Procedure : 2019/0810(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0008/2019

Ingediende teksten :

A9-0008/2019

Debatten :

PV 17/09/2019 - 3
CRE 17/09/2019 - 3

Stemmingen :

PV 17/09/2019 - 6.1

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0008

<Date>{09/09/2019}9.9.2019</Date>
<NoDocSe>A9-0008/2019</NoDocSe>
PDF 383kWORD 118k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over de aanbeveling van de Raad inzake de benoeming van de president van de Europese Centrale Bank</Titre>

<DocRef>(N9-0023/2019 – C9-0048/2019 – 2019/0810(NLE))</DocRef>


<Commission>{ECON}Commissie economische en monetaire zaken</Commission>

Rapporteur: <Depute>Roberto Gualtieri</Depute>

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 BIJLAGE 1: CURRICULUM VITAE VAN CHRISTINE LAGARDE
 BIJLAGE 2: ANTWOORDEN VAN CHRISTINE LAGARDE OP DE VRAGENLIJST
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de aanbeveling van de Raad inzake de benoeming van de president van de Europese Centrale Bank

(N9-0023/2019 – C9-0048/2019 – 2019/0810(NLE))

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

 gezien de aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019[1],

 gezien artikel 283, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Europese Raad is geraadpleegd (C9-0048/2019),

 gezien artikel 130 van zijn Reglement,

 gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0008/2019),

A. overwegende dat de Europese Raad bij schrijven van 16 juli 2019 het Europees Parlement heeft geraadpleegd over de benoeming van Christine Lagarde tot president van de Europese Centrale Bank voor een ambtstermijn van acht jaar, ingaande op 1 november 2019;

B. overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement vervolgens de kwalificaties van de kandidaat heeft onderzocht, met name in het licht van de vereisten, zoals vastgelegd in artikel 283, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en het uit artikel 130 van hetzelfde Verdrag voortvloeiende gebod van volledige onafhankelijkheid van de ECB; overwegende dat de commissie in het kader van dat onderzoek een curriculum vitae van de kandidate heeft ontvangen, alsmede haar antwoorden op de aan haar toegezonden schriftelijke vragenlijst;

C. overwegende dat de commissie vervolgens op 4 september 2019 een twee en een half uur durende hoorzitting met de kandidate heeft gehouden tijdens welke zij een openingsverklaring heeft afgelegd en daarna vragen van de commissieleden heeft beantwoord;

1. brengt een positief advies uit over de aanbeveling van de Raad om Christine Lagarde te benoemen tot president van de Europese Centrale Bank;

2. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad en de regeringen van de lidstaten.


 

BIJLAGE 1: CURRICULUM VITAE VAN CHRISTINE LAGARDE

Persoonsgegevens Geboortedatum: 1 januari 1956

Geboorteplaats: Parijs

Nationaliteit: Frans

 

Professionele loopbaan

 

Internationale financiële instelling

 

Juli 2011 – heden Directeur Internationaal Monetair Fonds, Washington D.C.

 

Volledige termijn juli 2011 – juli 2016, gedeeltelijke termijn juli 2016 – september 2019

 

 

Binnenlandse overheidssector

 

Juni 2007 – juli 2011 Minister van Economische Zaken en Financiën

Frans voorzitterschap Europese Unie tweede helft 2008

Voorzitterschap Ecofin

Frans voorzitterschap G20 2011

Voorzitterschap G20-bijeenkomst ministers van Financiën

 

Mei 2007 – juni 2007 Minister van Landbouw en Visserij, Frankrijk

 

Mei 2005 – mei 2007 Minister van Handel, Frankrijk

 

 

Particuliere sector

 

Oktober 1999 – mei 2005 Bestuursvoorzitter internationaal advocatenkantoor Baker McKenzie, Chicago, VS

 

Oktober 1995 – okt. 1999 Lid internationaal bestuur en beherend vennoot Baker McKenzie Parijs

 

Mei 1981 – 1999 Advocaat, internationale ondernemingen als cliënt, op het gebied van handelsrecht, fusies en overnames, mededingingsrecht, arbeidsrecht en arbitrage

 

September 1980 – sept. 1982 Docent overeenkomstenrecht, Parijs X, faculteit Rechtsgeleerdheid

 

 

Onderwijs

Master handelsrecht, postdoctorale opleiding (DESS) handels- en arbeidsrecht

Parijs X, faculteit Rechtsgeleerdheid, 1980

 

Master specialisatie economie en financiën, scriptie consumentenbeweging VS, (Ralph Nader, een publieke burger)

Sciences Po Aix en Provence, 1977

 

Master Amerikaanse literatuur

Kunstacademie Avignon, 1977

 

Titel: Advocaat bij de Parijse balie

 

 

Internationale academische erkenning

Louvain La Neuve – Doctor honoris Causae

Universiteit Montreal – eredoctoraat

Universidad del Pacifico – eredoctoraat

Washington College – eredoctoraat

Claremont McKenna College – eredoctoraat

Robinson College, Cambridge – Honorary fellowship

 

 

Onderscheidingen en functies

2011 Raad van bestuur, Sciences Po

2011 Global Citizenship Award 2011, Atlantic Council

2011 Raad van toezicht, Wereld Economisch Forum

2011 Transatlantic Leadership Award, European Institute

2012 “Hipólito Unanue al Mérito Económico – Financiero”, onderscheiding Peru

2012 Officier in de Orde van het Erelegioen, Frankrijk

2012 Globalist of the Year Award, Canadian International Council

2012 Eredoctoraat, Universiteit Leuven

2012 Leadership Award 2012, Union of Arab Banks

2013 Grootofficier in de Nationale Orde, Republiek Ivoorkust

2013 Raad van toezicht, Holton-Arms School

2014 Inaugural Global Achievement Award, Global Foundation

2014 Eredoctoraat, Universiteit Montreal

2014 Raad van bestuur, Conference of Montreal

2014 Diplomat of the Year Award 2014, Foreign Policy Magazine

2015 Eretitel Baker McKenzie

2015 Erevoorzitterschap inzamelingsactie, Holton-Arms School

2015 Voorzitterschap erecomité tournee VS-Canada, Nationaal Orkest Frankrijk

2016 High Level Panel for Women's Economic Empowerment, secretaris-generaal van de VN

2016 Global Leadership Award, Columbia University School of International Public Affairs

2016 Medal of Honor for Women, Mohammed Bin Rashid

2016 Woman of the Year and Lifetime Achievement Award, Glamour Magazine

2016 Eredoctoraat, Universidad del Pacifico

2017 Global Women's Leadership Award, International Planning Committee of the Global Summit of Women

2017 Eredoctoraat, Washington College

2018 Gender Equality Advisory Council, G7

2018 Commandeur in de Nationale Orde van 27 juni, Djibouti

2018 Eredoctoraat, Claremont McKenna College

2018 Fellowship, Institute of Banking

2018 Appeal of Conscience World Leader Award, Appeal of Conscience Foundation

2019 Distinguished Alumna Award, Holton-Arms School

2019 Distinguished International Leadership Award, Atlantic Council

2019 International Gender Champions Network en medevoorzitterschap Finance Hub

2019 Eredoctoraat, Robinson College

 

 

Geselecteerde publicaties

Breaking New Grounds in French Labor Law, 1982

Fragmentation Risks – Finance & Development, September 2012
https://www.imf.org/external/pubs/ft/fandd/2012/09/straight.htm

Dare the Difference – Finance & Development, June 2013
https://www.imf.org/external/pubs/ft/fandd/2013/06/straight.htm

Focus, Flexibility, Service – Finance & Development, September 2014
https://www.imf.org/external/pubs/ft/fandd/2014/09/straight.htm

Path to Development – Finance & Development, June 2015
https://www.imf.org/external/pubs/ft/fandd/2015/06/straight.htm

The Voice of Youth – Finance & Development, June 2017
https://www.imf.org/external/pubs/ft/fandd/2017/06/straight.htm

A Regulatory Approach to Fintech – Finance and Development, March 2018
https://www.imf.org/external/pubs/ft/fandd/2018/06/how-policymakers-should-regulate-cryptoassets-and-fintech/straight.htm

A Global Imperative to Empower Women – Finance & Development March 2019
https://www.imf.org/external/pubs/ft/fandd/2019/03/empowering-women-critical-for-global-economy-lagarde.htm

 

 

Belangrijke toespraken

Global Risks Are Rising, But There Is a Path to Recovery, Jackson Hole, August 2011
https://www.imf.org/en/News/Articles/2015/09/28/04/53/sp082711

Global Challenges in 2012 – Berlin, January 2012
https://www.imf.org/en/News/Articles/2015/09/28/04/53/sp012312

Anchoring Stability to Sustain Higher and Better Growth, Zurich, May 2012
https://www.imf.org/en/News/Articles/2015/09/28/04/53/sp050712

The Legacy of Charlemagne – Schäuble and European Integration, Aachen, May 2012
https://www.imf.org/en/News/Articles/2015/09/28/04/53/sp051612

The Global Calculus of Unconventional Monetary Policies, Jackson Hole, August 2013
https://www.imf.org/en/News/Articles/2015/09/28/04/53/sp082313

The Challenge Facing the Global Economy: New Momentum to Overcome a New Mediocre, Washington, D.C., October 2014
https://www.imf.org/en/News/Articles/2015/09/28/04/53/sp100214

Daring the Difference: The 3 L’s of Women’s Empowerment, Washington, D.C., May 2014
https://www.imf.org/en/News/Articles/2015/09/28/04/53/sp051914

Lifting the Small Boats, Brussels, June 2015
https://www.imf.org/en/News/Articles/2015/09/28/04/53/sp061715

Not Your Grandmother’s IMF, Annual Meetings, Lima, October 2015
https://www.imf.org/en/News/Articles/2015/09/28/04/53/sp100915

Demographic Changes and the Role of Fiscal Policy, MIT, March 2016
https://www.imf.org/en/News/Articles/2015/09/28/04/53/sp030416

Addressing Corruption with Clarity, Brookings Institution, September 2017
https://www.imf.org/en/News/Articles/2017/09/18/sp091817-addressing-corruption-with-clarity

A Time to Repair the Roof, Harvard University, October 2017
https://www.imf.org/en/News/Articles/2017/10/04/sp100517-a-time-to-repair-the-roof

Central Banking and Fintech, A Brave New World, Bank of England, September 2017
https://www.imf.org/en/News/Articles/2017/09/28/sp092917-central-banking-and-fintech-a-brave-new-world

A Compass to Prosperity: The Next Steps of Euro Area Economic Integration, Berlin, March 2018
https://www.imf.org/en/News/Articles/2018/03/26/sp032618-a-compass-to-prosperity-the-next-steps-of-euro-area-economic-integration

Age of Ingenuity: Reimagining 21st Century International Cooperation, Kissinger Lecture, Library of Congress, December 2018
https://www.imf.org/en/News/Articles/2018/12/04/sp120418-md-kissinger-speech

Creating a Better Global Trade System, Portland, May 2018
https://www.imf.org/en/News/Articles/2018/05/14/sp-lagarde-creating-a-better-global-trade-system

Steer, Don’t Drift: Managing Risks to Keep the Global Economy on Course, IMF, October 2018
https://www.imf.org/en/News/Articles/2018/09/27/sp100118-steer-dont-drift

Winds of Change: The Case for New Digital Currency, Singapore Fintech Festival, November 2018
https://www.imf.org/en/News/Articles/2018/11/13/sp111418-winds-of-change-the-case-for-new-digital-currency

Belt and Road Initiative: Strategies to Deliver in the Next Phase, Beijing, April 2018
https://www.imf.org/en/News/Articles/2018/04/11/sp041218-belt-and-road-initiative-strategies-to-deliver-in-the-next-phase

Euro 2.0: Past, Present, and Future of Euro Area Integration, The Euro at 20 Conference, Dublin, June 2018
https://www.imf.org/en/News/Seminars/Conferences/2018/05/17/~/link.aspx?_id=D56874C433F343C6BE326A611F4D62E9&_z=z

New Economic Landscape, New Multilateralism, Bali Annual Meetings, October 2018
https://www.imf.org/en/News/Articles/2018/10/11/sp101218-new-economic-landscape-new-multilateralism

The Case for the Sustainable Development Goals, Helen Alexander Lecture, IMF, September 2018
https://www.imf.org/en/News/Articles/2018/09/17/sp09172018-the-case-for-the-sustainable-development-goals

The Financial Sector: Redefining a Broader Sense of Purpose, Tacitus Lecture, London, February 2019
https://www.imf.org/en/News/Articles/2019/02/21/sp022819-md-the-financial-sector-redefining-a-broader-sense-of-purpose

The Euro Area: Creating a Stronger Economic Ecosystem, Banque de France, March 2019
https://www.imf.org/en/News/Articles/2019/03/28/sp032819-the-euro-area-creating-a-stronger-economic-ecosystem

Forging a Stronger Social Contract the IMF’s Approach to Social Spending, Geneva, June 2019
https://www.imf.org/en/News/Articles/2019/06/14/sp061419-md-social-spending

 

 

Geselecteerde blogposts IMF

Getting Real on Meeting Paris Climate Change Commitments
https://blogs.imf.org/2019/05/03/getting-real-on-meeting-paris-climate-change-commitments/?utm_medium=email&utm_source=govdelivery

Corporate Taxation in the Global Economy
https://blogs.imf.org/2019/03/25/corporate-taxation-in-the-global-economy/

When History Rhymes
https://blogs.imf.org/2018/11/05/when-history-rhymes/

Economic Gains from Gender Inclusion: Even Greater Than You Thought
https://blogs.imf.org/2018/11/28/economic-gains-from-gender-inclusion-even-greater-than-you-thought/

Realizing the Potential of the G20 Compact with Africa
https://blogs.imf.org/2018/10/30/realizing-the-potential-of-the-g20-compact-with-africa/

Ten Years After Lehman Lessons Learned and Challenges Ahead
https://blogs.imf.org/2018/09/05/ten-years-after-lehman-lessons-learned-and-challenges-ahead/

Addressing the Dark Side of the Crypto World
https://blogs.imf.org/2018/03/13/addressing-the-dark-side-of-the-crypto-world/

A Dream Deferred: Inequality and Poverty Across Generations in Europe
https://blogs.imf.org/2018/01/24/a-dream-deferred-inequality-and-poverty-across-generations-in-europe/

Fintech – Capturing the Benefits, Avoiding the Risks
https://blogs.imf.org/2017/06/20/fintech-capturing-the-benefits-avoiding-the-risks/

Protecting Education and Health Spending in Low-Income Countries
https://blogs.imf.org/2017/06/06/protecting-education-and-health-spending-in-low-income-countries/

To Boost Growth: Employ More Women
https://blogs.imf.org/2016/09/14/to-boost-growth-employ-more-women/

Migration: A Global Issue in Need of a Global Solution
https://blogs.imf.org/2015/11/11/migration-a-global-issue-in-need-of-a-global-solution/

Unlocking Latin America’s Huge Potential
https://blogs.imf.org/2014/12/02/unlocking-latin-americas-huge-potential/

Jobs and Growth: Supporting the European Recovery
https://blogs.imf.org/2014/01/28/jobs-and-growth-supporting-the-european-recovery/

A New Frontier for Kenya and Africa
https://blogs.imf.org/2014/01/08/a-new-frontier-for-kenya-and-africa/

What We Can Do to Improve Women’s Economic Opportunities
https://blogs.imf.org/2013/03/08/what-we-can-do-to-improve-womens-economic-opportunities/

How to Get the Balance Right: Fiscal Policy at a Time of Crisis
https://blogs.imf.org/2012/05/06/how-to-get-the-balance-right-fiscal-policy-at-a-time-of-crisis/



BIJLAGE 2: ANTWOORDEN VAN CHRISTINE LAGARDE OP DE VRAGENLIJST

A. Persoonlijke achtergrond en beroepservaring

1. Licht de belangrijkste aspecten toe van uw professionele vaardigheden inzake monetaire, financiële en zakelijke aangelegenheden, en die van uw ervaring op Europees en internationaal gebied.

Ik beschik over 40 jaar professionele ervaring. In die periode heb ik een unieke mix van ervaring opgedaan in de particuliere sector (als praktiserend advocaat en bestuurder bij het Amerikaanse advocatenkantoor Baker McKenzie 1980-2005), en de publieke sector waar ik leidende beleidsbepalende functies heb bekleed, zowel in Frankrijk (als minister van Handel en van Economische Zaken en Financiën 2005-2011), als internationaal (directeur van het Internationaal Monetaire Fonds, 2011-heden). Als Frans minister en lid van de Raad van Ministers van de EU was ik bovendien rechtstreeks betrokken bij de besluitvorming van de EU.

In al deze functies heb ik te maken gehad met zakelijke en financiële aangelegenheden. Als advocaat had ik uitsluitend grote ondernemingen als cliënt. Ik heb als minister van Economische Zaken en Financiën en als directeur van het IMF ook veel te maken gehad met de financiële gemeenschap. In al deze functies, zowel in de particuliere als in de overheidssector, heb ik in een binnenlandse en internationale omgeving gewerkt. De afgelopen 40 jaar was mijn werktaal Engels, met uitzondering van de 6 jaar binnen de Franse regering.

Ik heb op vele terreinen ervaring opgedaan, uiteenlopend van een advocatenpraktijk op het gebied van belastingen, mededinging, arbeidsrelaties en fusies en overnames, tot financieel crisisbeheer op nationaal en internationaal niveau tijdens de wereldwijde financiële crisis. Mijn meest recente professionele ervaring als directeur van het IMF was gebaseerd op een unieke drievoudige opdracht: (i) beleidsadvies en economisch toezicht; (ii) crisismanagement en leningenprogramma’s; (iii) training en capaciteitsopbouw. In het kader van al deze functies heb ik regelmatig contacten onderhouden met beleidsmakers op het hoogste niveau, en heb ik deze relaties kunnen benutten ten behoeve van de door mij in de loop der jaren geleide instellingen. Deze beroepservaring heeft ervoor gezorgd dat ik over een uitgebreide kennis beschik van de Europese en internationale economieën, en een internationale reputatie geniet. Mijn ervaring als leider van een grote internationale organisatie zoals het IMF, wijst voorts op mijn vermogen te luisteren naar personeel en belanghebbenden, een gemeenschappelijke en moderne visie te ontwikkelen, een collegiale aanpak voor te staan en te streven naar consensus om betere resultaten te bereiken.

 

2. Hebt u zaken, financiële belangen of andere verplichtingen waardoor een conflict met uw toekomstige taken zou kunnen optreden, en zijn er verder enige relevante factoren van persoonlijke of andere aard die door het Parlement in aanmerking genomen moeten worden met betrekking tot uw kandidaatstelling?

Toen ik aantrad als minister van Handel in 2005 heb ik elke andere en mogelijk strijdige functie opgegeven, zoals het bestuurslidmaatschap van ING of andere entiteiten in relatie met Baker McKenzie, waaronder het bestuurslidmaatschap van het Centrum Europees Recht dat ik in 1995 heb opgericht.

Vervolgens heb ik uitsluitend erefuncties aanvaard zoals het adviserend bestuurslidmaatschap van het Robinson College in Cambridge en het bestuurslidmaatschap van de Holton Arms School in Washington, met voorafgaande goedkeuring van de ethische commissie van het IMF-bestuur.

Voorts heb ik voortdurend de belangen van de vrouw verdedigd als er sprake was van discriminatie en ongelijkheid. Ik ben van plan dit te blijven doen en ik verwacht dat dit mijn gezag om me over monetaire zaken uit te spreken, niet aantast en de uitoefening van mijn taken naar mijn beste vermogen niet in de weg staat. Hetzelfde geldt wat betreft vraagstukken op het gebied van klimaatverandering en de bescherming van ons milieu.

 

3. Welke doelstellingen zult u nastreven tijdens uw mandaat van acht jaar als president van de Europese Centrale Bank?

Het hoofddoel van de ECB is het handhaven van prijsstabiliteit en dit in een binnenlandse en internationale omgeving die de afgelopen tien jaar aanzienlijke ontwikkelingen heeft doorgemaakt. Deze omgeving wordt in de geavanceerde economieën gekenmerkt door een gematigde groei en lage inflatie. Hoewel de financiële sector veiliger en beter gereguleerd is dan voor de mondiale financiële crisis, zullen langzame groei en lage inflatie een uitdaging vormen voor financiële tussenpersonen van wie de verdienmodellen zijn vastgesteld in een wereld van dynamische groei en hoge inflatie. Voorts veranderen nieuwe en dikwijls ontwrichtende technologieën de manier waarop de economie werkt. Bij internationale samenwerking worden vraagtekens gezet, het milieu wordt bedreigd door klimaatverandering en extreem weer, en in vele delen van de wereld vergrijst de bevolking in hoog tempo.

In deze context moet de ECB de economische en financiële ontwikkelingen in Europa en de rest van de wereld zorgvuldig monitoren en analyseren. Als ik tot president van de ECB word verkozen zal ik deze waakzaamheid binnen de instelling wat betreft nieuwe tendensen en de analyse ervan, bevorderen. Ik zal streven naar consensus binnen de raad van bestuur en mijn best doen zo helder en eenvoudig mogelijk zowel de strategie als het beleid van de ECB in een ingewikkelde wereld te communiceren, en rekening houden met de verschillende lagen en culturen van het publiek, dat uiteenloopt van Europese burgers tot financiële markten.

Mijn belangrijkste uitgangspunt is dat de euro een Europees collectief goed is waarvan de internationale reputatie voortdurend moet worden verbeterd. Een sterke institutionele structuur van de Economische en Monetaire Unie (EMU) en een vastberaden ECB, gericht op prijsstabiliteit, zijn hiervoor essentieel en komen eenieder ten goede.

 

B. Monetair beleid van de ECB

4. Hoe beoordeelt u het monetaire beleid dat de afgelopen acht jaar door de ECB is gevoerd? Welke aanpassingen zou u daarin als president van de ECB eventueel doorgevoerd willen zien?

De ECB heeft als voornaamste doel de prijsstabiliteit in de eurozone te handhaven. De ECB heeft prijsstabiliteit omschreven als een positief jaarlijks inflatiepercentage van onder 2 % en heeft verklaard zich te richten, met het oog op prijsstabiliteit, op een inflatiepercentage van onder, maar dicht bij 2 % op de middellange termijn.

De ECB heeft de afgelopen acht jaar moeten opereren onder uiterst moeilijke omstandigheden. In antwoord op de financiële en staatsschuldencrises heeft de ECB een aantal maatregelen getroffen die cruciaal waren om het doorwerkingsmechanisme van het monetair beleid te vrijwaren, de economie in de eurozone te steunen en ten slotte de inflatie te sturen naar niveaus die meer overeenstemmen met de beleidsdoelstelling.

Met name de verruimingsmaatregelen die sinds juni 2014 genomen zijn, waaronder gerichte herfinancieringsoperaties op de langere termijn, negatieve percentages, grootschalige aankopen van activa en prognoses, waren op het hoogtepunt van de crisis een succes in de strijd tegen de risico’s van deflatie en redenominatie. In juni 2014 bevond de algemene inflatie zich ruim onder de 1 %, tendens dalend. Thans bedraagt de algemene inflatie naar verwachting 1,3 %, 1,4 % in 2020 en 1,6 % in 2021. De eurozone heeft de afgelopen zes jaar een voortdurende economische groei te zien gegeven, en de werkloosheid is gedaald tot de laagste niveaus sinds juli 2008. De toenemende krapte op de arbeidsmarkt duidt erop dat de beleidsmaatregelen van de ECB de noodzakelijke voorwaarden creëren voor een stijging van de inflatie.

