concurrentievermogen daarvan te verbeteren, met name na de openstelling van de markten voor de invoer uit derde landen;

33.  benadrukt het belang van pesticiden met een laag risico van biologische oorsprong en de noodzaak om de ontwikkeling, goedkeuring en het in de handel brengen ervan in de EU te stimuleren; verzoekt de Commissie de nodige veranderingen in de huidige wetgeving te bevorderen om een gemeenschappelijke definitie in te voeren waarbij een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen biologische en synthetische chemische gewasbeschermingsmiddelen;

34.  roept de lidstaten op zich strikt te houden aan het verbod op de invoer van verboden pesticiden in de EU vanuit derde landen;

35.  benadrukt dat bestrijdingsmiddelen op basis van neonicotinoïden een belangrijke rol spelen bij de verontrustende achteruitgang van de bijenpopulaties in Europa, zoals blijkt uit talrijke internationale onderzoeken die als grondslag hebben gediend voor door burgers ingediende verzoekschriften waarvoor honderdduizenden handtekeningen zijn verzameld in heel Europa;

36.  beveelt de lidstaten aan meer voorlichtings- en bewustmakingscampagnes te organiseren om ervoor te zorgen dat landbouwers weten hoe zij gewasbeschermingsmiddelen naar behoren moeten gebruiken en volledig op de hoogte zijn van de effecten ervan, en weten hoe ze hun eigen gezondheid en die van anderen moeten beschermen;

37.  onderstreept de belangrijke rol die de door het GLB gesubsidieerde bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw spelen om landbouwers onder meer te helpen het pesticidengebruik te verminderen en IPM met succes en op betaalbare wijze als standaardpraktijk toe te passen, en daarbij alleen hun toevlucht te nemen tot chemische pesticiden als dat noodzakelijk is en fysische en biologische alternatieven niet baten;

38.  benadrukt de noodzaak om beste praktijken in en tussen lidstaten uit te wisselen en beklemtoont het belang van verwerving van kennis en vaardigheden met betrekking tot alternatieven voor chemische pesticiden en optimale benutting van IPM;

39.  merkt verder op dat de grootste vermindering in het gebruik van pesticiden vermoedelijk zal voortvloeien uit systeemveranderingen die de gevoeligheid voor plagen verminderen, voorrang geven aan structurele en biologische diversiteit boven monoculturen en continuteelt, en de resistentie van plagen tegen werkzame bestanddelen verminderen; onderstreept daarom dat de aandacht, de financiering en de integratie-inspanningen met name gericht moeten zijn op ecologische landbouwmethoden die de landbouw als geheel beter bestand maken tegen plagen;

40.  wijst er met klem op dat het van het allergrootste belang is dat aan de hand van gebruikersdatabanken en verkoopcijfers regelmatig wordt onderzocht hoe de hoeveelheid verkochte pesticiden en het landbouwgebied waarop deze worden toegepast zich tot elkaar verhouden; vraagt de Commissie en de lidstaten platforms op te zetten met betrekking tot goede praktijken op het gebied van het gebruik van pesticiden en geïntegreerde bescherming op regionaal en lokaal niveau;

41.  benadrukt dat opleiding van gebruikers van groot belang is om veilig en duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen en beklemtoont dat professionele en niet-professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen passende scholing moeten krijgen, die ook moet worden uitgebreid naar kleine en micro-ondernemingen;

42.  juicht toe dat er in alle lidstaten opleidings- en certificatiestelsels over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zijn opgezet en dat er tot dusverre ca. 4 miljoen gebruikers zijn opgeleid, maar merkt op dat er door gebrekkige gegevens onvoldoende informatie is over het aantal gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen dat nog geen opleiding heeft gevolgd;

43.  benadrukt dat duurzaam en verantwoord gebruik van pesticiden een voorwaarde is voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.11.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

