Procedure : 2018/2279(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0160/2019

Ingediende teksten :

A8-0160/2019

Debatten :

PV 14/03/2019 - 6
CRE 14/03/2019 - 6

Stemmingen :

PV 14/03/2019 - 11.19
CRE 14/03/2019 - 11.19
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0220

VERSLAG     
PDF 241kWORD 80k
4.3.2019
PE 632.977v02-00 A8-0160/2019

Jaarlijks strategisch verslag over de tenuitvoerlegging en verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's)

(2018/2279(INI))

Commissie ontwikkelingssamenwerking

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Rapporteurs: Eleni Theocharous, Francesc Gambús

(Gezamenlijke commissieprocedure – Artikel 55 van het Reglement)

PR_INI_art121

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Jaarlijks strategisch verslag over de tenuitvoerlegging en verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's)

(2018/2279(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de resolutie van de Verenigde Naties getiteld "Naar een nieuwe wereld: de agenda inzake duurzame ontwikkeling voor 2030", die op 25 september 2015 werd goedgekeurd op de VN-wereldtop inzake duurzame ontwikkeling te New York,

–  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) bij de Overeenkomst van Parijs, goedgekeurd op de 21e conferentie van de partijen (COP 21) in Parijs op 12 december 2015 en gezien de voorgenomen nationaal vastgestelde bijdragen (INDC's) van de EU en haar lidstaten, die Letland en de Europese Commissie op 6 maart 2015 bij het UNFCCC hebben ingediend,

–  gezien de derde internationale conferentie over financiering voor ontwikkeling die van 13 tot 16 juli 2015 in Addis Abeba plaatsvond,

–  gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 7 van het VWEU waarin wordt bevestigd dat de EU toeziet "op de samenhang tussen haar verschillende beleidsmaatregelen en optredens, rekening houdend met het geheel van haar doelstellingen",

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Europese Raad en de Europese Commissie van 7 juni 2017 getiteld "Nieuwe Europese consensus over ontwikkeling – Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst"(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 22 november 2016 getiteld "Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst – Europese duurzaamheidsmaatregelen" (COM(2016)0739),

–  gezien de discussienota van de Commissie getiteld "Naar een duurzaam Europa in 2030", die op 30 januari 2019 werd gepubliceerd,

–  gezien het multistakeholderplatform op hoog niveau voor de implementatie van duurzameontwikkelingsdoelstellingen en gezien de gezamenlijke bijdrage ervan van 11 oktober 2018, waarin wordt aanbevolen dat de EU een overkoepelende, visionaire en hervormende strategie voor een duurzaam Europa 2030 ontwikkelt en uitvoert die dient als leidraad voor alle beleidsterreinen en programma's van de EU, die zowel tussentijdse als langetermijndoelstellingen bevat en waarin de visie van de EU voor een duurzaam Europa na de Agenda voor 2030 wordt geschetst,

–  gezien het verslag van de EU van 2019 over beleidscoherentie voor ontwikkeling, dat op 28 januari 2019 werd gepubliceerd,

–  gezien het algemene milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 getiteld "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet"(2),

–  gezien zijn resolutie van 19 mei 2015 over financiële middelen voor ontwikkeling(3),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2016 over de follow-up en de herziening van de Agenda 2030(4),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over het verslag 2015 van de EU over de coherentie van het ontwikkelingsbeleid(5),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over het vergroten van de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking(6),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2017 over Europese duurzaamheidsmaatregelen(7),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2018 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: jaarlijkse groeianalyse 2018(8),

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2018 over de schending van de rechten van inheemse volkeren in de wereld, inclusief landroof(9),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2017 over "De reactie van de EU op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling" (10502/17),

–  gezien het voorstel van de Europese Commissie van 30 mei 2018 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+) (COM(2018)0382),

–  gezien de Europese pijler van sociale rechten,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 20 november 2018 tussen de Wereldgezondheidsorganisatie en het Europees Parlement getiteld "United to accelerate progress to health related Sustainable Development Goals – leaving no one behind",

–  gezien het toezichtverslag 2018 van Eurostat over vooruitgang in de richting van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen in EU-verband,

–  gezien de Europa 2020-strategie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2018 getiteld "Geschiktere indicatoren voor de evaluatie van de SDG's – bijdrage van het maatschappelijk middenveld",

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 18 oktober 2018 (EUCO 13/18), waarin wordt gesteld dat de EU en haar lidstaten volledig gecommitteerd zijn aan de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de uitvoering ervan, en waarin de Europese Raad zich verheugt over het voornemen van de Commissie om in 2018 haar discussienota bekend te maken, waarbij de Raad ertoe oproept dat hiermee het pad moet worden geëffend voor een alomvattende uitvoeringsstrategie in 2019,

–  gezien de prioriteiten van de EU bij de Verenigde Naties en de 73e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (september 2018-september 2019), aangenomen door de Raad op 25 juni 2018,

–  gezien de bijdrage van het multistakeholderplatform voor duurzameontwikkelingsdoelstellingen aan de discussienota van de Commissie getiteld "Naar een duurzaam Europa in 2030" van 12 oktober 2018,

–  gezien het mondiaal pact inzake migratie en het mondiaal pact inzake vluchtelingen van 2018,

–  gezien het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015-2030, dat op 18 maart 2015 door de lidstaten van de VN is goedgekeurd tijdens de derde Wereldconferentie van de VN over rampenrisicovermindering,

–  gezien het gezamenlijk communiqué tussen de Europese Unie en de Verenigde Naties van 27 september 2018 getiteld "A renewed partnership in development"(10),

–  gezien het gezamenlijk communiqué dat gepubliceerd werd na de derde trilaterale bijeenkomst van de Afrikaanse Unie, de Europese Unie en de Verenigde Naties die op 23 september 2018 werd gehouden in New York(11),

–  gezien het gezamenlijk persbericht van de EU en de VN van 23 september 20181(12),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke beraadslagingen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0160/2019),

A.  overwegende dat de Agenda 2030 over een potentieel voor verandering beschikt en universele, ambitieuze, allesomvattende, ondeelbare en onderling samenhangende doelstellingen aanreikt die zijn gericht op de bestrijding van armoede, discriminatie en groeiende ongelijkheden, de bevordering van welvaart, duurzaamheid, milieuverantwoordelijkheid, sociale integratie, gendergelijkheid, de waarborging van economische, sociale en territoriale samenhang, eerbiediging van de mensenrechten en de versterking van vrede en veiligheid; overwegende dat onmiddellijke actie op alle niveaus samen met een doeltreffende Europese verwezenlijkingsstrategie, en een controle- en evaluatiemechanisme essentieel zijn voor de verwezenlijking van de SDG's;

B.  overwegende dat de Agenda 2030 en de SDG's staan voor een ambitieuze visie voor een meer welvarende, alomvattende en veerkrachtige wereld; overwegende dat de Agenda 2030 gebaseerd is op de kernwaarden van de Unie van democratie, participatie, goed bestuur, sociale rechtvaardigheid, solidariteit, duurzaamheid, en eerbiediging van de rechtsstaat en de mensenrechten binnen de EU, haar lidstaten en wereldwijd; overwegende dat nastreving van de SDG's derhalve vanzelfsprekend de plannen van de Unie volgt om aan een betere, gezondere en duurzamere toekomst voor Europa te bouwen, die tot de strategische prioriteiten van de EU zouden moeten behoren;

C.  overwegende dat de Agenda 2030 en de verwezenlijking van de SDG's een uitdaging vormen; overwegende dat de 17 doelstellingen en 169 onderliggende streefcijfers om coördinatie vragen tussen de EU en haar lidstaten, het Europees Parlement, de nationale parlementen en regionale en lokale overheden, en om een aanpak via meerlagig bestuur, ook op basis van een actief en breed engagement van het publiek, het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector;

D.  overwegende dat de betrokkenheid van sociale partners vanaf het begin een sleutelrol heeft gespeeld bij de Agenda 2030 en de SDG's, om aan te moedigen dat hierin prioriteiten worden opgenomen zoals eerlijk werk, de bestrijding van ongelijkheden en participatie van het maatschappelijk middenveld; overwegende dat hun actieve participatie in het evaluatieproces van de vooruitgang en de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 en de SDG's essentieel is;

E.  overwegende dat de Commissie nog geen brede strategie heeft vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030, die interne en externe beleidsterreinen van de EU met gedetailleerde tijdschema's tot 2030, doelstellingen en concrete maatregelen omvat, zoals het Parlement, de Raad en de Europese Raad hebben gevraagd, en dat zij noch de SDG's als een overkoepelend kader heeft opgenomen in de herziene richtsnoeren voor betere regelgeving die in 2017 zijn gepubliceerd; overwegende dat er gemeenschappelijke indicatoren en benchmarks nodig zijn teneinde de uitvoering van een dergelijke strategie systematisch te meten en te monitoren en zowel nu als in de toekomst eventuele tekortkomingen vast te stellen;

F.  overwegende dat duurzaamheid en de overgang naar een klimaatneutrale, circulaire en sociaal inclusieve economie de sleutel vormen tot het waarborgen van groei op de lange termijn en het concurrentievermogen van de EU, wat alleen mogelijk is als de planetaire grenzen worden geëerbiedigd;

G.  overwegende dat in de Europese consensus over ontwikkeling wordt erkend dat beleidscoherentie voor ontwikkeling (Policy Coherence for Development – PCD) fundamenteel deel uitmaakt van de bijdrage van de EU aan het bereiken van de SDG's en dat er voor duurzame ontwikkeling een holistische en sectoroverschrijdende beleidsaanpak vereist is, die uiteindelijk een bestuurskwestie vormt die in samenspraak met alle belanghebbenden en op alle niveaus moet worden nagestreefd; overwegende dat een doeltreffende implementatie van PCD cruciaal is voor de verwezenlijking van de Agenda 2030;