Over het algemeen, gezien de afgelopen acht jaar, zou ik zeggen dat het monetair beleid van de ECB effectief en geslaagd is geweest. Volgens berekeningen van het ECB over de periode 2016-2020 zouden de groei en inflatie ongeveer 1,9 procentpunten lager zijn geweest zonder de door de ECB tussen midden 2014 en midden 2018 genomen maatregelen. Tegelijkertijd echter blijft de inflatie steeds beneden de niveaus die overeenstemmen met de inflatiedoelstelling van de ECB voor de afgelopen jaren. De economische groei in de eurozone is de laatste tijd afgezwakt en er zijn neerwaartse risico’s voor de groeivooruitzichten. Het is tegen deze achtergrond evident dat de komende tijd een sterk accommoderend monetair beleid moet worden gevoerd.

Naar de toekomst kijkend zou het niet slecht zijn lering te trekken uit de financiële crisis wat betreft veranderingen in het macro-economische klimaat en het inflatieproces. Dit zou toekomstige reflectie over de operationele aspecten en de voering van het monetaire beleid van de ECB kunnen voeden. Ook zou kunnen worden bekeken hoe het monetair beleid van de ECB het algemene beleid van de Europese Unie, bijvoorbeeld de maatregelen gericht op het verwezenlijken van duurzame en inclusieve groei, kan ondersteunen, met inachtneming van haar primaire doelstelling van het handhaven van prijsstabiliteit. Voorts kunnen de wijzigingen in het regelgevend kader en in de financiële bemiddeling in de laatste jaren een herziening rechtvaardigen van het operationele kader van het monetaire beleid. In antwoord op de financiële crisis en marktpraktijken heeft de ECB samen met andere centrale banken veel aanpassingen aangebracht in de wijze waarop het monetaire beleid wordt uitgevoerd. Daarom moet aandacht besteed worden aan de wijze waarop monetair beleid op de lange termijn wordt uitgevoerd, met inbegrip de omvang en samenstelling van de balansen van de centrale banken en de keuze van beleidsinstrumenten.

 

5. Wat zijn de voornaamste risico’s en kansen voor de euro? Wat zijn volgens u de belangrijkste risico's en uitdagingen waarvoor de ECB zich geplaatst ziet?

Het huidige macro-economische en internationale klimaat vormt een belangrijke uitdaging op korte termijn voor de ECB. Het groeitempo in de eurozone is afgezwakt en de groeivooruitzichten zijn ongunstig. De inflatie blijft gering. Tegen deze achtergrond is het duidelijk dat de komende tijd een sterk accommoderend monetair beleid moet worden gevoerd. De ECB beschikt over een ruim instrumentarium en moet handelingsbereid zijn. Bij de keuze van de in te zetten instrumenten moet rekening worden gehouden met de aard van de schokken die de inflatie beïnvloeden, en met de financiëlemarktomstandigheden. Hoewel ik niet geloof dat de ECB wat de rentetarieven betreft de absolute ondergrens heeft bereikt, is het duidelijk dat lage tarieven van invloed zijn op de bankensector en de financiële stabiliteit in het algemeen. Het is dus cruciaal nauwlettend te volgen of zich in de toekomst naarmate de lage rentetarieven worden gehandhaafd negatieve neveneffecten voordoen.

Daarnaast ziet de ECB zich geconfronteerd met een toenemend aantal structurele uitdagingen en moet zij de verwachtingen managen van wat zij wel en niet kan doen om het vertrouwen in het beleid te handhaven. Hoewel het monetaire beleid een doeltreffend instrument vormt voor het stabiliseren van de economische cyclus kan het de groeivooruitzichten van landen niet verbeteren. Op andere gebieden en wanneer zich nieuwe uitdagingen voordoen – van digitalisering en cryptovaluta, cyberbeveiliging en de bestrijding van witwaspraktijken tot klimaatverandering – zal moeten worden vastgesteld op welke wijze deze haar werking beïnvloeden en hoe zij een bijdrage kan leveren.

Wat de euro betreft, is de institutionele architectuur waarvoor tijdens de crisis de aanzet is gegeven – in het bijzonder de bankenunie, het Europees kader voor crisisbeheersing en de kapitaalmarktenunie – vooralsnog onvolledig. Wat ook nog ontbreekt is een begrotingsinstrument voor macro-economische stabilisering. Vooruitgang op deze gebieden zal niet alleen resulteren in een veerkrachtiger eurozone, maar ook bijdragen aan de doeltreffendheid van het monetaire beleid en ten goede komen aan de internationale rol van de euro. Eén van de belangrijke lessen die 20 jaar na de invoering van de euro te trekken vallen, is dat de gemeenschappelijke munt alleen een succes kan zijn indien deze wordt geschraagd door robuust economisch en begrotingsbeleid op nationaal niveau, in het belang van zowel de betrokken lidstaten als de eurozone als zodanig.

 

6. Het Amerikaanse stelsel van centrale banken en de Canadese centrale bank hebben recent aangekondigd dat zij hun monetairebeleidskader tegen het licht zullen gaan houden. Is het 20 jaar na de invoering van de euro in uw ogen tijd dat de ECB eenzelfde toetsing doorvoert?

De monetairebeleidsstrategie moet zich in het algemeen altijd ontwikkelen op een wijze die het best aansluit bij het mandaat van de ECB. Gezien het feit dat de laatste toetsing van de strategie al weer een flink aantal jaren achter ons ligt (2003), zou het niet slecht zijn lessen de trekken uit de financiële crisis in de zin van veranderingen in het macro-economische klimaat en het inflatieproces. Bij een dergelijke toetsing zou ook kunnen worden bekeken hoe het monetaire beleid van de ECB het algemene beleid van de Europese Unie, bijvoorbeeld de maatregelen gericht op het verwezenlijken van duurzame en inclusieve groei, zou kunnen ondersteunen, met inachtneming van haar primaire doelstelling van het handhaven van prijsstabiliteit.

In reactie op de mondiale financiële en economische crisis hebben de centrale banken de implementatie van het monetaire beleid (ook wel het operationeel kader) ingrijpend veranderd, in het bijzonder doordat ze onconventionele maatregelen hebben genomen. Maar ook de financiële markten zijn sterk geëvolueerd als gevolg van ontwikkelingen in de regelgeving, marktinfrastructuren en financiële bemiddeling. In dit verband zal het verder belangrijk zijn te toetsen hoe het monetaire beleid ingevuld en geïmplementeerd moet worden, waarbij in het bijzonder moet worden bekeken welke elementen op de lange termijn moeten worden behouden. Gezien de veranderingen bij bemiddeling op de financiële markten en in de regelgeving zien de operationele kaders – met inbegrip van de grootte en de structuur van de balansen, en de instrumenten voor de implementatie van het monetaire beleid – er nu waarschijnlijk anders uit dan vóór de crisis.

 

7. Hoe moet de ECB haar monetaire beleid in de huidige macro-economische omstandigheden uitvoeren? Hoe beoordeelt u de prestatie van de ECB wat betreft haar voornaamste doelstelling van het handhaven van de prijsstabiliteit? Wat vindt u van de recente suggestie om de doelstelling van 2 % inflatie te interpreteren als een symmetrische doelstelling? Wat vindt u van de suggestie om financiële stabiliteit of prijsinflatie van activa als een tweede doelstelling van het monetaire beleid van de ECB vast te stellen?

De ECB heeft doortastend gereageerd op de risico’s van deflatie sinds 2014. Bij de lancering van het alomvattende beleidspakket van de ECB in juni 2014 bevond de algemene inflatie zich ruim onder de 1 %, tendens dalend. Op dit moment bedraagt de algemene inflatie ongeveer 1 % en de projecties van het Eurosysteem luiden 1,3 % in 2019, 1,4 % in 2020 en 1,6 % in 2021. De financiële markten achten deflatie inmiddels ook veel minder waarschijnlijk dan een tijd geleden en de werkloosheid heeft zijn laagste peil bereikt sinds juli 2008. De toenemende krapte op de arbeidsmarkt duidt erop dat de beleidsmaatregelen van de ECB de noodzakelijke voorwaarden creëren voor een stijging van de inflatie.

De huidige inflatieniveaus en de inflatieverwachtingen in de recente projecties van het Eurosysteem zijn evenwel nog niet in overeenstemming met de ECB-doelstelling voor de inflatie van "dicht in de buurt van, maar onder de 2 %". Dit gegeven, in combinatie met de mondiale turbulentie die negatief uitwerkt op de economische vooruitzichten voor de eurozone, betekent dat de ECB haar stevig accommoderende monetaire beleid moet voortzetten ter schraging van de groei van de economie en de convergentie van de inflatie met haar doelstelling. In dit verband is de recente verduidelijking dat de inflatiedoelstelling van de ECB een symmetrisch karakter heeft, belangrijk. Het laat zien dat de ECB strijdt tegen zowel een afwijking van haar inflatiedoelstelling naar boven toe, als naar beneden toe. De inflatie kan in beide richtingen van de doelstelling afwijken, op voorwaarde dat op de middellange termijn convergentie met de doelstelling van "dicht in de buurt van, maar onder de 2 %" wordt bereikt. Dit getuigt van de toegewijdheid van de ECB aan haar inflatiedoelstelling op de middellange termijn.

Terwijl de ECB haar accommoderende optreden dus moet voortzetten, is het belangrijk dat andere beleidsterreinen een robuustere bijdrage leveren om de maatregelen van het monetaire beleid tot een volledig succes te maken.

Wat de toevoeging van bijkomende doelstellingen betreft, noemt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie prijsstabiliteit duidelijk als de hoofddoelstelling van de ECB. Hoewel het klopt dat prijsstabiliteit en financiële stabiliteit inherent met elkaar verbonden zijn en elkaar in de regel onderling versterken, pleiten twee verschillende doelstellingen voor het gebruik van twee verschillende pakketten instrumenten. Het doel van het monetaire beleid blijft het waarborgen van de prijsstabiliteit op de middellange termijn. Het voornaamste oogmerk van macroprudentieel beleid is het aanpakken van de risico’s voor de financiële stabiliteit, teneinde het systeem beter bestand te maken tegen schokken en de hoge pieken en dalen uit de financiële cyclus te halen, om het risico op financiële crises te verkleinen en de gevolgen ervan voor de reële economie op te vangen.

In het algemeen is er sprake van interactie tussen de twee beleidsterreinen en is het dus zaak rekening te houden met de onderlinge effecten. Het macroprudentieel beleid is van invloed op de kredietvoorwaarden en daarmee op de algemene economie en, dus, de prijsstabiliteitssituatie. Het monetaire beleid kan, in het kader van het streven naar prijsstabiliteit, via een aantal transmissiekanalen van invloed zijn op de financiële risico’s. Het in één instelling samenbrengen van het monetaire én het macroprudentiële beleid leidt derhalve tot positieve synergie-effecten.

 

8. Hoe beoordeelt u de laatste besluiten van de raad van bestuur van de ECB en in het bijzonder het besluit betreffende richtsnoeren met betrekking tot de belangrijkste rentevoeten die naar verwachting tot ten minste de eerste helft van 2020 op het huidige niveau zullen blijven?

De economische groei in de eurozone is bescheiden en de economische 'temperatuur' wordt beïnvloed door hardnekkige onzekerheden, voornamelijk verband houdend met geopolitieke factoren, de toenemende dreiging van protectionisme en de problemen op opkomende markten. Het gevolg is dat de inflatiedruk gering blijft en dat zowel de daadwerkelijke, als de geprojecteerde inflatiepercentages 'vastzitten' onder de door de raad van bestuur als wenselijk aangemerkte niveaus.

Tegen deze achtergrond zijn de laatste besluiten van de raad van bestuur van de ECB, zoals het besluit betreffende richtsnoeren, terecht gericht op het handhaven van precies die accommoderende financieringsvoorwaarden voor ondernemingen en huishoudens die nodig zijn voor economische groei en, uiteindelijk, een hogere inflatie.

In het bijzonder het besluit houdende aanpassing van de richtsnoeren betreffende de voornaamste rentetarieven werkt accommoderend omdat het de verwachtingen van de markt over de ontwikkelingen van de rentetarieven beter verankert en de onzekerheid vermindert. Bij de vaststelling van de richtsnoeren wordt gebruik gemaakt van een 'date-based' element, te weten de verwachting dat de rentetarieven "in ieder geval tot en met de eerste helft van 2020" op de huidige of lagere niveaus zullen blijven, hetgeen ervoor zorgt dat de accommodering niet wordt verzwakt door marktdeelnemers die verwachten dat de tarieven vóór deze datum zouden kunnen stijgen. Daarnaast is er sprake van een 'state-based' element, te weten dat de tarieven in ieder geval op de huidige of lagere niveaus zullen blijven "voor zo lang als noodzakelijk om te zorgen voor de continu convergentie van de inflatie met de doelstelling op de middellange termijn". Dit betekent dat het monetaire beleid van de ECB gegevensgebaseerd is en zal evolueren met inachtneming van de inflatieverwachting.

Zoals benadrukt door de ECB bieden de richtsnoeren betreffende het rentetarievenbeleid, in combinatie met de herinvestering van het aanzienlijke volume van opgekochte activa en de nieuwe series gerichte langetermijnherfinancieringsoperaties, de belangrijke monetairebeleidsstimulans die nodig is voor de convergentie van de inflatie in de eurozone met de ECB-doelstelling. Gezien de huidige verwachtingen ten aanzien van de inflatie zal een sterk accommoderend monetair beleid waarschijnlijk nog wel enige tijd noodzakelijk blijven.

 

9. Wat is uw reactie op de kritiek op de lage rentetarieven en op de gevolgen daarvan? Hoe verhouden de onbedoelde gevolgen van het rentetarievenbeleid van de ECB enerzijds en de convergentie met het beoogde rentetarief op de middellange termijn anderzijds zich in uw ogen tot elkaar?

De ECB heeft tot hoofdtaak het handhaven van de prijsstabiliteit. De huidige monetairebeleidsmaatregelen zijn genomen in reactie op de omstandigheden na de crisis met als doel het verwezenlijken van de inflatiedoelstelling.

De lage rentetarieven, in combinatie met de andere monetairebeleidsmaatregelen, hebben mede de deflationaire risico’s weggenomen en bijgedragen tot economische groei en nieuwe banen.

Uiteraard is het belangrijk te blijven volgen wat de mogelijke neveneffecten zijn van de monetaire accommodatie, niet alleen in verband met de transmissie van het monetaire beleid, maar ook wat de financiële stabiliteit aangaat.

Om de impact van negatieve rentetarieven op de burgers in de eurozone goed in beeld te krijgen, is een brede aanpak nodig die alle gebruikte mechanismen omvat. Enerzijds zouden de banken kunnen besluiten het negatieve depositotarief door te berekenen aan hun rekeninghouders door de rente die zij op hun spaartegoeden ontvangen te verlagen. Anderzijds zijn diezelfde rekeninghouders ook consumenten, werknemers en leningnemers. Als zodanig profiteren zij van een sterker economisch momentum, een lagere werkloosheid en goedkopere leningen. Alles bij elkaar genomen zouden de burgers van de eurozone, indien de ECB niet besloten had een onconventioneel monetair beleid te voeren (inclusief de introductie van negatieve rentevoeten), slechter af zijn geweest.

Empirische analyses van de invloed van de negatieve rentevoeten op de winstgevendheid van banken lijken erop te duiden dat deze tot nu toe meer dan gecompenseerd zijn door het grotere aantal verstrekte leningen en de lagere kosten voor voorzieningen voor waardeverminderingen als gevolg van het betere macro-economische klimaat, hetgeen in belangrijke mate toe te schrijven is aan het accommoderende monetaire beleid. Desalniettemin is het belangrijk te monitoren of deze negatieve effecten zich in de toekomst voordoen naarmate de negatieve rentevoeten worden gehandhaafd, en in voorkomend geval het beschikbare micro- en macroprudentiële instrumentarium in te zetten.

De lage rendementen moeten gezien worden tegen de achtergrond van de aanhoudende daling van netto rendementen sinds de jaren 80. Het is een verschijnsel dat zich niet beperkt tot de eurozone. Het is in belangrijke mate een weerspiegeling van meer structurele factoren zoals een afnemende productiviteitsstijging, een hogere spaarquote in anticipatie op langere pensioenperiodes, en een gebrek aan veilige activa.

 

10. Wat is uw opvatting over de heterogeniteit van monetaire condities en toegang tot krediet in de eurozone en de invloed hiervan op uniform monetair beleid van de ECB?

De leningvoorwaarden in de eurozone waren gedurende de financiële en staatsschuldencrises inderdaad zeer heterogeen, met ernstige gevolgen voor de omzetting van het monetaire beleid van de ECB. Dit is de reden dat de ECB halverwege 2014 in het kader van haar monetaire beleid zogenaamde "kwantitatieve verruimingsmaatregelen" heeft genomen. Naar aanleiding hiervan zijn leningen in de eurozone substantieel goedkoper geworden: de ECB schat dat het activa-aankoopprogramma en de verlagingen van de vergoedingen voor het stallen van geld bij de ECB (het "deposito facility rate") erin hebben geresulteerd dat ondernemingen die bij banken geld willen lenen daarvoor sinds juni 2014 ongeveer 50 basispunten minder betalen. Daarnaast is de "pass-through" van markttarieven naar banktarieven in de lidstaten van de eurozone veel homogener geworden. In alle landen bevinden de tarieven waartegen ondernemingen en huishoudens bij banken geld kunnen lenen zich op of in de buurt van historisch lage niveaus. Daarnaast zijn de voorwaarden waartegen bij banken kan worden geleend onverminderd gunstig en dragen ze ertoe bij dat meer leningen worden opgenomen.

Deze gunstige financieringscondities, waar de monetairebeleidsmaatregelen van de ECB toe hebben bijgedragen, hebben het herstel bij de aantallen verstrekte leningen geschraagd. De aantallen aan ondernemingen verstrekte leningen zitten sinds midden 2015 weer in de lift en volgens de ECB kan bijna de helft van de jaarlijkse toename in het derde kwartaal van 2018 in verband worden gebracht met de effecten van het activa-aankoopprogramma. Ondanks het feit dat er in de hele eurozone sprake is van gunstige leningcondities is de toename van de aantallen door banken verstrekte leningen niet in alle landen even groot. Dit komt ten dele doordat de landen zich niet allemaal in dezelfde fase van de economische cyclus bevinden en doordat ondernemingen verschillende financieringsinstrumenten gebruiken, zoals schuldbewijzen.

Wat daarentegen schuldfinanciering betreft, zien we dat de ondernemingen in de eurozone hier veel terughoudender zijn. Ondanks de zeer lage tarieven voor leningen lijkt het erop dat de ondernemingen nog aarzelen aan re-leveraging te doen na de noodzakelijke deleveraging door het bedrijfsleven in de nasleep van de crisis.

Dus hoewel de monetaire condities in de hele eurozone gunstig zijn en ondernemingen en huishoudens overal eenvoudiger toegang tot krediet hebben, is de toename van de aantallen verstrekte leningen als gevolg van meerdere factoren, zoals een heterogene vraag naar kredieten, de algemene onzekerheid, en verschillen in concurrentiedruk of institutionele aspecten (denk aan verschillende rechtsstelsels), die de kredietcondities voor afzonderlijke leningnemers, sectoren en landen beïnvloeden, niet overal identiek. Overigens ligt het in een monetaire unie in de lijn der verwachtingen dat leningcondities een weerspiegeling vormen van de kenmerken van de leningnemers, en deze verschillen van land tot land. Dit is niet noodzakelijkerwijs een probleem voor het monetaire beleid en we zien dit ook in andere valutagebieden.

 

11. De afgelopen tien jaar zijn de economische prestaties in de EMU verder uit elkaar komen te liggen.

 Meerdere lidstaten van de EU bereiden zich voor op de invoering van de euro. Hoe denkt u te kunnen voorkomen dat de verschillen tussen de landen van de eurozone de komende tien jaar groter worden gezien de economische condities in de kandidaatlanden? Naar welk economisch scenario voor de uitbreiding van de eurozone gaat de voorkeur uit?

Het beeld van de evolutie van de economische verschillen in de EMU gedurende de afgelopen tien jaar is genuanceerd, afhankelijk van de gebruikte metriek en in een onderlinge vergelijking tussen landen.

Wat er vanuit de monetairebeleidsoptiek in een zone met één munteenheid het meeste toe doet, is een cyclische synchronisatie. Dit stelt het eengemaakte monetaire beleid in staat doeltreffend te zijn en in alle leden van de zone een stabiliserende rol te vervullen. De cyclische dispariteiten tussen de economieën van de landen van de eurozone zijn in de loop der jaren inderdaad kleiner geworden, in die zin dat de economische en financiële cycli van de landen in kwestie nu een grote mate van synchronisatie vertonen. Tegelijkertijd is er, wanneer we naar de reële convergentie kijken (dat wil zeggen de mate waarin de landen van de eurozone met een lager inkomen per hoofd van de bevolking opgeschoven zijn in de richting van de landen van de eurozone met een hoger inkomen per hoofd van de bevolking), sprake van een sterk verdeeld beeld. Terwijl de latere toetreders, en in het bijzonder de Baltische staten, nu kleinere inkomensverschillen met de landen van de eurozone met een hoger inkomen vertonen dan voorheen is er tussen de oorspronkelijke leden – met uitzondering van Ierland – sprake van nauwelijks tot geen convergentie. Het klopt dat het monetair beleid daadwerkelijk iets kan doen aan inkomensverschillen, maar vanuit de optiek van de burgers gaat het uiteindelijk om economische groei en een hogere levensstandaard.

We weten dat de economische verschillen in Europa in belangrijke mate kunnen worden teruggevoerd op technologische en wereldwijde ontwikkelingen, de impact van de mondiale financiële crisis, en landenspecifieke structurele zwaktes.

De euro is ook het meest in het oog springende voorbeeld van de Europese integratie. Het is op dit moment de officiële munteenheid van 19 EU-lidstaten en ik verwacht dat de overige lidstaten van de Unie, die de eengemaakte munt op dit moment nog niet hebben omarmd, dat op enig moment in de toekomst wel zullen doen, hetgeen ik ook zou toejuichen. Zoals vastgelegd in het Verdrag worden alle lidstaten van de EU zonder 'opt-out' – dat wil zeggen zeven niet-eurozonelanden, met uitzondering van Denemarken en, uiteraard, het VK – verwacht vroeg of later de euro in te voeren.

In mijn optiek moeten de nodige economische hervormingen voor de uitbreiding van de eurozone toegesneden worden op elke afzonderlijke lidstaat. Elk land dat zich bij de euro wil aansluiten, moet de nodige maatregelen nemen en hervormingen doorvoeren, en zijn eigen pad, modaliteiten en timing kiezen. De timing hangt in feite af van drie belangrijke factoren: de politieke wil, zoals vastgelegd in de nationale strategieën voor de invoering van de euro; de acceptatie van het project door de bevolking; en de mate waarin de economie er klaar voor is.

De invoering van de euro heeft nu een nieuwe dimensie waar we rekening mee moeten houden, namelijk het gegeven dat de deelname aan de eengemaakte munt nu automatisch ook participatie in de bankenunie betekent. In dit verband steun ik het recent vastgestelde beleid dat de lidstaten die zich bij het wisselkoersmechanisme II aansluiten ook stevig ingebed moeten worden in de ECB-activiteiten op het gebied van toezicht.

 

12. Hoe ziet u het verloop en de timing van de normalisatie van het monetaire beleid van de ECB, mede gezien de internationale context, in het bijzonder het feit dat de niveaus van de rentevoeten in de VS aanzienlijk verschillen van die in Europa? Welke gevolgen zal de herinvesteringsstrategie van het activa-aankoopprogramma in uw ogen hebben op de markten? Welke invloed zal dit op het instrumentarium van monetaire instrumenten hebben indien de algemene omstandigheden verslechteren?

