Procedure : 2018/2177(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0107/2019

Ingediende teksten :

A8-0107/2019

Debatten :

PV 26/03/2019 - 12
CRE 26/03/2019 - 12

Stemmingen :

PV 26/03/2019 - 13.3
CRE 26/03/2019 - 13.3

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0244

VERSLAG     
PDF 239kWORD 82k
27.2.2019
PE 626.825v02-00 A8-0107/2019

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2017

(2018/2177(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Marco Valli

AMENDEMENTEN
1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2017

(2018/2177(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de financiële staten en jaarrekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2018)0519 – C8‑0328/2018),

–  gezien de financiële informatie over het Europees Ontwikkelingsfonds (COM(2018)0475),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten gefinancierd uit het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2017, vergezeld van de antwoorden van de Commissie(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2017 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbevelingen van de Raad van 20 februari 2019 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van het Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2017 (05368/2019 – C8‑0064/2019, 05369/2019 – C8‑0065/2019, 05370/2019 – C8‑0066/2019, 05371/2019 – C8‑0067/2019),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2018)0545),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2017 getiteld "Tussentijds evaluatieverslag over de externe financieringsinstrumenten" COM(2017)0720, en de begeleidende werkdocumenten van de diensten van de Commissie over de evaluatie van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (SWD(2017)0600), en over de evaluatie van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds (SWD(2017)0601),

–  gezien de externe evaluatie van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds (definitief verslag van juni 2017), door een team van externe contractanten in opdracht van de Commissie,

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000(3) en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010(4),

–  gezien Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap ('LGO­besluit')(5),

–  gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het Tweede Financieel Protocol bij de vierde ACS-EG-overeenkomst(6),

–  gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(7),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 17 juli 2006 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn(8),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 juni 2013 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor 2014-2020 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn(9),

–  gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst(10),

–  gezien artikel 119 van het financieel reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds(11),

–  gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het financieel reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(12),

–  gezien artikel 48 van Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het financieel reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds(13),

–  gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0107/2019),

1.  verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2017;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2017

(2018/2177(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de financiële staten en jaarrekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2018)0519 – C8‑0328/2018),

–  gezien de financiële informatie over het Europees Ontwikkelingsfonds (COM(2018)0475),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten gefinancierd uit het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2017, vergezeld van de antwoorden van de Commissie(14),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(15) voor het begrotingsjaar 2017 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbevelingen van de Raad van 20 februari 2019 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van het Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2017 (05368/2019 – C8‑0064/2019, 05369/2019 – C8‑0065/2019, 05370/2019 – C8‑0066/2019, 05371/2019 – C8‑0067/2019),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2018)0545),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2017 getiteld "Tussentijds evaluatieverslag over de externe financieringsinstrumenten" COM(2017)0720, en de begeleidende werkdocumenten van de diensten van de Commissie over de evaluatie van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (SWD(2017)0600), en over de evaluatie van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds (SWD(2017)0601),

–   gezien de externe evaluatie van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds (definitief verslag van juni 2017), door een team van externe contractanten in opdracht van de Commissie,

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000(16) en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010(17),

–  gezien Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap ('LGO­besluit')(18),

–  gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het Tweede Financieel Protocol bij de vierde ACS-EG-overeenkomst(19),

–  gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(20),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 17 juli 2006 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn(21),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 juni 2013 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor 2014-2020 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn(22),

–  gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst(23),

–  gezien artikel 119 van het financieel reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds(24),

–  gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het financieel reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(25),

–  gezien artikel 48 van Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het financieel reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds(26),

–  gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0107/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2017;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2017

(2018/2177(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2017,

–  gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0107/2019),

A.  overwegende dat de Commissie het beheer van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) volledig ondersteunt en dat zij de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt voor de wettigheid/regelmatigheid van de verrichtingen van het EOF en voor het toezicht op het proces van financiële verslaglegging over het EOF;

B.  overwegende dat de ontwikkelingshulp van het EOF effectief wordt geïmplementeerd in 79 landen, hoewel de politieke en sociaaleconomische omstandigheden vaak complex en onstabiel zijn en risico's met zich meebrengen;

C.  overwegende dat het van cruciaal belang is ervoor te zorgen dat ontwikkelingshulp wordt gebruikt in overeenstemming met het oorspronkelijke doel ervan, zoals vastgelegd in artikel 208 VWEU, waarbij terdege rekening moet worden gehouden met de beginselen inzake de doeltreffendheid van hulp en ontwikkeling;

D.  overwegende dat verscheidene beleidsmaatregelen van de Unie in eenzelfde land of groep landen worden uitgevoerd volgens uiteenlopende beginselen en doelstellingen met het risico dat zij in tegenspraak zijn;

E.  overwegende dat het EOF zich steeds weer moet richten op meer samenhang met de uitgangsdoelstelling van de terugdringing van armoede en, op de lange termijn, de uitbanning van armoede en op meer nadruk op resultaten en zichtbare acties;

F.  overwegende dat bij de vormen van hulpverlening van het EOF rekening moet worden gehouden met de verschillende ontwikkelingsstadia van de partnerlanden, met name bij partnerlanden die zijn geëvolueerd van een lage-inkomensstatus naar een middeninkomensstatus;

G.  overwegende dat een eerste voorwaarde voor duurzame ontwikkeling bestaat in een transparante, inclusieve, doeltreffende participatieve beleidsvorming die de beginselen van de mensenrechten respecteert;

H.  overwegende dat werkzame voorwaarden en regelmatige controles essentiële onderdelen zijn bij het waarborgen van de doeltreffendheid en het gedegen financieel beheer van het EOF;

I.  overwegende dat het Parlement niet betrokken is bij het vaststellen en toewijzen van EOF-middelen in tegenstelling tot andere ontwikkelingsinstrumenten;

Betrouwbaarheidsverklaring

Voornaamste bevindingen met betrekking tot de financiële uitvoering in 2017

1.  stelt vast dat de EOF-vastleggingen eind 2017 6 218 miljoen EUR bedroegen en dus 95 % van het in oktober 2017 herziene jaarlijkse streefcijfer (te weten 6 510 miljoen EUR) en dat de totale EOF-betalingen op 31 december 2017 4 256 miljoen EUR beliepen, hetgeen overeenkomt met een uitvoeringspercentage van 98,89 % van het in oktober 2017 herziene jaarlijkse streefcijfer (oftewel 6 510 miljoen EUR); neemt, naast bovengenoemde EOF-vastleggingen en ‑betalingen, ter kennis dat voor 2017 de totale vastleggingen van de Europese Investeringsbank (EIB) 667 miljoen EUR en de betalingen van de EIB 456 miljoen EUR bedroegen;

2.  constateert dat het aandeel van het Verenigd Koninkrijk 14,82 % van het tiende EOF en 14,68 % van het elfde EOF bedraagt; onderstreept dat het belangrijk is dat de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk na terugtrekking uit de Europese Unie nauwe banden met elkaar blijven onderhouden voor wat betreft het EOF en ontwikkelingshulp, en neemt kennis van het voorstel van de Commissie om rubriek VI (die de vroegere rubriek IV en het EOF dekt) voor de komende programmeringsperiode met 26 % te verhogen;

3.  is ingenomen met de geregelde inspanningen van het directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling (DG DEVCO) van de Commissie om de oude voorfinancieringen, oude niet-afgewikkelde vastleggingen en oude verlopen contracten met een streefdoel van 25 % te verminderen; merkt op dat dit streefdoel is overschreden met een vermindering van 32,58 % voor oude EOF-voorfinancieringen (37,6 % voor zijn gehele bevoegdheidsterrein) en een vermindering van 37,63 % voor oude niet‑afgewikkelde vastleggingen; constateert tevens dat voor de oude verlopen EOF‑contracten het streefdoel niet is gehaald, omdat hun aandeel 18,75 % bedraagt in plaats van de nagestreefde 15 %. constateert dat volgens de Rekenkamer het afsluitingsproces van oude verlopen contracten en de invoering van een nieuwe procedure om dit terugkerende probleem aan te pakken zeer complex zijn;

