Procedure : 2018/0332(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0169/2019

Ingediende teksten :

A8-0169/2019

Debatten :

PV 25/03/2019 - 15
CRE 25/03/2019 - 15

Stemmingen :

PV 26/03/2019 - 7.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0225

VERSLAG     ***I
PDF 414kWORD 165k
7.3.2019
PE 632.863v02-00 A8-0169/2019

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd en tot intrekking van Richtlijn 2000/84/EG

(COM(2018)0639 – C8-0408/2018 – 2018/0332(COD))

Commissie vervoer en toerisme

Rapporteur: Marita Ulvskog

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie
 ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 ADVIES van de Commissie juridische zaken
 ADVIES van de Commissie verzoekschriften
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd en tot intrekking van Richtlijn 2000/84/EG

(COM(2018)0639 – C8-0408/2018 – 2018/0332(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0639),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0408/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van ...(1),

–  gezien de resultaten van de onlineraadpleging die door de Europese Commissie is uitgevoerd tussen 4 juli 2018 en 16 augustus 2018,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van ...(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie juridische zaken en de Commissie verzoekschriften (A8-0169/2019);

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  De beslissing om de zomertijd in te voeren werd in het verleden door de lidstaten afzonderlijk genomen. Voor de werking van de interne markt was het daarom belangrijk dat voor de hele Unie een gemeenschappelijke begin- en einddatum van de zomertijd werd vastgesteld. Overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG van het Europees Parlement en de Raad21 passen alle lidstaten op dit moment de zomertijd toe vanaf de laatste zondag van maart tot de laatste zondag van oktober van hetzelfde jaar.

(1)  De beslissing om de zomertijd in te voeren werd in het verleden door de lidstaten afzonderlijk genomen. Voor de werking van de interne markt was het daarom belangrijk dat voor de hele Unie een gemeenschappelijke begin- en einddatum van de zomertijd werd vastgesteld om het verzetten van de klok in de lidstaten te coördineren. Overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG van het Europees Parlement en de Raad21 passen alle lidstaten op dit moment halfjaarlijkse omschakelingen tussen winter- en zomertijd toe. De standaardtijd wordt op de laatste zondag van maart omgeschakeld naar de zomertijd tot de laatste zondag van oktober van hetzelfde jaar.

__________________

__________________

21 Richtlijn 2000/84/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de zomertijd (PB L 31 van 2.2.2001, blz. 1).

21 Richtlijn 2000/84/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de zomertijd (PB L 31 van 2.2.2001, blz. 1).

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  In zijn resolutie van 8 februari 2018 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht een evaluatie uit te voeren van de bij Richtlijn 2000/84/EG ingevoerde zomertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening van die richtlijn in te dienen. In die resolutie werd ook bevestigd dat het essentieel is om een geharmoniseerde aanpak van de tijdsregelingen in de hele Unie te handhaven.

(2)  In zijn resolutie van 8 februari 2018, in het kader van verschillende verzoekschriften, burgerinitiatieven en parlementaire vragen, heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht een grondige evaluatie uit te voeren van de bij Richtlijn 2000/84/EG ingevoerde zomertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening van die richtlijn in te dienen. In die resolutie werd ook het belang benadrukt van het handhaven van een geharmoniseerde en gecoördineerde aanpak van de tijdsregelingen in de hele Unie en van een uniforme EU‑tijdsregeling.

Amendement  3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  De Commissie heeft de beschikbare informatie onderzocht en daaruit blijkt dat geharmoniseerde EU-regels belangrijk zijn om de goede werking van de interne markt te waarborgen en ter voorkoming van, onder meer, verstoringen in de planning van vervoersactiviteiten en de werking van IT- en communicatiesystemen, extra kosten voor grensoverschrijdende handel, of een daling van de productiviteit voor goederen en diensten. Op basis van die gegevens kan geen eenduidig antwoord worden gegeven op de vraag of de voordelen van de zomertijd opwegen tegen de nadelen van de halfjaarlijkse omschakeling tussen winter- en zomertijd.

(3)  De Commissie heeft de beschikbare informatie onderzocht en daaruit blijkt dat geharmoniseerde EU-regels belangrijk zijn om de goede werking van de interne markt te waarborgen, te zorgen voor voorspelbaarheid en zekerheid op de lange termijn en ter voorkoming van, onder meer, verstoringen in de planning van vervoersactiviteiten en de werking van IT- en communicatiesystemen, extra kosten voor grensoverschrijdende handel, of een daling van de productiviteit voor goederen en diensten.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 bis)  Het publieke debat over de zomertijd is niet nieuw en sinds de invoering van de zomertijd zijn er verschillende initiatieven geweest om deze praktijk stop te zetten. Sommige lidstaten hielden nationale raadplegingen en de meeste bedrijven en belanghebbenden hebben een stopzetting van deze praktijk gesteund. De door de Europese Commissie georganiseerde raadpleging heeft tot dezelfde conclusie geleid.

Motivering

De invoering van de omschakeling tussen winter- en zomertijd stuitte in het begin op verzet, maar in het huidige voorstel worden een aantal studies en raadplegingen gevolgd die argumenten aandragen voor het ideologische debat. Daarom is het passend om de eerdere debatten en het proces dat in het huidige voorstel uitmondde, te vermelden.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 ter)  In dit verband kan de situatie van de veehouders als voorbeeld dienen aangezien de zomertijd aanvankelijk onverenigbaar werd geacht met de werkmethoden in de landbouw, met name doordat de werkdag zelfs in de standaardtijd al heel vroeg begon. Ook meende men dat de halfjaarlijkse omschakeling naar de zomertijd het moeilijker maakte om producten of dieren op de markt te brengen. En ten slotte werd ervan uitgegaan dat de melkproductie zou dalen doordat de koeien hun natuurlijke melkritme volgden. De moderne landbouwuitrusting en ‑praktijken hebben de landbouw echter zodanig veranderd dat de meeste van deze punten van bezorgdheid niet langer relevant zijn, hoewel er over het bioritme van dieren en de arbeidsomstandigheden van de landbouwers nog steeds bezorgdheid bestaat.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  Over de zomertijd woedt een levendig publiek debat en sommige lidstaten hebben te kennen gegeven dat zij er voorstander van zijn de huidige regeling op te heffen. In het licht van deze ontwikkelingen is het noodzakelijk de goede werking van de interne markt te blijven garanderen en te voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen zouden leiden. Daarom moet de zomertijd op een gecoördineerde manier worden opgeheven.

(4)  Over de zomertijd woedt een levendig publiek debat. Ongeveer 4,6 miljoen burgers hebben deelgenomen aan de openbare raadpleging van de Commissie, het grootste aantal reacties dat ooit door de Commissie werd ontvangen. Een aantal burgerinitiatieven heeft de bezorgdheid van het publiek over de halfjaarlijkse bijstelling van de klok benadrukt en sommige lidstaten hebben te kennen gegeven dat zij er voorstander van zijn de huidige zomertijdregeling op te heffen. In het licht van deze ontwikkelingen is het noodzakelijk de goede werking van de interne markt te blijven garanderen en te voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen zouden leiden. Daarom moet de zomertijd op een gecoördineerde en geharmoniseerde manier worden opgeheven.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis)  De chronobiologie toont aan dat de omschakeling tussen winter- en zomertijd van invloed is op het bioritme van het menselijk lichaam, wat een nadelig effect kan hebben op de menselijke gezondheid. Recent wetenschappelijk bewijs wijst duidelijk op een verband tussen bijstellingen van de tijd en hart- en vaatziekten, inflammatoire immuunziekten of hypertensie, als gevolg van de verstoring van het bioritme. Bepaalde groepen, zoals kinderen en ouderen, zijn bijzonder kwetsbaar. Daarom moet in het belang van de volksgezondheid de omschakeling tussen winter- en zomertijd worden afgeschaft.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 ter)  Het grondgebied van de lidstaten – behalve de overzeese gebieden – ligt verspreid over drie verschillende tijdzones met een verschillende standaardtijd, namelijk GMT, GMT+1 en GMT+2. Aangezien de Europese Unie zich over een groot gebied van het noorden naar het zuiden uitstrekt, lopen de effecten van tijd op het daglicht binnen de Unie uiteen. Het is dan ook belangrijk dat de lidstaten rekening houden met de geografische aspecten van tijd, d.w.z. de natuurlijke tijdzones en de geografische ligging, voordat ze hun tijdzone veranderen. De lidstaten moeten burgers en belanghebbenden raadplegen voordat ze hun tijdzone veranderen.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 quater)  Uit een aantal burgerinitiatieven is gebleken dat burgers zich zorgen maken over het halfjaarlijkse verzetten van de klok, en de lidstaten moeten de tijd en de gelegenheid krijgen om hun eigen openbare raadplegingen en effectbeoordelingen uit te voeren teneinde een beter inzicht te krijgen in de gevolgen van de afschaffing van de omschakeling tussen winter- en zomertijd in alle regio's.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 quinquies)  Door de zomertijd vindt de zichtbare zonsondergang tijdens de zomermaanden plaats op een later tijdstip. In de opvatting van veel EU-burgers betekent dit dat er tot 's avonds laat zonlicht is. Een terugkeer naar de "standaardtijd" zou tot gevolg hebben dat de zonsondergang tijdens de zomer een uur vroeger zou plaatsvinden en dat de periode van het jaar waarin er tot 's avonds laat daglicht beschikbaar is aanzienlijk zou worden ingeperkt.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 sexies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 sexies)  In tal van studies is onderzoek gedaan naar het verband tussen de omschakeling naar de zomertijd en het risico op hartaanvallen, de verstoring van het bioritme, slaapgebrek, gebrek aan concentratie en aandacht, een groter risico op ongelukken, minder tevredenheid met het bestaan en zelfs het aantal zelfdodingen. Langer daglicht, activiteiten in de buitenlucht na het werk of na school en de blootstelling aan zonlicht hebben echter duidelijk enige positieve langetermijneffecten op het algemene welzijn.

Amendement  12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 septies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 septies)  De omschakeling tussen winter- en zomertijd heeft ook negatieve gevolgen voor het welzijn van dieren, hetgeen in de landbouwsector bijvoorbeeld zichtbaar is doordat de melkproductie van koeien afneemt.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 octies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 octies)  Er wordt algemeen aangenomen dat de omschakeling tussen winter- en zomertijd voor energiebesparing zorgt. Dit was vorige eeuw aanvankelijk inderdaad de reden om de winter- en zomertijd in te voeren. Uit onderzoek blijkt echter dat de omschakeling tussen winter- en zomertijd weliswaar marginaal bevorderlijk zou kunnen zijn voor het verminderen van de energieconsumptie in de Unie als geheel, maar dat dit niet het geval is in elke lidstaat. De besparing op energie voor verlichting ten gevolge van de omschakeling naar de zomertijd wordt mogelijk ook tenietgedaan doordat meer energie gebruikt wordt voor verwarming. Bovendien zijn de resultaten moeilijk te interpreteren omdat ze sterk worden beïnvloed door externe factoren zoals de meteorologie, het gedrag van energiegebruikers of de lopende energietransitie.

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van elke lidstaat om te bepalen welke standaardtijd of -tijden van toepassing is of zijn op de gebieden die onder zijn jurisdictie vallen en tot de territoriale werkingssfeer van de Verdragen behoren, en te beslissen over verdere wijzigingen daarvan. Om te vermijden dat de werking van de interne markt zou worden verstoord omdat slechts enkele lidstaten de zomertijd toepassen, mogen de lidstaten seizoensveranderingen niet inroepen als reden om de standaardtijd in een bepaald gebied dat onder hun jurisdictie valt te wijzigen of een dergelijke wijziging niet voorstellen als een verandering van tijdzone. Om verstoringen in onder meer vervoer, communicatie en andere betrokken sectoren, zo veel mogelijk te beperken, dienen zij de Commissie tijdig in kennis te stellen van hun voornemen om hun standaardtijd te wijzigen en vervolgens de aangemelde wijzigingen toe te passen. De Commissie moet alle andere lidstaten op basis van die kennisgeving informeren, zodat zij de nodige maatregelen kunnen nemen. Zij moet die informatie ook publiceren ten behoeve van het grote publiek en de belanghebbenden.

(5)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van elke lidstaat om te bepalen welke standaardtijd of -tijden van toepassing is of zijn op de gebieden die onder zijn jurisdictie vallen en tot de territoriale werkingssfeer van de Verdragen behoren, en te beslissen over verdere wijzigingen daarvan. Om te vermijden dat de werking van de interne markt zou worden verstoord omdat slechts enkele lidstaten de zomertijd toepassen, mogen de lidstaten seizoensveranderingen niet inroepen als reden om de standaardtijd in een bepaald gebied dat onder hun jurisdictie valt te wijzigen of een dergelijke wijziging niet voorstellen als een verandering van tijdzone. Om verstoringen in onder meer vervoer, communicatie en andere betrokken sectoren, zo veel mogelijk te beperken, dienen zij de Commissie uiterlijk 1 april 2020 in kennis te stellen van hun eventuele voornemen om hun standaardtijd te wijzigen op de laatste zondag van oktober 2021.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)  Daarom moet een einde worden gemaakt aan de harmonisatie van de zomertijd als bepaald overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG en moeten gemeenschappelijke regels worden ingevoerd om te beletten dat lidstaten de tijd blijven aanpassen aan de verandering van de seizoenen door hun standaardtijd meermaals per jaar te wijzigen; zij moeten verplicht worden de Commissie in kennis te stellen van geplande wijzigingen van de standaardtijd. Aangezien deze richtlijn tot doel heeft op een bepaalde manier bij te dragen aan de goede werking van de interne markt dient artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals uitgelegd in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, als rechtsgrond te worden gehanteerd.

(6)  Daarom moet een einde worden gemaakt aan de harmonisatie van de zomertijd als bepaald overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG en moeten gemeenschappelijke regels worden ingevoerd om te beletten dat lidstaten de tijd blijven aanpassen aan de verandering van de seizoenen door hun standaardtijd meermaals per jaar te wijzigen. Aangezien deze richtlijn tot doel heeft op een bepaalde manier bij te dragen aan de goede werking van de interne markt dient artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals uitgelegd in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, als rechtsgrond te worden gehanteerd.

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 bis)  Het besluit over welke standaardtijd in elke lidstaat moet worden toegepast, moet worden voorafgegaan door raadplegingen en studies waarbij rekening wordt gehouden met de voorkeuren van burgers, geografische variaties, regionale verschillen, standaard werkregelingen en andere factoren die relevant zijn voor de specifieke lidstaat. Daarom moeten de lidstaten over voldoende tijd beschikken om de impact van het voorstel te analyseren en te kiezen voor de oplossing die het beste past bij hun bevolking, terwijl rekening wordt gehouden met de goede werking van de interne markt.

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 ter)  Een verandering van tijd die losstaat van seizoensverschuivingen brengt overgangskosten met zich mee, met name voor IT-systemen in de vervoerssector en andere sectoren. Om de overgangskosten aanzienlijk te verminderen, is een redelijke voorbereidingsperiode vereist voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  Deze richtlijn moet van toepassing zijn vanaf 1 april 2019, zodat op 31 maart 2019 om 01.00 uur UTC overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in alle lidstaten voor het laatst de zomertijd ingaat. Lidstaten die voornemens zijn na die zomertijdperiode over te schakelen op een standaardtijd die overeenstemt met de tijd die overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in het winterseizoen wordt toegepast, dienen hun standaardtijd op 27 oktober 2019 om 01.00 uur UTC aan te passen, zodat vergelijkbare en blijvende wijzigingen in de verschillende lidstaten gelijktijdig plaatsvinden. Het is wenselijk dat de lidstaten hun beslissingen over de standaardtijd die elke lidstaat vanaf 2019 zal toepassen, coördineren.

(7)  Deze richtlijn moet van toepassing zijn vanaf 1 april 2021, zodat op de laatste zondag in maart 2021 om 01.00 uur UTC overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in alle lidstaten voor het laatst de zomertijd ingaat. Lidstaten die voornemens zijn na die zomertijdperiode over te schakelen op een standaardtijd die overeenstemt met de tijd die overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in het winterseizoen wordt toegepast, dienen hun standaardtijd op de laatste zondag in oktober 2021 om 01.00 uur UTC aan te passen, zodat vergelijkbare en blijvende wijzigingen in de verschillende lidstaten gelijktijdig plaatsvinden. Het is wenselijk dat de lidstaten hun beslissingen over de standaardtijd die elke lidstaat vanaf 2021 zal toepassen, coördineren.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 bis)  Met het oog op een geharmoniseerde uitvoering van deze richtlijn dienen de lidstaten met elkaar samen te werken en op onderling afgestemde en gecoördineerde wijze besluiten te nemen over de door hen beoogde tijdsregelingen. Daarom moet een coördinatiemechanisme worden ingevoerd, bestaand uit een aangewezen vertegenwoordiger per lidstaat en een vertegenwoordiger van de Commissie. Binnen het coördinatiemechanisme moeten de potentiële effecten van elk voorgenomen besluit over de standaardtijden van een lidstaat op de werking van de interne markt besproken en beoordeeld, om ernstige verstoringen te voorkomen.

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 ter)  De Commissie dient te beoordelen of de beoogde tijdschema’s in de verschillende lidstaten de goede werking van de interne markt aanzienlijk en blijvend kunnen belemmeren. Indien die beoordeling er niet toe leidt dat de lidstaten hun geplande tijdsregelingen heroverwegen, moet de Commissie de datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt met hoogstens 12 maanden kunnen uitstellen en, indien nodig, een wetgevingsvoorstel indienen. Om die reden, en om de correcte toepassing van deze richtlijn te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om de datum van toepassing van deze richtlijn met niet meer dan 12 maanden uit te stellen.

Amendement    21

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Niettegenstaande lid 1 kunnen de lidstaten ervoor opteren in 2019 een laatste maal over te schakelen op de wintertijd, namelijk op 27 oktober 2019 om 01.00 uur UTC. De lidstaten delen dit besluit mee overeenkomstig artikel 2.

2.  In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten ervoor opteren in 2021 een laatste maal over te schakelen op de wintertijd, namelijk op de laatste zondag van oktober van dat jaar om 01.00 uur UTC. De lidstaten delen dit besluit uiterlijk 1 april 2020 aan de Commissie mee.

Amendement    22

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Onverminderd artikel 1 stelt elke lidstaat die besluit de standaardtijd of -tijden op zijn grondgebied te wijzigen de Commissie daar uiterlijk 6 maanden voor het tijdstip waarop de wijziging ingaat van in kennis. Een lidstaat die een dergelijke kennisgeving heeft gedaan en deze niet uiterlijk 6 maanden vóór de datum van de geplande wijziging heeft ingetrokken, past de aangekondigde wijziging toe.