De ECB heeft de markt richtsnoeren gegeven met betrekking tot rentetarieven en de herinvestering van de hoofdsombetalingen van activa die in het kader van het activa-aankoopprogramma zijn gekocht. De huidige richtsnoeren geven reeds de volgorde aan van deze twee instrumenten van het monetaire beleid. Meer in het bijzonder zal de herinvestering worden voortgezet voor een langere periode na de datum waarop de ECB haar belangrijkste rentetarieven begint te verhogen.

Bij het nemen van beleidsbeslissingen op het gebied van het monetaire beleid moeten zowel de binnenlandse als de internationale economische en financiële gegevens grondig worden geanalyseerd. Het monetaire beleid moet afhankelijk blijven van de gegevens en moet worden geleid door de inflatievooruitzichten van de eurozone. Op dit moment is "normalisatie van het beleid" voorbarig. Momenteel houden onzekerheden met betrekking tot geopolitieke factoren, protectionistische druk en kwetsbaarheden in opkomende markten in dat de risico’s voor de vooruitzichten voornamelijk aan neerwaartse druk onderhevig zijn en dat de inflatiedruk beperkt blijft. Gedurende langere tijd zal een stevig accommoderend monetair beleid moeten worden gevoerd. Het is daarom belangrijk dat alle beleidsinstrumenten op tafel worden gehouden om adequaat en proportioneel te kunnen reageren als de inflatievooruitzichten voor de middellange termijn achterblijven bij het doel van de ECB.

 

13. Hoe gaat u voor transparantie zorgen met betrekking tot de uitvoering van het activa-aankoopprogramma? Bent u het ermee eens dat voor meer transparantie kan worden gezorgd met betrekking tot het door activa gedekte effectenaankoopprogramma en het derde programma voor de aankoop van gedekte obligaties?

Transparantie is essentieel voor goed bestuur, maar ook voor een goed begrip van het monetaire beleid van de ECB. Tegelijkertijd moeten de centrale banken ervoor zorgen dat de door hen verstrekte informatie de doeltreffendheid van hun beleid niet ondermijnt.

Het lijdt geen twijfel dat het onconventionele monetaire beleid, en met name het activa-aankoopprogramma, aanleiding heeft gegeven tot een vraag naar meer transparantie. De ECB heeft er positief op gereageerd (bijvoorbeeld door vanaf het begin informatie over haar bedrijven te publiceren met een wekelijkse en maandelijkse frequentie) en de transparantie is de afgelopen jaren verder toegenomen, naar ik begrijp, mede dankzij de feedback die zij van het Europees Parlement heeft ontvangen.

Bovendien heeft de ECB een hogere mate van transparantie dan sommige andere centrale banken. Zo publiceert zij (en actualiseert wekelijks) zeer gedetailleerde informatie – de zogeheten internationale effectenidentificatienummers, ISIN’s – over de individuele obligaties die het Eurosysteem in bepaalde portefeuilles bezit.

Bij de bespreking van verdere maatregelen ter verbetering van de transparantie is het van groot belang dat de voordelen van de publicatie van meer gedetailleerde informatie worden afgewogen tegen de gevolgen voor de doeltreffendheid van het monetaire beleid van de ECB. Deze gevolgen kunnen variëren afhankelijk van de manier waarop bepaalde segmenten van de financiële markten werken en kunnen dus leiden tot een gedifferentieerde aanpak, afhankelijk van het aankoopprogramma.

 

14. Wat zijn de vereiste voorwaarden voor het beheer van een rentestijging zonder verstorende effecten op landen en markten? Wat is hierbij de taak van de ECB en waar liggen volgens u de verantwoordelijkheden van de lidstaten en de marktdeelnemers?

De ECB heeft meegedeeld dat haar monetaire beleid accommoderend zal blijven door middel van de richtsnoeren inzake beleidstarieven en de herinvesteringen. Deze richtsnoeren zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat mogelijke wijzigingen van de kortetermijnbeleidstarieven die door de ECB worden gecontroleerd door de marktdeelnemers goed worden begrepen en geen bron van verstorende effecten worden. Het biedt markten een duidelijke interventiefunctie van de ECB. Dit zorgt er met name voor dat slechtere vooruitzichten weerspiegeld worden in gunstiger termijnrentes en, dus, financieringsvoorwaarden.

In het geval van de lidstaten is een gezond nationaal begrotingsbeleid de beste verzekering tegen een mogelijke stijging van de financieringskosten. Veel landen van de eurozone hebben de periode van gunstige economische en financiële voorwaarden gebruikt voor het herstellen van sterke onderliggende begrotingssituaties, die ruimte bieden voor een anticyclisch begrotingsbeleid. Het is van doorslaggevend belang dat alle lidstaten blijk geven van hun inzet voor duurzaam beleid in het kader van de erkenning van het begrotingskader van de EU. Bovendien moet de voltooiing van de EMU een prioriteit blijven.

 

15. Hoe kan de ECB volgens u bijdragen aan economische groei, de milieutransitie en volledige werkgelegenheid, terwijl zij tegelijk volledig voldoet aan haar primaire doelstelling van het handhaven van de prijsstabiliteit? Wat zou u er van vinden indien het mandaat van de ECB zou worden gewijzigd om het meer in overeenstemming te brengen met de criteria van de Amerikaanse centrale bank? Zijn er volgens u aanvullende monetairebeleidsmaatregelen die de positieve effecten van het monetaire beleid op de reële economie kunnen verbeteren? Welke rol spelen structurele hervormingen in de lidstaten voor de doeltreffendheid van het monetaire beleid, en omgekeerd?

Het mandaat van de ECB is vastgelegd in artikel 127, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Volgens deze bepaling is de primaire doelstelling van de ECB en van het gemeenschappelijk monetair beleid de prijsstabiliteit te handhaven. Onverminderd deze primaire doelstelling ondersteunt de ECB het economisch beleid in de Unie om bij te dragen tot de doelstellingen van de Unie. Aangezien het mandaat van de ECB in het primaire Unierecht is vastgelegd, kan het alleen door de lidstaten worden gewijzigd door middel van een Verdragswijziging.

De monetairebeleidsstrategie van de ECB maakt duidelijk dat de prijsstabiliteit moet worden gehandhaafd op middellange termijn. Deze oriëntatie op middellange termijn maakt het mogelijk om schommelingen in de reële economische activiteit tot een minimum te beperken in situaties waarin het monetaire beleid tegen een afruil kan worden gevoerd, zoals het reageren op een olieprijzenschok die de inflatie tijdelijk verhoogt in een tijd waarin de economische groei afneemt. Daarom kunnen de verschillen met het mandaat van de Amerikaanse centrale bank in de praktijk minder groot zijn.

De handhaving van stabiele prijzen op middellange termijn is ook een cruciale voorwaarde om tot een gunstig economisch klimaat en een hoog niveau van werkgelegenheid te komen.

De groei op de lange termijn hangt echter af van andere factoren dan het monetaire beleid, zoals de productiviteit, en wordt ondersteund door beleid dat innovatie en investeringen aanmoedigt. Structurele hervormingen in de landen van de eurozone zijn belangrijk om de productiviteit en het groeipotentieel van de eurozone te stimuleren, de structurele werkloosheid terug te dringen en de veerkracht te vergroten. Structurele hervormingen kunnen dus in de toekomst het monetaire beleid versterken, terwijl de huidige, sterk accommoderende invulling van het monetaire beleid de last van de invoering van dergelijke hervormingen vermindert.

Wat de milieutransitie betreft, bevindt de discussie over de vraag of, en zo ja hoe, de centrale banken en de banktoezichthouders kunnen bijdragen tot het beperken van de klimaatverandering, zich in een vroeg stadium, maar dit moet wel als een prioriteit worden beschouwd. De ECB voert reeds de discussie hierover, bijvoorbeeld als lid van het Netwerk voor de vergroening van het financiële systeem (NGFS). Ik heb verder begrepen dat de ECB zich heeft geconcentreerd op het ondersteunen van marktdeelnemers, wetgevers en normalisatie-instellingen om de risico’s van de klimaatverandering in kaart te brengen en een duidelijk kader te bieden om de financiële stromen te heroriënteren en dergelijke risico’s te verminderen.

 

16. Wat is uw mening over de negatieve impact van het beleid van de ECB op de klimaatverandering? Wat kan worden verbeterd om ervoor te zorgen dat het monetaire beleid niet de voorkeur geeft aan vervuilende bedrijven?

Het hoofddoel van het activa-aankoopprogramma was de inflatie terug te brengen in overeenstemming met de doelstelling van prijsstabiliteit van de ECB. Om een ruime pool van koopbare effecten aan te bieden, zijn de criteria om voor het programma in kwestie in aanmerking te komen noodzakelijkerwijs ruim. Dit is de doeltreffendheid van het programma ten goede gekomen en heeft tegelijkertijd verstoringen van specifieke marktsegmenten voorkomen.

Voor de uitvoering van het activa-aankoopprogramma heeft de ECB zich gebaseerd op het beginsel van marktneutraliteit, zonder positieve of negatieve discriminatie om specifieke activa te bevoordelen of te bestraffen op basis van milieu- of andere criteria. Voor het aankoopprogramma bedrijfssector heeft de aankoop van door niet-bancaire ondernemingen uitgegeven effecten proportioneel de marktwaarde weerspiegeld van alle in aanmerking komende obligaties in termen van sectoren van economische activiteit en ratinggroepen. Ik heb begrepen dat het bevoordelen of bestraffen van specifieke activa op basis van milieucriteria tot nu toe niet mogelijk was, aangezien er geen objectieve criteria waren vastgesteld. De initiatieven van de Europese Commissie op het gebied van duurzame financiering om tot een geharmoniseerde definitie van groene activa te komen, d.w.z. een zogenaamde taxonomie, die naar ik heb begrepen actief door de ECB worden ondersteund, bevorderen echter de transparantie en vergemakkelijken een objectievere identificatie van wat een groen financieel instrument is. Zodra een dergelijke taxonomie is overeengekomen, moet de ECB beoordelen of en hoe zij deze op haar aankoopprogramma kan toepassen.

Wat groene obligaties betreft, zijn er in de huidige omstandigheden en marktcondities ten minste twee factoren die het vermogen van de ECB om in het kader van het activa-aankoopprogramma primair dergelijke obligaties te verwerven, beperken. Ten eerste is het groene segment nog steeds een vrij klein deel van de financiële activa, ondanks de snelle groei van de afgelopen jaren. De aankoop van grote hoeveelheden van deze activa kan dus leiden tot ernstige verstoringen in dit marktsegment. In de tweede plaats staat de classificatie van groene activa nog in de kinderschoenen, hetgeen de identificatie van de voor aankoop bestemde groene activa bemoeilijkt.

Ondanks de bestaande beperkingen en het ontbreken van een expliciete milieudoelstelling in het activa-aankoopprogramma heeft de ECB groene obligaties gekocht in het kader van zowel het aankoopprogramma voor de bedrijfssector als het aankoopprogramma voor de overheidssector. Hoewel het totale bedrag van de door de ECB aangehouden groene obligaties klein is, blijkt uit de beschikbare gegevens dat de aankopen van de ECB hebben bijgedragen tot het verminderen van de opbrengsten van groene obligaties door de uitgifte van dergelijke obligaties door niet-financiële vennootschappen te ondersteunen.

 

17. Wat vindt u van de risico's verbonden aan het aankoopprogramma voor de bedrijfssector (Corporate Sector Purchase Programme – CSPP)? Denkt u dat dit programma binnen de interne markt mogelijke verstorende effecten op de mededinging zou kunnen hebben? Hoe denkt u dat mogelijke verstorende effecten van de CSPP kunnen worden geminimaliseerd?

In het kader van het CSPP koopt het Eurosysteem effecten van niet-bancaire ondernemingen om de "pass-through" van zijn activa-aankopen aan de reële economie te faciliteren. Het CSPP maakt integrerend deel van het activa-aankoopprogramma van het Eurosysteem uit, dat een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan de economische expansie in de eurozone, hetgeen ertoe heeft bijgedragen dat de inflatie convergeert naar het beoogde doel.

De risico’s van de verslechtering van de kredietkwaliteit van de in aanmerking komende emittenten kunnen niet volledig worden uitgesloten van het CSPP. De hoge mate van diversificatie van het CSPP houdt echter in dat, hoewel downgrades en verliezen op individuele namen van tijd tot tijd kunnen optreden, dergelijke verliezen over het algemeen beperkt zijn door het ontwerp. Ik ga er bovendien van uit dat het Eurosysteem over een uitgebreid kader voor risicobeheer beschikt om de risico’s in verband met het CSPP nauwlettend te volgen. De balans van het Eurosysteem wordt derhalve doeltreffend beschermd zonder de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van het CSPP in gevaar te brengen.

In het kader van haar primaire doelstelling, te weten het handhaven van prijsstabiliteit, heeft het Eurosysteem een mandaat om te handelen in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd. Het brede scala aan obligaties dat voor het CSPP in aanmerking komt, ondersteunt de doeltreffendheid van het CSPP als instrument van het monetaire beleid, met behoud van een gelijk speelveld voor alle marktdeelnemers en onder vermijding van ongepaste marktverstoringen. Daarnaast heeft de ECB erop gewezen dat eventuele mededingingsverstorende effecten binnen de eengemaakte markt verder worden beperkt door aankopen in het kader van het CSPP die evenredig het nominale bedrag van de in aanmerking komende obligaties weerspiegelen.

Bij de uitvoering van het CSPP zijn deze naar mijn mening goede argumenten om deze aanpak voort te zetten, waardoor het effect op de relatieve prijzen binnen het subsidiabele universum van obligaties en onbedoelde neveneffecten op de marktwerking tot een minimum kunnen worden beperkt.

 

18. Vindt u dat het CSPP de Overeenkomst van Parijs en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s) moet integreren? Denkt u dat de ECB haar activa-aankopen moet afstemmen op de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN en de klimaatovereenkomst van Parijs? Ziet u ruimte voor de ECB om de overgang naar een koolstofarme economie, een belangrijke beleidsdoelstelling van de EU, te integreren als een secundaire doelstelling van het monetaire beleid?

De doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling bestrijken een breed scala aan onderwerpen, gericht op verbetering van de levensomstandigheden in de wereld. De verwezenlijking van deze doelstellingen is voor alle landen onontbeerlijk. In het kader van hun mandaat kunnen centrale banken echter slechts een beperkt deel van deze doelstellingen aanpakken.

Ik weet dat de ECB vorig jaar tot de NFS is toegetreden en ook lid is van de Technical Expert Group on Climate Change van de Europese Commissie. Hieruit blijkt dat de ECB de uitdaging van de klimaatverandering erkent en de marktdeelnemers en normalisatie-instanties ondersteunt om klimaatrisico’s aan te pakken.

Met betrekking tot het activa-aankoopprogramma heeft het Eurosysteem ongeveer 2,5 biljoen EUR aan effecten gekocht, waarvan het merendeel door overheden is uitgegeven. Het aandeel van het CSPP van de totale aankopen in het kader van het programma is, in vergelijking, relatief klein. In verschillende gevallen heeft de ECB opgemerkt dat de aankopen gebaseerd zijn op het beginsel van marktneutraliteit om marktverstoringen te voorkomen. Zoals eerder vermeld, sluit dit echter niet uit dat de ECB in de toekomst een taxonomie zal toepassen – die momenteel door de Europese Commissie wordt ontwikkeld – van wat groene activa zijn.

Dit gezegd zijnde, heeft de ECB in het kader van het PSPP en het CSPP reeds verschillende "groene obligaties" aangekocht en moet zij hiermee doorgaan, gezien het feit dat zij aan de subsidiabiliteitscriteria van de programma’s voldoen.

Uit een analyse van de ECB in een van haar economische bulletins blijkt dat het CSPP niet alleen heeft bijgedragen tot het verminderen van de opbrengsten van "groene obligaties", maar ook de uitgifte ervan door niet-financiële vennootschappen heeft ondersteund. Aangezien het universum van klimaatgerelateerde obligaties groeit, maar in omvang nog steeds relatief klein is, zou het beperken van de aankoop tot alleen deze obligaties gevolgen hebben voor de doeltreffendheid van de verwezenlijking van de doelstelling van de ECB. In dit verband kunnen wetgevers ook een rol spelen bij de ontwikkeling van het universum van klimaatgerelateerde obligaties als onderdeel van beleidsinitiatieven die de Commissie in de huidige zittingsperiode kan initiëren.

 

19. Welke rol zou de ECB, onder uw leiding, spelen in het netwerk voor de vergroening van het financieel systeem? Bent u voornemens rekening te houden met de aanbevelingen van het netwerk voor de vergroening van het financiële systeem (NGFS) in zijn eerste uitgebreide verslag?

De klimaatverandering is een van de meest urgente uitdagingen waarmee de samenleving vandaag de dag wordt geconfronteerd. Mijns inziens moeten alle openbare en particuliere instellingen in het kader van hun mandaat handelen om dit probleem aan te pakken. Onder mijn leiding is het IMF begonnen te onderzoeken hoe het kan helpen de klimaatverandering aan te pakken, bijvoorbeeld door te onderzoeken hoe het begrotingsbeleid kan worden gebruikt om bij te dragen aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs.

Ik verheug mij over het feit dat de ECB samen met andere centrale banken en toezichthouders in het netwerk voor de vergroening van het financiële systeem samenwerkt. Centrale banken en prudentiële toezichthouders kunnen een bijdrage leveren tot het aanpakken van de uitdagingen waarvoor de klimaatverandering ons stelt, en het werk van het netwerk is – zoals uit het eerste verslag blijkt – van essentieel belang om te begrijpen hoe zij het best kan worden aangepakt. Naar mijn mening dient de ECB substantieel aan deze inspanning bij te dragen en aanzienlijke middelen aan dit proces te besteden. Dit houdt onder meer in dat de aanbevelingen van de groep serieus worden genomen en dat ze daar waar mogelijk worden opgevolgd, zonder dat dit ten koste gaat van het mandaat van de ECB op het gebied van prijsstabiliteit en andere doelstellingen.

 

20. Wat is uw mening over de stappen die nodig zijn om de Europese Green Deal te financieren? Wat is de rol van de overheid?

Klimaatverandering is ongetwijfeld een van de existentiële bedreigingen van onze tijd. Het is een uitdaging die Europese en internationale samenwerking vereist, aangezien geen enkel land dit alleen kan oplossen. Er zullen belangrijke beleidsinitiatieven nodig zijn ter bestrijding van de klimaatverandering, ter ondersteuning van beleid ter beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering.

In die zin impliceert het nemen van bestrijdings- en beperkende maatregelen – zoals het IMF in mei van dit jaar ook heeft erkend – dat er behoefte is aan ofwel extra overheidsuitgaven ofwel de verdringing van andere publieke overheidsinvesteringen. Op Europees niveau zijn eerste stappen genomen door middel van de steun uit de EU-begroting en de Europese Investeringsbank (EIB). Het voorstel van de Commissie van mei 2018 om het aandeel van de EU-begroting dat bestemd is voor de ondersteuning van het beleid inzake klimaatverandering in het volgende meerjarig financieel kader verder te verhogen en het verzoek van het Europees Parlement om zelfs verder te gaan, zullen zeker bijdragen aan de verdere mobilisering van de benodigde financiële middelen om de klimaatdoelstellingen van de EU in de praktijk te brengen. Ik hoop persoonlijk dat de door de nieuwe voorzitter van de Commissie in het Europees Parlement aangekondigde "Green Deal for Europe" een doorbraak kan betekenen in de opwaardering van de rol van de EU bij de financiering van duurzame projecten en de heroriëntatie van de overheidsinvesteringen naar koolstofarme oplossingen.

Naast het kanaliseren van meer overheidsmiddelen naar klimaatinvesteringen, is het van essentieel belang dat beleidsmakers nieuwe initiatieven lanceren om meer particuliere investeringen aan te trekken. Het valt niet te ontkennen dat veel particulier kapitaal nodig is om de economische transformatie te ondersteunen die nodig is om de uitdaging van de overgang naar een groenere economie het hoofd te kunnen bieden. Daarom moet het overheidsbeleid zich ook richten op het aantrekken van particuliere middelen, het ondersteunen van technologische innovatie op het gebied van nieuwe energie en efficiënte technologieën, en het aanpakken van uitdagingen in verband met de internalisering van externe milieukosten in de besluiten van de particuliere sector.

Gezien de grote impact die de klimaatverandering op onze samenlevingen kan hebben, moeten ook de centrale banken en de prudentiële toezichthouders rekening houden met de klimaatverandering en nadenken over de juiste reactie op de klimaatverandering. De ECB is immers een actief lid van de NFS en verleent, samen met andere nationale centrale banken van het Eurosysteem, ook actief steun aan de agenda voor duurzame financiering van de Europese Commissie. Een dergelijke agenda zou uiteindelijk de prijsstelling van de klimaatverandering en de overgangsrisico’s kunnen verbeteren, en de heroriëntatie van de financiële stromen naar duurzame beleggingsproducten kunnen bevorderen. In de toekomst verwacht ik dat de ECB deze werkzaamheden zal voortzetten en binnen haar mandaat haar eigen bijdrage zal leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs.

Maar we moeten ook realistisch zijn. De meest geschikte, beste beleidsrespons en initiatieven vallen primair buiten het domein van het beleid van de centrale banken. Hoewel de ECB binnen haar mandaat bijdraagt aan duurzaamheidsdoelstellingen, is het aan de politieke autoriteiten om passende regelgevings- en begrotingsmaatregelen vast te stellen en te besluiten om deze uitdagingen aan te pakken.

 

21. Zou u eraan in de weg staan dat de ECB-programma’s voor de aankoop van activa milieu- en sociaal ondeugdelijke activiteiten als gedefinieerd in het EU-kader voor taxonomieën kopen?

De ECB ondersteunt binnen haar mandaat diverse initiatieven ter bestrijding van de klimaatverandering, zowel op EU- als op mondiaal niveau. Groene activa zijn weliswaar snel in ontwikkeling, maar zijn nog steeds een vrij beperkte activacategorie en een taxonomie van wat een groene activa zijn is, staat nog in de kinderschoenen. De ECB ondersteunt de ontwikkeling van een dergelijke taxonomie en deze zal, zodra zij is overeengekomen, de opname van milieuoverwegingen in de portefeuilles van de centrale banken vergemakkelijken.

De ECB heeft in het kader van het PSPP en het CSPP reeds verschillende "groene obligaties" aangekocht en zal deze blijven aankopen – gezien het feit dat zij voldoen aan de subsidiabiliteitscriteria van de programma’s – en daardoor de financieringskosten voor ondernemingen met groene projecten blijven verlagen.

 

22. Wat vindt u van de uitvoering van de noodliquiditeitssteun (Emerging Liquidity Assistance – ELA)?

 Wat kan er worden verbeterd in het besluitvormingsproces over het verlenen van ELA?

De noodliquiditeitssteun (Emergency Liquidity Assistance – ELA) speelde een cruciale rol bij het handhaven van de financiële stabiliteit tijdens de financiële crisis door het aanpakken van liquiditeitstekorten voor individuele solvabele instellingen.

Momenteel ligt de verantwoordelijkheid voor de verstrekking van de ELA grotendeels op nationaal niveau bij de betrokken nationale centrale banken. Deze aanpak lijkt tot nu toe goed te hebben gewerkt. Tegen de achtergrond van de vorderingen op weg naar de bankenunie, de voortdurende financiële integratie en de rol van de ECB als de bevoegde autoriteit voor het toezicht op alle (significante) banken in de eurozone, zou echter kunnen worden bepaald dat – op dezelfde wijze als het monetaire beleid – de besluiten van de ELA centraal kunnen worden genomen, maar dat de daadwerkelijke liquiditeitsvoorziening via de nationale centrale banken zou worden uitgevoerd. Dit aspect is door het IMF ook aan de orde gesteld in zijn programma voor de beoordeling van de financiële sector in de eurozone. Uiteindelijk zal dit uiteraard aan de raad van bestuur worden overgelaten.

