Procedure : 2018/2110(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0057/2019

Ingediende teksten :

A8-0057/2019

Debatten :

PV 14/02/2019 - 6
CRE 14/02/2019 - 6

Stemmingen :

PV 14/02/2019 - 10.18
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0132

VERSLAG     
PDF 299kWORD 103k
31.1.2019
PE 630.436v02-00 A8-0057/2019

over de uitvoering van Verordening nr. 1/2005 van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer binnen en buiten de EU

(2018/2110(INI))

Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

Rapporteur: Jørn Dohrmann

Rapporteurs voor advies (*):

Karin Kadenbach, Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Keith Taylor, Commissie vervoer en toerisme

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme
 ADVIES van de Commissie verzoekschriften
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de uitvoering van Verordening nr. 1/2005 van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer binnen en buiten de EU

(2018/2110(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten(1),

–  gezien artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat stelt dat de Unie en haar lidstaten bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Unie ten volle rekening houden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel,

–  gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling van Verordening (EG) nr. 1/2005 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en de bijlagen daarbij, gepubliceerd door de Parlementaire Onderzoeksdienst (DG EPRS)(2) in oktober 2018,

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2012 over de bescherming van dieren tijdens het vervoer(3),

–  gezien het wetenschappelijk advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) van 12 januari 2011 betreffende het welzijn van dieren tijdens het vervoer(4),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 10 november 2011 over de gevolgen van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer (COM(2011)0700),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 februari 2012 over de strategie van de Europese Unie voor de bescherming en het welzijn van dieren 2012-2015 (COM(2012)0006),

–  gezien zijn verklaring nr. 49/2011 van 30 november 2011 over het vaststellen van een maximale reisduur van acht uur voor slachtdieren die binnen de Europese Unie worden vervoerd(5),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van 23 april 2015(6),

–  gezien het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer nr. 31/2018 over dierenwelzijn in de EU(7),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie verzoekschriften (A8-0057/2019),

A.  overwegende dat de EU, overeenkomstig de bepaling van artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dieren niet louter beschouwt als goederen, producten of bezittingen, maar als wezens met gevoel, in de zin dat zij vreugde en pijn kunnen ervaren; overwegende dat deze notie in de EU-wetgeving is omgezet in maatregelen die ervoor moeten zorgen dat dieren worden gehouden en vervoerd onder omstandigheden waarbij zij gevrijwaard blijven van mishandeling, misbruik, pijn en lijden; overwegende dat de EU de plaats is waar het dierenwelzijn het meest wordt geëerbiedigd en beschermd en dat de Unie als voorbeeld dient voor de rest van de wereld;

B.  overwegende dat jaarlijks miljoenen dieren over lange afstanden worden vervoerd tussen lidstaten, binnen lidstaten en naar derde landen voor de kwekerij, het opfokken, de verdere afmesting en de slacht; overwegende dat dieren ook worden vervoerd voor recreatieve doeleinden, voor shows en als gezelschapsdier; overwegende dat EU-burgers zich steeds meer zorgen maken over de naleving van de normen inzake dierenwelzijn, met name bij het vervoer van levende dieren;

C.  overwegende dat dierenwelzijn volgens de definitie van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) van 2008 betekent dat een dier gezond is, genoeg plek heeft, goed wordt gevoerd, zich veilig voelt, vrij is om normale gedragspatronen te vertonen en niet lijdt onder gevoelens als angst, pijn en nood; overwegende dat dit meestal niet het geval is bij het vervoer van levende dieren, met name over lange afstanden;

D.  overwegende dat Verordening (EG) nr. 1/2005 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer van toepassing is op het vervoer van alle levende gewervelde dieren binnen de Unie;

E.  overwegende dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van de correcte tenuitvoerlegging en handhaving van de verordening op nationaal niveau, met inbegrip van officiële inspecties, terwijl de Commissie verantwoordelijk is voor het waarborgen dat de lidstaten de EU-wetgeving naar behoren uitvoeren;

F.  overwegende dat de lidstaten Verordening (EG) nr. 1/2005 niet dwingend of strikt genoeg handhaven binnen de EU en helemaal niet streven naar de handhaving ervan buiten de EU;

G.  overwegende dat het grote aantal inbreuken dat in 2017 door DG SANTE van de Commissie werd vastgesteld in diverse lidstaten, de inleiding vereist van de desbetreffende inbreukprocedures overeenkomstig het Verdrag;

H.  overwegende dat vervoer een stressvolle aangelegenheid is voor dieren, omdat zij hierdoor worden blootgesteld aan een reeks uitdagingen die schadelijk zijn voor hun welzijn; overwegende dat bij de handel met bepaalde derde landen extra dierenleed wordt veroorzaakt door lange trajecten met een lang oponthoud aan de grenzen voor de controle van documenten, voertuigen en de geschiktheid van dieren voor vervoer;

I.  overwegende dat de kwaliteit en de frequentie van de inspecties van de lidstaten van directe invloed zijn op de mate waarin de voorschriften worden nageleefd; overwegende dat uit een analyse van de inspectieverslagen van de lidstaten blijkt dat de lidstaten grote verschillen vertonen wat het aantal inspecties betreft, dat uiteenloopt van nul tot enkele miljoenen per jaar, en wat het inbreukpercentage betreft, dat uiteenloopt van 0 % tot 16,6 %, hetgeen erop wijst dat de lidstaten verschillende benaderingen hanteren voor inspecties, bijvoorbeeld willekeurige inspecties versus op risico gebaseerde strategieën; overwegende dat het door deze verschillende benaderingen ook onmogelijk is om de gegevens van de lidstaten tegen elkaar af te zetten;

J.  overwegende dat opleiding en bijscholing van bestuurders ter bevordering van voorzichtig rijden volgens het soort dieren dat wordt vervoerd, het welzijn van dieren tijdens het vervoer zou verbeteren(8);

K.  overwegende dat adequate behandeling van dieren kan resulteren in het sneller laden en lossen van dieren, minder gewichtsverlies, minder letsels en verwondingen en een betere kwaliteit van het vlees;

L.  overwegende dat uitgebreide studies aantonen dat dierenwelzijn gevolgen heeft voor de vleeskwaliteit;

M.  overwegende dat de kwaliteit van het vakmanschap bij het laden en lossen alsook de zorg tijdens de doorvoer centraal moeten blijven staan om het dierenwelzijn tijdens het vervoer te beschermen;

N.  overwegende dat geschiktheid voor vervoer een belangrijke factor is bij de waarborging van het dierenwelzijn tijdens het vervoer, aangezien gewonde, verzwakte, drachtige, niet-gespeende en zieke dieren tijdens het vervoer een verhoogd welzijnsrisico lopen; overwegende dat er onzekerheid kan bestaan over de geschiktheid voor vervoer en de fase van de dracht;

O.  overwegende dat problemen met betrekking tot de geschiktheid goed zijn voor het hoogste percentage van de inbreuken, gevolgd door problemen met de documenten;

P.  overwegende dat de verantwoordelijke personen vaak niet weten wat zij moeten doen wanneer dieren ongeschikt voor vervoer worden verklaard;

Q.  overwegende dat de verantwoordelijke personen vaak niet weten hoe ver de dracht van een dier gevorderd is;

R.  overwegende dat het bijzonder problematisch is om niet-gespeende kalveren en lammeren te vervoeren;

S.  overwegende dat landbouwers er het meeste belang bij hebben dat hun dieren geschikt voor vervoer zijn en het meeste te verliezen hebben als het vervoer niet voldoet aan de geldende voorschriften;

T.  overwegende dat er vaak tekortkomingen zijn wat de verzorging van dieren met voldoende voedsel en water betreft en wat het naleven betreft van de rusttijd van 24 uur in geval van een stop bij een gecontroleerde controlepost;

U.  overwegende dat de transportvoertuigen vaak overvol zitten; overwegende dat hoge temperaturen en onvoldoende ventilatie in het voertuig een groot probleem vormen;

V.  overwegende dat er in diverse lidstaten recente uitbraken zijn geweest van besmettelijke dierziekten, zoals Afrikaanse varkenspest, vogelgriep en dierziekten die kleine herkauwers en runderen treffen; overwegende dat het vervoer van levende dieren het risico van verspreiding van deze ziekten kan vergroten;

W.  overwegende dat het vervoer van vlees en andere dierlijke producten, alsmede van zaad en embryo's, technisch en administratief eenvoudiger en financieel gunstiger is voor veeboeren dan het vervoer van levende dieren voor de slacht of de kwekerij; overwegende dat de Federatie van dierenartsen in Europa en de Wereldorganisatie voor diergezondheid stellen dat dieren zo dicht mogelijk moeten worden opgefokt bij de locatie waar zij zijn geboren en zo dicht mogelijk bij het productiebedrijf moeten worden geslacht; overwegende dat de beschikbaarheid van slachtfaciliteiten, inclusief mobiele voorzieningen, op of nabij fokkerijen kan helpen om in plattelandsgebieden voor levensonderhoud te zorgen;

X.  overwegende dat het slachten van dieren zo dicht mogelijk bij de plaats waar zij opgefokt zijn, de beste manier is om hun welzijn te garanderen;

Y.  overwegende dat de slachthuizen in de lidstaten ongelijk zijn verdeeld;

Z.  overwegende dat voor sommige lidstaten en toeleveringsketens in de Unie het vervoer van levende dieren voor verdere productie of de slacht van belang is voor het garanderen van de mededinging op de markt;

Aanbevelingen

Uitvoering en handhaving

1.  stelt vast dat elk jaar miljoenen dieren binnen de EU, en van de EU naar derde landen, worden vervoerd om te worden geslacht of voor fokdoeleinden; is van oordeel dat Verordening (EG) nr. 1/2005, mits correct toegepast en gehandhaafd, positief uitwerkt op het welzijn van dieren tijdens het vervoer; is tevreden met het feit dat de Commissie voor deze kwestie richtsnoeren heeft opgesteld, maar betreurt het feit dat deze richtsnoeren en sommige van de door de Commissie geplande acties volgens het speciaal verslag van de Rekenkamer nr. 31/2018, tot vijf jaar vertraging hebben opgelopen; merkt op dat er nog altijd grote problemen met het vervoer bestaan en constateert dat handhaving van de verordening naar verluidt de grootste zorg is van degenen die met de uitvoering ervan belast zijn;

2.  onderstreept dat de Commissie verzoekschriften een zeer groot aantal verzoekschriften over het welzijn van dieren tijdens het vervoer ontvangt, waarin vaak systematische, aanhoudende en ernstige schendingen van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad door lidstaten en vervoerders aan de kaak worden gesteld;

3.  betreurt het feit dat de lidstaten onvoldoende vooruitgang hebben geboekt bij de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1/2005 om de hoofddoelstelling van de verordening – verbetering van het dierenwelzijn tijdens het vervoer – te verwezenlijken, met name ten aanzien van de controle van de vervoersjournaals en de oplegging van sancties; dringt er bij de lidstaten op aan de naleving van Verordening (EG) nr. 1/2005 aanzienlijk te verbeteren; dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor een doeltreffende en uniforme handhaving van de bestaande EU-wetgeving inzake het vervoer van dieren in alle lidstaten; dringt er bij de Commissie op aan juridische stappen te ondernemen tegen en sancties op te leggen aan lidstaten die de verordening niet correct toepassen;

4.  benadrukt dat een gedeeltelijke tenuitvoerlegging ontoereikend is voor de verwezenlijking van de overkoepelende doelstelling van de verordening om dieren tijdens het vervoer geen letsel of onnodig lijden te berokkenen en ze niet te laten omkomen, en dat er daarom meer inspanningen moeten worden geleverd om ernstige feiten met een grote nadelige impact op het dierenwelzijn te voorkomen en personen die hiervoor verantwoordelijk zijn, te vervolgen;

5.  betreurt het feit dat een aantal kwesties in verband met Verordening (EG) nr. 1/2005 nog moeten worden opgelost, waaronder: overvolle voertuigen; onvoldoende vrije ruimte boven de dieren; het niet inlassen van de vereiste onderbrekingen voor rust, voer en water; ontoereikende ventilatie- en drenkvoorzieningen; vervoer bij extreme hitte; vervoer van ongeschikte dieren, vervoer van niet-gespeende kalveren; het feit dat de stand van de zwangerschap van levende dieren moet worden vastgesteld; de mate waarin de vervoersjournaals worden gecontroleerd; de verhouding tussen inbreuk/handhaving/sanctie; het gemengde effect van opleiding, bijscholing en certificering; en ontoereikend strooisel, zoals ook vastgesteld door de Rekenkamer in haar speciaal verslag nr. 31/2018 en door ngo's in bij de Commissie ingediende klachten; dringt aan op verbeteringen op bovengenoemde gebieden;

6.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat reizen van vertrek tot aankomst overeenkomstig de EU‑voorschriften voor dierenwelzijn worden gepland en uitgevoerd en dat daarbij rekening wordt gehouden met de verschillende vervoermiddelen en de uiteenlopende geografische omstandigheden in de EU en in derde landen;

7.  benadrukt dat de stelselmatige niet-naleving van de verordening op bepaalde gebieden en in sommige lidstaten leidt tot oneerlijke concurrentie, hetgeen leidt tot een ongelijk speelveld tussen de exploitanten in de verschillende lidstaten, hetgeen op zijn beurt kan leiden tot een neerwaartse spiraal met betrekking tot de normen inzake dierenwelzijn bij het vervoer; aangezien het niveau van sancties in sommige lidstaten tien keer hoger ligt dan in andere, verzoekt de Commissie een geharmoniseerd EU-sanctiesysteem te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de sancties doeltreffend en evenredig zijn en een ontradend effect hebben, rekening houdend met herhaaldelijke inbreuken; verzoekt de Commissie een draaiboek te ontwikkelen voor het gelijktrekken van de sancties in alle lidstaten;

8.  betreurt het feit dat de Commissie de resolutie van het Parlement van 12 december 2012 genegeerd heeft en benadrukt dat een krachtige en geharmoniseerde handhaving met doeltreffende, evenredige en ontradende sancties overeenkomstig artikel 25 van de verordening cruciaal is om het dierenwelzijn tijdens het vervoer te verbeteren en dat de lidstaten zich er niet toe kunnen beperken om louter aanbevelingen te formuleren en instructies te geven; roept de Commissie op om gehoor te geven aan de in die resolutie vervatte oproep om de verordening te controleren op onverenigbaarheden met de wettelijke voorschriften in afzonderlijke lidstaten;

9.  is van mening dat herhaalde inbreuken, wanneer zij zich voordoen in omstandigheden waarover de vervoerder controle had, moeten leiden tot vervolging; verzoekt de lidstaten inbreuken op de verordening te vervolgen, met name wat herhaalde inbreuken betreft; is van mening dat effectieve, evenredige en ontradende sancties de inbeslagname moeten omvatten van voertuigen en verplichte omscholing van degenen die verantwoordelijk zijn voor het welzijn en het vervoer van dieren, en dat dit in de gehele Europese Unie moet worden geharmoniseerd; is van mening dat de sancties de schade, omvang, duur en herhaling van de inbreuk moeten weerspiegelen;

