Procedure : 2019/2028(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0017/2019

Ingediende teksten :

A9-0017/2019

Debatten :

PV 22/10/2019 - 14
CRE 22/10/2019 - 14

Stemmingen :

PV 23/10/2019 - 11.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0038

<Date>{15/10/2019}15.10.2019</Date>
<NoDocSe>A9-0017/2019</NoDocSe> (<RefVer>Deel 1</RefVer>)
PDF 464kWORD 230k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020</Titre>

<DocRef>(11734/2019 – C9-0119/2019 – 2019/2028(BUD))</DocRef>

Deel 1: Ontwerpresolutie


<Commission>{BUDG}Begrotingscommissie</Commission>

Rapporteurs:  <Depute>Monika Hohlmeier (afdeling III – Commissie)</Depute>

 <Depute>Eider Gardiazabal Rubial (overige afdelingen)</Depute>

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES VAN DE Commissie buitenlandse zaken
 ADVIES VAN DE Commissie ontwikkelingssamenwerking
 ADVIES VAN DE Commissie begrotingscontrole
 ADVIES VAN DE Commissie economische en monetaire zaken
 ADVIES VAN DE Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES VAN DE Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES VAN DE Commissie industrie, onderzoek en energie
 ADVIES VAN DE COMMISSIE INTERNE MARKT EN CONSUMENTENBESCHERMING
 ADVIES VAN DE Commissie vervoer en toerisme
 ADVIES VAN DE Commissie regionale ontwikkeling
 ADVIES VAN DE Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 ADVIES VAN DE Commissie visserij
 ADVIES VAN DE Commissie cultuur en onderwijs
 ADVIES VAN DE Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
 ADVIES VAN DE Commissie constitutionele zaken
 ADVIES VAN DE Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 BRIEF VAN DE Commissie internationale handel
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020 (11734/2019 – C9-0119/2019 – 2019/2028(BUD))

Het Europees Parlement,

 gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

 gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie[1],

 gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012[2],

 gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020[3] (de “MFK-verordening”),

 gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer[4],

 gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2020, afdeling III – Commissie[5],

 gezien zijn resolutie van 28 maart 2019 over de raming van de ontvangsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2020[6],

 gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020, goedgekeurd door de Commissie op 5 juli 2019 (COM(2019)0400) (de “OB”),

 gezien het standpunt inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020, vastgesteld door de Raad op 3 september 2019 en toegezonden aan het Europees Parlement op 13 september 2019 (11734/2019 – C9-0119/2019),

 gezien artikel 2, lid 1, onder c), van de Overeenkomst van Parijs, die op 5 oktober 2016 door de Europese Unie is bekrachtigd,

 gezien het overzicht (“landscape review”) van de Europese Rekenkamer, getiteld “EU-maatregelen op het gebied van energie en klimaatverandering” (2017),

 gezien de mededeling van de Commissie, getiteld “Een schone planeet voor iedereen – Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie” (COM(2018)0773),

 gezien artikel 94 van zijn Reglement,

 gezien de adviezen van de andere betrokken commissies,

 gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9-0017/2019),

Afdeling III

Algemeen overzicht

1. herinnert eraan dat het Parlement, in zijn resolutie van 14 maart 2019 over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2020, duidelijke politieke prioriteiten voor de begroting 2020 heeft gedefinieerd, zodat deze als een brug naar het toekomstige Europa kan fungeren en Europese toegevoegde waarde kan bieden; benadrukt nogmaals dat het sterk aan deze prioriteiten hecht en komt met het onderstaande standpunt om te waarborgen dat er in genoeg financiële middelen wordt voorzien om deze prioriteiten te verwezenlijken;

2. herinnert aan het standpunt van het Parlement dat de begroting 2020 de weg moet banen voor het meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode 2021-2027 en een solide beginpunt moet vormen voor de opzet van een nieuwe generatie Unieprogramma’s en beleidsmaatregelen; herinnert er voorts aan dat 2020 het laatste jaar van het huidige MFK is en, dat de Unie dus een laatste kans heeft om de politieke afspraken voor die periode zo goed mogelijk na te komen, inclusief de toezegging om de EU-klimaatdoelstelling te halen, de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling te realiseren en de Europese pijler van sociale rechten af te ronden; benadrukt in dit verband dat de begroting van de Unie het volledige effect van het beleid van de Unie op het gebied van gendergelijkheid moet evalueren en integreren (genderbudgettering), om zo gendermainstreaming en gelijke kansen te bevorderen;

3. neemt kennis van het standpunt van de Raad over de OB, waarin de Raad 1,51 miljard EUR bezuinigt op vastleggingskredieten ten opzichte van het voorstel van de Commissie; is van mening dat de bezuinigingen van de Raad ronduit in strijd zijn met de prioriteiten van de Unie, niet worden gerechtvaardigd door het absorptievermogen en bedoeld zijn om alle specifieke verhogingen die de afgelopen begrotingsjaren door het Parlement zijn bedongen en verkregen, teniet te doen; besluit daarom, als een algemene regel, de kredieten te herstellen op het niveau van de OB voor alle lijnen waar de Raad het bedrag heeft verlaagd, zowel voor operationele als administratieve uitgaven, en om de OB als uitgangspunt te nemen voor zijn standpunt;