 

23. Welke risico's loopt de monetaire stabiliteit, gerelateerd aan de ontwikkeling van virtuele valuta's, zoals bitcoin? Welke rol dient de ECB bij het aanpakken van virtuele valuta volgens u te spelen? Wat vindt u van de plannen van Facebook voor een nieuwe digitale munt Libra? Wat zou in uw ogen een passend regelgevingskader voor virtuele valuta zijn?

Tot nu toe worden bestaande virtuele valuta zoals bitcoins, ook wel cryptovaluta genoemd, geacht geen tastbare gevolgen te hebben voor het monetaire beleid en de financiële stabiliteit. Deze beoordeling weerspiegelt de geringe omvang van de markten voor crypto-activa in verhouding tot het financiële systeem, alsook hun beperkte verwevenheid met de gereglementeerde financiële sector en de economie. In relatieve termen bedraagt de totale marktkapitalisatie van crypto-activa wereldwijd momenteel ongeveer 7 % van de marktkapitalisatie van de zogenaamde "FAANG" (Facebook, Apple, Amazon, Netflix en Google), of 2 % van het bbp van de eurozone en 3 % / 2 % van M1, respectievelijk M3. Dit kan veranderen naarmate de markt zich verder ontwikkelt en crypto-activa zelf evolueren. De ECB en de centrale banken moeten in het algemeen de ontwikkelingen nauwlettend volgen en beoordelen, en bijdragen aan de lopende internationale besprekingen over beleidsreacties.

De opkomende "stablecoin"-projecten, waarvan het initiatief van Facebook Libra een voorbeeld is, zijn een poging van de particuliere sector om de bestaande financiële diensten te verbeteren en kunnen voordelen bieden met betrekking tot de efficiëntie van grensoverschrijdende betalingen en voor de financiële inclusie. Dergelijke projecten, en in het bijzonder de daaraan ten grondslag liggende blockchain- of "distributed ledger"-technologie, kunnen helpen de gebruikers kansen te bieden en voordelen vanuit een oogpunt van efficiëntie en veiligheid, met name in landen waar momenteel geen efficiënte marktinfrastructuurdiensten bestaan. Hoewel crypto-activa zoals "stablecoins" en de blockchaintechnologie waarop zij zijn gebaseerd, mogelijkheden met zich mee kunnen brengen, met name op het gebied van grensoverschrijdende betalingen, moet men zich ervan bewust zijn dat hun wijdverbreide gebruik ook risico’s kan opleveren voor het monetaire beleid, de financiële stabiliteit en de goede werking van en het vertrouwen van het publiek in het mondiale betalingssysteem. Ik kijk uit naar het eindverslag van de werkgroep van ministers en presidenten van centrale banken van de G7, waaraan ook het IMF als lid deelneemt. Zij zullen een analyse uitvoeren van de voordelen en risico’s van "stablecoins", in coördinatie met de G20, de raad voor financiële stabiliteit en andere relevante normalisatie-instanties.

Wat het regelgevingskader betreft, moet duidelijk een evenwicht worden gevonden tussen het waarborgen dat deze activiteiten niet leiden tot risico’s voor de financiële stabiliteit en het tegelijkertijd mogelijk maken van financiële innovatie. De lessen die uit de bestaande regelgeving kunnen worden getrokken, zijn onder meer dat indien de activiteit inherent hetzelfde is en het risico hetzelfde is, de regelgeving ook hetzelfde moet zijn. Dit zou ook het risico van regelgevingsarbitrage beperken in de gevallen waarin innovatie niet tot nieuwe soorten diensten leidt, maar alleen probeert de regelgeving te omzeilen. Bij het overwegen van regelgevingsbenaderingen voor complexe "stablecoin"-initiatieven is het van essentieel belang om verder te kijken dan individuele componenten en om de hele regeling te beoordelen, wat sommige het "ecosysteem" zouden noemen.

 

24. Hoe beoordeelt u de interacties tussen betalingssystemen en monetair beleid? Welke rol dient de ECB, als centrale bank van uitgifte, te spelen ten aanzien van de clearinginstellingen van centrale tegenpartijen?

Goed functionerende betalingssystemen zijn essentieel voor de stabiliteit en de efficiëntie van de financiële sector en de economie in haar geheel, alsook voor het monetaire beleid, dat kritisch afhangt van de vlotte afwikkeling van de stromen van grote bedragen in real-time. Daarom oefenen de centrale banken in de hele wereld toezicht uit op de veiligheid en efficiëntie van betalingssystemen en is het één van de fundamentele taken van het Eurosysteem is om de goede werking van de betalingssystemen te bevorderen.

Centrale banken van uitgifte, zoals de ECB voor de euro, zijn evenzeer bezorgd over de veiligheid en de efficiëntie van centrale tegenpartijen (CTP’s). CTP-liquiditeitsproblemen kunnen van invloed zijn op de vlotte werking van grote waardebetalingssystemen en repo-markten, met mogelijk ernstige risico’s voor de uitvoering van het monetaire beleid. Daarnaast kunnen de centrale banken worden verzocht noodleningen te verstrekken aan CTP’s en/of clearingleden van CTP’s, die kredietinstellingen en dus tegenpartijen van het monetaire beleid kunnen zijn. Dit kan ook van invloed zijn op de verwezenlijking van de doelstellingen van het monetaire beleid. Deze zorgen zijn toegenomen met de dramatische toename van de omvang, het systemisch belang en de grensoverschrijdende aard van CTP’s in de afgelopen jaren, en zijn ook relevant in de context van de geplande terugtrekking van het VK uit de EU.

Tegen deze achtergrond hebben de EU-instellingen het initiatief genomen voor een hervorming van het regelgevingskader voor CTP’s (EMIR2), met als doel het kader voor de erkenning van CTP’s van derde landen en het toezichtkader voor CTP’s uit de EU te versterken. De ECB is binnen haar mandaat bereid om bij te dragen tot de uitvoering van het herziene regelgevingskader, onder meer door middel van het overleg en de samenwerking met de centrale banken van uitgifte waarin dat kader voorziet. Het beheer van de risico’s van CTP’s voor de fundamentele taken van de ECB moet immers een fundamentele prioriteit blijven, hetgeen kan inhouden dat de kwestie van de regelgevende rol van de centrale bank in de toekomst opnieuw tegen het licht moet worden gehouden.

 

25. Wat zijn de risico's van de brexit voor de financiële stabiliteit en hoe moet de ECB zich op deze risico's voorbereiden?

Een ordelijk verloop is verkieslijk, zowel voor de EU als voor het VK, maar een brexit op 1 november zonder akkoord blijft mogelijk. Ik heb er vertrouwen in dat de EU-instanties, inclusief de ECB, zich op dit scenario hebben voorbereid. In zijn recentste Global Financial Stability Report (maart 2019) wees het IMF erop dat de autoriteiten aanzienlijke stappen hebben ondernomen om de markten gerust te stellen en dat de risico's zijn verminderd.

Meer bepaald zijn, wat centrale clearing betreft, de risico's van een "cliff-edge"-scenario verminderd door een door de EU-instanties genomen besluit van tijdelijke gelijkwaardigheid voor CTP's uit het VK. De EU-instanties hebben ook een in de tijd beperkt besluit van tijdelijke gelijkwaardigheid vastgesteld voor centrale effectenbewaarinstellingen uit het VK. Op dezelfde manier hebben de autoriteiten van het VK een regeling inzake tijdelijke toelating ingevoerd op grond waarvan bedrijven uit de Europese Economische Ruimte kunnen blijven opereren als voorheen gedurende maximum drie jaar na de uittreding van het VK.

Bovendien hebben de Bank of England en de ECB hun valutaruilovereenkomst geactiveerd. Op grond hiervan kan de Bank of England wekelijks in euro luidende liquiditeit aanbieden aan banken in het VK. Het Eurosysteem heeft aangegeven op basis van dezelfde overeenkomst bereid te zijn om ponden te lenen aan banken uit de eurozone, als dit nodig blijkt.

Toch is is het in een scenario zonder akkoord mogelijk dat, ondanks de aanzienlijke inspanningen van de autoriteiten om zich voor te bereiden, staartrisico's ontstaan, en deze kunnen kunnen ook interageren met andere bestaande risico's. Als dit soort negatief scenario zich voordoet, is dat waarschijnlijk plotseling en kan het leiden tot substantiële volatiliteit op de financiële markten en een toename van de risicopremies. Dit kan een impact hebben op de financiële omstandigheden in de eurozone. Ruimer gezien kan een brexit zonder akkoord leiden tot grotere macro-economische risico's, als er interactie ontstaat met andere schokken wereldwijd, bijvoorbeeld oplopende handelsspanningen. De impact hiervan kan geconcentreerd zijn in bepaalde landen die een bijzondere band hebben met het VK, en er is een uitbreiding mogelijk, als spelers in de financiële sector en bepaalde essentiële sectoren van de reële economie niet voorbereid zijn. In deze context zij opgemerkt dat de ECB herhaaldelijk heeft benadrukt dat banken zich moeten voorbereiden op alle mogelijke ontwikkelingen, inclusief een scenario zonder akkoord dat leidt tot een harde brexit zonder overgang. De banken moeten operationeel klaar zijn en in gedachte houden dat een overgangsperiode niet gegarandeerd is.

In het algemeen heb ik er vertrouwen in dat de maatregelen die tot nu toe zijn genomen, de impact beperkten die het vertrek van het VK uit de EU kan hebben op de toegang tot financiële diensten in de eurozone. De privésector heeft op bepaalde gebieden vooruitgang geboekt om de risico's in verband met de brexit te verminderen. Toch moet de resterende tijd tot 1 november zowel door financiële als door niet-financiële ondernemingen worden gebruikt om zich voort te blijven voorbereiden op alle mogelijke scenario's. De Europese instanties, inclusief de ECB, moeten de ontwikkelingen in de aanloop naar 1 november op de voet volgen, en indien nodig actie ondernemen.

 

26. Hoe ziet u de rol van de ECB in de context van een mogelijke vertraging van de economische groei in de komende kwartalen?

De economie van de eurozone krijgt te maken met wereldwijde tegenwind en dit heeft een effect op de groeivooruitzichten. De groei in de eurozone is vertraagd en de weegschaal van de risico's voor de groeivooruitzichten is gekanteld. De inflatie blijft gering. In deze context is het van essentieel belang dat het monetair beleid voort gebaseerd wordt op de inflatievooruitzichten.

Specifiek heeft de ECB met duidelijkheid gesteld dat een sterk accommoderend monetair beleid gedurende een langere periode nodig is, aangezien de inflatiecijfers, zowel de reële als de verwachte, consistent onder haar streefdoel liggen. De raad van bestuur heeft daarom ook aangegeven bereid te zijn het beleid aan te passen om ervoor te zorgen dat de inflatie consistent evolueert in de richting van het streefdoel van de ECB, als de inflatievooruitzichten voor de middellange termijn voort beneden dit streefdoel blijven. Ik blijf volledig bij dit standpunt.. De ECB beschikt over een goed gevulde gereedschapskist en moet er op voorbereid zijn om indien nodig op te treden ter uitvoering van haar mandaat inzake de handhaving van prijsstabiliteit.

 

27. Bent u van mening dat de ECB geen munitie meer heeft, als er weer sprake zou zijn van een aanzienlijke neergang? Kan de ECB nieuwe onconventionele instrumenten op het gebied van monetair beleid ontwikkelen? Bent u van mening dat we kunnen terugkeren naar conventioneel monetair beleid zonder de groei- en inflatiedoelstellingen in gevaar te brengen of bent u van mening dat een nieuwe beleidsmix vereist is?

De ECB beschikt over een goed gevulde gereedschapskist en kan op flexibele wijze reageren op gebeurtenissen die een effect hebben op de vooruitzichten voor de prijsstabiliteit. De ongebruikelijke monetaire beleidsmaatregelen van de ECB hebben de economie van de eurozone op substantiële wijze ondersteund. Deze maatregelen zijn tot dusver krachtig gebleken en zij kunnen worden verlengd en aangepast volgens de behoeften.

Wat de toekomst betreft, kan de ECB conventioneel monetair beleid aanvullen met andere ongebruikelijke maatregelen om de prijsstabiliteit te ondersteunen. De precieze mix van de ingezette instrumenten zal hierbij moeten afhangen van de aard van de schokken waardoor de inflatieverwachtingen getroffen worden, alsmede van de omstandigheden op de financiële markten.

 

28. De vertraging van de mondiale economie zet aan tot een versoepeling van het monetair beleid.

 Kwantitatieve versoepeling kan een nuttig instrument zijn, maar er is weinig manoeuvreerruimte. Door het beperkte kader van het programma zouden sommige nationale centrale banken, zoals de Bundesbank, het bijvoorbeeld moeilijk hebben om obligaties te kopen met naleving van de regels van het programma. Bent u van mening dat het in dit opzicht kan helpen om de kapitaalverdeelsleutel te laten varen?

Wat de toekomstige stappen op het gebied van monetair beleid betreft, heeft de ECB duidelijk te kennen gegeven wat haar intentie is: het monetair beleid zal afhangen van de inflatievooruitzichten. De mate van versoepeling zal hierbij bepaald worden door hetgeen nodig is om te garanderen dat de inflatie evolueert in de richting van een cijfer onder, maar dicht bij 2 % op middellange termijn.

In het verleden heeft de ECB getoond dat hij beschikt over alle nodige instrumenten. Het programma voor de aankoop van activa (APP) is een doeltreffend instrument gebleken om het risico te verminderen van deflatoire druk over een langere periode, en de intentieverklaringen van de ECB hebben de markten met succes overtuigd van het feit dat de ECB voornemens is de rentevoeten te handhaven op het huidige niveau of lager, al naargelang de ontwikkelingen van de inflatievooruitzichten. Alle acties moeten binnen de perken blijven van het mandaat inzake het monetair beleid van het Eurosysteem, en dit zal ook bepalend zijn voor de keuzen die gemaakt worden met betrekking tot een eventuele heropstarting van de netto-aankopen van activa.

De acties van de ECB moeten proportioneel zijn met de uitvoering van haar mandaat en de realisatie van de doelstellingen hiervan. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft onlangs bevestigd dat de in het mandaat van de ECB besloten instrumenten flexibel zijn. Dit houdt in dat de ECB over ruime discretie beschikt om de instrumenten aan te passen om te garanderen dat de inflatie continu en op consistente wijze evolueert in de richting van een niveau dat overeenkomt met prijsstabiliteit.

 

29. Hoe denkt u over de theorie dat centrale banken een onbeperkte hoeveelheid geld kunnen verstrekken ter financiering van de groei?

In de huidige omstandigheden moet de ECB – en hij doet dat ook – een verregaand accommoderend monetair beleid voeren ter ondersteuning van de expansie en de evolutie van de inflatie naar een streefcijfer "onder, maar dicht bij 2 %". De beoordeling hiervan wordt evenwel bepaald door de actuele economische omstandigheden en bedoeld is niet dat de ECB op algemene wijze een onbeperkte hoeveelheid geld moet verstrekken ter financiering van de groei.

Integendeel, dit zou ingaan tegen de idee van een onafhankelijke centrale bank en niet stroken met het mandaat van de ECB inzake het handhaven van prijsstabiliteit.

 

30. Hoe ziet u het verschil tussen monetair en fiscaal beleid en de rol van een centrale bank in deze context?

In het algemeen genomen is monetair beleid een stabilisatie-instrument dat bedoeld is om cyclische schommelingen op korte termijn van de economische en inflatievooruitzichten weg te nemen. Het is vooral gebaseerd op feitelijke gegevens. In tegenstelling tot fiscaal beleid kan er geen invloed mee worden uitgeoefend op het potentieel van een economie op langere termijn. Fiscaal beleid daarentegen is ook een nuttig stabilisatie-instrument, maar vereist gewoonlijk meer tijd voor de uitvoering ervan en voor het verkrijgen van een effect op de reële economie. Het kan evenwel, met name via overheidsinvesteringen, een transformerend effect hebben op de economie.

In de institutionele architectuur van de EMU wordt ervan uitgegaan dat monetair en fiscaal beleid dienen voor het nastreven van verschillende doelstellingen, en dat zij worden gevoerd door verschillende beleidsmakers in het kader van hun respectieve mandaat. Terwijl de maatregelen van de ECB op het gebied van monetair beleid als primaire doelstelling hebben prijsstabiliteit te garanderen, vallen fiscale doelstellingen, inclusief het garanderen van een beheersbare overheidsschuld, onder de verantwoordelijkheid van de regeringen van de lidstaten, zoals ook erkend is in het EU-begrotingskader.

 

31. Hoe evalueert u het bestaande kader voor economische governance, de uitvoering ervan en de handhaving ervan? Hoe moet dit kader volgens u worden hervormd? Bent u van mening dat het huidige kader procyclisch fiscaal beleid aanmoedigt? Worden er de juiste stimulansen mee geboden voor overheidsinvesteringen? Wat zou er nodig zijn om de EMU te verdiepen?

Het algemene kader voor economische en fiscale governance is bedoeld om ervoor te zorgen dat de nationale maatregelen inzake fiscaal en structureel beleid bevorderlijk zijn voor een soepele werking van de EMU. Naleving van de fiscale regels is nodig om te zorgen voor houdbare overheidsfinanciën op het niveau van de lidstaten, die een voorwaarde zijn voor een soepele werking van de EMU. Bovendien moet naleving van het stabiliteits- en groeipact de opbouw ondersteunen van fiscale ruimte in goede economische tijden, die kan worden gebruikt om te zorgen voor stabilisatie in slechte tijden. Uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen en naleving van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden is belangrijk voor meer groei, het voorkomen en corrigeren van onevenwichtigheden en een grotere veerkracht van de lidstaten en van de eurozone als geheel.

Dit gezegd zijnde ben ik ook van mening dat het Europees begrotingskader kan worden verbeterd, zowel wat de vorm als wat de uitvoering ervan betreft. Uiteindelijk moeten de aanpassingen zorgen voor meer nationale betrokkenheid en tegelijk voor een grotere voorspelbaarheid van het kader in de tijd en over de landsgrenzen heen.

In het verleden bestond in de eurozone de neiging een procyclisch fiscaal te voeren zowel in goede als in slechte tijden. Een hervorming van de fiscale regels moet er daarom op gericht zijn de stimulansen te versterken om fiscale buffers aan te leggen in goede tijden, zodat fiscale ruimte beschikbaar is voor macro-economische stabilisatie in geval van een recessie. Bovendien moet het herziene kader eenvoudig genoeg zijn om transparant en geloofwaardig te zijn en te kunnen worden gehandhaafd. In dit opzicht kan een grotere focus op regels op basis van uitgaven die gekoppeld zijn aan een schuldanker, een pad zijn dat bij de hervormingen wordt gevolgd. Het nastreven van gezonde overheidsfinanciën en het voorkomen van procyclisch fiscaal beleid in goede tijden kunnen zorgen voor budgettaire ruimte om overheidsinvesteringen te beschermen in slechte tijden. De op handen zijnde evaluatie van het twopack en het sixpack bieden de gelegenheid om de doeltreffendheid van het huidige begrotingskader te beoordelen en hervormingsopties te bespreken.

Toch volstaat een verbeterd begrotingskader alleen niet om te zorgen voor een soepele werking van de EMU. Een centrale begrotingscapaciteit voor macro-economische stabilisatie voor de eurozone is een belangrijk element van de hervormingsagenda van het EMU. Het instrument moet het mogelijk maken om snel passende ondersteuning te bieden vanuit het perspectief van de centrale bank in geval van economische schokken, met name in geval van ernstige recessies in de hele zone. Samen met een effectievere coördinatie van de nationale fiscaalbeleidsmaatregelen kan deze centrale begrotingscapaciteit helpen bij het aansturen van het geaggregeerde fiscaal beleid voor de eurozone en mee zorgen voor een passender mix van het macro-economisch beleid.

Wat structurele hervormingen betreft, kan deze capaciteit, ondanks stappen ter versterking van het kader, nog beter de uitvoering faciliteren van belangrijke beleidsmaatregelen op nationaal niveau. Economische hervormingen die het concurrentievermogen verbeteren en investeringen ondersteunen, bijvoorbeeld door het bevorderen van digitalisering en ondernemerschap, zijn van essentieel belang ter versterking van potentiële groei. Door het ondersteunen van deze hervormingen kan het geplande begrotingsinstrument voor convergentie en concurrentievermogen voor de eurozone worden gezien als een stap in de juiste richting.

 

32. Is er volgens u in de eurozone behoefte aan Europese veilige activa, niet alleen om te helpen de financiële markten te stabiliseren en banken in staat te stellen hun blootstelling aan nationale schuld te verminderen, maar ook als manier om een correcte transmissie te faciliteren van het monetair beleid? Hoe kan dit worden gerealiseerd?

Activa met zeer geringe risico's, vaak veilige activa genoemd, zijn van vitaal belang voor de werking van het financiële stelsel en de efficiëntie van de bemiddeling door banken.

Als zij goed worden opgezet, kunnen gemeenschappelijke veilige overheidsactiva voordelen opleveren, door bij te dragen tot de financiële stabiliteit en de financiële integratie. Veilige activa die niet gevoelig zijn voor idiosyncratisch overheidsrisico en die in waarde vermeerderen in tijden van crisis, kunnen helpen de negatieve terugkoppelingseffecten te verminderen tussen overheden en binnenlandse banken – alsmede de vlucht naar veilige instrumenten – die tijdens de vorige crisis zijn vastgesteld. Gemeenschappelijke veilige overheidsactiva van voldoende omvang zouden ook een efficiënte toewijzing van kapitaal binnen de monetaire unie en financiële integratie faciliteren.

Gemeenschappelijke veilige overheidsactiva kunnen voorts bijdragen tot een efficiëntere uitvoering van het monetair beleid. Met deze activa zou versnippering voorkomen worden, waardoor zij zouden bijdragen tot een vlotte transmissie van het gemeenschappelijke monetair beleid. Gemeenschappelijke veilige overheidsactiva zouden indirect ook bijdragen tot een versterking van de internationale rol van de euro.

Ondanks alle mogelijke voordelen ervan moet evenwel erkend worden dat gemeenschappelijke veilige activa, doordat zij implicaties hebben met betrekking tot overheidsrisico's en fiscale prikkels, inherent een politiek gevoelig onderwerp zijn. Evenmin zijn zij strikt noodzakelijk om belangrijke verdere stappen in de verdieping van de EMU te ondernemen.

 

33. Wat vindt u van de voortdurende discussie over de aanhoudend hoge niveaus van particuliere en overheidsschulden in de eurozone? Hoe ziet u de door de Commissie voorgestelde mogelijkheid van een schatkist voor de eurozone die namens haar leden toegang krijgt tot de financiële markten om een deel van hun reguliere herfinancieringsbehoeften te financieren?

In de eurozone is de afgelopen jaren op geaggregeerd niveau een aanzienlijke daling vastgesteld van de publieke en particuliere schuldenlast. Deze daling is het gevolg van gunstige economische en financiële omstandigheden, maar is in sommige gevallen ook ondersteund door een prudent fiscaal beleid en vooruitgang met de hervormingen, waardoor de potentiële groei is toegenomen. Er blijven echter grote verschillen tussen de lidstaten en aanzienlijke kwetsbaarheden bestaan.

Wat de cijfers betreft, is de overheidsschuldquote van de eurozone gedaald van een piek van 94,4 % in 2014 tot ongeveer 87 % van het bbp in 2018. Hoewel dit niveau relatief laag is in vergelijking met de VS of Japan, verbergt het totaalbeeld aanzienlijke verschillen tussen de landen, waarbij verscheidene lidstaten vorig jaar een schuldpercentage hebben genoteerd van 100 % of meer van het bbp. Vermindering van de schuldquotes ten opzichte van deze hoge niveaus, overeenkomstig het Europees begrotingskader, moet een beleidsprioriteit zijn, niet alleen omdat hoge schulden negatieve gevolgen hebben voor de groei op lange termijn en een last vormen voor de toekomstige generaties, maar ook omdat zij weinig budgettaire ruimte laten voor het opvangen van een neergang.