4.  verzoekt DG DEVCO te overwegen de bestaande reeks kernprestatie-indicatoren te verfijnen of zelfs aan te passen onder andere met het oog op een betere monitoring van de ouderdom van de bijdragen die als voorschot zijn betaald aan de trustfondsen van de Unie (Bêkou-trustfonds en het noodtrustfonds van de Unie voor Afrika);

Betrouwbaarheid van de rekeningen

5.  is ingenomen met het oordeel van de Rekenkamer dat de definitieve jaarrekening van het achtste, negende, tiende en elfde EOF voor het jaar 2017 een in elk materieel opzicht getrouw beeld van de financiële situatie van het EOF per 31 december 2017 geeft en dat de resultaten van hun verrichtingen, hun kasstromen en de veranderingen in de netto-activa over het op die datum afgesloten jaar in overeenstemming zijn met de bepalingen van het financieel reglement van het EOF en de internationaal aanvaarde boekhoudnormen voor de overheidssector;

Wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen

6.  is verheugd over het oordeel van de Rekenkamer dat de onderliggende ontvangsten bij de rekeningen voor het begrotingsjaar 2017 op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

7.  is bezorgd over het afkeurend oordeel van de Rekenkamer ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de betalingen volgens welk de onderliggende betalingen bij de rekeningen materiële fouten vertonen;

8.  betreurt het feit dat DG DEVCO in elk jaarlijks activiteitenverslag sinds 2012 een voorbehoud moest maken ten aanzien van de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, hetgeen wijst op ernstige tekortkomingen bij het intern beheer;

9.  is bezorgd over het feit dat het foutenpercentage voor de onderliggende uitgaven bij de rekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde EOF volgens de raming van de Rekenkamer in haar jaarverslag 4,5 % bedraagt in vergelijking met de 3,3 % in 2016, de 3,8 % in 2014 en 2015, de 3,4 % in 2013 en de 3 % in 2012;

10.  is bezorgd over de resultaten van de steekproeven van de Rekenkamer met betrekking tot betalingsverrichtingen waarvan 29 % fouten bevat (37 van de 128 gecontroleerde betalingsverrichtingen); betreurt het feit dat de soorten fouten in 2017 gelijk blijven aan die in de vorige jaren, dat wil zeggen niet-gedane uitgaven (42 %), het ontbreken van essentiële bewijsstukken (29 %) en een ernstig tekortschieten bij de naleving van de regels inzake openbare aanbestedingen (12 %); betreurt het feit dat 33 % van de 30 betalingsverrichtingen met kwantificeerbare fouten definitieve verrichtingen waren die waren goedgekeurd nadat alle controles vooraf waren verricht;

11.  betreurt het feit dat overige fouten, evenals in voorgaande jaren, betrekking hadden op programmaramingen, subsidies en bijdrageovereenkomsten die zowel met internationale organisaties als samenwerkingsagentschappen van de lidstaten worden beheerd; herinnert aan zijn bezorgdheid over het feit dat de hypothetische aanpak bij multidonorprojecten die door internationale organisaties worden uitgevoerd, en de activiteiten inzake begrotingssteun de reikwijdte van de controle door de Rekenkamer inperken; is evenwel ingenomen met de verbeteringen die de Commissie in 2018 heeft aangebracht, waaronder de goedkeuring van de "standaardcriteria voor verificaties van uitgaven " en het "stappenplan voor de versterking van de controles in het kader van de programmaramingen"; verzoekt de Commissie na te denken over haar aanname dat aan de subsidiabiliteitscriteria van de Unie is voldaan mits het samengevoegde bedrag genoeg subsidiabele uitgaven bevat om de bijdrage van de Unie te dekken; verzoekt de Commissie andermaal de tekortkomingen op het gebied van contractbeheer, selectieprocedures, documentenbeheer en het aanbestedingssysteem op doeltreffende wijze aan te pakken;

12.  dringt er bij de Commissie op aan een gedetailleerde toelichting op deze bevindingen te geven en een duidelijk plan voor te leggen aan het Parlement met de noodzakelijke stappen om deze zeer zorgwekkende situatie te corrigeren;

13.  is bezorgd over het feit dat zich in 2017 herhaalde malen gevallen hebben voorgedaan in verband met terugvorderingen van niet-bestede voorfinancieringen die ten onrechte waren geboekt als operationele ontvangsten, hoewel de correcties in 2017 zijn gestegen tot 5,1 miljoen EUR (in vergelijking met 3,1 miljoen EUR in 2016);

Doeltreffendheid (en betrouwbaarheid) van de betrouwbaarheidsketen

Toezicht

14.  is van oordeel dat de versterking van de diverse bouwstenen van het betrouwbaarheidskader op gecoördineerde wijze moet worden voortgezet; herhaalt de noodzaak een samenhangende toezichtstrategie te handhaven waarmee wordt gezorgd voor een evenwicht tussen de eerbiediging van de nalevingsbepalingen, de prestatiedoelen en betrouwbare criteria inzake de toegevoegde waarde ten aanzien van de resultaten en de absorptiecapaciteit van partnerlanden, hetgeen terdege tot uiting moet komen in het beheer van de verschillende hulpoperaties en vormen van steunverlening;

15.  erkent de terugkerende lacunes in het systeem van voorafgaande controles van de Commissie, en verzoekt de Commissie andermaal maatregelen te nemen om de fouten die zijn vastgesteld bij bepaalde voorafgaande controle te voorkomen; merkt op dat de Rekenkamer heeft onderstreept dat de Commissie in sommige gevallen van fouten over voldoende informatie uit haar informatiesystemen beschikte om deze fouten te voorkomen, op te sporen en te corrigeren voordat zij de uitgaven accepteerde. Had ze dit wel gedaan, dan zou het geschatte foutenpercentage 1,8 % lager zijn geweest; beschouwt het nieuwe concept van uitgavenverificatie in de nieuwe taakomschrijving van de Commissie als een nuttige manier om tekortkomingen in de tenuitvoerlegging van het controlesysteem te verhelpen;

16.  wijst op de minder voorzichtige aanpak in 2017 door DG DEVCO in zijn zesde analyse van het restfoutenpercentage, met name bij de berekening en extrapolatie van fouten, hetgeen was te wijten aan het feit dat de jaarlijkse evaluatie van 2017 een zeer beperkt aantal controles ter plaatse en een beperkte behandeling van aanbestedingsprocedures omvatte waardoor het gemaakte voorbehoud beperkt bleef tot de reikwijdte van subsidies onder direct beheer (met een risicobedrag van 82,96 miljoen EUR); erkent de niet-aflatende, tot dusverre verrichte inspanningen om het geschatte foutenpercentage onder de materialiteitsdrempel van 2 % te houden; onderstreept echter dat de verwezenlijking van deze doelstelling niet mag resulteren in een vertroebeld idee van de regelmatigheid en wettigheid van de verrichtingen dat tevens de vergelijkbaarheid van de resultaten over diverse jaren zou verhinderen; doet een beroep op de belanghebbenden om concurrerende methodologieën bij de evaluatie van geschatte foutenpercentages te voorkomen teneinde een betrouwbaar beeld van de situatie te geven en het vertrouwen en de billijkheid zowel bij de verrichte controles als bij de algehele controlesystemen te vergroten;