1

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Daniel Buda, Nicola Caputo, Jacques Colombier, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Luke Ming Flanagan, Karine Gloanec Maurin, Esther Herranz García, Jarosław Kalinowski, Norbert Lins, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Giulia Moi, Ulrike Müller, James Nicholson, Maria Noichl, Maria Lidia Senra Rodríguez, Ricardo Serrão Santos, Marc Tarabella

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Angélique Delahaye, Maria Heubuch, Anthea McIntyre, John Procter, Sofia Ribeiro, Annie Schreijer-Pierik

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Stanisław Ożóg, Monika Vana

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

26

+

ALDE

Ulrike Müller

ECR

Anthea McIntyre, James Nicholson, Stanisław Ożóg, John Procter

ENF

Philippe Loiseau

PPE

Daniel Buda, Michel Dantin, Angélique Delahaye, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Esther Herranz García, Jarosław Kalinowski, Norbert Lins, Mairead McGuinness, Sofia Ribeiro, Annie Schreijer‑Pierik

S&D

Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Nicola Caputo, Paolo De Castro, Karine Gloanec Maurin, Maria Noichl, Ricardo Serrão Santos, Marc Tarabella

1

-

GUE

Luke Ming Flanagan

4

0

EFDD

Giulia Moi

GUE/NGL

Maria Lidia Senra Rodríguez

Verts/ALE

Maria Heubuch, Monika Vana

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad, PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)

Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).

(3)

Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).

(4)

Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

(5)

Verordening (EG) nr. 1185/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende statistieken over pesticiden (PB L 324 van 10.12.2009, blz. 1).


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.1.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

51

1

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

Margrete Auken, Pilar Ayuso, Catherine Bearder, Ivo Belet, Simona Bonafè, Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Miriam Dalli, Seb Dance, Angélique Delahaye, Mark Demesmaeker, Stefan Eck, Bas Eickhout, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Arne Gericke, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Jytte Guteland, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Benedek Jávor, Kateřina Konečná, Urszula Krupa, Peter Liese, Valentinas Mazuronis, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Rory Palmer, Gilles Pargneaux, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, John Procter, Frédérique Ries, Daciana Octavia Sârbu, Annie Schreijer-Pierik, Ivica Tolić, Nils Torvalds, Adina-Ioana Vălean, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Nikos Androulakis, Cristian-Silviu Buşoi, Christophe Hansen, Martin Häusling, Anja Hazekamp, Jan Huitema, Tilly Metz, Bart Staes, Tiemo Wölken

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Olle Ludvigsson


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

51

+

ALDE

Catherine Bearder, Jan Huitema, Anneli Jäätteenmäki, Valentinas Mazuronis, Frédérique Ries, Nils Torvalds

ECR

Mark Demesmaeker, Arne Gericke

EFDD

Sylvie Goddyn

ENF

Jean‑François Jalkh

GUE/NGL

Stefan Eck, Anja Hazekamp, Kateřina Konečná

PPE

Pilar Ayuso, Ivo Belet, Cristian-Silviu Buşoi, Birgit Collin-Langen, Angélique Delahaye, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Françoise Grossetête, Christophe Hansen, Peter Liese, Miroslav Mikolášik, Annie Schreijer-Pierik, Ivica Tolić, Adina-Ioana Vălean

S&D

Nikos Androulakis, Simona Bonafè, Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Miriam Dalli, Seb Dance, Jytte Guteland, Olle Ludvigsson, Susanne Melior, Rory Palmer, Gilles Pargneaux, Pavel Poc, Daciana Octavia Sârbu, Tiemo Wölken, Damiano Zoffoli

Verts/ALE

Margrete Auken, Bas Eickhout, Martin Häusling, Benedek Jávor, Tilly Metz, Bart Staes

1

-

ECR

John Procter

6

0

PPE

Elisabetta Gardini, Jens Gieseke, Julie Girling

ECR

Urszula Krupa, Bolesław G. Piecha, Jadwiga Wiśniewska

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 7 februari 2019Juridische mededeling