1.  Er wordt hierbij een coördinatiemechanisme vastgesteld, met het oog op het waarborgen van een geharmoniseerde en gecoördineerde aanpak van tijdsregelingen in de hele Unie.

Amendement    23

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving stelt de Commissie de andere lidstaten daarvan in kennis en maakt zij die informatie bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  Het coördinatiemechanisme bestaat uit één vertegenwoordiger per lidstaat en één vertegenwoordiger van de Commissie.

Amendement    24

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  Wanneer een lidstaat de Commissie in kennis stelt van zijn besluit overeenkomstig artikel 1, lid 2, komt het coördinatiemechanisme bijeen om de mogelijke gevolgen van de geplande wijziging voor de werking van de interne markt te beoordelen en te bespreken, om aanzienlijke verstoringen te voorkomen.

Amendement    25

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 2 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 ter.  Indien de Commissie op basis van de in lid 2 bis bedoelde beoordeling van oordeel is dat de beoogde wijziging de goede werking van de interne markt aanzienlijk zal aantasten, brengt zij de kennisgevende lidstaat hiervan op de hoogte.

Amendement    26

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 2 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 quater.  Uiterlijk op 31 oktober 2020 besluit de kennisgevende lidstaat om al dan niet vast te houden aan zijn voornemen. Indien de kennisgevende lidstaat besluit vast te houden aan zijn voornemen, licht hij in detail toe hoe de negatieve effecten van de wijziging op de werking van de interne markt zullen worden aangepakt.

Amendement    27

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2024 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

1.  De Commissie legt uiterlijk op 31 december 2025 aan het Europees Parlement en de Raad een evaluatieverslag voor over de toepassing en tenuitvoerlegging van deze richtlijn, indien nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel voor een herziening ervan op basis van een grondige effectbeoordeling, waarbij alle relevante belanghebbende betrokken worden.

Amendement    28

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 30 april 2024 de relevante informatie.

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 30 april 2025 de relevante informatie.

Amendement    29

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten stellen uiterlijk op 1 april 2019 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

1.  De lidstaten stellen uiterlijk op 1 april 2021 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 april 2019.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 april 2021.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Amendement    30

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 4 bis

 

1. De Commissie zal, in nauwe samenwerking met het in artikel 2 bedoelde coördinatiemechanisme, nauwlettend toezicht houden op de geplande tijdsregelingen in de hele Unie.

 

2. Wanneer de Commissie vaststelt dat de beoogde tijdsregelingen, waarvan de lidstaten overeenkomstig artikel 1, lid 2, kennis hebben gegeven, de goede werking van de interne markt aanzienlijk en blijvend kunnen belemmeren, is zij bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de datum van toepassing van deze richtlijn met niet meer dan 12 maanden uit te stellen en zo nodig een wetgevingsvoorstel in te dienen.

Amendement    31

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 4 ter

 

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

 

2.  De in artikel 4 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend met ingang van [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] tot [datum van toepassing van deze richtlijn].

 

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 4 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

 

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

 

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

 

6.  Een overeenkomstig artikel 4 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Amendement    32

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 5

Artikel 5

Richtlijn 2000/84/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 april 2019.

Richtlijn 2000/84/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 april 2021.

(1)

[PB C 0 van 0.0.0000, blz. 0/Nog niet in het Publicatieblad verschenen].

(2)

[PB C 0 van 0.0.0000, blz. 0/Nog niet in het Publicatieblad verschenen].


TOELICHTING

ACHTERGROND

In de afgelopen eeuw is in Europa van tijd tot tijd een seizoensgebonden aanpassing van de tijd gehanteerd. De redenen hiervoor zijn divers, maar energiebesparing is vaak als belangrijkste motief aangevoerd. Dat is dan ook een van de redenen voor de lidstaten van de EU geweest om de tijd tweemaal per jaar om te schakelen tussen zomer- en wintertijd. In 2001 is de nu geldende EU-wetgeving op dit gebied ingevoerd.

Uit onderzoek blijkt dat seizoensgebonden aanpassingen van de tijd van invloed zijn op het vervoer, de interne markt, de landbouw, de energiesector en de volksgezondheid, om enkele sectoren te noemen. Het is duidelijk dat een geharmoniseerde tijd noodzakelijk is voor het goed functioneren van het vervoer en de interne markt binnen de EU.

Aan het verzetten van de klok kleven echter een aantal nadelen. In de landbouw hebben veranderingen in de tijd een negatief effect op de opbrengst van gewassen en het welzijn van dieren, omdat het bioritme van het vee wordt verstoord, wat bijvoorbeeld van invloed is op het melken van koeien. Aanpassingen van de tijd hebben ook een negatief effect op de volksgezondheid, waarbij kinderen en ouderen het zwaarst worden getroffen. Uit onderzoek blijkt ook dat mensen zich over het algemeen minder goed voelen door het verzetten van de klok, als gevolg van de verstoring van de circadiaanse cyclus, slaapproblemen en vermoeidheid. Voor de energiesector vallen geen duidelijke voordelen van aanpassingen van de tijd meer waar te nemen.

De omschakeling tussen zomer- en wintertijd is de laatste jaren steeds vaker onderwerp van discussie geweest, wat onder meer blijkt uit de burgerinitiatieven die bij de nationale parlementen en het Europees Parlement zijn ingediend.

In februari 2018 heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen waarin de Commissie wordt opgeroepen om de richtlijn betreffende de zomertijd te heroverwegen en, indien nodig, te herzien.

In de zomer van 2018 heeft de Commissie een openbare raadpleging gehouden die ongeveer 4,6 miljoen reacties heeft opgeleverd, waarvan 84 % voor afschaffing van de omschakeling tussen zomer- en wintertijd.

De Commissie heeft haar voorstel voor de herziening van de richtlijn betreffende de zomertijd in september 2018 ingediend. In het voorstel stelt de Commissie voor om de omschakeling tussen winter- en zomertijd met ingang van 1 april 2019 af te schaffen, terwijl de lidstaten hun standaardtijd voor zichzelf kunnen kiezen.

STANDPUNT VAN DE RAPPORTEUR

De rapporteur is ingenomen met het debat over het hanteren van een zomer- en een wintertijd. De rapporteur is verheugd dat de open raadplegingsprocedure van de Commissie over dit onderwerp het publiek zozeer interesseert, dat er zo'n 4,6 miljoen reacties zijn ontvangen. Omdat de omschakeling tussen zomer- en wintertijd veel burgers treft, vindt de rapporteur het positief dat het debat ook heeft geleid tot een herziening van de richtlijn.

De rapporteur steunt het voorstel van de Commissie om deze omschakeling af te schaffen. De rapporteur vindt het voorstel van de Commissie echter wat voorbarig, omdat er geen behoorlijke effectbeoordeling is uitgevoerd voordat het voorstel tot herziening van de richtlijn werd opgesteld. De openbare raadpleging van de Commissie vond ook plaats in een relatief korte periode, acht weken, in plaats van de gebruikelijke twaalf weken. Dit valt te betreuren, omdat effectbeoordelingen van wetgevingsvoorstellen een belangrijke manier zijn om beleidsmakers van voldoende informatie te voorzien om hun uiteindelijke beslissing op te baseren.

Om de goede werking van het vervoer en de interne markt te waarborgen, is de rapporteur van mening dat een geharmoniseerde tijd binnen de EU van essentieel belang is. De rapporteur vindt het echter belangrijk dat de lidstaten de bevoegdheid behouden om hun eigen standaardtijd op nationaal niveau te bepalen. Om de goede werking van het vervoer en de interne markt te waarborgen, moedigt de rapporteur de lidstaten dan ook aan om hun werkzaamheden met betrekking tot de keuze van de tijdzone en de standaardtijd onderling te coördineren. Besluiten hierover kunnen worden gecoördineerd door de uitwisseling van informatie tussen de verantwoordelijke contactpunten in de lidstaten die een netwerk vormen.

De rapporteur steunt het voorstel van de Commissie dat de lidstaten de Commissie op de hoogte moeten stellen voordat er wijzigingen in de standaardtijd worden aangebracht. Dezelfde informatie moet echter ook aan de lidstaten worden verstrekt op hetzelfde moment als aan de Commissie. De gecoördineerde uitwisseling van informatie kan worden vergemakkelijkt door het door de rapporteur voorgestelde netwerk van verantwoordelijke contactpunten in de lidstaten.

Aangezien voorspelbaarheid en een langetermijnvisie nodig zijn voor de goede werking van het vervoer en de interne markt, stelt de rapporteur voor dat wanneer de standaardtijd moet worden gewijzigd, 18 maanden voordat de wijziging plaatsvindt, een passende kennisgevingstermijn voor een lidstaat is om de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte te stellen.

Om de goede werking van het vervoer en de interne markt te waarborgen, acht de rapporteur het passend om een omzettingstermijn van twee jaar na de goedkeuring van de richtlijn vast te stellen, in plaats van een specifieke datum voor de inwerkingtreding ervan. Desondanks is de rapporteur van mening dat deze richtlijn zo snel mogelijk moet worden vastgesteld.


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (25.2.2019)

aan de Commissie vervoer en toerisme

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd en tot intrekking van Richtlijn 2000/84/EG

(COM(2018)0639 – C8-0408/2018 – 2018/0332(COD))

Rapporteur voor advies: Bolesław G. Piecha

BEKNOPTE MOTIVERING

De afgelopen jaren is de zomertijdregeling het onderwerp geweest van een zeer levendig debat. Een aantal verzoeken van burgers, van het Europees Parlement en van bepaalde EU‑lidstaten hebben de Commissie doen besluiten de werking van de huidige zomertijdregeling in de EU te onderzoeken en te beoordelen of deze regeling al dan niet moet worden gewijzigd.

De Europese zomertijd betekent dat de klok in alle lidstaten tweemaal per jaar wordt verzet om rekening te houden met de tijdstippen waarop de zon opkomt en ondergaat tijdens de verschillende seizoenen. De klok wordt in de ochtend van de laatste zondag van maart één uur vooruitgezet en in de ochtend van de laatste zondag van oktober één uur teruggedraaid naar de standaardtijd.

De zomertijd heeft een breed scala aan gevolgen voor de gezondheid, dat effecten op de korte termijn (dat wil zeggen gedurende de dagen na het verzetten van de klok) en effecten op lange termijn omvat, evenals positieve en negatieve effecten. De relevante gevolgen van de verstoring van het biologisch ritme door het verzetten van de klok voor de menselijke gezondheid zijn echter nog steeds onduidelijk en vereisen nader diepgaand onderzoek naar het proces van aanpassing aan het verzetten van de klok.

Tijdens de openbare raadpleging over de zomertijd gaf de meerderheid van de respondenten (76 %) aan dat zij een negatieve ervaring hebben met het verzetten van de klok van wintertijd naar zomertijd. Van deze antwoorden had 43 % betrekking op gezondheidsproblemen en gezondheidsoverwegingen, terwijl in 20 % van de antwoorden een gebrek aan energiebesparing werd aangevoerd.

In het licht van deze negatieve ervaringen besloot de Commissie om rekening te houden met de nadelige gevolgen van de zomertijd voor de gezondheid, die het onderwerp zijn geweest van verscheidene studies en discussies. In sommige studies wordt gekeken naar het verband tussen de omschakeling naar de zomertijd en het risico op hartaanvallen, de verstoring van het bioritme, slaaptekort, een gebrek aan concentratie en aandacht, een verhoogd risico op ongelukken, minder tevredenheid met het bestaan en zelfs het aantal zelfdodingen.

Hoewel de lijst met potentiële negatieve effecten lang is, worden er in sommige studies duidelijk positieve langetermijneffecten op het algemene welzijn aangetoond vanwege het grotere aantal uren daglicht, activiteiten in de buitenlucht na werk of school, de blootstelling aan zonlicht.

Hoewel ik ingenomen ben met het nieuwe initiatief van de Commissie en ik enige potentiële gevolgen voor de gezondheid van de zomertijdregelingen van de EU zou accepteren, moet aan de lidstaten een grote mate van keuzevrijheid worden gelaten wat betreft het verzetten van de klok naar gelang hun belangen.

Daarom wil ik de aandacht te vestigen op enkele potentiële gezondheidsaspecten van het voorstel, waarbij ik enkele positieve en negatieve aspecten zal vaststellen waarmee rekening kan worden gehouden, maar tegelijkertijd onthoud ik me ervan besluiten op te leggen aan de lidstaten. Uiteraard wil ik een positieve houding tegenover het voorstel van de Commissie overwegen, maar om het subsidiariteitsbeginsel in het kader van het gezondheidsbeleid na te leven, moeten we de lidstaten op een geharmoniseerde manier hun eigen besluiten laten nemen.

Tot slot wil ik onderstrepen dat, zelfs als we een duidelijk definitief besluit zouden nemen, we het empirisch bewijs met betrekking tot gezondheidskwesties in aanmerking moeten nemen, vooral vanwege het feit dat deze zittingsperiode op haar einde loopt. Onze taak, namelijk het nemen van een besluit dat duidelijk wordt ondersteund door wetenschappelijk bewezen argumenten, wordt niet vergemakkelijkt door het daadwerkelijk en oprecht overwegen en verzamelen van alle toegankelijke gegevens van dit specifieke dossier. Ik ben ervan overtuigd dat we de uiting moeten geven aan de intentie om het werk dat nog afgehandeld moet worden te voltooien, gezien de duidelijk uitgesproken wens van de Europese burgers. Toch moeten we onze voor de hand liggende beperkingen erkennen - schaarse empirische gegevens en het ontbreken van gemeenschappelijke standpunten van de lidstaten. Daarom is het passend te overwegen de lopende onderhandeling kort uit te stellen zodat we kunnen werken met concretere gegevens en een duidelijkere boodschap van de lidstaten die als richtsnoer kan dienen met betrekking tot hun vooralsnog niet ingeloste verwachtingen.

AMENDEMENTEN

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de bevoegde Commissie vervoer en toerisme onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  De Commissie heeft de beschikbare informatie onderzocht en daaruit blijkt dat geharmoniseerde EU-regels belangrijk zijn om de goede werking van de interne markt te waarborgen en ter voorkoming van, onder meer, verstoringen in de planning van vervoersactiviteiten en de werking van IT- en communicatiesystemen, extra kosten voor grensoverschrijdende handel, of een daling van de productiviteit voor goederen en diensten. Op basis van die gegevens kan geen eenduidig antwoord worden gegeven op de vraag of de voordelen van de zomertijd opwegen tegen de nadelen van de halfjaarlijkse omschakeling tussen winter- en zomertijd.

(3)  De Commissie heeft de beschikbare informatie onderzocht en daaruit blijkt dat geharmoniseerde EU-regels belangrijk zijn om de goede werking van de interne markt, langetermijndenken en voorspelbaarheid te waarborgen ter voorkoming van, onder meer, verstoringen in de planning van vervoersactiviteiten en de werking van IT- en communicatiesystemen, extra kosten voor grensoverschrijdende handel, of een daling van de productiviteit voor goederen en diensten. Op basis van die gegevens kan geen volledig eenduidig antwoord worden gegeven op de vraag of de voordelen van de zomertijd opwegen tegen de nadelen van de halfjaarlijkse omschakeling tussen winter- en zomertijd, en de resultaten verschillen tussen gebieden.

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

Bestaande tekst

Amendement

(4)  Over de zomertijd woedt een levendig publiek debat en sommige lidstaten hebben te kennen gegeven dat zij er voorstander van zijn de huidige regeling op te heffen. In het licht van deze ontwikkelingen is het noodzakelijk de goede werking van de interne markt te blijven garanderen en te voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen zouden leiden. Daarom moet de zomertijd op een gecoördineerde manier worden opgeheven.

(4)  Over de zomertijd woedt een levendig publiek debat, wat ook blijkt uit de 4,6 miljoen reacties van burgers op de openbare raadpleging van de Commissie, die een duidelijke meerderheid tegen de huidige omschakeling tussen de winter- en zomertijd lieten zien. De belangrijkste reden voor de beëindiging is de invloed van de omschakeling op de menselijke gezondheid (43 %), gevolgd door een gebrek aan energiebesparing (20 %). Hoewel zeventig procent van de deelnemers aan de openbare raadpleging uit één lidstaat kwam, hebben sommige lidstaten reeds te kennen gegeven dat zij er voorstander van zijn de huidige regeling op te heffen. In een aantal lidstaten hebben de parlementen hun regering ook verzocht maatregelen te nemen in verband met de omschakeling tussen winter- en zomertijd in de EU. Er zijn nationale wetgevingsinitiatieven genomen om de omschakeling tussen winter- en zomertijd af te schaffen. In het licht van deze ontwikkelingen is het noodzakelijk de goede werking van de interne markt te blijven garanderen en te voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen zouden leiden. Daarom moet de zomertijd op een gecoördineerde manier worden opgeheven.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis)  Het grondgebied van de lidstaten - behalve de overzeese gebieden - ligt verspreid over drie verschillende tijdzones met een verschillende standaardtijd, namelijk GMT, GMT+1 en GMT+2. Aangezien de Europese Unie zich over een groot gebied van het noorden naar het zuiden uitstrekt, heeft het aspect tijd binnen de Unie verschillende gevolgen voor het daglicht. Het is dan ook belangrijk dat de lidstaten, voordat ze hun tijdzone veranderen, rekening houden met de geografische aspecten van tijd, meer bepaald hun natuurlijke tijdzones en geografische positie. De lidstaten moeten burgers en belanghebbenden raadplegen voordat ze hun tijdzone veranderen.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 ter)  Door de zomertijd vindt de zichtbare zonsondergang tijdens de zomermaanden plaats op een later uur. In de opvatting van veel EU-burgers betekent dit dat er tot 's avonds laat zonlicht aanwezig is. Een terugkeer naar de "standaardtijd" zou tot gevolg hebben dat de zonsondergang tijdens de zomer een uur vroeger zou plaatsvinden en dat de periode van het jaar waarin er tot 's avonds laat daglicht beschikbaar is aanzienlijk zou worden ingeperkt.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 quater)  In tal van studies is onderzoek gedaan naar het verband tussen de omschakeling naar de zomertijd en het risico op hartaanvallen, de verstoring van het bioritme, slaapgebrek, gebrek aan concentratie en aandacht, een groter risico op ongelukken, minder tevredenheid met het bestaan en zelfs het aantal zelfdodingen. Langer daglicht, activiteiten in de buitenlucht na het werk of na school en de blootstelling aan zonlicht hebben echter duidelijk enige positieve langetermijneffecten op het algemene welzijn.

