Procedure : 2018/2114(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0055/2019

Ingediende teksten :

A8-0055/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/02/2019 - 10.20
CRE 14/02/2019 - 10.20

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0134

VERSLAG     
PDF 321kWORD 103k
30.1.2019
PE 630.622v02-00 A8-0055/2019

over de tenuitvoerlegging van de wettelijke bepalingen en de gezamenlijke verklaring inzake de parlementaire controle op de gedecentraliseerde agentschappen

(2018/2114(INI))

Commissie constitutionele zaken

Rapporteur: György Schöpflin

AMENDEMENTEN
TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN
 ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Begrotingscommissie
 ADVIES van de Commissie begrotingscontrole
 ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN

Procedure en bronnen

Voor het opstellen van dit uitvoeringsverslag heeft de Conferentie van voorzitters op 31 mei 2018 haar goedkeuring verleend. In dit verslag wordt onderzocht en geëvalueerd hoe de institutionele mechanismen die de democratische controle op de gedecentraliseerde agentschappen moeten waarborgen, ten uitvoer zijn gelegd.

Voor het opstellen van dit uitvoeringsverslag heeft de rapporteur informatie verzameld en onder meer gebruikgemaakt van de volgende bronnen:

  technische vergaderingen met de Commissie en het netwerk van EU-agentschappen;

  een studie door prof. Ellen Vos, getiteld "EU agencies, Common Approach and Parliamentary Scrutiny" (EU-agentschappen, gemeenschappelijke aanpak en parlementaire controle)(1), die op 27 november 2018 is gepresenteerd in de Commissie constitutionele zaken;

  de antwoorden op een vragenlijst die ten behoeve van dit verslag is verzonden aan de secretariaten van de commissies;

  een gedachtewisseling met de Commissie en drie commissies voor advies (BUDG, ECON, ENVI) tijdens de vergadering van de Commissie constitutionele zaken van 22 oktober;

  een onderzoeksmissie naar het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) in Wenen;

  een onderzoeksmissie naar het Europees Agentschap voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol) in Boedapest en naar het Europees GNSS-agentschap (GSA) in Praag.

Bevindingen van het onderzoek

Verdragsbepalingen inzake de agentschappen

In de Verdragen wordt geen definitie gegeven van de term "gedecentraliseerd agentschap". Op haar webpagina met informatie over de agentschappen en andere EU-organen(2) beschrijft de Commissie EU-agentschappen als "aparte EU-organen met eigen rechtspersoonlijkheid. Zij voeren specifieke taken uit" en maakt zij onderscheid tussen gedecentraliseerde agentschappen, agentschappen voor het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, uitvoerende agentschappen, Euratom-agentschappen en -organen en andere organisaties.

Ook schrijft de Commissie: "Gedecentraliseerde agentschappen helpen bij de uitvoering van EU-beleid. Ze helpen bij de samenwerking tussen de EU en de nationale overheden door technische en specialistische expertise van de EU-instellingen en nationale instanties te bundelen. Gedecentraliseerde agentschappen worden opgezet voor onbepaalde tijd en zijn verspreid over de hele EU". De Commissie vermeldt op haar webpagina 33 gedecentraliseerde agentschappen(3). Met het voorstel voor een nieuw Europees Arbeidsagentschap (ELA)(4) komt het totale aantal uit op 34.

In haar studie beschrijft professor Vos gedecentraliseerde agentschappen als "Europese publiekrechtelijke lichamen die institutioneel zijn gescheiden van de EU-instellingen, een eigen rechtspersoonlijkheid hebben, over een zekere mate van administratieve en financiële autonomie beschikken en zijn belast met welomschreven taken". Professor Vos telt 36 gedecentraliseerde agentschappen(5) (37 als de ELA wordt meegeteld) en neemt in haar lijst ook het Europees Openbaar Ministerie (EOM), de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (APPF) en het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) op. Daarbij merkt zij op dat agentschappen vanuit een functioneel oogpunt kunnen worden ingedeeld in een van de zes hoofdcategorieën van taken die aan agentschappen zijn toegewezen(6):

(1) wetenschappelijke/technische deskundigheid (EASA, EASO, ECHA, EEA, EMA);

(2) informatie en samenwerking (BEREC, CEDEFOP, Cepol, EASO, ECDC, EEA, EFCA,

EIGE, EIOPA, ELA, EWDD, EMSA, ENISA, ERA, ETF, EU-OSHA, Eurofound, Eurojust, Europol, FRA, GSA);

(3) verlening van diensten (registratie en certificatie) (APPF, CPVO, EASA, ECHA, EUIPO);

(4) toezicht, inspectie en handhaving (ACER, EBA, EDPB, EFCA, EIOPA, ELA, EMSA, ERA, ESMA, GAR);

(5) facilitering en ondersteuning; en (6) uitvoering van EU-programma's (CdT, EASO, EFCA, EPPO, eu-LISA, Eurojust, Europol, Frontex).

Enkele agentschappen vervullen meerdere van de bovengenoemde functies (EASA, EASO, ECHA, EEA, EFCA, EIOPA, ELA, EMSA, ERA, Eurojust en Europol). Sommige agentschappen kunnen bij de uitvoering van hun functies juridisch bindende handelingen vaststellen (CER, APPF, CPVO, EASA, EBA, ECHA, EIOPA, EOM, ERA, ESMA, EUIPO, Eurojust, GAR)(7).

Uit het voorgaande volgt dat er mogelijk niet één model voor een eenduidige indeling van de agentschappen kan worden geconstrueerd. Ook lijkt het niet eenvoudig om een duidelijk onderscheid tussen de verschillende soorten agentschappen te maken(8).

Ondanks het ontbreken van een algemene definitie van het begrip "agentschap", moeten zij als organen van de Unie het beginsel van bevoegdheidstoedeling in acht nemen (artikel 5 VEU). In verschillende artikelen van de Verdragen worden agentschappen uitdrukkelijk genoemd, zoals in artikel 9 VEU (burgerschap), artikel 15 VWEU (beginsel van transparantie), artikel 16 VWEU (gegevensbescherming), artikel 71 VWEU (binnenlandse veiligheid), de artikelen 123, 124, 127, 130 en 282 VWEU (financiële maatregelen en onafhankelijkheid van de ECB), artikel 228 VWEU (Ombudsman), artikel 263 VWEU (toetsing van de wettigheid van wetgevingshandelingen), 265 VWEU (verzuim om een besluit te nemen), artikel 267 VWEU (prejudiciële beslissingen), artikel 277 VWEU (niet-toepasselijkheid van handelingen), artikel 287 (Rekenkamer), artikel 298 VWEU (Europees ambtenarenapparaat) en artikel 325 VWEU (fraudebestrijding), evenals in een aantal protocollen bij deze Verdragen en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikel 41 inzake het recht op behoorlijk bestuur, artikel 42 inzake het recht van inzage in documenten, artikel 43 inzake de Europese Ombudsman, artikel 51 inzake het toepassingsgebied van het Handvest en artikel 52 inzake de reikwijdte en uitlegging van rechten en beginselen). Daarom moeten de agentschappen, net als de EU-instellingen en andere EU-organen, de waarden en beginselen van de Unie eerbiedigen en zijn hun handelingen onderworpen aan rechterlijke toetsing en andere verantwoordingsmechanismen waarin de Verdragen voorzien.

De Verdragen bevatten geen uitdrukkelijke rechtsgrondslag voor de oprichting van agentschappen. De agentschappen zijn opgericht op grond van wat nu artikel 352 VWEU is of op grond van het Verdragsartikel dat relevant is voor het desbetreffende beleidsgebied(9). Bovendien is het Hof van Justitie van de Europese Unie, in verband met de vraag welke bevoegdheden aan agentschappen kunnen worden gedelegeerd, in de zaak ESMA (ook wel "Meroni" 2.0 genoemd)(10) verzocht zich uit te spreken over de vraag of de auteurs van het VEU het oogmerk hadden om, in de artikelen 290 en 291 VWEU, één enkel rechtskader vast te stellen op grond waarvan bepaalde gedelegeerde uitvoerende bevoegdheden uitsluitend aan de Commissie kunnen worden toegewezen, dan wel of de wetgever van de Unie andere systemen voor het delegeren van dergelijke bevoegdheden aan organen of instanties van de Unie in overweging kan nemen. In dit verband heeft het Hof opgemerkt dat "weliswaar nergens in de Verdragen is voorzien in de verlening van bevoegdheden aan een orgaan of een instantie van de Unie, maar dat verschillende bepalingen van het VWEU vooronderstellen dat deze mogelijkheid bestaat". Het Hof heeft geoordeeld dat de bevoegdheid van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) om noodmaatregelen te nemen in de financiële markten van de lidstaten teneinde shortselling te reguleren of te verbieden, verenigbaar is met het EU-recht; afgebakend door verschillende voorwaarden en criteria die de discretionaire bevoegdheid van die autoriteit beperken, worden de voorschriften voor de delegatie van bevoegdheden zoals neergelegd in het VEU volgens het Hof door de uitoefening van die bevoegdheid niet ondermijnd(11).

De gezamenlijke verklaring en gemeenschappelijke aanpak van 2012

De gezamenlijke verklaring en gemeenschappelijke aanpak van 2012(12) zijn het resultaat van het werk van een interinstitutionele werkgroep inzake regelgevende agentschappen die door de Commissie, de Raad en het Europees Parlement werd ingesteld nadat een voorstel van de Commissie van 2005 voor een interinstitutioneel akkoord over regelgevende agentschappen(13) niet de benodigde steun had gekregen in de Raad en het Parlement. De commissie BUDG en de commissie CONT waren in deze werkgroep vertegenwoordigd. Hoewel de gezamenlijke verklaring en gemeenschappelijke aanpak niet juridisch bindend zijn, hebben de instellingen zich ertoe verbonden de gemeenschappelijke aanpak in aanmerking te nemen in hun besluiten inzake gedecentraliseerde agentschappen, zij het met het voorbehoud dat elk geval op zichzelf moet worden beoordeeld. De gemeenschappelijke aanpak bevat bepalingen inzake de oprichting (met onder meer de vereiste om een effectbeoordeling uit te voeren) en ontbinding van agentschappen (horizon- of herzieningsclausule, mogelijke samenvoegingen), de zetel van agentschappen (criteria) en de rol van het gastland (zetelovereenkomst), de structuur en het bestuur van agentschappen (bepalingen inzake de raad van bestuur, de directeur en andere interne instanties), de functionering van agentschappen (gegevensbescherming, internationale betrekkingen, communicatie, delen van diensten), de programmering van werkzaamheden en middelen (jaar- en meerjarenprogramma's, personele middelen, begroting) en verantwoording en controle (met bepalingen inzake onder meer het jaarlijkse activiteitenverslag, accountantscontroles en kwijting, een alarm-/waarschuwingssysteem, evaluatie, transparantie en betrekkingen met stakeholders).

Als rechtstreekse follow-up van de goedkeuring van de gezamenlijke verklaring en gemeenschappelijke aanpak heeft de Commissie op 19 december 2012 een "stappenplan voor de follow-up van de gemeenschappelijke aanpak" vastgesteld, waarin door de Commissie, agentschappen, de Raad, de lidstaten en het Europees Parlement te nemen initiatieven werden vastgelegd. Op 10 december 2013 en 24 april 2015 heeft de Commissie voortgangsverslagen gepresenteerd over de uitvoering van de gemeenschappelijke aanpak. Ook heeft de Commissie richtsnoeren gepubliceerd met standaardbepalingen voor zetelovereenkomsten, een communicatiehandboek en richtsnoeren voor het voorkomen en beheren van belangenconflicten binnen gedecentraliseerde agentschappen(14). In het voortgangsverslag van 2015 betreurt de Commissie, in het kader van de lopende interinstitutionele besprekingen over de herziening van de oprichtingshandelingen voor bepaalde agentschappen, "het gebrek aan politieke wil om de naleving te waarborgen van de gemeenschappelijke aanpak voor de gedecentraliseerde agentschappen van de EU, met name wat betreft de rol of de samenstelling van de beheersstructuren van de agentschappen". De voortgangsverslagen van de Commissie zijn redelijk beknopt, en op de parlementaire controle op de agentschappen wordt in deze verslagen niet ingegaan.

De analyse door professor Vos van de relevantie van de gemeenschappelijke aanpak in de oprichtingshandelingen voor de agentschappen levert een gemengd beeld op van de naleving van de gemeenschappelijke aanpak(15). Professor Vos merkt op dat ten aanzien van de begrotingsprocedure en de jaarverslagen de naleving heel behoorlijk is, maar dat de samenstelling van de raden van bestuur en de benoeming van directeuren sterk lijken af te hangen van de taken van het desbetreffende agentschap. Volgens professor Vos is de naleving het meest problematisch bij de werkprogramma's van de agentschappen, omdat doorgaans niet wordt voldaan aan de vereiste om het Parlement te raadplegen over het meerjarenprogramma. Voorts merkt zij op dat de mate van naleving nauwelijks verschilt tussen verordeningen die vóór de goedkeuring van de gemeenschappelijke aanpak zijn vastgesteld, en verordeningen die daarna zijn vastgesteld of herzien.

De gemeenschappelijke aanpak is scherper in het vizier van het Parlement gekomen als gevolg van de voorstellen van de Commissie voor de verplaatsing van de zetels van twee in het Verenigd Koninkrijk gevestigde agentschappen(16). Volgens het Parlement is zijn rol als medewetgever niet naar behoren in aanmerking genomen, doordat het Parlement niet betrokken is geweest bij de procedure voor de vaststelling van de nieuwe zetels van de agentschappen. Ook heeft het Europees Parlement eraan herinnerd dat "de gemeenschappelijke aanpak die als bijlage bij de in 2012 ondertekende gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over de gedecentraliseerde agentschappen is gevoegd, juridisch niet-bindend is, zoals in de verklaring zelf is vastgelegd, en is overeengekomen onverminderd de wetgevende bevoegdheden van de instellingen". Het Parlement dringt er daarom op aan dat "de procedure voor de vaststelling van de vestigingsplaats van agentschappen wordt herzien en dat deze procedure in de toekomst niet meer in deze vorm wordt toegepast"(17).