4. is ervan overtuigd dat het absoluut noodzakelijk is om de klimaatuitdaging aan te pakken en het milieu zodanig te beschermen dat de werkgelegenheid wordt bevorderd, nieuwe banen worden gecreëerd, het concurrentievermogen wordt versterkt, duurzame ontwikkeling wordt bevorderd en sociale welvaart wordt gewaarborgd; onderstreept de sleutelrol van nieuwe en opkomende technologieën bij de verwezenlijking van die doelstelling; benadrukt dat de Unie het goede voorbeeld moet geven en andere landen over de hele wereld moet inspireren om verder te investeren in klimaatgerelateerde uitgaven; is ingenomen met de krachtige oproep tot actie van leiders van de Unie tijdens de recente klimaattop van de VN en de toezeggingen die diverse lidstaten recentelijk hebben gedaan om meer geld beschikbaar te stellen voor terreinen als energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, duurzaam vervoer en energie-infrastructuur; is van mening dat dergelijke verklaringen vergezeld moeten gaan van concrete maatregelen van de lidstaten, ook wanneer zij als Raad beraadslagen;

5.  herinnert aan de verplichtingen van de Unie uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs en aan de toezegging van de Unie om voor de periode 2014-2020 20 % van de begroting aan klimaatgerelateerde maatregelen te besteden; merkt op dat 21,0 % van de in de OB voor 2020 voorgestelde vastleggingskredieten klimaatgerelateerd zijn en dat ten minste 3,5 miljard EUR extra moet worden besteed aan klimaatgerelateerde maatregelen om de doelstelling van 20 % te halen; betreurt het dat de begroting van de Unie in het kader van het huidige MFK beperkte middelen heeft om de klimaatuitdaging op eigen kracht aan te pakken en wijst op de veel grotere investeringsbehoeften op dit gebied, die door de Commissie worden geraamd op 175 tot 290 miljard EUR per jaar;

6.  onderstreept dat de begroting 2020 de Unie moet voorbereiden op een nog ambitieuzere doelstelling voor het mainstreamen van klimaat en biodiversiteit in het MFK 2021-2027, om te voldoen aan de verwachtingen van de Europese burgers; vraagt om een transparantere, striktere en uitgebreidere methodologie, die is opgezet in overeenstemming met internationaal vastgestelde methoden, met inbegrip van herziene prestatie-indicatoren voor het vaststellen en traceren van uitgaven die relevant zijn voor het klimaat en de biodiversiteit; kijkt uit naar het concrete voorstel over de Europese Green Deal, zoals uiteengezet in de politieke beleidslijnen van de nieuwgekozen voorzitter van de Commissie; herinnert in dit verband aan zijn krachtige inzet voor de hervorming van de systemen van de eigen middelen van de Unie, met inbegrip van de invoering van een pakket nieuwe eigen middelen die beter zijn afgestemd op de belangrijkste beleidsprioriteiten van de Unie, met inbegrip van de strijd tegen klimaatverandering;

7. pleit daarom voor een begroting 2020 waarin een aanzienlijk bedrag beschikbaar wordt gesteld voor de aanpak van milieu-uitdagingen en klimaatverandering, en waarin de huidige achterstand ten aanzien van de doelstelling om voor de periode 2014-2020 20 % van de Uniebegroting te besteden aan klimaat-gerelateerde maatregelen, zo veel mogelijk wordt ingelopen; stelt een aanzienlijke verhoging voor van meer dan 2 miljard EUR ten opzichte van de OB voor verschillende begrotingslijnen in verschillende rubrieken, en met name in rubriek 1a, die in grote mate bijdraagt aan de doelstelling van klimaatuitgaven; wijst deze verhogingen zorgvuldig toe aan begrotingslijnen met een uitstekende uitvoeringsgraad en de operationele capaciteit om de aanvullende kredieten in 2020 te absorberen;

8. benadrukt dat de jeugd een overkoepelende prioriteit voor de Uniebegroting vormt; wijst erop dat, ondanks de positieve trend in de richting van een daling van de jeugdwerkloosheidscijfers in de Unie, het gebrek aan toekomstperspectief voor jongeren in bepaalde delen van de Unie – met grote verschillen tussen de lidstaten en de regio’s – een echte maatschappelijke noodsituatie vormt; besluit daarom het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) te versterken ten opzichte van het niveau dat de Commissie heeft voorgesteld, eveneens om zo een soepele overgang te waarborgen naar het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) in het volgende MFK;

9. verhoogt de financiële middelen om in de toekomstige behoeften van Erasmus+ te voorzien, het belangrijkste programma voor onderwijs en opleiding, inclusief beroepsonderwijs en -opleiding, jeugd en sport in Europa; benadrukt dat Erasmus+ een belangrijk vlaggenschipprogramma van de Unie is dat algemeen bekend is bij de burgers en tastbare resultaten heeft opgeleverd met een duidelijke Europese meerwaarde; herinnert aan zijn toezegging om de financiering voor Erasmus+ in het MFK 2021-2027 te verdrievoudigen; benadrukt de noodzaak om de voorbereidende actie van DiscoverEU voort te zetten en verder te versterken, met het oog op de geplande integratie ervan in het Erasmus+-programma 2021-2027; dringt erop aan bijzondere aandacht te besteden aan mobiliteitsacties in het volwassenenonderwijs, met name voor de oudere bevolking in het kader van het Erasmus+-programma;

10. pleit voor verdere gerichte verhogingen voor andere begrotingslijnen die verband houden met de prioriteiten van het Parlement, op gebieden zoals kmo’s, digitalisering, kunstmatige intelligentie, kankeronderzoek, samenwerking op het gebied van veiligheid en justitie, douane, migratie en extern beleid, waaronder humanitaire en ontwikkelingshulp;