Risicobeheer

17.  wijst erop dat de geregelde monitoring van hoge risicofactoren (extern, financieel en operationeel) en de adequate kwantificering ervan een belangrijke voorwaarde vormen voor een goed financieel beheer en uitgaven van goede kwaliteit, alsmede voor de opbouw van geloofwaardigheid, duurzaamheid en reputatie van interventies van de Unie; moedigt DG DEVCO ertoe aan zijn processen te blijven verfijnen naargelang van de risico's en de financiële omvang, en de voorwaarden aan te passen overeenkomstig de verschillende ontwikkelingsniveaus, de risicoprofielen van landen en de bestuurskaders;

18.  onderstreept de noodzaak om het in kaart brengen en de matrix van risico's door DG DEVCO aan te passen aan de opkomst van nieuwe vormen van bijstandsinstrumenten en -faciliteiten binnen de tool kit van de EU, zoals gemengde financiering, speciale trustfondsen en financiële partnerschappen met andere internationale instellingen of multilaterale ontwikkelingsbanken;

Evaluatie en verslaglegging

19.  verzoekt DG DEVCO om zijn regelingen inzake monitoring, evaluatie en verslaglegging van de prestaties aanzienlijk te verbeteren om ervoor te zorgen dat de in de verschillende prestatiesystemen vastgelegde kernindicatoren systematisch worden gemonitord en dat beleidsmakers tijdig de beschikking krijgen over betrouwbare en veelomvattende informatie; dringt aan op een evaluatie op de lange termijn met inbegrip van het verzamelen van gegevens, onderzoek en analyses teneinde de kernindicatoren te verbeteren; is van oordeel dat het ondermijnen van de monitoring van de prestaties en de evaluatie van de resultaten afbreuk doet aan de publieke verantwoording;

20.  is van mening dat het RGM-instrument proactief en sneller moet worden ingezet, wanneer zich kritische situaties voordoen of voortduren; benadrukt dat er onverwijld corrigerende maatregelen moeten worden genomen en dat de aard van de tekortkomingen op ontwerpniveau structureel moet worden beoordeeld; onderstreept dat het onontbeerlijk is dat het Parlement en de autoriteit voor begrotingscontrole een duidelijk overzicht krijgen van de daadwerkelijke mate waarin de voornaamste ontwikkelingsdoelstellingen van de Unie zijn verwezenlijkt;

21.  beschouwt de toezichtverslagen externe steun van de Uniedelegaties als een nuttig institutioneel verslagleggingsinstrument dat bijdraagt tot de betrouwbaarheidsopbouw en prestatiemeting van elke Uniedelegatie; wijst op het dalende aandeel van projecten met uitvoeringsproblemen van 31,1 % (980 projecten van de 3 151 lopende projecten) in 2016 naar 23,8 % (of 1 059 projecten van de 4 444 lopende projecten) in 2017; is echter bezorgd over het feit dat bij 27 % van de huidige projecten met uitvoeringsproblemen de voornaamste redenen de waargenomen lage capaciteit of prestatie van de uitvoerende partners, de lage belangstelling en inzet van de belanghebbenden of de ontoereikende medefinanciering door de partners zijn, factoren die in een vroeg stadium van de politieke dialoog en donorcoördinatie moeten worden opgespoord;

Uitvoering van de ontwikkelingshulp van het EOF

Evaluatie van het 11e EOF

22.  neemt nota van het feit dat in de evaluatie van het 11e EOF wordt gesteld dat (i) "er een reëel gevaar bestaat dat het EOF zal worden geduwd in de richting van reageren op agenda's die afstand creëren tot zijn primaire doelstelling van armoedebestrijding, hetgeen moeilijk te verenigen valt met de kernwaarden en de compromisbereidheid van het EOF", dat (ii) "ondanks overleg bij programmeringskeuzes zelden rekening wordt gehouden met de standpunten van overheden en het maatschappelijk middenveld (met enkele opmerkelijke uitzonderingen zoals in de regio van de Stille Oceaan)" en dat "de programmering van het 11e EOF aldus een top-downbenadering heeft gebruikt om het concentratiebeginsel toe te passen, maar ten koste van het centrale beginsel van partnerschap van de Overeenkomst van Cotonou"; betreurt het feit dat de Commissie deze bevindingen tot dusver volledig heeft genegeerd; is echter van mening dat vredesopbouw en het aanpakken van de diepere oorzaken van migratie fundamentele aspecten van duurzame ontwikkeling zijn;

23.  merkt tevens op dat volgens de evaluatie van het 11e EOF in april 2017 bijna 500 miljoen EUR uit de reserve van het EOF werd uitbetaald ter ondersteuning van de activiteiten van het DG Europese Civiele Bescherming en Humanitaire Hulp van de Commissie, bijna 500 miljoen EUR aan noodhulp werd toegekend aan afzonderlijke landen en 1,5 miljard EUR werd uitbetaald aan het noodtrustfonds van de Unie voor Afrika; overwegende dat het EOF tevens bijdraagt aan het nieuwe Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling;

Tussentijdse evaluatie van de uitvoering van de externe financieringsinstrumenten;

24.  is verheugd over het feit dat uit de evaluatie blijkt dat de EOF-doelstellingen grotendeels relevant waren voor de beleidsprioriteiten op het moment van hun ontwerp, dat zij over het algemeen geschikt waren voor het doel dat zij dienen en afgestemd waren op de waarden en doelstellingen van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's);

25.  is ermee ingenomen dat in een aantal landen waarin de geografische programma's van het EOF toegepast worden, in de afgelopen tien jaar vooruitgang is geboekt bij de terugdringing van armoede en de menselijke en economische ontwikkeling; stelt vast dat in andere landen de situatie kritiek blijft; stelt met tevredenheid vast dat de prioriteiten van het EOF zijn afgestemd op de waarden en doelstellingen van de SDG's;

26.  onderstreept dat de interne belangen van de Unie op de korte termijn niet de enige drijfveer achter haar ontwikkelingsagenda mogen zijn, en dat de beginselen van de doeltreffendheid van hulp volledig moeten worden toegepast op alle vormen van ontwikkelingssamenwerking;

27.  verzoekt DG DEVCO de volgende punten voor het EOF-beheer in overweging te nemen ter waarborging van de doeltreffendheid, doelmatigheid en toegevoegde waarde ervan:

–  de complementariteit van de middelen uit het EOF, de coherentie van het instrumentarium van de Unie en de synergieën met andere instrumenten voor externe hulp moeten beter worden belicht;

–  er moet worden gezorgd voor het hoogste niveau van regelmatigheid en verantwoordingsplicht voor de resultaten van door het EOF gefinancierde maatregelen;

–  de Commissie wordt in dit verband verzocht om het logische kader aan de basis van haar interventies beter uit te leggen, vooral om te zorgen voor een grotere zichtbaarheid van de verwachte langetermijneffecten of duurzaamheid van door het EOF gefinancierde operaties;

–  in het volgende jaarlijkse activiteitenverslag moet een gestructureerde evaluatie van de effecten van de activiteiten van het elfde EOF worden opgenomen waarbij met name het accent wordt gelegd op de mensenrechten en de behaalde resultaten voor het milieu;

– is van mening dat er nog steeds behoefte is aan een meer systematische aanpak van de communicatie over de door de Unie gesubsidieerde activiteiten om de zichtbaarheid van de Unie te vergroten en de transparantie en verantwoordingsplicht in de financieringsketen te versterken;

–  de geest van partnerschap moet worden vergroot middels de invoering van democratische betrokkenheid bij het programma en de uitvoering ervan met eerbiediging van de fundamentele waarden en beginselen van het EOF;