Amendement  6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 quinquies)  De chronobiologie toont aan dat de omschakeling tussen winter- en zomertijd van invloed is op het bioritme van het menselijk lichaam, wat een nadelig effect kan hebben op de gezondheid. Hoewel het voor de meeste mensen een paar dagen kost om zich aan nieuwe omschakelingen aan te passen, kost het bepaalde chronotypes meerdere weken of zelfs nog langer. Bepaalde groepen, zoals kinderen en ouderen, zijn bijzonder kwetsbaar. Het gaat vooral om het verzetten van de klok in de lente, aangezien sommige studies erop wijzen dat er bijvoorbeeld een groter aantal ischemische beroerten plaatsvindt gedurende de eerste twee dagen na het verzetten van de klok. Er bestaat ook een verband tussen de omschakeling tussen winter- en zomertijd en hart- en vaatziekten, die in verband worden gebracht met de verstoring van het bioritme door de omschakeling tussen de winter- en zomertijd.

Amendement  7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 sexies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 sexies)  De omschakeling tussen winter- en zomertijd heeft ook negatieve gevolgen voor het welzijn van dieren, hetgeen in de landbouwsector bijvoorbeeld zichtbaar is doordat de melkproductie van koeien afneemt.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 septies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 septies)  Er wordt algemeen aangenomen dat de omschakeling tussen winter- en zomertijd voor energiebesparing zorgt. Dit was vorige eeuw aanvankelijk inderdaad de reden om de winter- en zomertijd in te voeren. Uit onderzoek blijkt echter dat de omschakeling tussen winter- en zomertijd weliswaar marginaal bevorderlijk is voor het verminderen van de energieconsumptie in de Unie als geheel, maar dat dit niet het geval is in elke lidstaat. De besparing op energie voor verlichting ten gevolge van de omschakeling naar de zomertijd wordt mogelijk ook tenietgedaan doordat meer energie gebruikt wordt voor verwarming. Bovendien zijn de resultaten moeilijk te interpreteren omdat ze sterk worden beïnvloed door externe factoren zoals de meteorologie, het gedrag van energiegebruikers of de lopende energietransitie.

Amendement  9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van elke lidstaat om te bepalen welke standaardtijd of -tijden van toepassing is of zijn op de gebieden die onder zijn jurisdictie vallen en tot de territoriale werkingssfeer van de Verdragen behoren, en te beslissen over verdere wijzigingen daarvan. Om te vermijden dat de werking van de interne markt zou worden verstoord omdat slechts enkele lidstaten de zomertijd toepassen, mogen de lidstaten seizoensveranderingen niet inroepen als reden om de standaardtijd in een bepaald gebied dat onder hun jurisdictie valt te wijzigen of een dergelijke wijziging niet voorstellen als een verandering van tijdzone. Om verstoringen in onder meer vervoer, communicatie en andere betrokken sectoren, zo veel mogelijk te beperken, dienen zij de Commissie tijdig in kennis te stellen van hun voornemen om hun standaardtijd te wijzigen en vervolgens de aangemelde wijzigingen toe te passen. De Commissie moet alle andere lidstaten op basis van die kennisgeving informeren, zodat zij de nodige maatregelen kunnen nemen. Zij moet die informatie ook publiceren ten behoeve van het grote publiek en de belanghebbenden.

(5)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van elke lidstaat om te bepalen welke standaardtijd of -tijden van toepassing is of zijn op de gebieden die onder zijn jurisdictie vallen en tot de territoriale werkingssfeer van de Verdragen behoren, en te beslissen over verdere wijzigingen daarvan. Om te vermijden dat de werking van de interne markt zou worden verstoord, moeten de lidstaten een eventuele verandering van de standaardtijd in samenspraak met andere lidstaten overeenkomen en indien mogelijk streven naar een geharmoniseerde aanpak. Om te voorkomen dat slechts enkele lidstaten de zomertijd toepassen, mogen de lidstaten seizoensveranderingen niet inroepen als reden om de standaardtijd in een bepaald gebied dat onder hun jurisdictie valt te wijzigen of een dergelijke wijziging niet voorstellen als een verandering van tijdzone. Om verstoringen in onder meer vervoer, communicatie en andere betrokken sectoren, zo veel mogelijk te beperken, dienen zij de Commissie tijdig in kennis te stellen van hun voornemen om hun standaardtijd te wijzigen en vervolgens de aangemelde wijzigingen toe te passen. De Commissie moet alle andere lidstaten op basis van die kennisgeving informeren, zodat zij de nodige maatregelen kunnen nemen. Zij moet die informatie ook onverwijld nadat zij alle kennisgevingen van de lidstaten heeft ontvangen publiceren ten behoeve van het grote publiek en de belanghebbenden.

Amendement  10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(5 bis)  De lidstaten moeten hun keuze voor een standaardtijd onderling coördineren en daarbij een zo groot mogelijke harmonisatie tussen de lidstaten nastreven, om zo te zeer uiteenlopende tijdzones in de Unie te voorkomen en ervoor te zorgen dat de interne markt goed functioneert en voorspelbaar is voor de betrokken burgers, consumenten en sectoren. Hoewel het wettelijk gezien niet mogelijk is de lidstaten ertoe te verplichten voor een specifieke tijdzone te kiezen, moet er alles aan worden gedaan om onnodige complicaties te vermijden. Daarom moeten de lidstaten elkaar en de Commissie raadplegen over hun beslissingen over het afschaffen van de omschakeling tussen de winter- en zomertijd. Hiertoe moet elke lidstaat één vertegenwoordiger aanwijzen om met de Commissie en de andere lidstaten te overleggen.

Amendement  11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  Deze richtlijn moet van toepassing zijn vanaf 1 april 2019, zodat op 31 maart 2019 om 01.00 uur UTC overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in alle lidstaten voor het laatst de zomertijd ingaat. Lidstaten die voornemens zijn na die zomertijdperiode over te schakelen op een standaardtijd die overeenstemt met de tijd die overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in het winterseizoen wordt toegepast, dienen hun standaardtijd op 27 oktober 2019 om 01.00 uur UTC aan te passen, zodat vergelijkbare en blijvende wijzigingen in de verschillende lidstaten gelijktijdig plaatsvinden. Het is wenselijk dat de lidstaten hun beslissingen over de standaardtijd die elke lidstaat vanaf 2019 zal toepassen, coördineren.

(7)  Deze richtlijn moet van toepassing zijn vanaf 30 maart 2020, zodat op 30 maart 2020 om 01.00 uur UTC overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in alle lidstaten voor het laatst de zomertijd ingaat. Lidstaten die voornemens zijn na die zomertijdperiode over te schakelen op een standaardtijd die overeenstemt met de tijd die overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in het winterseizoen wordt toegepast, dienen hun standaardtijd op 25 oktober 2020 om 01.00 uur UTC aan te passen, zodat vergelijkbare en blijvende wijzigingen in de verschillende lidstaten gelijktijdig plaatsvinden. Het is wenselijk dat de lidstaten hun beslissingen over de standaardtijd die elke lidstaat vanaf 2020 zal toepassen, coördineren.

Amendement  12

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten hanteren gedurende alle seizoenen dezelfde standaardtijd of -tijden.

1.  De lidstaten hanteren gedurende alle seizoenen dezelfde standaardtijd of ‑tijden.

2.  Niettegenstaande lid 1 kunnen de lidstaten ervoor opteren in 2019 een laatste maal over te schakelen op de wintertijd, namelijk op 27 oktober 2019 om 01.00 uur UTC. De lidstaten delen dit besluit mee overeenkomstig artikel 2.

2.  Niettegenstaande lid 1 kunnen de lidstaten ervoor opteren in 2020 een laatste maal over te schakelen op de wintertijd, namelijk op 25 oktober 2020 om 01.00 uur UTC. De lidstaten delen dit besluit mee overeenkomstig artikel 2.

Amendement  13

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – leden 1 en 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Onverminderd artikel 1 stelt elke lidstaat die besluit de standaardtijd of -tijden op zijn grondgebied te wijzigen de Commissie daar uiterlijk 6 maanden voor het tijdstip waarop de wijziging ingaat van in kennis. Een lidstaat die een dergelijke kennisgeving heeft gedaan en deze niet uiterlijk 6 maanden vóór de datum van de geplande wijziging heeft ingetrokken, past de aangekondigde wijziging toe.

1.  Onverminderd artikel 1 stelt elke lidstaat die besluit de standaardtijd of -tijden op zijn grondgebied te wijzigen de Commissie daar uiterlijk 6 maanden voor het tijdstip waarop de wijziging ingaat van in kennis. Een lidstaat die een dergelijke kennisgeving heeft gedaan en deze niet uiterlijk 6 maanden vóór de datum van de geplande wijziging heeft ingetrokken, past de aangekondigde wijziging toe.

 

1 bis.  De lidstaten raadplegen alle andere lidstaten alvorens het in lid 1 bedoelde besluit te nemen. De Commissie faciliteert die raadpleging. Elke lidstaat wijst één vertegenwoordiger aan die verantwoordelijk is voor het raadplegen van de andere lidstaten en de Commissie.

Amendement  14

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving stelt de Commissie de andere lidstaten daarvan in kennis en maakt zij die informatie bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  Binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving stelt de Commissie de andere lidstaten daarvan in kennis en maakt zij die informatie bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. De Commissie informeert het publiek onverwijld nadat zij alle kennisgevingen van de lidstaten heeft ontvangen.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2024 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

1.  De Commissie brengt uiterlijk op 31 december van het zevende jaar nadat deze richtlijn is vastgesteld aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 30 april 2024 de relevante informatie.

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 30 april van het zevende jaar nadat deze richtlijn is vastgesteld de relevante informatie.

Amendement  17

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 1 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten stellen uiterlijk op 1 april 2019 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

De lidstaten stellen uiterlijk op 30 maart 2020 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Amendement  18

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 1 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 april 2019.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 30 maart 2020.

Amendement  19

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 1 – alinea 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)

Amendement  20

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Richtlijn 2000/84/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 april 2019.

Richtlijn 2000/84/EG wordt ingetrokken met ingang van 30 maart 2020.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd

Document- en procedurenummers

COM(2018)0639 – C8-0408/2018 – 2018/0332(COD)

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

TRAN

13.9.2018

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

ENVI

13.9.2018

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Bolesław G. Piecha

22.10.2018

Behandeling in de commissie

21.1.2019

 

 

 

Datum goedkeuring

20.2.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

49

9

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Ivo Belet, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Miriam Dalli, Seb Dance, Angélique Delahaye, Stefan Eck, Bas Eickhout, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Gerben-Jan Gerbrandy, Arne Gericke, Jens Gieseke, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Urszula Krupa, Jo Leinen, Peter Liese, Lukas Mandl, Valentinas Mazuronis, Joëlle Mélin, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Rory Palmer, Massimo Paolucci, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, Julia Reid, Frédérique Ries, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Renate Sommer, Ivica Tolić, Nils Torvalds, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Christofer Fjellner, Martin Häusling, Jan Huitema, Christel Schaldemose, Mihai Ţurcanu

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Czesław Hoc, Olle Ludvigsson, Anthea McIntyre, Tonino Picula

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

49

+

ALDE :

Anneli Jäätteenmäki, Frédérique Ries, Nils Torvalds

ECR :

Arne Gericke, Czesław Hoc, Urszula Krupa, Bolesław G. Piecha, Jadwiga Wiśniewska

EFDD :

Sylvie Goddyn

ENF :

Jean-François Jalkh, Joëlle Mélin

GUE/NGL :

Stefan Eck, Kateřina Konečná

NI :

Zoltán Balczó

PPE:

Pilar Ayuso, Ivo Belet, Birgit Collin-Langen, Angélique Delahaye, José Inácio Faria, Christofer Fjellner, Francesc Gambús, Jens Gieseke, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, György Hölvényi, Peter Liese, Lukas Mandl, Miroslav Mikolášik, Annie Schreijer-Pierik, Renate Sommer, Ivica Tolić, Mihai Ţurcanu

S&D:

Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Miriam Dalli, Seb Dance, Jytte Guteland, Karin Kadenbach, Jo Leinen, Olle Ludvigsson, Susanne Melior, Rory Palmer, Tonino Picula, Pavel Poc, Christel Schaldemose

Verts/ALE:

Marco Affronte, Martin Häusling, Davor Škrlec

9

-

ALDE :

Gerben-Jan Gerbrandy, Jan Huitema, Valentinas Mazuronis

ECR :

Anthea McIntyre

EFDD:

Julia Reid

S&D:

Massimo Paolucci, Damiano Zoffoli

Verts/ALE:

Margrete Auken, Benedek Jávor

1

0

Verts/ALE:

Bas Eickhout

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (19.2.2019)

aan de Commissie vervoer en toerisme

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd en tot intrekking van Richtlijn 2000/84/EG

(COM(2018)0639 – C8-0408/2018 – 2018/0332(COD))

Rapporteur voor advies: Sven Schulze

BEKNOPTE MOTIVERING

Doel van de zomertijd is optimaal gebruik te maken van het natuurlijke daglicht. Door de klok een uur vooruit te zetten wanneer de dagen beginnen te lengen in het voorjaar, wordt de zonsondergang met een uur uitgesteld, totdat de klok in het najaar weer teruggezet wordt. Deze praktijk wordt in meer dan zestig landen ter wereld toegepast. In de EU hebben de lidstaten een lange traditie van zomertijd, en vele hebben hun eigen zomertijd-regelingen ontwikkeld. De EU-harmoniseringsinspanningen begonnen in de jaren zeventig om het effectieve beheer van de interne markt te faciliteren.

Tegenwoordig regelt Richtlijn 2000/84/EG, waarvan de afschaffing wordt bepleit, de uniforme EU-wijde toepassing van de zomertijd. De meeste Europese derde landen hebben hun zomertijd-regelingen afgestemd op die van de EU.

Er is veel academisch onderzoek gedaan naar de voor- en nadelen van de zomertijd. Het lijkt erop dat de zomertijd gunstig is voor de interne markt (met name de vervoerssector) en vrijetijdsactiviteiten, en het leidt tot ook tot marginale besparingen op het energieverbruik. De gevolgen voor andere economische sectoren blijven echter onduidelijk.

Toegegeven moet worden dat het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de wetenschappelijke kennis over mogelijk positieve of negatieve implicaties van de zomertijd nog steeds erg beperkt zijn en nogal gefragmenteerd.

Gezondheidsonderzoek brengt de zomertijd echter in verband met verstoring van het menselijke bioritme (‘dag-en-nachtritme’). Resultaten van wetenschappelijk onderzoek wijzen erop dat het effect op het menselijk bioritme mogelijk groter is dan tot dusver werd aangenomen. Wetenschappelijk bewijs is slechts in zeer beperkte mate beschikbaar.

Het systeem waarbij de klok tweemaal per jaar moet worden verzet, botst op steeds meer weerstand bij burgers en bij het Europees Parlement. Geen enkele EU-regering heeft echter aangedrongen op wijziging van de huidige zomertijd-bepalingen. Derde landen, zoals Rusland en meer recentelijk Turkije hebben de zomertijd afgeschaft met overgangsperioden van vijf jaar of langer.

In zijn resolutie van 8 februari 2018(1) heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht een evaluatie uit te voeren van de bij Richtlijn 2000/84/EG geregelde zomertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening van die richtlijn in te dienen.

De Europese Commissie heeft geen effectbeoordeling verricht maar een openbare raadpleging georganiseerd. Van de 4,6 miljoen respondenten, het grootste aantal ooit bij een raadpleging van de Commissie, wil 84 % de omschakeling tussen zomer- en wintertijd schrappen, terwijl 16 % wil dat die regeling gehandhaafd wordt.

Tegen deze achtergrond wordt in dit advies beoogd het idee te ondersteunen dat regelingen waarbij de klok tweemaal per jaar moet worden verzet onder bepaalde voorwaarden moeten worden afgeschaft.

De belangrijkste uitdaging bij het afschaffen van het tweemaal per jaar verzetten van de klok is te vermijden dat de interne markt ernstig wordt verstoord door verschillende benaderingen van de lidstaten op dit gebied en het ontbreken van de bevoegdheid om standaardtijden op Europees niveau te coördineren.

De rapporteur is zich bewust van het feit dat de EU een einde kan maken aan het systeem waarbij de klok tweemaal per jaar moet worden verzet maar niet de bevoegdheid heeft om in de gehele EU een standaardtijd op te leggen.

Afgezien van de overwegingen over de gevolgen is het niet zo dat intrekking van de zomertijd-richtlijn automatisch zou leiden tot afschaffing van de zomertijd in de EU. Het zou enkel leiden tot een beëindiging van de EU-brede harmonisering en de kwestie van de zomertijd weer tot de bevoegdheid van de lidstaten maken. Het zou de lidstaten vrij staan te beslissen over hun afzonderlijke tijdsregelingen: zij zouden kunnen kiezen voor behoud van de zomertijd (volgens het huidige of een gewijzigd zomertijd-schema) of de zomertijd kunnen afschaffen. Afschaffing van de zomertijd zou in de eerste plaats resulteren in handhaving van de standaardtijd (‘wintertijd’), die per definitie leidt tot donkerder avonden in het voorjaar en de zomer.

Om de zomertijd te handhaven zouden de lidstaten technisch gesproken de tijdzones moeten wijzigen. Ongecoördineerde nationale tijdsregelingen zouden echter negatieve repercussies hebben voor de interne markt.

Hoe het ook zij, vermeden moet worden dat er een lappendeken van tijdzones ontstaat van lidstaten die ofwel de zomertijd ofwel de wintertijd willen handhaven, omdat dit de interne markt onoverzichtelijk zou maken.

Het zou de grensoverschrijdende handel, het grensoverschrijdende vervoer, de grensoverschrijdende communicatie en het grensoverschrijdend reizen binnen de interne markt en met derde landen bemoeilijken en enorme gevolgen hebben voor het slotsysteem van de luchtvaartindustrie dat gebruikt wordt om vluchten op de drukste luchthavens van de wereld te coördineren. De tijdsverandering zou gebruikt kunnen worden door concurrerende luchtvaartmaatschappijen van derde landen om Europese luchtvaartmaatschappijen uit de markt te duwen om een groter marktaandeel te veroveren buiten de EU.