11. steunt in beginsel de ramingen van de Commissie voor de budgettaire behoeften van de gedecentraliseerde agentschappen; is daarom van mening dat de door de Raad voorgestelde bezuinigingen de deugdelijke functionering van de agentschappen in gevaar zouden brengen, waardoor zij hun taken niet langer zouden kunnen uitvoeren; stelt gerichte verhogingen voor van de kredieten voor de agentschappen die aanvullende taken krijgen of die te maken hebben met een hogere werklast als gevolg van nieuwe uitdagingen;

12. concludeert dat, om de hierboven genoemde dringende prioriteiten op een adequate manier te financieren, en gezien de zeer krappe of niet-bestaande marges binnen bepaalde rubrieken in 2020, het flexibiliteitsinstrument en de overkoepelende marge voor vastleggingen volledig moeten worden gemobiliseerd, en dat de marge voor onvoorziene uitgaven moet worden aangesproken, terwijl een deel ervan ook beschikbaar blijft voor de financiering van onvoorziene gebeurtenissen die zich in de loop van volgend jaar kunnen voordoen; herinnert er eveneens aan dat de flexibiliteit waarin de MFK-verordening voorziet aan het einde van die periode komt te vervallen;

13.  benadrukt dat de vrijmakingen voor onderzoek zoals vastgelegd in artikel 15, lid 3, van het Financieel Reglement volledig opnieuw moeten worden gebruikt; betreurt ten zeerste dat de Raad de toepassing van die wettelijke bepaling waarvan de Commissie heeft voorgesteld om die in de OB gedeeltelijk te activeren, opnieuw afwijst; verklaart voornemens te zijn aan te dringen op zijn standpunt, dat zowel de letter als de geest van het Financieel Reglement weerspiegelt; is voornemens deze kwestie tijdens het begrotingsoverleg van dit jaar op te lossen; stelt voor deze vrijmakingen volledig te hergebruiken om de vier begrotingslijnen van het Horizon 2020-programma te versterken met het hoogste niveau van klimaatgerelateerde onderzoeksactiviteiten;

14. stelt het totaalbedrag aan kredieten voor de begroting 2020 (alle afdelingen) vast op 170 971 519 973 EUR aan vastleggingskredieten, oftewel een verhoging met 2 699 813 994 EUR ten opzichte van de OB; besluit eveneens een bedrag van 280 700 000 EUR aan vastleggingskredieten beschikbaar te stellen na vrijmakingen overeenkomstig artikel 15, lid 3, van het Financieel Reglement; stelt het totaalbedrag aan kredieten voor de begroting 2020 (alle afdelingen) vast op 159 146 168 195 EUR aan betalingskredieten;

Subrubriek 1a — Concurrentievermogen voor groei en banen

15. wijst erop dat Horizon 2020 zeer veel Europese toegevoegde waarde biedt en een essentiële bijdrage levert aan de ontwikkeling van groene technologie en klimaat- en milieuvriendelijke innovatie, om zo de basis te leggen voor een koolstofvrije toekomst en de overgang naar een meer circulaire economie te ondersteunen; benadrukt bovendien het belang van het programma voor andere belangrijke Europese onderzoeksgebieden zoals digitalisering, kunstmatige intelligentie en kankeronderzoek; verhoogt de middelen voor Horizon 2020 daarom aanzienlijk, met 737,8 miljoen EUR ten opzichte van de in de OB voorgestelde vastleggingskredieten; stelt daarnaast, overeenkomstig artikel 15, lid 3, van het Financieel Reglement, het gehele bedrag van 280,7 miljoen EUR aan vastleggingskredieten die in 2018 zijn vrijgemaakt als gevolg van niet-uitvoering van onderzoeksprojecten, beschikbaar voor de begrotingslijnen van Horizon 2020 die het relevantst zijn voor klimaatgerelateerde onderzoeksprojecten, en verzoekt de Commissie om bijzondere aandacht te schenken aan de eerlijke geografische verdeling van die middelen;

16. is ervan overtuigd dat de strijd tegen kanker een absolute prioriteit voor de Unie moet zijn en dat de aanzienlijke inspanningen in deze richting moeten worden opgevoerd; benadrukt dat kankeronderzoek een belangrijke pijler van dit proces is; neemt daarom een verhoging van de financiële middelen aan die moet worden gereserveerd voor kankeronderzoek bij de desbetreffende begrotingslijnen van Horizon 2020 die ook blijk geven van een zeer hoge uitvoeringsgraad van de begroting; benadrukt dat er op dit gebied onverwijld meer onderzoek wordt verricht, mede gezien de grotere investeringen die in het volgende MFK worden verwacht;

17. herinnert eraan dat de positie van Europa als toonaangevende aanbieder van informatie- en communicatietechnologie (ICT) afhankelijk is van de middelen voor het ontwikkelen en testen van nieuwe ICT-technologieën en voor het verlenen van bijstand aan startende bedrijven en technologieondernemingen om de marktrelevante capaciteit te vergroten; wijst er in dit verband nogmaals op dat moet worden voorzien in aanvullende financiering voor Europese onderzoeksfaciliteiten en kmo’s, met de nadruk op de ontwikkeling en bevordering van technologieën zoals zoekmachines, vertaaldiensten en soortgelijke baanbrekende technologieën;