28.  is van oordeel dat voor met infrastructuur verband houdende projecten die door het EOF worden gefinancierd, een onafhankelijke voorafgaande beoordeling met inachtneming van de sociale en milieugevolgen en de meerwaarde van de projecten, van essentieel belang is; is van mening dat voor het nemen van financieringsbesluiten een deugdelijke kosten-batenanalyse moet worden uitgevoerd, en dat projecten alleen moeten worden gefinancierd indien ze op milieu-, financieel en sociaal gebied duurzaam zijn;

29.  wijst op de zeer negatieve bevindingen van de Rekenkamer over publiek-private partnerschappen(27) (PPP's) en de aanbeveling van de Rekenkamer om "een intensiever en breder gebruik van PPP's niet te bevorderen" binnen de Unie; verzoekt de Commissie om ten volle rekening te houden met deze aanbeveling met betrekking tot PPP's in ontwikkelingslanden, waar de omstandigheden voor een geslaagde uitvoering van PPP's nog moeilijker zijn dan binnen de Unie;

30.  uit zijn grote bezorgdheid over het feit dat de honger in de wereld in de jaren 2016, 2017 en 2018 is toegenomen en dat momenteel meer dan 820 miljoen mensen chronisch ondervoed zijn, terwijl het aandeel van de officiële ontwikkelingshulp van de Unie en de lidstaten voor voedsel- en voedingszekerheid is gedaald van circa 8 % in 2014 tot 6 % in 2016, en de vastleggingen voor voedselzekerheid in de door de Commissie beheerde instrumenten in 2017 aanzienlijk zijn verminderd;

31.  herhaalt zijn ernstige bezwaren tegen het feit dat de Commissie in 2017 een nationaal indicatief programma voor Eritrea en een jaarlijks actieprogramma heeft voorgesteld, die door het Comité van het EOF werden goedgekeurd, zonder dat er afdoende bewijs was van hervormingen of een verbetering van de mensenrechtensituatie in Eritrea; herinnert de Commissie en de hoge vertegenwoordiger aan hun belofte om het Parlement hierover regelmatig te informeren.

32.  pleit voor een op stimulansen gebaseerde benadering van ontwikkeling door het "meer-voor-meer"-beginsel in te voeren en daarvoor het Europees nabuurschapsbeleid als voorbeeld te nemen; is van oordeel dat hoe meer en hoe sneller een land vooruitgang boekt bij interne hervormingen op het gebied van de opbouw en consolidatie van democratische instellingen, de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, des te meer steun dat land van de Unie moet ontvangen;

33.  onderstreept dat er meer middelen moeten worden toegewezen voor de ondersteuning van goed bestuur, democratie en de rechtsstaat in ontwikkelingslanden met het oog op de bevordering van verantwoordingsplichtige en transparante instellingen, capaciteitsopbouw, participatieve besluitvorming en de beschikbaarheid van informatie voor het publiek;

34.  verzoekt de Raad, de Commissie en de EIB, gezien de verschuiving van de steunmodaliteiten van rechtstreekse subsidies naar trustfondsen en gemengde financiering, onder meer via het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, om met het Parlement een interinstitutioneel akkoord vast te stellen inzake transparantie, verantwoordingsplicht en parlementaire controle op basis van de beleidsbeginselen die zijn vastgelegd in de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling;

35.  herhaalt met kracht zijn oproep aan de Raad en de lidstaten om werk te maken van de opneming van het EOF in de begroting van de Unie met het oog op de versterking van de democratische controle; verwelkomt de toezegging van de Commissie om gevolg te geven aan het herhaalde verzoek van het Parlement om het EOF in de begroting van de Unie op te nemen; verzoekt de Commissie het Parlement op de hoogte te stellen van de stand van de besprekingen over de vervanging van de Overeenkomst van Cotonou na 2020;

36  is verheugd over de onderhandelingen over de post-Cotonou-overeenkomst om het ACS-EU-kader te handhaven;

Het EOF en het beheer van een nieuwe nexus

37.  erkent het feit dat het EOF onder grote druk staat om te reageren op een toenemend aantal politieke eisen, zoals op het gebied van veiligheid, migratie en grensbeheer, die moeilijk af te stemmen zijn op de kernwaarden van het EOF en de beginselen van het ontwikkelings- en samenwerkingsbeleid van de Unie, namelijk de uitbanning van armoede als vastgelegd in artikel 208 VWEU; stelt vast dat het beheer van de nieuwe nexus een risico inhoudt voor het algehele evenwicht van het ontwikkelingsbeleid;

38.  stelt vast dat met het beheer van de nieuwe nexus het algehele evenwicht van het ontwikkelingsbeleid gemoeid is; is van mening dat bij noodmaatregelen als reactie op opeenvolgende crisissituaties een holistische benadering moet worden gekozen; herinnert eraan dat de naleving van het beginsel van beleidssamenhang van het grootste belang is voor de stabiliteit van de landen die Europese ontwikkelingshulp ontvangen;

Beheer van financiële instrumenten buiten de begroting (EOF-bijdragen aan de trustfondsen van de Unie)

39.  neemt ter kennis dat de totale toezeggingen uit hoofde van de trustfondsen van de Unie tot dusverre 4,09 miljard EUR beliepen waarbij de grootste bijdrage afkomstig was uit het EOF met 3 miljard EUR en van de lidstaten en andere donors met 442,7 miljoen EUR; neemt nota van de toezeggingen ten belope van bijna 240 miljoen EUR voor het Bêkou-trustfonds in 2017 waarbij 113 miljoen EUR uit het EOF en 65,9 miljoen EUR van de lidstaten en andere donors afkomstig was;

40.  herinnert aan de belangrijkste bevindingen van het speciaal verslag van de Rekenkamer over het Bêkou-trustfonds, onder meer dat de opzet van het fonds passend was in de context van de Centraal-Afrikaanse Republiek en dat het effect ervan positief was; wijst erop dat deze beoordeling grotendeels terug te vinden is in de bevindingen van de ad‑hocdelegatie van de Commissie ontwikkelingssamenwerking naar de Centraal-Afrikaanse Republiek in februari 2018, die tot de conclusie kwam dat het Fonds adequaat kan inspelen op de behoeften op het gebied van herstel, levensonderhoud en ontwikkeling op de langere termijn; herinnert eraan dat het fonds werd opgericht als een noodtrustfonds van de Europese Unie met een looptijd van 60 maanden, dat in juli 2019 afloopt, en dat de verlenging ervan nuttig lijkt, maar de instemming van het Parlement zal vereisen;

41  onderstreept het risico dat bestaat wanneer wordt afgeweken van de klassieke ontwikkelingsdoelstellingen, zoals de uitbanning van armoede, maar erkent bepaalde mogelijkheden ervan, zoals de bespoediging van de uitvoering van de ontwikkelingsdoelstellingen of een snelle reactie op internationale crises;

42.  neemt nota van de resultaten van het noodtrustfonds van de Europese Unie voor Afrika (EUTF); herinnert er echter aan dat EUTF-financiering uit de begrotingslijnen voor ontwikkeling niet mag worden gebruikt voor veiligheidsmaatregelen die de rechten van migranten in gevaar brengen; herinnert eraan dat duurzame ontwikkeling en het uitbannen van armoede de belangrijkste doelstellingen moeten zijn van EU-ontwikkelingssamenwerking; benadrukt dat EUTF-projecten de mensenrechten centraal moeten stellen in de programmering en moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de mensenrechten in de betrokken landen; beveelt ten zeerste aan om gendergelijkheid en vrouwenemancipatie in EUTF-programma's te bevorderen, evenals de bescherming van de meest kwetsbaren, waaronder kinderen en personen met een handicap;