Wat de particuliere schuld betreft, zijn de omvang en de aard van de schuldafbouw heterogeen van land tot land. Terwijl de particuliereschuldquote van de eurozone gedaald is van een piek van 147 % in 2015 tot ongeveer 137 % van het bbp in het eerste kwartaal van 2019, noteren sommige landen (bijvoorbeeld Luxemburg, Cyprus en Ierland) nog steeds erg hoge schuldpercentages. In sommige landen blijken de economische structuren en institutionele regelingen nog niet efficiënt genoeg om de resterende schuldoverhang aan te pakken, hetgeen negatieve gevolgen heeft voor de potentiële groei en de economische veerkracht. Dit onderstreept het belang van beleid dat een ordelijke schuldafbouw van de particuliere sector kan faciliteren, met name door het aanpakken van de resterende belemmeringen in het rechtskader en van de capaciteitsbeperkingen in de rechtbanken, alsmede door het verstrekken van stimulansen aan banken om beslissende stappen te zetten in de afwikkeling van slechte activa.

De oprichting van een schatkist voor de eurozone is zeker een belangrijk aspect van de hervormingsagenda van de EMU op langere termijn. In het kader van het hervormingsdebat zijn voor deze schatkist diverse taken voorgesteld, inclusief begrotings- en economisch toezicht, crisisbeheersing en de verantwoordelijkheid voor een centrale begrotingscapaciteit voor macro-economische stabilisatie, die de eurozone nog steeds niet heeft.

Hoewel dit inherent politieke kwesties zijn, moet de institutionele architectuur van de eurozone naar mijn mening evolueren naar meer gezamenlijke besluitvorming en een betere coördinatie van het economisch en begrotingsbeleid. Hierbij zou een schatkist voor de eurozone de nationale beleidsvorming uiteraard aanvullen, niet vervangen.

 

34. Wat vindt u van de kritiek dat het onderpandkader van de ECB niet geleidelijk genoeg is en te veel gebaseerd is op externe ratingbureaus?

Het Eurosysteem heeft een wettelijke verplichting om zijn krediettransacties uitsluitend uit te voeren tegen voldoende onderpand. Op basis hiervan heeft het Eurosysteem een alomvattend kader voor risicobeheer ingesteld, dat bestaat uit het onderpandkader en het kredietbeoordelingskader. In het kader van het onderpandkader aanvaardt het Eurosysteem een breed scala aan activa als onderpand voor het limiteren van de financiële risico's waaraan het Eurosysteem is blootgesteld. Bij wijze van aanvullende risicocontrolemaatregel wordt bij haircuts gedifferentieerd volgens een aantal aspecten, zoals de soorten activa, hun kredietkwaliteit, hun looptijd, hun verhandelbaarheid en hun couponstructuur. Daarnaast zijn er opslagfactoren voor haircuts die betrekking hebben op meer specifieke risico's. Het onderpandkader is dus reeds vrij gedetailleerd.

Ik ben van mening dat het Eurosysteem niet uitsluitend vertrouwt op ratingbureaus, maar ook op de interne kredietbeoordelingssystemen van de nationale centrale banken en op interne op ratings gebaseerde systemen van tegenpartijen. Onlangs heeft het Eurosysteem ook besloten het gebruik van ratinginstrumenten geleidelijk af te bouwen, zodat het aantal aanvaarde externe ratingbronnen vermindert. Meer in het algemeen heeft de ECB herhaaldelijk te kennen gegeven dat zij zich heeft gecommitteerd aan het door de Raad voor financiële stabiliteit voorgestelde beginsel dat de centrale banken hun mechanische vertrouwen op externe ratings moeten verminderen, door gebruik te maken van instrumenten zoals een jaarlijkse prestatiebewaking en lopende duediligencebeoordelingen voor aanvaarde ratingbureaus. Het Eurosysteem heeft ook strengere openbaarmakingsvereisten ingevoerd voor bepaalde ratings die de ratinggebruikers in staat stellen dieper inzicht in de ratings te verwerven en hun eigen visie op bepaalde ratings te vormen.

 

35. Hoe beoordeelt u de recente ontwikkeling van de wisselkoers tussen de dollar en de euro? Moet de ECB zich zorgen maken over het risico van een mogelijke valutaoorlog met de VS? Moet de ECB overwegen een explicieter communicatiebeleid te voeren met betrekking tot het wisselkoersbeleid van de euro? Wat is uw standpunt over het onlangs geformuleerde standpunt van president Trump over het monetaire beleid van de ECB en de gevolgen hiervan voor de handel tussen de EU en de VS? In hoeverre moeten handelsoverwegingen een rol spelen bij het voeren van het monetair beleid?

De wisselkoers is geen beleidsdoel voor de ECB en het zou dan ook niet passend zijn voor mij als kandidaat-voorzitter van de ECB om opmerkingen te maken over het koerspeil van de euro of recente ontwikkelingen in verband hiermee.

In het algemeen is het vanuit het oogpunt van het monetair beleid natuurlijk belangrijk om de ontwikkelingen van de wisselkoersen te volgen, gezien de mogelijke gevolgen hiervan voor de inflatievooruitzichten. Ook de wereldwijde ontwikkelingen op handelsgebied zijn voor een centrale bank relevant, aangezien zij de buitenlandse vraag naar goederen en diensten uit de eurozone bepalen en dus van invloed zijn op de economische vooruitzichten en, uiteindelijk, de inflatievooruitzichten van de eurozone.

Wat het risico van een valutaoorlog betreft, onderschrijf ik de sterke consensus in de internationale gemeenschap dat moet worden afgezien van concurrerende devaluaties en dat niet naar de wisselkoersen mag worden gegrepen voor concurrentiedoeleinden. De G7- en de G20-ministers en -gouverneurs hebben deze consensus herhaald. De ECB-maatregelen op het gebied van monetair beleid zijn uitsluitend gericht, en moeten dit blijven, op het waarborgen van de continue evolutie van de inflatie in de richting van een niveau dat gelegen is onder, maar dicht bij 2 % op middellange termijn.

 

36. Hoe beoordeelt u de resultaten van de G20? Wat vindt u van het huidige niveau van coördinatie tussen de belangrijkste centrale banken?

De G20 was in de nasleep van de mondiale financiële crisis van cruciaal belang voor het stabiliseren van de mondiale financiële markten en het bieden van gecoördineerde beleidsreacties op budgettair en monetair gebied. In die zin is de G20 erin geslaagd een wereldwijde economische depressie te voorkomen. Ik heb in de G20 tal van besprekingen gevoerd als minister van Financiën van Frankrijk. Toen Frankrijk het voorzitterschap van de G20 overnam voor het jaar 2011, was ik voorzitter van de bijeenkomst van de ministers van Financiën en voorzitters van de centrale banken van de G20 en heb ik een ruime agenda voor de hervorming van het internationale monetaire stelsel in gang gezet. Ook de formule van leiders van de G20, waaraan ik het privilege had om deel te nemen in mijn voormalige hoedanigheid van algemeen directeur van het IMF, is doeltreffend gebleken bij de coördinatie van de mondiale reacties in tijden van economische en geopolitieke onzekerheid.

Dit gezegd zijnde vereisen de uitdagingen van vandaag nog steeds een sterke en gefocuste G20: we hebben onze hervormingsagenda voor de financiële sector nog niet volledig uitgevoerd, de mondiale economische cyclus is over zijn hoogtepunt heen en veel centrale banken handelen tegen nultarief, terwijl de overheidsfinanciën in veel landen er slechter aan toe zijn dan 10 jaar geleden. Daarnaast ontstaan nieuwe uitdagingen als cryptoactiva/fintech en de gevolgen van de digitalisering, om er slechts twee te noemen. Het blijft belangrijk om mondiale oplossingen voor deze uitdagingen te vinden en de G20 is momenteel de beste internationale constellatie voor het bespreken van economische samenwerking en coördinatie in tijden van crisis en daarbuiten.

De centrale banken interageren in de G20 en nemen deel aan een aantal G20-werkgroepen, en zij werken ook samen in de G7. Daarnaast zijn er andere fora in de context van de BIB, die even belangrijk zijn en die een ledenbestand hebben dat verder reikt dan de G7- en G20-landen. Aangezien de meeste centrale banken onafhankelijk zijn en hun respectieve mandaat volgen, is de coördinatie tussen hen vrij zeldzaam, maar het voortdurende niveau van interactie is een voorwaarde voor een gecoördineerd optreden, indien dit onder specifieke omstandigheden nuttig wordt geacht.

 

37. Moet de ECB concrete stappen ondernemen om de euro een impuls te geven als internationale munt? Zo ja, welke? Hoe realistisch acht u het dat de Japanse yen of de Chinese yuan de euro zal bedreigen als de op een na belangrijkste internationale valuta? Wat zouden de gevolgen zijn, als dit gebeurt?

Uit de literatuur komt naar voren dat, hoewel de internationale relevantie van valuta's in de eerste plaats bepaald wordt door historische ontwikkelingen en sterk trajectafhankelijk is, diverse andere factoren, zoals de omvang en stabiliteit van de binnenlandse economie, de rol van de munt in de internationale handel en financiën, alsmede geopolitieke overwegingen, ook een rol spelen. Het is dan ook belangrijk dat aan deze factoren wordt gewerkt om ervoor te zorgen dat de euro zijn internationale positie blijft verbeteren.

In dit verband beschikt de eurozone over een aantal troeven waarop kan worden gebouwd. Zoals blijkt uit het laatste verslag van de ECB, is het aandeel van de euro in de wereldwijde deviezenreserves het afgelopen jaar toegenomen met 1,2 %, tot 20,7 %. Er is ook een positieve toename geregistreerd wanneer wordt gekeken naar het aandeel in de internationale uitgifte van schuldpapier en de internationale deposito's, alsmede in het aandeel in de uitstaande bedragen van internationale leningen.

Ik ben verheugd over het initiatief van de Commissie dat vorig jaar is gelanceerd om de internationale rol van de euro te versterken. Ik ben van mening dat de ECB een rol moet spelen bij het ondersteunen van de economische en financiële stabiliteit door het uitvoeren van haar mandaat inzake de handhaving van prijsstabiliteit. Dit komt dan weer ten goede aan het gebruik van de euro als instrument voor waardeopslag buiten de eigen grenzen van de eurozone. Meer in het algemeen is een gezond economisch beleid belangrijk om valuta's wereldwijd aantrekkelijker te maken.

Van cruciaal belang is dat de internationale rol van de euro verder kan worden ondersteund door een diepere en meer volledige EMU. Voltooiing van de bankenunie en vooruitgang van de KMU kunnen helpen de financiële markten van de eurozone te versterken en zo de euro aantrekkelijker maken voor internationale investeerders. In dit verband kunnen de initiatieven van de ECB inzake marktinfrastructuur en betalingen, die helpen bij het verbeteren van de efficiëntie en een grotere integratie bevorderen van de financiële markten in de eurozone, bijdragen tot de versterking van de internationale aantrekkingskracht van de euro.

 

38. Wat zijn volgens u de belangrijkste uitdagingen en kansen voor de communicatie van centrale banken in de komende periode? Vindt u dat de ECB meer moet doen om argumenten tegen de euro te weerleggen?

Communicatie is uitgegroeid tot een centraal instrument van het beleid van centrale banken: zij is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat het monetair beleid de verwachtingen effectief stuurt; zij helpt ook bij het opbouwen van geloofwaardigheid en het afleggen van verantwoording. Bovendien zij is bevorderlijk voor het behoud van het vertrouwen van het publiek in de centrale banken en het behoud van de steun voor de onafhankelijkheid en legitimiteit ervan.

Het is bemoedigend om vast te stellen dat centrale banken wereldwijd – inclusief de ECB – grote vooruitgang hebben geboekt op het gebied van openheid en transparantie en dat zij verder communiceren dan alleen naar hun traditionele publiek van deskundigen. Precies daar bevindt zich volgens mij een onontgonnen gebied voor de communicatie van centrale banken: het grote publiek. Centrale banken moeten worden begrepen door de personen die zij uiteindelijk bedienen. Dit is essentieel voor het herstel van het vertrouwen.

Ik ben van mening dat de ECB haar communicatie verder kan versterken, om haar boodschap beter over te brengen en uit te leggen waarom haar optreden ertoe doet voor mensen en hun leven. Het zou ook lonen om meer inspanningen te leveren om groepen in de samenleving te bereiken die van oudsher niet centraal staan in de communicatie van de ECB, zoals jongeren en maatschappelijke organisaties, en om ook aandachtiger te luisteren naar hun zorgen. Het biedt een groot potentieel als de ECB wordt verbonden met de onderwerpen die van bijzonder belang zijn voor mensen, zoals ongelijkheid, digitale valuta of klimaatverandering, en om duidelijkere antwoorden te geven over de gevolgen hiervan voor de ECB en over de manier waarop de ECB – binnen de perken van haar mandaat – op deze gebieden kan bijdragen.

In dezelfde geest kan de ECB op proactievere wijze tonen dat de euro, de gedeelde valuta van 340 miljoen burgers, en de eigen acties van de ECB, een verschil hebben gemaakt voor het welzijn van de Europeanen en voor welvaart, veiligheid en cohesie binnen de EU. De ongekende hoge niveaus van steun van het publiek voor de euro – 76 % van de Europeanen in de laatste enquêtes – zijn geruststellend; dat het vertrouwen in de ECB zich slechts traag herstelt, toont echter aan dat aanhoudende en grotere inspanningen op het gebied van communicatie gerechtvaardigd zijn.

 

39. Moet de ECB volgens u meer EIB-obligaties kopen om te helpen bij de financiering van Europese investeringen overeenkomstig de primaire en secundaire doelstellingen van de ECB?

De supranationale obligaties van de EU, inclusief, maar niet uitsluitend EIB-obligaties, zijn belangrijk om te helpen bij de financiering van Europese investeringen. Het Eurosysteem heeft in het kader van het APP grote hoeveelheden supranationale EU-obligaties aangekocht, met tegoeden die momenteel ongeveer 230 miljard EUR bedragen.

Het uitstaande bedrag van de supranationale EU-obligaties is echter te laag om van deze obligaties het primaire streefdoel voor de aankopen van het Eurosysteem te maken, en zij kunnen dus slechts een deel vormen van de totale aankopen die nodig zijn om de doelstelling inzake monetair beleid van het programma te verwezenlijken.

Net als andere effecten in de publieke sector gelden voor door de EIB uitgegeven obligaties beperkingen. Met name verbiedt artikel 123 van het Verdrag het Eurosysteem om op de primaire markt EIB-obligaties aan te kopen; zij zijn onderworpen aan de toepasselijke selectiecriteria; en de geconsolideerde tegoeden moeten voldoen aan uitgifte- en emittentenlimieten, die in 2016 voor de supranationale EU-obligaties zijn toegenomen van 33 % tot 50 %.

 

40. Bent u van mening dat de lidstaten die niet tot de eurozone behoren, aan aanvullende voorwaarden moeten voldoen voordat zij lid worden van de eurozone en dus van de bankenunie, zoals het doeltreffend beheersen van witwasrisico's, het aantonen van relatief stabiele vastgoedmarkten en het doeltreffend controleren van corruptie?

Governance en doeltreffende instellingen zijn niet alleen van vitaal belang voor de productiviteit en voor investeringen, maar ook voor het garanderen van duurzame groei. In dit verband acht ik het belangrijk dat de ECB en de Commissie bij hun regelmatige beoordeling van de vooruitgang die elke lidstaat die niet tot de eurozone behoort, boekt bij het nakomen van zijn verplichtingen met betrekking tot het traject naar de EMU op grond van de criteria van Maastricht, bijzondere aandacht besteden aan de institutionele kwaliteit en governance en aan het toezicht op macro-economische onevenwichtigheden.

Door de oprichting van de bankenunie zal elk land dat de euro invoert, tegelijkertijd ook toetreden tot de bankenunie. Daarom moeten de lidstaten die klaar zijn om tot de eurozone toe te treden, uiteraard ook klaar zijn om deel te nemen aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM). In dit verband vind ik de aanpak die is ingevoerd voor Bulgarije in 2018 en bevestigd voor Kroatië in 2019, zeer pragmatisch en redelijk, namelijk dat de landen een nauwe samenwerking aangaan met de ECB op het gebied van toezicht op grond van de GTM-verordening op het moment dat zij toetreden tot het WKM II. Dit omvat ook een uitgebreide beoordeling van de banksectoren van beide landen, die vergelijkbaar is met de door de ECB uitgevoerde beoordeling voor de lidstaten van de eurozone. Ik ben tevens ingenomen met het feit dat een soortgelijke aanpak zou worden gevolgd voor de lidstaten die in de toekomst tot het WKM II wensen toe te treden, overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling, zoals uiteengezet in de verklaringen van de Eurogroep over het traject van Bulgarije en Kroatië in de richting van deelname aan het WKM II.

Voorts ben ik verheugd over het feit dat de Bulgaarse en de Kroatische autoriteiten hebben toegezegd dat aan een aantal landspecifieke maatregelen zal worden voldaan vóór de toetreding tot het WKM II. Deze toezeggingen hebben niet alleen betrekking op het toezicht op het bankwezen, maar ook op macroprudentieel en structureel beleid, bijvoorbeeld inzake de kaders ter bestrijding van witwassen. Volgens de planning van de WKM II-partijen moet dit er verder voor zorgen dat het nationale beleid van de toetredende landen een soepele deelname aan het WKM II mogelijk maakt vóór de invoering van de euro.

 

41. Hoe beoordeelt u het relatieve belang van overloopeffecten van het monetair beleid, met name het monetair beleid van de Verenigde Staten, voor het voeren van het monetair beleid in de eurozone?

Overloopeffecten zijn een logisch uitvloeisel van de mondialisering en het monetair beleid van de VS lijkt inderdaad met name gevolgen te hebben voor de financiële markten in de eurozone, en bijgevolg potentieel ook voor fundamentele aspecten in het mandaat van de ECB. De ECB moet de mondiale ontwikkelingen op het gebied van monetair beleid nauwlettend in het oog houden, voor zover deze van invloed kunnen zijn op de groeivooruitzichten en op haar mandaat inzake de handhaving van prijsstabiliteit. Zelfs in een mondiale economie met een hoge mate van verwevenheid is de ECB echter in staat om de interne financieringsvoorwaarden tot op zekere hoogte van deze overloopeffecten te vrijwaren door middel van beleidsmaatregelen, zoals intentieverklaringen ten aanzien van de koers. Haar monetair beleid blijft dus doeltreffend met betrekking tot het uitvoeren van haar mandaat inzake handhaving van interne prijsstabiliteit, zelfs in aanwezigheid van overloopeffecten.

 

42. Welke rol ziet u in de toekomst weggelegd voor transacties in contanten, in vergelijking met digitale transacties?

Contanten zijn de meest gebruikte betalingsmethode bij verkooppunten in de eurozone, zowel wat het aantal transacties als wat de waarde betreft. Verwacht mag worden dat contanten in de meeste landen van de eurozone in de nabije toekomst een belangrijk betaalmiddel bij verkooppunten zullen blijven. De snelle toename van het gebruik van contactloze kaarten en mobiele betalingen, de toename van online winkelen en de ontwikkeling van rechtstreekse betalingen (op basis waarvan nieuwe oplossingen voor retailbetalingen kunnen ontstaan) kunnen echter naar verwachting een merkbaar effect hebben op het gebruik van contanten voor transactiedoeleinden. Hoewel moeilijk te voorspellen valt hoe snel het gebruik van contanten voor transactiedoeleinden vervolgens zal dalen, lijkt het duidelijk dat dit zal gebeuren.

Het gebruik van contanten voor transactiedoeleinden is echter slechts één factor die de vraag naar bankbiljetten aanstuurt. Ongeveer 75 % van de in omloop zijnde eurobankbiljetten wordt gebruikt als instrument voor waardeopslag in de eurozone of in het buitenland. De vraag naar bankbiljetten is ook beïnvloed door diverse bijkomende factoren, zoals de financiële en staatsschuldencrises, de geopolitieke onzekerheden, de wisselkoersontwikkelingen en de beleidsbeslissingen. De laatste jaren blijft de circulatie van eurobankbiljetten een robuuste gemiddelde groei vertonen die boven de groei van het bbp ligt.

 

43. Het Europees Parlement heeft de ECB onlangs verzocht een tijdschema op te stellen voor de geleidelijke afschaffing van de mogelijkheid om bankbiljetten van 500 EUR te gebruiken. Wat is uw standpunt over beperkingen voor bepaalde grote coupures? Is verdere actie vereist?

Dit voorjaar hebben alle nationale centrale banken van de eurozone de uitgifte van 500 EUR-biljetten stopgezet. Gezien de internationale rol van de euro en het wijdverbreide vertrouwen in eurobiljetten, die in hoge mate gebruikt worden als instrument voor waardeopslag en in het buitenland, heeft de ECB duidelijk gemaakt dat het 500 EUR-biljet een wettig betaalmiddel blijft, net als alle andere coupures van de eerste serie eurobankbiljetten. Op basis hiervan kan een geleidelijke en georganiseerde daling van de in omloop zijnde bankbiljetten van 500 EUR plaatsvinden. Dit is in overeenstemming met de gevestigde praktijken van andere centrale banken, met name de Federal Reserve, die eveneens dollarbiljetten hun status van wettig betaalmiddel laten behouden. Als de status van wettig betaalmiddel van het 500 EUR-biljet wordt ingetrokken, kan dit een negatief effect hebben op het vertrouwen in de euro en eurobiljetten, zodat dit moet worden vermeden.

 

C. Financiële stabiliteit en toezicht

44. Hoe kunnen we het grote volume niet-renderende leningen aanpakken, alsmede de risico's in verband met de stroom van niet-renderende leningen? Hoe beoordeelt u het probleem van niet-renderende leningen in de balans van kleine en middelgrote kredietinstellingen? Welke maatregelen moet de ECB/het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) nemen om ervoor te zorgen dat alle banken van de eurozone en niet alleen de grootste banken op passende wijze omgaan met slechte leningen?

Door op de winstgevendheid van banken te wegen en het gebruik van kapitaal voor nieuwe, productievere leningen te beletten, hebben niet-presterende leningen (non-performing loans, NPL's) een negatief effect op de kredietverstrekking door banken, belemmeren zij de economische activiteit en kunnen zij, in geval van verregaande oninbaarheid, zelfs een bedreiging vormen voor de financiële stabiliteit. Om het grote volume NPL's aan te pakken en de opbouw van NPL's in de toekomst te voorkomen zijn door diverse Europese instellingen veel initiatieven genomen binnen het door de wetgever van de Unie uitgewerkte kader.

Als toezichthouder voor het bankwezen in de eurozone heeft het GTM sinds zijn oprichting in 2014 een strikte aanpak gevolgd om NPL's aan te pakken, te beginnen met een uitgebreide doorlichting van de kwaliteit van activa, waarbij onder meer een beoordeling wordt uitgevoerd van de omvang van de voorzieningen van de grootste banken in de eurozone tegen niet-renderende blootstellingen (non-performing exposures, NPE's). Het GTM heeft hier sindsdien een vervolg aan gegeven, met richtsnoeren voor banken waarin maatregelen, processen en beste praktijken worden beschreven voor banken om NPL's aan te pakken, en het heeft verwachtingen geformuleerd ten aanzien van banken met een groot volume aan NPL's om hun eigen strategieën voor het aanpakken van de NPL-volumes te ontwikkelen, alsmede concretere maatregelen in de vorm van verwachtingen op het gebied van toezicht voor prudentiële voorzieningen voor nieuwe NPL's en, vervolgens, voor de voorzieningen voor het NPE-volume.