Met betrekking tot de wettelijke haalbaarheid stelt de rapporteur derhalve voor de inwerkingtreding te koppelen aan een voorafgaande overeenkomst tussen alle EU-lidstaten over een coördinerend mechanisme voor een nieuwe standaardtijd. Het verdient de voorkeur om de drie bestaande tijdszones in tact te laten. De rapporteur beschouwt de medebeslissingsprocedure het geschiktste instrument voor deze wetgeving om een dergelijke overeenkomst tussen de lidstaten te sluiten. De lidstaat die het voorzitterschap van de Raad bekleedt, coördineert dit proces.

AMENDEMENTEN

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de bevoegde Commissie vervoer en toerisme onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2)  In zijn resolutie van 8 februari 2018 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht een evaluatie uit te voeren van de bij Richtlijn 2000/84/EG ingevoerde zomertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening van die richtlijn in te dienen. In die resolutie werd ook bevestigd dat het essentieel is om een geharmoniseerde aanpak van de tijdsregelingen in de hele Unie te handhaven.

(2)  In zijn resolutie van 8 februari 2018, in het licht van verschillende verzoekschriften van burgers, parlementaire vragen en een openbare hoorzitting over de kwestie, heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht een zorgvuldige evaluatie uit te voeren van de bij Richtlijn 2000/84/EG ingevoerde zomertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening van die richtlijn in te dienen. In die resolutie werd ook het belang benadrukt van het handhaven van een geharmoniseerde aanpak van de tijdsregelingen in de hele Unie en van een uniforme EU-tijdsregeling.

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3)  De Commissie heeft de beschikbare informatie onderzocht en daaruit blijkt dat geharmoniseerde EU-regels belangrijk zijn om de goede werking van de interne markt te waarborgen en ter voorkoming van, onder meer, verstoringen in de planning van vervoersactiviteiten en de werking van IT- en communicatiesystemen, extra kosten voor grensoverschrijdende handel, of een daling van de productiviteit voor goederen en diensten. Op basis van die gegevens kan geen eenduidig antwoord worden gegeven op de vraag of de voordelen van de zomertijd opwegen tegen de nadelen van de halfjaarlijkse omschakeling tussen winter- en zomertijd.

(3)  De Commissie heeft de beschikbare informatie onderzocht en daaruit blijkt dat geharmoniseerde EU-regels belangrijk zijn om de goede werking van de interne markt te waarborgen, te zorgen voor voorspelbaarheid en zekerheid op de lange termijn en ter voorkoming van, onder meer, verstoringen in de planning van vervoersactiviteiten, de energiesector en de werking van IT- en communicatiesystemen, extra kosten voor grensoverschrijdende handel, of een daling van de productiviteit voor goederen en diensten. De overgang naar een nieuw urensysteem moet worden vergemakkelijkt middels ICT-tests ten behoeve van een doeltreffende uitvoering, zonder extra kosten voor bedrijven en burgers. Bovendien hebben, hoewel het wetenschappelijk bewijs nog niet geheel overtuigend is, recente wetenschappelijke studies gewezen op de mogelijke negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid van een halfjaarlijkse omschakeling tussen winter- en zomertijd. In recente studies over de menselijke gezondheid is er ook op gewezen dat de halfjaarlijkse omschakeling tussen winter- en zomertijd meerdere negatieve gevolgen heeft en dat de aanpassing eraan niet zo gemakkelijk is als gedacht.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis)  Het publieke debat over de zomertijd is niet nieuw en sinds de invoering van de zomertijd is aan de hand van verschillende initiatieven getracht deze praktijk stop te zetten. Sommige lidstaten hielden nationale raadplegingen en de meeste bedrijven en belanghebbenden hebben een stopzetting van deze praktijk gesteund. De door de Europese Commissie georganiseerde raadpleging heeft tot dezelfde conclusie geleid.

Motivering

De invoering van de omschakeling tussen winter- en zomertijd stuitte in het begin op verzet, maar in het huidige voorstel worden een aantal studies en raadplegingen gevolgd die argumenten onder de aandacht brengen in het ideologische debat. Daarom is het passend om de eerdere debatten en het proces dat in het huidige voorstel uitmondde, te vermelden.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  Over de zomertijd woedt een levendig publiek debat en sommige lidstaten hebben te kennen gegeven dat zij er voorstander van zijn de huidige regeling op te heffen. In het licht van deze ontwikkelingen is het noodzakelijk de goede werking van de interne markt te blijven garanderen en te voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen zouden leiden. Daarom moet de zomertijd op een gecoördineerde manier worden opgeheven.

(4)  Over de zomertijd woedt een levendig publiek debat, zoals blijkt uit de 4,6 miljoen antwoorden van burgers in de door de Commissie gehouden openbare raadpleging waarbij een meerderheid tegen het huidige systeem met de omschakeling tussen zomer- en wintertijd is. Dat is nog niet vergezeld gegaan van een wetenschappelijk onderbouwde effectbeoordeling die zich niet beperkt tot de analyse van het bestaande materiaal over dit onderwerp. Sommige lidstaten hebben ook te kennen gegeven dat zij er voorstander van zijn de huidige regeling op te heffen. In het licht van deze ontwikkelingen is het noodzakelijk de goede werking van de interne markt en de grensoverschrijdende activiteiten van de burgers te blijven garanderen en te voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen zouden leiden. Daarom is het van essentieel belang dat in het kader van de medebeslissingsprocedure voor deze richtlijn pas een einde aan de zomertijdsregeling wordt gemaakt nadat de lidstaten een coördinatiemechanisme overeengekomen zijn. Het fungerend voorzitterschap van de Raad vervult bij de vaststelling van dit coördinatiemechanisme een essentiële rol. Bij de bepaling van de standaardtijd door iedere lidstaat moet dit mechanisme rekening houden met de bestaande drie tijdzones in de EU. Indien een lidstaat zijn standaardtijd wijzigt stelt hij, onverminderd zijn recht om een besluit te nemen over zijn standaardtijd, alles in het werk om ervoor te zorgen dat het tijdsverschil tussen die lidstaat en zijn buurlanden niet meer bedraagt dan een uur. De Europese Commissie kan een effectbeoordeling verrichten van het effect van de voorgenomen wijziging van de standaardtijd, alsmede van het effect op de naburige lidstaten en de interne markt.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 bis)  Ter voorkoming van negatieve gevolgen voor de werking van de interne markt en problemen voor grensoverschrijdende activiteiten voor de EU-burgers is het van essentieel belang een voortzetting van een geografische logica in de verdeling van de tijdzones in de Unie te waarborgen. Daarom moet de opheffing van de zomertijd worden voorafgegaan door een door de lidstaten vastgesteld coördinatieproces. Het proces zal – met eerbiediging van een soeverein recht van elke lidstaat om te besluiten over zijn standaardtijd en rekening houdend met de verschillende behoeften van de bevolking in de lidstaten, die zich momenteel over drie tijdzones uitstrekken – de lidstaten, en met name de buurlanden, helpen om op met wederzijds goedvinden te komen tot een gemeenschappelijk standpunt over de standaardtijd die elke lidstaat zal kiezen om in de toekomst te hanteren.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 ter)  Recente wetenschappelijke gegevens wijzen op een verband tussen het tweemaal per jaar verzetten van de klok en gezondheidsproblemen, zoals hart- en vaatziekten, die zijn gerelateerd aan chronobiologie vanwege het verstoren van de biologische klok.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van elke lidstaat om te bepalen welke standaardtijd of -tijden van toepassing is of zijn op de gebieden die onder zijn jurisdictie vallen en tot de territoriale werkingssfeer van de Verdragen behoren, en te beslissen over verdere wijzigingen daarvan. Om te vermijden dat de werking van de interne markt zou worden verstoord omdat slechts enkele lidstaten de zomertijd toepassen, mogen de lidstaten seizoensveranderingen niet inroepen als reden om de standaardtijd in een bepaald gebied dat onder hun jurisdictie valt te wijzigen of een dergelijke wijziging niet voorstellen als een verandering van tijdzone. Om verstoringen in onder meer vervoer, communicatie en andere betrokken sectoren, zo veel mogelijk te beperken, dienen zij de Commissie tijdig in kennis te stellen van hun voornemen om hun standaardtijd te wijzigen en vervolgens de aangemelde wijzigingen toe te passen. De Commissie moet alle andere lidstaten op basis van die kennisgeving informeren, zodat zij de nodige maatregelen kunnen nemen. Zij moet die informatie ook publiceren ten behoeve van het grote publiek en de belanghebbenden.

(5)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van elke lidstaat om te bepalen welke standaardtijd of -tijden van toepassing is of zijn op de gebieden die onder zijn jurisdictie vallen en tot de territoriale werkingssfeer van de Verdragen behoren, en te beslissen over verdere wijzigingen daarvan. Om te vermijden dat de werking van de interne markt zou worden verstoord omdat slechts enkele lidstaten de zomertijd toepassen en om een gecoördineerde benadering te waarborgen, mogen de lidstaten in Europa voorkomende seizoensveranderingen niet inroepen als reden om de standaardtijd in een bepaald gebied dat onder hun jurisdictie valt te wijzigen of een dergelijke wijziging niet voorstellen als een verandering van tijdzone. Om verstoringen in onder meer de interne markt, de EU-energienetwerken, vervoer, en met name in het luchtvervoer en het ingestelde slotsysteem voor start- en landingstijden, communicatie en andere betrokken sectoren, zo veel mogelijk te beperken, dienen zij de Commissie en alle lidstaten tijdig in kennis te stellen van hun voornemen om hun standaardtijd te wijzigen en vervolgens de aangemelde wijzigingen toe te passen. De Commissie moet alle andere lidstaten op basis van die kennisgeving informeren, zodat zij de nodige maatregelen kunnen nemen om het grensoverschrijdende effect tegen te gaan dat wordt veroorzaakt door tijdzoneverschillen tussen buurlanden. Zij moet die informatie ook publiceren ten behoeve van het grote publiek en de belanghebbenden.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

5 bis)  De lidstaten moeten hun besluit nemen zonder de concurrentiepositie van de Europese vervoersondernemingen die bijzonder gevoelig zijn voor tijdsveranderingen, zoals Europese luchtvaartmaatschappijen en luchthavens, ten opzichte van ondernemingen uit derde landen, in gevaar te brengen.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

6 bis)  Het besluit over welke standaardtijd in elke lidstaat moet worden toegepast, moet worden voorafgegaan door raadplegingen en studies waarbij rekening wordt gehouden met de voorkeuren van burgers, geografische variaties, regionale verschillen, standaardarbeidsregelingen en andere factoren die relevant zijn voor de specifieke lidstaat. Daarom moeten de lidstaten over voldoende tijd beschikken om het effect van het voorstel te analyseren en te kiezen voor de oplossing die het beste past bij hun bevolking, terwijl rekening wordt gehouden met de goede werking van de interne markt.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  Deze richtlijn moet van toepassing zijn vanaf 1 april 2019, zodat op 31 maart 2019 om 01.00 uur UTC overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in alle lidstaten voor het laatst de zomertijd ingaat. Lidstaten die voornemens zijn na die zomertijdperiode over te schakelen op een standaardtijd die overeenstemt met de tijd die overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in het winterseizoen wordt toegepast, dienen hun standaardtijd op 27 oktober 2019 om 01.00 uur UTC aan te passen, zodat vergelijkbare en blijvende wijzigingen in de verschillende lidstaten gelijktijdig plaatsvinden. Het is wenselijk dat de lidstaten hun beslissingen over de standaardtijd die elke lidstaat vanaf 2019 zal toepassen, coördineren.

(7)  Deze richtlijn moet van toepassing zijn vanaf 1 april 2020, zodat op 29 maart 2020 om 01.00 uur UTC overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in alle lidstaten voor het laatst de zomertijd ingaat. Lidstaten die voornemens zijn na die zomertijdperiode over te schakelen op een standaardtijd die overeenstemt met de tijd die overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in het winterseizoen wordt toegepast, dienen hun standaardtijd op 25 oktober 2020 om 01.00 uur UTC aan te passen, zodat vergelijkbare en blijvende wijzigingen in de verschillende lidstaten gelijktijdig plaatsvinden. Om deze regeling om te zetten moeten de lidstaten hun beslissingen over de standaardtijd die elke lidstaat vanaf 2020 zal toepassen, coördineren en onderling afstemmen, waarbij zij worden aangemoedigd de tijdzone die momenteel voor hen geldt te handhaven. Er kan een netwerk van nationale contactpunten over tijdsregelingen worden opgezet. Het is van belang mogelijke complicaties te vermijden die zich kunnen voordoen tijdens de tenuitvoerlegging van deze richtlijn door de lidstaten. Daarom moeten zij voldoende tijd krijgen en moet ervoor gezorgd worden dat er een geharmoniseerde en goed gecoördineerde aanpak komt.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)  Er moet worden toegezien op de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. De resultaten van dat toezicht moeten door de Commissie worden gepresenteerd in een verslag aan het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag moet worden opgesteld op basis van informatie die door de lidstaten aan de Commissie wordt meegedeeld binnen een termijn die haar in staat stelt tijdig verslag uit te brengen.

(8)  Er moet worden toegezien op de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. Het voordien door de lidstaten in deze medebeslissingsprocedure overeengekomen coördinatiemechanisme moet worden toegepast. De resultaten van dat toezicht moeten door de Commissie worden gepresenteerd in een verslag aan het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag moet worden opgesteld op basis van informatie die door de lidstaten aan de Commissie wordt meegedeeld binnen een termijn die haar in staat stelt tijdig verslag uit te brengen.

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Niettegenstaande lid 1 kunnen de lidstaten ervoor opteren in 2019 een laatste maal over te schakelen op de wintertijd, namelijk op 27 oktober 2019 om 01.00 uur UTC. De lidstaten delen dit besluit mee overeenkomstig artikel 2.

2.  Niettegenstaande lid 1 kunnen de lidstaten ervoor opteren in 2020 een laatste maal over te schakelen op de wintertijd, namelijk op 25 oktober 2020 om 01.00 uur UTC. De lidstaten delen dit besluit mee overeenkomstig artikel 2.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Onverminderd artikel 1 stelt elke lidstaat die besluit de standaardtijd of -tijden op zijn grondgebied te wijzigen de Commissie daar uiterlijk 6 maanden voor het tijdstip waarop de wijziging ingaat van in kennis. Een lidstaat die een dergelijke kennisgeving heeft gedaan en deze niet uiterlijk 6 maanden vóór de datum van de geplande wijziging heeft ingetrokken, past de aangekondigde wijziging toe.

1.  Onverminderd artikel 1 stelt elke lidstaat die besluit de standaardtijd of -tijden op zijn grondgebied te wijzigen de Commissie daar uiterlijk 12 maanden voor het tijdstip waarop de wijziging ingaat van in kennis. Een lidstaat die een dergelijke kennisgeving heeft gedaan en deze niet uiterlijk 12 maanden vóór de datum van de geplande wijziging heeft ingetrokken, past de aangekondigde wijziging toe.

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving stelt de Commissie de andere lidstaten daarvan in kennis en maakt zij die informatie bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  Binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving stelt de Commissie de andere lidstaten en het grote publiek daarvan in kennis en maakt zij die informatie bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  Om ervoor te zorgen dat de leden 1 en 2 van dit artikel op een gecoördineerde wijze worden toegepast, stelt de Raad een coördinatiemechanisme vast.

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2024 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

1.  De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2025 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 30 april 2024 de relevante informatie.

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 30 april 2025 de relevante informatie.

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 1 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten stellen uiterlijk op 1 april 2019 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

De lidstaten stellen uiterlijk op 1 april 2020 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 1 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 april 2019.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 april 2020.

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Richtlijn 2000/84/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 april 2019.

Richtlijn 2000/84/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 april 2020.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd

Document- en procedurenummers

COM(2018)0639 – C8-0408/2018 – 2018/0332(COD)

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

TRAN

13.9.2018

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

ITRE

13.9.2018

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Sven Schulze

25.10.2018

Behandeling in de commissie

23.1.2019

 

 

 

Datum goedkeuring

19.2.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

48

7

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zigmantas Balčytis, Bendt Bendtsen, Xabier Benito Ziluaga, Cristian-Silviu Buşoi, Reinhard Bütikofer, Jerzy Buzek, Angelo Ciocca, Jakop Dalunde, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Fredrick Federley, Ashley Fox, Adam Gierek, Theresa Griffin, András Gyürk, Hans-Olaf Henkel, Seán Kelly, Jeppe Kofod, Peter Kouroumbashev, Zdzisław Krasnodębski, Christelle Lechevalier, Janusz Lewandowski, Aleksejs Loskutovs, Edouard Martin, Tilly Metz, Angelika Mlinar, Csaba Molnár, Dan Nica, Angelika Niebler, Morten Helveg Petersen, Miroslav Poche, Carolina Punset, Paul Rübig, Massimiliano Salini, Algirdas Saudargas, Neoklis Sylikiotis, Evžen Tošenovský, Kathleen Van Brempt, Martina Werner, Lieve Wierinck, Hermann Winkler, Anna Záborská, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Pilar Ayuso, Michał Boni, Rosa D’Amato, Benedek Jávor, Olle Ludvigsson, Marian-Jean Marinescu, Clare Moody, Markus Pieper, Dominique Riquet, Davor Škrlec, Anneleen Van Bossuyt

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Eleonora Evi, Luigi Morgano

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

48

+

ALDE

Fredrick Federley, Angelika Mlinar, Morten Helveg Petersen, Carolina Punset, Lieve Wierinck

ECR

Zdzisław Krasnodębski, Evžen Tošenovský, Anneleen Van Bossuyt

ENF

Christelle Lechevalier

PPE

Pilar Ayuso, Bendt Bendtsen, Michał Boni, Cristian-Silviu Buşoi, Jerzy Buzek, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, András Gyürk, Seán Kelly, Janusz Lewandowski, Aleksejs Loskutovs, Marian-Jean Marinescu, Angelika Niebler, Markus Pieper, Paul Rübig, Massimiliano Salini, Algirdas Saudargas, Hermann Winkler, Anna Záborská

S&D

Zigmantas Balčytis, Adam Gierek, Theresa Griffin, Jeppe Kofod, Peter Kouroumbashev, Olle Ludvigsson, Csaba Molnár, Clare Moody, Luigi Morgano, Dan Nica, Miroslav Poche, Kathleen Van Brempt, Martina Werner, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

Verts/ALE

Reinhard Bütikofer, Jakop Dalunde, Benedek Jávor, Tilly Metz, Davor Škrlec

7

-

ALDE

Dominique Riquet

ECR

Ashley Fox, Hans-Olaf Henkel

EFDD

Rosa D'Amato, Eleonora Evi

ENF

Angelo Ciocca

S&D

Edouard Martin

2

0

GUE/NGL

Xabier Benito Ziluaga, Neoklis Sylikiotis

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Resolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2018 over het verzetten van de klok (2017/2968(RSP)) P8_TA(2018)0043.


ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (21.2.2019)

aan de Commissie vervoer en toerisme

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd en tot intrekking van Richtlijn 2000/84/EG

(COM(2018)0639 – C8-0408/2018 – 2018/0332(COD))

Rapporteur voor advies: Igor Šoltes

BEKNOPTE MOTIVERING

De rapporteur is verheugd over het voorstel van het Europees Parlement om een einde te maken aan het halfjaarlijks verzetten van de klok in overeenstemming met het standpunt van het Europees Parlement zoals verwoord in zijn resolutie van februari 2018 en van vele burgers.

Vele studies en rapporten tonen de negatieve gevolgen aan van het halfjaarlijks verzetten van de klok op vele verschillende gebieden: gezondheidsrisico's en problemen door de verstoring van de biologische klok, meer ongevallen op de dagen na de tijdsomschakeling, meer administratieve lasten en kosten voor vele economische sectoren.

De Europese Commissie heeft een openbare raadpleging gehouden in de zomer van 2018 waarbij zij 4,6 miljoen antwoorden heeft ontvangen, waarvan 99,8% van burgers. De overige 0,2% was afkomstig van belanghebbenden of bedrijven. 84 % van de respondenten wilde de omschakeling tussen zomer- en wintertijd schrappen. Dit voorstel is dan ook in overeenstemming met het standpunt van vele burgers. Tegelijkertijd wordt benadrukt dat een samenhangende en geharmoniseerde aanpak moet worden gevolgd om de goede werking van de interne markt te waarborgen.

De EU-lidstaten liggen in drie verschillende tijdzones, namelijk GMT, GMT+1 en GMT+2. Bij de vaststelling van de permanente tijd moet daarom rekening worden gehouden met verschillende factoren, zoals geografische aspecten en natuurlijke tijdszones en de gevolgen ervan voor de volksgezondheid door de aanwezigheid van daglicht.

De lidstaten blijven weliswaar bevoegd om over hun eigen standaardtijd te beslissen, maar de rapporteur acht het noodzakelijk om een geharmoniseerde aanpak te volgen voor tijdsregelingen om de goede werking van de interne markt te waarborgen en grote verstoringen te voorkomen waartoe een "lappendeken" zou leiden indien de lidstaten ervoor zouden kiezen verschillende tijdsomschakelingen van 60 minuten binnen de EU in te voeren.

Bij een gecoördineerde aanpak hoort een toereikende termijn waarbinnen de lidstaten de gevolgen nauwkeurig kunnen inschatten van een blijvende keuze voor GMT + 1 of GMT+ 2, gezien de vele aspecten waarmee rekening moet worden gehouden, zoals de gevolgen voor de economie wat betreft grensoverschrijdende handel, communicatie en vervoer, maar ook de gevolgen voor de volksgezondheid, de veiligheid op de weg en het milieu.

Om deze reden wordt voorgesteld om de toepassing één jaar uit te stellen om de lidstaten voldoende tijd te geven om hun aanpak op elkaar af te stemmen en te zorgen voor passende deelname van de betrokken belanghebbenden en burgers door middel van openbare raadplegingen.

De lidstaten zouden hun aanpak op elkaar moeten afstemmen door de oprichting van een netwerk bestaande uit vertegenwoordigers van elke lidstaat en de Commissie, dat een bemiddelende rol zou kunnen vervullen indien een door een bepaalde lidstaat voorgenomen tijdsomschakeling tot bezorgdheid in andere lidstaten leidt en de goede werking van de interne markt zou schaden.

De uitvoering van deze richtlijn zou drie jaar na de datum van toepassing moeten worden geëvalueerd in plaats van vijf jaar zoals voorgesteld door de Commissie.

AMENDEMENTEN

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de bevoegde Commissie vervoer en toerisme onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  De beslissing om de zomertijd in te voeren werd in het verleden door de lidstaten afzonderlijk genomen. Voor de werking van de interne markt was het daarom belangrijk dat voor de hele Unie een gemeenschappelijke begin- en einddatum van de zomertijd werd vastgesteld. Overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG van het Europees Parlement en de Raad21 passen alle lidstaten op dit moment de zomertijd toe vanaf de laatste zondag van maart tot de laatste zondag van oktober van hetzelfde jaar.

(1)  De beslissing om de zomertijd in te voeren werd in het verleden door de lidstaten afzonderlijk genomen. Voor de werking van de interne markt was het daarom belangrijk dat voor de hele Unie een gemeenschappelijke begin- en einddatum van de zomertijd werd vastgesteld om het verzetten van de klok in de lidstaten te coördineren. Overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG van het Europees Parlement en de Raad21 passen alle lidstaten op dit moment halfjaarlijkse omschakelingen tussen winter- en zomertijd toe. De standaardtijd wordt op de laatste zondag van maart omgeschakeld naar de zomertijd tot de laatste zondag van oktober van hetzelfde jaar.

__________________

__________________

21 Richtlijn 2000/84/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de zomertijd (PB L 31 van 2.2.2001, blz. 1).

21 Richtlijn 2000/84/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de zomertijd (PB L 31 van 2.2.2001, blz. 1).

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  In zijn resolutie van 8 februari 2018 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht een evaluatie uit te voeren van de bij Richtlijn 2000/84/EG ingevoerde zomertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening van die richtlijn in te dienen. In die resolutie werd ook bevestigd dat het essentieel is om een geharmoniseerde aanpak van de tijdsregelingen in de hele Unie te handhaven.

(2)  In zijn resolutie van 8 februari 2018 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht een evaluatie uit te voeren van de bij Richtlijn 2000/84/EG ingevoerde halfjaarlijkse omschakeling tussen zomer- en wintertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening van die richtlijn in te dienen. In die resolutie werd ook bevestigd dat het essentieel is om een geharmoniseerde aanpak van de tijdsregelingen in de hele Unie te handhaven en werd benadrukt dat uit tal van wetenschappelijke onderzoeken is gebleken dat halfjaarlijkse omschakelingen tussen zomer- en wintertijd negatieve effecten hebben.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  De Commissie heeft de beschikbare informatie onderzocht en daaruit blijkt dat geharmoniseerde EU-regels belangrijk zijn om de goede werking van de interne markt te waarborgen en ter voorkoming van, onder meer, verstoringen in de planning van vervoersactiviteiten en de werking van IT- en communicatiesystemen, extra kosten voor grensoverschrijdende handel, of een daling van de productiviteit voor goederen en diensten. Op basis van die gegevens kan geen eenduidig antwoord worden gegeven op de vraag of de voordelen van de zomertijd opwegen tegen de nadelen van de halfjaarlijkse omschakeling tussen winter- en zomertijd.

(3)  De Commissie heeft de beschikbare informatie onderzocht en daaruit blijkt dat geharmoniseerde EU-regels belangrijk zijn om de goede werking van de interne markt, duurzaamheid en voorspelbaarheid te waarborgen, ter voorkoming van, onder meer, verstoringen in de planning van vervoersactiviteiten en de werking van IT- en communicatiesystemen, extra kosten voor grensoverschrijdende handel, of een daling van de productiviteit voor goederen en diensten. Op basis van die gegevens kan geen eenduidig antwoord worden gegeven op de vraag of de voordelen van de zomertijd opwegen tegen de nadelen van de halfjaarlijkse omschakeling tussen winter- en zomertijd.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 bis)  Uit tal van studies is echter gebleken dat de voordelen van een omschakeling tussen winter- en zomertijd, zoals energiebesparingen, zijn overschat, terwijl de negatieve gevolgen op verschillende gebieden, bijvoorbeeld voor de volksgezondheid en het bioritme van de mens (dag-en-nachtritme) of voor het concentratievermogen, zijn onderschat.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  Over de zomertijd woedt een levendig publiek debat en sommige lidstaten hebben te kennen gegeven dat zij er voorstander van zijn de huidige regeling op te heffen. In het licht van deze ontwikkelingen is het noodzakelijk de goede werking van de interne markt te blijven garanderen en te voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen zouden leiden. Daarom moet de zomertijd op een gecoördineerde manier worden opgeheven.

(4)  Er woedt een levendig publiek debat, met een aantal burgerinitiatieven in het kader waarvan bezorgdheid is geuit over de halfjaarlijkse omschakelingen tussen zomer- en wintertijd, en sommige lidstaten hebben al te kennen gegeven dat zij er voorstander van zijn de huidige regeling op te heffen. 4,6 miljoen burgers, oftewel 84% van de respondenten in een door de Commissie in de zomer van 2018 georganiseerde openbare raadpleging, hebben eveneens de wens geuit dat er een einde wordt gemaakt aan de halfjaarlijkse omschakelingen tussen zomer- en wintertijd. In het licht van deze ontwikkelingen is het noodzakelijk de goede werking van de interne markt te garanderen en te voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen zouden leiden. Daarom moeten de halfjaarlijkse omschakelingen tussen zomer- en wintertijd op een gecoördineerde en geharmoniseerde manier worden opgeheven.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis)  Het grondgebied van de lidstaten ligt verspreid over drie verschillende tijdzones met een verschillende standaardtijd, namelijk GMT, GMT+1 en GMT+2. Aangezien de Europese Unie zich over een groot gebied van het noorden naar het zuiden uitstrekt, lopen de effecten van tijd op het daglicht binnen de Unie uiteen. Het is dan ook belangrijk dat de lidstaten, voordat ze hun tijdzone veranderen, rekening houden met de geografische aspecten van tijd, meer bepaald hun natuurlijke tijdzones en geografische positie. De lidstaten worden aangemoedigd de burgers en belanghebbenden te raadplegen voordat ze besluiten van tijdzone te veranderen.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van elke lidstaat om te bepalen welke standaardtijd of -tijden van toepassing is of zijn op de gebieden die onder zijn jurisdictie vallen en tot de territoriale werkingssfeer van de Verdragen behoren, en te beslissen over verdere wijzigingen daarvan. Om te vermijden dat de werking van de interne markt zou worden verstoord omdat slechts enkele lidstaten de zomertijd toepassen, mogen de lidstaten seizoensveranderingen niet inroepen als reden om de standaardtijd in een bepaald gebied dat onder hun jurisdictie valt te wijzigen of een dergelijke wijziging niet voorstellen als een verandering van tijdzone. Om verstoringen in onder meer vervoer, communicatie en andere betrokken sectoren, zo veel mogelijk te beperken, dienen zij de Commissie tijdig in kennis te stellen van hun voornemen om hun standaardtijd te wijzigen en vervolgens de aangemelde wijzigingen toe te passen. De Commissie moet alle andere lidstaten op basis van die kennisgeving informeren, zodat zij de nodige maatregelen kunnen nemen. Zij moet die informatie ook publiceren ten behoeve van het grote publiek en de belanghebbenden.

(5)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van elke lidstaat om te bepalen welke standaardtijd of -tijden van toepassing is of zijn op de gebieden die onder zijn jurisdictie vallen en tot de territoriale werkingssfeer van de Verdragen behoren, en te beslissen over verdere wijzigingen daarvan. Om een eventuele aanzienlijke verstoring van de werking van de interne markt te voorkomen, mogen de lidstaten seizoensveranderingen niet inroepen als reden om de standaardtijd in een bepaald gebied dat onder hun jurisdictie valt te wijzigen of een dergelijke wijziging niet voorstellen als een verandering van tijdzone. Om verstoringen in onder meer vervoer, communicatie en andere betrokken sectoren, zo veel mogelijk te beperken, dienen lidstaten die van plan zijn hun standaardtijd te wijzigen de Commissie en alle andere lidstaten uiterlijk 9 maanden voordat de geplande wijziging ingaat in kennis te stellen en vervolgens de aangemelde wijzigingen toe te passen. De Commissie moet op basis van die kennisgeving de effecten van de beoogde tijdswijziging op de werking van de interne markt beoordelen. Zij moet die informatie ook publiceren ten behoeve van het grote publiek en de belanghebbenden.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(5 bis)  Met het oog op een geharmoniseerde uitvoering van deze richtlijn, moeten de lidstaten hun besluit over de beoogde standaardtijden vooraf op elkaar afstemmen via de instelling van een coördinatiemechanisme, zodat wordt voorkomen dat lidstaten binnen eenzelfde tijdzone kiezen voor een verschillende standaardtijd. Het coördinatiemechanisme moet bestaan uit een vertegenwoordiger van de Commissie en een aangewezen vertegenwoordiger per lidstaat. De Commissie moet de coördinatie faciliteren en een beoordeling verrichten van de eventuele effecten van een besluit waarvan zij in kennis wordt gesteld op de goede werking van de interne markt. Het besluit om de geplande wijziging van de tijd al dan niet toe te passen, blijft onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen en wordt voorafgegaan door raadpleging en coördinatie met de andere lidstaten.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)  Daarom moet een einde worden gemaakt aan de harmonisatie van de zomertijd als bepaald overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG en moeten gemeenschappelijke regels worden ingevoerd om te beletten dat lidstaten de tijd blijven aanpassen aan de verandering van de seizoenen door hun standaardtijd meermaals per jaar te wijzigen; zij moeten verplicht worden de Commissie in kennis te stellen van geplande wijzigingen van de standaardtijd. Aangezien deze richtlijn tot doel heeft op een bepaalde manier bij te dragen aan de goede werking van de interne markt dient artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals uitgelegd in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, als rechtsgrond te worden gehanteerd.

(6)  Daarom moet Richtlijn 2000/84/EG betreffende de zomertijd worden ingetrokken en moeten gemeenschappelijke regels worden ingevoerd om te beletten dat lidstaten de tijd blijven aanpassen aan de verandering van de seizoenen en om hen te verplichten kennis te geven en de effecten te beoordelen van geplande wijzigingen van de standaardtijd. De Commissie en de andere lidstaten moeten vervolgens de gevolgen beoordelen van de geplande wijziging voor de werking van de interne markt om aanzienlijke verstoringen te voorkomen. Deze richtlijn heeft aldus tot doel op een bepaalde manier bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en dientengevolge dient artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals uitgelegd in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, als rechtsgrond te worden gehanteerd.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  Deze richtlijn moet van toepassing zijn vanaf 1 april 2019, zodat op 31 maart 2019 om 01.00 uur UTC overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in alle lidstaten voor het laatst de zomertijd ingaat. Lidstaten die voornemens zijn na die zomertijdperiode over te schakelen op een standaardtijd die overeenstemt met de tijd die overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in het winterseizoen wordt toegepast, dienen hun standaardtijd op 27 oktober 2019 om 01.00 uur UTC aan te passen, zodat vergelijkbare en blijvende wijzigingen in de verschillende lidstaten gelijktijdig plaatsvinden. Het is wenselijk dat de lidstaten hun beslissingen over de standaardtijd die elke lidstaat vanaf 2019 zal toepassen, coördineren.

(7)  Er moet worden voorkomen dat de lidstaten voor verschillende standaardtijden kiezen. Daarom moeten zij voldoende tijd krijgen om tot een geharmoniseerde en goed gecoördineerde aanpak te komen. Deze richtlijn moet van toepassing zijn vanaf 30 maart 2020, zodat op 29 maart 2020 om 01.00 uur UTC overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in alle lidstaten voor het laatst de zomertijd ingaat. Lidstaten die voornemens zijn na die zomertijdperiode over te schakelen op een standaardtijd die overeenstemt met de tijd die overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in het winterseizoen wordt toegepast, dienen hun standaardtijd op 25 oktober 2020 om 01.00 uur UTC aan te passen, zodat vergelijkbare en blijvende wijzigingen in de verschillende lidstaten gelijktijdig plaatsvinden. Het is wenselijk dat de lidstaten hun beslissingen over de standaardtijd die elke lidstaat vanaf 2020 zal toepassen, coördineren.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Niettegenstaande lid 1 kunnen de lidstaten ervoor opteren in 2019 een laatste maal over te schakelen op de wintertijd, namelijk op 27 oktober 2019 om 01.00 uur UTC. De lidstaten delen dit besluit mee overeenkomstig artikel 2.

2.  Niettegenstaande lid 1 kunnen de lidstaten ervoor opteren in 2020 een laatste maal over te schakelen op de wintertijd, namelijk op 25 oktober 2020 om 01.00 uur UTC. De lidstaten delen hun besluit om al dan niet een laatste maal over te schakelen op de wintertijd, 6 maanden voor het tijdstip waarop de wijziging ingaat, mee.

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  De Commissie maakt die informatie onverwijld bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en organiseert binnen 1 maand na ontvangst van de kennisgeving een vergadering in het kader van het in artikel 2 bis bedoelde coördinatiemechanisme.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Onverminderd artikel 1 stelt elke lidstaat die besluit de standaardtijd of -tijden op zijn grondgebied te wijzigen de Commissie daar uiterlijk 6 maanden voor het tijdstip waarop de wijziging ingaat van in kennis. Een lidstaat die een dergelijke kennisgeving heeft gedaan en deze niet uiterlijk 6 maanden vóór de datum van de geplande wijziging heeft ingetrokken, past de aangekondigde wijziging toe.

1.  Onverminderd artikel 1 stelt elke lidstaat die besluit de standaardtijd of -tijden op zijn grondgebied te wijzigen de Commissie en de andere lidstaten uiterlijk 9 maanden voor het tijdstip waarop de wijziging ingaat in kennis van zijn besluit om de standaardtijd of -tijden op zijn grondgebied te wijzigen.

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving stelt de Commissie de andere lidstaten daarvan in kennis en maakt zij die informatie bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  De Commissie maakt die informatie onverwijld bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en organiseert binnen 1 maand na ontvangst van de kennisgeving een vergadering in het kader van het in artikel 2 bis bedoelde coördinatiemechanisme.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 2 bis

 

1.  Bij deze richtlijn wordt een coördinatiemechanisme ingesteld om een geharmoniseerde benadering te waarborgen met betrekking tot tijdsregelingen in de hele Unie, alsook om de lidstaten en de Commissie beter te laten samenwerken bij de beoordeling van de effecten van een besluit om de standaardtijd of -tijden te wijzigen op de werking van de interne markt.

 

2.  Het in lid 1 bedoelde coördinatiemechanisme bestaat uit een vertegenwoordiger per lidstaat en een vertegenwoordiger van de Commissie.