H.  overwegende dat het beleids- en bestuurskader van de EU reeds een bepaald aantal bindende en niet-bindende beleidsdoelstellingen, benchmarks en indicatoren bevat op gebieden als de begroting, sociale zaken, energie en klimaat, zonder dat het uit een brede, coherente en samenhangende strategie bestaat;

I.  overwegende dat de uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling een vergroot bewustzijn bij burgers vereist;

J.  overwegende dat beoordelingen vooraf en evaluaties achteraf cruciale instrumenten zijn om te waarborgen dat EU-beleid geen negatieve effecten heeft op duurzame ontwikkeling, met name op ontwikkelingslanden, en dat de positieve effecten ervan tot het uiterste worden benut; overwegende dat beoordelingen en evaluaties bekend moeten worden gemaakt om volledige transparantie en verantwoording te waarborgen;

K.  overwegende dat de Agenda 2030 een universele agenda is die in elk land ten uitvoer moet worden gelegd; overwegende dat het universaliteitsbeginsel inhoudt dat ieder land de effecten van zijn handelen nagaat met betrekking tot andere landen om beleidscoherentie voor ontwikkeling te waarborgen, hetgeen – gezien de complexiteit en de versnippering van EU-beleid – een grote uitdaging voor de Unie vormt;

L.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig het zevende milieuactieprogramma in mondiale context de milieueffecten van de consumptie van levensmiddelen en non-foodproducten dient te beoordelen;

M.  overwegende dat het mondiaal partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking (GPEDC) een sterke rol zou kunnen spelen bij de op feiten gebaseerde aspecten van monitoring en verantwoording met betrekking tot doeltreffendheidsbeginselen voor de verwezenlijking van de SDG's bij het ondersteunen van de volledigere tenuitvoerlegging ervan door alle actoren op nationaal niveau; overwegende dat het GPEDC moet zorgen voor duidelijk gedefinieerde samenwerkingskanalen voor specifieke ontwikkelingsactoren andere dan de OESO-donoren, inclusief opkomende donoren, maatschappelijke organisaties, particuliere filantropen, financiële instellingen en bedrijven uit de particuliere sector;

N.  overwegende dat de financiering van de SDG's een enorme uitdaging vormt die niet alleen een krachtige politieke verbintenis door de EU en haar lidstaten, maar ook een krachtig wereldwijd partnerschap vereist, waarbij gebruik wordt gemaakt van alle vormen van financiering (binnenlandse, internationale, publieke, particuliere en innoverende bronnen); overwegende dat particuliere financiering essentieel is, maar publieke financiering niet kan vervangen;

O.  overwegende dat de verwezenlijking van de SDG's niet alleen afhangt van voldoende financiering, maar ook van niet-financiële acties zoals is erkend in de Agenda 2030;

P.  overwegende dat een effectieve mobilisering van binnenlandse ontvangsten een onontbeerlijke factor is om de doelstellingen van de Agenda 2030 te verwezenlijken; overwegende dat de ontwikkelingslanden in het bijzonder worden getroffen door de belastingontduiking en -ontwijking van ondernemingen;

Q.  overwegende dat genderongelijkheid, klimaatverandering, afnemende hulpbronnen, het verlies aan biodiversiteit, voedselonzekerheid, luchtvervuiling en de toename van gedwongen migratie enkele van de zeer complexe uitdagingen vormen waarvoor onze beschaving zich vandaag de dag gesteld ziet; overwegende dat dit onderling samenhangende uitdagingen zijn waar een holistische respons op moet komen; overwegende dat de Agenda 2030 van de VN een fundamenteel instrument is om deze wereldwijde uitdagingen op een geïntegreerde en holistische manier aan te pakken;

R.  overwegende dat in artikel 208 van het VWEU wordt bepaald dat het hoofddoel van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie is de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen;

S.  overwegende dat het politiek forum op hoog niveau voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties (High-Level Political Forum on Sustainable Development – HLPF) in september 2019 onder auspiciën van de Algemene Vergadering van de VN op het hoogste niveau bijeen zal komen om de uitvoering van de Agenda 2030 als geheel te evalueren, waarbij de vooruitgang bij alle SDG's op een integrale manier wordt geëvalueerd, en in juli 2019 op ministersniveau om de vooruitgang ten aanzien van de SDG's 4 (hoogwaardig onderwijs), 8 (goede werkgelegenheid en economische groei), 10 (ongelijkheid verminderen), 13 (klimaatactie), 16 (vrede, gerechtigdheid en sterke instellingen) en 17 (partnerschappen voor de doelen) te beoordelen, en daarna jaarlijks om voortgangsverslagen op te stellen voor de doelstellingen die niet geëvalueerd worden in het kader van de thematische evaluatie van 2019;

T.  overwegende dat de top van de Algemene Vergadering van de VN over de SDG's de EU en haar lidstaten de kans biedt om hun vorderingen wat betreft het bevorderen van de Agenda 2030 op een integrale manier te benadrukken;

U.  overwegende dat de EU bij de follow-up en het evaluatieproces van de Agenda 2030 bij de VN niet altijd verenigd is geweest als het aankomt op haar stemgedrag, met name op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

V.  overwegende dat het HLPF de EU en de lidstaten een goede gelegenheid biedt om hun vorderingen wat betreft het bevorderen van de Agenda 2030 via vrijwillige nationale evaluaties (Voluntary National Reviews –VNR's) te beoordelen en om een leidende rol te spelen als de grootste verlener van officiële ontwikkelingshulp (Official Development Assistance – ODA) en als de drijvende kracht achter het duurzaamheids- en milieubeleid; overwegende dat de afgeronde VNR's dienen om de vooruitgang op het vlak van de SDG's te beoordelen en de aandacht te vestigen op de huidige tekortkomingen en uitdagingen;

W.  overwegende dat ODA een cruciale rol zal spelen bij de verwezenlijking van de Agenda voor Duurzame Ontwikkeling voor 2030, met name in lagelonenlanden en bij de bestrijding van extreme armoede en ongelijkheid, als de beginselen inzake doeltreffende ontwikkeling worden geëerbiedigd, met name de eigen inbreng van de ontwikkelingslanden, transparantie en verantwoordingsplicht, focus op resultaten en inclusiviteit;

X.  overwegende dat het beginsel waarbij niemand achterblijft de kern vormt van de Agenda 2030; overwegende dat in 2017 rond 22,5 % van de EU-bevolking het risico liep op armoede of sociale uitsluiting en dat 6,9 % van de bevolking nog steeds leed onder ernstige materiële deprivatie(13); overwegende dat ongelijkheden uiteenlopende sociale consequenties hebben, zoals grote verschillen in het welzijn en de levenskwaliteit, met inbegrip van beroepsmogelijkheden en de gezondheidszorg;

Y.  overwegende dat er een aanhoudend hoog niveau van kinderarmoede en sociale uitsluiting in de Unie is (26,4 % in 2017); overwegende dat er in de Europese pijler van sociale rechten wordt gesteld dat kinderen recht hebben op bescherming tegen armoede en dat kinderen uit kansarme milieus recht hebben op specifieke maatregelen die gelijke kansen versterken; overwegende dat vroeg investeren in kinderen aanzienlijke resultaten oplevert voor die kinderen en de maatschappij als geheel en essentieel is om de vicieuze cirkel van achterstelling op jonge leeftijd te doorbreken;

Z.  overwegende dat de EU de afgelopen vijf jaar vooruitgang heeft geboekt met vrijwel alle SDG's, met zeven lidstaten van de EU-27 die in de top 10 van de mondiale SDG Index-rangschikking staan, en overwegende dat alle lidstaten van de EU-27 in de top 50 (van de 156)(14) staan; overwegende dat sommige lidstaten al bovenaan staan met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de SDG's; overwegende dat de EU niettemin nog steeds geen uitvoeringsstrategie heeft voor de SDG's;

AA.  overwegende dat grote en toenemende ongelijkheid tussen en binnen landen aanzienlijke sociale en economische kosten met zich mee kan brengen; overwegende dat ongelijkheid duidelijk in strijd is met de doelstelling van duurzame ontwikkeling;

AB.  overwegende dat betere regelgeving in een mededeling van de Commissie uitdrukkelijk werd genoemd als een andere manier om ervoor te zorgen dat duurzame ontwikkeling verder geïntegreerd wordt in het beleid van de EU(15);

AC.  overwegende dat in het werkdocument van de diensten van de Commissie van 19 juli 2018 over de bestrijding van hiv/aids, virale hepatitis en tuberculose in de Europese Unie en de aangrenzende landen (SWD(2018)0387) de leemten en beperkingen worden benadrukt van surveillancegegevens op het gebied van virale hepatitis, die het moeilijk maken om de afstand te beoordelen die de EU-lidstaten moeten afleggen om het SDG-streefcijfer te behalen;

AD.  overwegende dat in het witboek van de Commissie van 1 maart 2017 over de toekomst van Europa (COM(2017)2025) geen duurzame ontwikkeling, noch de Agenda 2030 zijn opgenomen als een visie of een discours voor de toekomst van de EU;

AE.  overwegende dat uit het verslag van Unicef getiteld "Progress for Every Child in the SDG Era", dat in maart 2018 werd gepubliceerd, een zorgwekkend gebrek aan gegevens in 64 landen blijkt, evenals onvoldoende vooruitgang in de richting van de SDG's in 37 andere landen; overwegende dat meer dan een half miljard kinderen in landen leven die niet in staat zijn om de vooruitgang op het gebied van de SDG's te meten;

AF.  overwegende dat eerlijk werk de basis voor eerlijke en inclusieve groei en een drijvende kracht achter ontwikkeling en sociale vooruitgang vormt; overwegende dat hiermee, samen met sociale bescherming voor degenen die geen baan kunnen vinden of niet in staat zijn te werken, ongelijkheid wordt aangekaart en een grote invloed wordt uitgeoefend op sociale en economische vooruitgang;