Deze inspanningen hebben vruchten afgeworpen. Volgens recente gegevens van de ECB bedroeg de bruto NPL-ratio voor banken onder direct ECB-toezicht 3,67 % in het eerste kwartaal van 2019, tegen voordien 7,96 % in het vierde kwartaal van 2014. In absolute cijfers daalden de bruto NPL's in het eerste kwartaal van 2019 tot 587 miljard EUR, tegen 958 miljard EUR in het vierde kwartaal van 2014.

Bovendien is de Europese wetgeving onlangs gewijzigd door de opname van regels nemen inzake minimale verliesdekking voor NPL's. Op grond van deze regels zijn alle banken, zowel belangrijke als minder belangrijke instellingen, verplicht om voldoende dekking voor het verlies van leningen te bieden voor NPE's die voortkomen uit nieuw geïnitieerde leningen.

Met de goedkeuring van de nieuwe verordening heb ik begrepen en ben ik verheugd over het feit dat de ECB een aantal aanpassingen heeft aangebracht in haar toezichtsverwachtingen inzake de NPL-dekking om de algemene aanpak consistenter en eenvoudiger te maken.

Bovendien zijn de richtsnoeren van de Europese Bankautoriteit (EBA) inzake het beheer van NPL's en respijtblootstellingen, waarvan ik heb begrepen dat de ECB heeft bijgedragen aan de ontwikkeling ervan, gericht aan alle kredietinstellingen (inclusief middelgrote en kleine kredietinstellingen) en zijn zij bedoeld om ervoor te zorgen dat deze beschikken over adequate prudentiële instrumenten en kaders om hun NPE's op doeltreffende wijze te beheren en een duurzame vermindering op hun balans te realiseren. In de richtsnoeren wordt rekening gehouden met evenredigheidsaspecten voor de uitvoering ervan, waarbij concrete voorbeelden worden verstrekt.

 

45. Hoe beoordeelt u het grote volume activa van niveau 2 en niveau 3 in veel bankbalansen?

 Wordt met deze activa naar behoren rekening gehouden in het huidige toezichtkader?

In het regelgevings- en het boekhoudkundige kader wordt op een aantal manieren met waarderingsrisico's rekening gehouden. Banken moeten in het kader van de boekhoudkundige regels een reserve aanhouden tegen gemodelleerde waarderingswinsten in bepaalde situaties waar deze winsten niet kunnen worden aangetoond aan de hand van waarneembare marktgegevens. Volgens het regelgevingskader zijn verdere waarderingsaanpassingen nodig om prudente waarden te bepalen die een passende mate van zekerheid bieden.

Het banktoezicht van de ECB besteedt ook sinds de start ervan aandacht aan de waarderingspraktijken van banken. Bovendien heb ik begrepen dat de waardering van handelsrisico's en de waardebepaling van activa in 2019 zijn aangemerkt als een prioriteit voor het toezicht. Dit omvat ook een aantal missies ter plaatse waarbij de nadruk wordt gelegd op aspecten in verband met handels- en marktrisico's.

 

46. Wat is uw standpunt over de regulering van schaduwbankentiteiten? Zijn er volgens u lacunes in de regelgeving en het toezicht die op korte termijn door de wetgevers moeten worden aangepakt? Moet het GTM de bevoegdheid krijgen toezicht te houden op schaduwbankieren? Wat moet de rol van het GTM zijn ten aanzien van fintech?

De hervormingsagenda na de crisis heeft bijgedragen tot een vermindering van de risico's in het financiële stelsel vanuit alle hoeken, ook van niet-banken. De regelgevingsvereisten, de gegevensrapportage en het toezicht op EU-niveau en wereldwijd zijn versterkt. Hervormingen hebben bijvoorbeeld geldmarktfondsen en securitisatieactiviteiten veiliger gemaakt en gezorgd voor meer transparantie op de derivaten- en effectenfinancieringstransactiemarkten.

Dit gezegd zijnde moeten we waakzaam blijven. We moeten meer inspanningen leveren om de risico's van de snel groeiende vermogensbeheersector beter te begrijpen en te monitoren, zoals ook is aangegeven in de Global Financial Stability Review van het IMF. In de EU worden deze activiteiten gereguleerd en gecontroleerd, maar zij kunnen nog steeds schokken versterken door procycliciteit, liquiditeitmismatches, hefboomwerking of onderlinge verwevenheid. Deze risico's moeten nauwlettend in het oog worden gehouden en we moeten opnieuw beoordelen of het huidige regelgevingskader in voldoende mate aan deze zorgen tegemoetkomt vanuit macroprudentieel en systemisch perspectief. Meer in het algemeen beschikken we niet over een macroprudentieel instrumentarium voor niet-bancaire financiën. Dit is een lacune die moet worden aangepakt.

Wat toezichtmandaten betreft, ben ik van mening dat in de eerste plaats overeenstemming met worden bereikt over het feit dat een solide toezichtkader voor de niet-bancaire financiële sector op Europees niveau nodig is. Meer geïntegreerd toezicht op Europees niveau zou mogelijke grensoverschrijdende overloopeffecten helpen voorkomen en zowel een gelijk speelveld als het KMU-project ondersteunen. Zodra overeenstemming is bereikt over deze eerste stap, kunnen de lidstaten het eens worden over de vraag wie toezicht moet houden.

In het algemeen ben ik van mening dat we consistent moeten zijn – als iets eruitziet als een bank en risico's inhoudt als een bank, moet het worden gecontroleerd als een bank. Dit geldt voor beleggingsondernemingen en ook voor fintechbedrijven – dezelfde regels voor dezelfde risico's.

Fintech kan veel voordelen opleveren voor de financiële sector, met inbegrip van kostenefficiëntie, betere producten en diensten en uiteindelijk een betere klantenervaring. Bij deze innovaties moet het bankentoezicht van de ECB bijblijven en ervoor zorgen dat ook de banken zelf de risico's die voortvloeien uit de toepassing van nieuwe technologieën en oplossingen, begrijpen en beperken.

Ik ben ook ingenomen met het feit dat de ECB actief is op internationale fora om te zorgen voor een gemeenschappelijk begrip en een gemeenschappelijke benadering van fintech-gerelateerde kwesties.

 

47. Wat vindt u van de stappen in de richting van de voltooiing van de bankenunie met een Europees depositogarantiestelsel en een budgettair vangnet, inclusief de noodzakelijke tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving inzake de bankenunie?

De oprichting van de bankenunie was een belangrijke stap voor de Europese eenmaking. Het bankenstelsel is er veiliger en solider door geworden en de EMU in het algemeen veerkrachtiger. Maar de bankenunie blijft onvoltooid en is dus kwetsbaar voor schokken.

Ten eerste is de invoering van een gemeenschappelijk achtervangmechanisme voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) van essentieel belang voor de goede werking en geloofwaardigheid van de tweede pijler van de bankenunie. Door te zorgen voor extra slagkracht om het hoofd te bieden aan bankencrises via de verstrekking van zowel kapitaal- als liquiditeitssteun, zal het gemeenschappelijk achtervangmechanisme ervoor zorgen dat banken zonder systemische overloopeffecten en zonder last voor de belastingbetalers kunnen worden afgewikkeld – een belangrijk doel van de hervormingen na de crisis. Ik verheug mij over de vooruitgang die is geboekt tijdens de Europese top van juni, maar het is van cruciaal belang dat spoedig overeenstemming wordt bereikt over het operationeel maken van de achtervang. Naast het gemeenschappelijk achtervangmechanisme moeten ook passende regelingen worden vastgesteld voor het verstrekken van liquide middelen bij afwikkeling.

Ten tweede is een Europees depositoverzekeringsstelsel de ontbrekende pijler in de architectuur van de bankenunie. Dit stelsel zou het vertrouwen van de deposanten in de hele monetaire unie helpen vergroten, hetgeen de financiële stabiliteit zou verbeteren en de financiële integratie vergemakkelijken. Bovendien is een zone met een gemeenschappelijke munt gebaseerd op de idee dat geld – en deposito's zijn de belangrijkste bron van geld voor gewone burgers – baat heeft bij een gemeenschappelijk hoog niveau van vertrouwen, ongeacht waar in de muntzone dit geld wordt aangehouden.

 

48. Welke risico's houden hefboomleningen volgens u in voor de financiële stabiliteit en hoe moeten deze risico's worden aangepakt?

Hefboomleningen – grofweg gedefinieerd als de verstrekking van leningen/krediet aan kredietnemers met een hoge schuldenlast – hebben veel aandacht gekregen van de VS-, de EU- en de internationale autoriteiten.

De markten voor hefboomleningen zijn de afgelopen tien jaar sterk gegroeid. Dit is parallel verlopen met een verslechtering van de onderliggende kredietkwaliteit, door de toenemende hefboomwerking bij zakelijke kredietnemers en de ongekende daling van de kredietverleningsnormen. Op basis van openbare gegevens van de ECB is in de EU in 2017 bijvoorbeeld ongeveer 300 miljard EUR aan hefboomleningen uitgegeven. En in het vierde kwartaal van 2018 hadden 18 banken alleen al hun totale blootstelling aan de sector van de hefboomleningen verhoogd tot 321 miljard EUR.

Al met al doet de structurele verschuiving in de niet-financiële bedrijfssector naar een schuld van lagere kwaliteit prudentiële bezwaren rijzen. In de eerste plaats vertoont de handel voor ondernemingen met een grotere hefboomwerking hogere kredietspreads en wordt voor deze ondernemingen een grotere prijsvolatiliteit vastgesteld van de schuld en het eigen vermogen. Dit kan leiden tot een grotere volatiliteit van de markt tijdens recessies, die zich kan uitbreiden naar andere markten of de volatiliteit daar kan versterken. In de tweede plaats zullen ondernemingen met een grotere hefboomwerking hun investeringen tijdens recessies waarschijnlijk meer afbouwen dan ondernemingen met een minder grote hefboomwerking, hetgeen de recessie potentieel versterkt. En ten derde is het zo dat, als sommige grote banken en niet-bancaire entiteiten al te blootgesteld mogen zijn aan leningen met hefboomwerking, de druk op het niveau van de entiteit zich ruimer kan verspreiden. De toenemende hefboomwerking in de bedrijfssector, de dalende kredietverleningsnormen en de zwakke bescherming van de kredietverstrekker kunnen de kans op wanbetalingen en lagere terugvorderingspercentages voor leningen met hefboomwerking verhogen.

Er zijn diverse andere onbekende factoren die belangrijk zijn, zoals de vraag wie de uiteindelijke niet-bancaire investeerders zijn, zowel in leningen met hefboomwerking als in door zekerheden gedekte schuldobligaties. De prestaties van leningen met hefboomwerking staan onder druk, met name gezien het feit dat de wijdverbreide verschuiving van de markt naar een lagere bescherming van beleggers in de kredietdocumentatie waarschijnlijk zal leiden tot lagere terugvorderingen dan het geval was in het verleden.

Er is al veel ondernomen, zowel op nationaal als op internationaal niveau. De Raad voor financiële stabiliteit houdt bijvoorbeeld nauwlettend toezicht op deze markten en de leden zullen de komende maanden het patroon van blootstellingen aan deze activa nader onderzoeken, om de Raads analyse van potentiële kwetsbaarheden te verdiepen. Gezien het mondiale karakter van de markten voor leningen met hefboomwerking en de mondiale spreiding van de deelnemers hieraan, is een sterke coördinatie tussen regelgevende en toezichthoudende autoriteiten gerechtvaardigd. Hierbij moeten zowel banken als niet-banken betrokken worden, met het oog op het bevorderen van behoorlijke normen inzake leningcreatie.

Daarnaast is veel werk verricht door de toezichthoudende autoriteiten om ervoor te zorgen dat de kaders voor risicobeheer van banken deze risico's verstandig aanpakken en beheren. Ik stel vast dat het bankentoezicht van de ECB in mei 2017 richtsnoeren inzake transacties met hefboomwerking heeft gepubliceerd, om de tekortkomingen aan te pakken die bij de kaders voor risicobeheer en -monitoring van banken zijn vastgesteld.

 

49. Voor welke uitdagingen ziet de ECB zich volgens u geplaatst, als het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) zou worden omgevormd tot een Europees Monetair Fonds (EMF)?

Ik ben verheugd over het breed gedragen akkoord dat tijdens de Europese top van juni 2019 bereikt is over de belangrijkste elementen van de hervorming van het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM). Het is belangrijk dat in december 2019 een definitief besluit wordt genomen, aangezien deze hervorming voor een versterking kan zorgen van de architectuur van de eurozone en de capaciteit van de eurozone om economische en financiële crises in de toekomst het hoofd te bieden.

Het herziene ESM-verdrag bepaalt dat het hervormde ESM bij de uitvoering van zijn activiteiten de door de EU-wetgeving aan de instellingen en organen van de Unie verleende bevoegdheden in acht moet nemen. Dit betekent dat de aan het ESM toegewezen nieuwe taken geen afbreuk doen aan de bevoegdheden van de ECB en het Europees Comité voor systeemrisico's (ECSR), onder meer op het gebied van monetair beleid, microprudentieel toezicht en macroprudentieel toezicht.

Wat het specifieke voorstel betreft om het ESM een nieuwe naam te geven, ben ik het eens met het reeds door de ECB geformuleerde standpunt dat de naam Europees Monetair Fonds misleidend zou zijn. Noch de doelstellingen en taken, noch de financiering van het ESM hebben een monetair karakter. Ik herinner eraan dat het IMF zijn naam heeft gekregen omdat het is opgericht met het oog op het handhaven van een ordelijke deviezenregeling tussen de leden – waarbij aanvankelijk onder andere toezicht werd gehouden op de naleving door de leden van het wisselkoerssysteem van Bretton Woods – en dat het IMF in het kader van zijn mandaat blijft ijveren voor internationale monetaire samenwerking en stabiele deviezen.

Tot slot zou het belangrijk zijn het ESM te integreren in de rechtsorde van de EU, zodat het verantwoording moet afleggen aan het Europees Parlement.

 

50. Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de ECB bij financiële steunprogramma's? Zal u een evaluatie initiëren van de rol en de activiteiten van de ECB in het kader van financiële steunprogramma's? Hoe ziet u de mogelijke betrokkenheid van de ECB bij financiële steunprogramma's en bij het toezicht na afloop van het programma in de toekomst evolueren?

De ECB heeft op verzoek van de lidstaten deelgenomen aan de aanpassingsprogramma's, ter aanvulling van de deskundigheid van de Commissie en het IMF. In het kader van de programma's voor financiële bijstand hebben de lidstaten verregaande hervormingen doorgevoerd die de basis hebben gelegd voor een terugkeer naar duurzame groei.

Ik ben het eens met het recente besluit van de raad van bestuur om de betrokkenheid van de ECB te concentreren op gebieden die strikt relevant zijn vanuit het oogpunt van monetair beleid en financiële stabiliteit. Hoewel beleidsontwikkeling op gebieden als hervorming van de arbeids- en de productmarkt of privatisering erg belangrijk blijft, wordt dit onderwerp volgens mij beter aangepakt door de andere partners.

Wat de kwestie betreft van evaluatie, ben ik voorstander van een feedbackcultuur en sta ik volledig achter evaluaties achteraf. Lessen trekken uit eerdere ervaringen is inderdaad van fundamenteel belang voor het verbeteren van de toekomstige prestaties. Toen ik directeur van het IMF was, was het personeel bezig met de evaluaties achteraf van de programma's voor Ierland (2015) en Portugal (2016) en voor het eerste (2013) en het tweede (2017) programma voor Griekenland. Alle rapporten zijn openbaar gemaakt met het oog op het afleggen van verantwoording.

 

51. Is het volgens u nodig een strikte scheiding te handhaven tussen het monetair beleid en het bankentoezicht en welke hervormingen zouden deze scheiding volgens u vergroten en bevorderen?

Met de instelling van het GTM zijn waarborgen ingevoerd die ervoor zorgen dat de taken op het gebied van toezicht en monetair beleid gescheiden van elkaar worden uitgevoerd, om elk vermeend of feitelijk belangenconflict tussen beide functies uit te sluiten. De toezichtbesluiten worden bijvoorbeeld besproken en voorbereid door de raad van toezicht van de ECB en de raad van bestuur is alleen betrokken door middel van een non-oppositieprocedure.

Naar mijn mening heeft de wetgever met de GTM-verordening een goed evenwicht gevonden. Enerzijds worden de taken op het gebied van toezicht en monetair beleid door de ECB strikt gescheiden van elkaar uitgevoerd. Anderzijds kunnen nog steeds administratieve synergieën tussen beide functies worden benut, bijvoorbeeld door het feit dat zij gebruikmaken van één IT-systeem en van een gezamenlijke dienst voor de statistiek. Ook kan, met inachtneming van strikte regels, informatie worden uitgewisseld tussen de verschillende bedrijfssegmenten, om ervoor te zorgen dat, bijvoorbeeld in een crisissituatie, met alle relevante informatie rekening wordt gehouden. Tegen deze achtergrond ben ik voorstander van een grondige uitvoering van het beginsel van scheiding, dat, voor zover ik kan vaststellen, goed functioneert. Als verdere beperkingen worden opgelegd, kan dit leiden tot een lagere kostenefficiëntie of bijkomende belemmeringen creëren voor het delen van informatie, die het nemen van de juiste beslissingen in de weg kunnen staan, bijvoorbeeld in crisissituaties.

 

52. Wat denkt u van een mogelijk compromis tussen financiële stabiliteit en mededinging?

 Hoe kunnen beide concepten met elkaar worden verenigd?

Een gezonde mate van mededinging leidt normaal gesproken tot meer voordelen voor consumenten en de economie in het algemeen. Vooral een markt met te weinig aanbieders van financiële diensten is niet goed: aan de ene kant krijgen consumenten te maken met te hoge rentevoeten – wat hun welvaart vermindert en uiteindelijk tot minder investeringen en lagere groei leidt – en aan de andere kant bestaat het kleine aantal aanbieders waarschijnlijk uit grote, systeemrelevante entiteiten, die 'too big to fail' zijn (te groot om failliet te gaan).

Gezonde mededinging moet daarnaast een overcapaciteit in financiële diensten verhinderen: dit kan namelijk resulteren in krappe kredietmarges en het nemen van buitensporige risico's, hetgeen de financiële stabiliteit in het gedrang brengt. Kortom, een gezonde mate van mededinging moet ervoor zorgen dat de economie over een gepaste hoeveelheid financiële diensten beschikt, tegen prijzen die alle kosten en inherente risico's dekken, en vormt tegelijkertijd een bescherming tegen plaatselijke monopolies en 'too-big-to-fail'-problemen. In dit opzicht draagt het Europese regelgevingskader bij tot de verbetering van de beschikbare instrumenten voor de omgang met banken die te groot zijn om failliet te gaan, zowel in voorspoedige als moeilijke tijden.

 

53. Hoe kan de samenwerking tussen het GTM (gemeenschappelijk toezichtsmechanisme) en de GAR (Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad) worden verbeterd?

Bij mijn weten bestaat er al actieve samenwerking tussen het GTM en de GAR, en dat op alle niveaus, onder meer tussen de bestuursraden en op technisch vlak. Beide instanties hebben een bilateraal memorandum van overeenstemming (MoU) ondertekend. Dit MoU beslaat verscheidene samenwerkingsgebieden en heeft betrekking op de uitwisseling van informatie op regelmatige en specifieke basis over dagelijkse activiteiten en in crisissituaties. Het MoU moet voortdurend geactualiseerd worden en onder meer worden aangepast aan de recentste ontwikkelingen op het vlak van wetgeving, zoals de tenuitvoerlegging van de TLAC-norm. Ik ben ervan overtuigd dat de samenwerking op die manier nog sterker zal worden.

 

54. Dankzij het pakket risicoverminderende maatregelen kan de ECB besluiten om geen rekening te houden met blootstellingen binnen de EU wanneer zij de MSI-score berekent van een bank die onder haar bevoegdheid valt. In het licht van de invoering van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM) vindt de Raad dit gerechtvaardigd. Bent u het eens met deze afbouw van de vereisten inzake hard kapitaal voor de grootste banken van Europa?

Sinds de crisis zijn het GTM, het GAM en het GAF (gemeenschappelijk afwikkelingsfonds) opgericht. Stel dat er vandaag een bank failliet gaat of het moeilijk krijgt, dan zou de rechtsgebiedoverschrijdende aanpak daarvan binnen de bankenunie veel gemakkelijker verlopen dan voor de crisis. Blootstellingen over de grenzen heen binnen de bankenunie vormen met andere woorden niet langer een goede maatstaf voor hoe ingewikkeld de afwikkeling van een bank is.

Opdat de autoriteiten deze nieuwe context in aanmerking kunnen nemen, is de berekeningsmethode voor financiële instellingen die mondiaal systeemrelevant zijn, dan ook aangepast. Deze aanpassingen zorgen er op hun beurt voor dat activiteiten en financiële integratie of diversifiëring tussen verschillende landen van de bankenunie niet onnodig worden getroffen.

Banken moeten echter uiteraard een kapitaalniveau aanhouden dat in verhouding staat met de risico's die zij nemen.

 

55. Hoe beoordeelt u de tenuitvoerlegging van het afwikkelingsmechanisme voor banken in de EU? Vindt u dat er nieuwe instrumenten nodig zijn? Zo ja, welke?

De oprichting van de tweede pijler van de bankenunie heeft het Europees kader voor crisisbeheersing de voorbije jaren aanzienlijk versterkt. Denken we bijvoorbeeld aan de aanneming van de GAM-verordening en de richtlijn herstel en afwikkeling van banken. In het bijzonder zijn er afwikkelingsinstrumenten ingevoerd – met name het bail-in-instrument – die de autoriteiten in staat stellen een bank ordentelijk af te wikkelen, en zonder te moeten gebruikmaken van het geld van de belastingbetaler. Het afwikkelingskader werd voor het eerst getest in 2017, toen de GAR (Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad) maatregelen nam voor de afwikkeling van Banco Popular. Bij die gelegenheid heeft het kader bewezen doeltreffend te functioneren.

Algemeen gesproken bevindt de tenuitvoerlegging van het Europees afwikkelingskader zich nog in een overgangsfase: belangrijke elementen zoals de vergroting van het verliesabsorberend vermogen van de Europese banken zijn immers nog niet afgerond. Sommige elementen kunnen evenwel al worden verbeterd en verder geharmoniseerd. Het kader voor vroegtijdige interventie bijvoorbeeld kan op verschillende manieren worden verbeterd: wegwerken van de overlapping van toezichtmaatregelen en maatregelen voor vroegtijdige interventie, opzetten van een kader voor liquiditeitsverstrekking aan afgewikkelde banken, vaststellen van een gemeenschappelijke aanpak van bankfaillissementen (door de invoering van een geharmoniseerd administratief instrument voor liquidatie), oplossingen vinden voor kwesties inzake herkomst- en ontvangstlanden, en invoeren van een algemene bevoorrechting van deposanten. Binnen het kader voor de afwikkeling van banken is er tot slot ook nood aan een evenwichtige benadering van de belangen van herkomst- en ontvangstlanden, zodat de bankenunie nog verder integreert.

 

56. Wat vindt u van de huidige institutionele opzet van het Europees Comité voor systeemrisico's (ECSR) onder het dak van de ECB aangaande concrete resultaten in macroprudentieel toezicht? Ontwaart u conflicten tussen het monetair beleid, het macroprudentieel beleid en de toezichthoudende rol van de ECB?