10.  verzoekt de lidstaten op doeltreffender wijze gebruik te maken van de krachtige handhavingsbevoegdheden waarover zij krachtens de verordening beschikken, met inbegrip van de bevoegdheid om vervoerders te verplichten systemen tot stand te brengen om een herhaling van inbreuken te voorkomen en de bevoegdheid om een vergunning van een vervoerder te schorsen of in te trekken; verzoekt de lidstaten voor toereikende corrigerende maatregelen te zorgen en sancties in te voeren om dierenleed te voorkomen en voortdurende niet-naleving door marktdeelnemers af te schrikken; verzoekt de lidstaten en de Commissie bij de tenuitvoerlegging en handhaving van de verordening te streven naar een naleving van 100 %;

11.  verzoekt de Commissie om, na raadpleging van de nationale contactpunten, een lijst op te stellen van de marktdeelnemers die herhaalde en ernstige inbreuken op de verordening hebben gepleegd, op basis van de inspectie- en de uitvoeringsverslagen; verzoekt de Commissie regelmatig bijwerkingen van deze lijst te publiceren en ook voorbeelden van beste praktijken te bevorderen zowel inzake vervoer als inzake bestuur;

12.  benadrukt het feit dat niet-naleving van de verordening door de lidstaten een bedreiging vormt van de doelstelling ervan om het ontstaan en de verspreiding van besmettelijke dierziekten te voorkomen, aangezien vervoer een van de oorzaken is van de snelle verspreiding van deze ziekten, met inbegrip van ziekten die kunnen worden overgedragen op de mens; merkt op dat voertuigen vaak niet voldoen aan de vereisten van artikel 12 van de gewijzigde Richtlijn 64/432/EEG; is met name van mening dat verkeerde afvalopslag een risico inhoudt voor de verspreiding van antimicrobiële resistentie en ziekte; verzoekt de Commissie geharmoniseerde procedures te ontwikkelen voor het verlenen van toelating voor schepen en vrachtwagens en maatregelen te nemen ter voorkoming van de verspreiding van besmettelijke dierziekten door middel van vervoer, zowel binnen de EU als vanuit derde landen, door het bevorderen van bioveiligheidsmaatregelen en meer dierenwelzijn;

13.  roept op tot meer samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten om de handhaving te versterken door gebruikmaking van technologie voor het creëren van een terugkoppeling in real time tussen de lidstaat van het vertrekpunt, de lidstaat van het punt van aankomst en de eventuele doorvoerlanden; verzoekt de Commissie geolocatiesystemen te ontwikkelen ter controle van de locatie van de dieren en de duur van de verplaatsing in voertuigen, alsmede om eventuele niet-naleving van de transporttijden te kunnen vaststellen; is van mening dat, wanneer dieren die in goede gezondheidstoestand zijn vertrokken, in slechte toestand aankomen, dit moet leiden tot een volledig onderzoek en dat in geval van herhaling de verantwoordelijke partijen in de vervoersketen onmiddellijk moeten worden bestraft overeenkomstig de wet en de landbouwer aan wie de dieren toebehoren, recht moet hebben op schadeloosstelling overeenkomstig het nationale recht voor de eventuele hieruit resulterende inkomstenderving; is voorts van mening dat de bevoegde autoriteiten strenge sancties moeten opleggen aan de organisator en de certificerende functionaris van een vervoersjournaal dat gecreëerd is in de lidstaat van vertrek, als het journaal fout of op misleidende wijze is ingevuld;

14.  is van mening dat handhaving in het bijzonder moeilijk is wanneer het reistraject door diverse lidstaten loopt en wanneer de diverse handhavingstaken (goedkeuren van het vervoersjournaal, verlenen van een vergunning aan de vervoerder, getuigschrift van vakbekwaamheid en certificaat van goedkeuring van het vervoermiddel enz.) worden verricht door meer lidstaten; verzoekt de lidstaten die inbreuken vaststellen, alle andere betrokken lidstaten hiervan op de hoogte te stellen, zoals bepaald in artikel 26 van Verordening (EG) nr. 1/2005, om een herhaling van de inbreuken te voorkomen en een geoptimaliseerde risicobeoordeling mogelijk te maken;

15.  verzoekt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de tenuitvoerlegging en de handhaving van de verordening, inclusief een uitsplitsing van de inbreuken per lidstaat, per diersoort en per type inbreuk, in verhouding tot het vervoersvolume van levende dieren per lidstaat;

16.  is ingenomen met de gevallen waarin overheden, wetenschappers, bedrijven, vertegenwoordigers van de bedrijfstak en nationale bevoegde autoriteiten de handen ineen hebben geslagen om beste praktijken te definiëren teneinde te zorgen voor naleving van de wettelijke voorschriften, bijvoorbeeld de website van het Animal Transport Guides-project (richtsnoeren voor het vervoer van dieren); verzoekt de Commissie beste praktijken voor de lidstaten te verspreiden en te bevorderen met betrekking tot het vervoer van vee, en het EU-platform voor dierenwelzijn te ondersteunen, door het bevorderen van een intensievere dialoog en de uitwisseling van goede praktijken tussen alle actoren; verzoekt de Commissie een nieuwe dierenwelzijnsstrategie voor de periode 2020-2024 te ontwikkelen en innovatie in dierenvervoer te ondersteunen;

17.  verzoekt de Commissie te blijven samenwerken met de OIE, de EFSA en de lidstaten om de uitvoering en behoorlijke handhaving van Verordening (EG) nr. 1/2005 te ondersteunen, teneinde aan te zetten tot een intensievere dialoog over kwesties in verband met dierenwelzijn tijdens het vervoer, met bijzondere aandacht voor:

  een betere toepassing van de EU-regels inzake dierenwelzijn tijdens het vervoer, door de uitwisseling van informatie en beste praktijken en de rechtstreekse betrokkenheid van belanghebbende partijen;

  ondersteuning van opleidingsactiviteiten die gericht zijn op bestuurders en vervoersondernemingen;

  een betere verspreiding van de richtsnoeren voor het vervoer van dieren en de factsheets inzake dierenvervoer, met vertaling in alle talen van de EU;

  de ontwikkeling van vrijwillige verbintenissen van ondernemingen om het dierenwelzijn tijdens het vervoer verder te verbeteren, en acties op dit gebied;

  intensievere uitwisseling van informatie en een beter gebruik van beste praktijken tussen de nationale autoriteiten om het aantal inbreuken door vervoersondernemingen en bestuurders terug te dringen;

18.  verzoekt de Commissie de verenigbaarheid te beoordelen van de verordening met Verordening (EG) nr. 561/2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer(9), wat de rij- en rusttijden voor chauffeurs betreft;

19.  herinnert eraan dat de Commissie in haar rol van hoedster van de verdragen verantwoordelijk is voor het toezicht op de correcte toepassing van EU-wetgeving; verzoekt de Europese Ombudsman te onderzoeken of de Commissie consequent heeft nagelaten de naleving van de huidige verordening te waarborgen en of zij daarom kan worden aangeklaagd voor wanbeheer;

Gegevensverzameling, inspectie en monitoring

20.  betreurt de moeilijkheid van het uitvoeren van een coherente analyse van de tenuitvoerlegging van de verordening als gevolg van de uiteenlopende wijzen waarop de lidstaten gegevens verzamelen; verzoekt de Commissie gemeenschappelijke minimumnormen vast te stellen voor traceringssystemen met betrekking tot alle trajecten, met het oog op een meer geharmoniseerde gegevensverzameling en beoordeling van de gecontroleerde parameters; verzoekt de lidstaten meer inspanningen te leveren om de Commissie te voorzien van geharmoniseerde, uitgebreide en volledige gegevens over vervoersinspecties en inbreukpercentages; verzoekt de lidstaten meer onaangekondigde controles uit te voeren en een op risico gebaseerde strategie te ontwikkelen en toe te passen om met hun inspectieactiviteiten te focussen op risicovolle transporten, teneinde de beperkte inspectiemiddelen zo efficiënt mogelijk in te zetten;

21.  merkt op dat de Commissie volgens het speciaal verslag van de Rekenkamer over dierenwelzijn in de EU van 2018 heeft erkend dat de door de lidstaten gerapporteerde gegevens niet volledig, consistent, betrouwbaar of gedetailleerd genoeg zijn om conclusies te trekken over de naleving op EU-niveau;

22.  benadrukt dat de inspecties moeten worden uitgevoerd op uniforme wijze in de hele Unie en betrekking moeten hebben op een behoorlijk percentage van de dieren die jaarlijks binnen elke lidstaat worden vervoerd, om de goede werking van de interne markt te waarborgen en te handhaven en concurrentieverstoring binnen de EU te voorkomen; verzoekt de Commissie bovendien om een verhoging van het aantal onaangekondigde inspecties op het terrein door het Voedsel- en Veterinair Bureau (VVO) die gericht zijn op dierenwelzijn en het vervoer van dieren; is van mening dat de verschillende controle-instrumenten en methoden om gegevens te verzamelen het moeilijk maken om een juist beeld te krijgen van de naleving in de afzonderlijke lidstaten; vraagt de Commissie daarom een meer geharmoniseerde rapporteringsstructuur vast te stellen en verdere analyses te verrichten van de gegevens uit de VVB-inspectierapporten en uit door lidstaten teruggestuurde vragenlijsten over hun geïntegreerde meerjarige nationale controleplannen; erkent dat de audits van DG SANTE fungeren als een belangrijke informatiebron voor de Commissie om de tenuitvoerlegging van de huidige verordening te beoordelen; verzoekt de Commissie jaarlijks minstens zeven onaangekondigde bezoeken af te leggen, overeenkomstig de aanbeveling van de Rekenkamer;

23.  verzoekt de Commissie de lidstaten richtsnoeren te bieden voor de wijze waarop het geïntegreerd veterinair computersysteem (Traces) kan worden ingezet ter ondersteuning van de opstelling van risicoanalyses voor inspecties met betrekking tot het vervoer van levende dieren, zoals aanbevolen door de Rekenkamer in haar speciaal verslag van 2018, waarin wordt opgemerkt dat de autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor vervoersinspecties, zelden informatie uit Traces gebruiken om inspecties doelgericht in te zetten; vraagt een efficiënter en transparanter monitoringsysteem, met inbegrip van openbare toegang tot de informatie die wordt verzameld via Traces; dringt voorts aan op een verhoging van het aantal jaarlijkse inspecties door het VVB;

24.  verzoekt de lidstaten de controles in de gehele productieketen aan te scherpen en met name partijen dieren systematisch en op doeltreffende wijze te inspecteren vóór het laden, om praktijken die in strijd zijn met de bepalingen van de verordening en die de omstandigheden waaronder dieren over land of over zee worden vervoerd, verslechteren, een halt toe te roepen, bijvoorbeeld toestaan dat overvolle voertuigen of ongeschikte dieren hun lange reis voortzetten of dat voort gebruik wordt gemaakt van controleposten met ontoereikende rust-, voeder- en drenkvoorzieningen voor vervoerde dieren;

25.  is bezorgd over het geringe aantal inspecties in sommige lidstaten en over het feit dat het aantal gerapporteerde inbreuken laag ligt of nul bedraagt; twijfelt aan de nauwgezetheid van de inspectiesystemen en rapportage; roept de lidstaten die momenteel weinig of geen inspecties uitvoeren, ertoe op voldoende controles uit te voeren en bij de Commissie volledige inspectieverslagen in te dienen;

26.  verzoekt de lidstaten ook inspecties uit te voeren van intra-Europese transporten op het moment dat de dieren in voertuigen worden geladen, om te controleren of de vereisten van Verordening (EG) nr. 1/2005 worden nageleefd;

27.  is het met de Commissie eens dat het aanbeveling verdient dat de bevoegde autoriteiten alle transporten naar niet-EU-landen bij het laden inspecteren(10); is van mening dat ook inspecties bij het laden moeten worden uitgevoerd van een percentage transporten binnen de EU, in verhouding met het aantal door ngo's en in VVB-inspecties gemelde schendingen; is van mening dat de bevoegde autoriteiten bij het laden moeten controleren of de bepalingen van de verordening betreffende vloeroppervlakte en vrije ruimte boven de dieren worden nageleefd, dat de ventilatie- en watersystemen goed werken, dat de drinkautomaten goed werken en geschikt zijn voor de vervoerde diersoort, dat er geen ongeschikte dieren worden geladen, en dat er voldoende voeder en strooisel worden meegenomen;

28.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat een toereikend aantal toegankelijke, schone, werkende en op de behoeften van elke soort afgestemde drinkautomaten beschikbaar is, dat de watertank gevuld is en dat er voldoende vers strooisel aanwezig is;

29.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten controleren of de vervoersjournaals realistische gegevens bevatten en zo in overeenstemming zijn met artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2005;

30.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de vrachtwagens voldoen aan de vereisten inzake minimumruimte in hoofdstuk VII van bijlage I bij de verordening en dat de dieren bij hoge temperaturen een overeenkomstige hoeveelheid extra ruimte ter beschikking hebben;

31.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de interne hoogte van voertuigen voldoet aan de minimumnormen voldoet en dat er geen gaten zitten tussen de vloer of de voertuigwand en en de tussenschotten;

32.  erkent het feit dat op het gebied van dierenvervoer in de EU vooruitgang is geboekt, maar is bezorgd over het aantal meldingen van ongeschikte voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van levende dieren, zowel over land als over zee, en roept ertoe op de controles en sancties op deze praktijken op te voeren; merkt op dat de voorschriften in de artikelen 20 en 21 van de verordening met betrekking tot transporten door middel van veeschepen vaak niet worden nageleefd; verzoekt de lidstaten het gebruik van voertuigen en veeschepen die niet aan de bepalingen van de verordening voldoen, niet toe te staan en reeds afgegeven vergunningen in geval van niet-naleving in te trekken; dringt er bij de lidstaten op aan strenger te zijn zowel bij de certificerings- en goedkeuringsprocedures van voertuigen als bij het verlenen van getuigschriften van vakbekwaamheid aan bestuurders;

33.  dringt daarom aan op geharmoniseerde en bindende normen voor het verlenen van vergunningen voor voertuigen en vaartuigen als vervoermiddel voor vee, die moeten worden afgegeven door een centrale autoriteit van de EU; is van mening dat deze instantie verantwoordelijk moet zijn voor het bepalen van de geschiktheid van het vervoermiddel voor het vervoer van dieren met betrekking tot de toestand van het voertuig en de aard van de uitrusting ervan (bijvoorbeeld de aanwezigheid aan boord van een geschikt satellietnavigatiesysteem);

34.  verzoekt de exploitanten te voorzien in de grondige opleiding van bestuurders en begeleiders, overeenkomstig bijlage IV bij de verordening, om de correcte behandeling van dieren te waarborgen;