18. wijst er nadrukkelijk op dat de Connecting Europe Facility (CEF) een cruciale rol vervult bij het bevorderen van de strategische ontwikkeling van een hoogwaardig, duurzaam en onderling verbonden trans-Europees netwerk op het gebied van vervoer, met bijzondere nadruk op het spoorwegnetwerk, waaronder nachttreinen, energie en ICT-infrastructuur, en dat de faciliteit een aanzienlijke bijdrage levert aan de overgang naar een klimaatneutrale samenleving; stelt daarom voor de financiële middelen voor CEF-vervoer en CEF-energie te verhogen met een totaalbedrag van 545 miljoen EUR aan vastleggingskredieten ten opzichte van de OB;

19. is van mening dat het eveneens noodzakelijk is om belangrijke prioriteiten binnen deze subrubriek verder te versterken; wijst in dit verband op kmo’s, die een essentieel onderdeel vormen van de economie van de Unie en een cruciale rol spelen bij uitstekende, hoogwaardige investeringen en het scheppen van banen in alle lidstaten; neemt in dit verband een verhoging van het Cosme-programma aan om het potentieel van het programma ter bevordering van het ondernemerschap, met inbegrip van het ondernemerschap van vrouwen, verder te versterken, het concurrentievermogen en de toegang tot de markten van ondernemingen in de Unie te verbeteren, en wenst dat de nadruk wordt gelegd op de digitale transformatie van kmo’s; herinnert eraan dat de voorgestelde toewijzing in de OB voor Cosme zelfs lager was dan in de financiële programmering was voorzien, en neemt een verhoging aan van 50 miljoen EUR aan vastleggingskredieten ten opzichte van de OB;

20. benadrukt dat Erasmus+ een zeer gewaardeerd en immens populair programma is, met onvoldoende financiële middelen om aan het grote aantal aanvragen te voldoen, en dat dit programma een sterk gevoel van gedeelde Europese identiteit helpt bevorderen; neemt daarom een verhoging van 123,4 miljoen EUR aan vastleggingskredieten ten opzichte van de OB aan, om de lage succespercentages tegen te gaan en meer mensen in staat te stellen gebruik te maken van dit programma;

21.  stelt gerichte verhogingen voor van het niveau van de kredieten voor de Europese Arbeidsautoriteit (ELA), het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, het Spoorwegbureau van de Europese Unie, het Agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging (Enisa), en van de kredieten en het personeel van het Europees GNSS-Agentschap, het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (Berec) en het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER);

22. verhoogt de vastleggingskredieten voor subrubriek 1a daarom met 1 503 766 221 EUR ten opzichte van de OB (exclusief proefprojecten en voorbereidende acties), wat moet worden gefinancierd door gebruik te maken van de beschikbare marge en door de speciale instrumenten in te zetten; stelt voor deze subrubriek eveneens een bedrag van 280 700 000 EUR aan vastleggingskredieten beschikbaar na vrijmakingen overeenkomstig artikel 15, lid 3, van het Financieel Reglement;

Subrubriek 1b — Economische, sociale en territoriale samenhang

23. herinnert eraan dat duurzame groei en doelgerichte investeringen cruciale factoren zijn voor het scheppen van hoogwaardige banen en voor het vergroten van de welvaart voor allen, en dat het daarom noodzakelijk is de structuur- en investeringsfondsen beter te richten op de bevordering van inclusieve groei, terugdringing van ongelijkheid en versterking van de opwaartse sociale convergentie;

24. betreurt het dat de jeugdwerkloosheid, die in april 2019 op 14,2 % is geschat, nog steeds onaanvaardbaar hoog blijft en in sommige lidstaten en regio’s van de Unie bijzonder acuut blijft; onderstreept dat het van belang is de inzetbaarheid en de ondernemingscapaciteit van jongeren te vergroten en tegelijkertijd de ongelijkheden aan te pakken; is ervan overtuigd dat de bestrijding van werkloosheid aanzienlijke financiële inspanningen vergt; is vastbesloten te zorgen voor aanvullende financiering voor het YEI-programma in het laatste jaar van het huidige MFK; onderstreept het feit dat de uitvoering van dat programma moet worden versneld en dat de doelmatigheid ervan verder moet worden verbeterd, om ervoor te zorgen dat het meer Europese meerwaarde biedt aan het nationale werkgelegenheidsbeleid; stelt daarom voor de vastleggingskredieten voor het YEI met 363,3 miljoen EUR te verhogen ten opzichte van de OB;

25. verhoogt de financiering voor technische bijstand om de complexiteit aan te pakken van de procedures voor het beheer van projecten, van de indiening van de aanvragen tot de procedures voor het financieel beheer en de monitoring van de effecten, aangezien deze complexiteit een van de belangrijkste obstakels vormt voor een betere benutting van de structuurfondsen;

26. verhoogt de vastleggingskredieten voor subrubriek 1b daarom met 373 278 264 EUR ten opzichte van de OB (exclusief proefprojecten en voorbereidende acties), wat moet worden gefinancierd door de speciale instrumenten in te zetten;