De Raad heeft ter zake het volgende verklaard: "De Raad neemt nota van het verzoek van het Europees Parlement om zo spoedig mogelijk de gezamenlijke verklaring en de gemeenschappelijke aanpak inzake gedecentraliseerde agentschappen van 2012 te herzien. Als eerste stap verzoekt hij de Commissie om uiterlijk in april 2019 een grondige analyse van de uitvoering van de gezamenlijke verklaring en de gemeenschappelijke aanpak inzake de vestiging van gedecentraliseerde agentschappen te verstrekken. Deze analyse zal als basis dienen voor een beoordeling van de volgende stappen in het kader van de procedure voor een dergelijke herziening."

Parlementaire controle op de gedecentraliseerde agentschappen

Het Parlement kan op verschillende wijzen parlementair toezicht houden op de gedecentraliseerde agentschappen:

–  als tak van de begrotingsautoriteit in het kader van haar besluitvorming over bijdragen uit de EU-begroting aan de agentschappen;

–  als de kwijtingsautoriteit;

–  door middel van de benoeming van leden van de raad van bestuur van agentschappen;

–  in de procedure voor de benoeming (of het ontslag) van de directeur;

–  tijdens de raadpleging van het Parlement over de werkprogramma's;

–  via de jaarverslagen;

–  op andere manieren (werkbezoeken, contactgroepen of -personen, gedachtewisselingen, hoorzittingen, briefings, levering van deskundigheid).

In haar studie analyseert professor de Vos de oprichtingsverordeningen van de agentschappen met betrekking tot de mechanismen voor parlementaire controle(18):

–    Over de invloed van het Parlement op de raden van bestuur(19) merkt zij op dat in drie agentschappen (EMA, EUIPO, GSA) vertegenwoordigers van het Parlement zitting hebben in de raad van bestuur, terwijl zeven raden van bestuur van agentschappen (ECHA, EEA, EFSA, EWDD, ETF, ACER, ECDC) door het Europees Parlement aangewezen leden (deskundigen of stakeholders) hebben; in de meeste gevallen is er echter geen door het Europees Parlement aangewezen lid.

–    Aangaande de benoeming van de directeuren(20) merkt zij op dat bekrachtiging door het Parlement nodig is in het geval van de drie toezichthoudende autoriteiten (EBA, EIOPA, ESMA) die binnen het bevoegdheidsgebied van de commissie ECON vallen, dat in vijftien gevallen (BEREC, EASA, EASO, ECDC, ECHA, EFSA, EIGE, EMA, EWDD, ENISA, ETF, FRA, Frontex en eu-LISA) de kandidaat wordt uitgenodigd om in het Parlement te verschijnen en dat in zes gevallen de kandidaat kan worden uitgenodigd. In elf gevallen is er geen betrokkenheid van het Europees Parlement.

–    Wat betreft de werkprogramma's(21) wordt het Parlement geraadpleegd over de meerjarige werkprogramma's van acht agentschappen (Cepol, EASA, ERA, Europol, FRA, Frontex, GSA, BHIM), terwijl het wordt geïnformeerd over de meerjarige werkprogramma's van zes agentschappen (EBA, ECHA, EIOPA, ELA, EWDD, ESMA); hoewel het Parlement niet betrokken is bij het opstellen van de meerjarige werkprogramma's voor deze agentschappen, wordt het Parlement geraadpleegd over de jaarlijkse werkprogramma's van twee agentschappen (ENISA, Eurofound) en geïnformeerd over de jaarlijkse werkprogramma's van negen agentschappen (ACER, BEREC, EASO, EFCA, EFSA, EMA, EMSA, eu-LISA, GAR); bij de werkprogramma's van acht agentschappen (CdT, CEDEFOP, ECDC, EEA, EIGE, EU-OSHA, EOM, ETF) is het Europees Parlement in het geheel niet betrokken, en twee agentschappen (CPVO, Eurojust) hebben geen bepalingen inzake werkprogramma's.

–    In alle mandaten van agentschappen wordt bepaald dat er een jaarlijks activiteitenverslag moet worden ingediend bij het Europees Parlement, de Rekenkamer, de Raad en de Commissie. Voor twee agentschappen geldt dat de directeur de jaarverslagen moet presenteren aan het Europees Parlement of de bevoegde commissies van het Parlement.

–    In drie gevallen (de financieel autonome agentschappen EUIPO, GAR en CPVO) wordt de kwijting verleend door interne instanties.(22)

De parlementaire controle in het Europees Parlement wordt voornamelijk uitgevoerd op het niveau van de parlementaire commissies, zowel door de in de respectieve werkterreinen van de betrokken agentschappen gespecialiseerde commissies als door de commissies BUDG en CONT, die alle agentschappen beoordelen voor zover ze worden gefinancierd uit de EU-begroting en zijn onderworpen aan de kwijtingsprocedure.

Uw rapporteur heeft de secretariaten van de commissies een vragenlijst toegezonden waarin de commissies zijn verzocht toe te lichten:

(1)    hoe zij in deze zittingsperiode zijn betrokken bij wetgevingsprocedures (taken, bevoegdheden, werkzaamheden, doelstellingen, structuren, verantwoordingsmechanismen, hervestiging) en begrotings- en kwijtingsprocedures en hoe zij politieke controle op gedecentraliseerde agentschappen hebben uitgeoefend;

(2)  hoe zij de gezamenlijke verklaring en gemeenschappelijke aanpak van 2012 hebben geïntegreerd in hun werkzaamheden (effectbeoordelingen, horizon- of herzieningsclausule, zetels van agentschappen, structuur en bestuur van agentschappen (raad van bestuur, directeur, wetenschappelijk comités of andere organen), het functioneren van agentschappen (door de Commissie verrichte diensten, samenvoeging van agentschappen, het delen van diensten tussen agentschappen, de behandeling van gerubriceerde informatie, internationale betrekkingen, communicatie), de programmering van activiteiten, de middelen van agentschappen en daarmee samenhangende procedures, en verantwoordingsplicht en controle (jaarverslagen, audits, evaluaties en transparantie en betrekkingen met stakeholders));

(3)  (met betrekking tot beleidsbesluiten:) of zij, bij het beoordelen van het werk van agentschappen, tegen het licht houden welke doeleinden de beleidsmakers voor ogen hebben en of deze op passende wijze worden verwezenlijkt;

(4)  (met betrekking tot de resultaten:) of zij de in het kader van het takenpakket van de agentschappen verrichte werkzaamheden toetsen aan de verwachte uitkomsten;

(5)  (met betrekking tot complexiteit:) of zij kijken naar overlappingen of lacunes in het werk van de agentschappen en of er gevallen zijn waarin de agentschappen volgens de commissies hun mandaat hebben overschreden of niet hebben vervuld.

Toen dit verslag werd opgesteld, waren antwoorden ontvangen van de secretariaten van de Commissie begroting (BUDG), de Commissie begrotingscontrole (CONT), de Commissie economische en monetaire zaken (ECON), de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (ENVI), en de Commissie industrie, onderzoek en energie (ITRE), de Commissie vervoer en toerisme (TRAN), de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (AGRI), de Commissie cultuur en onderwijs (CULT) en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (FEMM), terwijl de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (LIBE) (die het grootste aantal agentschappen binnen haar bevoegdheidsgebied heeft) te kennen gaf dat zij haar antwoorden op korte termijn zou indienen.

De commissie BUDG heeft gerapporteerd dat:

(1)    zij in wetgevingsprocedures adviezen heeft uitgebracht over de oprichtingsverordeningen van diverse agentschappen (EBA, EIOPA, ESMA, ENISA, ACER, EU-OSHA, Eurofound, CEDEFOP, EASO en Cepol), met een beoordeling van alle aspecten van de verordeningen; de agentschappen, indien passend, voorwerp van discussie zijn in de begrotingstrialogen (punt 31 van het Interinstitutioneel Akkoord inzake begrotingsdiscipline); zij de leidende commissie was voor de vertegenwoordiging van het Parlement in de interinstitutionele werkgroep inzake de middelen van de gedecentraliseerde agentschappen en follow-up heeft gegeven aan de conclusies van deze werkgroep; de commissie BUDG en de commissie CONT de leidende commissies zijn bij de herziening van de financiële kaderregeling, die samenhangt met de herziening van het Financieel Reglement van eerder dit jaar; zij de leidende commissie is in de jaarlijkse begrotingsprocedures voor alle gedecentraliseerde agentschappen; Jens Geier (S&D) de vaste rapporteur voor EU-agentschappen van de commissie BUDG is; zij in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure op regelmatige basis informatie uitwisselt met het netwerk van EU-agentschappen en individuele EU-agentschappen en agentschappen verzoekt om briefings; zij het netwerk van EU-agentschappen jaarlijks uitnodigt om, vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van wijzigingsvoorstellen, aan de agentschappen gerelateerde aspecten van de ontwerpbegroting te bespreken;

(2)    zij in het kader van haar adviezen en jaarlijkse begrotingsprocedures rekening houdt met verschillende aspecten van de gezamenlijke verklaring en gemeenschappelijke aanpak, behalve die welke onder de bevoegdheden van gespecialiseerde commissies vallen, zoals de werkprogramma's en jaarverslagen van individuele agentschappen; zij opdracht heeft gegeven voor een studie over de potentiële inkomsten van de uitbreiding van het vragen van vergoedingen voor de levering van diensten door EU-agentschappen en dat beleidsafdeling D op haar verzoek (en op verzoek van de commissie CONT) op 4 mei 2017 een workshop over het toezicht op en de middelen van agentschappen die geheel of gedeeltelijk zelf in hun financiering voorzien heeft georganiseerd;

(3)    zij bevestigend kon antwoorden op de drie vragen over beleidsbesluiten, resultaten en complexiteit.

De commissie CONT heeft geantwoord dat:

(1)    zij een advies in de vorm van amendementen (artikel 53, lid 4, van het Reglement) heeft uitgebracht over de verhuizing van de zetel van het Europees Geneesmiddelenbureau; zij betrokken was bij de interinstitutionele werkgroep inzake de middelen van de gedecentraliseerde agentschappen en bij de herziening van de financiële kaderregeling; zij over elk gedecentraliseerd agentschap een verslag opstelt, plus een horizontaal verslag in het kader van de kwijtingsprocedure; zij in het kader van de kwijtingsprocedure elk jaar in december/januari een hoorzitting met vier tot zes directeuren organiseert, waarbij ook de jaarlijkse activiteitenverslagen worden besproken; de commissie CONT organiseert echter geen hoorzittingen voorafgaand aan benoemingen; wel organiseerde zij onderzoeksmissies naar Europol en het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT);

(2)    zij in haar kwijtingsverslagen rekening houdt met verschillende aspecten van de gemeenschappelijke aanpak, waaronder, waar relevant, het vaststellen van vergoedingen en vereenvoudiging; zij, net als de commissie BUDG, aspecten die onder de bevoegdheid van gespecialiseerde commissies vallen, zoals werkprogramma's, buiten beschouwing laat;

(3)    zij de drie vragen over beleidsbesluiten, resultaten en complexiteit evalueert in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure.

De commissie ECON heeft te kennen gegeven dat:

(1)    zij is betrokken bij de lopende herziening van de Europese toezichthoudende autoriteiten (EBA, EIOPA, ESMA) en diverse richtlijnen en verordeningen voor deze agentschappen in behandeling heeft; er een overeenkomst is gesloten tussen het Europees Parlement en de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad over de praktische regelingen in verband met de uitoefening van democratische verantwoordingsplicht en het toezicht op de uitoefening van de taken die in het kader van het Gemeenschappelijk Afwikkelingsmechanisme aan de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad zijn opgedragen; zij een verslag over het voorstel voor een verordening tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 wat betreft de vestigingsplaats van de zetel van de Europese Bankautoriteit heeft opgesteld; zij jaarlijkse adviezen over het ontwerp van algemene begroting en kwijting (EBA, EIOPA, ESMA) uitbrengt; zij in het kader van haar benoemingsbevoegdheden met betrekking tot de leden van de raad van bestuur en/of andere organen van agentschappen een verslag heeft opgesteld over het voorstel van de Commissie voor de benoeming van een lid van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad en zich heeft uitgesproken over de verlenging van de ambtstermijn van de voorzitters van de drie toezichthoudende autoriteiten, na hen te hebben gehoord; zij jaarlijks gedachtewisselingen houdt met de voorzitters van EBA, EIOPA, ESMA en de GAR over de werkprogramma's en jaarverslagen; zij geregeld gedachtewisselingen houdt met de agentschappen en ook voortdurend gebruikmaakt van hun output; zij regelmatig verzoekt om briefings of adviezen; zij specifieke tijdvakken voor gedachtewisselingen in de commissie hanteert en er regelmatig gedachtewisselingen plaatsvinden tussen de drie toezichthoudende autoriteiten en de rapporteurs/schaduwrapporteurs voor de diverse dossiers;

(2)    zij nota heeft genomen van de bepalingen van de gemeenschappelijke aanpak in haar verslag over het voorstel tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 wat betreft de vestigingsplaats van de zetel van de Europese Bankautoriteit (waarin zij zich heeft gebogen over de vestigingsregelingen en de verschillende aspecten van de werking van de agentschappen); zij in het kader van de lopende herziening van de Europese toezichthoudende autoriteiten (EBA, EIOPA, ESMA) de nodige aandacht heeft voor de bepalingen inzake de structuur van agentschappen en de programmering van hun activiteiten; zij nauwlettend oog houdt op de uitvoering van het akkoord tussen het Europees Parlement en de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad over de praktische regelingen in verband met de uitoefening van democratische verantwoordingsplicht en toezicht op de uitoefening van de taken die in het kader van het Gemeenschappelijk Afwikkelingsmechanisme aan de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad zijn opgedragen;

(3)    alle ontwerpen van technische regelgevingsnormen, technische uitvoeringsnormen worden toegezonden aan de leden van de commissie ECON; zij in commissievergaderingen geselecteerde onderwerpen bespreekt in het kader van de controletijdvakken;

(4)    zij de door de agentschappen verrichte werkzaamheden die onder haar bevoegdheid vallen, niet toetst aan de verwachte uitkomsten;

(5)    de opvattingen over de vraag of EIOPA haar mandaat overschrijdt en of ESMA en EBA hun mandaat vervullen, uiteenlopen.