35.  erkent dat sommige lidstaten beschikken over schepen en havens die voldoen aan de vereiste normen, maar wijst erop dat niettemin tijdens het vervoer over zee slechte omstandigheden heersen, met name wat laden en lossen betreft; dringt er bij de lidstaten op aan strenger te zijn in hun certificerings- en goedkeuringsprocedures voor vaartuigen, hun vóór het laden uitgevoerde controles van veeschepen en van de diergezondheid te verbeteren en de laadverrichtingen behoorlijk te inspecteren, overeenkomstig de verordening; verzoekt de lidstaten de Commissie gedetailleerde plannen van hun inspectievoorzieningen te verstrekken; verzoekt de Commissie een lijst op te stellen, bij te werken en te verspreiden van havens met toereikende voorzieningen voor diereninspectie; verzoekt de bevoegde autoriteiten bovendien om vervoersjournaals waarin het gebruik gepland staat van havens zonder deze voorzieningen, niet goed te keuren; verzoekt de lidstaten hun havens aan te passen en een behoorlijk onderhoud van hun schepen te garanderen, om de omstandigheden inzake dierenwelzijn in het dierenvervoer over zee te verbeteren;

36.  verzoekt de Commissie innovatieve alternatieven voor uitvoercontroles goed te keuren overeenkomstig artikel 133, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429(11), zoals platforminspecties, die een verbetering opleveren op het gebied van dierenwelzijn als gevolg van een lagere bezettingsdichtheid en het feit dat de dieren niet hoeven te worden gelost, zodat de wachttijden worden ingekort;

37.  merkt op dat het vereiste van diergezondheidscertificaten voor vervoer tussen de lidstaten een negatieve prikkel geeft om binnenlandse bestemmingen te verkiezen boven de dichtstbijzijnde bestemming; roept de Commissie op gebruik te maken van haar bevoegdheden als vermeld in artikel 144, lid 1, van Verordening 2016/429 om gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen voor verplaatsingen die een laag risico voor de verspreiding van ziekten inhouden;

Reistijden

38.  benadrukt dat de reistijd voor alle vervoerde dieren niet langer mag zijn dan nodig, rekening houdend met de geografische verschillen op het niveau van de lidstaten en overeenkomstig overweging 5 van de verordening, waar wordt bepaald dat "[m]et het oog op het dierenwelzijn [...] het langdurig vervoeren van dieren [...] zoveel mogelijk beperkt [moet] worden" en overweging 18 van de verordening, waar wordt bepaald: "langdurige transporten zijn waarschijnlijk schadelijker voor het welzijn van de dieren dan korte transporten";

39.  benadrukt dat bij de transporttijd van dieren, inclusief laad- en lostijden, rekening moet worden gehouden met het soortspecifieke veterinaire advies, ongeacht of het transport plaatsvindt over land, over zee of via de lucht;

40.  betreurt de inbreuken op de verordening die betrekking hebben op de verkeerde toepassing of niet-toepassing van de specifieke voorschriften voor niet-gespeende dieren, zoals kalveren, lammeren, jonge geiten, veulens en biggen, die nog melkvoeding krijgen, en pleit voor de invoering van meer gedetailleerde maatregelen om te garanderen dat het welzijn van deze dieren tijdens hun vervoer volledig beschermd is;

41.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat niet-gespeende dieren ten minste gedurende een uur worden gelost zodat zij kunnen worden verzorgd met elektrolyten of een substituut voor melk en dat deze dieren niet worden vervoerd gedurende meer dan acht uur in totaal;

42.  wijst erop dat in de documenten voor de vervoersplanning vaak alleen plaatsnamen worden vermeld en dat zij geen precieze adressen van de inspectie-, verzorgings- en verzamelcentra bevatten, hetgeen controles duidelijk bemoeilijkt;

43.  vraagt, onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 december 2012, dat de reistijden voor dieren zo kort mogelijk worden gehouden en met name dat lange en zeer lange reistijden en verplaatsingen buiten de EU worden vermeden, door gebruik te maken van alternatieve strategieën, zoals het garanderen van rendabele en eerlijk verspreide lokale of mobiele slachterijen in de nabijheid van veebedrijven, de bevordering van korte afzetkanalen en rechtstreekse verkoop, vervanging van het vervoer van fokdieren door gebruikmaking van zaad of embryo's en het vervoer van karkassen en vleesproducten, alsmede regelgevings- of niet-regelgevingsinitiatieven in de lidstaten om de slacht op landbouwbedrijven te bevorderen; verzoekt de Commissie indien nodig op duidelijke wijze specifieke kortere reistijden vast te stellen voor het vervoer van alle soorten levende dieren en ook voor het vervoer van niet-gespeende dieren;

44.  merkt op dat een diversiteit aan voorschriften, alsmede veranderende marktomstandigheden en beleidsbeslissingen, ervoor hebben gezorgd dat kleine slachthuizen economisch niet levensvatbaar zijn, waardoor hun aantal globaal is afgenomen; dringt er bij de Commissie en de lokale autoriteiten in de lidstaten op aan waar nodig de opties van slacht op het bedrijf, rendabele lokale of mobiele slacht en vleesverwerkingsvoorzieningen binnen de lidstaten te ondersteunen en te bevorderen, zodat de dieren worden geslacht zo dicht mogelijk bij de plaats waar zij zijn gefokt, hetgeen ook helpt voor het behoud van werkgelegenheid in plattelandsgebieden; roept de Raad en de Commissie op een strategie te ontwikkelen om over te schakelen op een regionaler model van veeteelt, waarin dieren, wanneer dit praktisch haalbaar is, geboren, vetgemest en geslacht worden in dezelfde regio, rekening houdend met de geografische verschillen, in plaats van over buitengewoon lange afstanden te worden vervoerd;

45.  dringt er bij de Commissie op aan te onderzoeken hoe landbouwers, slachthuizen en de vleesverwerkingssector gestimuleerd kunnen worden om dieren in de dichtstbij gelegen voorziening te laten slachten, teneinde lange vervoerstijden voor dieren te voorkomen en de emissies terug te dringen; verzoekt de Commissie in dit verband de weg vrij te maken voor innovatieve oplossingen, zoals mobiele slacht, met inachtneming van hoge normen inzake dierenwelzijn;

46.  is van mening dat in bepaalde gevallen een beperking van de toegestane reistijden, zoals momenteel vastgesteld in hoofdstuk V van bijlage 1 bij de verordening, niet haalbaar is en dat daarom oplossingen moeten worden gevonden voor gevallen waar de geografische omstandigheden en het rurale isolement het vervoer van levende dieren over land en/of zee vereisen voor verdere productie of voor de slacht;

47.  verzoekt de lidstaten zo nodig noodslachtingen direct in de fok- en mestbedrijven toe te staan, wanneer wordt vastgesteld dat een dier niet geschikt is voor vervoer en de eerstehulpmaatregelen ondoeltreffend blijken, om onnodig dierenleed te voorkomen;

48.  merkt op dat de maatschappelijke en economische waarde van een dier van invloed kan zijn op de normen voor zijn transport; benadrukt dat de transportnormen voor fokdieren in de paardenindustrie van hoge kwaliteit zijn;

49.  verzoekt de Commissie een strategie te ontwikkelen om een omschakeling te garanderen van het vervoer van levende dieren naar een handel met voornamelijk vlees en karkassen en fokmateriaal, gezien de effecten van het vervoer van levende dieren op het milieu, het dierenwelzijn en de gezondheid; is van mening dat elke strategie op dit gebied de economische factoren moet aanpakken die van invloed zijn op de beslissing om levende dieren te vervoeren; verzoekt de Commissie het vervoer naar derde landen in deze strategie op te nemen;

50.  roept de lidstaten op om programma's voor de religieuze slachting van dieren in slachthuizen beschikbaar te stellen, aangezien een groot deel van de uitvoer van levende dieren naar markten in het Midden-Oosten gaat;

51.  ziet in dat de markt momenteel wordt verstoord door de verschillen in de geldende tarieven voor levende dieren en voor vlees, waardoor de handel in levende dieren een sterke impuls krijgt; dringt er bij de Commissie en haar handelspartners op aan deze verstoring te evalueren met het oog op een beperking van de handel in levende dieren en deze, waar nodig, te vervangen door handel in vlees;

52.  herinnert eraan dat op grond van de huidige verordening een rustpauze op een goedgekeurde controlepost reeds verplicht is na de maximumduur van het vervoer van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens, als de vervoerstijd meer dan acht uur bedraagt;

Dierenwelzijn

53.  verzoekt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te garanderen dat officiële dierenartsen aanwezig zijn op plaatsen van uitgang uit de Unie, om te verifiëren of de dieren fit goed zijn om hun reis voort te zetten en of de voertuigen en/of schepen voldoen aan de vereisten van de verordening; merkt met name op dat in artikel 21 van de verordening wordt gespecificeerd dat dierenartsen de vervoersmiddelen controleren voordat zij de EU verlaten, om er zeker van te zijn dat zij niet overvol zijn, voldoende vrije ruimte boven de dieren bieden, voorzien zijn van strooisel, voldoende voeder en water bij zich hebben en dat hun ventilatiesystemen en watervoorzieningen goed werken;

54.  moedigt het gebruik aan van noodplannen voor alle verplaatsingen, inclusief bijvoorbeeld vervangende vrachtwagens en noodcentra, zodat de vervoerder doeltreffend kan reageren op noodgevallen en om de effecten van een vertraging of ongeval op de naar een fok- of slachtbestemming vervoerde dieren te beperken, zoals krachtens de verordening reeds verplicht is voor vervoerders op lange trajecten;

55.  meent dat de dierenwelzijnswetgeving gebaseerd moet zijn op wetenschap en de nieuwste technologie; betreurt het feit dat de Commissie ondanks de heldere aanbevelingen van de EFSA en het verzoek van het Parlement in zijn resolutie uit 2012 heeft verzuimd de regels inzake dierenvervoer bij te werken op basis van de recentste wetenschappelijke inzichten; verzoekt de Commissie daarom de regels bij te werken, om rekening te houden met specifieke behoeften, op basis van de recentste wetenschappelijke kennis en technologie, met name ten aanzien van factoren als voldoende ventilatie en temperatuur- en vochtigheidscontrole door middel van airconditioning in alle voertuigen, geschikte drinksystemen en vloeibaar voer, met name voor niet-gespeende dieren, een verminderde bezettingsdichtheid en een gespecificeerde toereikende minimumruimte boven de dieren, alsmede aanpassing van de voertuigen aan de behoeften van elke soort; wijst op de conclusie in het advies van de EFSA dat het welzijn van dieren ook afhangt van andere factoren dan de reisduur, zoals behoorlijk laden en lossen en het ontwerp van het voertuig;

56.  spreekt zijn bezorgdheid uit over transporten waarbij de dieren worden gedrenkt met verontreinigd water dat niet geschikt is voor consumptie of waarbij de dieren geen toegang tot water hebben doordat de drenkvoorzieningen slecht werken of verkeerd zijn geplaatst; beklemtoont het feit dat ervoor moet worden gezorgd dat voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van levende dieren, tijdens het transport voldoende water aan boord hebben en dat de verstrekte hoeveelheid in elk geval afgestemd moet zijn op de specifieke behoeften van de soort en het aantal dieren dat wordt vervoerd;

57.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om dierenwelzijnsindicatoren te ontwikkelen die betere welzijnsresultaten voor dieren in het vervoer moeten bevorderen; is van mening dat zij deze indicatoren onverwijld moet ontwikkelen, zodat zij kunnen worden gebruikt als aanvulling op de huidige wettelijke voorschriften;

58.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat toekomstige herzieningen van de wetgeving inzake het welzijn van dieren tijdens het vervoer gebaseerd zijn op objectieve en wetenschappelijk onderbouwde indicatoren, om te voorkomen dat willekeurige besluiten ongerechtvaardigde economische repercussies hebben voor de veeteeltsector.

59.  benadrukt het feit dat landbouwers op grond van de EU-wetgeving de wettelijke verantwoordelijkheid hebben ervoor te zorgen dat vervoerde dieren die hun eigendom zijn, geen letsel, schade of onnodig lijden worden aangedaan;

60.  beklemtoont dat de inbreuken vaak te wijten zijn aan het onaangepaste karakter van de ventilatiesystemen in de voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van levende dieren over de weg over lange afstanden en dat de dieren hierbij in kleine ruimten met extreme temperaturen worden gedwongen, die de in de verordening vastgestelde temperatuurvariatie en tolerantiegrenzen ver te buiten gaan;

61.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat in alle lidstaten zonder uitzondering wordt verdoofd vóór religieuze rituele slachtingen;

62.  betreurt het feit dat dierencompartimenten niet altijd voldoende ruimte bieden om toereikende ventilatie in voertuigen mogelijk te maken en dat de dieren in hun natuurlijke bewegingen worden gehinderd, waardoor zij vaak gedwongen worden om gedurende lange tijd onnatuurlijke houdingen aan te nemen, hetgeen duidelijk indruist tegen de technische specificaties in artikel 6 van en in hoofdstuk II, punt 1.2, van bijlage I bij de verordening;

63.  is van oordeel dat de aanwezigheid van dierenartsen aan boord van schepen die gebruikt worden voor het vervoer van levende dieren, verplicht moet worden gesteld, dat moet worden bijgehouden hoeveel dieren onderweg sterven en dat hierover moet worden gerapporteerd, en dat noodplannen moeten worden opgesteld voor situaties op zee die een negatieve invloed kunnen hebben op het welzijn van de vervoerde dieren;

64.  merkt op dat de landbouwers, vervoerders en bevoegde autoriteiten in de lidstaten Verordening (EG) nr. 1/2005 op uiteenlopende wijze interpreteren en ten uitvoer leggen, met name wat de geschiktheid van de dieren voor vervoer betreft; verzoekt de Commissie de verordening te herzien om de eisen inzake vervoer waar nodig nader te bepalen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om er met het oog op een gelijk speelveld voor te zorgen dat de verordening voortaan in de hele Unie op geharmoniseerde en uniforme wijze wordt gehandhaafd en uitgevoerd, met name wat de geschiktheid van dieren voor vervoer betreft;

65.  verzoekt de Commissie een uitgewerkte praktische definitie op te stellen van de geschiktheid van dieren voor vervoer en praktische richtsnoeren te ontwerpen voor de beoordeling hiervan; verzoekt de lidstaten bewustmakings- en voorlichtingsactiviteiten te organiseren, met inbegrip van degelijke, regelmatige en verplichte opleidingscursussen en bijscholing en certificering voor bestuurders, vervoerders, handelaren, verzamelcentra, slachthuizen, dierenartsen, grensagenten en elke andere speler die betrokken is bij het vervoer van dieren, om het hoge aantal geschiktheidsovertredingen te verminderen; verzoekt de exploitanten een grondige opleiding van bestuurders en begeleiders te garanderen, overeenkomstig bijlage IV bij de verordening;

66.  roept op tot een strikt toezicht om te voorkomen dat zieke of zwakke dieren, dieren met ondergewicht, zogende of drachtige dieren of vrouwtjes die nog niet voldoende lang hebben gespeend, worden vervoerd;

67.  benadrukt het feit dat het op grond van Verordening (EG) Nr. 1/2005 reeds verplicht is om dieren die worden vervoerd over lange afstanden, met passende tussenpozen te voorzien van water, voer en rustpauzen, op een manier die aangepast is aan de soort en de leeftijd; dringt er bij de Commissie op aan een effectievere monitoring uit te voeren om te garanderen dat alle lidstaten volledig en op geharmoniseerde wijze voldoen aan deze wettelijke vereisten;