Het ECSR is opgericht naar aanleiding van een van de belangrijkste vaststellingen die we tijdens de financiële crisis hebben gedaan, namelijk dat er nood was aan een beter macroprudentieel toezicht op de financiële sector, in de vorm van een nieuwe beleidsfunctie. Het ECSR bestaat sedert 2010 en draagt sindsdien actief bij tot de vormgeving van het macroprudentieel beleid in de EU: het levert talrijke aanbevelingen, waarschuwingen, adviezen en andere publicaties over uiteenlopende onderwerpen die verband houden met de financiële stabiliteit. Daarbij richt het zich trouwens niet uitsluitend op de Europese banksector.

Gezien de knowhow en de bestaande verantwoordelijkheden van de ECB en de nationale instanties inzake macro- en microprudentieel toezicht, bereiken we synergievoordelen door het ECSR onder de koepel van de ECB te plaatsen. Het is natuurlijk evenwel belangrijk dat alle structuren zelfstandig besluiten kunnen nemen. Volgens mij komen de algemene raad van het ECSR en de bestuursraad van de ECB onafhankelijk van elkaar tot hun besluiten, en wordt dit gegarandeerd door afzonderlijke besluitvormingsprocedures en -organen die zijn vastgelegd in de EU-wetgeving.

 

57. Middels een wijziging is in de richtlijn herstel en afwikkeling van banken (BRRD) en de verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM-verordening) de totale verliesabsorptiecapaciteit (TLAC) opgenomen. Wat is uw mening over instellingen die te groot of te verwezen zijn om failliet te kunnen gaan, over spaarbanken en over de algemene kwestie van de winstgevendheid van de bankensector in de EU? En hoe moeten de bankensector volgens u evolueren om te beantwoorden aan de behoeften van de reële economie en de noodzaak van langetermijnfinanciering?

Tijdens de hervormingen na de crisis is er veel moeite gestoken in beleidsmaatregelen om een essentieel probleem aan te pakken: er moest voor worden gezorgd dat geen enkele bank, hoe groot of verweven ook, te groot is om failliet te kunnen gaan. De afwikkeling van banken moet haalbaar en geloofwaardig zijn, zonder systemische overloopeffecten en zonder lasten voor de belastingbetaler. De maatregelen hadden betrekking op afwikkeling, toezicht en kapitaal, en een aantal ervan gingen over TLAC.

De TLAC-voorschriften moeten zorgen voor een verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit die voldoende groot is om de ordentelijke afwikkeling van banken mogelijk te maken. Mondiaal systeemrelevante banken (MSB's) uit de eurozone voldoen momenteel aan tijdelijke TLAC-voorschriften op basis van zowel risico als hefboomwerking, en zijn op weg om te voldoen aan de volledige vereisten. TLAC heeft al bijgedragen tot een aanzienlijke toename van de verliesabsorptiecapaciteit van MSB's, en de invoering in Europa van de minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL) zal deze capaciteit nog vergroten, ook voor banken die geen MSB zijn.

TLAC-hervormingen en algemener hervormingen rond het 'too-big-to-fail'-probleem zorgen er waarschijnlijk voor dat banken minder impliciete subsidies ontvangen. Dat is een wenselijk resultaat. In het algemeen moeten eventuele kosten die uit dit soort reglementering voortkomen, worden afgewogen tegen het belang van het doen verdwijnen van het 'too-big-to-fail'-probleem: daarmee zou de financiële stabiliteit namelijk toenemen en zouden crisissen minder vaak voorkomen en minder gevolgen hebben. Een veiliger en stabieler bankenstelsel is gunstig voor stabiele overheidsfinancieringen en voor de reële economie.

Eerder dit jaar is de Raad voor financiële stabiliteit begonnen met een grondige beoordeling van de hervormingen die sinds de crisis zijn genomen om het 'too-big-to-fail'-probleem aan te pakken. Op die manier zullen we kunnen evalueren of de doorgevoerde hervormingen het gewenste effect hebben en met name voor een verkleining zorgen van de morele en systemische risico's die systeemrelevante banken vertonen. Bij de beoordeling zal ook rekening worden gehouden met eventuele ruimere gevolgen voor het financiële stelsel.

 

58. Hoe kunnen witwasserij, belastingontwijking en terrorismefinanciering in de bankenunie efficiënter worden aangepakt? Welke rol moet de ECB/het GAM hierbij spelen? Wat is de efficiëntste taakverdeling tussen de ECB en de EBA enerzijds en de nationale toezichthoudende instanties van de lidstaten anderzijds voor wat het toezicht op en de oplegging van het kader voor de bestrijding van witwaspraktijken (Anti-Money Laundering of AML-kader)?

Voor het aanpakken van witwasserij, belastingontduiking en terrorismefinanciering moeten de verschillende instanties bij de uitoefening van hun respectieve taak samenwerken. Dergelijke samenwerking is een deel van de aanpak, en dat is ook gebleken uit de recente gevallen van witwasserij in de Europese bankensector en het onderzoek van die gevallen dat de Commissie onlangs heeft gepubliceerd. De recente wetswijzigingen aan de richtlijn kapitaalvereisten, de vijfde antiwitwasrichtlijn en de EBA-verordening, die tot doel hebben de samenwerking tussen de diverse instanties te verbeteren, zijn dan ook bijzonder welkom.

Het GAM is een microprudentiële toezichthouder en is niet verantwoordelijk voor de bestrijding van witwasserij (AML) noch voor de bestrijding van terrorismefinanciering (CFT). Deze verantwoordelijkheid ligt bij de nationale toezichthouders. Van de ECB wordt evenwel verwacht dat zij rekening houdt met het risico van witwasserij en terrorismefinanciering, bijvoorbeeld in de procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder, en bij de beoordeling van de geschiktheid van bestuursleden, aangezien AML/CFT-kwesties aanzienlijke prudentiële gevolgen kunnen hebben.

De EBA heeft onlangs de aanvullende taak gekregen om te helpen bij de coördinatie en harmonisering van de toezichthoudende benadering van AML/CFT: dit is een heuglijke ontwikkeling, die zal bijdragen tot meer coherentie binnen de EU op het vlak van AML/CFT-toezicht. De ECB, de EBA, en de prudentiële toezichthoudende instanties en AML/CFT-toezichthouders van de lidstaten hebben weliswaar elk een eigen opdracht, maar het is belangrijk dat het toezicht dat al deze autoriteiten uitoefenen, doeltreffend is, zodat het gevaar van witwasserij afneemt en de potentiële schade van witwasserij voor de leefbaarheid van een bank, het financiële stelsel en de economie in het algemeen kan worden vermeden.

 

59. In een recente zaak waarbij de Maltese Pilatus Bank betrokken was, stootte de ECB op juridische obstakels toen zij, na de aanhouding van de voorzitter van de bank in maart in de Verenigde Staten wegens vermeende witwaspraktijken en bankfraude, de vergunning van de bank om leningen te verstrekken wilde intrekken. De vertraging waarmee de ECB werd geconfronteerd, zou zijn veroorzaakt door onduidelijke regels en buitensporige discretionaire bevoegdheden voor nationale toezichthouders. Hoe beoordeelt u de juridische en de technische capaciteit van de ECB, op basis van haar huidige prudentiële bevoegdheden, om witwaspraktijken te verhinderen en in de toekomst in soortgelijke gevallen efficiënt op te treden?

In het GTM-kader zijn kleinere instellingen zoals Pilatus Bank onderworpen aan het directe prudentiële toezicht van de nationale bevoegde autoriteit. De ECB is echter verantwoordelijk voor de afgifte en intrekking van vergunningen en voor de beoordeling van de aankoop van gekwalificeerde deelnemingen voor alle GTM-kredietinstellingen. Dat doet de ECB voornamelijk op basis van voorstellen van de nationale bevoegde autoriteiten. Het zijn dus de relevante nationale autoriteiten die moeten nagaan of banken voldoen aan de AML/CFT-voorschriften en de nationale rechtshandhavingsinstanties die witwasdelicten moeten onderzoeken. De ECB houdt in prudentiële evaluaties (en ook bij het intrekken van vergunningen) echter rekening met relevante AML-informatie en met de beoordelingen die zij van de nationale bevoegde autoriteiten ontvangt. Deze gang van zaken is vastgelegd in het toepasselijke rechtskader. In dit opzicht hangt de ECB met andere woorden in aanzienlijke mate af van en werkt zij nauw samen met de relevante AML/CFT-autoriteiten van de lidstaten.

Naar aanleiding van de recente gevallen van witwasserij heeft de EU verscheidene juridische en operationele initiatieven genomen om de rol van prudentiële toezichthouders (onder wie de ECB) te versterken, om bij de uitoefening van prudentieel toezicht rekening te houden met de witwasproblematiek en om de samenwerking tussen prudentiële toezichthouders en AML/CFT-toezichthouders te vergroten. Zo heeft de EU onder meer maatregelen genomen ter verbetering van de uitwisseling van informatie tussen autoriteiten en de coördinatie en coherentie van het prudentieel toezicht wanneer er AML/CFT-kwesties in het spel zijn.

 

60. Hoe denkt u, in het licht van de recente schandalen in de EU, dat er rekening zal worden gehouden met witwasrisico’s wanneer de ECB de financiële stabiliteit van banken beoordeelt? Acht u het noodzakelijk om het toezicht op AML in de EU toe te vertrouwen aan één enkel agentschap of mechanisme, en vindt u dat de bevoegde autoriteiten intussen belastinggegevens moeten kunnen gebruiken voor AML-doeleinden?

Uit de recente berichten over vermoedelijke witwaspraktijken in de Europese bankensector is gebleken dat het AML/CFT-kader nog moet worden verbeterd. Ter bescherming van de interne markt kan het nodig zijn om een pan-Europese aanpak te overwegen: het huidige kader is immers maar zo doeltreffend als de zwakste nationale tenuitvoerlegging ervan. Voor wat het centraliseren van het AML/CFT-toezicht betreft, wil op opmerken dat de mededeling van de Commissie inzake een betere tenuitvoerlegging van AML/CFT in de EU een aantal opties bevat die de moeite van het overwegen waard zijn. De Commissie stelt bijvoorbeeld voor om: (i) de AML-richtlijn om te vormen tot een EU-verordening, met als doel het voorschriftenpakket inzake AML/CFT verder te harmoniseren; (ii) specifieke AML-toezichthoudende taken toe te wijzen aan een EU-orgaan, met het oog op een kwalitatief hoogstaand en coherent AML-toezicht op de financiële sector; en (iii) een sterker samenwerkingsmechanisme te creëren, met als doel de samenwerking tussen financiële-inlichtingeneenheden over de grenzen heen te ondersteunen.

Tot slot is het weliswaar zo dat het toezicht op de naleving door banken van de AML/CFT-voorschriften momenteel wordt uitgeoefend op het niveau van de lidstaten, namelijk door de nationale AML/CFT-autoriteiten, maar moet de ECB in de context en binnen de grenzen van haar eigen toezichthoudende mandaat terdege rekening houden met het risico van witwasserij en terrorismefinanciering. In dit verband kan de uitwisseling van informatie met prudentiële toezichthouders en AML/CFT-toezichthouders nuttig zijn om de ECB te helpen in haar prudentiële beoordelingen rekening te houden met witwasrisico's.

 

61. In vergelijking met de eurozone heeft de VS een geïntegreerdere financiële sector. Dit is van groot belang om de impact van negatieve schokken te verzachten (d.w.z. voor de veerkracht van de sector). De wereldwijde financiële crisis heeft echter aangetoond dat de financiële netwerken misschien wel weerbaar zijn, maar tegelijk ook kwetsbaar: dezelfde kenmerken die het systeem onder bepaalde omstandigheden veerkrachtiger maken, kunnen onder andere omstandigheden functioneren als belangrijke factoren voor systeemrisico en instabiliteit. Is meer financiële integratie altijd in overeenstemming met de doelstelling van financiële stabiliteit? Wat moeten de doelstellingen van de kapitaalmarktenunie (KMU) zijn?

De wereldwijde financiële crisis heeft duidelijk gemaakt dat er een wisselwerking is tussen financiële integratie en financiële stabiliteit. Enerzijds vermindert de integratie van de financiële markten idiosyncratische risico’s die voortvloeien uit land- en sectorspecifieke kwetsbaarheden, door de diversificatie van de financieringsbronnen voor de reële economie en de risicodeling tussen de landen te bevorderen. Anderzijds kan meer onderlinge verwevenheid ook het besmettingsrisico van plaatselijke spanningen doen toenemen, met als gevolg dat kleine schokken de normale werking van de financiële markten kunnen verstoren. De crisis heeft aangetoond dat er regelgeving en toezicht nodig zijn om deze wisselwerking in evenwicht te houden.

Naast de hervormingen op het gebied van regelgeving, toezicht en crisisbeheersing die sinds de crisis zijn doorgevoerd – met name de oprichting van de bankenunie en de ontwikkeling van het macroprudentieel kader van de EU – biedt de KMU uitzicht op meer voordelen door integratie, zonder dat de financiële stabiliteit in het gedrang komt. De KMU-agenda kan ook een essentiële rol spelen bij het hervormen van het financiële landschap en het toezicht hierop in de EU, in de aanloop naar de uitdagingen die zullen voortvloeien uit de brexit. Tot de belangrijkste doelstellingen van de KMU-agenda behoren een grotere diversificatie van de financieringsbronnen voor Europese niet-financiële vennootschappen en de versterking van de grensoverschrijdende dimensie van investeringen binnen de EU. Hierdoor zou de veerkracht van het financiële stelsel ten aanzien van land- en sectorspecifieke risico’s vergroten, zouden er sociale voordelen kunnen ontstaan dankzij risicodeling tussen meerdere landen, en zou de transmissie van het monetaire beleid vlotter worden. De KMU is ook gericht op het vergroten van de grensoverschrijdende financiering van aandelen en de kruiselingse eigendom van activa binnen de eurozone/EU, waardoor de mechanismen voor risicodeling met de privésector tussen landen onderling worden verdiept en waardoor de consumptie wordt aangezwengeld. Tot slot voorziet de KMU in veerkrachtige vormen van grensoverschrijdende integratie door middel van buitenlandse directe investeringen, buitenlandse effecten en schuldemissies met een langere looptijd.

Ik ben ingenomen met de vooruitgang die tot dusver is geboekt ter verbetering van de Europese kapitaalmarkten. We zijn er echter nog niet. Verdere vooruitgang in de richting van meer geïntegreerde kapitaalmarkten in de EU moet onder meer passende regelgeving omvatten, alsook een macroprudentiële aanpak voor de niet-bancaire financiële sector, met als doel de financiële stabiliteit te waarborgen. Uiteindelijk moet een werkelijk geïntegreerde KMU ook vergezeld gaan van één enkel toezichtkader.

 

62. Wat denkt u van het verslag van het IMF uit 2012 met als titel "The Chicago Plan Revisited" (auteurs: J. Benes en M. Kumhof), en van de ideeën die eraan ten grondslag liggen? Denkt u dat de in dit verslag voorgestelde bankhervormingen zouden bijdragen tot een vermindering van systemische kwetsbaarheden?

In het werkdocument van het IMF waarnaar u verwijst, wordt gekeken naar het zogenaamde 'Chicago-plan': professor Henry Simons van de universiteit van Chicago was de eerste die dit plan voorstelde, na de Grote Depressie. De hoofdelementen van dit plan worden ook wel aangeduid met de term 'narrow banking' (nutsbankieren). Het uitgangspunt van narrow banking is tweeledig: ten eerste moeten banken 100 % van hun deposito’s dekken met door de overheid uitgegeven schuldbewijzen; en ten tweede mogen banken nieuwe leningen alleen kunnen financieren door winst in te houden, of door rechtstreeks van de overheid te lenen.

Volgens de voorstanders zijn dit de voordelen van narrow banking: de dreiging van bankruns zou worden uitgeschakeld; de overheid zou kunnen verhinderen dat privébanken beslissen over de toevoer van ruime hoeveelheden geld (broad money), en zou op die manier de kredietcyclus onder controle kunnen houden; en de overheidsschuld en particuliere schulden zouden worden teruggedrongen. Persoonlijk betwijfel ik of een dergelijk plan wenselijk of noodzakelijk is. Ik ben er niet van overtuigd dat het wegnemen van de rol van privébanken bij de toevoer van broad money een goed idee is, aangezien er geen garantie bestaat dat overheden er algemeen gezien beter in zouden slagen de reële economie te financieren. Als banken te maken krijgen met zulke strenge beperkingen op hun leenvermogen, valt er bovendien te verwachten dat privéleningen al snel migreren naar niet-gereglementeerde delen van het financiële stelsel, met onbekende gevolgen.

Tien jaar na de financiële crisis zijn banken over het algemeen veel veiliger geworden. Vandaag moeten ze over meer kapitaal beschikken en over kwalitatief hoogstaander kapitaal dan vóór de crisis. Ook wordt van hen verwacht dat zij aanzienlijke buffers van kwaliteitsvolle liquide activa aanhouden om aan hun verplichtingen te kunnen voldoen, zelfs wanneer de markten niet functioneren. We hebben grote vorderingen gemaakt met betrekking tot het wegwerken van het 'too-big-to-fail'-probleem, met name door banken ertoe te verplichten schuld uit te geven die in staat is verliezen op te vangen en in geval van faillissement van de bank kan worden omgezet in aandelenkapitaal. Zo loopt de belastingbetaler minder risico. Dankzij het gebruik van macroprudentiële instrumenten kunnen we de veerkracht van het financiële stelsel bovendien verder versterken, met name door vereisten af te stemmen op cyclische variaties in financiële omstandigheden en door structurele systeemrisico’s op bepaalde markten of geografische locaties aan te pakken.

In de huidige situatie moet de nadruk liggen op een volledige, tijdige en consistente uitvoering van de financiële hervormingen die sinds de crisis zijn doorgevoerd. Voor we tot andere ingrijpende wijzigingen overgaan, moeten we deze hervormingen ook grondig evalueren, om ervoor te zorgen dat ze naar behoren functioneren.

 

63. Een aantal belangrijke obligaties uit de particuliere en publieke sector in Europa worden gekenmerkt door negatieve rendementen. Heeft dit gevolgen voor de financiële stabiliteit en, zo ja, hoe moeten deze gevolgen worden aangepakt?

Inderdaad, heel veel overheidsobligaties met een hoge rating en niet weinig niet-financiële bedrijfsobligaties worden momenteel tegen negatieve rentevoeten verhandeld. Dit geldt zelfs voor obligaties met een zeer lange looptijd. Enerzijds kunnen soepelere financieringsvoorwaarden het macro-economische klimaat helpen ondersteunen en een gunstige invloed hebben op de financiële stabiliteit, maar anderzijds houden ze ook een aantal gevaren voor de financiële stabiliteit in, die we nauwlettend in het oog moeten houden.

Ten eerste, aangezien negatieve rendementen op obligaties betekenen dat deze obligaties gemakkelijk te financieren zijn voor de emittent ervan, zouden uitgevende instellingen geneigd kunnen zijn meer risico aan te gaan of hun schuldenlast te vergroten, en dit in een mate die onder andere omstandigheden als buitensporig zou kunnen worden beschouwd. Aangezien de rendementen op overheidsobligaties ook dienen als benchmark voor bankkredieten, kunnen deze gevaren gelden voor een bredere waaier van kredietnemers, ook buiten de markten voor bedrijfs- en overheidsobligaties.

Een tweede effect is de appreciatie van de waarde van activa (de prijzen van woningen en commercieel vastgoed bijvoorbeeld), die onder invloed van negatieve rendementen op obligaties kan veranderen doordat investeerders hun portefeuille aanpassen. Als de rentevoeten hoger liggen, kunnen zowel de aflossingen van kredietnemers als de waarde van de zekerheden lager uitvallen. Dit kan het kredietrisico in de portefeuilles van schuldeisers – waaronder banken – vergroten.

Ten slotte is het klimaat van negatieve rendementen nadelig voor beleggers in obligaties. Een aanhoudend zwak investeringsinkomen is problematisch voor de verzekeringssector en voor pensioenfondsen: zij beleggen namelijk op grote schaal in laagrentende obligaties en andere vastrentende activa. De gemiddelde opbrengst van hun portefeuilles is de afgelopen jaren sterk gedaald. Die opbrengst zal waarschijnlijk zelfs nog verder afnemen naarmate oudere, hogerrentende obligaties geleidelijk vervallen en worden vervangen door nieuwere, lagerrentende obligaties. Om een bepaald niveau van winstgevendheid te behouden, verhogen sommige van deze beleggers het kredietrisico en het durationrisico in hun portefeuille.

Al deze gevaren moeten worden aangepakt met een combinatie van passende toezichtsmaatregelen op zowel micro- als macroprudentieel beleidsgebied, die voldoende aangepast zijn aan de gevaren in kwestie en verschillende onderdelen van het financiële systeem beslaan.

 

64. Wat vindt u van de preventie van belangenconflicten bij de ECB? Zijn er veranderingen nodig om te waarborgen dat de ECB onafhankelijk is van de financiële sector?

De ECB is belast met taken van algemeen belang. De leden van de besluitvormende organen van de ECB en haar personeel moeten bijgevolg aan de hoogste ethische normen voldoen: ze moeten niet alleen belangenconflicten vermijden maar ook zorgen voor onafhankelijkheid, integriteit, verantwoordingsplicht en transparantie.

Ik heb de indruk dat de ECB solide integriteitswaarborgen heeft ingevoerd, rekening houdend met de aanbevelingen en suggesties van het Europees Parlement, de Europese Ombudsman en niet-gouvernementele organisaties zoals Transparency International. De onlangs gepubliceerde gedragscode geldt niet alleen voor hooggeplaatste ambtenaren die een arbeidsovereenkomst hebben met de ECB, maar ook voor alle ambtenaren die overeenkomstig de nationale regels door de lidstaten zijn benoemd. De gedragscode omvat specifieke regels voor de omgang met en de voorkoming van belangenconflicten. Deze regels hebben betrekking op activiteiten na uitdiensttreding, financiële privétransacties en betrekkingen met belangengroepen. De code omvat ook maatregelen voor het vervolgen van gevallen van niet-naleving evenals de verplichting om belangenverklaringen openbaar te maken. Daarnaast is er het Ethisch Kader voor het personeel van de ECB, dat zich toespitst op de omgang met belangenconflicten.

De ECB beschikt met andere woorden over specifieke kaders en praktijken om haar onafhankelijkheid ten opzichte van de financiële sector te waarborgen, en dit zowel voor haar regelmatige, gestructureerde bijeenkomsten als voor bilaterale ontmoetingen. Voor regelmatige gestructureerde bijeenkomsten met de financiële (en niet-financiële) sector in het kader van dialogen op hoog niveau of marktcontactgroepen gelden er onder meer voorschriften met betrekking tot transparantie, goed bestuur, ethisch gedrag en integriteit. Ik wijs erop dat er op de website van de ECB informatie te vinden is over de samenstelling van dergelijke groepen, over de selectiecriteria voor de leden ervan en over hun bijeenkomsten. Ook voor bilaterale ontmoetingen tussen hooggeplaatste ambtenaren van de ECB en vertegenwoordigers van de financiële markten hanteert de ECB een specifieke reeks voorschriften ter waarborging van integriteit, transparantie en verantwoordingsplicht. Informatie over dergelijke ontmoetingen wordt in de regel opgenomen in de door de ambtenaren gepubliceerde vergaderroosters.

Het is natuurlijk van belang niet zelfgenoegzaam te zijn en er onophoudelijk naar te streven dat deze kaders op adequate wijze rekening houden met de recentste ontwikkelingen en beste praktijken.

 

D. Functioneren van de ECB en democratische verantwoording en transparantie

65. Waaruit zal bij de ECB uw persoonlijke aanpak van de sociale dialoog bestaan? Wegens het unieke onafhankelijkheidsstatuut van de ECB zijn noch de EU-personeelsverordeningen en arbeidsvoorwaarden van de EU-instellingen, noch het Duitse arbeidsrecht, op het ECB-personeel van toepassing. Wat is uw standpunt hieromtrent?