De commissie ENVI heeft gerapporteerd dat:

(1)    zij betrokken is bij de wetgevingsprocedures in verband met de oprichtingsverordening van het EMA en met voorstellen voor extra taken voor het ECHA (die extra middelen vereisen), het EEA en de EFSA; zij een verslag over de vestigingsplaats van het EMA heeft opgesteld (stemming over het voorlopige resultaat in de plenaire zitting in oktober 2018); zij ontwerpadviezen opstelt over de jaarlijkse begrotingen van de vijf agentschappen binnen haar bevoegdheidsgebied (wijzigingen van begrotingen, met inbegrip van personeelsformaties, herstel van ontwerpbegrotingen, verhogingen van begrotingen), evenals adviezen over het verlenen van kwijting aan die vijf agentschappen; het Parlement, op grond van de oprichtingsverordeningen van de agentschappen die onder haar bevoegdheid vallen, een bepaald aantal leden van de raden van bestuur van die agentschappen (ECDC, ECHA, EEA, EMA) benoemt of advies over die benoemingen – van vertegenwoordigers van het Parlement, maar ook van wetenschappers – (EFSA) uitbrengt aan de Raad; het Parlement ook wordt geraadpleegd over de benoeming van vertegenwoordigers van patiënten en ziekenhuisartsen (EMA) die leden van de raad van bestuur zijn; het Parlement wordt geraadpleegd over de benoeming van vertegenwoordigers van patiënten en ziekenhuisartsen in verschillende wetenschappelijke comités van het EMA(23); artikel 2 van het reglement van orde voor de raad van het bestuur en het bureau van het EEA vereist dat een van de EP-leden in de raad van bestuur lid van het bureau is; zij systematisch hoorzittingen houdt met voorgedragen directeuren voordat ze worden benoemd; zij per agentschap een contactpersoon aanwijst; zij jaarlijkse gedachtewisselingen organiseert met de directeur van elk agentschap over werkprogramma's, activiteitenverslagen enz.; de twee door het Parlement benoemde leden van de raad van bestuur van het EEA elk jaar opmerkingen indienen over het ontwerpwerkprogramma voor het komende jaar, waarover de ENVI-coördinatoren vervolgens overeenstemming moeten bereiken en die vervolgens aan het agentschap worden doorgestuurd; elk agentschap om het jaar wordt bezocht; in verband met verzoeken om of het gebruik van deskundigheid, de EFSA om een wetenschappelijk advies over bijen en bestuiving is gevraagd (2018); in het kader van een initiatiefverslag over antimicrobiële resistentie het EEA, het EMA en de EFSA zijn verzocht om een rapport en er vergaderingen zijn georganiseerd met de rapporteur; EEA-rapporten regelmatig worden gebruikt voor lopende wetgevings- en uitvoeringsverslagen; voorbeelden van gedachtewisselingen in de commissie die met het ECDC(24) en de EFSA(25) zijn; het ECHA, het EMA of het EEA door de commissie ook kunnen worden uitgenodigd om deel te nemen aan gedachtewisselingen over specifieke dossiers inzake sectoraal beleid; voorbeelden van briefings van de rapporteur die over antimicrobiële resistentie en nieuwe voedingsmiddelen zijn;

(2)    de agentschappen die binnen haar bevoegdheidsgebied vallen, zijn opgericht voordat de gezamenlijke verklaring van 2012 werd opgesteld, maar dat de commissie ENVI na de in de Raad gevolgde procedure om de nieuwe vestigingsplaats van het EMA te selecteren en de afronding daarvan door het trekken van lootjes, kritiek heeft geuit op de gezamenlijke verklaring en de daarbij als bijlage gevoegde gemeenschappelijke aanpak en heeft gevraagd om nauwe betrokkenheid van het Europees Parlement bij het besluitvormingsproces over de vestiging en hervestiging van agentschappen en organen, gezien zijn prerogatieven als medewetgever in de gewone wetgevingsprocedure (dit standpunt werd in maart 2018 gesteund in de plenaire vergadering); het Parlement er in dit verband voor heeft gepleit om in de zetelovereenkomst een gedetailleerd kader voor de installatie van het agentschap op te nemen teneinde de onzekerheid te verminderen en het personeel duidelijkheid te geven met het oog op de bedrijfscontinuïteit; het voorstel betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen met name de samenstelling van de raad van bestuur en de duur van hun ambtstermijn wijzigt; het voorstel over de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen (2018/0088(COD)) tevens de procedure voor de benoeming van de deskundigen van de wetenschappelijke panels wijzigt;

(3)    de commissie ENVI, in verband met de vragen over beleidsbesluiten en resultaten (4), de uitvoering onderzoekt in het kader van specifieke ontwerpresoluties, de tweejaarlijkse delegatiebezoeken, uitvoeringsverslagen of tussentijdse evaluaties van specifieke programma's; zij geen criteria voor mislukking/succes hanteert; zij, wat complexiteit (5) betreft, onderzoekt hoe de coördinatie tussen agentschappen kan worden verbeterd, bijvoorbeeld met betrekking tot chemische gegevens.

De commissie ITRE heeft meegedeeld dat:

(1)    zij betrokken is bij de herziening van de oprichtingsverordeningen voor ACER, GNNS (om nieuwe taken toe te wijzen en de positie van het agentschap te versterken), ENISA (taken, duur, bestuur) en BEREC (structuur); zij geen adviezen uitbrengt in de kwijtingsprocedure, maar in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedures herhaaldelijk verzoekt het ACER met voldoende middelen uit te rusten; zij betrokken is bij de benoeming van EP-vertegenwoordigers in raden van bestuur; er geen specifieke hoorzittingen worden gehouden met voorgedragen directeuren voorafgaand aan hun benoeming, maar er regelmatige contacten zijn met vertegenwoordigers van het agentschap, die ook worden uitgenodigd voor commissievergaderingen; er geen vaste rapporteurs zijn, maar er aan het begin van de zittingsperiode een informele contactgroep voor het ACER is ingesteld, bestaande uit leden van verschillend fracties van het Parlement; er regelmatig wordt gecommuniceerd over de lopende werkzaamheden en uitdagingen van het ACER; er gedachtewisselingen met agentschappen over werkprogramma's plaatsvinden; er informatie over activiteitenverslagen wordt verstrekt aan coördinatoren en de nieuwsbrieven van de commissie ITRE eveneens informatie over de agentschappen bevatten; er om de twee jaar een bezoek wordt gebracht aan de zetels; zij gebruikmaakt van verslagen, studies en wetenschappelijke adviezen van agentschappen en dat vertegenwoordigers van de agentschappen worden uitgenodigd voor hoorzittingen die verband houden met de bevoegdheden van het agentschap (in geval van het ACER: jaarlijkse presentaties van de monitoringverslagen over de energiemarkt);

(2)    zij bij de (huidige) herziening van de nieuwe verordeningen rekening houdt met alle aspecten van de gemeenschappelijke aanpak; er in de commissie regelmatig presentaties en hoorzittingen over de meerjarige werkprogramma's worden gehouden, en de jaarverslagen worden toegezonden aan de coördinatoren;

(3)    er, met betrekking tot de vraag over beleidsbesluiten, regelmatige contacten met vertegenwoordigers van de agentschappen zijn, die ook deelnemen aan vergaderingen van de commissie;

(4)    wat de resultaten betreft, er regelmatige contacten plaatsvinden met vertegenwoordigers van de agentschappen, die ook worden uitgenodigd voor vergaderingen van de commissie, en dat dit onderwerp wordt besproken in het kader van de (huidige) herziening van de nieuwe verordeningen;

(5)    complexiteit een voorwerp van gesprek is bij de (huidige) herziening van de nieuwe verordeningen.

De commissie TRAN heeft drie afzonderlijke antwoorden verstrekt voor de drie agentschappen die binnen haar bevoegdheidsgebied vallen, die ertoe strekten dat:

(1)

  –  de oprichtingsverordening van het EMSA in 2016 is herzien; er in 2015 en 2018 bezoeken aan dit agentschap zijn gebracht; er de afgelopen jaren regelmatig gedachtewisselingen met de directeur hebben plaatsgevonden, waarin ook de jaarlijkse werkprogramma's zijn besproken;

–    met betrekking tot het ERA, de rol van het agentschap is uitgebreid door het vierde spoorwegpakket; er nu ook een raad van bestuur en een directieraad zijn ingesteld; de commissie ITRE een advies inzake kwijting verstrekt; er in 2018 een bezoek aan het agentschap is gebracht; er door individuele rapporteurs/personeelsleden ad-hocraadplegingen worden gehouden over deskundigheidsproducten van het agentschap; er in 2015 een gedachtewisseling met de directeur van het ERA heeft plaatsgevonden;

–    met betrekking tot het EASA, de oprichtingsverordening van 2002 in 2018 is herzien, waarbij de structuur van eerdere verordeningen volledig is veranderd op basis van de bevoegdheidsverlening (gedelegeerde en uitvoeringshandelingen) en toegevoegde bevoegdheden; er geen vaste rapporteur is aangesteld; er in 2015 en 2018 bezoeken aan het agentschap zijn gebracht; er door individuele rapporteurs/personeelsleden ad-hocraadplegingen worden gehouden over deskundigheidsproducten van het agentschap; er in 2015 en 2016 gedachtewisselingen met de directeur van het EASA over specifieke onderwerpen inzake de veiligheid van de luchtvaart hebben plaatsgevonden;

(2)

–    met betrekking tot het EMSA, de Raad en het Parlement in de context van de meerjarenprogrammering in 2014 een verordening hebben vastgesteld betreffende meerjarenfinanciering voor acties van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid op het gebied van de bestrijding van door schepen en olie- en gasinstallaties veroorzaakte verontreiniging van de zee;

–    met betrekking tot het ERA, de commissie TRAN in de gedachtewisselingen met de directeur de jaarlijkse werkprogramma's bespreekt; de directeur, in verband met de koppeling tussen financiële en personele middelen, de kwestie van onvoldoende financiering aan de orde heeft gesteld;

–    met betrekking tot het EASA, de nieuwe EASA-verordening een specifieke bepaling over de zetelovereenkomst bevat.

De commissie AGRI heeft gerapporteerd dat:

(1)    bij een uitvoeringsbesluit van de Commissie in het kader van de verordening inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten uitgevoerd op de interne markt en in derde landen van 2014 de bevoegdheden van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw (Chafea) zijn uitgebreid; de commissie AGRI in het kader van de procedure voor een verordening betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen een advies heeft opgesteld over door de EFSA uitgevoerde activiteiten (risicocommunicatie, transparantie van studies) en de bestuursstructuren, dat het echter niet heeft gehaald in de stemming; zij regelmatig stemt over amendementen tegen door de Raad voorgestelde bezuinigingen op de begroting van de agentschappen die de commissie AGRI aangaan (bv. EFSA, Chafea); zij de EFSA twee verzoeken om een wetenschappelijk advies heeft gedaan over de gezondheid en het welzijn van voor de vleesproductie gehouden konijnen in Europa (lopend); wat gedachtewisselingen in de commissie betreft, de voorzitter van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO) in 2016 een presentatie heeft gehouden over de werkzaamheden van het agentschap, een vertegenwoordiger van de EFSA in 2015 een presentatie heeft gegeven tijdens een hoorzitting over het klonen van dieren voor agrarische doeleinden (gezamenlijke hoorzitting met de commissie ENVI, deskundige voorgesteld door ENVI), en de EFSA en het ECHA in 2017 presentaties hebben gegeven tijdens een hoorzitting over de Monsanto-papers en glyfosaat (gezamenlijke hoorzitting met de commissie ENVI, deskundigen voorgesteld door ENVI).

De commissie CULT heeft te kennen gegeven dat:

(1)   zij in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure en de kwijtingsprocedure voor het CdT adviezen uitbrengt; zij informatie-uitwisselingen en gedachtewisselingen met het CdT over de activiteiten van het agentschap organiseert;

(2)   zij in haar kwijtingsadviezen rekening houdt met de interne controles door de Commissie en, in zekere mate, met de uitgevoerde evaluaties.

De commissie CULT heeft ook verwezen naar werkzaamheden die zij uitvoert met betrekking tot het EACEA (uitvoerend agentschap) en deelt in die context mee dat zij de jaarlijkse werkprogramma's uitwisselt met de betrokken DG's van de Commissie en dat zij in 2016 een bezoek aan het EACEA heeft gebracht voor een presentatie van de activiteiten in verband met de uitvoering van het programma Creatief Europa. De rapporteur voor het programma Creatief Europa heeft vergaderingen met het EACEA gehouden over prestatie-indicatoren; de commissie CULT heeft het EACEA in het uitvoeringsverslag over het programma Creatief Europa ook enkele aanbevelingen gedaan met betrekking tot transparantie en de betrekkingen met stakeholders. Wat de resultaten betreft, heeft zij meegedeeld dat de werkzaamheden van het EACEA in het kader van de uitvoering van het programma Creatief Europa tot op zekere hoogte zijn geëvalueerd in het uitvoeringsverslag, dat ook enkele aanbevelingen bevat.

De commissie FEMM heeft meegedeeld dat:

(1)   zij betrokken is bij de jaarlijkse begrotingsprocedure en kwijtingsprocedure; zij twee leden en twee plaatsvervangende leden heeft aangewezen in het deskundigenforum van het EIGE; zij gedachtewisselingen over de werkprogramma's houdt; er in 2015 en 2018 bezoeken aan het agentschap zijn gebracht; zij deskundigheidsproducten van het agentschap gebruikt, het agentschap verzoekt om briefings of adviezen en gedachtewisselingen met het agentschap organiseert;

(2)   zij wordt geraadpleegd over de meerjarige werkprogramma's, terwijl er ook presentaties over de jaarlijkse werkprogramma's worden gehouden;

(3)   het, met betrekking tot vraag (5) over complexiteit, voor de commissie FEMM belangrijk is dat het mandaat van het EIGE geen overlappingen heeft met dat van het FRA; zij het belangrijk vindt dat er een agentschap is dat zich exclusief bezighoudt met de rechten van de vrouw en gendergelijkheid.