Rubriek 2 — Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen

27. merkt bezorgd op dat opnieuw slechts 8,3 % van de totale vastleggingskredieten erop gericht is de achteruitgang van de biodiversiteit te keren, wat het laagste percentage is sinds 2015, ondanks het niet eerder geziene en steeds snellere tempo waarin soorten uitsterven; dringt aan op toewijzing van voldoende en traceerbare extra middelen zodat de biodiversiteit in de gehele Unie op de lange termijn in stand kan worden gehouden; bepleit, in overeenstemming met de overkoepelende prioriteit om klimaatverandering aan te pakken, een aanzienlijke verhoging van 233 miljoen EUR in vastleggingskredieten voor begrotingslijnen die verband houden met het LIFE+-programma in de titels 7 en 34; verwacht van de Commissie dat zij de nodige absorptiecapaciteit ter beschikking stelt voor een doeltreffend gebruik van deze aanvullende middelen en zorgt voor een eerlijker geografische spreiding van dergelijke milieuvriendelijke fondsen, zoals in de programma’s van het volgende MFK het geval zal zijn;

28. stelt aanzienlijke verhogingen van de desbetreffende begrotingslijnen voor, in het bijzonder voor de financiering van maatregelen om de gevolgen van de Afrikaanse varkenspest in diverse lidstaten aan te pakken; stelt vast dat er sprake is van ernstige gevolgen en een groot aantal geregistreerde uitbraken sinds begin 2019, waarbij tienduizenden dieren moesten worden geruimd; is van mening dat derde landen hebben geïnvesteerd in de ontwikkeling van een vaccin tegen AVP en dat de Unie moet investeren in onderzoek naar en de ontwikkeling van een vaccin, wat zou helpen de verspreiding en het vóórkomen van AVP zo snel mogelijk tegen te gaan;

29. herinnert eraan dat de kredieten van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) nog steeds moeten worden aangepast, waarbij rekening moet worden gehouden met de bestemmingsontvangsten die naar verwachting in 2020 beschikbaar zullen zijn zoals aangekondigd in de nota van wijzigingen van de Commissie;

30.  stelt een gerichte verhoging voor van de kredieten en het aantal personeelsleden van het Europees Milieuagentschap;

31. verhoogt, kort samengevat, de vastleggingskredieten in rubriek 2 met 267,3 miljoen EUR (exclusief proefprojecten en voorbereidende acties), wat moet worden gefinancierd door gebruik te maken van de beschikbare marge onder het maximum; benadrukt dat de landbouwbegroting niet verder mag worden verlaagd, omdat de landbouwsector dikwijls wordt getroffen door crises die een budgettaire reactie vergen;

Rubriek 3 — Veiligheid en burgerschap

32. verhoogt, tegen de achtergrond van een onrealistisch laag maximumbedrag sinds het begin van het huidige MFK, de financiering van de prioriteiten van het Parlement op het gebied van interne veiligheid, migratie, grondrechten en de eerbiediging van de rechtsstaat, en ter bevordering van non-discriminatie en gelijkheid en ter bestrijding van gendergerelateerd geweld; is fel gekant tegen de bezuinigingen van de Raad op het Fonds voor interne veiligheid (ISF) en het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en wijst het voorstel van de Raad af om 400 miljoen EUR aan vastleggingskredieten in een reserve te plaatsen in afwachting van een doorbraak bij de hervorming van de Dublin III-verordening[7] aangezien dit de lidstaten in de frontlinie die steun ontvangen zou beletten om de migratiedruk op een humane manier te beheren;

33. onderstreept dat het van essentieel belang is om te investeren in adequate financiële en personele middelen voor alle agentschappen die zich bezig houden met migratie, veiligheid, grenscontrole en grondrechten, in het bijzonder Europol, Eurojust, het EOM, Frontex en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA); benadrukt dat het EOM over de nodige middelen moet beschikken om grensoverschrijdende criminele activiteiten grondig te kunnen onderzoeken en vervolgen;

34. vraagt de Commissie met spoed een fonds ter ondersteuning van opsporings- en reddingsoperaties op te richten om een sterke aanwezigheid van opsporings- en reddingsdiensten op de Middellandse Zee te garanderen;

35.  bevestigt zijn bereidheid om de begroting van de Unie te gebruiken als instrument om bestaande ongelijkheden doeltreffend te bestrijden en gendergelijkheid te bevorderen, met name door middel van meer middelen voor de Daphne-specifieke doelstelling van het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap en voor menselijke ontwikkeling in het kader van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking; benadrukt de noodzaak van voldoende financiering voor de bestrijding van gendergerelateerd geweld en geweld tegen vluchtelingenvrouwen en -meisjes en andere kwetsbare groepen zoals LGBTQI+;

36. stelt voor de vastleggingskredieten voor de subprogramma’s MEDIA en Cultuur van het Creatief Europa-programma met 10 % te verhogen, om zodoende iets te doen aan de chronische onderfinanciering en de lage succespercentages van de aanvragen; verhoogt eveneens de kredieten voor multimedia-acties, die van cruciaal belang zijn om desinformatie aan te pakken en onafhankelijke journalistiek te bevorderen;

37.  stelt tevens voor de bijdrage van de Unie aan het Europees Geneesmiddelenbureau doelgericht te verhogen;

38. verhoogt daarom de vastleggingskredieten voor rubriek 3 met 121 799 746 EUR ten opzichte van de OB (exclusief proefprojecten en voorbereidende acties), wat moet worden gefinancierd door meer gebruik te maken van speciale instrumenten;

Rubriek 4 — Europa als wereldspeler

39. onderstreept dat de begroting van de Unie meer moet bijdragen aan de maatregelen voor de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, alsmede aan klimaatdiplomatie in de landen die onder het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en het Uniemechanisme voor civiele bescherming vallen; wijst op de mogelijkheid voor de begroting van de Unie om financiële steun te verlenen voor rampenrisicovermindering en om innovatieve financiële instrumenten te mobiliseren, waaronder het externe investeringsplan van de EU, ter ondersteuning van de voorbereiding en financiering van klimaatgerelateerde ontwikkelingsprojecten in Afrika;