68.  benadrukt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat dierenvervoer op een deugdelijke manier wordt georganiseerd en dat rekening wordt gehouden met de weersomstandigheden en het soort vervoer; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de vervoersjournaals en de vervoersplanningen alleen worden goedgekeurd als de weersvoorspelling voor de volledige duur van het transport geen temperaturen aangeeft boven 30 graden Celsius;

69.  benadrukt het feit dat, als de dieren moeten worden gelost voor een rustperiode van 24 uur in een derde land, de organisator op zoek moet gaan naar een rustplaats met voorzieningen die gelijkwaardig zijn aan die van een EU-controlepost; verzoekt de bevoegde autoriteiten deze voorzieningen regelmatig te inspecteren en vervoersjournaals niet goed te keuren zonder de bevestiging dat de voorgestelde rustplaats beschikt over voorzieningen die gelijkwaardig zijn aan die in de EU;

70.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de vervoersplanning het bewijs bevat van een reservering, met inbegrip van voedsel, water en vers strooisel, bij een controlepost; verzoekt de Commissie voorschriften vast te stellen voor de locaties en de voorzieningen van rustplaatsen;

71.  erkent dat lagere bezettingsdichtheden en het onderbreken van transporten om dieren te laten rusten, een ongunstig economisch effect hebben op vervoerders, hetgeen een effect kan hebben op de behoorlijke behandeling van de vervoerde dieren; verzoekt de Commissie stimulansen aan te moedigen voor een behoorlijke behandeling van de vervoerde dieren;

72.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor een verbetering van de registratie in landbouwbedrijven met betrekking tot de draagtijd;

73.  verzoekt de Commissie om op basis van wetenschappelijke bevindingen richtsnoeren te formuleren voor de watervoorziening voor dieren die worden vervoerd in kooien en voorwaarden voor het vervoer van kuikens die een hoog welzijnsniveau bevorderen;

74.  herinnert eraan dat de lidstaten oplossingen moeten vinden voor dieren die zich aan het einde van hun levens- en productiecyclus bevinden die in overeenstemming zijn met het dierenwelzijn;

Economische hulp

75.  roept ertoe op meer gebruik te maken van de plattelandsontwikkelingsmaatregel van dierenwelzijnsbetalingen overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1305/2013(12), waarmee hoge normen inzake dierenwelzijn worden ondersteund die verder gaan dan de ter zake relevante dwingende normen;

76.  roept ertoe op bij de komende hervorming van het GLB de koppeling tussen GLB-betalingen en verbeterde dierenwelzijnsomstandigheden die volledig in overeenstemming zijn met of verder strekken dan de normen van Verordening (EG) nr. 1/2005, te handhaven en te versterken;

77.  dringt aan op steun voor maatregelen om te zorgen voor een evenwichtige verdeling van slachthuizen in de lidstaten die garandeert dat rekening wordt gehouden met de hoeveelheid vee in een bepaalde regio;

Derde landen

78.  is bezorgd door de aanhoudende meldingen van problemen met het transport en het welzijn van dieren in bepaalde derde landen; merkt op dat het slachten in bepaalde derde landen waar de EU dieren naartoe stuurt, gepaard gaat met extreem en langdurig lijden en geregeld in strijd is met de internationale welzijnsnormen voor het slachten die zijn opgesteld door het OIE; neemt kennis van het feit dat de vraag in derde landen vaak betrekking heeft op levende dieren, maar verzoekt de Commissie en de lidstaten toch een verschuiving te bevorderen naar het vervoer naar derde landen van vlees of karkassen in plaats van levende dieren, alsmede naar het vervoer van sperma of embryo's in plaats van fokdieren;

79.  roept de Commissie ertoe op om in onderhandelingen over bilaterale handel met derde landen de toepassing van de EU-regels inzake dierenwelzijn te eisen en in het kader van de Wereldhandelsorganisatie de internationalisering van de EU-bepalingen op dit gebied te bepleiten;

80.  betreurt het feit dat de normen die worden toegepast in derde landen, niet zo streng zijn als de normen in de EU; verzoekt de Commissie de bestaande vereisten ten aanzien van de handelspartners van de Unie aan te scherpen, met name wat de handel in dieren en wat dierenvervoer betreft, zodat zij minstens zo streng zijn als de EU-normen; roept lidstaten die naar derde landen uitvoeren, ertoe op samen te werken met de lokale autoriteiten om de dierenwelzijnsnormen te verbeteren;

81.  dringt aan op de consequente en volledige naleving van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2015 in zaak C-424/13, waarin het Hof heeft geoordeeld dat de vervoerder, om toestemming te krijgen voor het vervoer van dieren dat een lange reis omvat die op het grondgebied van de EU aanvangt en buiten dat grondgebied wordt voortgezet, een journaal moet overleggen dat realistisch is wat de naleving betreft, met bijzondere aandacht voor de voorspelde temperaturen; verzoekt de bevoegde autoriteiten geen journalen goed te keuren als de dieren overeenkomstig het arrest van het Hof moeten worden uitgeladen voor een rusttijd van ten minste 24 uur in een niet-EU-land, tenzij de organisator voor die rust een plaats heeft geregeld waar de voorzieningen gelijkwaardig zijn aan die van een controlepost; wijst er in dit verband bovendien op dat de enige bestaande lijst van stallen op routes in derde landen dateert van 2009 en dat deze vaak geen precieze adresgegevens bevat, hetgeen de nodige inspecties conform het EU-recht aanzienlijk bemoeilijkt; verzoekt de officiële dierenartsen op de plaatsen van uitgang overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1/2005 voor het vertrek van de voertuigen uit de EU te controleren of voldaan is aan de bepalingen van de verordening;

82.  herinnert in dit verband ook aan het voorstel van de Commissie voor een richtlijn inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (klokkenluiders) (COM(2018)0218), met name in verband met de veterinaire controles;

83.  betreurt de vaak lange wachttijden aan de grenzen en in havens en wijst erop dat dit bij de dieren leidt tot extra pijn en ongemak; verzoekt de lidstaten die grenzen aan derde landen, te voorzien in rustplaatsen waar dieren kunnen worden uitgeladen en voer, water, rust en diergeneeskundige zorg kunnen krijgen, zodat de journalen correct kunnen worden ingevuld, en bij douaneposten speciale expreswegen voor dierenvervoer te openen, met voldoende personeel, om de wachttijden te verkorten, zonder de kwaliteit van de sanitaire en douanecontroles aan de grenzen te ondermijnen; verzoekt de lidstaten daarnaast beter samen te werken bij de planning van het vervoer van dieren, om te voorkomen dat te veel transporten bij de grenscontrole aankomen op hetzelfde moment;

84.  verzoekt de Commissie de samenwerking en de communicatie tussen de bevoegde autoriteiten in alle lidstaten en in derde landen te verbeteren, inclusief bijkomende wederzijdse hulp en een snellere uitwisseling van informatie, om de problemen op het gebied van dierenwelzijn en dierziekten als gevolg van wanbestuur te verminderen, door ervoor te zorgen dat de exporteurs de administratieve eisen volledig naleven; verzoekt de Commissie internationaal te pleiten voor dierenwelzijn en initiatieven te nemen om het bewustzijn hierover in derde landen te vergroten;

85.  verzoekt de Commissie druk uit te oefenen op doorvoerlanden die bureaucratische hindernissen en veiligheidsobstakels in het leven roepen die het vervoer van levende dieren onnodig vertragen;

86.  verzoekt de lidstaten en de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan inbreuken op de dierenwelzijnsnormen tijdens het vervoer over de binnenwateren en over zee naar derde landen en mogelijke overtredingen van de wetgeving te onderzoeken, bijvoorbeeld het dumpen door vaartuigen van dode dieren in de Middellandse Zee (waarbij de oormerken vaak worden afgesneden) ondanks het verbod hierop, omdat verwijdering vaak niet mogelijk is in de haven van bestemming;

87.  wijst op Besluit 2004/544/EG van de Raad betreffende de ondertekening van de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer(13), op grond waarvan vervoer de volgende vormen kan aannemen: tussen twee lidstaten via het grondgebied van een derde land; tussen een lidstaat en een derde land; of rechtstreeks tussen twee lidstaten;

88.  benadrukt het feit dat, tenzij de normen inzake dierenvervoer in derde landen worden afgestemd op die van de EU en de uitvoering ervan voldoende is om volledige naleving van de verordening te waarborgen, voor het vervoer van levende dieren naar derde landen bilaterale overeenkomsten moeten worden gesloten, om het verschil in normen te beperken, en dat, als dit niet kan worden gerealiseerd, dit vervoer moet worden verboden;

89.  herinnert de lidstaten eraan dat zij volgens vaste rechtspraak(14) strengere nationale regels voor de bescherming van dieren tijdens het vervoer mogen invoeren, mits deze regels in overeenstemming zijn met het hoofddoel van Verordening (EG) nr. 1/2005;

90.  verzoekt de Commissie de uitwisseling van goede werkwijzen en maatregelen inzake equivalentie van de regelgeving met derde landen met betrekking tot het vervoer van levende dieren te bevorderen;

91.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1.

(2)

http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2018/621853/EPRS_STU(2018)621853_EN.pdf

(3)

PB C 434 van 23.12.2015, blz. 59.

(4)

EFSA Journal 2011:9(1):1966.

(5)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0096.

(6)

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 23 april 2015, Zuchtvieh-Export GmbH v Stadt Kempten, C-424/13, ECLI:EU:C:2015:259.

(7)

Speciaal verslag nr. 31/2018 van de Europese Rekenkamer van 14 november 2018 getiteld "Animal welfare in the EU: Closing the gap between ambitious goals and practical implementation".

(8)

https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/1966

(9)

PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1.

(10)

Eindverslag van een audit in Nederland van 20 februari 2017 tot en met 24 februari 2017 om het dierenwelzijn tijdens transporten naar niet-EU-landen te beoordelen, Europese Commissie, directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid, 2017.

(11)

Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid ("diergezondheidswetgeving").

(12)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 347.

(13)

PB L 241 van 13.7.2004, blz. 21.

(14)

Arrest van het Hof van Justitie (Eerste kamer) van 14.10.2004 – zaak C-113/02, Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk der Nederlanden, en arrest van het Hof van Justitie (Derde kamer) van 8.5.2008 – zaak C-491/06, Danske Svineproducenter.


TOELICHTING

Inleiding

Dit verslag gaat in op de stand van de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1/2005, die de bescherming en het welzijn van dieren tijdens het vervoer reguleert. Er worden verschillende beleidsaanbevelingen gedaan om de tenuitvoerlegging te verbeteren. Die schiet nog steeds tekort en vertoont grote verschillen tussen de lidstaten.

Belangrijkste bevindingen(1)

1.  Ontoereikende uitvoering

1.1.  Onvolledige, onsamenhangende en onbetrouwbare gegevens om de tenuitvoerlegging te analyseren

De gegevensverzameling verschilt dusdanig tussen de lidstaten, dat het lastig is om de tenuitvoerlegging van de verordening op een samenhangende manier te analyseren. Voorts heeft de Commissie, zoals uiteengezet in het speciale verslag van de Rekenkamer over dierenwelzijn in de EU van 2018, erkend dat de door de lidstaten gerapporteerde gegevens niet volledig, consistent, betrouwbaar of voldoende gedetailleerd zijn om conclusies te trekken over naleving op EU-niveau(2).

Traces (het onlineplatform van de EU voor de monitoring van grensoverschrijdend vervoer van dieren over lange afstanden binnen de EU) omvat informatie- en rapportage-instrumenten die door de autoriteiten kunnen worden gebruikt om het vervoer van dieren doelgericht te inspecteren. De Rekenkamer heeft in zijn speciale verslag geconstateerd dat de autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor vervoersinspecties zelden informatie uit Traces gebruikten om inspecties doelgericht in te zetten.

Bovendien heeft de vastlegging van de naleving van de geschiktheidsrichtsnoeren in de lidstaten pas onlangs de eerste analyseerbare gegevens opgeleverd (er zijn alleen gegevens voor 2014 en 2015, en onlangs ook voor 2016, gepubliceerd). Zodoende bestaat er een gebrek aan openbare gegevens over en goede indicatoren voor de ontwikkeling van het dierenwelzijn tijdens het vervoer van levende dieren. Het spreekt boekdelen dat er, zoals uit een analyse van de inspectieverslagen van de lidstaten blijkt, enorme verschillen tussen de lidstaten bestaan wat betreft het aantal inspecties, dat uiteenloopt van nul (!) tot enkele miljoenen (!) per jaar, en wat betreft het inbreukpercentage, dat uiteenloopt van 0 % tot 16,6 %. Dit duidt erop dat de lidstaten verschillende benaderingen hanteren voor inspecties, bijvoorbeeld willekeurige inspecties versus op risico gebaseerde strategieën.

Er bestaat een duidelijke behoefte aan gemeenschappelijke minimumnormen die een geharmoniseerdere gegevensverzameling en beoordeling van de gemonitorde parameters mogelijk maken.

1.2.  Het aantal lange en zeer lange reizen neemt toe

Jaarlijks worden miljoenen dieren over lange afstanden tussen lidstaten en naar derde landen vervoerd voor de fokkerij of de slacht. Het vervoer veroorzaakt stress bij de dieren en stelt hen gedurende meerdere uren bloot aan verschillende problemen, zoals krappe ruimten, temperatuurschommelingen, voedsel- en waterschaarste en voertuigbewegingen. De gevaren tijdens het vervoer betreffen verschillende onderwerpen die uiteenlopen van de rijstijl en de aanwezigheid van geschikte uitrusting tot onverwachte veranderingen in de weg- of weersomstandigheden. Het is daarom mogelijk dat dieren die op de plaats van vertrek zijn aangemerkt als geschikt voor vervoer, onderweg ziek worden of gewond raken. Desalniettemin is vastgesteld dat de dieren vóór en na de reis veel vaker worden gecontroleerd dan onderweg. De meeste controles worden verricht in slachthuizen en hebben vooral betrekking op vervoer over korte afstanden.

De rapporteur is bezorgd over het onthutsende aantal meldingen over het gebruik van ongeschikte vervoermiddelen voor het vervoer van levende dieren, zowel over land als over zee. Bij de handel met derde landen wordt extra dierenleed veroorzaakt door de lange reizen en het lange oponthoud aan de grens voor de controle van documenten, voertuigen en dieren. Een ander punt van zorg zijn slechte omstandigheden tijdens vervoer over zee. De lidstaten moeten de certificerings- en goedkeuringsprocedures voor vaartuigen strikter toepassen en de controles inzake de geschiktheid van de dieren vóór het inschepen verbeteren. Verder is de rapporteur van mening dat de Commissie een lijst moet verschaffen van havens met toereikende voorzieningen voor diereninspectie.

Voorts moeten bij alle reizen plannen voor noodgevallen worden gebruikt, zodat de vervoerder doeltreffend kan reageren op noodsituaties en de effecten van een vertraging of een ongeval op de dieren kan verminderen.