Belangrijkste bevindingen

•  Hoewel er geen algemene definitie van "EU-agentschap" bestaat, noch een duidelijke afbakening van de bevoegdheden of taken van agentschappen, kunnen de agentschappen in institutionele termen worden gezien als intermediaire organen tussen de Commissie en de lidstaten. Als model voor een meer direct beheer op EU-niveau beantwoorden ze aan de behoefte aan een meer uniforme uitvoering van EU-beleid door de lidstaten, met een grotere pluriformiteit van de uitvoerende tak van de EU als gevolg(26).

•  Het feit dat er geen uitdrukkelijke rechtsgrondslag voor de oprichting van agentschappen of een algemene definitie of beschrijving van de agentschappen en hun bevoegdheden en taken bestaat, noch in artikel 13 VEU, noch in het systeem van delegatie zoals neergelegd in de artikelen 290 en 291 VWEU, kan te wijten zijn aan het ontbreken van een eenheidsvisie op de uitvoerende tak van de EU, of aan de verscheidenheid van functies die de agentschappen worden gevraagd te vervullen. Agentschappen opereren echter niet in een juridisch vacuüm. Ze zijn door de EU-wetgever doelbewust gecreëerd overeenkomstig het beginsel van toedeling van bevoegdheden, op grond van verschillende Verdragsbepalingen. In het Verdrag van Lissabon werd de toewijzing van uitvoerende taken van de EU aan agentschappen officieel erkend door de formele opneming van de figuur van het EU-agentschap in de Verdragen(27). De delegatie van bevoegdheden aan agentschappen is niet onbeperkt, maar is gebonden aan de in de Verdragen neergelegde wettelijke waarborgen, waarbij het institutionele evenwicht moet worden geëerbiedigd en de belangen van het individu binnen de Unie moeten worden beschermd. Niettemin zou een betere onderscheiding en categorisering van de agentschappen en hun verantwoordingsmechanismen in overweging kunnen worden genomen. Bovendien zou kunnen worden nagedacht (indien en wanneer zich een gelegenheid voor een Verdragswijziging voordoet) over de vraag hoe de agentschappen nog steviger kunnen worden verankerd in de Verdragen (met name in artikel 13 VEU en de artikelen 290 en 291 VWEU).

•  In de Verdragen, de oprichtingsverordeningen, de rechtspraak van het Hof van Justitie (met name de Meroni-doctrine) en de gezamenlijke verklaring en gemeenschappelijke aanpak wordt voorzien in mechanismen (transparantie, rechterlijke toetsing) om de verantwoordingsplicht van de agentschappen te waarborgen. De vaststelling van hun begrotingen hangt in het merendeel van de gevallen af van goedkeuring door de begrotingsautoriteit, en de agentschappen zijn over het algemeen onderworpen aan kwijting door het Europees Parlement (met uitzondering van de financieel autonome agentschappen). Dit geheel van regels en voorschriften, dat misschien niet zo compleet is als mogelijk zou zijn, vormt voor het Europees Parlement het raamwerk voor de verrichting van zijn controletaken. De parlementaire commissies oefenen hun controlefuncties actief uit, niettegenstaande de verscheidenheid aan bepalingen. Terwijl de gespecialiseerde commissies de controle op de agentschappen die binnen hun respectieve bevoegdheidsgebied vallen, voor hun rekening nemen, controleren de commissie BUDG en de commissie CONT alle agentschappen, terwijl ze ook ervaring hebben opgedaan en een globaal overzicht van agentschappen hebben gekregen via hun deelname aan de interinstitutionele werkgroep. Zij staan in de frontlinie bij het verantwoordelijk houden van de agentschappen voor hun activiteiten en bestuursstructuren. Voor de toekomst zou kunnen worden overwogen om in het Europees Parlement jaarlijks een debat over het functioneren en het bestuur van de agentschappen te houden.

•  De gezamenlijke verklaring en gemeenschappelijke aanpak van 2012 vormen voor de agentschappen een niet-bindend kader, waarvan de tenuitvoerlegging een gemengd beeld oplevert. Dit kan deels te wijten zijn aan de zeer verschillende aard van de taken en functies die de agentschappen verrichten, die het moeilijk maakt om een pasklaar model op alle agentschappen toe te passen. Niettemin zou er meer kunnen worden gedaan om bepaalde bepalingen in de oprichtingsverordeningen te stroomlijnen, rekening houdend met de verschillende soorten agentschappen die momenteel kunnen worden onderscheiden, door ze te groeperen op basis van hun aard en hun taken. In dat verband zou een grondige beoordeling van de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke aanpak in al zijn aspecten, met gedetailleerde analysedocumenten zoals die in 2010 zijn geproduceerd, nuttig kunnen zijn.

•  De agentschappen hebben meer dan 9 000 werknemers. Het netwerk van EU-agentschappen, inclusief de subnetwerken, de werkgroepen en de thematische samenwerking in clusters, vormt een forum voor coördinatie, informatie-uitwisseling, het bereiken van overeenstemming over gemeenschappelijke standpunten over onderwerpen van gemeenschappelijk belang, het voorkomen van dubbel werk, het bevorderen van goed bestuur, het bevorderen van het delen van diensten, en het nauwer met de EU-burgers in contact brengen van de agentschappen.

•  De agentschappen moeten over voldoende middelen beschikken om hun toenemende aantal taken te kunnen uitvoeren en het benodigde gekwalificeerde personeel te kunnen aantrekken in elk gastland van vestiging.

(1)

link naar de studie.

(2)

https://europa.eu/european-union/about-eu/agencies_nl#type-of-agencies

(3)

Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER), Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC-bureau), Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (CdT), Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (CEDEFOP), Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol), Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO), Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), Europese Bankautoriteit (EBA), Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC), Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), Europees Milieuagentschap (EEA), Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA), Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE), Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA), Europees Geneesmiddelenbureau (EMA), Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD), Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA), Spoorwegbureau van de Europese Unie (ERA), Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA), Europese Stichting voor opleiding (ETF), Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA), Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (EU-OSHA), Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound), Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol), Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), Europees Grens- en Kustwachtagentschap (Frontex), Europees GNSS-agentschap (GSA) en Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR).

Opgemerkt zij dat het EASO wel op de kaart staat, maar verder niet op de webpagina wordt vermeld.

(4)

COM (2018) 131 final.

(5)

Het netwerk van EU-agentschappen telt 37 gedecentraliseerde agentschappen en 8 gemeenschappelijke ondernemingen, verspreid over 23 lidstaten.

(6)

Blz. 15-16 van en bijlage 1 bij de studie, hier in een andere volgorde; sommige agentschappen verrichten taken in meer dan één categorie.

(7)

Bijlage 1 bij de studie.

(8)

Zo was de voorloper van het GSA, dat als een gedecentraliseerd agentschap wordt beschouwd, de Gemeenschappelijke Onderneming Galileo (GJU), die in mei 2002 werd opgericht door de Europese Gemeenschap en het Europees Ruimteagentschap (ESA) om de ontwikkelingsfase van het Galileo-programma te beheren, en onderdelen van de begroting van het GSA en de daarmee samenhangende taken lijken misschien eerder tot het takenpakket van een uitvoerend agentschap te behoren. De commissie ITRE heeft opgemerkt dat het nieuwe voorstel voor de oprichting van een Europees kenniscentrum voor industrie, technologie en onderzoek op het gebied van cyberbeveiliging en een netwerk van nationale coördinatiecentra, dat is aangekondigd in de toespraak over de Staat van de Unie van 2018, duidelijk niet past binnen de bestaande structuur van gedecentraliseerde agentschappen. Het BEREC-bureau is een ander voorbeeld van een agentschap met een duale structuur. Cepol ontvangt het deel van zijn begroting dat samenhangt met in zijn mandaat omschreven taken, uit het operationele deel van de Uniebegroting, via deelname aan uitnodigingen tot het indienen van voorstellen.

(9)

Zie bijlage 2 bij de studie. Naast artikel 352 VWEU is ook artikel 114 VWEU vaak gebruikt.

(10)

Zaak C-270/12, Verenigd Koninkrijk/ Raad en Europees Parlement, PB C 273 van 8.9.2012, blz. 3.

(11)

Zie het persbericht van het Hof van Justitie van de Europese Unie nr. 7/14, Luxemburg, 22 januari 2014.

Arrest in zaak C-270/12, Verenigd Koninkrijk/Parlement en Raad.

(12)

https://europa.eu/european-union/sites/europaeu/files/docs/body/joint_statement_and_common_approach_2012_nl.pdf

(13)

COM(2005)59.

(14)

https://europa.eu/european-union/about-eu/agencies/overhaul_nl

(15)

Hoofdstuk 12 van de studie.

(16)

COM(2017)0735 en COM(2017) 734.

(17)

Zie de verklaring van het Europees Parlement bij zijn wetgevingsresolutie van 25 oktober 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 726/2004 wat betreft de zetel van het Europees Geneesmiddelenbureau (P8_TA(2018)0427).

(18)

Hoofdstuk 11, blz. 41 en volgende, bijlage 5.

(19)

De gemeenschappelijke aanpak (punt 10) voorziet erin dat naast één vertegenwoordiger van elke lidstaat en twee vertegenwoordigers van de Commissie, indien wenselijk, ook een door het Europees Parlement aangewezen lid en vertegenwoordigers van de stakeholders zitting nemen in de raad van bestuur.

(20)

De gemeenschappelijke aanpak voorziet hier niet in een rol voor het Europees Parlement. In de kaderovereenkomst tussen het Parlement en de Commissie wordt echter bepaald dat voorgedragen kandidaten voor de post moeten worden gehoord door parlementaire commissies.

(21)

Volgens de gemeenschappelijke aanpak moet het Parlement worden geraadpleegd over de meerjarige werkprogramma's en worden geïnformeerd over de jaarlijkse werkprogramma's.

(22)

Overeenkomstig de gemeenschappelijke aanpak (punt 58) moet voor agentschappen die geheel zelf in hun financiering voorzien, en die daarom niet onder een kwijtingsprocedure in de zin van het VWEU vallen, worden gezocht naar oplossingen voor de democratische verantwoording, bijvoorbeeld door het indienen van een jaarverslag bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en het opvolgen van hun aanbevelingen.

(23)

Zoals het Comité voor geavanceerde therapieën, het Risicobeoordelingscomité voor geneesmiddelenbewaking en het Comité pediatrie.

(24)

Over de ziekte van Lyme op 1 februari 2018 en over Zika op 25 april 2017.

(25)

De EFSA nam op 11-12 oktober 2017 deel aan een openbare hoorzitting over glyfosaat; met de EFSA werd op 11 oktober 2017 een gedachtewisseling gehouden over het beoordelen van de milieurisico's van genetisch gemodificeerde organismen, en op 4 mei 2017 over plantaardige olie.

(26)

Zie hoofdstuk 2 van de studie.

(27)

Zie de hoofdstukken 5, 7 en 8 van de studie.


ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de tenuitvoerlegging van de wettelijke bepalingen en de gezamenlijke verklaring inzake de parlementaire controle op de gedecentraliseerde agentschappen

(2018/2114(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de Verdragsbepalingen inzake de agentschappen, met name de artikelen 5 en 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 15, 16, 71, 123, 124, 127, 130, 228, 263, 265, 267, 277, 282, 287, 290, 291, 298 en 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 41, 42, 43, 51 en 52,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de EU en de Europese Commissie over de gedecentraliseerde agentschappen van 19 juli 2012 en de daarbij als bijlage gevoegde gemeenschappelijke aanpak,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie begroting, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0055/2019),

A.  overwegende dat agentschappen een essentiële rol spelen in de uitvoering van EU-beleid op Europees en nationaal niveau en een grote verscheidenheid aan taken verrichten om bij te dragen aan de tenuitvoerlegging van EU-beleid, zoals het creëren van netwerken of het ondersteunen van de samenwerking tussen de EU en nationale autoriteiten; overwegende dat goede samenwerking tussen EU-agentschappen en lidstaten bijdraagt aan grotere efficiëntie en effectiviteit van de werkzaamheden van de agentschappen; overwegende dat de agentschappen ook onderlinge samenwerking tot stand hebben gebracht via het Netwerk van agentschappen van de Europese Unie;

B.  overwegende dat de coördinatie en samenwerking tussen de diverse agentschappen en de parlementaire commissies over het algemeen goed is geweest; overwegende dat Europol als enige agentschap onderworpen is aan toezicht door het Europees Parlement én de nationale parlementen in de vorm van de Gezamenlijke Parlementaire Controlegroep;

C.  overwegende dat de agentschappen in de loop der jaren elk op hun eigen manier zijn ontstaan en zich elk op hun eigen manier hebben ontwikkeld; overwegende dat de toewijzing van uitvoerende taken van de EU aan agentschappen in het Verdrag van Lissabon officieel is erkend door de formele opneming van de figuur van het EU-agentschap in de Verdragen;

D.  overwegende dat agentschappen in de eerste plaats verantwoording moeten afleggen aan het Parlement en de Raad, die ervoor moeten zorgen dat in de wetgevingshandelingen betreffende deze agentschappen adequate controlemechanismen worden opgenomen en dat deze mechanismen vervolgens naar behoren ten uitvoer worden gelegd; overwegende dat het in steeds grotere mate bij agentschappen neerleggen van de uitvoerende bevoegdheden van de Unie niet mag resulteren in verzwakking van het parlementaire toezicht op de uitvoerende macht als bedoeld in artikel 14 VEU;

E.  overwegende dat in de Verdragen geen definitie van het begrip "gedecentraliseerd agentschap" is opgenomen, noch een algemene beschrijving van de bevoegdheden die aan agentschappen kunnen worden verleend;

F.  overwegende dat een aantal agentschappen hun rechtsgrondslag hebben in artikel 352 VWEU en dat andere een specifieke sectorale rechtsgrondslag hebben;