 

3.  Wanneer een lidstaat de Commissie in kennis stelt van zijn besluit overeenkomstig artikel 1, lid 2, of overeenkomstig artikel 2, lid 1, nodigt de Commissie de lidstaten uit om de mogelijke gevolgen van de geplande wijziging voor de werking van de interne markt te beoordelen en te bespreken, om aanzienlijke verstoringen te voorkomen.

 

4.  Indien de Commissie op basis van de in lid 3 bedoelde beoordeling van oordeel is dat de geplande wijziging de goede werking van de interne markt aanzienlijk zal aantasten, brengt zij de kennisgevende lidstaat hiervan op de hoogte.

 

5.  Uiterlijk 4 maanden vóór de datum van de geplande wijziging, besluit de kennisgevende lidstaat of hij zijn besluit intrekt of handhaaft. Indien de kennisgevende lidstaat besluit om zijn besluit te handhaven, voorziet hij in een toelichting waarin wordt ingegaan op de negatieve effecten van de wijziging op de interne markt.

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2024 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

1.  De Commissie brengt uiterlijk [4 jaar na de datum van toepassing van deze richtlijn] aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 30 april 2024 de relevante informatie.

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk [3 jaar na de datum van toepassing van deze richtlijn] de relevante informatie.

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 1 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   De lidstaten stellen uiterlijk op 1 april 2019 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

1.  De lidstaten stellen uiterlijk op 30 maart 2020 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 1 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 april 2019.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 30 maart 2020.

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Richtlijn 2000/84/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 april 2019.

Richtlijn 2000/84/EG wordt ingetrokken met ingang van 30 maart 2020.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd

Document- en procedurenummers

COM(2018)0639 – C8-0408/2018 – 2018/0332(COD)

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

TRAN

13.9.2018

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

IMCO

13.9.2018

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Igor Šoltes

10.10.2018

Behandeling in de commissie

6.12.2018

29.1.2019

 

 

Datum goedkeuring

21.2.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

9

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Lucy Anderson, Pascal Arimont, Carlos Coelho, Lara Comi, Anna Maria Corazza Bildt, Daniel Dalton, Nicola Danti, Pascal Durand, Evelyne Gebhardt, Robert Jarosław Iwaszkiewicz, Liisa Jaakonsaari, Philippe Juvin, Nosheena Mobarik, Jiří Pospíšil, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Olga Sehnalová, Jasenko Selimovic, Igor Šoltes, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Mylène Troszczynski, Anneleen Van Bossuyt, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Birgit Collin-Langen, Edward Czesak, Nadja Hirsch, Othmar Karas, Adam Szejnfeld, Marc Tarabella, Matthijs van Miltenburg

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Georg Mayer

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

23

+

ALDE

Nadja Hirsch, Jasenko Selimovic

ECR

Edward Czesak, Anneleen Van Bossuyt

EFDD

Robert Jarosław Iwaszkiewicz

ENF

Georg Mayer, Mylène Troszczynski

PPE

Pascal Arimont, Birgit Collin-Langen, Lara Comi, Philippe Juvin, Othmar Karas, Jiří Pospíšil, Andreas Schwab, Adam Szejnfeld, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein

S&D

Lucy Anderson, Evelyne Gebhardt, Liisa Jaakonsaari, Christel Schaldemose, Olga Sehnalová

Verts/ALE

Pascal Durand, Igor Šoltes

9

-

ALDE

Matthijs van Miltenburg

ECR

Daniel Dalton, Nosheena Mobarik

EFDD

Marco Zullo

ENF

John Stuart Agnew

PPE

Anna Maria Corazza Bildt

S&D

Nicola Danti, Virginie Rozière, Marc Tarabella

1

0

PPE

Carlos Coelho

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (20.2.2019)

aan de Commissie vervoer en toerisme

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd

(COM(2018) 639 final – C8-0408/2018 – 2018/0332(COD))

Rapporteur voor advies: Ulrike Müller

BEKNOPTE MOTIVERING

In zijn resolutie van 8 februari 2018 heeft het Europees Parlement de Europese Commissie verzocht een evaluatie uit te voeren van de zomertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening in te dienen.

Vervolgens heeft de Europese Commissie een openbare raadpleging gehouden in de zomer van 2018. Uit die raadpleging bleek dat de burgers de afschaffing van de halfjaarlijkse omschakeling krachtig steunen.

De rapporteur voor advies onderstreept dat het Parlement wil luisteren naar deze duidelijke vraag van de Europese burgers. Daarom ondersteunt zij het voorstel dat de Commissie op 12 september 2018 heeft gepresenteerd om de omschakeling tussen winter- en zomertijd te beëindigen.

Een einde maken aan de omschakeling heeft een aantal belangrijke gevolgen. Die houden verband met de gezondheid van de burgers door het effect op het bioritme, maar ook met de gezondheid van dieren. Ook de gevolgen in verband met EU-harmonisatie zijn aanzienlijk. Het grondgebied van de lidstaten strekt zich uit over drie verschillende tijdzones (GMT 0, +1 en +2) en elke onvoorbereide of niet-gecoördineerde aanpak kan de werking van de eengemaakte markt verstoren. De lidstaten beschikken namelijk over de bevoegdheid om een standaardtijd te kiezen voor hun grondgebied. Het risico op versnippering met betrekking tot de verschillende tijdzones is dan ook groot, aangezien buurlanden voor een andere standaardtijd kunnen kiezen.

De rapporteur voor advies heeft er ook rekening mee gehouden dat het Oostenrijkse voorzitterschap hier geen prioriteit van heeft gemaakt en dat de ministers van Vervoer over dit punt verdeeld bleven tijdens hun vergaderingen in oktober en juni 2018 en december 2017.

Gezien deze beperkingen inzake de intrekking van de zomertijdrichtlijn stelt de rapporteur voor advies de volgende aanpak voor:

Coördinatie is van cruciaal belang om de werking van de eengemaakte markt te waarborgen, want een andere tijd heeft gevolgen voor vele economische sectoren en voor de verplaatsingen van burgers. Dit geldt temeer omdat de vorige richtlijn betreffende de omschakeling werd vastgesteld toen er nog maar 15 lidstaten waren. Daarom is de rapporteur voor advies van mening dat 1 april 2019 te vroeg is als datum van toepassing en dat de toepassing moet worden uitgesteld tot in 2020 om de lidstaten in staat te stellen zich voor te bereiden op de wijziging, maar ook om coördinatie mogelijk te maken.

Onverminderd de bevoegdheid van de lidstaten om de standaardtijd te bepalen, stelt de rapporteur voor advies voor om terug te keren naar de wintertijd als standaardtijd. Aangezien zomertijd gedurende het hele jaar technisch gezien zou neerkomen op een verandering van tijdzone, zou een keuze van alle landen voor de wintertijd als standaardtijd het beëindigen van de omschakeling vereenvoudigen en versnippering tussen de lidstaten voorkomen.

Een andere manier om de afschaffing te vereenvoudigen is de tijdsregelingen in de lidstaten te coördineren door buurlanden samen te groeperen, met name in overeenstemming met de tijdzones (GMT 0, +1 en +2) om de huidige stand van zaken te behouden.

AMENDEMENTEN

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de bevoegde Commissie vervoer en toerisme onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  In zijn resolutie van 8 februari 2018 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht een evaluatie uit te voeren van de bij Richtlijn 2000/84/EG ingevoerde zomertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening van die richtlijn in te dienen. In die resolutie werd ook bevestigd dat het essentieel is om een geharmoniseerde aanpak van de tijdsregelingen in de hele Unie te handhaven.

(2)  In zijn resolutie van 8 februari 2018 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht samen met de lidstaten een evaluatie uit te voeren van de bij Richtlijn 2000/84/EG ingevoerde zomertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening van die richtlijn in te dienen. In die resolutie werd ook bevestigd dat het essentieel is om een geharmoniseerde aanpak van de tijdsregelingen in de hele Unie te handhaven.

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  De Commissie heeft de beschikbare informatie onderzocht en daaruit blijkt dat geharmoniseerde EU-regels belangrijk zijn om de goede werking van de interne markt te waarborgen en ter voorkoming van, onder meer, verstoringen in de planning van vervoersactiviteiten en de werking van IT- en communicatiesystemen, extra kosten voor grensoverschrijdende handel, of een daling van de productiviteit voor goederen en diensten. Op basis van die gegevens kan geen eenduidig antwoord worden gegeven op de vraag of de voordelen van de zomertijd opwegen tegen de nadelen van de halfjaarlijkse omschakeling tussen winter- en zomertijd.

(3)  De Commissie heeft de beschikbare informatie onderzocht en daaruit blijkt dat geharmoniseerde EU-regels belangrijk zijn om de goede werking van de interne markt te waarborgen, te zorgen voor (rechts)zekerheid op de lange termijn en ter voorkoming van, onder meer, verstoringen in de planning en uitvoering van personen- en goederenvervoersactiviteiten en de werking van IT- en communicatiesystemen, extra kosten voor grensoverschrijdende handel, of een daling van de productiviteit voor goederen en diensten en gevolgen voor de productiviteit van de landbouw. Op basis van die gegevens blijkt dat de voordelen van de zomertijd niet opwegen tegen de nadelen van de halfjaarlijkse omschakeling tussen winter- en zomertijd.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 bis)  In dit verband kan de situatie van de veehouders als voorbeeld dienen aangezien de zomertijd aanvankelijk onverenigbaar werd geacht met de werkmethoden in de landbouw, met name doordat de werkdag zelfs in de standaardtijd al heel vroeg begon. Ook meende men dat de halfjaarlijkse omschakeling naar de zomertijd het moeilijker maakte om de producten of dieren op de markt te brengen. En ten slotte werd ervan uitgegaan dat de melkproductie zou dalen doordat de koeien hun natuurlijke melkritme volgden. De moderne landbouwuitrusting en ‑praktijken hebben de landbouw echter zodanig veranderd dat de meeste van deze punten van bezorgdheid niet langer relevant lijken, hoewel er over het bioritme van dieren en de arbeidsomstandigheden van de landbouwers nog steeds bezorgdheid bestaat.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  Over de zomertijd woedt een levendig publiek debat en sommige lidstaten hebben te kennen gegeven dat zij er voorstander van zijn de huidige regeling op te heffen. In het licht van deze ontwikkelingen is het noodzakelijk de goede werking van de interne markt te blijven garanderen en te voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen zouden leiden. Daarom moet de zomertijd op een gecoördineerde manier worden opgeheven.

(4)  Over de zomertijd woedt een levendig publiek debat dankzij de actieve deelname van nationale actiegroepen in veel lidstaten en sommige lidstaten hebben te kennen gegeven dat zij er voorstander van zijn de huidige regeling op te heffen. Tijdens de besprekingen hebben specialisten uit verschillende vakgebieden, waaronder menselijke geneeskunde en diergeneeskunde, landbouw, onderwijs en toerisme, de nadelige gevolgen van het jaarlijkse verzetten van de klok onder de loep genomen. In het licht van deze ontwikkelingen is het noodzakelijk de goede werking van de interne markt te blijven garanderen en te voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen zouden leiden. Daarom moet de zomertijd op een gecoördineerde manier worden opgeheven.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis)  Uit een aantal burgerinitiatieven is gebleken dat burgers zich zorgen maken over het halfjaarlijkse verzetten van de klok, en de lidstaten moeten de tijd en de gelegenheid krijgen om hun eigen openbare raadplegingen en effectbeoordelingen uit te voeren teneinde een beter inzicht te krijgen in de gevolgen van de afschaffing van de omschakeling tussen winter- en zomertijd in alle regio's.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 ter)  Om een geharmoniseerde tenuitvoerlegging van deze richtlijn te waarborgen moeten de lidstaten elkaar raadplegen en veranderingen van tijdzone coördineren om onpraktische tijdzones en belastende verstoringen van de interne markt te voorkomen.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van elke lidstaat om te bepalen welke standaardtijd of -tijden van toepassing is of zijn op de gebieden die onder zijn jurisdictie vallen en tot de territoriale werkingssfeer van de Verdragen behoren, en te beslissen over verdere wijzigingen daarvan. Om te vermijden dat de werking van de interne markt zou worden verstoord omdat slechts enkele lidstaten de zomertijd toepassen, mogen de lidstaten seizoensveranderingen niet inroepen als reden om de standaardtijd in een bepaald gebied dat onder hun jurisdictie valt te wijzigen of een dergelijke wijziging niet voorstellen als een verandering van tijdzone. Om verstoringen in onder meer vervoer, communicatie en andere betrokken sectoren, zo veel mogelijk te beperken, dienen zij de Commissie tijdig in kennis te stellen van hun voornemen om hun standaardtijd te wijzigen en vervolgens de aangemelde wijzigingen toe te passen. De Commissie moet alle andere lidstaten op basis van die kennisgeving informeren, zodat zij de nodige maatregelen kunnen nemen. Zij moet die informatie ook publiceren ten behoeve van het grote publiek en de belanghebbenden.

(5)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van elke lidstaat om te bepalen welke standaardtijd of -tijden van toepassing is of zijn op de gebieden die onder zijn jurisdictie vallen en tot de territoriale werkingssfeer van de Verdragen behoren, en te beslissen over verdere wijzigingen daarvan. Om te vermijden dat de werking van de interne markt zou worden verstoord omdat slechts enkele lidstaten de zomertijd toepassen, mogen de lidstaten seizoensveranderingen niet inroepen als reden om de standaardtijd in een bepaald gebied dat onder hun jurisdictie valt te wijzigen of een dergelijke wijziging niet voorstellen als een verandering van tijdzone. Om verstoringen in onder meer vervoer, communicatie, de landbouwsector en andere betrokken sectoren zo veel mogelijk te beperken, dienen zij de Commissie tijdig in kennis te stellen van hun voornemen om hun standaardtijd te wijzigen en vervolgens de aangemelde wijzigingen toe te passen. De Commissie moet alle andere lidstaten op basis van die kennisgeving informeren, zodat zij de nodige maatregelen kunnen nemen. Zij moet die informatie ook publiceren ten behoeve van het grote publiek en de belanghebbenden.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  Deze richtlijn moet van toepassing zijn vanaf 1 april 2019, zodat op 31 maart 2019 om 01.00 uur UTC overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in alle lidstaten voor het laatst de zomertijd ingaat. Lidstaten die voornemens zijn na die zomertijdperiode over te schakelen op een standaardtijd die overeenstemt met de tijd die overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in het winterseizoen wordt toegepast, dienen hun standaardtijd op 27 oktober 2019 om 01.00 uur UTC aan te passen, zodat vergelijkbare en blijvende wijzigingen in de verschillende lidstaten gelijktijdig plaatsvinden. Het is wenselijk dat de lidstaten hun beslissingen over de standaardtijd die elke lidstaat vanaf 2019 zal toepassen, coördineren.

(7)  Deze richtlijn moet van toepassing zijn vanaf 1 april 2020, zodat op 29 maart 2020 om 01.00 uur UTC overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in alle lidstaten voor het laatst de zomertijd ingaat. Lidstaten die voornemens zijn na die zomertijdperiode over te schakelen op een standaardtijd die overeenstemt met de tijd die overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in het winterseizoen wordt toegepast, dienen hun standaardtijd op 31 oktober 2020 om 01.00 uur UTC aan te passen, zodat vergelijkbare en blijvende wijzigingen in de verschillende lidstaten gelijktijdig en op een goed gecoördineerde manier plaatsvinden. Het is wenselijk dat de lidstaten hun beslissingen over de standaardtijd die elke lidstaat vanaf 2020 zal toepassen, coördineren.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten hanteren gedurende alle seizoenen dezelfde standaardtijd of -tijden.

1.  De lidstaten hanteren gedurende alle seizoenen dezelfde standaardtijd of ‑tijden. Ze kiezen gezamenlijk voor altijd standaardtijd ofwel altijd zomertijd in de hele Unie.

Motivering

Doel is om een lappendeken aan tijden tussen EU-landen te voorkomen. Een gezamenlijke keuze op EU-niveau is goed voor de interne markt en het dagelijks leven van burgers.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Niettegenstaande lid 1 kunnen de lidstaten ervoor opteren in 2019 een laatste maal over te schakelen op de wintertijd, namelijk op 27 oktober 2019 om 01.00 uur UTC. De lidstaten delen dit besluit mee overeenkomstig artikel 2.

2.  Niettegenstaande lid 1 kunnen de lidstaten ervoor opteren in 2020 een laatste maal over te schakelen op de wintertijd, namelijk op 31 oktober 2020 om 01.00 uur UTC. De lidstaten delen dit besluit mee overeenkomstig artikel 2.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 1 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten stellen uiterlijk op 31 december 2019 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

De lidstaten stellen uiterlijk op 31 december 2020 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 1 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 april 2019.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 april 2020.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Richtlijn 2000/84/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 april 2019.

Richtlijn 2000/84/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 april 2020.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd

Document- en procedurenummers

COM(2018)0639 – C8-0408/2018 – 2018/0332(COD)

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

TRAN

13.9.2018

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

AGRI

13.9.2018

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Ulrike Müller

9.10.2018

Datum goedkeuring

19.2.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

25

9

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, José Bové, Daniel Buda, Matt Carthy, Jacques Colombier, Michel Dantin, Albert Deß, Jørn Dohrmann, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Luke Ming Flanagan, Karine Gloanec Maurin, Beata Gosiewska, Martin Häusling, Esther Herranz García, Jan Huitema, Ivan Jakovčić, Norbert Lins, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, James Nicholson, Maria Noichl, Marijana Petir, Laurenţiu Rebega, Jens Rohde, Bronis Ropė, Maria Lidia Senra Rodríguez, Ricardo Serrão Santos, Czesław Adam Siekierski, Tibor Szanyi, Maria Gabriela Zoană, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Franc Bogovič, Angélique Delahaye, Karin Kadenbach, Elsi Katainen, Thomas Waitz

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

25

+

ALDE

Ivan Jakovčić, Elsi Katainen

ECR

Jørn Dohrmann

ENF

Jacques Colombier, Philippe Loiseau

GUE/NGL

Maria Lidia Senra Rodríguez

PPE

Franc Bogovič, Daniel Buda, Angélique Delahaye, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Esther Herranz García, Norbert Lins, Marijana Petir, Czesław Adam Siekierski

S&D

Eric Andrieu, Karine Gloanec Maurin, Karin Kadenbach, Maria Noichl, Tibor Szanyi, Maria Gabriela Zoană

Verts/ALE

José Bové, Martin Häusling, Bronis Ropė

9

-

ALDE

Jan Huitema, Jens Rohde

ECR

James Nicholson

EFDD

Marco Zullo

GUE/NGL

Matt Carthy, Luke Ming Flanagan

PPE

Michel Dantin

S&D

Clara Eugenia Aguilera García, Ricardo Serrão Santos

3

0

ECR

Beata Gosiewska, Laurenţiu Rebega

PPE

Mairead McGuinness

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie juridische zaken (21.2.2019)

aan de Commissie vervoer en toerisme

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd en tot intrekking van Richtlijn 2000/84/EG

(COM(2018)0639 – C8-0408/2018 – 2018/0332(COD))

Rapporteur voor advies: Pavel Svoboda

BEKNOPTE MOTIVERING

De rapporteur verwelkomt het voorstel van de Commissie om in alle lidstaten op geharmoniseerde manier een einde te maken aan de omschakeling tussen winter- en zomertijd, waarmee het gehoor geeft aan het Parlement en zijn talrijke verzoeken om dergelijke maatregelen in de afgelopen jaren.