43.  neemt kennis van de talrijke zorgen die de Europese Rekenkamer(28) en de opstellers van de tussentijdse evaluatie van het elfde EOF hebben geuit over de tenuitvoerlegging van het EUTF:

–  wat de projectuitvoering betreft, had het EUTF slechts een beperkte invloed op het bespoedigen van het proces in vergelijking met traditionele ontwikkelingshulp;

–  bezorgdheid over de waarschijnlijke doeltreffendheid en duurzaamheid van EUTF-projecten en over het vermogen van de Unie om nauwlettend toe te zien op de uitvoering ervan;

–  geen gedocumenteerde criteria voor de selectie van projectvoorstellen in de onderdelen "Noord-Afrika" en "Hoorn van Afrika";

–  ernstige tekortkomingen in de prestatiemeting;

–  geen specifiek kader voor risicobeoordeling;

meent dat de toegevoegde waarde van het EUTF in het licht van deze bevindingen zeer twijfelachtig is;

44.  is van mening dat bij het operationeel beheer en het beleidsontwerp moet worden gezorgd voor genoeg lokaal ownership en betrokkenheid van de partners om een te gecentraliseerde werkwijze met een prominente rol voor donors te voorkomen, en dat het beginsel van resultaatgericht beheer consequent in acht moet worden genomen;

45.  onderstreept echter de noodzaak om terdege aandacht te besteden aan het systeemvraagstuk van de coördinatie, monitoring en evaluatie van donors, overeenkomstig een meer systemische benadering ter verkrijging van garanties inzake de doeltreffendheid van trustfondsen;

Begrotingssteun aan partnerlanden

46.  constateert dat de in 2017 door het EOF gefinancierde begrotingssteun 860,2 miljoen EUR bedroeg waarvan 703,1 miljoen EUR nieuwe vastleggingen waren (voor 54 landen en 102 overeenkomsten voor begrotingssteun); stelt vast dat de EOF-betalingen voor LGO's in 2017 57,7 miljoen EUR bedroegen (voor 11 landen en 15 overeenkomsten voor begrotingssteun); stelt vast dat DG DEVCO in 2017 de begrotingssteun aan twee ACS-landen heeft stopgezet, respectievelijk vanwege een gebrek aan vooruitgang bij het beheer van de overheidsfinanciën en het ontbreken van op stabiliteit gericht macro-economisch beleid en transparantie bij het beheer van de overheidsfinanciën;

47.  doet een beroep op de Commissie om te zorgen voor samenhang tussen de bepalingen van artikel 236 van het algemeen Financieel Reglement en artikel 36 van het voorgestelde financieel reglement dat van toepassing is op het elfde EOF ten aanzien van de voorwaarden voor het gebruik van begrotingssteun aan derde landen; stelt vast dat het voorgestelde financieel reglement van het elfde EOF bepalingen omvat die niet in het algemeen Financieel Reglement voorkomen, met name dat begrotingssteun is gericht op de versterking van de contractuele partnerschappen tussen de Unie en de ACS-staten en LGO's teneinde onder andere de duurzame en inclusieve economische groei te ondersteunen en armoede uit te bannen, waarbij laatstgenoemde tot potentiële problemen leidt bij de toepassing van de EOF-regels;

48.  vraagt de Commissie om een nadere toelichting en verduidelijking van de exacte reikwijdte en betekenis van haar flexibiliteits- of interpretatiemarge bij de beoordeling van de vraag of is voldaan aan de algehele subsidiabiliteitscriteria voor het uitkeren van middelen aan een partnerland ten aanzien van de zogenaamde "gedifferentieerde en dynamische benadering van subsidiabiliteit"; is bezorgd over het uiteindelijke gebruik van de uitgekeerde middelen en over de gebrekkige opspoorbaarheid wanneer de middelen van de Unie worden samengevoegd met de begrotingsmiddelen van het partnerland;

49.  is van oordeel dat begrotingssteun moet dienen ter ondersteuning van oplossingen voor specifieke problemen op sectoraal niveau, waar nodig aangevuld met hiermee verband houdende technische bijstand;

50.  blijft bezorgd over het uiteindelijke gebruik van deze uitgekeerde middelen en de mogelijke gebrekkige opspoorbaarheid ervan in het geval van een zwak, instabiel en verslechterd beheer van de overheidsfinanciën; wijst erop dat de strijd tegen fraude en corruptie moet worden ondersteund op alle overheidsterreinen die vallen onder de samenwerkingsstrategie van de Unie; benadrukt dat het risico dat de middelen verkeerd terechtkomen hoog blijft en dat met name op het vlak van het beheer van de overheidsfinanciën het risico van corruptie en fraude bestaat;

51.  dringt bij de Commissie aan op een betere omschrijving en duidelijke beoordeling van de ontwikkelingsresultaten die voor elk geval behaald moeten worden, en bovenal op een versterking van de mechanismen voor het toezicht op het gedrag van het ontvangende land op het gebied van corruptie, eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat en democratie; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het mogelijke gebruik van begrotingssteun in landen met een gebrekkige democratische controle, hetzij vanwege het ontbreken van een functionerende parlementaire democratie en van vrijheden voor maatschappelijke organisaties en de media, hetzij vanwege een gebrek aan capaciteit van met controle belaste organen;

52.  is verheugd over de responsieve en consistente aanpak van de Commissie om de begrotingssteun in 2017 en 2018 in twee landen op te schorten, aangezien niet langer aan de subsidiabiliteitscriteria werd voldaan; is van mening dat de Commissie een constructieve dialoog met deze landen in stand zal houden en een mogelijkheid zal bieden om de begrotingssteun te hervatten indien de landen de noodzakelijke hervormingen doorvoeren die in het begrotingssteunprogramma zijn vastgelegd;

53.  wijst erop dat passende monitoringinstrumenten moeten worden versterkt om te beoordelen op welke wijze begrotingssteun heeft bijgedragen tot de verbetering van de mobilisering van binnenlandse inkomsten en daarmee verband houdende hervormingen; verzoekt de Commissie om in haar verslagen inzake begrotingssteun geregeld informatie te verstrekken over het gebruik van overeenkomsten voor begrotingssteun ten behoeve van de mobilisering van binnenlandse inkomsten; wijst achter andermaal op de risico's van belastingontwijking, belastingontduiking en illegale financiële stromen;

Samenwerking met internationale organisaties

54.  merkt op dat de EOF-betalingen aan multidonorprojecten die in 2017 werden uitgevoerd door internationale organisaties, 812 miljoen EUR bedroegen;

55.  wijst erop dat de Commissie in 2017 contracten met VN-Agentschappen heeft gesloten ter waarde van meer dan 411 miljoen EUR aan bijdragen uit het EOF, waarbij het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (166,33 miljoen EUR), de FAO (152,86 miljoen EUR) en UNICEF (98,44 miljoen EUR) de belangrijkste begunstigden waren, alsook contracten met de Wereldbank ter waarde van 92 miljoen EUR;

56.  constateert dat DG DEVCO niet systematisch toezicht houdt op het operationeel functioneren van internationale financiële instellingen (IFI's) en de voornaamste aspecten van blendingverrichtingen; verzoekt DG DEVCO de kwaliteit, geschiktheid en tijdigheid van de verslaglegging door IFI's te verbeteren; moedigt de internationale instellingen ertoe aan, vooral in het geval van medegefinancierde en multidonorinitatieven, hun kader voor het beheer van de resultaten af te stemmen op die van de Unie;

57.  onderstreept andermaal dat moet worden gezorgd voor volledige transparantie en toegang tot gegevens, in overeenstemming met de bestaande wetgeving van de Unie, over projecten die door internationale organisaties en maatschappelijke organisaties worden uitgevoerd, alsmede voor duidelijke regels inzake toezicht en controle;