G.  overwegende dat de gezamenlijke verklaring en gemeenschappelijke aanpak van 2012 het resultaat zijn van het werk van de interinstitutionele werkgroep inzake regelgevende agentschappen, die door de Commissie, het Europees Parlement en de Raad werd ingesteld om de samenhang, doeltreffendheid, verantwoordingsplicht en transparantie van de agentschappen te beoordelen nadat een voorstel van de Commissie voor een interinstitutioneel akkoord over regelgevende agentschappen in 2005 niet de benodigde steun van de Raad en het Parlement had gekregen;

H.  overwegende dat de gemeenschappelijke aanpak bepalingen bevat inzake de structuur en het bestuur van de agentschappen, het functioneren van de agentschappen, de programmering van hun werkzaamheden, hun financiering en het beheer van hun begrotingsmiddelen en hun begrotingsprocedures, alsmede inzake verantwoordingsplicht, controle en transparantie, die helpen om de parlementaire controle op de gedecentraliseerde agentschappen te waarborgen;

I.  overwegende dat de agentschappen, ondanks een over het algemeen positieve respons, in een aantal gevallen zijn geconfronteerd met wantrouwen ten aanzien van hun wetenschappelijke en technische adviezen;

Belangrijkste opmerkingen

1.  merkt op dat in de Verdragen, in de oprichtingsverordeningen van de agentschappen, in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in de gezamenlijke verklaring en gemeenschappelijke aanpak wordt voorzien in mechanismen om de verantwoordingsplicht van de agentschappen te waarborgen; benadrukt dat het Parlement door de toekenning van bevoegdheden over toetsingsbevoegdheid beschikt ten aanzien van gedecentraliseerde agentschappen, maar dat dit niet tot in alle details in de Verdragen is vastgelegd; vestigt in dit verband de aandacht op de niet-bindende aard van de gezamenlijke verklaring en gemeenschappelijke aanpak; betreurt evenwel dat de instellingen nog niet tot een akkoord over een bindend regelgevingskader zijn gekomen;

2.  wijst erop dat het Parlement op verschillende manieren controle uitoefent op de agentschappen:

-  als tak van de begrotingsautoriteit in het kader van haar besluitvorming over bijdragen uit de EU-begroting aan de agentschappen;

-  als de kwijtingsautoriteit;

-  door de aanwijzing van leden van de raad van bestuur van agentschappen;

-  in de procedure voor de benoeming (of het ontslag) van de directeur;

-  tijdens de raadpleging van het Parlement over de werkprogramma's;

-  via de jaarverslagen;

-   via andere methoden (werkbezoeken, contactgroepen of -personen, gedachtewisselingen, hoorzittingen, briefings, verstrekking van deskundigheid);

3.  merkt op dat de bepalingen in de oprichtingsverordeningen in uiteenlopende mate afwijken van de in de gemeenschappelijke aanpak uiteengezette mechanismen voor het afleggen van verantwoording door en het uitoefenen van parlementaire controle op de agentschappen, hetgeen te wijten kan zijn aan de zeer verschillende aard van de taken en functies die de agentschappen verrichten;

4.  merkt op dat de parlementaire commissies hun controletaken actief uitvoeren, niettegenstaande de verscheidenheid aan bepalingen in de oprichtingsverordeningen;

5.  erkent de uitvoering door de agentschappen van de Unie van de gezamenlijke verklaring en de gemeenschappelijke aanpak en het stappenplan; wijst met name op de aanbevelingen van de Interinstitutionele Werkgroep gedecentraliseerde agentschappen (IIWG), die op 18 januari 2018 door de Conferentie van voorzitters zijn goedgekeurd; neemt er nota van dat tijdens de vervolgvergadering van 12 juli 2018 de werkzaamheden van de IIWG als voltooid werden beschouwd;

Aanbevelingen

6.  is van mening dat er meer kan worden gedaan om bepaalde bepalingen in de oprichtingsverordeningen inzake het bestuur en de verantwoordingsmechanismen van de agentschappen te stroomlijnen, rekening houdend met de verschillende soorten agentschappen die momenteel kunnen worden onderscheiden en door de algemene beginselen vast te stellen die van toepassing zijn op de betrekkingen tussen de instellingen van de EU en de agentschappen; wijst erop dat deze onderwerpen ook aan bod moeten komen in de effectbeoordeling die wordt uitgevoerd naar aanleiding van een voorstel tot oprichting van een agentschap; onderstreept dat de agentschappen een bepaalde mate van organisatorische flexibiliteit nodig hebben om zich zo goed mogelijk van hun taken te kunnen kwijten en te kunnen inspelen op behoeften die daarbij ontstaan; is ingenomen met de clustergebonden en clusteroverstijgende interne organisatie van agentschappen op verwante terreinen;

7.  vraagt daarom om een grondige herziening van de toepassing van de gemeenschappelijke aanpak in al zijn aspecten, met gedetailleerde analysedocumenten zoals die in 2010 werden voorgelegd, waarbij de aandacht uitgaat naar aan bestuur gerelateerde aspecten, met name de verenigbaarheid van de opgenomen bepalingen met de medebeslissings- en toetsingsbevoegdheden van het Parlement, en rekening houdend met de noodzaak om te voorzien in flexibiliteit, gezien het gevarieerde landschap van gedecentraliseerde agentschappen;

8.  betreurt het dat het Parlement, als belangrijkste hoeder van de eerbiediging van de democratische beginselen in de Unie, niet volledig betrokken is geweest bij de procedure voor de keuze van de nieuwe zetel van het EMA en de EBA; herinnert in dit verband aan zijn verzoek om de gezamenlijke verklaring en gemeenschappelijke aanpak van 2012 zo spoedig mogelijk te herzien en herinnert ook aan de toezegging van de Raad om deze herziening uit te voeren, met het verzoek aan de Commissie om tegen april 2019 een grondige analyse van de gezamenlijke verklaring en de gemeenschappelijke aanpak te presenteren wat betreft de vestigingsplaats van de gedecentraliseerde agentschappen;

9.  benadrukt dat de vestigingsplaats van een agentschap niet van invloed mag zijn op de uitoefening van zijn bevoegdheden en taken, de opzet van zijn bestuursstructuur, de werking van zijn belangrijkste organisatie of de belangrijkste financiering van zijn activiteiten;

10.  verwacht dat de prerogatieven van zowel het Parlement als de Raad als medewetgevers bij toekomstige besluiten over de vestigingsplaats of de verhuizing van agentschappen volledig in acht worden genomen; is van oordeel dat het Parlement stelselmatig en op transparante wijze, in het kader van het wetgevingsproces en op voet van gelijkheid met de Raad en de Commissie, betrokken moet worden bij de vaststelling en de beoordeling van het gewicht van de criteria voor de selectie van de vestigingsplaats van alle organen en agentschappen van de Unie; wijst erop dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich er in het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" van 13 april 2016 toe hebben verplicht loyaal en op transparante wijze samen te werken, en dat het akkoord met nadruk verwijst naar het beginsel van gelijkheid van de medewetgevers, zoals verankerd in de Verdragen; onderstreept de waarde van een versterkte uitwisseling van informatie vanaf het vroegste stadium van toekomstige processen voor de keuze van de zetel van agentschappen, omdat dit de drie instellingen beter in staat zal stellen hun rechten en prerogatieven uit te oefenen;

11.  is van mening dat de beslissing over de vestigingsplaats van een agentschap van groot belang is en dat de instellingen van de Unie objectieve criteria zoals toegankelijkheid, administratieve synergie en nabijheid van de belanghebbenden in aanmerking moeten nemen om tot een optimaal besluit te komen;

12.  verzoekt de Commissie, overeenkomstig de aanbevelingen van de interinstitutionele werkgroep over de middelen van de gedecentraliseerde agentschappen, met spoed een evaluatie te verrichten van de agentschappen met meerdere vestigingsplaatsen en daarbij een consistente aanpak te hanteren om de meerwaarde ervan, met inachtneming van de kosten, te beoordelen; dringt erop aan dat op grond van de resultaten van deze evaluatie significante maatregelen worden genomen om het aantal meervoudige vestigingsplaatsen waar mogelijk te verminderen;

13.  stelt voor om, op basis van een herziening van de gemeenschappelijke aanpak, het sluiten van een interinstitutioneel akkoord (IIA) over de agentschappen opnieuw in overweging te nemen; is van mening dat een dergelijk akkoord bepalingen moet bevatten die het verplicht stellen om elke vijf jaar een evaluatie uit te voeren van de beginselen die ten grondslag liggen aan de oprichting en het functioneren van de agentschappen, gebruikmakend van de deskundigheid van een groep van vooraanstaande personen;

14.  is van mening dat dit IIA de bevoegdheden van het Europees Parlement in medebeslissingsprocedures moet respecteren en daarnaast de verhouding tussen een agentschap en de instellingen van de lidstaat waar het gevestigd is, aan de orde moet stellen, evenals transparantiemaatregelen, procedures ter voorkoming van belangenconflicten en ter waarborging van genderevenwicht bij de leden van de bestuurs- en adviesorganen, alsook de implementatie van gendermainstreaming in alle activiteiten van de agentschappen;

15.  is van oordeel dat bij het opstellen van een dergelijk IIA ook verschillende specifieke suggesties voor het versterken van het democratisch toezicht, de verantwoordingsplicht van agentschappen van de Unie en het verbeteren van het systeem voor verslaglegging aan het Parlement moeten worden meegenomen, zoals;

- vaststelling van een termijn voor de agentschappen om antwoord te geven op de vragen die het Europees Parlement of de Raad hen stellen;

- invoering van regelingen voor het delen van gevoelige en vertrouwelijke informatie en raadpleging van parlementaire commissies, waar nodig;

- onderzoek naar de vraag of er al dan niet een specifiek aantal leden van de respectieve directies door het Parlement zou moeten worden benoemd;

- onderzoek van de toegevoegde waarde van de aanwezigheid van vertegenwoordigers/waarnemers van het Parlement bij vergaderingen van raden van toezichthouders en belangengroepen van agentschappen;

- stroomlijnen van de participatie van het Parlement in de jaarlijkse en meerjarige werkprogramma's van de agentschappen;

- stroomlijnen en harmoniseren van de rapportageverplichtingen, met name wat betreft het jaarlijks activiteitenverslag, het verslag over het begrotings- en financieel beheer en de definitieve jaarrekening;

-  het Parlement gedetailleerd informeren over de maatregelen die zijn genomen om te voldoen aan de aanbevelingen van de kwijtingsautoriteit (follow-upverslagen) en die van de Rekenkamer;

16.  is voorts van mening dat de rol van het Parlement in het toezicht op de bestuurlijke aspecten van de gedecentraliseerde agentschappen aanzienlijk zou kunnen worden vergroot door de oprichting van een gespecialiseerde afdeling in het Parlement die tot taak zou hebben permanent horizontaal toezicht te houden op het bestuur van dergelijke agentschappen, op basis van de loyale onderlinge uitwisseling van informatie, samenwerking en waarden; stelt verder voor de samenwerking met de Gezamenlijke Parlementaire Controlegroep op te voeren en de regels voor werkbezoeken aan agentschappen te herzien, zodat er betere regelmatige contacten mogelijk zijn tussen parlementaire commissies en de agentschappen die onder hun bevoegdheid vallen;

17.  stelt voor dat de Commissie constitutionele zaken, in het kader van de vijfjaarlijkse herziening, op basis van en in aanvulling op de toetsing door de commissies van het Europees Parlement van de agentschappen die onder hun bevoegdheid vallen, jaarlijks een debat over werking en bestuur van de agentschappen houdt, waar passend en/of nodig gevolgd door een plenair debat, teneinde een solider en gestructureerder systeem voor de toetsing van activiteiten van agentschappen in het Parlement te faciliteren; stelt daarnaast voor, gezien de bemiddelende rol van de agentschappen tussen de Unie en de lidstaten, te voorzien in een periode voor overleg met nationale parlementen indien deze daar prijs op stellen;

18.  is van mening dat de agentschappen van de Unie de regels en beginselen van goed bestuur en beter wetgeven moeten toepassen, inclusief middels openbare raadplegingen over hun ontwerpvoorstellen voor secundaire ten tertiaire rechtshandelingen, indien het werkterrein van het agentschap dit toestaat; stelt voor dat de agentschappen aan dezelfde transparantieregels worden onderworpen als de Commissie, waaronder de regels en verplichtingen in verband met belangenvertegenwoordigers;

19.  benadrukt dat de agentschappen van de Unie de taken die voortvloeien uit het regelgevingskader volledig en tijdig moeten uitvoeren, maar dat zij zich zorgvuldig van hun taken moeten kwijten en zich moeten houden aan het door het Parlement en de Raad verleende mandaat; acht het noodzakelijk dat de agentschappen van de Unie transparantie betrachten bij de uitvoering van hun mandaat;

20.  stelt voor dat alle agentschappen niet-bindende adviezen moeten kunnen uitbrengen over actuele dossiers die binnen hun bevoegdheidsgebied vallen;

21.  is voorts van mening dat er, in geval van eventuele toekomstige Verdragswijzigingen, moet worden nagedacht over de vraag hoe de agentschappen nog steviger kunnen worden verankerd in de Verdragen, met name in de artikelen 13 en 14 VEU en de artikelen 290 en 291 VWEU, door een duidelijke definitie op te nemen van de verschillende soorten agentschappen, de bevoegdheden die hen kunnen worden toegekend en de algemene beginselen die parlementaire toetsing van deze agentschappen waarborgen;

Budgettaire aangelegenheden

22.  merkt op dat de financiering op basis van bijdragen momenteel ca. 1 miljard EUR per jaar bedraagt, waardoor de druk op de EU-begroting kan worden verminderd en activiteiten van de agentschappen op een doeltreffende manier kunnen worden gefinancierd, mits het bedrijfsmodel dit toestaat; uit evenwel zijn bezorgdheid over mogelijke belangenconflicten die kunnen ontstaan als de agentschappen afhankelijk zijn van bijdragen van leden als belangrijkste bron van inkomsten; benadrukt dat er vrijwaringsmaatregelen moeten worden genomen om elke vorm van belangenconflicten te voorkomen;