De ECB beschikt over een uitgebreid raadplegings- en informatiekader met de vertegenwoordigers van het personeel (het verkozen personeelscomité en de erkende vakbond, de IPSO). Conform dit kader vinden er regelmatig bijeenkomsten plaats tussen de president van de ECB, of zijn/haar vertegenwoordigers, en vertegenwoordigers van het personeel. Een sleutelrol in de sociale dialoog binnen de ECB spelen voorts de Chief Services Officer, die via de president aan de directie rapporteert, en de personeelsdienst van de ECB. Ik kijk er persoonlijk naar uit om alle personeelsleden van de ECB en hun verkozen vertegenwoordigers te ontmoeten en bij die gelegenheid meer te vernemen over wat hen bezighoudt.

Het personeel van de ECB is niet rechtstreeks onderworpen aan externe arbeidsregelingen, maar dat neemt niet weg dat de ECB de arbeidsvoorwaarden van haar personeelsleden vastlegt op basis van het primaire recht van de Unie. Zij is verplicht de algemene rechtsbeginselen toe te passen die de lidstaten gemeen hebben, net als de algemene beginselen van het recht van de Europese Unie en de aan de lidstaten gerichte bepalingen inzake sociaal beleid die zijn opgenomen in de verordeningen en richtlijnen van de Unie. Bovendien moeten alle Europese instellingen het Handvest van de grondrechten eerbiedigen.

Ten slotte onderwerpt het Hof van Justitie de arbeidsvoorwaarden van de ECB, evenals de uitvoering ervan in individuele gevallen, aan een rechterlijke toetsing.

 

66. Zijn er volgens u op EU-niveau mechanismen nodig voor toezicht op en toetsing van de gedragingen en geschiktheid van de leden van de raad van bestuur van de ECB?

De ECB is de centrale bank en de bankentoezichthouder van de eurozone. Om haar reputatie en onafhankelijkheid te beschermen moet zij als dusdanig streven naar de hoogst mogelijke normen van goed gedrag en goed bestuur.

Ik heb begrepen dat de onlangs aangenomen gedragscode voor hoge ambtenaren van de ECB tot doel heeft strenge normen vast te leggen op het gebied van goed gedrag en goed bestuur. De code verplicht alle leden van de raad van bestuur, de directie en de raad van toezicht ertoe om jaarlijks een belangenverklaring te publiceren. Hiermee wordt voldaan aan verzoeken van het Europees Parlement en niet-gouvernementele organisaties en aan de aanbevelingen van de Europese Ombudsman.

Deze belangenverklaringen bieden volledige transparantie over persoonlijke, beroeps- en financiële belangen. Er zijn geen minimumdrempels waaronder financiële belangen eventueel niet moeten worden opgegeven, en de ECB heeft benadrukt dat zij van alle EU-instellingen de strengste toezichtregels voor financiële en financiële transacties hanteert. De transparantie betreffende de belangen van hooggeplaatste ambtenaren wordt aangevuld met de openbaarmaking van hun maandelijkse vergaderroosters.

Dit alles biedt volgens mij aanzienlijke garanties voor goed gedrag.

 

67. Het Europees Parlement speelt een belangrijke rol in de verantwoordingsplicht van de ECB. Welke conclusies trekt u uit de vergelijking met andere rechtsgebieden (bijv. het Amerikaanse Congres/de Fed versus het Europees Parlement/de ECB versus het Britse parlement/de Bank of England)?

Zoals blijkt uit de empirisch ruimschoots bewezen sterke band tussen onafhankelijkheid en handhaving van stabiele prijzen, is het beginsel van de onafhankelijkheid van een centrale bank van groot nut gebleken voor centrale banken in de hele wereld – waaronder de ECB. De onafhankelijkheid van centrale banken is echter slechts één aspect van dit succes. Het andere aspect is hun grote verantwoordingsplicht: hierdoor krijgt het beleid van een centrale bank meer steun en neemt het vertrouwen in de instelling toe, met als gevolg dat ook haar geloofwaardigheid groeit.

Het waarborgen van een sterke verantwoordingsrelatie tussen centrale banken en hun overeenkomstige parlementen vormt dan ook een voortdurende uitdaging. De afgelopen jaren hebben de ECB en het Europees Parlement deze uitdaging het hoofd geboden door regelingen voor het afleggen van verantwoording te ontwikkelen die sterk vergelijkbaar zijn met die van andere grote centrale banken in geavanceerde economieën. Zo verschijnt de voorzitter van de raad van bestuur van de Federal Reserve jaarlijks vier keer voor het Congres (twee keer voor de Senaat en twee keer voor de Kamer), terwijl de president van de ECB vijf keer per jaar voor het Europees Parlement verschijnt (vier keer voor de commissie ECON en één keer voor de plenaire vergadering van het Europees Parlement).

Het is echter niet zozeer zaak de praktijken van andere rechtsgebieden te weerspiegelen: wat volgens mij vooral telt is dat de verantwoordingsregelingen van de ECB in verhouding blijven staan tot haar taken en verantwoordelijkheden en indien nodig mee evolueren met de instelling en met de eisen van de bevolking inzake verantwoording, voortbouwend op het kader van het Verdrag en met volledige inachtneming van het beginsel van de onafhankelijkheid van de centrale bank. Bij het verder uitbouwen van de bestaande betrekkingen is het belangrijk – en ook in het belang van de ECB – dat de vruchtbare dialoog tussen de twee instellingen wordt voortgezet. Zo krijgt de ECB immers de kans om haar beslissingen toe te lichten en kan het Europees Parlement het beleid van de ECB onder de loep nemen. Deze efficiënte dialoog verbetert voorts het algemene begrip van het beleid van de ECB en leidt tot betere economische resultaten: uit onderzoek van het IMF is namelijk gebleken dat economieën veerkrachtiger zijn naarmate het vertrouwen in hun monetaire beleid groter is en wanneer hun onafhankelijke centrale banken duidelijk communiceren.

 

68. Wat is uw mening over de monetaire dialoog tussen het Europees Parlement en de president van de ECB? Welke maatregelen en toekomstige hervormingen kunnen volgens u de democratische verantwoording van de ECB tegenover het Europees Parlement versterken?

Ik geloof in dialoog en uitwisseling en ben dan ook ingenomen met het feit dat de ECB en het Europees Parlement in de loop der jaren verantwoordingspraktijken hebben ontwikkeld die nog verder gaan dan de vereisten van het Verdrag en volledig in overeenstemming zijn met het eveneens in het Verdrag verankerde beginsel van de onafhankelijkheid van de centrale bank.

Zo neemt het Europees Parlement, voortbouwend op de vereisten van het Verdrag betreffende de publicatie van het jaarverslag van de ECB, jaarlijks een resolutie over dit verslag aan, en het jaar daarop maakt de ECB haar feedback over deze resolutie openbaar. Op die manier wordt een echte dialoog tussen de twee instellingen bevorderd. De resolutie van het Europees Parlement levert een belangrijke bijdrage aan het werk van de ECB: zij bevat namelijk de standpunten van de afgevaardigden van de Europese bevolking over de acties en het beleid van de ECB.

Daarnaast zijn de hoorzittingen van de president van de ECB voor het Europees Parlement een essentieel forum gebleken om van gedachten te wisselen over de prestaties van de ECB. De hoorzittingen bieden de burger ook de mogelijkheid om zich een mening te vormen over de bereidheid en het vermogen van de centrale bank om haar doelen te bereiken. Bovendien kan het Europees Parlement om specifieke hoorzittingen met de leden van de directie van de ECB vragen: zo kunnen gerichte debatten plaatsvinden over actuele belangrijke kwesties. Naast deze mondelinge uitwisselingen zijn er ook de schriftelijke vragen van leden van het Europees Parlement en de antwoorden hierop van de president van de ECB: zo overstijgt de dialoog tussen beide instellingen de grenzen van fysieke bijeenkomsten en is men kunnen ingaan op kwesties die bijzonder relevant waren voor sommige kiesdistricten of die heel technisch van aard waren.

Tot slot, toen de ECB in 2014 nieuwe toezichttaken kreeg toegewezen, werden er specifieke verantwoordingsregelingen voor deze nieuwe taak ingevoerd. In overeenstemming met het Verdrag en de GTM-verordening zijn in het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement en de ECB uiterst specifieke verantwoordingskanalen vastgelegd, die ervoor moeten zorgen dat de EP-leden de toezichthoudende functie van de ECB kunnen controleren. Deze kanalen zijn de afgelopen vijf jaar op grote schaal gebruikt.

Op basis van deze succesvolle ervaringen kan de dialoog tussen de ECB en het Europees Parlement nog worden versterkt, met volledige inachtneming van de onafhankelijkheid van de ECB enerzijds en de rol van het Europees Parlement anderzijds. Als algemeen directeur van het IMF heb ik de transparantie van deze instelling versterkt en heb ik ervoor gezorgd dat het IMF bereidwilliger is geworden om een zo breed mogelijk publiek te bereiken. In de toekomst kunnen het Europees Parlement en met name de ECON-commissie het belangrijkste forum worden voor het waarborgen van de transparantie van de ECB en voor het uitbouwen van een open, vruchtbare dialoog met een nog groter publiek van diverse belanghebbenden, beleidsmakers en Europese burgers.

 

69. Wat kan de ECB concreet doen om in de toekomst vrouwelijke kandidaten voor ECB-topposities te krijgen en om de algehele genderdiversiteit binnen de ECB te verbeteren? Hoe wilt u persoonlijk de genderbalans binnen de ECB verbeteren? Wanneer verwacht u in dit verband de eerste resultaten van uw acties?

De afgelopen jaren zijn centrale banken meer aandacht beginnen besteden aan het debat rond genderevenwicht. Het onderwerp staat zowel bij het IMF als bij de ECB hoog op de strategische agenda. Het is van belang deze dynamiek aan te grijpen om voort te bouwen op bestaande initiatieven en dit agendapunt vooruit te helpen.

De gendergelijkheidsproblematiek is complex, en er bestaat geen uniforme aanpak voor het dichten van de genderkloof. We kennen echter heel wat instrumenten die doeltreffend zijn gebleken. Het gaat bijvoorbeeld om gerichte maatregelen betreffende de cyclus van talentbeheer en het monitoren van vooruitgang op dat vlak (van aanwerving tot bevorderingen), met als doel vooringenomenheid te verminderen en een gelijk speelveld te creëren; strategisch gebruik van gegevens, met inbegrip van externe benchmarking; in ruimere zin, een imagoverandering van de financiëledienstensector om deze sector aantrekkelijker te maken voor vrouwen; en het engageren van mannelijke ondersteuning voor vrouwelijk leiderschap.

Om op het gebied van diversiteit en inclusie tot resultaten te komen, moet er op alle niveaus een cultuuromslag en gedragsverandering komen, namelijk bij het personeel, het management en de leiding van de organisatie. Dit heb ik kunnen ervaren bij het IMF, dat in dit verband voor vergelijkbare uitdagingen stond als de ECB. Ik heb er alle vertrouwen in dat de ECB het genderevenwicht en de diversiteit van haar personeelsbestand nog aanzienlijk kan verbeteren, samen met verschillende andere maatstaven.

 

70. Hoe ziet u mogelijke verbeteringen van de verantwoordingsplicht van de ECB ten aanzien van de Europese Rekenkamer (ERK) voor wat betreft de operationele efficiëntie ervan? Waar ligt volgens u de grens voor het mandaat van de ERK? Vindt u dat het mandaat van de ERK zo ruim mogelijk moet worden opgevat en dat de ERK toegang moet hebben tot alle relevante documenten?

De Europese Rekenkamer (ERK) is een belangrijk element in de institutionele structuur van de Unie en haar externe advies helpt vaak om bestaande processen te herdenken en innovatief te blijven. Ik sluit mij dan ook volledig aan bij de werkzaamheden van de ERK, waarvoor zij toegang moet hebben tot alle documenten die voor haar mandaat relevant zijn.

Met betrekking tot de ECB is aan de ERK in het primaire recht een specifiek auditmandaat toegewezen, dat gericht is op de operationele efficiëntie van het bestuur van de ECB. De ECB ontvangt van de ERK een evaluatie van de beste verhouding tussen ingezette middelen en de verwezenlijking van doelstellingen. Anderzijds valt het beoordelen van de inhoud en geschiktheid van substantiële beslissingen buiten het specifieke mandaat van de ERK: zo wordt de onafhankelijkheid van de ECB gevrijwaard.

 

71. Vindt u dat de ECB de normen van de nieuwe richtlijn inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden, intern moet toepassen? Wanneer verwacht u dat de ECB specifieke procedures gaat invoeren voor de bescherming van klokkenluiders?

Ik weet dat er bij de ECB interne en externe meldingskanalen voor klokkenluiders bestaan, maar ik ben mij er eveneens van bewust dat er nog ruimte is voor verbetering.

Mij is verteld dat de directie van de ECB de verbetering van haar klokkenluidersregeling heeft aangemerkt als een van haar strategische prioriteiten voor de jaren 2018-2020. Dit zal de ECB de mogelijkheid bieden om zich aandachtig te buigen over de normen die zijn vastgelegd in de toepasselijke wetgeving (zoals de nieuwe 'klokkenluidersrichtlijn' van het Europees Parlement van april 2019) en die klokkenluiders een uniforme minimumbescherming bieden, over andere goede praktijken, beleidsmaatregelen en procedures van relevante referentieorganisaties, en over de aanbevelingen van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en het Europees Parlement.

In mijn ogen is het cruciaal dat elke instelling over een degelijk kader beschikt dat klokkenluiders geschikte meldingskanalen en afdoende bescherming biedt. Het is in het belang van de ECB zelf om over een dergelijk kader en zulke procedures te beschikken: uiteraard alleen al vanuit het oogpunt van risicobeheer, maar ook om een mentaliteit en werkomgeving te stimuleren en in te slijpen waarin vrijuit spreken niet alleen wordt aangemoedigd maar zelfs wordt verwacht, aangezien dit uiteindelijk van voordeel is voor de ECB en de gezondheid van de bank en haar personeel gunstig beïnvloedt.

 

72. Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de Raad in het verleden één keer geen rekening heeft gehouden met het advies van het Europees Parlement betreffende de benoeming van een lid van de directie van de ECB?

Ik hecht bijzonder veel waarde aan de rol van het Europees Parlement als rechtstreekse vertegenwoordiging van de EU-bevolking. In deze rol licht het Parlement ook de kandidaten voor directiefuncties bij de ECB door, meer bepaald in het kader van het advies dat het hierover verstrekt, conform het primaire recht van de EU. Dit gezegd zijnde, is het niet aan mij om commentaar te geven op interinstitutionele kwesties tussen de Raad en het Europees Parlement.

 

73. Stel dat het Europees Parlement tegen uw benoeming tot president van de ECB stemt, zou u die benoeming dan toch aanvaarden?

Ik voel mij vereerd dat de leden van de Europese Raad mij als de aangewezen kandidaat beschouwen voor de functie van president van de ECB, en dat de Raad Economische en Financiële Zaken mijn benoeming heeft aanbevolen. Persoonlijk beschouw ik het advies van het Europees Parlement als een belangrijk onderdeel van de procedure tot benoeming van de president van de ECB, waarmee de grondslag wordt gelegd voor goede betrekkingen tussen de ECB en het Europees Parlement op het gebied van verantwoordingsplicht. Daarom hoop ik oprecht dat dit Parlement een gunstig advies zal uitbrengen over de aanbeveling van de Raad.

 

74. De ECB vertegenwoordigt de eurozone in internationale instanties. Welke maatregelen zou de ECB in dit verband kunnen nemen om haar verantwoordingsplicht jegens het Europees Parlement te verbeteren? Enerzijds is er nood aan vergelijkbaarheid en gemeenschappelijke mondiale normen, anderzijds moet er rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van de financieringspatronen binnen de verschillende groeperingen en met hun specifieke financieringsbehoeften: hoe kunnen deze twee elementen met elkaar worden verenigd?

De mate van economische verwevenheid op mondiaal niveau maakt nauwe samenwerking noodzakelijk. Uit de wereldwijde financiële crisis is gebleken dat internationale beleidssamenwerking essentieel is, ondanks de grote verschillen tussen landen, culturen en systemen in de wereld, voor het behoud van financiële stabiliteit en duurzame economische groei. Om tot een dergelijke samenwerking te komen, zijn er instellingen en fora nodig die landen in staat stellen om via niet-confronterende dialoog vertrouwen en wederzijds respect op te bouwen. Ik heb de eer gehad het IMF te leiden, dat een actieve rol heeft gespeeld bij het stimuleren van de mondiale dialoog en samenwerking en zo de economische groei heeft ondersteund en beleid heeft ontmoedigd dat de welvaart kan schaden.

In internationale economische en financiële aangelegenheden is de ECB een belangrijke instelling, die vertrouwen geniet. Haar betrokkenheid bij internationale instellingen en in internationale fora draagt bij tot de bevordering van samenwerking en tot betere beleidsvorming op mondiaal niveau. Persoonlijk heb ik de toegevoegde waarde die de ECB als waarnemer aan de werkzaamheden van het IMF heeft gegeven, altijd op prijs gesteld.

De betrokkenheid van de ECB bij internationale instellingen en in internationale fora verloopt in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgelegd in de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) en van de ECB. Deze activiteiten worden gecontroleerd via reguliere verantwoordingskanalen. Daarnaast ben ik ingenomen met het feit dat de ECB de lijst van de internationale fora waaraan zij deelneemt, openbaar heeft gemaakt, en zich bereid heeft verklaard het Europees Parlement en de commissie ECON te informeren over haar standpunten in internationale fora.

 

75. In het verleden heeft de ECB initiatieven gelanceerd zoals AnaCredit en het European Distribution of Debt Instruments-initiatief (EDDI). Hoe ziet u de rol van de ECB in dergelijke initiatieven en waar ligt volgens u de grens met betrekking tot de prerogatieven van de wetgever?

Net als elke andere muntunie heeft de eurozone een efficiënte financiëlemarktinfrastructuur nodig. Daarom is in het Verdrag en in de ESCB-statuten een duidelijk mandaat met betrekking tot financiëlemarktinfrastructuren vastgelegd voor de ECB en het Eurosysteem. Bovendien is het voor de ECB van essentieel belang dat zij alle gegevens verkrijgt die nodig zijn voor de ondersteuning van haar taken zoals omschreven in het Verdrag. Overeenkomstig de statuten moet de ECB alle statistische informatie verzamelen die nodig is om deze taken te verrichten, en de nationale centrale banken moeten haar hierbij helpen. Op grond van haar mandaat kan de ECB dan ook regelgevende initiatieven nemen op specifieke gebieden, zoals statistieken en betalingssystemen.

Wanneer de ECB dergelijke initiatieven ontplooit, moet er worden op toegezien dat zij de prerogatieven van de wetgever volledig in acht neemt en nauw samenwerkt met de wetgever. Voor wat statistieken betreft, zijn de ECB, het Europees Parlement en de Raad krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie samen bevoegd om maatregelen vast te stellen voor de productie van statistieken. Er is een memorandum van overeenstemming van kracht waarin de verantwoordelijkheden van de ECB en Eurostat op het vlak van de productie van economische en financiële statistieken op EU-niveau duidelijk worden omschreven. In andere gevallen heeft de Europese wetgever een initiatief van het Eurosysteem nodig gehad als vertrekpunt voor de invoering van relevante wetgeving, zoals de verordening betreffende de eengemaakte Europese betalingsruimte of de verordening betreffende centrale effectenbewaarinstellingen.

Het is belangrijk dat de ECB in alle openheid en transparantie dergelijke initiatieven blijft opzetten, en dat zij hiertoe eerst via openbare raadplegingen naar de belanghebbenden luistert en enkel en alleen op basis hiervan in actie treedt. Zo kunnen EU-burgers, marktdeelnemers en andere belanghebbenden hun mening geven over de nieuwe regelgeving die door de ECB wordt ontwikkeld. Dit leidt niet alleen tot transparantie maar zorgt er ook voor dat de ECB van alle kennis en inzichten van belanghebbende partijen profiteert, hetgeen bijdraagt tot een betere beleidsvorming.

 

76. Bent u van mening dat het passend zou zijn voor uzelf of voor andere hooggeplaatste personeelsleden van de ECB om deel uit te maken van de 'Groep van Dertig' (bestaande uit toplui van centrale banken en uit de financiële sector) of van andere vergelijkbare groeperingen of verenigingen?

Om taken met een open geest te benaderen en uit te voeren, en om rekening te houden met en te leren uit andere perspectieven, is de uitwisseling met een grote verscheidenheid van actoren onontbeerlijk. De Groep van Dertig bestaat uit vooraanstaande personen met uiteenlopende achtergronden en zienswijzen, en ik kan begrijpen dat uitwisselingen met deze personen intellectueel verrijkend en gunstig zijn voor de ECB.

Naar mijn mening is het van belang dat de ambtenaren van de ECB volledig transparant zijn over hun contacten en zich laten leiden door een degelijk kader voor goed bestuur, met passende waarborgen.

De ECB verstrekt informatie over haar deelname aan evenementen die worden georganiseerd door groeperingen of verenigingen zoals de Groep van Dertig, zowel voor als na het evenement, en spoort de organisatoren ervan ertoe aan om voor een hoge mate van transparantie te zorgen met betrekking tot de deelnemers en discussiepunten. Ik sta geheel achter deze praktijk van de ECB.

Ik heb begrepen dat de ECB strikte waarborgen heeft ingevoerd voor de interactie met belangengroepen en in het bijzonder financiëlemarktdeelnemers. Deze waarborgen maken deel uit van de gedragscode voor hoge ambtenaren van de ECB en gelden als zodanig voor alle leden van de raad van bestuur, de directie en de raad van toezicht van de ECB.

 


PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Benoeming van de president van de Europese Centrale Bank

Document- en procedurenummers

N9-0023/2019 – C9-0048/2019 – 2019/0810(NLE)

Datum raadpleging / verzoek om goedkeuring

16.7.2019

 

 

 

Bevoegde commissie

 Datum bekendmaking

ECON

18.7.2019

 

 

 

Rapporteurs

 Datum benoeming

Roberto Gualtieri

18.7.2019

 

 

 

Behandeling in de commissie

4.9.2019

 

 

 

Datum goedkeuring

4.9.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

11

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gunnar Beck, Stefan Berger, Gilles Boyer, Cristian-Silviu Buşoi, Derk Jan Eppink, Engin Eroglu, Markus Ferber, Jonás Fernández, Frances Fitzgerald, José Manuel García-Margallo y Marfil, Luis Garicano, Sven Giegold, Neena Gill, Valentino Grant, José Gusmão, Enikő Győri, Eero Heinäluoma, Danuta Maria Hübner, Stasys Jakeliūnas, Herve Juvin, Othmar Karas, Billy Kelleher, Ondřej Kovařík, Georgios Kyrtsos, Aušra Maldeikienė, Costas Mavrides, Csaba Molnár, Luděk Niedermayer, Piernicola Pedicini, Dragoş Pîslaru, Luisa Porritt, Jake Pugh, Evelyn Regner, Antonio Maria Rinaldi, Alfred Sant, Joachim Schuster, Pedro Silva Pereira, Ernest Urtasun, Inese Vaidere, Johan Van Overtveldt, Stéphanie Yon-Courtin, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Gerolf Annemans, Manon Aubry, Carmen Avram, Niels Fuglsang, Eugen Jurzyca, Margarida Marques, Siegfried Mureşan, Ville Niinistö, Irene Tinagli

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Alice Kuhnke

Datum indiening

9.9.2019

 

 

[1] PB C 235 van 12.7.2019, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 12 september 2019Juridische mededeling