58.  is ingenomen met de in speciaal verslag nr. 35/2018 gepubliceerde aanbevelingen van de Rekenkamer ter verbetering van de transparantie van door non-gouvernementele organisaties (ngo's) uitgevoerde middelen van de Unie, waarin onder meer wordt aanbevolen dat de Commissie de betrouwbaarheid van de informatie over ngo's in haar boekhoudsysteem en de verzamelde informatie over door ngo's uitgevoerde middelen verbetert; verzoekt derhalve de Commissie om deze voorstellen voor het einde van het huidige mandaat uit te voeren;

Vredesfaciliteit voor Afrika

59.  betreurt het feit dat de tussentijdse evaluatie van de externe financieringsinstrumenten voorbijgaat aan de Vredesfaciliteit voor Afrika die sinds 2011 evenmin op een andere wijze terdege is beoordeeld;

60.  doet een beroep op DG DEVCO om, overeenkomstig zijn voorbehoud over het beheer van de Vredesfaciliteit voor Afrika dat is gehandhaafd in zijn jaarlijkse activiteitenverslag 2017, streng te controleren of de corrigerende maatregelen om zowel de financiële risico's als het risico van onregelmatige en onwettige betalingen te beperken, doeltreffend worden uitgevoerd; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om zich in het kader van de pijlerbeoordeling te blijven inzetten voor een sterker controlesysteem voor het beheer en de operationele monitoring van de Vredesfaciliteit voor Afrika teneinde het EOF te beschermen tegen onwettige en onregelmatige uitgaven;

61.  wijst op volgende negatieve bevindingen van de Rekenkamer op het gebied van steun van de Unie voor Afrikaanse veiligheid, die vaak via het EOF wordt gefinancierd:

–  de versterking van de capaciteit van de interne veiligheidstroepen in Niger en Mali verloopt traag en er bestaat ernstige bezorgdheid over ownership en duurzaamheid(29);

–  de steun van de Unie aan de Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur (APSA) heeft weinig effect gesorteerd(30).

wijst ook op het ernstige risico dat de steun van de Unie die via de Vredesfaciliteit voor Afrika wordt verleend aan Burundese soldaten die deelnemen aan Amisom, indirect zorgt voor de financiering van een aan sancties van de Unie blootgesteld Burundees regime; herinnert eraan dat DG DEVCO al jarenlang voorbehoud heeft geuit bij zijn uitgaven voor de steun aan de Vredesfaciliteit voor Afrika;

Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling

62.  neemt nota van de recente lancering van dit nieuwe investeringsinstrument als onderdeel van het plan voor externe investeringen teneinde verdere hefboomeffecten te bieden door het aantrekken van investeringen door de particuliere sector in ontwikkelingspartnerschappen; is van oordeel dat terdege aandacht moet worden besteed aan additionaliteit, maar ook aan de criteria voor het beheer ervan teneinde elke verlegging van de ontwikkelingsgelden naar particuliere investeerders of ten behoeve van winstbejag te voorkomen;

De ACS-investeringsfaciliteit van de EIB

63.  neemt kennis van de reeks prioriteiten van de EIB in de ACS-landen, namelijk steun voor de SDG's, klimaatactie, Europese economische diplomatie en veerkracht; neemt ter kennis dat in 2017 in het kader van de ACS-investeringsfaciliteit 39 projecten zijn gelanceerd ten belope van in totaal 1,5 miljard EUR waarvan 549 miljoen EUR was uitgetrokken voor de ontwikkeling van de plaatselijke particuliere sector en 952 miljoen EUR voor sociale en economische infrastructuur;

64.  herinnert eraan dat het belangrijk is zowel vooraf als achteraf nauwkeurig te evalueren of projecten duurzaam zijn en of ze een daadwerkelijke meerwaarde bieden op economisch, sociaal of milieugebied; herhaalt dat geen enkele steun in welke vorm dan ook mag worden verleend aan projecten die verband houden met zeer vervuilende technologie;

65.  dringt aan op een strikt toezicht op potentiële plaatselijke actoren en intermediairs tijdens de identificatie en selectie van dergelijke actoren en intermediairs; doet een beroep op de EIB om ervoor te zorgen dat de bij haar activiteiten betrokken plaatselijke gemeenschappen en burgers naar behoren worden geraadpleegd en toegang hebben tot een onafhankelijke en efficiënte klachtenprocedure.

66.  dringt erop aan het programma "Erasmus voor jonge ondernemers" tot buiten Europa uit te breiden, met name tot ontwikkelingslanden, en daartoe de noodzakelijke financiële middelen ter beschikking te stellen;

67.  onderstreept het grote belang van de ondersteuning van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en roept met name op tot de uitwerking van lokale oplossingen voor betere toegang tot financiering en een uitbreiding van lening- en garantiestelsels voor microfinanciering;

68.  onderschrijft dat geen enkel land zich ooit heeft ontwikkeld zonder nauwere handelsbetrekkingen aan te gaan met zijn buurlanden en de rest van de wereld; moedigt voorts de financiering van steun voor handelsactiviteiten aan, zodat ontwikkelingslanden in de toekomst in veel grotere mate deel kunnen uitmaken van mondiale waardeketens; benadrukt in dit verband het toenemende belang van digitale connectiviteit om te komen tot een evenwichtigere verdeling van de voordelen van de globalisering ten gunste van ontwikkelingslanden;

69.  benadrukt het belang van de voorziening van zuiver water en de bouw van extra installaties voor de verwerking van afvalwater;

70.  vestigt de aandacht op de omvang en de gevolgen van energie-armoede in ontwikkelingslanden en op de nauwe betrokkenheid van de Unie bij de inspanningen om deze armoede terug te dringen; onderstreept de noodzaak van krachtige en gecoördineerde inspanningen van regeringen en belanghebbenden in de getroffen landen om de energie-armoede te verminderen.

30.1.2019

ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking

aan de Commissie begrotingscontrole

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2017

(2018/2177(DEC))

Rapporteur voor advies: Nirj Deva

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  looft de EU voor de succesvolle lancering van het Europees Investeringsplan en het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, bekrachtigd door de goedkeuring van 28 garantie-instrumenten voor een totaalbedrag van 1,54 miljard EUR tegen november 2018, die naar verwachting in totaal 17,5 miljard EUR aan investeringen zullen aandragen; onderstreept dat er nog geen evaluatie van de resultaten van de tenuitvoerlegging bestaat en dat elke conclusie over de uitbreiding van het toepassingsgebied en de middelen voorbarig is; benadrukt de bevindingen van de tussentijdse evaluatie van het elfde EOF dat met gemengde financiering slechts in 50 % van de gevallen extra middelen worden aangetrokken; betreurt dan ook dat de Commissie voor de toekomstige financieringsperiode 2021-2027 meer middelen voor gemengde financiering heeft voorgesteld;

2.  is ingenomen met de opname van het EOF in de begroting zoals voorgesteld door de Commissie in haar voorstel tot instelling van het Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI);

3.  wijst op de zeer negatieve bevindingen van de Europese Rekenkamer over publiek-private partnerschappen(31) (PPP's) en de aanbeveling van de Rekenkamer om "een intensiever en breder gebruik van PPP's niet te bevorderen" binnen de EU; verzoekt de Commissie om ten volle rekening te houden met deze aanbeveling met betrekking tot PPP's in ontwikkelingslanden, waar de omstandigheden voor een geslaagde uitvoering van PPP's nog moeilijker zijn dan binnen de Unie;