23.  onderstreept dat rekening moet worden gehouden met de nieuwe klimaat-, duurzaamheids- en milieubeschermingsprioriteiten in het volgende MFK, alsmede met de nieuwe taken die bepaalde agentschappen hebben gekregen voor de uitvoering van het huidige MFK;

24.  merkt op dat, hoewel de gedecentraliseerde agentschappen op het gebied van begrotingsbeheer een aantal gelijkenissen vertonen, een gelijkvormige aanpak schadelijk is gebleken voor een efficiënt en doeltreffend beheer van bepaalde agentschappen; beschouwt de doelstelling van een personeelsinkrimping met 5 % en de herschikking van personeel tussen agentschappen als een eenmalige maatregel; herhaalt zijn voornemen om zich in de toekomst tegen een dergelijke aanpak te verzetten;

25.  stelt met bezorgdheid vast dat een aantal agentschappen vanwege de arbeidsvoorwaarden moeilijkheden ondervindt om gekwalificeerd personeel aan te trekken; is van mening dat organen van de Unie gekwalificeerd personeel moeten kunnen aantrekken om hun taken doeltreffend en efficiënt uit te voeren; roept daarom op tot concrete actie om dit doel te bereiken;

26.  merkt op dat de versterkte samenwerking tussen de agentschappen bij het delen van diensten tot besparingen heeft geleid, bijvoorbeeld door de oprichting van een gezamenlijk aanbestedingsportaal; moedigt verdere verkenning aan van het potentieel van het delen van diensten tussen agentschappen onderling of tussen de Commissie en agentschappen, met het doel nieuwe synergieën te creëren en bestaande te optimaliseren; is van mening dat, waar van toepassing, verdere begrotingsefficiëntie kan worden bereikt door nauwe samenwerking op het gebied van administratieve ondersteuning en faciliteitenbeheer tussen organen en agentschappen van de Unie die dicht bij elkaar zijn gevestigd;

27.  wijst erop dat bij het opstellen van de begroting van de agentschappen het beginsel van resultaatgericht begroten in acht moet worden genomen, met oog voor de doelstellingen en de verwachte resultaten van het werk van de agentschappen; dringt aan op een thematische aanpak in de begroting van de gedecentraliseerde agentschappen om de taken van de agentschappen beter te kunnen prioriteren, de samenwerking te versterken en overlappingen te voorkomen, met name bij agentschappen die op hetzelfde beleidsterrein actief zijn;

28.  stelt met bezorgdheid vast dat een aantal administratieve vereisten onevenredig zijn voor agentschappen die beneden een bepaalde omvang blijven; verwacht van de Commissie en de Raad dat zij ervoor zorgen dat de toepasselijke administratieve vereisten in verhouding staan tot de financiële en personele middelen van alle agentschappen;

29.  herinnert eraan dat de wetgevingsprocedure leidt tot wijzigingen in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie; stelt met bezorgdheid vast dat bijgewerkte financiële memoranda over het algemeen pas aan het einde van de wetgevingsprocedure beschikbaar komen, als dat al het geval is; herinnert aan de dubbele rol van het Parlement en de Raad als wetgever en begrotingsautoriteit;

30.  is ingenomen met het ontwerp van de Commissie voor een herziene tekst van de financiële kaderregeling voor gedecentraliseerde agentschappen, en met name met de daarin geschetste plannen om het bestuur van deze agentschappen te versterken;

31.  herhaalt echter dat er nog steeds een groot aantal onopgeloste kwesties bestaat en dringt er bij de Commissie op aan onverwijld een evaluatie voor te leggen van agentschappen met meerdere vestigingsplaatsen, zoals aanbevolen door de IIWG, evenals voorstellen voor mogelijke fusies, sluitingen en/of de overdracht van taken aan de Commissie, op basis van een zorgvuldige en grondige analyse en met gebruikmaking van duidelijke en transparante criteria, die in de taakomschrijving van de IIWG was voorzien, maar nooit echt is onderzocht bij gebrek aan voorstellen in die zin van de Commissie;

32.  merkt op dat de controle van de gedecentraliseerde agentschappen "geheel onder de verantwoordelijkheid van de Rekenkamer [blijft] vallen, die alle voorgeschreven administratieve procedures en procedures voor het toekennen van contracten beheert en financiert"; herhaalt dat de controles die door auditors uit de particuliere sector worden uitgevoerd de administratieve lasten voor de agentschappen aanzienlijk hebben verhoogd en dat er, als gevolg van de tijd die aan de aanbesteding en het beheer van auditcontracten wordt besteed, extra uitgaven zijn ontstaan waardoor hun dalende middelen onder nog grotere druk komen te staan; benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is deze kwestie op te lossen in overeenstemming met de gemeenschappelijke aanpak, in het kader van de herziening van de financiële kaderregeling; vraagt aan alle bij deze herziening betrokken partijen dringend duidelijkheid over deze kwestie te verschaffen zodat de buitensporige administratieve lasten sterk kunnen worden verminderd;

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Rekenkamer en de gedecentraliseerde agentschappen van de EU.


ADVIES van de Begrotingscommissie (11.12.2018)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake de tenuitvoerlegging van de wettelijke bepalingen en de gezamenlijke verklaring inzake de parlementaire controle op de gedecentraliseerde agentschappen

(2018/2114(INI))

Rapporteur voor advies: Jens Geier

SUGGESTIES

De Begrotingscommissie verzoekt de bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.   merkt op dat de financiering op basis van vergoedingen voor de agentschappen momenteel in totaal ongeveer 1 miljard EUR per jaar bedraagt, waarmee de druk op de begroting van de Unie aanzienlijk wordt verlaagd; is van mening dat financiering op basis van vergoedingen een doeltreffend middel kan zijn om de activiteiten van agentschappen te financieren indien het bedrijfsmodel dit toelaat; wijst er evenwel op dat er vrijwaringsmaatregelen moeten worden genomen om elke vorm van belangenconflict te voorkomen;

2.  merkt op dat, hoewel de gedecentraliseerde agentschappen op het gebied van begrotingsbeheer een aantal gelijkenissen vertonen, een gelijkvormige aanpak schadelijk is gebleken voor een efficiënt en doeltreffend beheer van bepaalde agentschappen; beschouwt de doelstelling van een personeelsinkrimping met 5 % en de herschikking van personeel tussen agentschappen als een eenmalige maatregel; herhaalt zijn voornemen om zich in de toekomst tegen een dergelijke aanpak te verzetten;

3.   is van mening dat het besluit over de vestigingsplaats van een agentschap van groot belang is en dat de instellingen van de Unie objectieve criteria zoals toegankelijkheid, administratieve synergie en nabijheid van de belanghebbenden in aanmerking moeten nemen om tot een optimaal besluit te komen; verwacht dat de prerogatieven van het Parlement en de Raad als medewetgevers van de Unie volledig in acht worden genomen bij toekomstige besluiten over de vestigingsplaats van agentschappen;

4.  verzoekt de Commissie, overeenkomstig de aanbevelingen van de interinstitutionele werkgroep over de middelen van de gedecentraliseerde agentschappen, dringend een evaluatie te verrichten van de agentschappen met meerdere vestigingsplaatsen en daarbij een consistente aanpak te hanteren om de meerwaarde ervan, met inachtneming van de kosten, te beoordelen; dringt erop aan dat op grond van de resultaten van deze evaluatie belangrijke maatregelen worden genomen om het aantal meervoudige vestigingsplaatsen waar mogelijk te verminderen;

5.  stelt met bezorgdheid vast dat een aantal agentschappen moeilijkheden ondervindt om gekwalificeerd personeel aan te trekken vanwege ongunstige arbeidsvoorwaarden en beperkingen als gevolg van de salariscoëfficiënt; is van mening dat de organen van de Unie gekwalificeerd personeel moeten kunnen aantrekken om hun taken doeltreffend en efficiënt uit te voeren; roept daarom op tot concrete actie om de salariscoëfficiënten aan te passen zodat deze de werkelijke kosten beter weerspiegelen;

6.  merkt op dat de versterkte samenwerking tussen de agentschappen bij het delen van diensten tot besparingen heeft geleid, bijvoorbeeld door de oprichting van een gezamenlijk aanbestedingsportaal; moedigt verdere verkenning aan van het potentieel van het delen van diensten tussen agentschappen onderling of tussen de Commissie en agentschappen om nieuwe synergieën te creëren en bestaande te optimaliseren; is van mening dat, waar van toepassing, verdere begrotingsefficiëntie kan worden bereikt door nauwe samenwerking op het gebied van administratieve ondersteuning en faciliteitenbeheer tussen organen en agentschappen van de Unie die dicht bij elkaar zijn gevestigd;

7.  is van mening dat het democratisch toezicht kan worden versterkt door ervoor te zorgen dat door het Parlement aangewezen vertegenwoordigers kunnen deelnemen aan de vergaderingen van de raad van bestuur; is van oordeel dat het waarborgen van kostenefficiëntie voor de Europese burgers, die worden vertegenwoordigd door het Parlement, een belangrijke factor in het besluitvormingsproces zou moeten zijn; merkt op dat de instellingen van de Unie meermaals hebben nagelaten gebruik te maken van deze mogelijkheid waarin de gemeenschappelijke aanpak voorziet;

8.  wijst erop dat bij het opstellen van de begroting van de agentschappen het beginsel van resultaatgericht begroten in acht moet worden genomen, met oog voor de doelstellingen en de verwachte resultaten van het werk van de agentschappen; dringt aan op een thematische aanpak in de begroting van de gedecentraliseerde agentschappen om de taken van de agentschappen beter te kunnen prioriteren, de samenwerking te versterken en overlappingen te voorkomen, met name bij agentschappen die op hetzelfde beleidsterrein actief zijn;

9.  stelt met bezorgdheid vast dat een aantal administratieve vereisten onevenredig zijn voor agentschappen die onder een bepaalde omvang blijven; verwacht van de Commissie en de Raad dat zij ervoor zorgen dat de toepasselijke administratieve vereisten in verhouding staan tot de financiële en personele middelen van alle agentschappen;

10.  herinnert eraan dat de wetgevingsprocedure leidt tot wijzigingen van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie; stelt met bezorgdheid vast dat bijgewerkte financiële memoranda over het algemeen pas aan het einde van de wetgevingsprocedure beschikbaar komen, als dat al het geval is; herinnert aan de dubbele rol van het Parlement en de Raad als wetgever en begrotingsautoriteit.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.12.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

1

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jean Arthuis, Richard Ashworth, Lefteris Christoforou, Manuel dos Santos, André Elissen, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Jens Geier, Ingeborg Gräßle, John Howarth, Siegfried Mureşan, Liadh Ní Riada, Jan Olbrycht, Pina Picierno, Paul Rübig, Petri Sarvamaa, Jordi Solé, Patricija Šulin, Indrek Tarand, Monika Vana, Daniele Viotti, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Xabier Benito Ziluaga, Karine Gloanec Maurin, Marco Valli

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Clara Eugenia Aguilera García, Claudia Schmidt

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

24

+

ALDE

Jean Arthuis

GUE/NGL

Xabier Benito Ziluaga, Liadh Ní Riada

PPE

Richard Ashworth, Lefteris Christoforou, José Manuel Fernandes, Ingeborg Gräßle, Siegfried Mureşan, Jan Olbrycht, Paul Rübig, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Patricija Šulin

S&D

Clara Eugenia Aguilera García, Eider Gardiazabal Rubial, Jens Geier, Karine Gloanec Maurin, John Howarth, Pina Picierno, Manuel dos Santos, Daniele Viotti

Verts/ALE

Jordi Solé, Indrek Tarand, Monika Vana

1

-

ENF

André Elissen

2

0

EFDD

Marco Valli

ENF

Marco Zanni

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie begrotingscontrole (8.1.2019)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake de tenuitvoerlegging van de wettelijke bepalingen en de gezamenlijke verklaring inzake de parlementaire controle op de gedecentraliseerde agentschappen

(2018/2114(INI))

Rapporteur voor advies: Dennis de Jong

SUGGESTIES

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst op de uitvoering door de agentschappen van de Unie van de gezamenlijke verklaring en de gemeenschappelijke aanpak en het stappenplan; wijst met name op de aanbevelingen van de Interinstitutionele Werkgroep gedecentraliseerde agentschappen (IIWG), die op 18 januari 2018 door de Conferentie van voorzitters zijn goedgekeurd; neemt er nota van dat tijdens de vervolgvergadering van 12 juli 2018 de werkzaamheden van de IIWG als voltooid werden beschouwd;

2.  is ingenomen met het ontwerp van de Commissie voor een herziene tekst van de financiële kaderregeling voor gedecentraliseerde agentschappen, en met name met de erin geschetste plannen om het bestuur van deze agentschappen te versterken;

3.  herhaalt echter dat er nog steeds een groot aantal onopgeloste kwesties bestaat en dringt er bij de Commissie op aan onverwijld een evaluatie voor te leggen van agentschappen met meerdere vestigingsplaatsen, zoals aanbevolen door de IIWG, evenals voorstellen voor mogelijke fusies, sluitingen en/of de overdracht van taken aan de Commissie, op basis van een zorgvuldige en grondige analyse en met gebruikmaking van duidelijke en transparante criteria, die in de taakomschrijving van de IIWG was voorzien, maar nooit echt is onderzocht bij gebrek aan voorstellen in die zin van de Commissie;

4.  herinnert aan de brieven die zijn Voorzitter op 28 maart 2018 aan de voorzitter van de Commissie en de fungerend voorzitter van de Raad heeft gestuurd en waarin, gezien de prerogatieven van het Parlement als medewetgever, werd betreurd dat het Parlement niet werd betrokken bij de selectieprocedure voor de nieuwe vestigingsplaats van het Europees Geneesmiddelenbureau, en dringt erop aan dat de gezamenlijke verklaring en de gemeenschappelijke aanpak dienovereenkomstig worden herzien; dringt er bij de Commissie op aan de nodige voorstellen voor te bereiden op basis van een grondige analyse van de uitvoering van de gezamenlijke verklaring en de gemeenschappelijke aanpak, zoals gevraagd door de Raad in zijn antwoord op bovengenoemde brief;