Europees leiderschap voor universele waarden binnen een multilateraal kader voor mensen, de planeet en welvaart

1.  benadrukt dat de complexe mondiale uitdagingen waarvoor de wereld zich gesteld ziet de holistische en geïntegreerde respons vereisen die kan worden bereikt met behulp van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling;

2.  merkt op dat de Agenda 2030 tot doel heeft een beter welzijn voor allen binnen de grenzen van de planeet en een eerlijke wereld te bewerkstelligen waarbij niemand achterblijft, en dat de vier essentiële pijlers van duurzame ontwikkeling (maatschappij, milieu, economie en bestuur) integraal moeten worden aangepakt voor het verwezenlijken van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's); onderstreept het feit dat duurzame ontwikkeling een fundamentele doelstelling van de Unie is overeenkomstig artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en een centrale rol moet spelen in het debat en het discours over de toekomst van Europa; benadrukt voorts dat de tenuitvoerlegging van de SDG's moet leiden tot een paradigmaverschuiving en het overkoepelende economische model van de EU op de lange termijn moet worden om de huidige Europa 2020-strategie op te volgen;

3.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 nauw verbonden is aan Europese waarden en belangen en een belangrijke innovatie inhoudt die in staat is de wereldorde nieuw leven in te blazen op basis van multilateralisme en internationale samenwerking;

4.  herhaalt de noodzaak om gegevens over alle relevante indicatoren in alle doelstellingen en streefcijfers systematisch uit te splitsen naar geslacht en andere eigenschappen;

5.  benadrukt dat de Unie haar engagement moet bekrachtigen om een wereldwijde voortrekkersrol te vervullen bij de uitvoering van de Agenda 2030 en de SDG's, samen met haar lidstaten en hun lokale en regionale autoriteiten, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en in nauwe samenwerking met haar internationale partners; herinnert eraan dat het politiek engagement van de EU moet worden weerspiegeld in het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2021-2027; onderstreept dat de Agenda 2030 daarnaast als katalysator moet fungeren voor een gecoördineerde benadering tussen het intern en extern optreden van de EU en haar overige beleidsterreinen en coherentie tussen de financieringsinstrumenten van de Unie ten behoeve van een wereldwijde respons en verbintenis voor duurzame groei en ontwikkeling;

6.  dringt erop aan dat voor de tenuitvoerlegging van de SDG's effectieve samenwerking op EU-, nationaal, regionaal en lokaal niveau nodig is, waarbij de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid worden geëerbiedigd; benadrukt de belangrijke rol van adviesraden voor milieu en duurzame ontwikkeling bij deze samenwerking, en is van mening dat hun betrokkenheid op alle bestuursniveaus moet worden versterkt;

7.  is ingenomen met het feit dat veel lidstaten en partnerlanden buiten de EU zich grote inspanningen hebben getroost om mechanismen en strategieën te ontwikkelen om de SDG's te verwezenlijken en deze in hun beleids- en bestuurskaders te integreren; dringt er bij die lidstaten die deze mechanismen nog niet hebben ontwikkeld op aan om dit te doen; onderstreept dat de EU, door derde landen te helpen en aan te moedigen bij het volgen van vergelijkbare acties, bijdraagt tot het bereiken van een gelijk speelveld; erkent dat er nog steeds verdere verbeteringen op EU-niveau nodig zijn;

8.  roept de Commissie en de lidstaten ertoe op een horizontale aanpak in hun beleid te waarborgen ten aanzien van de SDG's;

9.  erkent dat alle landen van Europa, zowel EU-lidstaten als landen die geen lidstaat waren, in 2015 de Agenda 2030 hebben onderschreven; is van mening dat het in het kader van het debat over de toekomst van Europa van belang is aandacht te besteden aan de ontwikkeling van een pan-Europees kader voor de verwezenlijking van de SDG's tussen de lidstaten van de EU, de EER, de ondertekenaars van EU-associatieovereenkomsten, de kandidaat-lidstaten van de EU en, na zijn terugtrekking, het Verenigd Koninkrijk; benadrukt het belang om parlementaire debatten op alle niveaus te bevorderen;

10.  is ingenomen met de discussienota van de Commissie getiteld "Naar een duurzaam Europa in 2030", waarin drie scenario's worden uiteengezet met betrekking tot hoe de EU werk zou kunnen maken van de SDG's; steunt het eerste scenario, waarin een overkoepelende strategie voor de tenuitvoerlegging van de SDG's door de EU en de lidstaten wordt voorgesteld; is van mening dat, in het kader van de toekomst van Europa, een duurzaam Europa de enige manier is om het welzijn en de welvaart van haar bevolking en de planeet te waarborgen;

11.  betreurt dat de Commissie nog geen geïntegreerde en holistische tenuitvoerleggingsstrategie voor de SDG's heeft ontwikkeld;

12.  onderstreept het belang van ODA als een fundamenteel instrument voor het uitroeien van armoede en herinnert aan de respectieve ODA-verbintenissen van de EU en de lidstaten, met inbegrip van de verbintenis om het streefcijfer van 0,7 % van het bruto nationaal inkomen (bni) aan ODA uit te geven en 0,15 tot 0,20 % van ODA/bni toe te wijzen aan de minst ontwikkelde landen; doet een beroep op de EU en haar lidstaten zich onverwijld opnieuw te verbinden tot het ODA/bni-streefcijfer van 0,7 % en ODA geleidelijk op te voeren om dit streefcijfer binnen een duidelijk tijdschema te halen; roept de lidstaten ertoe op realistische en controleerbare jaarlijkse actieplannen vast te stellen om individuele ODA-doelstellingen te bereiken; onderstreept dat de lidstaten, gezien de verantwoordelijkheid van zowel de EU als de lidstaten om het ODA/bni-streefcijfer van 0,7 % te halen, verantwoording moeten afleggen aan zowel nationale parlementen als het Europees Parlement;

13.  erkent dat gezondheidswinst moet worden beschermd en vooruitgang bespoedigd teneinde de SDG's te behalen; stelt dat hoewel de wereld aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt op meerdere gezondheidsgebieden er nog heel wat uitdagingen overblijven, waaronder het aanpakken van ongelijkheden tussen de gezondheid van mensen in stabiele landen en de gezondheid van mensen die leven in een broze en kwetsbare omgeving, en het aanpakken van ongelijkheden op gezondheidsgebied binnen landen;

14.  erkent dat de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling de wereldgezondheid als een politieke prioriteit heeft versterkt; stelt dat gezonde bevolkingen essentieel zijn voor duurzame ontwikkeling – voor de uitbanning van armoede, de bevordering van vreedzame en inclusieve maatschappijen en de bescherming van het milieu; benadrukt dat gezondheid ook een resultaat en een indicator van vooruitgang is, waarin het succes van veel doelen en de hele Agenda 2030 wordt weerspiegeld;

15.  benadrukt dat de EU er over het algemeen in is geslaagd haar eigen broeikasgasemissies terug te dringen en deze los te koppelen van economische groei, waardoor zij krachtig bijdraagt aan de wereldwijde inspanning, daarbij ook rekening houdend met de emissies die geïntegreerd zijn in de invoer en uitvoer van de EU(16); merkt echter op dat er meer inspanningen moeten worden geleverd, zowel op EU-niveau als wereldwijd;

Grotere strategische en gecoördineerde EU-actie voor het verwezenlijken van de wereldwijde doelstellingen

16.  roept de Commissie op een diepgaande lacuneanalyse uit te voeren op bestaande beleidsterreinen en de tenuitvoerlegging ervan, teneinde kritieke gebieden met synergieën en incoherenties op te sporen; verzoekt de Commissie om onverwijld duidelijk vast te stellen welke stappen er tot 2030 moeten worden gezet op het gebied van beleid en wetgeving, statistieken en de vergaring van uitgesplitste gegevens, en governance en tenuitvoerlegging, om tegen eind 2019 een brede strategie voor het verwezenlijken van de Agenda 2030 vast te stellen;

17.  dringt er bij de Commissie op aan een ambitieuze, transformatieve, overkoepelende en alomvattende strategie op te stellen voor de verwezenlijking van de Agenda 2030, waarmee SDG's volledig in de beleidsterreinen en de governance van de EU worden geïntegreerd, waarmee wordt voorzien in een leidraad voor zowel de EU-instellingen als de lidstaten bij hun tenuitvoerlegging, monitoring en de evaluatie van de Agenda 2030, en gedetailleerde stappenplannen, concrete doelstellingen en tijdschema's uiteen worden gezet; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de onderlinge verbanden tussen de SDG's in deze strategie aan bod komen;

18.  verzoekt de Commissie haar samenwerking met de VN te versterken en roept de EU-lidstaten ertoe op de lopende hervorming van de VN te steunen, zodat deze geschikt is om de Agenda 2030 uit te voeren;

19.  herinnert eraan dat alle SDG's relevant zijn met betrekking tot de inachtneming van de kinderrechten; benadrukt het belang van de tenuitvoerlegging van de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind in het kader van de externe betrekkingen van de EU; verzoekt de Commissie om de voortgang op het gebied van de kinderrechten in externe programma's van de EU te monitoren en hierover verslag uit te brengen;

20.  verzoekt de Commissie, als een belangrijk fundament voor het bouwen aan een duurzaam Europa, het voortouw te nemen bij de ontwikkeling van een productie- en consumptiemodel op het gebied van duurzame voedselproductie dat bescherming biedt en de druk van voedselsystemen op de gezondheid en het milieu wegneemt en economische voordelen met zich meebrengt voor landbouwers, bedrijven en burgers;