40. pleit voor een aanzienlijke verhoging van de financiering voor de landen van de Westelijke Balkan in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun, met name op gebieden die betrekking hebben op het functioneren van de democratische instellingen, de rechtsstaat, goed bestuur en openbaar bestuur; onderstreept het belang van een zinvolle financiering met het oog op de talrijke uitdagingen waarmee de Unie samen met de lidstaten in het Europese nabuurschap te maken zal krijgen bij de ondersteuning van politieke hervormingen en de aanpassing aan het acquis in de Westelijke Balkan;

41. herinnert eraan dat het, gezien de voortdurende dreigingen en de verslechtering van de veiligheidssituatie aan de oostelijke grenzen van de Unie en de moeilijke hervormingen die de Oost-Europese partners moeten doorvoeren, van belang is te zorgen voor voldoende financiering om crisis- en conflictpreventie, stabiliteit, democratie en vertrouwensopbouw te ondersteunen, en meer te doen om armoede te bestrijden en de economische ontwikkeling in de regio te bevorderen; wijst er bovendien nog eens op dat de landen in het Zuidelijk Nabuurschap aanvullende financiële steun nodig hebben, omdat ze onder enorme druk staan, onder meer vanwege de conflicten in Syrië en Libië, de opkomst van extremisme en de daaraan gerelateerde vluchtelingen- en migrantenstromen;

42. acht het noodzakelijk de kredieten in de begrotingslijn voor de Turks-Cypriotische gemeenschap te verhogen om een beslissende bijdrage te leveren aan de voortzetting en intensivering van de missie van het Comité inzake vermiste personen op Cyprus, aan het welzijn van de Maronieten die willen terugkeren alsook aan het welzijn van alle personen in de enclave, zoals overeengekomen in de Derde Overeenkomst van Wenen, en om het door de twee gemeenschappen opgezette technische comité voor cultureel erfgoed te ondersteunen, en zo het vertrouwen en de verzoening tussen de twee gemeenschappen te bevorderen;

43. onderstreept dat de Unie medeverantwoordelijk is voor de bescherming van het Noordpoolgebied; benadrukt dat er geïnvesteerd moet worden in een samenhangender EU-Noordpoolbeleid;

44. pleit ervoor meer middelen uit te trekken voor projecten die gericht zijn op het ondersteunen van vluchtelingen uit Venezuela die naar naburige landen zijn gevlucht, met inbegrip van overzeese gebiedsdelen van lidstaten in het Caribisch gebied;

45. is van mening dat, gezien de ernstige en aanhoudende actie van Turkije om de regionale stabiliteit in gevaar te brengen met agressief gedrag tegen lidstaten, alsook met zijn tekortkomingen op het gebied van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, het gerechtvaardigd is de toewijzingen voor Turkije uit hoofde van het instrument voor pretoetredingssteun verder te verlagen; besluit daarom de door de Raad voorgestelde bezuinigingen op de financiële steun aan Turkije niet ongedaan te maken, maar deze financiële steun met nog eens 5 miljoen EUR te verlagen en 100 miljoen EUR van de financiering in reserve te plaatsen;

46. betreurt de beperkte rol die het Parlement speelt bij het toezicht op en de governance van het EUTF; acht het van fundamenteel belang dat het Parlement toezicht kan houden op de activiteiten van het operationeel comité, en verzoekt de Commissie gedetailleerde informatie te verstrekken over de besluiten die in dat comité worden genomen en ervoor te zorgen dat het Parlement op de vergaderingen van dat comité vertegenwoordigd is;

47. verhoogt de kredieten voor rubriek 4 met 257 217 394 EUR ten opzichte van de OB (exclusief proefprojecten en voorbereidende acties), wat moet worden gefinancierd door meer gebruik te maken van speciale instrumenten;

Rubriek 5 — Administratie; Overige rubrieken — administratieve uitgaven en ondersteunende uitgaven voor onderzoek

48. herstelt de begrotingslijnen voor administratieve uitgaven en ondersteunende uitgaven voor onderzoek in de rubrieken 1 tot en met 4 op het niveau van de OB; stelt een verhoging van 5,5 miljoen EUR in vastleggingskredieten voor ten opzichte van de OB voor een conferentie over Europese democratie/de toekomst van Europa; wijst erop dat de conferentie met de nodige autonomie moet kunnen functioneren en dat het Parlement er op gelijke voet met de andere Europese instellingen bij moet worden betrokken; benadrukt voorts dat de conferentie de deelname en betrokkenheid van een brede groep burgers, onder wie jongeren, mogelijk moet maken;

Proefprojecten en voorbereidende acties (PP’s en VA’s)

49. herinnert eraan hoe essentieel proefprojecten en voorbereidende acties (PP en VA’s) zijn om politieke prioriteiten te formuleren en nieuwe initiatieven te lanceren die zouden kunnen leiden tot permanente activiteiten en programma’s van de Unie; benadrukt in dit verband bij degenen die de weg hebben gebaand voor nieuwe programma’s die worden ondersteund door de huidige voorzitter van de Commissie en het Parlement, zoals het fonds voor een rechtvaardige transitie, dat de Commissie bijzondere aandacht moet schenken aan de uitvoering ervan in de vorm die breedste steun van het Parlement zou genieten; keurt, na een zorgvuldige analyse van alle ingediende voorstellen en na volledig rekening te hebben gehouden met de beoordeling door de Commissie van de naleving van de wettelijke vereisten en de uitvoerbaarheid ervan, een evenwichtig pakket van PP en VA’s goed dat de politieke prioriteiten van het Parlement weerspiegelt; dringt er bij de Commissie op aan de PP-VA’s snel uit te voeren en feedback te geven over het verloop en de concrete resultaten ervan;