5.  wijst erop dat bij het opstellen van de begroting van de agentschappen het beginsel van resultaatgericht begroten in acht moet worden genomen, met oog voor de doelstellingen en de verwachte resultaten van het werk van de agentschappen; dringt aan op een thematische aanpak in de begroting van de gedecentraliseerde agentschappen om de taken van de agentschappen beter te kunnen prioriteren, de samenwerking te versterken en overlappingen te voorkomen, met name bij agentschappen die op hetzelfde beleidsterrein actief zijn;

6.  uit zijn bezorgdheid over mogelijke belangenconflicten die kunnen ontstaan als de agentschappen afhankelijk zijn van vergoedingen van leden als belangrijkste bron van inkomsten; herhaalt dat de agentschappen zich bewust zijn van dit reputatierisico en de voorkeur zouden geven aan een gestage en voorspelbare inkomstenstroom uit de EU-begroting, wat ook van cruciaal belang is voor de planning, in plaats van te moeten vertrouwen op vergoedingen die onvoorspelbaar zijn en van jaar tot jaar verschillen; verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen om vergoedingen rechtstreeks te betalen aan de Commissie en om de agentschappen in ruil een regelmatige subsidie uit de EU-begroting te verlenen;

7.  roept op tot concrete actie om de salariscoëfficiënten aan te passen zodat deze de werkelijke kosten beter weerspiegelen;

8.  herhaalt zijn oproep tot gestroomlijnde en geharmoniseerde rapportageverplichtingen, met name wat betreft het jaarlijks activiteitenverslag, het verslag over het begrotings- en financieel beheer en de definitieve jaarrekening;

9.  moedigt de agentschappen aan om het Parlement gedetailleerd te informeren over de maatregelen die zijn genomen om te voldoen aan de aanbevelingen van de kwijtingsautoriteit ("follow-upverslagen") en die van de Rekenkamer;

10.  merkt op dat de agentschappen, teneinde nieuwe taken naar behoren te kunnen uitvoeren, te streven naar constante efficiëntieverbeteringen, snel en doeltreffend in vacatures te kunnen voorzien en hun vermogen om deskundigen aan te trekken te vergroten, hun personeelsbestand en behoeften aan extra personele en financiële middelen voortdurend in het oog moeten houden en evalueren, en indien nodig desbetreffende verzoeken moeten indienen om ervoor te zorgen dat ze hun taken en verantwoordelijkheden adequaat kunnen uitvoeren;

11.  merkt op dat de controle van de gedecentraliseerde agentschappen geheel onder de verantwoordelijkheid van de Rekenkamer blijft vallen, die alle voorgeschreven administratieve procedures en procedures voor het toekennen van contracten beheert en financiert; herhaalt dat de controles die door auditors uit de particuliere sector worden uitgevoerd de administratieve lasten voor de agentschappen aanzienlijk hebben verhoogd en dat, als gevolg van de tijd die aan de aanbesteding en het beheer van auditcontracten wordt besteed, extra uitgaven zijn ontstaan waardoor hun dalende middelen onder nog grotere druk komen te staan; benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is deze kwestie op te lossen in overeenstemming met de gemeenschappelijke aanpak, in het kader van de herziening van de financiële kaderregeling; vraagt aan alle bij deze herziening betrokken partijen dringend duidelijkheid over deze kwestie te verschaffen zodat de buitensporige administratieve lasten sterk kunnen worden verminderd.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

7.1.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

8

0

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Dennis de Jong, Ingeborg Gräßle, Georgi Pirinski, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Bart Staes

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Karin Kadenbach, Andrey Novakov

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Pervenche Berès, John Howarth, Jude Kirton-Darling

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

8

+

GUE/NGL

Dennis de Jong

PPE

Ingeborg Gräßle

S&D

Pervenche Berès, John Howarth, Karin Kadenbach, Jude Kirton-Darling, Georgi Pirinski

Verts/ALE

Bart Staes

0

-

 

 

2

0

PPE

Andrey Novakov, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken (11.12.2018)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake de tenuitvoerlegging van de wettelijke bepalingen en de gezamenlijke verklaring inzake parlementaire controle op de gedecentraliseerde agentschappen

(2018/2114(INI))

Rapporteur voor advies: Peter Simon

SUGGESTIES

De Commissie economische en monetaire zaken verzoekt de bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat de agentschappen van de Unie de taken die voortvloeien uit het regelgevingskader volledig en tijdig moeten uitvoeren, maar dat zij zich zorgvuldig van hun taken moeten kwijten en zich moeten houden aan het door het Parlement en de Raad verleende mandaat; acht het noodzakelijk dat de agentschappen van de Unie transparantie betrachten bij de uitvoering van hun mandaat;

2.  verzoekt de agentschappen van de Unie, teneinde het niveau van rekenschap te verhogen, uiterlijk vijf weken na ontvangst antwoord te geven op de vragen die het Parlement en de Raad hen stellen; stelt verder voor dat de voorzitters van de agentschappen van de Unie, op verzoek, vertrouwelijke mondelinge discussies achter gesloten deuren voeren met de voorzitter, de ondervoorzitters en de coördinatoren van de bevoegde commissie van het Parlement;

3.  is van mening dat de agentschappen van de Unie relevante belanghebbenden er regelmatig bij moeten betrekken en de beginselen van "beter wetgeven" moeten toepassen, inclusief openbare raadplegingen over hun ontwerpvoorstellen voor secundaire en tertiaire rechtshandelingen;

4.  is van mening dat als vertegenwoordigers van het Parlement vergaderingen van raden van toezichthouders en van belangengroepen van agentschappen zouden bijwonen, dit het wederzijdse begrip zou vergroten over onderwerpen die worden behandeld door het Parlement, de lidstaten en de Commissie, op dezelfde wijze als wanneer vergaderingen van deskundigengroepen van de Commissie worden bijgewoond;

5.  beklemtoont dat de prerogatieven van het Parlement te allen tijde moeten worden gerespecteerd; is derhalve van oordeel dat het Parlement stelselmatig en op voet van gelijkwaardigheid met de Commissie en de Raad betrokken moet worden bij de vaststelling en de weging van de criteria voor de selectie van de vestigingsplaats van de zetel van alle organen en agentschappen van de Unie; herinnert in dit verband aan de toezegging van de Raad om de gezamenlijke verklaring van 19 juli 2012 betreffende gedecentraliseerde agentschappen te herzien, met als doel het waarborgen van de gezamenlijke en sterke betrokkenheid van alle EU-instellingen is van oordeel dat het waarborgen van kostenefficiëntie voor de Europese burgers, die worden vertegenwoordigd door het Parlement, een belangrijke factor in het besluitvormingsproces zou moeten zijn;

6.  verzoekt de Commissie er in haar diepgaande analyse van de uitvoering van de gezamenlijke verklaring en de gemeenschappelijke aanpak van 19 juli 2012, op toe te zien dat zij ten laatste in april 2019 in kaart brengt welke regelingen herzien en ten uitvoer moeten worden gelegd met het oog op een goede controle door het Parlement, alsmede de mate waarin de bepalingen een weerspiegeling vormen van het juridische en institutionele landschap van de gedecentraliseerde agentschappen, in het bijzonder wat betreft de structuur en aan governance gerelateerde aspecten, en of zij voldoende flexibel zijn gezien de uiteenlopende aard van de agentschappen;

7.  herinnert aan zijn prerogatief als medewetgever, en hamert op het belang van de volledige eerbiediging van de gewone wetgevingsprocedure in verband met besluiten aangaande de vestigingsplaats van organen en agentschappen;

8.  stelt vast dat het aantal agentschappen en de middelen die aan hen ter beschikking worden gesteld de afgelopen jaren zijn toegenomen; dringt erop aan dat de EU-instellingen een duidelijke overeenstemming bereiken over de rol van de agentschappen;

9.  benadrukt dat de vestigingsplaats van een agentschap niet van invloed mag zijn op de uitoefening van zijn bevoegdheden en taken, de opzet van zijn bestuursstructuur, de werking van zijn belangrijkste organisatie of de belangrijkste financiering van zijn activiteiten; onderstreept echter dat de vestigingsplaats van een agentschap een betere begrotingsefficiëntie mogelijk zou moeten maken door het delen van diensten, in het bijzonder van gebouwen, door agentschappen van de Unie, aangezien gedeelde infrastructuur, administratieve diensten voor ondersteuning en facilitair beheer tot aanzienlijke efficiëntiewinsten leiden.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.12.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

48

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Hugues Bayet, Pervenche Berès, Jonás Fernández, Giuseppe Ferrandino, Stefan Gehrold, Sven Giegold, Neena Gill, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Danuta Maria Hübner, Barbara Kappel, Othmar Karas, Wolf Klinz, Georgios Kyrtsos, Philippe Lamberts, Werner Langen, Bernd Lucke, Olle Ludvigsson, Gabriel Mato, Bernard Monot, Caroline Nagtegaal, Luděk Niedermayer, Ralph Packet, Sirpa Pietikäinen, Dariusz Rosati, Martin Schirdewan, Molly Scott Cato, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Theodor Dumitru Stolojan, Kay Swinburne, Paul Tang, Ramon Tremosa i Balcells, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Miguel Viegas, Jakob von Weizsäcker

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Matt Carthy, Ashley Fox, Sophia in ‘t Veld, Ramón Jáuregui Atondo, Syed Kamall, Paloma López Bermejo, Thomas Mann, Romana Tomc, Lieve Wierinck, Roberts Zīle

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

48

+

ALDE

Sophia in 't Veld, Wolf Klinz, Caroline Nagtegaal, Ramon Tremosa i Balcells, Lieve Wierinck

ECR

Ashley Fox, Syed Kamall, Bernd Lucke, Ralph Packet, Kay Swinburne, Roberts Zīle

EFDD

Bernard Monot, Marco Valli

ENF

Barbara Kappel

GUE/NGL

Matt Carthy, Paloma López Bermejo, Martin Schirdewan, Miguel Viegas

PPE

Stefan Gehrold, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Danuta Maria Hübner, Othmar Karas, Georgios Kyrtsos, Werner Langen, Thomas Mann, Gabriel Mato, Luděk Niedermayer, Sirpa Pietikäinen, Dariusz Rosati, Theodor Dumitru Stolojan, Romana Tomc, Tom Vandenkendelaere

S&D

Hugues Bayet, Pervenche Berès, Jonás Fernández, Giuseppe Ferrandino, Neena Gill, Roberto Gualtieri, Ramón Jáuregui Atondo, Olle Ludvigsson, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Paul Tang, Jakob von Weizsäcker

VERTS/ALE

Sven Giegold, Philippe Lamberts, Molly Scott Cato

0

-

 

 

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (22.1.2019)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake de tenuitvoerlegging van de wettelijke bepalingen en de gezamenlijke verklaring inzake parlementaire controle op de gedecentraliseerde agentschappen

(2018/2114(INI))

Rapporteur voor advies: Ivo Belet

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de gezamenlijke verklaring en de gemeenschappelijke aanpak juridisch niet-bindend zijn, en overeen zijn gekomen onverminderd de wetgevingsbevoegdheden van de instellingen;

1.  is van oordeel dat de door het Parlement aangewezen vertegenwoordigers een belangrijke rol in de vergaderingen van de raden van bestuur toekomt aangezien zij daarmee de statutaire taak van democratische controle van het Parlement - als vertegenwoordiger van de burgers van de Unie - nader invulling geven en voor transparanter bestuur zorgen; is van oordeel dat in de gezamenlijke verklaring niet moet worden aangegeven hoeveel leden het Parlement kan benoemen; is van oordeel dat het Parlement ook vertegenwoordigers in de raad van bestuur van de EFSA moet benoemen;

2.  merkt op dat de gezamenlijke verklaring en de gemeenschappelijke aanpak een juridisch niet-bindend karakter hebben;

3.  betreurt het dat het Parlement, als de belangrijkste hoeder van de eerbiediging van het beginsel van democratie in de EU, niet volledig betrokken is geweest bij de procedure voor de keuze van de nieuwe zetel van het Europees Geneesmiddelenbureau, die uiteindelijk - ondanks het grote belang van het besluit - gemaakt is middels een loting; wijst erop dat besluiten inzake de vestigingsplaats van de gedecentraliseerde agentschappen genomen moeten worden overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure, waarbij het Parlement en de Raad op voet van gelijkheid optreden als medewetgevers, met volledige inachtneming van de prerogatieven van het Europees Parlement; neemt er kennis van dat, overeenkomstig de verklaring van de Raad in dit verband(1), de gevolgde procedure voor de keuze van de nieuwe zetel van het Europees Geneesmiddelenbureau, een kritiek agentschap, waar verstoringen tot een minimum hadden moeten worden beperkt, specifiek was voor de situatie in kwestie, en is van oordeel dat deze geen precedent mag vormen en in de toekomst niet opnieuw moet worden gevolgd;

4.  verwacht dat de prerogatieven van zowel het Parlement, als de Raad als medewetgevers bij toekomstige besluiten over de vestigingsplaats of de verhuizing van agentschappen volledig in acht worden genomen; is van oordeel dat het Parlement stelselmatig en op transparante wijze, in het kader van het wetgevingsproces en op voet van gelijkheid met de Raad en de Commissie, betrokken moet worden bij de vaststelling en de weging van de criteria voor de selectie van de vestigingsplaats van alle organen en agentschappen van de Unie; wijst erop dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich er in het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" van 13 april 2016(2)toe hebben verplicht loyaal en op transparante wijze samen te werken, en dat het akkoord met nadruk verwijst naar het beginsel van gelijkheid van de twee medewetgevers, zoals verankerd in de Verdragen; onderstreept de waarde van een versterkte uitwisseling van informatie vanaf het vroegste stadium van toekomstige processen voor de keuze van de zetel van agentschappen, omdat dit de drie instellingen beter in staat zal stellen hun rechten en prerogatieven uit te oefenen;