2.  De handhaving moet worden versterkt en geharmoniseerd

2.1.  Doeltreffende en ontmoedigende sancties

Een sterkere en geharmoniseerde handhaving met doeltreffende en ontmoedigende sancties is cruciaal om het dierenwelzijn tijdens het vervoer te verbeteren. Ten aanzien van het sanctiesysteem moet helaas worden geconcludeerd dat de Commissie de resolutie van het Parlement van 12 december 2012 naast zich neer heeft gelegd. Voorts heeft de Commissie geen gehoor gegeven aan de oproep om de verordening te controleren op onverenigbaarheden met de wettelijke voorschriften in afzonderlijke lidstaten.

Om de tenuitvoerlegging van de verordening te verbeteren, moeten herhaaldelijke inbreuken resulteren in vervolging, sancties met inbegrip van de inbeslagname van voertuigen en verplichte omscholing voor degenen die verantwoordelijk zijn voor het welzijn en het vervoer van dieren.

Er wordt aan herinnerd dat de verordening de lidstaten sterke handhavingsbevoegdheden verleent, waaronder de bevoegdheid om vervoerders te verplichten systemen tot stand te brengen om een herhaling van inbreuken te voorkomen en de bevoegdheid om een vergunning van een vervoerder te schorsen of in te trekken.

2.2.  Gebruik de nieuwste technologie om journalen te controleren

De bevoegde autoriteiten moeten samenwerken om de handhaving te versterken met behulp van technologie. Technologie zou hen kunnen helpen om een rechtstreekse terugkoppeling tussen de lidstaat van het vertrekpunt en de lidstaat van het punt van aankomst te creëren. Wanneer dieren die in goede toestand zijn vertrokken, in slechte toestand arriveren, moet het uitvoerende bedrijf onmiddellijk worden bestraft.

3.  Werk de verordening bij overeenkomstig de nieuwste wetenschappelijke kennis en technologie

De dierenwelzijnswetgeving moet gebaseerd zijn op wetenschap en de nieuwste technologie. Helaas heeft de Commissie ondanks de heldere aanbevelingen van de EFSA en het verzoek van het Parlement in zijn resolutie uit 2012 verzuimd de regels inzake dierenvervoer bij te werken op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten. De Commissie moet die regels zo snel mogelijk bijwerken, vooral wat betreft voldoende ventilatie en koeling in alle voertuigen, geschikte drinksystemen, met name voor niet-gespeende dieren, en specifieke minimumruimte om de kop op te richten.

3.1.  Geef een definitie van "geschiktheid"

Geschiktheid voor vervoer is een belangrijk selectiecriterium bij de waarborging van het dierenwelzijn tijdens het vervoer, aangezien gewonde en zieke dieren tijdens het vervoer een verhoogd welzijnsrisico lopen. Het is essentieel dat alle dieren vóór het inladen/inschepen worden gecontroleerd op hun geschiktheid om te worden vervoerd en dat ongeschikte dieren worden verzorgd op de plaats van herkomst. Bijna alle controles die de Commissie tussen 2007 en 2017 in verschillende lidstaten heeft verricht, brachten niet-naleving van de geschiktheidsregels aan het licht. Problemen met betrekking tot de geschiktheid zijn goed voor het hoogste percentage van de inbreuken (gevolgd door problemen met de documenten). Verder heeft de vastlegging van de naleving van de geschiktheidsrichtsnoeren in de lidstaten, zoals gezegd, pas onlangs de eerste analyseerbare gegevens opgeleverd. Zodoende bestaat er een gebrek aan openbare gegevens en goede indicatoren.

De Commissie moet een volledige werkdefinitie formuleren van "geschiktheid" en landbouwers, chauffeurs en dierenartsen stevige opleidingscursussen aanbieden om het hoge percentage inbreuken in de lidstaten met betrekking tot de geschiktheid te verminderen.

4.  Economische hulp

In het GLB zijn betalingen aan landbouwbedrijven gekoppeld aan minimale dierenwelzijnsniveaus en het plattelandsontwikkelingsbeleid moedigt landbouwers aan om hogere normen na te streven; in het bijzonder voorziet artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 in "dierenwelzijnsbetalingen" in het kader van plattelandsontwikkeling, ter ondersteuning van hoge normen inzake dierenwelzijn ondersteunt die verder strekken dan de toepasselijke verplichte normen. De Rekenkamer wijst er echter in zijn speciale verslag uit 2018 op dat de lidstaten onvoldoende gebruik hebben gemaakt van deze maatregel. Tien lidstaten hebben er zelfs helemaal geen gebruik van gemaakt.

Bij de komende hervorming van het GLB moet de koppeling tussen GLB-betalingen en verbeterde dierenwelzijnsomstandigheden die volledig in overeenstemming zijn met of verder strekken dan de normen van Verordening (EG) nr. 1/2005, worden gehandhaafd en versterkt.

5.  Kortere reistijden voor dieren

Er wordt aan herinnerd dat overweging 5 van Verordening (EG) nr. 1/2005 stelt dat "[m]et het oog op het dierenwelzijn [...] het langdurig vervoeren van dieren [...] zoveel mogelijk beperkt [moet] worden".

5.1.  Alternatieven voor het vervoer van levende dieren

Over het algemeen moeten de reistijden voor dieren zoveel mogelijk worden verkort, met name wat lange en zeer lange reistijden betreft. Dit kan het best worden bereikt door middel van alternatieve strategieën, zoals rendabele lokale slachterijen, vervanging van het vervoer van fokdieren door gebruik te maken van zaad of embryo's, het vervoer van karkassen en vleesproducten en wetgevingsinitiatieven in de lidstaten om de slacht op landbouwbedrijven te bevorderen.

In aanmerking moet worden genomen dat het vervoer van vlees en andere dierlijke producten technisch eenvoudiger en ethisch rationeler is dan het vervoer van levende slachtdieren. In het licht hiervan moet de Commissie zo nodig de bouw van levensvatbare slachterijen in de lidstaten ondersteunen zodat de dieren zo dicht mogelijk bij de plaats waar zij zijn gefokt worden geslacht. Er moet een strategie worden ontwikkeld om niet langer levende dieren te vervoeren, maar alleen vlees en karkassen, gelet op de effecten van het vervoer van levende dieren op het milieu, het dierenwelzijn en de voedselveiligheid.

5.2.  Stem de dierenvervoersnormen van derde landen af op die van de EU

Aangezien de normen die in derde landen ten uitvoer worden gelegd niet zo hoog zijn als die in de EU moet de Commissie de bestaande vereisten die aan de handelspartners van de Unie worden gesteld, aanscherpen, met name wat betreft de handel in dieren. Daarnaast moeten de samenwerking en de communicatie tussen de bevoegde autoriteiten in alle lidstaten en in derde landen worden verbeterd om de problemen met het dierenwelzijn die voortkomen uit wanbestuur te verminderen.

De meldingen over zeer lange en stressvolle wachttijden voor dieren aan de grens zijn schokkend. Om deze situatie te verbeteren wordt gesuggereerd dat de lidstaten die aan derde landen grenzen speciale doorrijstroken voor het vervoer van dieren openen bij douaneposten om de wachttijden te verkorten. Bovendien moeten de lidstaten en de Commissie bijzondere aandacht schenken aan inbreuken op het dierenwelzijn tijdens reizen over zee naar derde landen.

Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C‑424/13 moet consequent en volledig worden nageleefd. Het Hof heeft geoordeeld dat de vervoerder, om toestemming te krijgen voor het vervoer van dieren dat een lange reis omvat die op het grondgebied van de EU aanvangt en buiten dat grondgebied wordt voortgezet, een naar waarheid opgemaakt, nauwkeurig journaal moet overleggen, teneinde vast te stellen of Verordening (EG) nr. 1/2005 wordt nageleefd.

De rapporteur is van mening dat het vervoer van levende dieren naar derde landen moet worden verboden, tenzij de normen inzake dierenvervoer in derde landen worden afgestemd op die van de EU.

Conclusies en aanbevelingen

De rapporteur is van mening dat de volgende belangrijke beleidsaanbevelingen moeten worden doorgevoerd:

•  De reistijden voor dieren moeten zoveel mogelijk worden verkort, met name wat lange en zeer lange reistijden betreft. Dit kan het best worden bereikt door middel van een reeks alternatieve strategieën, zoals rendabele lokale slachterijen, vervanging van het vervoer van fokdieren door gebruik te maken van zaad of embryo's en het vervoer van karkassen en vlees.

•  De Commissie wordt aanbevolen de regels bij te werken op basis van de laatste wetenschappelijke kennis en technologie.

•  De Commissie moet een volledige werkdefinitie formuleren van "geschiktheid" en landbouwers, chauffeurs en dierenartsen opleidingscursussen aanbieden om het hoge percentage inbreuken met betrekking tot de geschiktheid te verminderen.

•  Bij de komende hervorming van het GLB moet de koppeling tussen GLB-betalingen en verbeterde dierenwelzijnsomstandigheden die volledig in overeenstemming zijn met of verder strekken dan de normen van Verordening (EG) nr. 1/2005, worden gehandhaafd en versterkt.

•  Het wordt aanbevolen om het vervoer van levende dieren naar derde landen te verbieden, tenzij de normen inzake dierenvervoer in derde landen worden afgestemd op die van de EU.

(1)

De bevindingen zijn met name gebaseerd op twee studies die in opdracht van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement zijn uitgevoerd. De studies zijn als volgt getiteld: "Implementation of Regulation (EC) No 1/2005 (2009-2015), with a focus on data recording" en "Compliance with the technical rules on fitness for transport set out in Annex I to Regulation (EC) No 1/2005 on the protection on animals during transport".

(2)

Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van Richtlijn 98/58/EG van de Raad inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (COM(2016) 558 final van 8.9.2016) en de notulen van de vergadering van de nationale contactpunten voor dierenwelzijn tijdens het vervoer.


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (13.12.2018)

aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

inzake het uitvoeringsverslag betreffende Verordening (EG) nr. 1/2005 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer binnen en buiten de EU

(2018/2110(INI))

Rapporteur voor advies: Karin Kadenbach

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  stelt vast dat elk jaar miljoenen dieren binnen de EU, en van de EU naar derde landen, worden vervoerd om te worden geslacht of voor fokdoeleinden; is van oordeel dat Verordening (EG) nr. 1/2005(1), mits correct toegepast en gehandhaafd, positief uitwerkt op het welzijn van dieren tijdens het vervoer; verwelkomt het dat de Commissie voor dit onderwerp richtsnoeren heeft geformuleerd, maar betreurt dat deze richtsnoeren en sommige van de door de Commissie geplande acties tot vijf jaar vertraging hebben opgelopen(2); merkt op dat er nog altijd grote problemen met het vervoer bestaan en constateert dat handhaving van de verordening naar verluidt de grootste zorg is van degenen die met de uitvoering ervan belast zijn;

2.  betreurt het dat een aantal kwesties in verband met Verordening (EG) nr. 1/2005 nog niet is opgelost, waaronder overlading, onvoldoende hoofdruimte, onvoldoende stops om te rusten, te weinig voedsel en water, onvoldoende ventilatie en drenkvoorzieningen, vervoer bij extreme hitte, vervoer van niet-fitte dieren, vervoer van niet gespeende kalveren, de noodzaak de zwangerschapsstatus van levende dieren vast te stellen, de controles van de vervoersjournaals, de verhouding tussen inbreuken, handhaving en sancties, de 'gemengde' impact van cursussen, kennis en certificering, en onvoldoende strooisel, zoals ook aangegeven door de Europese Rekenkamer in Speciaal verslag nr. 31/2018(3) en door niet-gouvernementele organisaties in bij de Commissie ingediende klachten; dringt aan op verbeteringen op de hierboven genoemde gebieden;

3.  verzoekt de lidstaten en de vervoerders de handhaving en de naleving van Verordening (EG) nr. 1/2005 significant te verbeteren, en spoort de Commissie aan inbreukprocedures te starten tegen die lidstaten die zich niet aan de verordening houden, teneinde het dierenwelzijn te garanderen en voor eerlijke concurrentie te zorgen;

4.  is het met de Commissie eens dat het aanbeveling verdient dat de bevoegde autoriteiten alle transporten naar niet-EU-landen bij het laden inspecteren(4); is van mening dat een deel van de intracommunautaire transporten ook moet worden geïnspecteerd bij het laden; merkt op dat de bevoegde autoriteiten bij het laden moeten controleren of de bepalingen van de verordening betreffende vloeroppervlakte en vrije ruimte boven de dieren worden nageleefd, dat de ventilatiesystemen en watervoorzieningen goed werken, dat de drinkautomaten goed werken en geschikt zijn voor de vervoerde diersoort, dat er geen ongeschikte dieren worden geladen, en dat er voldoende voeder en strooisel worden meegenomen;

5.  maakt zich zorgen over het feit dat het laden van dieren in vrachtwagens vaak ruw gebeurt; verzoekt de bevoegde autoriteiten de dieren voor het laden grondig te inspecteren om na te gaan of hun conditie goed genoeg is om de reis voort te zetten, en erop toe te zien dat het laden in overeenstemming met artikel 20 van Verordening (EG) nr. 1/2005 verloopt, zonder dat de dieren ruw worden behandeld en zonder dat geregeld gebruik wordt gemaakt van stokken en elektrische prikstokken; verzoekt de bevoegde autoriteiten geen journaals goed te keuren waarin de geplande reis via havens verloopt waar geen voorzieningen aanwezig zijn om de dieren voor het laden grondig te inspecteren;

6.  benadrukt dat het lijden van dieren tijdens transport tot grote maatschappelijke onrust en verontwaardiging leidt; stelt vast dat de Commissie op 21 september 2017 meer dan 1 miljoen handtekeningen in ontvangst heeft genomen voor de campagne #StopTheTrucks, waarin Europese burgers vragen om een einde te maken aan langeafstandstransporten;

7.  is van mening dat de gebrekkige tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1/2005 duidelijk maakt dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om ernstige incidenten met een grote nadelige impact op het welzijn van de dieren te voorkomen, en om de daders te vervolgen;

8.  verzoekt de Commissie Verordening (EG) nr. 1/2005 bij te werken overeenkomstig het bepaalde in overweging 11 daarvan, teneinde de tekst aan te passen aan de huidige stand van de wetenschappelijke kennis;

9.  herinnert aan de vele parlementaire vragen, brieven en klachten van Europese parlementsleden aan de Commissie, waarin zij de systematische inbreuken op de verordening onder de aandacht hebben gebracht en de ontoelaatbare stress, pijn en angst, en het lijden van levende dieren tijdens hun vervoer binnen de Unie en naar derde landen hebben veroordeeld;

10.  betreurt de inbreuken op de verordening, die betrekking hebben op de verkeerde toepassing van de normen voor niet gespeende dieren, zoals kalveren, lammeren, jonge geiten, biggen en veulens op melkvoeding, en pleit voor de invoering van meer gedetailleerde maatregelen om het welzijn van deze dieren tijdens hun vervoer volledig te beschermen;

11.  herhaalt haar verzoek tot beperking van de reistijd van dieren tot acht uur, inclusief de laadtijd en met inachtneming van diergeneeskundig advies voor de soort in kwestie, ongeacht of het vervoer over land, door de lucht of over zee plaatsvindt; is van mening dat het vervoer van niet gespeende dieren niet langer dan vier uur mag duren;