4.  is bezorgd over de bevindingen van de tussentijdse evaluatie van het elfde EOF waarin wordt gesteld dat "er een reëel gevaar bestaat dat het EOF zal worden geduwd in de richting van reageren op agenda's die afstand creëren tot zijn primaire doelstelling van armoedebestrijding, hetgeen moeilijk te verenigen valt met de kernwaarden en de compromisbereidheid van het EOF", dat "ondanks overleg bij programmeringskeuzes zelden rekening wordt gehouden met de standpunten van overheden en het maatschappelijk middenveld (met enkele opmerkelijke uitzonderingen zoals in de regio van de Stille Oceaan)" en dat "de programmering van het elfde EOF aldus een top-downbenadering heeft gebruikt om het concentratiebeginsel toe te passen, maar ten koste van het centrale beginsel van partnerschap van de Overeenkomst van Cotonou"; betreurt dat de Commissie deze bevindingen tot dusver volledig heeft genegeerd;

5.  herinnert aan de belangrijkste bevindingen van het speciaal verslag van de Rekenkamer over het Bêkou-trustfonds, onder meer dat de opzet van het fonds passend was in de context van de Centraal-Afrikaanse Republiek en dat het effect ervan positief was; wijst erop dat deze beoordeling grotendeels terug te vinden is in de bevindingen van de ad‑hocdelegatie van de Commissie ontwikkelingssamenwerking naar de Centraal-Afrikaanse Republiek in februari 2018, die tot de conclusie kwam dat het Fonds adequaat kan inspelen op de behoeften op het gebied van herstel, levensonderhoud en ontwikkeling op de langere termijn; herinnert eraan dat het fonds werd opgericht als een EU-noodtrustfonds met een looptijd van 60 maanden, dat in juli 2019 afloopt, en dat de verlenging ervan nuttig lijkt, maar de instemming van het Europees Parlement zal vereisen;

6.  neemt nota van de resultaten van het Noodtrustfonds van de Europese Unie voor Afrika (EUTF); herinnert er echter aan dat EUTF-financiering uit de begrotingslijnen voor ontwikkeling niet mag worden gebruikt voor veiligheidsmaatregelen die de rechten van migranten in gevaar brengen; herinnert eraan dat duurzame ontwikkeling en het uitbannen van armoede de belangrijkste doelstellingen moeten zijn van EU-ontwikkelingssamenwerking; benadrukt dat EUTF-projecten de mensenrechten centraal moeten stellen in de programmering en moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de mensenrechten in de betrokken landen; beveelt ten zeerste aan om gendergelijkheid en vrouwenemancipatie in EUTF-programma's te bevorderen, evenals de bescherming van de meest kwetsbaren, waaronder kinderen en personen met een handicap;

7.  neemt kennis van de talrijke zorgen die de Europese Rekenkamer(32) en de opstellers van de tussentijdse evaluatie van het elfde EOF hebben geuit over de tenuitvoerlegging van de EUTF:

•  wat de projectuitvoering betreft, had de EUTF slechts een beperkte invloed op het versnellen van het proces in vergelijking met traditionele ontwikkelingshulp;

•  bezorgdheid over de waarschijnlijke doeltreffendheid en duurzaamheid van EUTF-projecten en over het vermogen van de Unie om nauwlettend toe te zien op de uitvoering ervan;

•  geen gedocumenteerde criteria voor de selectie van projectvoorstellen in de onderdelen "Noord-Afrika" en "Hoorn van Afrika";

•  ernstige tekortkomingen in de prestatiemeting;

•  geen specifiek kader voor risicobeoordeling;

meent dat de toegevoegde waarde van de EUTF gezien dergelijke bevindingen zeer twijfelachtig is;

8.  betreurt dat de uitgaven die in 2017 zijn geboekt onder het achtste, negende, tiende en elfde EOF materiële fouten vertonen en dat het foutenpercentage stijgt, in tegenstelling tot de algemene begrotingsuitgaven van de EU; wijst erop dat fouten voornamelijk voorkomen in verrichtingen die verband houden met projecten die worden uitgevoerd door internationale organisaties en samenwerkingsagentschappen van de lidstaten en dat 36 % van de onderzochte verrichtingen van dit type kwantificeerbare fouten bevatte, een enorm percentage; dringt er bij de Commissie op aan een gedetailleerde toelichting op deze bevindingen te geven en een duidelijk plan voor te leggen aan het Europees Parlement met de noodzakelijke stappen om deze zeer zorgwekkende situatie te corrigeren;

9.  betreurt dat DG DEVCO in elk jaarlijks activiteitenverslag sinds 2012 een voorbehoud moest maken ten aanzien van de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, hetgeen wijst op ernstige tekortkomingen bij het intern beheer;

10.  wijst op de negatieve bevindingen van de Rekenkamer op het gebied van de EU-steun voor Afrikaanse veiligheid, die vaak via het EOF wordt gefinancierd:

•  de versterking van de capaciteit van de interne veiligheidstroepen in Niger en Mali verloopt traag en er bestaat ernstige bezorgdheid over ownership en duurzaamheid(33);

•  de steun van de EU aan de Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur (APSA) heeft weinig effect gesorteerd(34).

wijst ook op het ernstige risico dat de EU-steun die via de Vredesfaciliteit voor Afrika wordt verleend aan Burundese soldaten die deelnemen aan de missie Amisom, indirect zorgt voor de financiering van een aan EU-sancties blootgesteld Burundees regime; herinnert eraan dat DG DEVCO al jarenlang voorbehoud heeft geuit bij zijn uitgaven voor de steun aan de Vredesfaciliteit voor Afrika;

11.  beschouwt in dit verband de steeds grotere nadruk die de EU legt op het verband tussen veiligheid en ontwikkeling als een bron van ernstige problemen op het gebied van gezond financieel beheer en verzoekt de Commissie en de EDEO een veel voorzichtiger benadering te hanteren ten aanzien van EU-steun voor veiligheid in Afrika;

12.  uit zijn grote bezorgdheid over het feit dat de honger in de wereld in de jaren 2016, 2017 en 2018 is toegenomen en dat momenteel meer dan 820 miljoen mensen chronisch ondervoed zijn, terwijl het aandeel van de officiële ontwikkelingshulp van de EU en de lidstaten voor voedsel- en voedingszekerheid is gedaald van ca. 8 % in 2014 tot 6 % in 2016, en de vastleggingen voor voedselzekerheid in de door de Commissie beheerde instrumenten in 2017 aanzienlijk zijn verminderd;

13.  wijst erop dat de Commissie in 2017 contracten met VN-Agentschappen heeft gesloten ter waarde van meer dan 411 miljoen EUR aan bijdragen uit het EOF, waarbij het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (166,33 miljoen EUR), de FAO (152,86 miljoen EUR) en UNICEF (98,44 miljoen EUR) de belangrijkste begunstigden zijn, alsook contracten met de Wereldbank ter waarde van 92 miljoen EUR;

14.  dringt erop aan dat de Unie, gezien de belangrijke rol van het Verenigd Koninkrijk op ontwikkelingsgebied, nauwe banden met dit land handhaaft na zijn vertrek uit de Unie om de daaruit voortvloeiende verliezen te beperken;

15.  herhaalt zijn ernstige bezwaren tegen het feit dat de Commissie in 2017 een nationaal indicatief programma voor Eritrea en een jaarlijks actieprogramma heeft voorgesteld, die door het Comité van het EOF werden goedgekeurd, zonder dat er afdoende bewijs was van hervormingen of een verbetering van de mensenrechtensituatie in Eritrea; herinnert de Commissie en de hoge vertegenwoordiger aan hun belofte om het Parlement hierover regelmatig te informeren.