5.  verzoekt de Commissie uiterlijk in april 2019 een grondige analyse van de uitvoering van de gezamenlijke verklaring en de gemeenschappelijke aanpak te verstrekken, in het bijzonder inzake de vestiging van gedecentraliseerde agentschappen en de vergroting van de transparantie bij de governance daarvan, teneinde na de installering van het volgende Parlement met de herziening van die teksten te kunnen starten;

6.  stelt vast dat de gezamenlijke verklaring als een nuttig instrument kan dienen voor het versterken en stroomlijnen van de mechanismen voor het omgaan met belangenconflicten, met name in het geval van agentschappen die met vergoedingen worden gefinancierd; benadrukt dat de agentschappen van de Unie enerzijds alle taken die uit het regelgevingskader voortvloeien volledig en tijdig moeten uitvoeren, maar dat zij zich anderzijds strikt tot hun takenpakket moeten beperken en niet verder mogen gaan dan het door het Parlement en de Raad verleende mandaat;

7.  beklemtoont dat bij begrotings- en personeelsbesluiten ten aanzien van de gedecentraliseerde agentschappen met de specificiteit, de aanvullende taken en de werkdruk van het agentschap in kwestie rekening moet worden gehouden en dat eventuele begrotings- en personeelsverlagingen niet op een "one size fits all"-basis kunnen worden besloten; benadrukt verder dat rekening moet worden gehouden met de nieuwe prioriteiten inzake het klimaat, duurzaamheid en de bescherming van het milieu in het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK), en met de taken die aan specifieke agentschappen worden toegekend met het oog op de tenuitvoerlegging van dat kader, alsook met de behoeften van de agentschappen die met mogelijkerwijs disruptieve gebeurtenissen en processen, zoals een verhuizing, te maken krijgen;

8.  merkt op dat in het geval van de nieuwe zetels van het Europees Geneesmiddelenbureau en de EBA de beginselen van een wenselijke geografische spreiding van de zetels en van het toekennen van prioriteit aan de nieuwe lidstaten als vestigingsplaats, zoals aangegeven in de gezamenlijke verklaring, niet zijn gerespecteerd;

9.  merkt op dat de gezamenlijke verklaring aanbeveelt dat, in het geval de wetgevingsautoriteit besluit de agentschappen aanvullende taken toe te kennen in vergelijking met het oorspronkelijke voorstel van de Commissie, het opnieuw prioriteren van hun activiteiten altijd als een alternatief moet worden beschouwd voor het toekennen van extra middelen(3); is van oordeel dat het opnieuw prioriteren van de activiteiten als bedoeld in het mandaat van het Europees Geneesmiddelenbureau zo veel mogelijk moet worden vermeden, aangezien de voornaamste taak van het Bureau het waarborgen van de volksgezondheid in de EU is.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.1.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

50

4

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Margrete Auken, Pilar Ayuso, Catherine Bearder, Ivo Belet, Simona Bonafè, Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Miriam Dalli, Seb Dance, Mark Demesmaeker, Stefan Eck, Bas Eickhout, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Arne Gericke, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Jytte Guteland, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Benedek Jávor, Kateřina Konečná, Urszula Krupa, Peter Liese, Valentinas Mazuronis, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Rory Palmer, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, John Procter, Frédérique Ries, Daciana Octavia Sârbu, Annie Schreijer-Pierik, Ivica Tolić, Nils Torvalds, Adina-Ioana Vălean, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Nikos Androulakis, Cristian-Silviu Buşoi, Christophe Hansen, Martin Häusling, Anja Hazekamp, Jan Huitema, Tilly Metz, Bart Staes, Tiemo Wölken

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Olle Ludvigsson

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

50

+

ALDE

Catherine Bearder, Jan Huitema, Anneli Jäätteenmäki, Valentinas Mazuronis, Frédérique Ries, Nils Torvalds

EFDD

Sylvie Goddyn

ENF

Jean-François Jalkh

GUE/NGL

Stefan Eck, Anja Hazekamp, Kateřina Konečná

PPE

Pilar Ayuso, Ivo Belet, Cristian-Silviu Buşoi, Birgit Collin-Langen, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Jens Gieseke, Julie Girling, Françoise Grossetête, Christophe Hansen, Peter Liese, Miroslav Mikolášik, Annie Schreijer-Pierik, Ivica Tolić, Adina-Ioana Vălean

S&D

Nikos Androulakis, Simona Bonafè, Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Miriam Dalli, Seb Dance, Jytte Guteland, Olle Ludvigsson, Susanne Melior, Rory Palmer, Pavel Poc, Daciana Octavia Sârbu, Tiemo Wölken, Damiano Zoffoli

VERTS/ALE

Margrete Auken, Bas Eickhout, Martin Häusling, Benedek Jávor, Tilly Metz, Bart Staes

4

-

ECR

Arne Gericke, Urszula Krupa, Bolesław G. Piecha, Jadwiga Wiśniewska

2

0

ECR

Mark Demesmaeker, John Procter

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Verklaring van de Raad bij de wetgevingsresolutie over de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2018 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 726/2004 wat betreft de zetel van het Europees Geneesmiddelenbureau.

(2)

PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(3)

Artikel 43 van de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de EU en de Europese Commissie over gedecentraliseerde agentschappen.


ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (24.1.2019)

aan de Commissie constitutionele zaken

inzake de tenuitvoerlegging van de wettelijke bepalingen en de gezamenlijke verklaring inzake de parlementaire controle op de gedecentraliseerde agentschappen

(2018/2114(INI))

Rapporteur voor advies: Maria Grapini

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst erop dat EU-agentschappen door de medewetgevers worden opgericht voor specifieke taken uit hoofde van het Unierecht, zoals het bijdragen aan de tenuitvoerlegging van EU-beleid of het ondersteunen van de samenwerking tussen de EU en nationale regeringen; is daarom van mening dat agentschappen in de eerste plaats verantwoording moeten afleggen aan het Parlement en de Raad, die ervoor moeten zorgen dat in de wetgevingshandelingen betreffende deze agentschappen adequate controlemechanismen worden opgenomen en dat deze mechanismen vervolgens naar behoren ten uitvoer worden gelegd; wijst erop dat voor de controle van agentschappen op bepaalde beleidsterreinen de nauwe betrokkenheid van nationale parlementen vereist is (zoals bijvoorbeeld plaatsvindt door middel van de gezamenlijke parlementaire controlegroep Europol);

2.  wijst erop dat in de Verdragen, in de oprichtingsverordeningen van de agentschappen, in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in de gezamenlijke verklaring en de gemeenschappelijke aanpak wordt voorzien in mechanismen om de verantwoordingsplicht van de agentschappen te waarborgen;

3.  is van mening dat de gemeenschappelijke aanpak inzake gedecentraliseerde agentschappen, waarin gemeenschappelijke beginselen voor de oprichting en de werking van EU-agentschappen zijn opgenomen, aldus geactualiseerd zou kunnen worden dat rekening gehouden wordt met enerzijds de noodzaak om te voorzien in gemeenschappelijke regels voor EU-agentschappen en anderzijds de verschillen tussen de agentschappen op het gebied van personeelsbestand, begroting en operationele verantwoordelijkheid; is van mening dat alle relevante actoren volledig bij dit proces van actualisering betrokken moeten worden, en dat dit proces met inachtneming van de beginselen van loyale samenwerking en transparantie moet verlopen;

4.  is van mening dat de EU-agentschappen moeten voldoen aan de strengste normen inzake transparantie jegens het publiek, zodat controle op de activiteiten van de agentschappen mogelijk is;

5.  is van oordeel dat de aard van controlemechanismen kan variëren naargelang de daadwerkelijke rol en operationele impact van het agentschap, en dat daarbij ook andere factoren een rol spelen, zoals het mandaat, de begroting en het personeelsbestand van het agentschap, alsmede de politieke gevoeligheid van zijn activiteiten; is van mening dat voor agentschappen met een grotere operationele bevoegdheid, een ruimere begroting en een groter personeelsbestand strengere democratische toezichts- en controlemechanismen moeten gelden, met name wanneer deze agentschappen actief zijn op politiek gevoelige gebieden; dringt er derhalve op aan om bij het stroomlijnen van governance- en verantwoordingsmechanismen rekening te houden met deze factoren;

6.  acht het noodzakelijk de betrekkingen tussen de operationele EU-agentschappen en de lidstaten te blijven verbeteren en zo een bijdrage te leveren aan de efficiëntie en effectiviteit van zowel de werkzaamheden van agentschappen als van het nationaal beleid;

7.  wijst erop dat bij de vaststelling of wijziging van oprichtingsverdragen van de agentschappen de gemeenschappelijke aanpak niet altijd is gevolgd; vindt dat er daarom nagedacht moet worden over een bindend akkoord inzake de oprichting en werking van agentschappen;

8.  is van oordeel dat de huidige regels voor werkbezoeken aan agentschappen (om de twee jaar drie leden, en bezoeken zijn strikt beperkt tot de groene weken en de vestigingsplaats van een agentschap) te star zijn voor het onderhouden van regelmatige politieke contacten tussen het Parlement en een agentschap, terwijl dergelijke contacten nu juist een voorwaarde zijn voor doeltreffende controle door het Parlement; stelt voor om de commissies meer flexibiliteit te geven bij het organiseren van controle- of informatiebezoeken aan agentschappen, met name als het gaat om bezoeken aan locaties waar het agentschap operationele activiteiten verricht; stelt voor om deelname van ten minste één lid van elke fractie aan dergelijke werkbezoeken mogelijk te maken;

9.  pleit voor intensievere samenwerking met de Gezamenlijke Parlementaire Controlegroep van Europol; stelt voor om in voorkomend geval de medevoorzitter of andere in aanmerking komende leden van de controlegroep uit te nodigen om deel te nemen aan de werkbezoeken van het Parlement aan Europol en andere agentschappen;

10.  stelt voor om het Parlement in beginsel het recht te geven om een waarnemer te sturen naar de vergaderingen van de raden van bestuur van operationele agentschappen, omdat het vaak moeilijk blijkt om tijdig voldoende en relevante informatie van de agentschappen te krijgen; benadrukt dat, los van dit voorstel, agentschappen voldoende begrotingsmiddelen en gekwalificeerd personeel moeten hebben om hun mandaat op doeltreffende wijze te kunnen uitvoeren.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.1.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

54

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Asim Ademov, Martina Anderson, Monika Beňová, Malin Björk, Caterina Chinnici, Daniel Dalton, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Frank Engel, Tanja Fajon, Kinga Gál, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Monika Hohlmeier, Sophia in ‘t Veld, Eva Joly, Dietmar Köster, Barbara Kudrycka, Cécile Kashetu Kyenge, Juan Fernando López Aguilar, Monica Macovei, Roberta Metsola, Claude Moraes, Alessandra Mussolini, József Nagy, Judith Sargentini, Giancarlo Scottà, Csaba Sógor, Sergei Stanishev, Helga Stevens, Traian Ungureanu, Bodil Valero, Marie-Christine Vergiat, Cecilia Wikström, Kristina Winberg, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Carlos Coelho, Ignazio Corrao, Pál Csáky, Miriam Dalli, Gérard Deprez, Maria Grapini, Anna Hedh, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Jean Lambert, Gilles Lebreton, Jeroen Lenaers, Innocenzo Leontini, Angelika Mlinar, Emilian Pavel, Barbara Spinelli, Geoffrey Van Orden

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Wajid Khan, Anthea McIntyre, Mylène Troszczynski

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

54

+

ALDE

Gérard Deprez, Nathalie Griesbeck, Sophia in ‘t Veld, Angelika Mlinar, Cecilia Wikström

ECR

Daniel Dalton, Innocenzo Leontini, Anthea McIntyre, Monica Macovei, Helga Stevens, Geoffrey Van Orden, Kristina Winberg

EFDD

Ignazio Corrao

ENF

Gilles Lebreton, Giancarlo Scottà, Mylène Troszczynski

GUE/NGL

Martina Anderson, Malin Björk, Barbara Spinelli, Marie-Christine Vergiat

PPE

Asim Ademov, Carlos Coelho, Pál Csáky, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Frank Engel, Kinga Gál, Monika Hohlmeier, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Barbara Kudrycka, Jeroen Lenaers, Roberta Metsola, Alessandra Mussolini, József Nagy, Csaba Sógor, Traian Ungureanu, Tomáš Zdechovský

S&D

Monika Beňová, Caterina Chinnici, Miriam Dalli, Tanja Fajon, Maria Grapini, Sylvie Guillaume, Anna Hedh, Wajid Khan, Dietmar Köster, Cécile Kashetu Kyenge, Juan Fernando López Aguilar, Claude Moraes, Emilian Pavel, Sergei Stanishev

VERTS/ALE

Eva Joly, Jean Lambert, Judith Sargentini, Bodil Valero

0

-

 

 

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

29.1.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Mercedes Bresso, Elmar Brok, Fabio Massimo Castaldo, Danuta Maria Hübner, Ramón Jáuregui Atondo, Alain Lamassoure, Jo Leinen, Markus Pieper, Paulo Rangel, Helmut Scholz, György Schöpflin, Barbara Spinelli, Claudia Țapardel, Kazimierz Michał Ujazdowski

Bij de eindstemming aanwezig vaste plaatsvervangers

Ashley Fox, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

John Howarth, Verónica Lope Fontagné, Renate Weber


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

21

+

ALDE

Renate Weber

ECR

Ashley Fox

EFDD

Fabio Massimo Castaldo

ENF

Gerolf Annemans

GUE/NGL

Helmut Scholz, Barbara Spinelli

NI

Kazimierz Michał Ujazdowski

PPE

Elmar Brok, Danuta Maria Hübner, Alain Lamassoure, Verónica Lope Fontagné, Markus Pieper, Paulo Rangel, György Schöpflin, Rainer Wieland

S&D

Mercedes Bresso, John Howarth, Ramón Jáuregui Atondo, Sylvia Yvonne Kaufmann, Jo Leinen, Claudia Țapardel

0

-

 

 

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 4 februari 2019Juridische mededeling