21.  roept de Commissie op om, in samenwerking met de belangrijkste belanghebbenden op alle niveaus, toe te werken naar het garanderen van een gezond leven en het welzijn van iedereen op elke leeftijd te bevorderen, met name met het oog op het toegankelijker, betaalbaarder, effectiever en duurzamer maken van de gezondheidszorg, waarbij risicofactoren van niet-overdraagbare ziekten op een meer holistische manier worden aangepakt, beste praktijken worden uitgewisseld en de capaciteit om wereldwijde bedreigingen van de gezondheid aan te pakken, zoals antimicrobiële resistentie, wordt versterkt;

22.  verzoekt de Commissie om programmatische, financiële en operationele beleidslijnen, benaderingen en methoden, daar waar dit de efficiëntie en de doeltreffendheid kan vergroten, af te stemmen op de VN en zijn partners, teneinde de doeltreffendheid op het gebied van een aantal gemeenschappelijke prioriteiten te verbeteren, zoals gendergelijkheid en de gezondheid van moeders, pasgeborenen, kinderen, jongeren en de reproductieve gezondheid, klimaatverandering en het milieu, en het aanpakken van ongelijkheden en armoede;

23.  benadrukt dat het garanderen van fiscale rechtvaardigheid en transparantie, het bestrijden van belastingontwijking en -ontduiking, het uitbannen van illegale financieringsstromen en belastingparadijzen en een sterkere mobilisatie van binnenlandse middelen essentieel is om de Agenda 2030 te financieren; pleit nogmaals voor de beoordeling van de overloopeffecten van nationaal fiscaal beleid en dat van de EU op ontwikkelingslanden, waarmee beleidscoherentie voor ontwikkeling wordt gewaarborgd;

24.  benadrukt het belang van het aanpakken van sociale en economische ongelijkheden en het bevorderen van gendergelijkheid binnen de EU en wereldwijd; herinnert aan het onderliggende beginsel van de Agenda 2030 dat niemand wordt uitgesloten; verzoekt de Commissie daarom bijzondere aandacht te besteden aan de meest gemarginaliseerden en kwetsbaren in de samenleving en te zorgen voor volledige inclusiviteit;

25.  verzoekt de Commissie duurzame globale waardeketens te bevorderen door de invoering van stelsels van zorgvuldigheidseisen voor ondernemingen, met een nadruk op hun gehele toeleveringsketens, waardoor ondernemingen zouden worden aangemoedigd op een meer verantwoorde wijze te investeren en de doeltreffendere tenuitvoerlegging van hoofdstukken over duurzaamheid in vrijhandelsovereenkomsten zou worden gestimuleerd, met inbegrip van de bepalingen inzake de bestrijding van corruptie, transparantie, het tegengaan van belastingontwijking en verantwoord ondernemen;

26.  is van oordeel dat de SDG's de kern moeten vormen van de strategie voor duurzame ontwikkeling en inclusieve groei van de EU; onderstreept de noodzaak om gemeenschappelijke indicatoren, benchmarks en streefcijfers vast te stellen, en een analyse uit te voeren van de af te leggen weg naar de streefcijfers en doelstellingen, de acties die nodig zijn om deze te verwezenlijken en de manieren waarop ze worden uitgevoerd; benadrukt dat de 2030-strategie van de EU ook moet aangeven wanneer en hoe de Unie duurzaamheidseffectbeoordelingen zal uitvoeren om bestaande lacunes aan de kaak te stellen, bestaand beleid bij te sturen en nieuwe wetgevingsvoorstellen, evaluaties of herschikkingen van Uniewetgeving te ontwikkelen,waarbij coherentie- en coördinatiewerkzaamheden worden gegarandeerd, zowel op EU- als op lidstaatniveau; roept de Commissie en de Raad in al hun samenstellingen derhalve op dit streven onverwijld te realiseren;

27.  is van mening dat het Europees Parlement inspraak moet krijgen in het Europees Semester, waarbij dit moet worden afgestemd op de Agenda 2030, en dat een duurzaamheidstoetsing deel moet uitmaken van het proces; verzoekt derhalve de Commissie het bestaande proces van het Europees Semester verder aan te passen; onderstreept dat dit in het bijzonder zou vereisen dat met het Europees Semester op een alomvattende manier rekening wordt gehouden met alle dimensies van de SDG's;

28.  benadrukt dat het noodzakelijk is om duidelijk de stappen die op elk bestuursniveau moeten worden gezet vast te stellen voor de verwezenlijking van de doelstellingen en streefcijfers, met eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel; roept op tot de totstandbrenging van duidelijke en coherente duurzame-ontwikkelingstrajecten op het juiste niveau (nationaal, subnationaal, lokaal) in de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan; benadrukt dat de Commissie dit proces moet begeleiden teneinde een coherente aanpak te waarborgen; roept op tot een meerlagige aanpak teneinde beter begrip, hoge betrokkenheid en gedeelde verantwoordelijkheid te creëren rond de verwezenlijking van de SDG's;

29.  is ingenomen met de publicatie van het tweede toezichtsverslag van Eurostat over duurzame ontwikkeling in de EU, hetgeen een stap vooruit betekent bij het creëren van een volwaardig monitoringsmechanisme van de EU; betreurt dat het verslag geen beoordeling van de effecten van EU-wetgeving op derde landen en een evaluatie van de af te leggen weg van de huidige resultaten naar het bereiken van de doelstellingen en streefcijfers bevat;

30.  onderstreept dat de Commissie een geïntegreerd, doeltreffend en participerend kader voor monitoring, verantwoording en evaluatie voor het verwezenlijken en mainstreamen van de SDG's en de Agenda 2030 moet ontwikkelen dat in overeenstemming is met het mondiaal indicatorenkader van de VN en dat informatie en relevante uitgesplitste gegevens op nationaal en subnationaal niveau bijeenbrengt en erkent dat Eurostat alleen niet in staat is alle aspecten van de voortgang van de SDG's volledig in beeld te brengen; benadrukt de noodzaak om rekening te houden met overloopeffecten en met de onderling samenhangende en ondeelbare aard van de doelstellingen en verzoekt dat Eurostat de opdracht krijgt om ook systematisch verslag te doen van SDG-prestaties met betrekking tot iedere lidstaat, op basis van een uniforme reeks indicatoren;

31.  benadrukt het belang van een brede reeks indicatoren die niet zuiver van economische aard zijn en waarin de transformatieve aard van de SDG's wordt vastgelegd, met name met betrekking tot het aanpakken van armoede in al zijn vormen, en die moeten worden gemeten door uitgesplitste gegevens met betrekking tot de verwezenlijking van de SDG's; benadrukt de noodzaak dat Eurostat een reeks specifieke voortgangsindicatoren opstelt voor de interne toepassing van de SDG's op de respectieve bestuursniveaus in de EU;

32.  herinnert aan de centrale rol die de EU speelt bij de verbetering van normen op het gebied van transparantie, verantwoording en duurzaamheid in globale waardeketens; benadrukt dat de EU een normatieve en economische macht is en zichzelf derhalve moet positioneren als leider op het gebied van goede praktijken en het opstellen van mondiale regels; roept de Commissie en de lidstaten ertoe op de onderhandelingen voor een bindend VN-verdrag over transnationale ondernemingen en mensenrechten te ondersteunen;

33.  verzoekt de EU-lidstaten gegevens te verstrekken voor de doeltreffende monitoring van virale hepatitis in overeenstemming met de indicatoren die zijn vastgesteld door het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding en verzoekt de Commissie om dit proces nauwlettend in de gaten te houden, in overeenstemming met de verbintenis die zij in haar mededeling getiteld "Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst" van november 2016 is aangegaan;

34.  benadrukt het belang van bewustmaking ten aanzien van het potentieel voor verandering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen ervan; herinnert aan de noodzaak van contact met burgers en organisaties van het maatschappelijk middenveld gedurende de tenuitvoerleggings- en monitoringsprocessen; benadrukt de belangrijke rol die het Europees Parlement en de nationale parlementen spelen;

35.  benadrukt het belang van transparantie en democratische verantwoording bij het bewaken van de voortgang van de EU ten opzichte van de Agenda 2030 en onderstreept derhalve de rol van de medewetgevers in dit proces; is van mening dat het sluiten van een bindend interinstitutioneel akkoord overeenkomstig artikel 295 van het VWEU in dit opzicht zou voorzien in een passend kader voor samenwerking;

36.  roept de Commissie en de lidstaten ertoe op om de beschikbare informatie en het bewustzijn bij burgers van de noodzaak van voltooiing van de Agenda 2030 verder te verbeteren;

37.  benadrukt dat het MFK moet worden toegespitst op de Agenda 2030 en moet waarborgen dat het thema duurzame ontwikkeling beter in alle financieringsmechanismen en begrotingsonderdelen wordt opgenomen; doet derhalve een beroep op de Commissie om de verantwoordingsplicht te vergroten voor het bereiken van collectieve resultaten door middel van het MFK; herhaalt zijn standpunt over het toekomstige MFK, waarvoor een verplichte tussentijdse herziening vereist is, na een evaluatie van de werking van het MFK, en waarbij rekening moet worden gehouden met een beoordeling van de vooruitgang die is bereikt met betrekking tot de SDG's; benadrukt de noodzaak om de geplande budgetten voor bestaand beleid te controleren om samenhang met duurzame ontwikkeling te waarborgen;

38.  is van mening dat aanzienlijke versnelling van groene investeringen, innovatie en groei in de EU nodig is voor de tijdige en succesvolle tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 en onderstreept het belang van een intensiever gebruik van innovatieve en bestaande financieringsinstrumenten, zoals groene overheidsopdrachten, evenals de dringende behoefte aan verschillende benaderingen ten aanzien van het huidige investeringsbeleid, met name het geleidelijke afschaffen van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu;

39.  is ingenomen met de toegenomen hoeveelheid van institutioneel en particulier kapitaal dat wordt toegewezen aan de financiering van de SDG's en benadrukt het belang van een robuust duurzaam financieel kader, met inbegrip van een schaalverdeling van de kapitaalvereisten voor banken en een prudentiële behandeling van koolstofrijke activa, prudentiële vereisten voor verzekeringsmaatschappijen en een actualisering van de taken van institutionele investeerders en vermogensbeheerders;