De praktijk waarbij de klok tweemaal per jaar wordt verzet, zoals de wetgeving van de Unie al bijna veertig jaar voorschrijft, stuit de laatste tijd op veel verzet van burgers en maatschappelijke organisaties.

Het is belangrijk te benadrukken dat dergelijke omschakelingen tussen winter- en zomertijd niet alleen van invloed zijn op de werking van de interne markt, maar ook bezwaarlijk zijn voor de volksgezondheid, niet in de laatste plaats met betrekking tot de bescherming van specifieke minderheden, die onevenredig worden getroffen door de verstoring van de biologische klok. Uit studies is daarnaast gebleken dat het aantal ongevallen en hartaanvallen toeneemt in de dagen na het verzetten van de klok.

Hoewel het duidelijk is dat maatregelen op het niveau van de Unie nodig zijn om het einde van omschakelingen tussen winter- en zomertijd te harmoniseren, zouden regels in de vorm van een rechtstreeks toepasselijke verordening die het gebruik van de standaardtijd of de zomertijd in alle lidstaten voorschrijven, nodeloos verstrekkend zijn en geen rekening houden met de verschillende behoeften en omstandigheden in de verschillende delen van de EU. Het moet de lidstaten daarom vrij staan hun eigen keuze te maken. Zij moeten echter meer tijd krijgen voordat de richtlijn van toepassing wordt, om zich voor te bereiden op de verandering, die gecoördineerd moet worden uitgevoerd.

De rapporteur betreurt het dat de Commissie geen behoorlijke effectbeoordeling heeft uitgevoerd en geen volledige, 12 weken durende raadpleging van het publiek en van belanghebbenden heeft gehouden, voordat zij het voorstel tot actualisering van Richtlijn 2000/84/EG indiende. Er zij op gewezen dat de instellingen in het interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven" overeengekomen zijn dat effectbeoordelingen en raadplegingen essentiële instrumenten zijn om de kwaliteit van de wetgeving van de Unie te verbeteren.

Niettemin is de rapporteur het volledig eens met de rapporteur in de bevoegde commissie dat deze richtlijn zo snel mogelijk moet worden aangenomen, bij voorkeur vóór het einde van de huidige zittingsperiode, om rechtszekerheid te waarborgen en om de lidstaten in staat te stellen zich goed voor te bereiden op de komende veranderingen.

AMENDEMENTEN

De Commissie juridische zaken verzoekt de bevoegde Commissie vervoer en toerisme onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Visum 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Gezien de resultaten van de onlineraadpleging die door de Europese Commissie is uitgevoerd tussen 4 juli 2018 en 16 augustus 2018

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  In zijn resolutie van 8 februari 2018 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht een evaluatie uit te voeren van de bij Richtlijn 2000/84/EG ingevoerde zomertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening van die richtlijn in te dienen. In die resolutie werd ook bevestigd dat het essentieel is om een geharmoniseerde aanpak van de tijdsregelingen in de hele Unie te handhaven.

(2)  Naar aanleiding van verschillende verzoekschriften en vele initiatieven van burgers, parlementaire vragen en een openbare hoorzitting over de kwestie, heeft het Europees Parlement in zijn resolutie van 8 februari 2018 de Commissie verzocht een evaluatie uit te voeren van de bij Richtlijn 2000/84/EG ingevoerde zomertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening van die richtlijn in te dienen. In die resolutie werd ook bevestigd dat het essentieel is om een geharmoniseerde aanpak van de tijdsregelingen in de hele Unie te handhaven.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  De Commissie heeft de beschikbare informatie onderzocht en daaruit blijkt dat geharmoniseerde EU-regels belangrijk zijn om de goede werking van de interne markt te waarborgen en ter voorkoming van, onder meer, verstoringen in de planning van vervoersactiviteiten en de werking van IT- en communicatiesystemen, extra kosten voor grensoverschrijdende handel, of een daling van de productiviteit voor goederen en diensten. Op basis van die gegevens kan geen eenduidig antwoord worden gegeven op de vraag of de voordelen van de zomertijd opwegen tegen de nadelen van de halfjaarlijkse omschakeling tussen winter- en zomertijd.

(3)  Geharmoniseerde EU-regels moeten de goede werking van de interne markt waarborgen, waarbij wordt gezorgd voor voorspelbaarheid en focus op de lange termijn, en moeten onder meer verstoringen voorkomen in de planning van vervoersactiviteiten en de werking van IT- en communicatiesystemen, evenals extra kosten voor grensoverschrijdende handel, of een daling van de productiviteit voor goederen en diensten, kwesties die een aanzienlijke invloed hebben op de goede werking van de interne markt, bedrijfsactiviteiten en het leven van burgers. Er bestaat geen afdoend bewijs dat de halfjaarlijkse omschakeling tussen winter- en zomertijd geen aanzienlijke voordelen biedt, hoewel talrijke wetenschappelijke studies, waaronder de studie van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement van oktober 2017 over de uit Richtlijn 2000/84/EG voortvloeiende zomertijd, aantonen dat er negatieve gevolgen bestaan voor de volksgezondheid, met name voor groepen als kinderen en ouderen, en laten zien dat er een verband kan bestaan met hart- en vaatziekten vanwege de verstoring van de biologische klok. Vanuit economisch oogpunt leidt de halfjaarlijkse omschakeling tot extra kosten en administratieve lasten voor vele sectoren.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  Over de zomertijd woedt een levendig publiek debat en sommige lidstaten hebben te kennen gegeven dat zij er voorstander van zijn de huidige regeling op te heffen. In het licht van deze ontwikkelingen is het noodzakelijk de goede werking van de interne markt te blijven garanderen en te voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen zouden leiden. Daarom moet de zomertijd op een gecoördineerde manier worden opgeheven.

(4)  De Commissie ontving bij de in juli en augustus 2018 gehouden openbare raadpleging over de zomertijd 4,6 miljoen reacties, het grootste aantal reacties dat ooit door de Commissie werd ontvangen. Hieruit bleek dat de burgers er voorstander van zijn de omschakeling tussen zomer- en wintertijd te schrappen. Sommige lidstaten hebben eveneens te kennen gegeven dat zij er voorstander van zijn de huidige regeling op te heffen. In het licht van deze ontwikkelingen is het noodzakelijk de goede werking van de interne markt te blijven garanderen en te voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen zouden leiden. Daarom moet de zomertijd op een gecoördineerde manier worden opgeheven.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van elke lidstaat om te bepalen welke standaardtijd of -tijden van toepassing is of zijn op de gebieden die onder zijn jurisdictie vallen en tot de territoriale werkingssfeer van de Verdragen behoren, en te beslissen over verdere wijzigingen daarvan. Om te vermijden dat de werking van de interne markt zou worden verstoord omdat slechts enkele lidstaten de zomertijd toepassen, mogen de lidstaten seizoensveranderingen niet inroepen als reden om de standaardtijd in een bepaald gebied dat onder hun jurisdictie valt te wijzigen of een dergelijke wijziging niet voorstellen als een verandering van tijdzone. Om verstoringen in onder meer vervoer, communicatie en andere betrokken sectoren, zo veel mogelijk te beperken, dienen zij de Commissie tijdig in kennis te stellen van hun voornemen om hun standaardtijd te wijzigen en vervolgens de aangemelde wijzigingen toe te passen. De Commissie moet alle andere lidstaten op basis van die kennisgeving informeren, zodat zij de nodige maatregelen kunnen nemen. Zij moet die informatie ook publiceren ten behoeve van het grote publiek en de belanghebbenden.

(5)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van elke lidstaat om, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, te bepalen welke standaardtijd of -tijden van toepassing is of zijn op de gebieden die onder zijn jurisdictie vallen en tot de territoriale werkingssfeer van de Verdragen behoren, en te beslissen over verdere wijzigingen daarvan. Om verstoringen in de werking van de interne markt in verband met onder meer vervoer, communicatie en andere betrokken sectoren, zo veel mogelijk te beperken, en om coördinatie mogelijk te maken, dienen zij de Commissie uiterlijk op 1 april 2020 in kennis te stellen van hun voornemen om hun standaardtijd te wijzigen. De Commissie moet, op basis van die kennisgeving, die informatie op passende en tijdige wijze publiceren ten behoeve van alle andere lidstaten, het grote publiek en de belanghebbenden. Zij moet tevens de effecten van de beoogde wijzigingen van de standaardtijd op de werking van de interne markt beoordelen en een deskundige analyse hierover uitvoeren, rekening houdend met natuur-, gezondheids- en sociale aspecten alsook geografische verschillen tussen de lidstaten.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(5 bis)  Met het oog op de geharmoniseerde tenuitvoerlegging van deze richtlijn, moeten de lidstaten hun besluiten over de beoogde standaardtijden vooraf onderling afstemmen. De Commissie moet daarom een coördinatiemechanisme vaststellen, met het oog op een geharmoniseerde en gecoördineerde aanpak van tijdsregelingen in de hele Unie. Het coördinatiemechanisme moet bestaan uit één aangewezen vertegenwoordiger per lidstaat en één vertegenwoordiger van de Commissie.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)  Daarom moet een einde worden gemaakt aan de harmonisatie van de zomertijd als bepaald overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG en moeten gemeenschappelijke regels worden ingevoerd om te beletten dat lidstaten de tijd blijven aanpassen aan de verandering van de seizoenen door hun standaardtijd meermaals per jaar te wijzigen; zij moeten verplicht worden de Commissie in kennis te stellen van geplande wijzigingen van de standaardtijd. Aangezien deze richtlijn tot doel heeft op een bepaalde manier bij te dragen aan de goede werking van de interne markt dient artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals uitgelegd in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, als rechtsgrond te worden gehanteerd.

(6)  Daarom moet een einde worden gemaakt aan de harmonisatie van de zomertijd als bepaald overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG en moeten gemeenschappelijke regels worden ingevoerd om te beletten dat lidstaten de tijd blijven aanpassen aan de verandering van de seizoenen. Aangezien deze richtlijn tot doel heeft op een bepaalde manier bij te dragen aan de goede werking van de interne markt dient artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals uitgelegd in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, als rechtsgrond te worden gehanteerd.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 bis)  Een verandering van tijd die losstaat van seizoensverschuivingen brengt overgangskosten met zich mee, met name voor IT-systemen in de vervoerssector en andere sectoren. Om de overgangskosten aanzienlijk te verminderen, is een redelijke voorbereidingsperiode vereist voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  Deze richtlijn moet van toepassing zijn vanaf 1 april 2019, zodat op 31 maart 2019 om 01.00 uur UTC overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in alle lidstaten voor het laatst de zomertijd ingaat. Lidstaten die voornemens zijn na die zomertijdperiode over te schakelen op een standaardtijd die overeenstemt met de tijd die overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in het winterseizoen wordt toegepast, dienen hun standaardtijd op 27 oktober 2019 om 01.00 uur UTC aan te passen, zodat vergelijkbare en blijvende wijzigingen in de verschillende lidstaten gelijktijdig plaatsvinden. Het is wenselijk dat de lidstaten hun beslissingen over de standaardtijd die elke lidstaat vanaf 2019 zal toepassen, coördineren.

(7)  Om een gezamenlijke en gecoördineerde harmonisatie van de standaardtijd te waarborgen, in overeenstemming met de doelstellingen van deze richtlijn, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen betreffende de verschuiving van de datum van toepassing van deze richtlijn, in het geval dat tijdsregelingen de goede werking van de interne markt ernstig zouden kunnen verstoren. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 bis)  De lidstaten moeten hun keuze voor een standaardtijd onderling coördineren en daarbij een zo groot mogelijke onderlinge harmonisatie nastreven, om zo te zeer uiteenlopende tijdzones in de EU te voorkomen en ervoor te zorgen dat de interne markt goed functioneert en voorspelbaar is voor de betrokken burgers, consumenten en sectoren.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)  Er moet worden toegezien op de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. De resultaten van dat toezicht moeten door de Commissie worden gepresenteerd in een verslag aan het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag moet worden opgesteld op basis van informatie die door de lidstaten aan de Commissie wordt meegedeeld binnen een termijn die haar in staat stelt tijdig verslag uit te brengen.

(8)  Er moet worden toegezien op de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. De resultaten van dat toezicht moeten door de Commissie worden gepresenteerd in een voldoende onderbouwd verslag aan het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag moet worden opgesteld op basis van informatie die door de lidstaten aan de Commissie wordt meegedeeld binnen een termijn die haar in staat stelt tijdig verslag uit te brengen.

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Niettegenstaande lid 1 kunnen de lidstaten ervoor opteren in 2019 een laatste maal over te schakelen op de wintertijd, namelijk op 27 oktober 2019 om 01.00 uur UTC. De lidstaten delen dit besluit mee overeenkomstig artikel 2.

2.  Niettegenstaande lid 1 kunnen de lidstaten ervoor opteren een omschakeling tussen de winter- en zomertijd toe te passen. De lidstaten delen dit besluit mee overeenkomstig artikel 2.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Onverminderd artikel 1 stelt elke lidstaat die besluit de standaardtijd of -tijden op zijn grondgebied te wijzigen de Commissie daar uiterlijk 6 maanden voor het tijdstip waarop de wijziging ingaat van in kennis. Een lidstaat die een dergelijke kennisgeving heeft gedaan en deze niet uiterlijk 6 maanden vóór de datum van de geplande wijziging heeft ingetrokken, past de aangekondigde wijziging toe.

1.  De Commissie stelt een coördinatiemechanisme vast, met het oog op een geharmoniseerde en gecoördineerde aanpak van tijdsregelingen in de hele Unie. Het coördinatiemechanisme bestaat uit één vertegenwoordiger per lidstaat en één vertegenwoordiger van de Commissie.

2.  Binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving stelt de Commissie de andere lidstaten daarvan in kennis en maakt zij die informatie bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op 1 april 2020 hun intenties mee overeenkomstig artikel 1. Binnen het coördinatiemechanisme worden onverwijld de potentiële effecten van de beoogde wijziging op de werking van de interne markt besproken en beoordeeld, om ernstige verstoringen te voorkomen.

 

3.  Indien de Commissie op basis van de in lid 2 bedoelde beoordeling van oordeel is dat een beoogde wijziging de werking van de interne markt aanzienlijk zal verstoren, brengt zij de betrokken lidstaat hiervan op de hoogte.

 

4.  Uiterlijk op 31 oktober 2020 besluit de lidstaat om al dan niet vast te houden aan zijn voornemen. Hij licht in detail toe hoe de negatieve effecten van de wijziging op de werking van de interne markt zullen worden aangepakt.

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 2 bis

 

1.  De Commissie zal, in nauwe samenwerking met het in artikel 2 bedoelde coördinatiemechanisme, nauwlettend toezicht houden op de geplande tijdsregelingen in de hele Unie.

 

2.  De Commissie is bevoegd, overeenkomstig artikel 2 ter, gedelegeerde handelingen vast te stellen om de datum van toepassing van deze richtlijn te verschuiven, met niet meer dan 12 maanden, indien zij van oordeel is dat de geplande tijdsregelingen waarvan zij door de lidstaten in kennis is gesteld de werking van de interne markt ernstig zouden kunnen verstoren.

 

3.  Indien dit om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de in artikel 2 quater neergelegde procedure van toepassing op overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 2 ter

 

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

 

2.  De bevoegdheid om de in de artikel 2 bis bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend gedurende een periode van [nog te bepalen] jaar, te rekenen vanaf de [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].

 

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een intrekkingsbesluit beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

 

4.  Voordat de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, raadpleegt zij de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

 

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, geeft zij daarvan gelijktijdig kennis aan het Europees Parlement en de Raad.

 

6.  Een overeenkomstig artikel 2 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van [nog te bepalen] maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met [nog te bepalen] maanden verlengd.

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 2 quater

 

1.  Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure. 

 

2.  Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 2 ter bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2024 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

1.  De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2025 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. In dit uitvoeringsverslag wordt bijzondere nadruk gelegd op de gevolgen voor de volksgezondheid. 

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.  De Commissie voert een alomvattende effectbeoordeling en kosten-batenanalyse uit met betrekking tot de afschaffing van de omschakeling tussen winter- en zomertijd in de EU.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 30 april 2024 de relevante informatie.

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 30 april van het vijfde jaar nadat deze richtlijn is vastgesteld de relevante informatie.

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten stellen uiterlijk op 1 april 2019 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

De lidstaten stellen uiterlijk in 2020 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze binnen deze termijn bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Amendement    21

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Richtlijn 2000/84/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 april 2019.