16.  dringt bij de Commissie aan op een betere omschrijving en duidelijke beoordeling van de ontwikkelingsresultaten die voor elk geval behaald moeten worden, en bovenal op een versterking van de mechanismen voor het toezicht op het gedrag van de ontvangende landen op het gebied van corruptie, eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat en democratie; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het mogelijke gebruik van begrotingssteun in landen met een gebrekkige democratische controle, ofwel vanwege het ontbreken van een functionerende parlementaire democratie en van vrijheden voor maatschappelijke organisaties en de media, of vanwege een gebrek aan capaciteit van met controle belaste organen;

17.  verzoekt de Raad, de Commissie en de Europese Investeringsbank, gezien de verschuiving van de steunmodaliteiten van rechtstreekse subsidies naar trustfondsen en gemengde financiering, onder meer via het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, om met het Europees Parlement een interinstitutioneel akkoord vast te stellen inzake transparantie, verantwoordingsplicht en parlementaire controle op basis van de beleidsbeginselen die zijn vastgelegd in de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling;

18.  is verheugd over de onderhandelingen over de post-Cotonou-overeenkomst om het ACS-EU-kader te handhaven;

19.  onderstreept het grote belang van de ondersteuning van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en roept met name op tot de uitwerking van lokale oplossingen voor betere toegang tot financiering en een uitbreiding van lening- en garantiestelsels voor microfinanciering;

20.  dringt erop aan het programma "Erasmus voor jonge ondernemers" buiten Europa uit te breiden, met name naar ontwikkelingslanden, en daartoe de noodzakelijke financiële middelen ter beschikking te stellen;

21.  is ingenomen met de in Speciaal verslag 2018/35 gepubliceerde aanbevelingen van de Europese Rekenkamer ter verbetering van de transparantie van door ngo's uitgevoerde EU-fondsen, waarin onder meer wordt aanbevolen dat de Commissie de betrouwbaarheid van de informatie over ngo's in haar boekhoudsysteem en de verzamelde informatie over door ngo's uitgevoerde fondsen verbetert; verzoekt derhalve de Commissie om deze voorstellen voor het einde van het huidige mandaat uit te voeren;

22.  pleit voor een op stimulansen gebaseerde benadering van ontwikkeling door het "meer-voor-meer"-beginsel in te voeren, en daarvoor het Europees nabuurschapsbeleid als voorbeeld te nemen; is van oordeel dat hoe meer en hoe sneller een land vooruitgang boekt bij interne hervormingen op het gebied van de opbouw en consolidatie van democratische instellingen, de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, des te meer steun dat land van de Unie moet ontvangen;

23.  onderschrijft dat geen enkel land zich ooit heeft ontwikkeld zonder nauwere handelsbetrekkingen aan te gaan met zijn buurlanden en de rest van de wereld; moedigt voorts de financiering van steun voor handelsactiviteiten aan, zodat ontwikkelingslanden in de toekomst in veel grotere mate deel kunnen uitmaken van mondiale waardeketens; benadrukt in dit verband het toenemende belang van digitale connectiviteit om te komen tot een evenwichtigere verdeling van de voordelen van de globalisering ten gunste van ontwikkelingslanden;

24.  onderstreept dat er meer fondsen moeten worden toegewezen voor de ondersteuning van goed bestuur, democratie en de rechtsstaat in ontwikkelingslanden met het oog op de bevordering van verantwoordingsplichtige en transparante instellingen, capaciteitsopbouw, participatieve besluitvorming en de beschikbaarheid van informatie voor het publiek;

25.  benadrukt het belang van de voorziening van zuiver water en de bouw van extra installaties voor de verwerking van afvalwater;

26.  vestigt de aandacht op de omvang en de gevolgen van energie-armoede in ontwikkelingslanden en op de nauwe betrokkenheid van de Unie bij de inspanningen om deze armoede terug te dringen; onderstreept de noodzaak van krachtige en gecoördineerde inspanningen van regeringen en belanghebbenden in de getroffen landen om de energiearmoede te verminderen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.1.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Mireille D’Ornano, Doru-Claudian Frunzulică, Enrique Guerrero Salom, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Linda McAvan, Norbert Neuser, Vincent Peillon, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, Bogusław Sonik, Eleni Theocharous, Anna Záborská, Joachim Zeller, Željana Zovko

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marina Albiol Guzmán, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Frank Engel, Stefan Gehrold, Maria Noichl, Judith Sargentini

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

18

+

ECR

Eleni Theocharous

PPE

Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Frank Engel, Stefan Gehrold, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Bogusław Sonik, Anna Záborská, Joachim Zeller, Željana Zovko

S&D

Doru-Claudian Frunzulică, Enrique Guerrero Salom, Linda McAvan, Norbert Neuser, Maria Noichl, Vincent Peillon, Elly Schlein

VERTS/ALE

Maria Heubuch, Judith Sargentini

0

-

 

 

3

0

EFDD

Mireille D'Ornano

GUE/NGL

Marina Albiol Guzmán, Lola Sánchez Caldentey

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.2.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

4

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Inés Ayala Sender, Zigmantas Balčytis, Dennis de Jong, Tamás Deutsch, Martina Dlabajová, Luke Ming Flanagan, Ingeborg Gräßle, Jean-François Jalkh, Arndt Kohn, Georgi Pirinski, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Petri Sarvamaa, Bart Staes, Derek Vaughan, Tomáš Zdechovský, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Julia Pitera

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Rosa D’Amato, John Flack, Czesław Hoc, Edouard Martin

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

18

+

ALDE

Nedzhmi Ali, Martina Dlabajová

EFDD

Rosa D'Amato

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan, Dennis de Jong

PPE

Tamás Deutsch, Ingeborg Gräßle, Julia Pitera, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Petri Sarvamaa, Joachim Zeller

S&D

Inés Ayala Sender, Zigmantas Balčytis, Arndt Kohn, Edouard Martin, Georgi Pirinski, Derek Vaughan

VERTS/ALE

Bart Staes

4

-

ECR

John Flack, Czesław Hoc

ENF

Jean-François Jalkh

PPE

Tomáš Zdechovský

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB C 357 van 4.10.2018, blz. 315.

(2)

PB C 357 van 4.10.2018, blz. 323.

(3)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(4)

PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.

(5)

PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.

(6)

PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.

(7)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.

(8)

PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.

(9)

PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.

(10)

PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.

(11)

PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.

(12)

PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.

(13)

PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.

(14)

PB C 357 van 4.10.2018, blz. 315.

(15)

PB C 357 van 4.10.2018, blz. 323.

(16)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(17)

PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.

(18)

PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.

(19)

PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.

(20)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.

(21)

PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.

(22)

PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.

(23)

PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.

(24)

PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.

(25)

PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.

(26)

PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.

(27)

Speciaal verslag nr. 9/2018, Publiek-private partnerschappen in de EU: algemeen voorkomende tekortkomingen en beperkte voordelen.

(28)

Speciaal verslag nr. 32/2018 "Noodtrustfonds van de Europese Unie voor Afrika: flexibel, maar een gebrek aan gerichtheid"

(29)

Speciaal verslag nr. 15/2018: Versterking van de capaciteit van de binnenlandse veiligheidstroepen in Niger en Mali: slechts beperkte en trage vooruitgang;

(30)

Speciaal verslag nr. 20/2018: De Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur: het accent van de EU-steun moet worden verlegd.

(31)

Speciaal verslag nr. 9/2018: Publiek-private partnerschappen in de EU: algemeen voorkomende tekortkomingen en beperkte voordelen.

(32)

Speciaal verslag nr. 32/2018.

(33)

Speciaal verslag nr. 15/2018: Versterking van de capaciteit van de binnenlandse veiligheidstroepen in Niger en Mali: slechts beperkte en trage vooruitgang.

(34)

Speciaal verslag nr. 20/2018: De Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur: het accent van de EU-steun moet worden verlegd.

Laatst bijgewerkt op: 12 maart 2019Juridische mededeling