Beleidscoherentie, coördinatie en mainstreaming van de SDG's

40.  benadrukt het belang van betere coördinatie en samenwerking tussen en binnen besluitvormingsorganen, verschillende organisaties en relevante belanghebbenden, met inbegrip van lokale autoriteiten en organisaties van het maatschappelijk middenveld ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 en het bereiken van grotere beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling (Policy Coherence for Sustainable Development – PCSD);

41.  is verheugd over de goedkeuring van het verslag van de Commissie van 2019 over beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) en de poging om PCD beter op te nemen in de EU-benadering om SDG's ten uitvoer te leggen; herinnert eraan dat PCD een beginsel is dat is neergelegd in artikel 208 van het VWEU, en tegelijkertijd essentieel is voor het behalen van de SDG's;

42.  erkent de vorderingen die zijn gemaakt met de PCD-instrumenten met betrekking tot het beïnvloeden van de beleidsvorming van de EU; verzoekt om verdere inspanningen om ervoor te zorgen dat er bij beleidslijnen op andere gebieden dan ontwikkeling rekening wordt gehouden met ontwikkelingsdoelstellingen als een gevolg van PCD-mechanismen;

43.  onderstreept dat PCD een fundamenteel onderdeel van en een bijdrage tot PCSD vormt; beveelt sterk aan dat de beste praktijken en de lessen die uit PCD zijn geleerd worden toegepast bij het doorontwikkelen en in de praktijk brengen van PCSD;

44.  verzoekt de Commissie en haar lidstaten hun toezeggingen inzake PCD te bekrachtigen als een belangrijke bijdrage aan de verwezenlijking van bredere PCSD bij hun optreden ter uitvoering van de Agenda 2030; onderstreept de noodzaak mechanismen voor beleidscoherentie binnen alle EU-instellingen en in het kader van beleidsvormingsprocessen te versterken en ervoor te zorgen dat dit beginsel adequaat wordt geëerbiedigd in regelmatige voorafgaande effectbeoordelingen en door adequate mechanismen in te voeren voor verantwoording en beperking;

45.  is van mening dat PCSD betekent dat alle relevante beleidslijnen en alle financiële en niet-financiële instrumenten op EU-niveau in de toekomst met het oog op het bereiken van de beoogde SDG's ontworpen, ten uitvoer gelegd en gemonitord moeten worden en dat de Commissie derhalve snel de noodzakelijke beleidscapaciteit op alle niveaus moet ontwikkelen;

46.  dringt er bij de Commissie op aan om een vervolgactieplan goed te keuren overeenkomstig de aanbevelingen van de externe evaluatie van PCD, waarin wordt gepleit voor de goedkeuring van een duidelijk stel regels over de tenuitvoerlegging van het concept; pleit er opnieuw voor dat de verantwoordelijkheden van elke EU-instelling op het gebied van het nakomen van PCD-verplichtingen duidelijk worden gedefinieerd;

47.  pleit er opnieuw voor dat PCD op het niveau van de Europese Raad wordt besproken, om een impuls te geven aan de tenuitvoerlegging van de mechanismen ervan met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling; is van mening dat er, zoals reeds werd opgemerkt in de externe evaluatie van PCD, alleen met de politieke wil van de EU een aanzienlijk effect zal zijn op de bevordering en de doeltreffendheid van de PCD-aanpak;

48.  benadrukt de noodzaak, gezien de in artikel 208 van het VWEU neergelegde wettelijke verbintenis om PCD te bevorderen, dat de EU proactief de dialoog aangaat met ontwikkelingslanden en -regio's teneinde belangrijke beleidsinitiatieven te bespreken en te overwegen die gevolgen voor hen kunnen hebben;

49.  benadrukt dat het nodig is dat de EU-instellingen leiderschap tonen en hun eigen bestuur aanpassen zodat het mainstreamen van de SDG's binnen hun werkzaamheden mogelijk wordt; verzoekt de Commissie de SDG's op het hoogste niveau te coördineren met een speciaal projectteam dat verbonden is aan het bureau van de voorzitter en samenwerkt met alle commissarissen en de opgeleide contactpunten binnen de directoraten-generaal; benadrukt dat er in de State of the Union-toespraak moet worden verwezen naar de stand van zaken op het gebied van de tenuitvoerlegging van de SDG's; dringt erop aan dat het Parlement er evenzeer voor moet zorgen dat de SDG's op coherente wijze in de commissies worden gemainstreamd;

50.  is ingenomen met de oprichting van een werkgroep voor de Agenda 2030 binnen de Raad Algemene Zaken; dringt erop aan mechanismen in te stellen voor coördinatie en samenwerking tussen en binnen het Parlement, de Raad en de Commissie wat de SDG's betreft, om beleidscoherentie te waarborgen; onderstreept dat deze mechanismen duidelijk moeten worden gedefinieerd en bepaald binnen een interinstitutioneel akkoord voor een duurzaam Europa tegen 2030, aangezien samenhangende politieke processen tussen de drie instellingen essentieel zijn voor de succesvolle tenuitvoerlegging van de Agenda 2030; verzoekt om betrokkenheid van alle drie de instellingen in de toekomstige werkzaamheden van het multistakeholderplatform voor SDG's en benadrukt de noodzaak om alle relevante actoren bij dit platform te betrekken, met inbegrip van organisaties van het maatschappelijk middenveld;

51.  is van mening dat, overeenkomstig SDG 17 over partnerschap, de rol van het bestaande multistakeholderplatform voor SDG's moet worden opgewaardeerd en moet worden opgenomen in een formeel en interinstitutioneel raadplegingskader;

52.  benadrukt de rol van ontwikkelingssamenwerking bij de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 in ontwikkelingslanden; is ingenomen met de mainstreaming van de SDG's in de nieuwe Europese consensus over ontwikkeling; brengt in herinnering dat de bestrijding van armoede (SDG 1) de belangrijkste doelstelling van de EU-ontwikkelingssamenwerking moet blijven; herinnert eraan dat SDG 1 en SDG 2 onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn; herhaalt dat ondanks dat er vooruitgang is geboekt, het onwaarschijnlijk is dat het huidige tempo en toepassingsgebied de transformationele verandering bevorderen die nodig is om de doelstellingen van SDG 2 te verwezenlijken; verzoekt om grotere inspanningen voor de follow-up van de aanbevelingen uit de thematische evaluatie van SDG 2 door het HLPF voor duurzame ontwikkeling van 2017;

53.  pleit nogmaals voor de mainstreaming van de verwezenlijking van de SDG's op alle beleidsterreinen; verwelkomt de inspanningen van de Commissie om de SDG's in haar agenda voor betere regelgeving op te nemen en onderstreept de mogelijke voordelen van het strategische gebruik van instrumenten voor betere regelgeving in de onafhankelijke evaluaties van de Commissie van de beleidscoherentie van de EU voor de Agenda 2030 en haar ontwikkelingssamenwerkingsbeleid; dringt er bij de Commissie op aan de Agenda voor betere regelgeving snel te herzien en haar regelmatige beoordelingen vooraf verder te versterken en te monitoren teneinde volledige beleidscoherentie te waarborgen bij de tenuitvoerlegging van de SDG's, en tegelijkertijd synergieën te bevorderen, nevenvoordelen te behalen en trade-offs tussen de verschillende SDG's op zowel Unie- als op lidstaatniveau te voorkomen;

54.  dringt aan op gezamenlijke coördinatie van de verschillende commissies in het Parlement, met als doel de uitvoering door de EU van haar toezeggingen inzake de Agenda 2030 te monitoren en op te volgen;

55.  roept de Conferentie van voorzitters en de Conferentie van commissievoorzitters van het Europees Parlement ertoe op de geschiktheid van de huidige structuur van het Parlement te beoordelen, met het oog op de waarborging van het vermogen ervan om doeltreffend en volledig in alle beleidssectoren de werkzaamheden in de richting van het verwezenlijken van de SDG's in het interne en externe beleid van de EU te monitoren;

56.  verzoekt het Parlement, de Commissie en de Raad toe te werken naar een gemeenschappelijke verklaring inzake duurzaamheid, waarin de SDG's worden verankerd in de meerjarige, interinstitutionele prioriteiten van de volgende zittingsperiode;

57.  benadrukt de rol van periodieke en passende effectbeoordelingen vooraf en evaluaties achteraf om een betere mainstreaming van de Agenda 2030 te waarborgen en resultaten te leveren; onderstreept het belang dat de gevolgen van beleid op de korte en lange termijn en de mogelijke bijdrage ervan aan duurzame ontwikkeling worden geëvalueerd; herinnert aan de verplichting krachtens het Verdrag om rekening te houden met de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking in alle beleid dat waarschijnlijk gevolgen voor ontwikkelingslanden heeft;

58.  wijst erop dat de mobilisatie van binnenlandse middelen voor ontwikkelingslanden van cruciaal belang is om de SDG's te verwezenlijken; benadrukt dat er in het verslag van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake handel en ontwikkeling (UNCTAD) getiteld "World Investment Report 2015 – Reforming International Investment Governance"(17) wordt geschat dat ontwikkelingslanden ten minste 100 miljard USD per jaar verliezen aan vennootschapsbelasting als een gevolg van belastingontduiking door grote ondernemingen; is in dit verband ingenomen met het werkdocument van de diensten van de Commissie van 15 oktober 2015 getiteld "Collect More – Spend Better: Achieving Development in an Inclusive and Sustainable Way" (SWD(2015)0198), dat gericht is op het aanpakken van deze kwestie; betreurt echter dat er geen concrete acties zijn ondernomen om ervoor te zorgen dat de hierboven genoemde strategie van de Commissie ten uitvoer wordt gelegd; roept de Commissie op een vlaggenschipinitiatief inzake de mobilisatie van binnenlandse middelen voor te stellen, om ervoor te zorgen dat er meer belastinginkomsten worden geïnd en de financiering van de SDG's mogelijk wordt;