Betalingen

50. wijst op de ongekende marge van 20 067,6 miljoen EUR die in de OB onder het maximum voor betalingen overblijft als gevolg van de zeer late aanvang van de programma’s voor de periode 2014-2020, en een hiermee verband houdende opeenstapeling van ongebruikte betalingskredieten, met name in subrubriek 1b; benadrukt dat alles in het werk moet worden gesteld om een significante opeenhoping van verzoeken om betaling aan het begin van het volgende MFK te voorkomen, aangezien een dergelijke opeenhoping zou kunnen resulteren in een nieuwe betalingscrisis in de begroting van de Unie, zoals in de huidige periode het geval was, en een ordelijk begin van de volgende generatie programma’s voor de periode 2021-2027 zou kunnen belemmeren;

51. verhoogt daarom de betalingskredieten voor de Europese structuur- en investeringsfondsen met in totaal 3 miljard EUR vanuit de verwachting dat de lidstaten de uitvoering van hun operationele programma’s in het laatste jaar van het huidige MFK verder zullen opvoeren en zich beter zullen houden aan hun eigen ramingen; verhoogt de voorziening van het EFSI-garantiefonds met 948 miljoen EUR, om zo, op een begrotingsneutrale manier, de jaartranches die tot dusver gepland staan voor de periode 2021-2023, d.w.z. wanneer de druk op de betalingen naar verwachting hoger zal zijn, naar 2020 te halen; verhoogt, tot slot, de betalingskredieten voor de begrotingslijnen waarvoor de vastleggingskredieten zijn verhoogd;

Overige afdelingen

Afdeling I — Europees Parlement

52. herstelt de in de raming opgenomen kredieten op grond van een zorgvuldige en verantwoorde analyse van de behoeften van het Parlement voor 2020, die in het kader van zijn bovengenoemde resolutie van 28 maart 2019 met een grote meerderheid door de plenaire vergadering is aangenomen; realiseert zich dat artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de Commissie de mogelijkheid biedt om de ontwerpramingen van de andere instellingen te wijzigen; spreekt niettemin haar verbazing en ernstige zorg uit over de bezuinigingen van de Commissie op de begroting van het Parlement, die niet stroken met de traditie van goede samenwerking tussen de beide instellingen;

53. verhoogt twee begrotingslijnen ten opzichte van de OB, vanwege nieuwe elementen die onvermijdelijk van invloed zijn op de overbruggingstoelagen voor de begroting 2020, te weten: het hogere niet-herbenoemingspercentage na de Europese verkiezingen (63 %, terwijl een gemiddelde van 50 % als berekeningsgrondslag diende) en het uitstel van de brexit tot en met 31 oktober 2019; verhoogt eveneens de begrotingslijn voor Europese politieke stichtingen, aangezien hun werkzaamheden van cruciaal belang zijn voor de bevordering van de democratie en de bestrijding van nepnieuws en desinformatie;

54. in overeenstemming met de door het Parlement aangenomen ramingen:

-  vraagt het Bureau te werken aan een technische oplossing die de leden de mogelijkheid biedt hun stemrecht uit te oefenen terwijl ze met moederschaps-, vaderschaps- of langdurig ziekteverlof zijn;

- herhaalt zijn pleidooi voor een transparant besluitvormingsproces op het gebied van het vastgoedbeleid; is het daarom niet eens met de huidige praktijk van de collectieve overschrijving aan het einde van het jaar om bij te dragen aan lopende bouwprojecten, die systematisch plaatsvindt bij dezelfde hoofdstukken, titels en, vaak, bij precies dezelfde begrotingslijnen; is van mening dat het vastgoedbeleid op een transparante wijze moet worden gefinancierd aan de hand van specifiek daarvoor bedoelde begrotingsonderdelen;

-  herhaalt zijn verzoek aan het Bureau om actie te ondernemen teneinde de bedragen van de vergoedingen voor dienstreizen tussen de drie werklocaties van het Parlement voor ambtenaren, andere personeelsleden en geaccrediteerde parlementaire medewerkers (GPM’s) vanaf 1 januari 2020 volledig gelijk te trekken;

-  herhaalt zijn oproep aan de Conferentie van voorzitters en het Bureau om de uitvoeringsbepalingen betreffende het werk van delegaties en missies buiten de Europese Unie te herzien; onderstreept dat bij een dergelijke herziening de mogelijkheid moet worden overwogen GPM’s onder bepaalde voorwaarden toe te staan leden tijdens officiële delegaties en missies van het Parlement te vergezellen;

-  verzoekt de secretaris-generaal om op korte termijn de uitvoeringsbepalingen te presenteren, teneinde de statutaire rechten van GPM’s te waarborgen en een einde te maken aan discretionaire interpretatie en de huidige ongelijkheden, die een obstakel vormen voor de volledige vervulling van hun taken als bedoeld in de Statuten van de leden en de medewerkers;