12.  betreurt dat, ondanks duidelijke aanbevelingen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), delen van de verordening niet in overeenstemming zijn met de huidige wetenschappelijke kennis inzake dierenwelzijn, zoals de verordening vereist; vraagt daarom bijgewerkte en verbeterde regels inzake:

–  ventilatie en koeling in alle voertuigen/schepen,

–  geschikte drinksystemen, met name voor niet gespeende dieren,

–  het vervoer van ongeschikte dieren,

–  meer minimale vrije ruimte boven de dieren,

–  beperking van de bezettingsdichtheid;

13.  benadrukt dat volgens Verordening (EG) Nr. 1/2005 de dieren op langere diertransporten met passende tussenpozen gedrenkt en gevoederd moeten worden en de gelegenheid moeten krijgen om te rusten, op een wijze die bij hun soort en leeftijd past; verzoekt de Commissie met klem beter toezicht te houden op een volledige en geharmoniseerde tenuitvoerlegging van deze wettelijke vereisten door alle lidstaten;

14.  betreurt de vaak lange wachttijden aan de grenzen, waar het gebrek aan rustplaatsen, water en voorzieningen voor veterinaire zorg bij de dieren tot extra gezondheids- en welzijnsproblemen kan leiden, inclusief ongemak en sterfgevallen; verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de vervoerders hun transporten beter plannen, en beklemtoont het belang van betere communicatie tussen de nationale autoriteiten van de verschillende lidstaten, teneinde een concentratie van diertransporten aan de grenzen te vermijden;

15.  wijst erop dat handhaving in het bijzonder moeilijk is wanneer het transport door verschillende lidstaten plaatsvindt en wanneer meerdere lidstaten verantwoordelijk zijn voor het goedkeuren van het journaal, het verlenen van een vergunning aan de vervoerder en een getuigschrift van vakbekwaamheid aan de bestuurder; verzoekt alle lidstaten die inbreuken vaststellen de andere betrokken lidstaten daarvan zo snel mogelijk op de hoogte te stellen; merkt op dat artikel 26 van Verordening (EG) nr. 1/2005 de lidstaten krachtige handhavingsbevoegdheden verleent, waaronder de bevoegdheid om de vergunning van de vervoerder in te trekken in het geval van ernstige inbreuken, de bevoegdheid de betrokken vervoerder te verplichten voorzieningen te treffen om herhaling van de inbreuk te voorkomen, en de bevoegdheid hem aan aanvullende controles te onderwerpen, waaronder de verplichte aanwezigheid van een dierenarts bij het laden van de dieren; vindt het zorgwekkend dat deze bevoegdheden in veel lidstaten niet goed worden gebruikt en dat er op het gebruik ervan geen toezicht wordt uitgeoefend; verzoekt de lidstaten die dergelijke kennisgevingen ontvangen tijdig en op passende wijze op te treden om herhaling van de inbreuken te voorkomen;

16.  betreurt dat het totale aantal controles dat door de nationale bevoegde autoriteiten uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1/2005 is verricht is gedaald, ondanks de toename van het aantal transporten met levende dieren in de EU(5); verzoekt de lidstaten het aantal controles van transporten van levende dieren aanzienlijk te vergroten om het dierenwelzijn te waarborgen;

17.  maakt zich zorgen over de vervoersomstandigheden in derde landen; verzoekt de lidstaten en de vervoerders zich nauwgezet te houden aan de uitspraak van het Hof van Justitie, dat heeft geconcludeerd dat Verordening (EG) nr. 1/2005 ook van toepassing is op exporten naar niet-EU-landen(6) tot op de eindbestemming ervan; verzoekt de lidstaten nadere controles op de plaatsen van uitgang uit de EU te verrichten om na te gaan of de conditie van elk dier goed genoeg is om de reis voort te zetten buiten de EU;

18.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten meer en strengere officiële controles uitvoeren op transporten van levende dieren en hun bevindingen op een gedetailleerde en transparante manier rapporteren; verzoekt de Commissie met klem hiertoe TRACES algemeen toegankelijk te maken;

19.  wijst op het belang van certificering van opleiding, kennis en bekwaamheden van bestuurders met het oog op het verbeteren van het dierenwelzijn tijdens het vervoer;; verzoekt de lidstaten samen met de Commissie voor passende en geharmoniseerde opleiding voor de betrokken exploitanten te zorgen;

20.  vraagt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ervoor te zorgen dat er officiële dierenartsen aanwezig zijn op de plaatsen van uitgang uit de Unie om te controleren dat in de voertuigen voor het vervoer van dieren voldoende ruime compartimenten aanwezig zijn om overbezetting te voorkomen, dat er strooisel, voeder en water aanwezig is in hoeveelheden die zijn afgestemd op de diersoort en het aantal dieren dat wordt vervoerd, en dat de ventilatiesystemen en watervoorzieningen voor de dieren goed werken;

21.  verzoekt de Commissie met klem te bekijken hoe landbouwers, slachthuizen en de vleesverwerkingssector gestimuleerd kunnen worden om dieren in het dichtstbij gelegen slachthuis te laten slachten, teneinde langdurig vervoer van levende dieren te vermijden en de emissies terug te dringen; verzoekt de Commissie in dit verband de weg vrij te maken voor innovatieve oplossingen, zoals mobiele slachtfaciliteiten, met inachtneming van hoge normen inzake dierenwelzijn;

22.  verkiest het vervoer van vlees boven het vervoer van levende dieren, wat het dierenwelzijn sterk ten goede kan komen en het transportvolume kan verkleinen, wat op zijn beurt een positief effect heeft op het milieu; verzoekt de lidstaten en de vervoerders strategieën te ontwikkelen om het vervoer van levende dieren te vervangen door het vervoer van vleesproducten en karkassen;

23.  verzoekt de Commissie voorschriften vast te stellen voor de locaties en de voorzieningen van rustplaatsen;

24.  betreurt het dat er voertuigen voor veevervoer en veeschepen zijn waaraan geen vergunning had moeten worden verleend, aangezien zij niet geschikt zijn voor veevervoer; erkent dat de voorschriften van de artikelen 20 en 21 van Verordening (EG) nr. 1/2005 betreffende transporten op veeschepen vaak niet worden nageleefd; verzoekt de lidstaten geen vergunning te verlenen aan vrachtwagens en/of veeschepen die niet aan de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1/2005 voldoen, en reeds afgegeven vergunningen in het geval van niet-conformiteit niet te verlengen, en grondige controles bij het laden uit te voeren;

25.  stelt vast dat landbouwers, vervoerders en bevoegde autoriteiten in verschillende lidstaten Verordening (EG) nr. 1/2005 mogelijkerwijs verschillend interpreteren, in het bijzonder voor wat betreft de geschiktheid van de dieren om te worden vervoerd; verzoekt de Commissie de verordening te herzien en de eisen voor vervoer waar nodig nader te verduidelijken;

26.  beklemtoont het belang van de verplichting dat er dierenartsen aan boord moeten zijn van schepen tijdens het vervoer van levende dieren, dat het aantal op zee gestorven dieren moet worden geteld en gerapporteerd, en dat er plannen voor noodgevallen moeten zijn voor alle situaties op zee die een negatieve invloed kunnen hebben op het welzijn van de vervoerde dieren;

27.  betreurt dat volgens de Commissie de gegevens die de lidstaten rapporteren niet altijd volledig, consistent, betrouwbaar of voldoende gedetailleerd zijn om conclusies te trekken over naleving op EU-niveau; verzoekt de Commissie en de lidstaten betrouwbare indicatoren en publieke gegevens te ontwikkelen voor het meten van het dierenwelzijn tijdens het vervoer van levende dieren;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de sanctieniveaus voor inbreuken meer gelijk te trekken, in de wetenschap dat in sommige lidstaten de straffen tien keer hoger liggen dan in andere; herinnert eraan dat sancties doeltreffend, evenredig en ontmoedigend moeten zijn; verzoekt de Commissie een draaiboek te ontwikkelen voor het gelijktrekken van de sancties in alle lidstaten;

29  beveelt aan dat de EU meer investeert in kleinschaligere, lokale veeteelt en in het promoten van gezonde plantaardige voeding ter vervanging van de huidige hoge consumptie van dierlijke producten;

30.  verzoekt de Commissie een zwarte lijst op te stellen van exploitanten van wie uit inspectie- en uitvoeringsverslagen blijkt dat zij schuldig zijn aan herhaaldelijke en zware inbreuken op de verordening; verzoekt de Commissie deze zwarte lijsten geregeld bij te werken en openbaar te maken, en de uitwisseling van goede praktijken, zowel op het gebied van vervoer als van bestuur, tussen de lidstaten te bevorderen;

31.  stelt vast dat kalfjes al vanaf 14 dagen op transport mogen worden gezet; is van mening dat het onmogelijk is om te voldoen aan de behoeftes van zeer jonge dieren tijdens transport, zoals de natuurlijke zuigbehoefte van kalfjes om de speen van hun moeder te zoeken, en verzoekt de Commissie daarom om hier een einde aan te maken;

32.  verzoekt de Commissie toekomstige herzieningen van de wetgeving inzake het welzijn van dieren tijdens het vervoer te baseren op objectieve en wetenschappelijk onderbouwde indicatoren, teneinde willekeurige besluiten die ongerechtvaardigde economische repercussies kunnen hebben voor de veeteeltsector, te voorkomen.

33.  verzoekt de Commissie eventuele inbreuken op het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (MARPOL 73/78) te evalueren;

34.  verzoekt de Commissie eventuele inbreuken op het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS), op de bepalingen van Richtlijn 2009/16/EG betreffende havenstaatcontrole(7), en op artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1/2005 te evalueren;

35.  betreurt dat de autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor vervoersinspecties zelden informatie uit TRACES gebruiken om inspecties doelgericht in te zetten, om verplaatsingen binnen de EU van dieren over lange afstanden en over de grens te monitoren, ten dele vanwege bepaalde beperkingen van toegangsrechten voor gebruikers(8); verzoekt de Commissie en de lidstaten het gebruik van de interactieve zoekmachine te bevorderen en te vereenvoudigen;

36.  pleit voor het gebruik van een GPS-volgsysteem, ongeacht de lengte van het transport;

37.  stelt vast dat de autoriteiten van de lidstaten de verantwoordelijkheid voor het verrichten van de risicoanalyse bij vervoersinspecties doorgaans aan lokale autoriteiten delegeren(9); dringt er bij de lidstaten op aan systemen in te voeren om het bestaan, de kwaliteit en de uitvoering van de lokale risicoanalyses te controleren;

38.  verzoekt de Commissie om jaarlijks haar acties betreffende de bescherming van dieren tijdens het transport aan het Parlement te rapporteren;

39.  verzoekt de Commissie met klem eventuele inbreuken op de wetgeving tijdens het vervoer over zee van dieren van de EU naar derde landen te beoordelen, zoals het dumpen van dode dieren in de Middellandse Zee (waarbij de oormerken vaak worden afgesneden), hoewel dit verboden is, omdat er in de havens van bestemming vaak geen voorzieningen aanwezig zijn om kadavers achter te laten.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

6.12.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

40

4

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Ivo Belet, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Angélique Delahaye, Stefan Eck, Bas Eickhout, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Jytte Guteland, Anneli Jäätteenmäki, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Urszula Krupa, Giovanni La Via, Jo Leinen, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Pavel Poc, Julia Reid, Frédérique Ries, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Adina-Ioana Vălean, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Caterina Chinnici, Albert Deß, Eleonora Evi, Christophe Hansen, Martin Häusling, Anja Hazekamp, Jan Huitema, Norbert Lins, Ulrike Müller, James Nicholson, Sirpa Pietikäinen, Gabriele Preuß, Keith Taylor

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

40

+

ALDE

Gerben-Jan Gerbrandy, Anneli Jäätteenmäki, Ulrike Müller, Frédérique Ries

ECR

Urszula Krupa, Jadwiga Wiśniewska

EFDD

Eleonora Evi, Sylvie Goddyn

GUE/NGL

Stefan Eck, Anja Hazekamp

NI

Zoltán Balczó

PPE

Pilar Ayuso, Ivo Belet, Angélique Delahaye, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Julie Girling , Françoise Grossetête, Christophe Hansen, Giovanni La Via, Norbert Lins, Sirpa Pietikäinen, Adina Ioana Vălean

S&D

Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Caterina Chinnici, Jytte Guteland, Karin Kadenbach, Jo Leinen, Susanne Melior, Pavel Poc, Gabriele Preuß, Damiano Zoffoli

Verts/ALE

Marco Affronte, Bas Eickhout, Martin Häusling, Benedek Jávor, Davor Škrlec, Keith Taylor

4

-

PPE

Albert Deß, Elisabetta Gardini, Miroslav Mikolášik, Annie Schreijer-Pierik

3

0

ALDE

Jan Huitema

ECR

James Nicholson

EFDD

Julia Reid

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1).

(2)

Speciaal verslag nr. 31/2018 van de Europese Rekenkamer van 14 november 2018 getiteld "Animal welfare in the EU: Closing the gap between ambitious goals and practical implementation".

(3)

Speciaal verslag nr. 31/2018 van de Europese Rekenkamer van 14 november 2018 getiteld "Animal welfare in the EU: Closing the gap between ambitious goals and practical implementation".

(4)

Eindverslag van een audit in Nederland van 20 februari 2017 tot en met 24 februari 2017 om het dierenwelzijn tijdens transporten naar niet-EU-landen te beoordelen, Europese Commissie, directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid, 2017.

(5)

Studie getiteld "Regulation (EC) No 1/2005 on the protection of animals during transport and related operations – European Implementation Assessment", European parlementaire studiedienst (EPRS), 2018, blz. 31.

(6)

Arrest van het Hof van Justitie van 23 april 2015, Zuchtvieh-Export GmbH v Stadt Kempten, C-424/13, ECLI:EU:C:2015:259.

(7)

PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57.

(8)

Speciaal verslag nr. 31/2018 van de Europese Rekenkamer van 14 november 2018 getiteld "Animal welfare in the EU: Closing the gap between ambitious goals and practical implementation".

(9)

Speciaal verslag nr. 31/2018 van de Europese Rekenkamer van 14 november 2018 getiteld "Animal welfare in the EU: Closing the gap between ambitious goals and practical implementation".


ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme (4.12.2018)

aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

inzake het uitvoeringsverslag betreffende Verordening nr. 1/2005 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer binnen en buiten de EU

(2018/2110(INI))

Rapporteur voor advies (*): Keith Taylor

(*) Medeverantwoordelijke commissie – Artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  betreurt de gebrekkige uitvoering van Verordening (EG) nr. 1/2005, waaruit aanhoudende en ernstige problemen op het gebied van dierenwelzijn tijdens het vervoer voortvloeien; is van mening dat op ontoereikende wijze is voldaan aan de vereisten van de verordening; vraagt de Commissie geregeld aan het Europees Parlement verslag uit te brengen van de uitvoering en handhaving van de huidige verordening aan de hand van concrete gegevens;

2.  brengt in herinnering dat vervoer een van de meest kritieke momenten is in het leven van een dier en dat zelfs het best geplande vervoer stress opwekt bij dieren; is daarom van mening dat voor dieren die worden vervoerd de hoogste en strengste rechtsbescherming moet gelden;

3.  pleit voor een verbod op alle reizen van meer dan acht uur, ongeacht de wijze van vervoer, en op een beperking tot vier uur voor transporten naar slachthuizen; is van mening dat niet gespeende dieren niet langer dan vier uur mogen worden vervoerd;

4.  is voorstander van een efficiënter, economischer en ethischer vervoersysteem waarin prioriteit wordt gegeven aan het vervoer van vlees boven dieren in doorvoer naar het slachthuis;

5.  geeft er de voorkeur aan dat het slachten van dieren en het verwerken van vlees zo dicht mogelijk gebeuren bij de plaats waar de dieren worden gekweekt, en dringt er derhalve bij de Commissie op aan de ontwikkeling van regionale en/of mobiele slachthuizen te bevorderen;

6.  herinnert eraan dat ongeveer 70 à 80 % van de reizen betrekking heeft op slachtdieren, en dat de economische verliezen als gevolg van slecht uitgevoerd of al te langdurig vervoer erg hoog kunnen oplopen en dat het dierenwelzijn aanzienlijk kan dalen;

7.  stelt vast dat vele problemen al vóór de aanvang van de reis kunnen worden opgespoord en opgelost, en dringt er daarom bij de lidstaten op aan alle partijen dieren die bestemd zijn voor derde landen en ten minste een minimumaantal voertuigen te inspecteren tijdens het laden, in verhouding tot het aantal door ngo's en inspecties van het Voedsel- en Veterinair Bureau gemelde inbreuken; vraagt om passende voorzieningen voor het laden en lossen van dieren voor voertuigen en schepen, alsook om voldoende opgeleid personeel;

8.  ziet in dat de markt momenteel wordt verstoord door de verschillen in de geldende tarieven voor levende dieren en voor vlees, waardoor de handel in levende dieren een sterke impuls krijgt; dringt er bij de Commissie en haar handelspartners op aan deze verstoring te evalueren met het oog op een beperking van de handel in levende dieren en deze, waar nodig, te vervangen door handel in vlees;

9.  betreurt de omstandigheden aan de grenscontroles tussen de EU en derde landen, waar het ernstige gebrek aan voorzieningen voor lange wachttijden en oververhitting zorgt, waardoor vele dieren sterven of gruwelijk lijden;

10.  herinnert aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-424/13, waaruit blijkt dat de verordening door handelaren in de EU moet worden nageleefd tot bij de eindbestemming, ook al heeft de partij de Unie verlaten; is van mening dat dergelijk vervoer van levende dieren moet worden verboden tot de naleving kan worden gewaarborgd; verzoekt de Commissie internationaal te pleiten voor dierenwelzijn en initiatieven te nemen om het bewustzijn hierover in derde landen te vergroten;

11.  benadrukt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat dierenvervoer op een deugdelijke manier wordt georganiseerd en dat rekening wordt gehouden met weersomstandigheden en het soort vervoer;

12.  benadrukt dat de organisator bij een rusttijd van 24 uur in een derde land waarbij de dieren verplicht moeten worden gelost op zoek moet gaan naar een rustplaats met voorzieningen die gelijkwaardig zijn aan die van een EU-controlepost; verzoekt de bevoegde autoriteiten deze voorzieningen regelmatig te controleren en een journaal niet goed te keuren zonder de bevestiging te hebben ontvangen dat de voorgestelde rustplaats beschikt over voorzieningen die gelijkwaardig zijn aan die van een EU-controlepost;

13.  verzoekt officiële dierenartsen aan een plaats van uitgang uit de EU te controleren of de conditie van de dieren goed genoeg is om hun reis voort te zetten en na te gaan of voertuigen en/of schepen voldoen aan de vereisten van de verordening;

14.  beklemtoont dat de omstandigheden tijdens het vervoer over zee, als vastgesteld in de huidige verordening, moeten worden verbeterd, en dringt erop aan dat:

  de lidstaten en de bevoegde autoriteiten de certificerings- en goedkeuringsprocedures voor schepen strikter zouden toepassen en de controles inzake de geschiktheid van de dieren om te reizen vóór elke lading zouden verbeteren;

  de lidstaten de Commissie gedetailleerde plattegronden van hun inspectievoorzieningen zouden verschaffen voordat een haven mag worden gebruikt als plaats van uitgang voor dieren, en dat de Commissie een lijst van havens met toereikende voorzieningen voor diereninspectie zou opstellen, op grond van informatie van de lidstaten;

  tijdens elke zeereis een dierenarts (of ten minste een diergezondheidsspecialist) aanwezig zou zijn;

15.  beklemtoont voorts de slechte omstandigheden tijdens het vervoer over de weg en dringt erop aan dat:

–  de lidstaten strenger zouden zijn met betrekking tot zowel de certificerings- en goedkeuringsprocedures voor voertuigen als de afgifte van getuigschriften van vakbekwaamheid aan bestuurders;

–  de bevoegde autoriteiten zouden waarborgen dat er geen openingen zijn tussen de bodem van het tussenschot en de voertuigbodem en evenmin tussen de buitenrand van het tussenschot en de wand van het voertuig, en dat er voldoende en schoon strooisel is tijdens de hele reis;

–  de marktdeelnemers de grondige opleiding van bestuurders zouden waarborgen, die van essentieel belang is om ervoor te zorgen dat dieren behoorlijk worden behandeld overeenkomstig bijlage IV;

16.  merkt op dat delen van de verordening, ondanks de duidelijke aanbevelingen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), niet zijn afgestemd op de huidige wetenschappelijke kennis; pleit er eens te meer voor dat de bestaande lacunes worden weggewerkt tussen de wetgeving en de laatste wetenschappelijke inzichten zoals die door de EFSA zijn vastgesteld; legt de nadruk met name op het volgende:

  voldoende ventilatie en toereikende temperatuurregeling in alle voertuigen;

  geschikte drinksystemen, met name voor niet gespeende dieren;

  voldoende specifieke minimumruimte om de kop op te richten;

  beperking van de bezettingsdichtheid;

17.  dringt bij de lidstaten aan op een veel betere naleving van Verordening (EG) nr. 1/2005; dringt erop aan dat lidstaten, wanneer zij inbreuken op de correcte uitvoering van de verordening vaststellen, gebruikmaken van de krachtige handhavingsbevoegdheden waarover zij op grond van artikel 26 van de verordening beschikken om herhaling van dergelijke inbreuken te voorkomen; dringt er met name bij de lidstaten op aan corrigerende maatregelen te nemen en sancties op te leggen om dierenleed te voorkomen en oneerlijke concurrentie te vermijden, onder meer door schorsing of intrekking van de vergunning van vervoerders, en de Commissie daarvan op de hoogte te brengen;

18.  verzoekt de Commissie als hoedster van de Verdragen op te treden tegen de lidstaten die stelselmatig nalaten de verordening toe te passen en te handhaven, en de sanctiesystemen te inventariseren om te waarborgen dat de sancties doeltreffend, evenredig en ontradend zijn;

19.  verzoekt de Commissie na raadpleging van de nationale contactpunten een lijst op te stellen van marktdeelnemers van wie uit inspectie- en uitvoeringsverslagen blijkt dat zij schuldig zijn aan herhaaldelijke en zware inbreuken op de verordening; verzoekt de Commissie deze lijst regelmatig te publiceren en te actualiseren en ook voorbeelden van beste praktijken inzake zowel vervoer als bestuur te bevorderen;

20.  verzoekt de Commissie te blijven samenwerken met de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE), de EFSA en de lidstaten om de uitvoering en behoorlijke handhaving van Verordening (EG) nr. 1/2005 te ondersteunen teneinde aan te zetten tot een intensievere dialoog over problemen met dierenwelzijn tijdens het vervoer, met bijzondere aandacht voor het volgende:

  een betere toepassing van de EU-regels inzake dierenwelzijn tijdens het vervoer, door de uitwisseling van informatie en beste praktijken en de rechtstreekse betrokkenheid van belanghebbende partijen;

  ondersteuning van opleidingsactiviteiten die gericht zijn op bestuurders en vervoersondernemingen;

  betere verspreiding van de richtsnoeren en factsheets inzake dierenvervoer, die vertaald zijn in alle EU-talen;

  de ontwikkeling en het gebruik van vrijwillige verbintenissen van ondernemingen om het dierenwelzijn tijdens het vervoer verder te verbeteren;

  intensievere uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen de nationale autoriteiten om het aantal inbreuken door vervoersondernemingen en bestuurders terug te dringen;

21.  betreurt het lage en ontoereikende aantal controles en officiële audits, en is van mening dat het aantal jaarlijkse inspecties door het Voedsel- en Veterinair Bureau moet worden verhoogd; pleit voor een doeltreffender en transparanter monitoringsysteem, onder meer door openbare toegang tot informatie die wordt verzameld met het geïntegreerd veterinair computersysteem (Traces); verzoekt de Commissie met klem onderzoek te ondersteunen naar de technische haalbaarheid en betaalbaarheid van geolocatiesystemen voor dieren, zodat het mogelijk is op elk moment hun locatie en de duur van hun verplaatsing in voertuigen vast te stellen en eventuele niet-naleving van de vervoerstijden te controleren;

22.  verzoekt de Commissie een voorstel goed te keuren en in te dienen tot herziening van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten, teneinde de mechanismen met betrekking tot de naleving door de lidstaten van de vereisten inzake de bescherming van levende dieren tijdens het vervoer te versterken.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.12.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

27

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Lucy Anderson, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Deirdre Clune, Michael Cramer, Andor Deli, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Tania González Peñas, Dieter-Lebrecht Koch, Merja Kyllönen, Innocenzo Leontini, Peter Lundgren, Gesine Meissner, Renaud Muselier, Markus Pieper, Gabriele Preuß, Christine Revault d’Allonnes Bonnefoy, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, Keith Taylor, István Ujhelyi, Marita Ulvskog, Peter van Dalen, Wim van de Camp, Marie-Pierre Vieu, Janusz Zemke, Kosma Złotowski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Jakop Dalunde, Mark Demesmaeker, Evžen Tošenovský

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Lieve Wierinck

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

27

+

ALDE

Izaskun Bilbao Barandica, Gesine Meissner, Dominique Riquet, Lieve Wierinck

ECR

Peter van Dalen, Mark Demesmaeker, Peter Lundgren, Evžen Tošenovský, Kosma Złotowski

EFDD

Daniela Aiuto

GUE/NGL

Tania González Peñas, Merja Kyllönen, Marie-Pierre Vieu

PPE

Georges Bach, Dieter-Lebrecht Koch, Markus Pieper

S&D

Lucy Anderson, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Gabriele Preuß, Christine Revault d’Allonnes Bonnefoy, István Ujhelyi, Marita Ulvskog, Janusz Zemke

VERTS/ALE

Michael Cramer, Jakop Dalunde, Keith Taylor

5

-

PPE

Wim van de Camp, Deirdre Clune, Andor Deli, Innocenzo Leontini, Renaud Muselier

1

0

PPE

Massimiliano Salini

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie verzoekschriften (23.10.2018)

aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

inzake het uitvoeringsverslag betreffende Verordening nr. 1/2005 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer binnen en buiten de EU

(2018/2110(INI))

Rapporteur voor advies: Ángela Vallina

SUGGESTIES

De Commissie verzoekschriften verzoekt de bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  onderstreept dat de Commissie verzoekschriften een zeer groot aantal verzoekschriften over het welzijn van dieren tijdens het vervoer ontvangt, waarin vaak systematische, aanhoudende en ernstige schendingen van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1/2005(1) van de Raad door lidstaten en vervoerders aan de kaak worden gesteld;

2.  betreurt de uiterst gebrekkige aanpak van de Commissie met betrekking tot de vervolging van ernstige, systematische schendingen van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1/2005, die haar onder de aandacht zijn gebracht in bijna 200 specifieke, gedetailleerde verslagen die sinds 2007 door ngo's uit de sector zijn ingediend;

3.  wijst op het grote aantal parlementaire vragen en klachten dat de Commissie van leden van het Europees Parlement heeft ontvangen, waarin systematische schendingen van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1/2005 met als gevolg ernstig lijden en ongemak van dieren tijdens het vervoer aan de orde komen; is zeer kritisch over de door de Commissie verstrekte statistieken over de naleving van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1/2005 inzake het vervoer van levende dieren naar derde landen, die zonder systematische controles op de vervoermiddelen waarin de dieren worden vervoerd, tot stand zijn gekomen;

4.  veroordeelt deze situatie en acht het onaanvaardbaar dat er dertien jaar na de inwerkingtreding van de verordening nog altijd getuigenissen worden ontvangen over dieren die in strijd met de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1/2005 onder slechte omstandigheden worden vervoerd in ongeschikte en overvolle vervoermiddelen, waardoor de dieren onnodig lijden en voor zowel dier als mens risico's ontstaan;

5.  wijst erop dat de meest voorkomende schendingen van de bepalingen Verordening (EG) nr. 1/2005 betrekking hebben op de overvolle vervoermiddelen waarin dieren worden vervoerd en bijgevolg het gebrek aan ruimte waarmee ze tijdens het vervoer te maken hebben, waardoor de dieren voor lange tijd onnatuurlijke houdingen moeten aannemen, op het niet in acht nemen van de tussenpozen voor het drenken en het voederen van de dieren en van de reis- en rusttijden, alsook op slechte ventilatie- en drenkingssystemen, vervoer bij extreme temperaturen, het vervoer van ongeschikte dieren, en onvoldoende strooisel en voer;

6.  stelt met grote bezorgdheid vast dat dieren tijdens lange reizen verontreinigd water te drinken krijgen dat niet geschikt is voor consumptie en vaak geen toegang hebben tot water als gevolg van defecten, onjuiste plaatsing van de drenkingssystemen of een ontoereikende watervoorraad (d.w.z. een voorraad die niet in verhouding staat tot de vervoerde diersoorten en de grootte van de dieren);

7.  merkt op dat uit de meldingen met betrekking tot schendingen van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1/2005 in verband met slechte ventilatiesystemen in vervoermiddelen waarin dieren lange trajecten afleggen, blijkt dat in deze vervoermiddelen vaak sprake is van extreme temperaturen die de wettelijk vastgestelde grenstemperaturen sterk overschrijden, waardoor de dieren vreselijk lijden; wijst erop dat in enkele gevallen is vastgesteld dat met de temperatuursensoren van de desbetreffende vervoermiddelen was geknoeid;

8.  merkt op dat de Commissie ervan op de hoogte is dat bepaalde lidstaten geen melding maken van te hoge temperaturen (boven de 35 °C) in vervoermiddelen waarin dieren worden vervoerd, maar desalniettemin officieel heeft verklaard de binnentemperatuur in deze vervoermiddelen niet systematisch te controleren, waardoor het onmogelijk is een nauwkeurig beeld te krijgen van de omstandigheden waaronder dieren worden vervoerd;

9.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat reizen van vertrek tot aankomst overeenkomstig de EU-voorschriften voor dierenwelzijn worden gepland en uitgevoerd en dat daarbij rekening wordt gehouden met de verschillende vervoermiddelen en de uiteenlopende geografische omstandigheden in de EU en in derde landen;