59.  dringt aan op de noodzaak om lokale actoren te versterken als motoren van duurzame ontwikkeling en roept op tot de sterkere deelname van nationale parlementen en regionale en lokale autoriteiten tijdens alle stadia van de tenuitvoerlegging van SDG's van het plannen en programmeren tot de evaluatie en monitoring; roept voorts de Commissie op haar steun aan steden en lokale autoriteiten te vergroten om doeltreffende beleidsinitiatieven en -strategieën om de SDG's te verwezenlijken te ontwikkelen, ten uitvoer te leggen en te monitoren;

60.  is ingenomen met de groeiende betrokkenheid van de particuliere sector bij de verwezenlijking van de SDG's; benadrukt het belang van het creëren van een omgeving waarin nieuwe initiatieven en partnerschappen tussen de publieke en particuliere sectoren worden vergemakkelijkt en waarin ondernemingen worden aangespoord hun ondernemingsstrategieën af te stemmen op duurzameontwikkelingsdoelstellingen;

61.  herinnert eraan dat de VN schat dat er jaarlijks investeringen van 5 tot 7 biljoen USD nodig zijn om de SDG's te verwezenlijken; dringt er derhalve op aan dat het noodzakelijk is om investeringen te mobiliseren en is in dit opzicht ingenomen met het potentieel van het Europees plan voor externe investeringen;

Vrijwillige nationale evaluaties en EU-verslaglegging voor het HLPF van de Algemene Vergadering van de VN 2019

62.  moedigt de lidstaten aan regelmatige en inclusieve evaluaties van de vorderingen uit te voeren en moedigt de lidstaten die zich er nog niet toe verbonden hebben een VNR uit te voeren, aan zulks overeenkomstig de Agenda 2030 te doen en, voor lidstaten die al een VNR hebben gepresenteerd, een tijdschema op te stellen voor regelmatige toekomstige VNR's;

63.  roept de Commissie op regelmatig analyses uit te voeren van de VNR's van lidstaten, teneinde de vooruitgang en goede praktijken te beoordelen; verzoekt voorts om een analyse van de VNR's van minst ontwikkelde landen, teneinde na te gaan wat de behoeften zijn, lacunes te dichten en te voorzien in meer steun en samenwerking, en om nauw samen te werken met de OESO bij het ontwikkelen van mechanismen voor collegiale toetsing ten behoeve van succesvolle strategieën voor de verwezenlijking van de SDG's en maatregelen binnen het binnenlands en extern beleid, en de uitwisseling van beste praktijken te verbeteren en negatieve externe overloopeffecten beter te monitoren;

64.  spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan de gezamenlijke programmering en gezamenlijke uitvoering van ontwikkelingssamenwerking uit te breiden op basis van SDG-beleidsdialogen met partnerlanden, nationale ontwikkelingsplannen en VNR's, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de betrokkenheid van de landen en andere beginselen van doelmatige ontwikkeling;

65.  benadrukt de rol van het HLPF bij de follow-up en de evaluatie van de SDG's; spreekt zijn krachtige steun uit aan de toezegging van de Unie om een vrijwillige evaluatie op HLPF-niveau uit te voeren; verzoekt de Commissie de leidende rol van de EU bij het ontwerpen en ten uitvoer leggen van de Agenda 2030 eer aan te doen en een uitgebreid samenhangend verslag over alle SDG's te presenteren; onderstreept dat de EU-verslaglegging, met inbegrip van het komende gemeenschappelijk syntheseverslag over de EU-steun aan ontwikkelingslanden, een analyse zou moeten bevatten van de stand van zaken en de huidige tekortkomingen en lacunes;

66.  vraagt de Commissie zichzelf als rolmodel in het HLPF-proces te positioneren; nodigt de Commissie uit om samen te werken met derde landen bij het nemen van stappen in de richting van de verwezenlijking van de Agenda 2030, waaronder door middel van de Economische Commissie van de VN voor Europa;

67.  pleit voor de organisatie van een jaarlijks Europees SDG-forum, ter voorbereiding van het HLPF, zodat de deelname van en de dialoog tussen externe belanghebbenden en organisaties van het maatschappelijk middenveld, evenals parlementariërs over de tenuitvoerlegging van SDG's ook mogelijk is;

68.  is ingenomen met de HLPF-bijeenkomst op het hoogste niveau, die in september 2019 onder auspiciën van de Algemene Vergadering van de VN en daarna op verdere topontmoetingen zal plaatsvinden, als een mogelijkheid om de balans op te maken van de tenuitvoerlegging van alle SDG's binnen de Agenda 2030 als een geheel en verwacht dat de Unie tijdens de top een leidende rol speelt; merkt op dat de voortgang die door de lidstaten geboekt is varieert, wat onder meer afhankelijk is van de SDG in kwestie, nationale prioriteitsdoelstellingen en -streefcijfers; benadrukt dat de SDG's onderling in hoge mate samenhangen en dat een geïntegreerde en alomvattende systemische benadering van de tenuitvoerlegging van de SDG's moet worden nagestreefd;

Nadruk op de SDG's in het kader van de komende diepgaande evaluatie op het HLPF 2019

69.  is ingenomen met de komende diepgaande evaluatie van SDG's 4 (hoogwaardig onderwijs), 8 (goede werkgelegenheid en economische groei), 10 (ongelijkheid verminderen), 13 (klimaatactie), 16 (vrede, gerechtigdheid en sterke instellingen) en 17 (partnerschappen voor de doelen), en verwacht van de Unie dat zij in alle opzichten intensief bijdraagt aan deze evaluatie; kijkt uit naar toekomstige diepgaande evaluaties van alle andere SDG's de komende jaren en benadrukt de ondeelbaarheid van de Agenda 2030 en de onderlinge vervlechting van de doelstellingen;

70.  herhaalt dat kwaliteitsvol onderwijs en de toegang tot het basisonderwijs voor iedereen (SDG 4) essentieel is om te komen tot duurzame ontwikkeling en een zelfredzame samenleving, alsook om te zorgen voor meer zeggenschap voor jongeren en inzetbaarheid; erkent dat kwaliteitsvol onderwijs een aandachtsgebied is dat in veel lidstaten hoog op de lijst staat en benadrukt dat technische en beroepsopleidingen essentieel zijn voor de inzetbaarheid van jongeren op de arbeidsmarkt en voor de toegang tot gekwalificeerde banen; betreurt echter het feit dat verschillen in onderwijs langs stedelijke/rurale scheidslijnen en gender nog steeds veel voorkomen, zowel binnen als buiten de EU; pleit derhalve voor grotere investeringen om de kwaliteit van onderwijs en daaraan gerelateerde infrastructuur te verbeteren met een bijzondere nadruk op minder ontwikkelde regio's intern en de minst ontwikkelde landen extern;

71.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan streefcijfers systematischer aan de orde te stellen in het kader van SDG 8 (duurzame groei en werkgelegenheid) binnen hun ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en (gezamenlijke) programmering; pleit voor verdere bijdragen voor het verwezenlijken van SDG 8, met inbegrip van verbeteringen van de productiecapaciteit, het genereren van inkomsten, industrialisatie, duurzame consumptie- en productiepatronen, de handel, de ontwikkeling van de particuliere sector, het ondernemingsklimaat, infrastructuur en toerisme;

72.  erkent de rol van micro-ondernemingen, kleine en middelgrote ondernemingen, coöperaties, inclusieve bedrijfsmodellen en onderzoeksinstellingen als katalysatoren voor groei, werkgelegenheid en plaatselijke innovatie; pleit voor de bevordering van een gelijk speelveld voor duurzame investeringen, industrialisering, economische activiteiten, met inbegrip van verantwoord ondernemen, financiën en belastingen, wetenschap, technologie, en onderzoek en innovatie, om binnenlandse economische en menselijke ontwikkeling te stimuleren en te versnellen en bij te dragen tot langdurige duurzame groei in overeenstemming met de SDG's en de Overeenkomst van Parijs; verzoekt de Commissie en de lidstaten het ontstaan van nieuwe bedrijfsmodellen aan te moedigen en te profiteren van nieuwe technologieën zoals kunstmatige intelligentie;

73.  onderstreept de essentiële rol die de particuliere sector inneemt als het gaat om voortgang in de richting van de SDG's, met name met betrekking tot verantwoordelijke en duurzame investeringen en bevordering van inclusieve groei, alsook door middel van het bevorderen van en het zich inzetten voor verantwoord ondernemen; benadrukt in dit verband de noodzaak van investeringsvriendelijke beleidskaders, met inbegrip van prestatie-indicatoren en -vereisten op het gebied van duurzaamheid om duurzaamheidsrisico's te kunnen verwerken in het nemen van beleggingsbeslissingen en de rechtsstaat;

74.  erkent dat onderzoek, ontwikkeling en innovatiehubs en -incubators van de EU belangrijk zijn voor het ondersteunen van structuren voor duurzame ontwikkeling; verzoekt derhalve de Commissie en de lidstaten om sterkere banden tussen onderzoek en het bedrijfsleven te bevorderen, om de uitwisseling van beste praktijken mogelijk te maken en innovatie aan te jagen; benadrukt dat de financiering van onderzoek en innovatie moet worden aangevuld met een strategische benadering ten aanzien van investeringen, waardoor innovatieve oplossingen de markt bereiken, aangezien hiervoor vaak kapitaalintensieve en risicovolle investeringen nodig zijn;

75.  roept de Raad op de SDG's in het achterhoofd te houden bij het ontwikkelen van zijn standpunt over het toekomstige ESF+ en de toewijzing van de noodzakelijke financiële toewijzingen; benadrukt dat het succes van de SDG's in de Unie afhankelijk is van ambitieus beleid dat met voldoende middelen wordt ondersteund;