Richtlijn 2000/84/EG wordt ingetrokken met ingang van 2020.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd

Document- en procedurenummers

COM(2018)0639 – C8-0408/2018 – 2018/0332(COD)

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

TRAN

13.9.2018

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

JURI

13.9.2018

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Pavel Svoboda

24.9.2018

Behandeling in de commissie

23.1.2019

 

 

 

Datum goedkeuring

19.2.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Max Andersson, Joëlle Bergeron, Jean-Marie Cavada, Kostas Chrysogonos, Mady Delvaux, Rosa Estaràs Ferragut, Enrico Gasbarra, Sajjad Karim, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Emil Radev, Evelyn Regner, Pavel Svoboda, Axel Voss, Francis Zammit Dimech, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Pascal Durand, Angelika Niebler, Tiemo Wölken, Kosma Złotowski

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Ingeborg Gräßle, Joëlle Mélin

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

21

+

ALDE

Jean-Marie Cavada, António Marinho e Pinto

ECR

Sajjad Karim, Kosma Złotowski

EFDD

Joëlle Bergeron

ENF

Gilles Lebreton, Joëlle Mélin

PPE

Rosa Estaràs Ferragut, Ingeborg Gräßle, Emil Radev, Pavel Svoboda, Axel Voss, Francis Zammit Dimech, Tadeusz Zwiefka

S&D

Mady Delvaux, Enrico Gasbarra, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Evelyn Regner, Tiemo Wölken

Verts/ALE

Max Andersson, Pascal Durand

1

-

GUE/NGL

Kostas Chrysogonos

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie verzoekschriften (20.2.2019)

aan de Commissie vervoer en toerisme

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd en tot intrekking van Richtlijn 2000/84/EG

(COM(2018)0639 – C8-0408/2018 – 2018/0332(COD))

Rapporteur voor advies: Cecilia Wikström

BEKNOPTE MOTIVERING

Het voorstel is gericht op het einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd in de EU-lidstaten. De oudste EU-wetgeving betreffende de zomertijd dateert van 1980 en had tot doel de bestaande nationale zomertijdschema's en regelingen te standaardiseren. Sinds 2001 wordt de zomertijd in de EU geregeld bij Richtlijn 2000/84/EG, op grond waarvan alle lidstaten verplicht zijn de laatste zondag van maart over te schakelen op de zomertijd en de laatste zondag van oktober terug te keren naar de standaardtijd (wintertijd).

Het systeem waarbij de klok tweemaal per jaar moet worden verzet, botst op steeds meer weerstand bij burgers, het Europees Parlement en een groeiend aantal lidstaten.

In zijn resolutie van 8 februari 2018(1) heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht een evaluatie uit te voeren van de bij Richtlijn 2000/84/EG geregelde zomertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening van die richtlijn in te dienen. De Europese Commissie heeft ook een openbare raadpleging georganiseerd. Van de 4,6 miljoen respondenten, het grootste aantal ooit bij een raadpleging van de Commissie, wil 84 % de omschakeling tussen zomer- en wintertijd schrappen, terwijl 16 % wil dat die regeling gehandhaafd wordt.

Bovendien is de zomertijd een terugkerend thema bij de werkzaamheden van de Commissie verzoekschriften (PETI), die in de loop der jaren meer dan 100 verzoekschriften ter zake heeft ontvangen. Bijna alle indieners pleiten voor de schrapping van de omschakeling tussen de winter- en zomertijd, voornamelijk op grond van de gevolgen voor de gezondheid en de slechts marginale energiebesparing. Sommige indieners stellen dat de omschakeling met name negatieve gevolgen heeft voor kwetsbare groepen zoals kinderen en ouderen. De commissie PETI heeft verzoekschriften over de zomertijd behandeld tijdens haar vergaderingen van juli 2015 en november 2017.

Volgens de studie van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement van oktober 2017 over de uit Richtlijn 2000/84/EG voortvloeiende bepalingen op het gebied van de zomertijd, moet gezien de negatieve gevolgen voor de volksgezondheid waar de omschakeling tussen de winter- en zomertijd toe leidt, een einde worden gemaakt aan deze omschakeling. Het belang van het debat over de gevolgen van de zomertijd voor de biologische klok wordt duidelijk geïllustreerd door de uitreiking van de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde in 2017 aan Jeffrey C. Hall, Michael Rosbash en Michael W. Young voor hun ontdekking van de moleculaire mechanismen die het dag-en-nachtritme controleren. Die bieden een verklaring voor de interne, biologische klok van de mens en maken duidelijk welke invloed een discrepantie tussen onze externe omgeving en onze interne, biologische klok heeft op ons welbevinden. Resultaten van chronobiologisch onderzoek wijzen er namelijk op dat het effect op het menselijk bioritme mogelijk groter is dan tot dusver werd aangenomen. Bovendien geldt artikel 114, lid 8, VWEU inzake de aanpassing van de wetgevingen: "Indien een lidstaat een specifiek probleem in verband met volksgezondheid aan de orde stelt op een gebied waarop eerder harmonisatiemaatregelen zijn genomen, brengt hij dit ter kennis van de Commissie die onverwijld onderzoekt of zij passende maatregelen aan de Raad moet voorstellen".

Tegen deze achtergrond wordt er in dit ontwerpadvies voor gepleit om op een gecoördineerde manier te stoppen met de klok tweemaal per jaar te verzetten, teneinde mogelijk negatieve gevolgen voor de gezondheid te voorkomen terwijl de vermeende energiebesparing toch niet wordt gerealiseerd.

Volgens het ontwerpadvies moet bij de opheffing van de omschakeling worden voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen van de interne markt zouden leiden. De rapporteur stelt dat het oorspronkelijke voorstel van de Commissie, waarin de lidstaten eenzijdig kunnen bepalen welke standaardtijd zij verkiezen, ertoe zou kunnen leiden dat een lappendeken van afwijkende tijdzones tussen de lidstaten ontstaat en dat de op de interne markt gehanteerde tijdsregelingen meer gaan uiteenlopen. Hierdoor zouden grensoverschrijdende handel, vervoer, communicatie en reizen in de interne markt ingewikkelder worden. Met het oog op harmonisatie stelt de rapporteur voor advies daarom voor om de omschakeling tussen de winter- en zomertijd te schrappen, zoals bijna alle indieners hebben bepleit.

AMENDEMENTEN

De Commissie verzoekschriften verzoekt de bevoegde Commissie vervoer en toerisme onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  In zijn resolutie van 8 februari 2018 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht een evaluatie uit te voeren van de bij Richtlijn 2000/84/EG ingevoerde zomertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening van die richtlijn in te dienen. In die resolutie werd ook bevestigd dat het essentieel is om een geharmoniseerde aanpak van de tijdsregelingen in de hele Unie te handhaven.

(2)  In zijn resolutie van 8 februari 2018, die berust op de verzoekschriften en verzuchtingen die de Commissie verzoekschriften van de burgers heeft ontvangen, heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht een evaluatie uit te voeren van de bij Richtlijn 2000/84/EG ingevoerde zomertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening van die richtlijn in te dienen. In die resolutie werd ook bevestigd dat het essentieel is om een geharmoniseerde en gecoördineerde aanpak van de tijdsregelingen in de hele Unie te handhaven.

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  De Commissie heeft de beschikbare informatie onderzocht en daaruit blijkt dat geharmoniseerde EU-regels belangrijk zijn om de goede werking van de interne markt te waarborgen en ter voorkoming van, onder meer, verstoringen in de planning van vervoersactiviteiten en de werking van IT- en communicatiesystemen, extra kosten voor grensoverschrijdende handel, of een daling van de productiviteit voor goederen en diensten. Op basis van die gegevens kan geen eenduidig antwoord worden gegeven op de vraag of de voordelen van de zomertijd opwegen tegen de nadelen van de halfjaarlijkse omschakeling tussen winter- en zomertijd.

(3)  De Commissie heeft de beschikbare informatie onderzocht en daaruit blijkt dat geharmoniseerde EU-regels belangrijk zijn om de goede werking van de interne markt te waarborgen en ter voorkoming van, onder meer, verstoringen in de planning van vervoersactiviteiten en de werking van IT- en communicatiesystemen, extra kosten voor grensoverschrijdende handel, of een daling van de productiviteit voor goederen en diensten.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  Over de zomertijd woedt een levendig publiek debat en sommige lidstaten hebben te kennen gegeven dat zij er voorstander van zijn de huidige regeling op te heffen. In het licht van deze ontwikkelingen is het noodzakelijk de goede werking van de interne markt te blijven garanderen en te voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen zouden leiden. Daarom moet de zomertijd op een gecoördineerde manier worden opgeheven.

(4)  Over de zomertijd woedt een levendig publiek debat, zoals blijkt uit de reactie van de burgers in verzoekschriften over beëindiging van de halfjaarlijkse overschakeling tussen zomer- en wintertijd, en de openbare raadpleging over de zomertijd in de EU, waarop meer antwoorden zijn ontvangen dan ooit tevoren bij een raadpleging van de Commissie. Sommige lidstaten hebben te kennen gegeven dat zij er voorstander van zijn de huidige regeling op te heffen. In het licht van deze ontwikkelingen is het noodzakelijk de goede werking van de interne markt te blijven garanderen en te voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen zouden leiden, met mogelijke gevolgen voor zowel de economische als de politieke integratie van de Unie. Vele burgers pleiten ervoor om te stoppen met de omschakeling tussen winter- en zomertijd, voornamelijk op grond van de gevolgen voor de gezondheid. In de verzoekschriften die het Europees Parlement heeft ontvangen, stellen burgers dat de omschakeling met name negatieve gevolgen heeft voor kwetsbare groepen zoals kinderen en ouderen. Uit diverse studies is bovendien gebleken dat de halfjaarlijkse omschakeling op verschillende terreinen negatieve gevolgen heeft, bijvoorbeeld gezondheidsproblemen met een effect op het bioritme, problemen met de verkeersveiligheid — zo is vastgesteld dat het ongevallenpercentage stijgt in de dagen na de omschakeling — en administratieve rompslomp en extra kosten voor veel sectoren van de economie. Daarom is het van essentieel belang dat er een geharmoniseerde en goed gecoördineerde benadering wordt gezocht om een einde te maken aan de halfjaarlijkse omschakeling tussen zomer- en wintertijd.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis)  Het is van essentieel belang dat er rekening mee wordt gehouden dat de Europese Unie zich over een groot gebied van het noorden naar het zuiden uitstrekt, waardoor de effecten van tijd op het daglicht binnen de Europese Unie uiteenlopen. In dat opzicht moeten de geografische aspecten van tijd in aanmerking worden genomen, maar moeten de bestaande tijdzones gehandhaafd blijven.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van elke lidstaat om te bepalen welke standaardtijd of -tijden van toepassing is of zijn op de gebieden die onder zijn jurisdictie vallen en tot de territoriale werkingssfeer van de Verdragen behoren, en te beslissen over verdere wijzigingen daarvan. Om te vermijden dat de werking van de interne markt zou worden verstoord omdat slechts enkele lidstaten de zomertijd toepassen, mogen de lidstaten seizoensveranderingen niet inroepen als reden om de standaardtijd in een bepaald gebied dat onder hun jurisdictie valt te wijzigen of een dergelijke wijziging niet voorstellen als een verandering van tijdzone. Om verstoringen in onder meer vervoer, communicatie en andere betrokken sectoren, zo veel mogelijk te beperken, dienen zij de Commissie tijdig in kennis te stellen van hun voornemen om hun standaardtijd te wijzigen en vervolgens de aangemelde wijzigingen toe te passen. De Commissie moet alle andere lidstaten op basis van die kennisgeving informeren, zodat zij de nodige maatregelen kunnen nemen. Zij moet die informatie ook publiceren ten behoeve van het grote publiek en de belanghebbenden.

Schrappen

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)  Daarom moet een einde worden gemaakt aan de harmonisatie van de zomertijd als bepaald overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG en moeten gemeenschappelijke regels worden ingevoerd om te beletten dat lidstaten de tijd blijven aanpassen aan de verandering van de seizoenen door hun standaardtijd meermaals per jaar te wijzigen; zij moeten verplicht worden de Commissie in kennis te stellen van geplande wijzigingen van de standaardtijd. Aangezien deze richtlijn tot doel heeft op een bepaalde manier bij te dragen aan de goede werking van de interne markt dient artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals uitgelegd in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, als rechtsgrond te worden gehanteerd.

(6)  Daarom moet een einde worden gemaakt aan de harmonisatie van de zomertijd als bepaald overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG en moeten gemeenschappelijke regels worden ingevoerd om te beletten dat lidstaten de tijd blijven aanpassen aan de verandering van de seizoenen door hun standaardtijd meermaals per jaar te wijzigen; zij moeten verplicht worden de Commissie in kennis te stellen van geplande wijzigingen van de standaardtijd. Met het oog op de goede werking van de interne markt is het van essentieel belang dat alle lidstaten dezelfde tijd hanteren, om een lappendeken van afwijkende tijdsregelingen op de interne markt te voorkomen. Aangezien deze richtlijn tot doel heeft op een bepaalde manier bij te dragen aan de goede werking van de interne markt dient artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals uitgelegd in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, als rechtsgrond te worden gehanteerd.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  Deze richtlijn moet van toepassing zijn vanaf 1 april 2019, zodat op 31 maart 2019 om 01.00 uur UTC overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in alle lidstaten voor het laatst de zomertijd ingaat. Lidstaten die voornemens zijn na die zomertijdperiode over te schakelen op een standaardtijd die overeenstemt met de tijd die overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in het winterseizoen wordt toegepast, dienen hun standaardtijd op 27 oktober 2019 om 01.00 uur UTC aan te passen, zodat vergelijkbare en blijvende wijzigingen in de verschillende lidstaten gelijktijdig plaatsvinden. Het is wenselijk dat de lidstaten hun beslissingen over de standaardtijd die elke lidstaat vanaf 2019 zal toepassen, coördineren.

(7)  Deze richtlijn moet in werking treden en worden toegepast vanaf de achttiende maand na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, zodat de samenleving en de economische actoren voldoende tijd krijgen om zich aan de nieuwe situatie aan te passen. Met het oog op de goede werking van de interne markt is het essentieel een lappendeken van afwijkende tijdsregelingen op de interne markt te voorkomen. Daarom moeten de lidstaten het eens worden over een geharmoniseerde regeling van de standaardtijden in de EU.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De lidstaten hanteren gedurende alle seizoenen dezelfde standaardtijd of tijden.

1. Vanaf [xx] wordt in de lidstaten niet halfjaarlijks omgeschakeld tussen zomer- en wintertijd.

2. Niettegenstaande lid 1 kunnen de lidstaten ervoor opteren in 2019 een laatste maal over te schakelen op de wintertijd, namelijk op 27 oktober 2019 om 01.00 uur UTC. De lidstaten delen dit besluit mee overeenkomstig artikel 2.

2. Schrappen

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Onverminderd artikel 1 stelt elke lidstaat die besluit de standaardtijd of -tijden op zijn grondgebied te wijzigen de Commissie daar uiterlijk 6 maanden voor het tijdstip waarop de wijziging ingaat van in kennis. Een lidstaat die een dergelijke kennisgeving heeft gedaan en deze niet uiterlijk 6 maanden vóór de datum van de geplande wijziging heeft ingetrokken, past de aangekondigde wijziging toe.

1. Overeenkomstig artikel 1 passen de lidstaten een geharmoniseerde en gecoördineerde regeling van de standaardtijden in de Unie toe.

2. Binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving stelt de Commissie de andere lidstaten daarvan in kennis en maakt zij die informatie bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2. Schrappen

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De lidstaten stellen uiterlijk op 1 april 2019 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

1. De lidstaten nemen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om uiterlijk [datum van toepassing van de richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen en maken die bepalingen bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 april 2019.

Zij passen die bepalingen toe overeenkomstig artikel 1 van deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Richtlijn 2000/84/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 april 2019.

Richtlijn 2000/84/EG wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van de richtlijn betreffende het einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd.

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze richtlijn treedt in werking op en wordt toegepast vanaf de achttiende maand na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd

Document- en procedurenummers

COM(2018)0639 – C8-0408/2018 – 2018/0332(COD)

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

TRAN

13.9.2018

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

PETI

25.10.2018

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Cecilia Wikström

24.9.2018

Behandeling in de commissie

21.11.2018

 

 

 

Datum goedkeuring

20.2.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

14

4

1

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

14

+

ALDE

Beatriz Becerra Basterrechea, Ilhan Kyuchyuk

PPE

Pál Csáky, Svetoslav Hristov Malinov, Lukas Mandl, Roberta Metsola, László Tőkés, Jarosław Wałęsa, Rainer Wieland

S&D

Soledad Cabezón Ruiz, Jude Kirton-Darling, Marlene Mizzi, Gabriele Preuß

Verts/ALE

Igor Šoltes

4

-

ECR

Notis Marias

S&D

Virginie Rozière

Verts/ALE

Margrete Auken, Ana Miranda

1

0

GUE/NGL

Takis Hadjigeorgiou

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Resolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2018 over het verzetten van de klok (2017/2968(RSP)) P8_TA(2018)0043.


PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd

Document- en procedurenummers

COM(2018)0639 – C8-0408/2018 – 2018/0332(COD)

Datum indiening bij EP

12.9.2018

 

 

 

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

TRAN

13.9.2018

 

 

 

Adviserende commissies

       Datum bekendmaking

ENVI

13.9.2018

ITRE

13.9.2018

IMCO

13.9.2018

AGRI

13.9.2018

 

JURI

13.9.2018

PETI

25.10.2018

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Marita Ulvskog

25.10.2018

 

 

 

Behandeling in de commissie

20.2.2019

 

 

 

Datum goedkeuring

4.3.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

11

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marie-Christine Arnautu, Inés Ayala Sender, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Deirdre Clune, Michael Cramer, Andor Deli, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Dieter-Lebrecht Koch, Innocenzo Leontini, Peter Lundgren, Gesine Meissner, Cláudia Monteiro de Aguiar, Gabriele Preuß, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, Claudia Schmidt, Keith Taylor, István Ujhelyi, Marita Ulvskog, Peter van Dalen, Wim van de Camp

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Francisco Assis, Matt Carthy, Jakop Dalunde, Michael Gahler, Karoline Graswander-Hainz, Pavel Svoboda, Matthijs van Miltenburg, Henna Virkkunen

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Eleonora Evi, Olle Ludvigsson, Ricardo Serrão Santos

Datum indiening

7.3.2019


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

23

+

ALDE

Izaskun Bilbao Barandica, Gesine Meissner

ECR

Peter Lundgren

ENF

Marie-Christine Arnautu

PPE

Georges Bach, Wim van de Camp, Deirdre Clune, Andor Deli, Michael Gahler, Dieter-Lebrecht Koch, Claudia Schmidt, Pavel Svoboda, Henna Virkkunen

S&D

Inés Ayala Sender, Ismail Ertug, Karoline Graswander-Hainz, Olle Ludvigsson, Gabriele Preuß, István Ujhelyi, Marita Ulvskog

Verts/ALE

Michael Cramer, Jakop Dalunde, Keith Taylor

11

-

ALDE

Matthijs van Miltenburg, Dominique Riquet

ECR

Peter van Dalen, Innocenzo Leontini

EFDD

Eleonora Evi

GUE/NGL

Matt Carthy

PPE

Cláudia Monteiro de Aguiar, Massimiliano Salini

S&D

Francisco Assis, Isabella De Monte, Ricardo Serrão Santos

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 21 maart 2019Juridische mededeling