10.  verzoekt de lidstaten alle langeafstandsvervoer van dieren te verbieden wanneer sprake is van extreme weersomstandigheden, en met name wanneer de temperatuur bij vertrek of aankomst of onderweg naar verwachting tot boven de 30 °C zal oplopen; benadrukt dat naast de reisduur ook andere aspecten van belang zijn voor het welzijn van de dieren, zoals correcte laad- en losmethoden, geschikte voeding, de manier waarop de vervoermiddelen zijn ingedeeld en uitgerust, en het aantal dieren dat in de containers wordt geladen;

11.  onderstreept dat de bevoegde autoriteiten, alsook officiële dierenartsen aan een EU-plaats van uitgang, bij het laden moeten nagaan of aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1/2005 op het gebied van diergezondheid, ruimte en ruimhoogte wordt voldaan, of de ventilatie- en drenkingssystemen naar behoren functioneren en geschikt zijn voor de vervoerde diersoorten en de grootte van de dieren, en of er voldoende voer en strooisel wordt meegenomen; is van mening dat, in gevallen waarin uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1/2005 wordt voorgeschreven dat de dieren op een controlepost moeten worden uitgeladen of in een derde land om 24 uur te rusten, de bevoegde autoriteiten enkel hun goedkeuring mogen hechten aan journalen indien de organisator kan bevestigen dat een controlepost is gereserveerd of een andere rustplaats met soortgelijke voorzieningen is gevonden waar het welzijn van de dieren volledig in acht zal worden genomen, en wanneer zij deze informatie hebben geverifieerd;

12.  betreurt ten zeerste dat het laden van dieren op schepen vaak op een wrede manier gebeurt, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van (elektrische) prikstokken en de laadvoorzieningen niet geschikt zijn om het welzijn van de dieren volledig te waarborgen;

13.  maakt zich zorgen over de niet-naleving van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1/2005 betreffende het vervoer van niet-gespeende dieren; acht het noodzakelijk dat er gedetailleerdere en ingrijpendere maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat aan alle specifieke behoeften in verband met dit soort vervoer wordt voldaan;

14.  is bezorgd over het aantal meldingen met betrekking tot het gebruik van ongeschikte vervoermiddelen voor het vervoer van levende dieren, zowel over land als over zee, en pleit ervoor de controles op dergelijke praktijken aan te scherpen; verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe nieuwe en bestaande technologieën in voor het vervoer van dieren bestemde vervoermiddelen gebruikt kunnen worden om de temperatuur en vochtigheid te regelen, te controleren en te registreren, aangezien dit essentieel is voor het bewaken en beschermen van het welzijn van bepaalde diersoorten tijdens het vervoer, overeenkomstig de aanbevelingen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA);

15.  betreurt het dat delen van de verordening, ondanks de duidelijke aanbevelingen van de EFSA, niet op de huidige wetenschappelijke kennis zijn afgestemd, en pleit voor geactualiseerde regels inzake: voldoende ventilatie en koeling in alle vervoermiddelen; gepaste drenkingssystemen die geschikt zijn voor verschillende diersoorten en dieren van verschillende leeftijden, en met name voor niet-gespeende dieren; specifieke eisen met betrekking tot de minimumruimte om de kop op te richten;

16.  pleit ervoor dat minder dieren over lange afstanden worden vervoerd en dat de duur en frequentie van het vervoer van dieren tot een minimum worden beperkt; is van oordeel dat de ernstige problemen die verband houden met het vervoer van levende dieren, met name vanuit de EU naar derde landen, grotendeels kunnen worden opgelost door in plaats van levende dieren vlees of karkassen te vervoeren;

17.  pleit voor een verbod op reizen van langer dan acht uur;

18.  dringt erop aan om, waar mogelijk, middelen voor lokale verwerking in te zetten en kortere toeleveringsketens tot stand te brengen;

19.  betreurt het ten zeerste dat de verordening in veel lidstaten onevenredig en slecht wordt gehandhaafd en dat de lidstaten aanhoudende schendingen van het EU-recht niet op doeltreffende en uniforme wijze monitoren noch bestraffen, wat bepaalde vervoerders de kans geeft om op illegale wijze te werk te gaan; maakt zich ernstige zorgen over het feit dat veel lidstaten verzuimen hun bevoegdheden uit hoofde van artikel 26 van Verordening (EG) nr. 1/2005 naar behoren en op doeltreffende wijze uit te oefenen, waaronder de bevoegdheid om vervoerders te verzoeken maatregelen te treffen om te voorkomen dat vastgestelde onregelmatigheden zich opnieuw voordoen, de bevoegdheid om vervoerders te onderwerpen aan aanvullende inspecties en, in het bijzonder, te vereisen dat bij het laden van de dieren een dierenarts aanwezig is, alsook de bevoegdheid om vergunningen of typegoedkeuringscertificaten voor de gebruikte vervoermiddelen van vervoerders op te schorten of in te trekken; verzoekt de Commissie in het licht van het gebrek aan geharmoniseerde controles en sancties in de lidstaten te overwegen de huidige bepalingen die zijn neergelegd in Verordening (EG) nr. 1/2005, en met name in overweging 11 en artikel 30, lid 1, te herzien, zodat overal in de EU op uniforme wijze doeltreffende en afschrikkende sancties kunnen worden ingevoerd en opgelegd;

20.  verzoekt de lidstaten de controles in de gehele productieketen aan te scherpen en partijen dieren met name voor het laden systematisch en op doeltreffende wijze te inspecteren om praktijken die in strijd zijn met de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1/2005 een halt toe te roepen en ervoor te zorgen dat de omstandigheden waaronder dieren over land of over zee worden vervoerd, niet verslechteren, door bijvoorbeeld niet toe te staan dat vervoerders die te veel of ongeschikte dieren vervoeren, hun lange reis voortzetten, en door ervoor te zorgen dat controleposten met ontoereikende rust-, voeder- en drenkingsvoorzieningen niet langer worden gebruikt;

21.  verzoekt de lidstaten de handhaving van de bestaande regels te verbeteren door ervoor te zorgen dat de navigatiesystemen die gebruikt worden wanneer dieren langer dan acht uur moeten worden vervoerd, op doeltreffende wijze worden gebruikt, zodat de bevoegde autoriteiten tijdens dergelijk vervoer nauwlettender kunnen toezien op de reis en de rusttijden;

22.  verzoekt de lidstaten de in artikel 26 bedoelde kennisgevingen systematisch en op gedetailleerde wijze te verstrekken wanneer zij schendingen van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1/2005 vaststellen; verzoekt de lidstaten tijdig en op doeltreffende en consequente wijze te handelen wanneer zij dergelijke kennisgevingen ontvangen, om ervoor te zorgen dat de gemelde schendingen zich niet opnieuw voordoen; meent dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar mogelijk foto's van de vastgestelde schendingen bij de kennisgevingen moeten voegen;

23.  benadrukt dat de ondoeltreffende samenwerking tussen de autoriteiten op de grensinspectieposten, in combinatie met de ontoereikende operationele structuren en werkwijzen, geleid heeft tot ongerechtvaardigde wachttijden voor vervoermiddelen waarmee dieren worden vervoerd, wat vanwege de extreme binnentemperaturen en slechte ventilatie verwoestende gevolgen heeft gehad voor het welzijn van de dieren en daarmee duidelijk in strijd is met de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1/2005;

24.  acht het cruciaal dat de nationale autoriteiten zich volledig en consequent aan de bepalingen van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1/2005 betreffende de afgifte van goedkeuringscertificaten voor veeschepen houden en hun goedkeuring niet hechten aan journalen waarin havens worden vermeld die niet over de nodige voorzieningen voor het systematisch inspecteren van dieren beschikken;

25.  meent dat vervoerders verplicht moeten worden ervoor te zorgen dat tijdens het vervoer van dieren per schip gekwalificeerde, onafhankelijke dierenartsen aanwezig zijn en is eveneens van oordeel dat melding moet worden gemaakt van dieren die onderweg sterven en dat de sterfgevallen moeten worden geregistreerd, alsook dat specifieke en gedetailleerde actieplannen moeten worden vastgesteld om noodgevallen die negatieve gevolgen hebben voor het welzijn van de dieren aan te pakken;

26.  verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om de samenwerking en communicatie tussen de bevoegde autoriteiten in alle lidstaten te bevorderen, het bewustzijn te vergroten en ervoor te zorgen dat beste praktijken op het gebied van dierwelzijn worden uitgewisseld onder de verschillende belanghebbenden die bij het vervoer van levende dieren betrokken zijn;

27.  betreurt het dat de verordening, wanneer dieren buiten de EU worden vervoerd, in de meeste gevallen nog altijd niet wordt nageleefd, ondanks het feit dat vervoerders zich bij reizen met een bestemming in een derde land krachtens uitspraken van het Hof van Justitie gedurende de hele reis verplicht aan de bepalingen van de verordening moeten houden; pleit voor de harmonisatie van dierpopulatieregisters voor het vervoer van dieren naar derde landen;

28.  dringt aan op de consequente en volledige naleving van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met inbegrip van zaak C-424/13 van 23 april 2015(2), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de vervoerder, om in de vertrekplaats toestemming te krijgen voor vervoer van dieren dat een lange reis omvat die begint op het grondgebied van de EU en gebieden buiten dit grondgebied bestrijkt, verplicht moet worden een naar waarheid opgemaakt, nauwkeurig journaal te overleggen, teneinde vast te stellen of Verordening (EG) nr. 1/2005 zowel in de EU als in de betrokken derde landen wordt nageleefd; merkt op dat de verantwoordelijke autoriteiten, indien dit niet het geval blijkt te zijn, de bevoegdheid moeten hebben om te eisen dat de vervoersregelingen worden aangepast om ervoor te zorgen dat de verordening gedurende de gehele reis wordt nageleefd;

29.  pleit voor betere handhaving, niet alleen binnen de lidstaten, maar ook wanneer dieren buiten het grondgebied van de EU worden vervoerd, waar het vaak slechter met het dierwelzijn gesteld is dan in de EU;

30.  betreurt het dat de normen die door de externe partners van de EU worden gehandhaafd, niet zo streng zijn als de normen die binnen de Unie worden gehandhaafd; verzoekt de Commissie met name op het gebied van de invoer van dieren uit derde landen de vereisten samen met de handelspartners van de Unie, en vooral met de internationale economische partners, aan te scherpen; is van mening dat de uitvoer van dieren naar de EU-markt door externe partners uit landen met minder strenge normen economische gevolgen moet hebben;

31.  wijst op het besluit van de Raad (2004/544/EG)(3) betreffende de ondertekening van de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer, in een van de volgende vormen: vervoer tussen twee lidstaten via het grondgebied van een derde land, vervoer tussen een lidstaat en een derde land of rechtstreeks vervoer tussen twee lidstaten;

32.  betreurt het besluit van de Conferentie van voorzitters, dat zonder stemming in de plenaire vergadering van het Parlement is genomen, om ondanks de steun van een groot aantal leden van verschillende fracties geen parlementaire onderzoekscommissie in te stellen voor het welzijn van dieren tijdens het vervoer binnen en buiten de EU; beveelt daarom aan dat het Parlement vanaf het begin van de volgende zittingsperiode een onderzoekscommissie voor het welzijn van dieren tijdens het vervoer binnen en buiten de EU instelt, om wreedheid tegen dieren tijdens dit vervoer naar behoren te onderzoeken en te monitoren;

33.  vraagt de Commissie om met het oog op deze systematische handhavingsproblemen te zorgen voor doeltreffend toezicht op de naleving van de verordening op alle niveaus en in alle lidstaten, om onmiddellijk de nodige onderzoeken in te stellen naar mogelijke schendingen van de verordening, en om inbreukprocedures in te leiden tegen de verantwoordelijke lidstaten.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

8.10.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Margrete Auken, Beatriz Becerra Basterrechea, Pál Csáky, Miriam Dalli, Rosa Estaràs Ferragut, Eleonora Evi, Peter Jahr, Rikke-Louise Karlsson, Jude Kirton-Darling, Svetoslav Hristov Malinov, Notis Marias, Ana Miranda, Miroslavs Mitrofanovs, Marlene Mizzi, Virginie Rozière

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Urszula Krupa, Sven Schulze, László Tőkés, Ángela Vallina, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Javier Couso Permuy, Rosa D’Amato, Anja Hazekamp, Barbara Kudrycka

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

24

+

ALDE

ECR

EFDD

GUE/NGL

NI

PPE

 

S&D

Verts/ALE

Beatriz Becerra Basterrechea

Urszula Krupa, Notis Marias

Rosa D’Amato, Eleonora Evi

Javier Couso Permuy, Anja Hazekamp, Ángela Vallina

Rikke-Louise Karlsson

Pál Csáky, Rosa Estaràs Ferragut, Peter Jahr, Barbara Kudrycka, Svetoslav Hristov Malinov, Sven Schulze, László Tőkés, Rainer Wieland

Miriam Dalli, Jude Kirton-Darling, Marlene Mizzi, Virginie Rozière

Margrete Auken, Ana Miranda, Miroslavs Mitrofanovs

0

-

0

0

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1.

(2)

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 23 april 2015, Zuchtvieh-Export GmbH v Stadt Kempten, C-424/13, ECLI:EU:C:2015:259.

(3)

PB L 241 van 13.7.2004, blz. 21.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.1.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

12

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Daniel Buda, Jacques Colombier, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Jørn Dohrmann, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Luke Ming Flanagan, Karine Gloanec Maurin, Martin Häusling, Anja Hazekamp, Esther Herranz García, Ivan Jakovčić, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Ulrike Müller, James Nicholson, Maria Noichl, Marijana Petir, Jens Rohde, Bronis Ropė, Maria Lidia Senra Rodríguez, Czesław Adam Siekierski, Tibor Szanyi, Marc Tarabella, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Angélique Delahaye, Stefan Eck, Fredrick Federley, Maria Heubuch, Anthea McIntyre, Momchil Nekov, Annie Schreijer-Pierik, Vladimir Urutchev, Thomas Waitz

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Krzysztof Hetman, Stanisław Ożóg


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

22

+

ALDE

Fredrick Federley, Ivan Jakovčić, Ulrike Müller, Jens Rohde

ECR

Jørn Dohrmann

EFDD

Marco Zullo

ENF

Jacques Colombier, Philippe Loiseau

GUE/NGL

Stefan Eck, Luke Ming Flanagan, Anja Hazekamp, Maria Lidia Senra Rodríguez

PPE

Czesław Adam Siekierski

S&D

Eric Andrieu, Karine Gloanec Maurin, Momchil Nekov, Maria Noichl, Tibor Szanyi, Marc Tarabella

VERTS/ALE

Martin Häusling, Bronis Ropė, Thomas Waitz

12

-

ENF

John Stuart Agnew

PPE

Daniel Buda, Michel Dantin, Angélique Delahaye, Albert Deß, Norbert Erdős, Mairead McGuinness, Marijana Petir, Annie Schreijer-Pierik, Vladimir Urutchev

S&D

Clara Eugenia Aguilera García, Paolo De Castro

4

0

ECR

Anthea McIntyre, James Nicholson, Stanisław Ożóg

PPE

Herbert Dorfmann

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 6 februari 2019Juridische mededeling