76.  betreurt het feit dat er nog steeds aanzienlijke verschillen bestaan in de vorderingen die door de lidstaten zijn gemaakt met het verwezenlijken van SDG 10 wat betreft het terugdringen van ongelijkheden in inkomen en die op basis van leeftijd, geslacht, handicap, etniciteit, afkomst, religie, economische status en andere factoren die de sociale cohesie kunnen vergroten, en dat ongelijkheden blijven bestaan en toenemen binnen en tussen landen, binnen en buiten de EU; roept op tot bespoediging van de vooruitgang in de richting van de vermindering van groeiende verschillen en tot bevordering van gelijke kansen voor iedereen, kwetsbare groepen en de meest behoeftigen rechtstreeks bijstand te verlenen en voor meer inclusieve en duurzame groei en menselijke ontwikkeling te zorgen; verzoekt de Commissie om onder andere verbeterde criteria op het gebied van economische ongelijkheid op te nemen in haar evaluatie van SDG 10;

77.  erkent dat de EU en de lidstaten de Overeenkomst van Parijs hebben ondertekend en geratificeerd en dat de meeste lidstaten de Overeenkomst van Parijs als een centrale pijler noemen van hun beleid op het gebied van internationale samenwerking naast de Agenda 2030, terwijl sommigen prioriteit hebben gegeven aan de doelstelling de klimaatverandering en de gevolgen ervan (SDG 13) te bestrijden; roept de Commissie en de lidstaten ertoe op communicatiestrategieën en activiteiten te gebruiken om publieke en politieke steun voor klimaatactie te vergroten en om het bewustzijn te vergroten over de nevenvoordelen van de bestrijding van klimaatverandering, zoals verbeterde luchtkwaliteit en volksgezondheid, het behoud van natuurlijke hulpbronnen, economische groei en hogere werkgelegenheid, toegenomen energiezekerheid en lagere kosten voor de invoer van energie;

78.  vraagt om de Agenda 2030 in haar geheel en in coördinatie en samenhang met de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering uit te voeren, waaronder de noodzaak om dringend de kloof te sluiten tussen hetgeen nodig is om de opwarming van de aarde te beperken en de werkzaamheden aan en de financiering voor de aanpassing te verhogen; herinnert aan de toezeggingen die de Europese Unie heeft gedaan om ten minste 20 % van haar begroting 2014-2020 (ongeveer 180 miljard EUR) te besteden aan de strijd tegen de klimaatverandering, met inbegrip van haar buitenlands beleid en het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking;

79.  betreurt het feit dat, ondanks duidelijk en uitgebreid wetenschappelijk bewijs dat is aangedragen in het speciaal verslag van de IPCC over een temperatuurstijging van 1,5 °C, waarin uitvoerig wordt ingegaan op de schadelijke effecten van een dergelijke temperatuurstijging en het aanzienlijke verschil in ernst met de effecten die gekoppeld worden aan een stijging van 2 °C, sommige partijen bij de Overeenkomst van Parijs hun klimaatambitie tot dusver nog niet hebben verhoogd; is verheugd over internationale samenwerking met betrekking tot de emissiehandel en over het op één lijn brengen van regionale koolstofmarkten en markten in derde landen; verzoekt de Unie om het oprichten van marktgebaseerde emissiereductiesystemen in opkomende economieën en ontwikkelingslanden aan te moedigen; merkt op dat dit ertoe dient wereldwijde emissies te reduceren, tot kostenbesparingen en operationele efficiëntie leidt, en het risico van koolstoflekken beperkt door een mondiaal gelijk speelveld te creëren;

80.  benadrukt het belang van reductie en aanpassing van de mondiale klimaatverandering en benadrukt de fundamentele rol die ontwikkelingslanden hebben gespeeld bij het verwezenlijken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de actieagenda van Addis Abeba, evenals de dringende noodzaak om die landen te helpen bij het bereiken van hun nationaal vastgestelde bijdragen; verheugt zich in dit verband over het feit dat het tegengaan van de klimaatverandering een prioriteit is in het kader van het onlangs opgerichte Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), dat gericht is op het mobiliseren van investeringen in de publieke en particuliere sector in partnerlanden in Afrika en de nabuurschap van de EU;

81.  benadrukt dat de EU moet verdergaan op de ingeslagen weg naar een transitie naar een koolstofarme, klimaatneutrale, wat betreft het gebruik van middelen efficiëntere economie met een grote biodiversiteit, met volledige inachtneming van de Agenda 2030 van de VN en de 17 SDG's, teneinde niet-duurzame tendensen vanwege overexploitatie van natuurlijke hulpbronnen en het verlies aan biodiversiteit dat wordt veroorzaakt door niet-duurzame consumptie- en productiemethoden af te remmen; benadrukt de noodzaak dat de EU haar initiatieven die gericht zijn op het bevorderen van verantwoorde en duurzame consumptie en productie aanzwengelt en tegelijkertijd een leidende rol speelt met het toewerken naar een circulaire economie;

82.  wijst nogmaals op de universele waarden van democratie, goed bestuur, de rechtsstaat en de mensenrechten als voorwaarden voor duurzame ontwikkeling, zoals bedoeld in SDG 16 (vredige en inclusieve maatschappijen); betreurt echter ten zeerste het feit dat gewapende conflicten en geweld wereldwijd nog steeds veel voorkomen; spreekt zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan voortgang bij de bevordering van de rechtsstaat en aan toegang tot de rechter in veel landen; brengt de verbintenis van de EU en de lidstaten in herinnering die tot uitdrukking is gebracht in "De Europese consensus inzake ontwikkeling" met betrekking tot een allesomvattende benadering ten aanzien van conflicten en crises, waarbij de nadruk op kwetsbaarheid en menselijke veiligheid ligt, tegelijkertijd het verband wordt erkend tussen duurzame ontwikkeling, humanitaire hulp, vrede en veiligheid en waarbij speciale aandacht wordt geschonken aan kwetsbare en door conflicten getroffen staten; benadrukt dat de doelstelling met betrekking tot vredige en inclusieve maatschappijen, met inbegrip van toegang tot justitie voor iedereen, opgenomen moet worden in extern EU-optreden dat, door steun te verlenen aan lokale actoren, kan helpen de weerbaarheid te versterken, de menselijke veiligheid te bevorderen, de rechtsstaat te versterken en de complexe uitdagingen van onzekerheid, kwetsbaarheid en democratische transitie aan te pakken;

83.  benadrukt dat de bestrijding van ongelijkheden in en tussen landen, de aanpak van discriminatie en de bevordering van vrede, participatieve democratie, goed bestuur, de rechtsstaat en de mensenrechten doelstellingen moeten zijn die als een rode draad door het ontwikkelingsbeleid van de EU lopen;

84.  is ingenomen met de inspanningen van de EU voor maximale coherentie en voor het streven naar synergie tussen verschillende beleidslijnen, om de manier van tenuitvoerlegging te versterken en het wereldwijde partnerschap voor duurzame ontwikkeling nieuw leven in te blazen;

85.  benadrukt dat inclusief en onpartijdig onderwijs, wetenschap, technologie en innovatie uiterst belangrijke instrumenten zijn om de SDG's te verwezenlijken en erkent dat het nodig is de governance in deze sector te verbeteren; betreurt dat de potentiële bijdrage van de wetenschappelijke gemeenschap tot nu toe nog niet volledig geoptimaliseerd is; wijst erop dat in Horizon 2020 en de toekomstige kaderprogramma's voor onderzoek meer aandacht naar het begrip duurzame ontwikkeling en naar maatschappelijke uitdagingen moet gaan; herinnert aan de noodzaak om mechanismen voor de zinvolle technologieoverdracht naar ontwikkelingslanden te faciliteren;

86.  verzoekt de Commissie om gegevens met betrekking tot de SDG's aan de hoogwaardige datasets zoals gedefinieerd in de richtlijn inzake open data en overheidsinformatie toe te voegen en om de lidstaten aan te moedigen alle verslagen over de SDG's onder een vrije licentie te publiceren;

87.  benadrukt het belang van het ten volle benutten van bestaande en toekomstige EU-programma's en -instrumenten, zoals de Horizon- en LIFE-programma's, waarmee de participatie van derde landen op het gebied van energie, klimaatverandering en duurzame ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt;

88.  pleit voor een EU-begroting waarin duurzame ontwikkeling de status van primaire doelstelling krijgt; herinnert eraan dat de strijd tegen fraude en belastingontduiking een kwestie van solidaire ontwikkeling is;

89.  benadrukt dat het verwezenlijken van de SDG's op de gebieden van voedsel, landbouw, energie, materialen, steden en gezondheid en welzijn nieuwe marktperspectieven kan openen met een waarde van meer dan 10 biljoen EUR(18); onderstreept echter dat de EU en haar lidstaten, om de ambitie van de EU te verwezenlijken om een wat betreft het gebruik van middelen efficiëntere economie te realiseren, het voortouw moeten nemen op het gebied van wetenschap, technologie en moderne infrastructuur;

90.  benadrukt dat gezien de groeiende complexiteit en mondialisering van toeleveringsketens, het belangrijk is om de toepassing van hoge duurzaamheidsnormen te bevorderen, ook in derde landen;

°

°  °

91.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de OESO en de Verenigde Naties.

(1)

PB C 210 van 30.6.2017, blz. 1.

(2)

Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).

(3)

PB C 353 van 27.9.2016, p. 2.

(4)

PB C 76 van 28.2.2018, blz. 45.

(5)

PB C 86 van 6.3.2018, blz. 2.

(6)

PB C 224 van 27.6.2018, blz. 36.

(7)

PB C 334 van 19.9.2018, blz. 151.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0077.

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0279.

(10)

http://europa.eu/rapid/press-release_STATEMENT-18-5927_en.htm

(11)

http://europa.eu/rapid/press-release_STATEMENT-18-5882_en.htm

(12)

http://europa.eu/rapid/press-release_STATEMENT-18-5870_en.htm

(13)

Gegevens van Eurostat 2017 van 16 oktober 2018.

(14)

Discussienota getiteld "Naar een duurzaam Europa in 2030", blz. 6 (https://eur-lex.europa.eu/resource.html?uri=cellar:21b348d0-261f-11e9-8d04-01aa75ed71a1.0019.02/DOC_1&format=PDF)

(15)

Mededeling van de Commissie getiteld "Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst – Europese duurzaamheidsmaatregelen" (COM(2016)0739).

(16)

Diepgaande analyse ter ondersteuning van de mededeling van de Commissie getiteld "Een schone planeet voor iedereen – Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie" (COM(2018)0773).

(17)

http://unctad.org/en/PublicationChapters/wir2015ch0_KeyMessage_en.pdf

(18)

Business and Sustainable Development Commission report, Better Business, Better World (Beter bedrijfsleven, betere wereld. Het verslag van de Commissie Bedrijven en duurzame ontwikkeling), januari 2017.


TOELICHTING

Op VN-niveau wordt ieder jaar in juli op het politiek forum op hoog niveau (HLPF) een controle en evaluatie uitgevoerd van de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's); op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders gebeurt dit om de vier jaar, en wel voor het eerst in september 2019.

De Europese Unie heeft zich ertoe verbonden in 2019 gezamenlijk verslag uit te brengen over de EU-inspanningen met betrekking tot de Agenda 2030, naast de vrijwillige nationale evaluaties die vrijwel alle EU-lidstaten inmiddels hebben uitgevoerd. Dit strategisch initiatiefverslag, dat in onderlinge samenwerking door de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid is voorbereid, heeft tot doel bij te dragen aan de inventarisering door de EU.

Het verslag komt bijna vier jaar nadat de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling officieel werd aangenomen door alle staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de Verenigde Naties, en volgt na meerdere jaren van onderhandelingen waarin de Europese Unie een leidende rol heeft gespeeld. De SDG's zijn een belangrijke innovatie binnen het multilateralisme en het VN-stelsel, en vormen een essentiële drijvende kracht achter de lopende hervorming van de VN en achter ingrijpende wijzigingen in de beleidsplanning op de langere termijn in veel landen in de wereld. Anders dan de millenniumontwikkelingsdoelstellingen zijn de SDG's universeel, overkoepelend en onderling vervlochten. Dit betekent dat er voor de EU en haar lidstaten niet alleen implicaties op EU-niveau zijn, maar ook op nationaal – binnenlands, regionaal en plaatselijk – en internationaal niveau.

Het initiatief om een gezamenlijk verslag op te stellen vloeit voort uit de gedachte dat het Parlement zijn stem moet laten horen op een moment dat multilaterale samenwerking ten behoeve van mensen, de planeet en welvaart – voor klimaatactie, solidariteit en vrede – niet als vanzelfsprekend mag worden beschouwd. De noodzaak van nauwere samenwerking tussen de twee commissies en grotere inbreng van het Parlement bij de bevordering van de Agenda 2030 in Europa en daarbuiten werd duidelijk gevoeld tijdens de deelname van de ad-hocdelegatie aan het politiek forum op hoog niveau in juli 2018.

Het verslag komt bovendien ook nog eens op het juiste moment nu de Commissie een gemeenschappelijk syntheseverslag voorbereidt over de EU-steun aan ontwikkelingslanden bij de verwezenlijking van de Agenda 2030, met input van de EU-lidstaten. Tevens wordt het Parlement hiermee in staat gesteld te reageren op de discussienota van de Commissie getiteld "Naar een duurzaam Europa in 2030", op tijd voor de komende conclusies en het debat van de Raad op de in mei 2019 geplande top van Sibiu, waar de EU-leiders zich zullen beraden over de toekomst van Europa. De corapporteurs zijn van mening dat de SDG's inspiratie en richtsnoeren kunnen en moeten bieden voor hetgeen de EU de komende jaren wil bereiken en waarop zij zich wil concentreren.

Veel van de SDG's en de 169 onderliggende streefcijfers in de Agenda 2030 houden niet alleen rechtstreeks verband met de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de nationale, regionale en plaatselijke autoriteiten maar ook met die van de Unie, en de tenuitvoerlegging ervan vereist dan ook een aanpak via werkelijk meerlagig bestuur. De corapporteurs zijn van mening dat een aanpak via werkelijk meerlagig bestuur, met een actief en breed engagement van het publiek, het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector, nodig is om de SDG's op doeltreffende wijze te kunnen verwezenlijken.

Wat het doelgebied betreft stellen de corapporteurs voor de aandacht te richten op een brede strategische benadering van de verwezenlijking van de SDG's, inclusief betere coördinatie en gezamenlijke governance. Dit verslag heeft tot doel de EU de koers te helpen bepalen voor een alomvattende EU-strategie voor de Agenda 2030 ten behoeve van de verwezenlijking van de SDG's en bij te dragen aan de opname ervan in EU-beleid en governancemechanismen. Een dergelijke overkoepelende EU-strategie voor duurzame ontwikkeling, gebaseerd op een analyse van lacunes in het beleid en een evaluatie van de nog af te leggen weg naar de streefdoelen, zou de concrete doelstellingen, streefcijfers, indicatoren en maatregelen moeten noemen die nodig zijn om de beleidscoördinatie en beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling op EU-niveau te verbeteren. Wat het mainstreamen en integreren van de SDG's betreft spreken de corapporteurs zich uit voor strategisch gebruik van de instrumenten van betere regelgeving om de EU-beleidscoherentie te evalueren en te waarborgen waar het de Agenda 2030 betreft, en tegelijkertijd synergie te bevorderen, nevenvoordelen te behalen en trade-offs te voorkomen, zowel op Unie- als op lidstaatniveau. Eveneens belangrijke kwesties die in het verslag aan de orde moeten komen hebben betrekking op de vraag hoe passende monitoring, evenredige verantwoordingsplicht en doeltreffende evaluatiemechanismen kunnen worden verbeterd om de vooruitgang te beoordelen.

Voorop staat dat het verslag tot doel heeft een bijdrage te leveren aan de evaluatie en verslaglegging die in 2019 zullen plaatsvinden. Dit zal op drieërlei manier gebeuren:

•  via de thematische evaluatie van een beperkt aantal SDG's op de HLPF in juli, namelijk van SDG's 4 (hoogwaardig onderwijs), 8 (goede werkgelegenheid en economische groei), 10 (ongelijkheid verminderen), 13 (klimaatactie), 16 (vrede, gerechtigdheid en sterke instellingen) en 17 (partnerschappen voor de doelen);

•  via de vrijwillige nationale evaluaties, die een belangrijk werktuig vormen voor de beoordeling van goede praktijken en vooruitgang, welke systematischer door de EU-instellingen zouden kunnen worden beoordeeld;

•  en via de verslaglegging door de EU over de verwezenlijking van de SDG's en de bijdrage hieraan, die dit jaar zal plaatsvinden.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.2.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

57

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pilar Ayuso, Beatriz Becerra Basterrechea, Ivo Belet, Biljana Borzan, Lynn Boylan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Miriam Dalli, Seb Dance, Nirj Deva, Stefan Eck, Bas Eickhout, Francesc Gambús, Gerben-Jan Gerbrandy, Arne Gericke, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Enrique Guerrero Salom, Jytte Guteland, Heidi Hautala, Maria Heubuch, Anneli Jäätteenmäki, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Kateřina Konečná, Urszula Krupa, Jo Leinen, Linda McAvan, Susanne Melior, Norbert Neuser, Massimo Paolucci, Bolesław G. Piecha, Julia Reid, Elly Schlein, Annie Schreijer-Pierik, Renate Sommer, Bogusław Sonik, Eleni Theocharous, Adina-Ioana Vălean, Anna Záborská, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Frank Engel, Martin Häusling, Anja Hazekamp, Ádám Kósa, Cécile Kashetu Kyenge, Gesine Meissner, Maria Noichl, Alojz Peterle, Keith Taylor, Babette Winter, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Georges Bach, Heinz K. Becker, Edward Czesak, Bogdan Andrzej Zdrojewski


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

57

+

ALDE

Beatriz Becerra Basterrechea, Gerben-Jan Gerbrandy, Anneli Jäätteenmäki, Gesine Meissner

ECR

Edward Czesak, Nirj Deva, Arne Gericke, Urszula Krupa, Bolesław G. Piecha, Eleni Theocharous

GUE/NGL

Lynn Boylan, Stefan Eck, Anja Hazekamp, Kateřina Konečná

PPE

Pilar Ayuso, Georges Bach, Heinz K. Becker, Ivo Belet, Birgit Collin-Langen, Frank Engel, Francesc Gambús, Jens Gieseke, Julie Girling, Françoise Grossetête, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Ádám Kósa, Alojz Peterle, Annie Schreijer-Pierik, Renate Sommer, Bogusław Sonik, Adina-Ioana Vălean, Anna Záborská, Bogdan Andrzej Zdrojewski

S&D

Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Miriam Dalli, Seb Dance, Enrique Guerrero Salom, Jytte Guteland, Cécile Kashetu Kyenge, Jo Leinen, Linda McAvan, Susanne Melior, Norbert Neuser, Maria Noichl, Massimo Paolucci, Elly Schlein, Babette Winter, Damiano Zoffoli, Carlos Zorrinho

VERTS/ALE

Bas Eickhout, Martin Häusling, Heidi Hautala, Maria Heubuch, Keith Taylor

1

-

EFDD

Julia Reid

1

0

EFDD

Sylvie Goddyn

Verklaring van de symbolen:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 11 maart 2019Juridische mededeling