-  dringt aan op de volledige uitvoering van de maatregelen die worden aanbevolen in de resolutie van het Parlement van 26 oktober 2017 over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de Europese Unie[8], met name de anti-intimidatietraining voor alle medewerkers en leden, de externe controles op de twee bestaande anti-intimidatiecomités en de samenvoeging van de twee bestaande comités tot één onafhankelijk comité met artsen en advocaten als vaste leden; vraagt om meer financiële middelen om te voorzien in de kosten van extra medewerkers die bevoegd zijn om intimidatiezaken binnen het Parlement te behandelen, teneinde in een speciale dienst personeel samen te brengen met een deskundige medische, psychologische, juridische of personeelsmanagement-achtergrond, en, overeenkomstig artikel 24 van het Statuut, de juridische en medische kosten van slachtoffers van intimidatie te dekken;

-  herhaalt zijn verzoek aan de secretaris-generaal om gedetailleerde ramingen en een uitsplitsing van de kosten van de voorbereidende technische werkzaamheden in het SPAAK-gebouw met het oog op renovatie, geraamd op 12,4 miljoen EUR;

- herhaalt zijn verzoek om intensiever gebruik te maken van videoconferenties en andere technologieën om het milieu te beschermen en middelen te besparen, met name om dienstreizen van het personeel tussen de drie werklocaties te beperken;

Overige afdelingen (afdelingen IV-X)

55.  wijst erop dat de OB over het algemeen aansluit op de ramingen van de verschillende instellingen die onder de overige afdelingen van de begroting vallen, en dus, enkele uitzonderingen daargelaten, aansluit op hun financiële eisen; is van mening dat de door de Raad voorgestelde bezuinigingen daarom een schadelijk effect zouden hebben op de werking van de desbetreffende instellingen en daarmee op de essentiële bijdrage die deze instellingen leveren aan de werking van de Unie; stelt in dit verband voor de niveaus van de OB in vrijwel alle gevallen te herstellen, ook wat betreft de personeelsformatie van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden; wijzigt, in overeenstemming met het herenakkoord, de lezing door de Raad met betrekking tot de Raad en de Europese Raad niet;

56. is van mening dat het in een beperkt aantal gevallen en rekening houdend met de ramingen van de instellingen, nodig is om de begrotingslijnen te verhogen ten opzichte van de OB en om extra posten voor te stellen; stelt daarom voor:

a) om bij het Hof van Justitie vanwege de toenemende werkdruk aldaar, de door het Hof in zijn ramingen voorgestelde 11 posten die de Commissie niet in de OB heeft opgenomen, te herstellen (7 AD- en 4 AST-posten), en te voorzien in de noodzakelijke kredieten voor salarissen en vergoedingen;

b) om bij het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s de kredieten voor enkele begrotingslijnen te verhogen ten opzichte van de OB, teneinde de kredieten op ongeveer hetzelfde niveau te houden als vorig jaar;

c) om bij de Europese Ombudsman twee extra AD-posten te creëren waarin in de begroting niet is voorzien, in combinatie met enkele kleine bezuinigingen op drie begrotingslijnen ter compensatie van de bedragen die in twee andere begrotingslijnen worden hersteld;

o

o o

57. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, samen met de amendementen op het ontwerp van algemene begroting, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.


 

 

ADVIES VAN DE Commissie buitenlandse zaken (1.10.2019)

<CommissionInt>aan de Begrotingscommissie</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020</Titre>

<DocRef>(2019/2028(BUD))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Michael Gahler</Depute>

 

 

 

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. merkt met bezorgdheid op dat de vastleggingskredieten voor rubriek 4 (Europa als wereldspeler) met ruim 1 miljard EUR zijn gedaald, hetgeen inhoudt dat de begroting voor extern optreden lager zal zijn dan in de drie voorgaande jaren; is van oordeel dat de EU, in samenwerking met haar lidstaten, in de huidige internationale context niet minder maar juist meer verantwoordelijkheid moet nemen en dat zij daartoe van de nodige financiële middelen moet worden voorzien gezien de talrijke problemen in de naburige regio van Europa en daarbuiten; dringt erop aan dat de marge in rubriek 4 van ruim 200 miljoen EUR wordt toegewezen, onder meer voor crisisrespons, conflictpreventie, vredesopbouw en crisisparaatheid;

2. is van oordeel dat de financiering voor de landen van de Westelijke Balkan verder moet worden verhoogd in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II), met name op gebieden die betrekking hebben op het functioneren van de democratische instellingen, de rechtsstaat, goed bestuur en openbaar bestuur; merkt op dat de Commissie aanbeval toetredingsonderhandelingen te beginnen met Albanië en Noord‑Macedonië; onderstreept dat het van belang is deze belofte gestand te doen en al in 2019 toetredingsonderhandelingen te beginnen; keurt in dit verband de voorgestelde verlaging van de financiering ter ondersteuning van politieke hervormingen en afstemming op het acquis in de Westelijke Balkan af en verzoekt in plaats daarvan om een aanzienlijke verhoging;

3. merkt op dat de toewijzingen voor Turkije nog altijd verlaagd zijn en is van oordeel dat dit gerechtvaardigd is met het oog op de ernstige en aanhoudende tekortkomingen in het land op het gebied van democratie, de rechtsstaat en de grondrechten; dringt er bij de Commissie op aan de situatie nauwlettend te volgen en zo nodig de financiële ondersteuning aan te passen, alsook contacten te onderhouden met de burgers van Turkije; is ingenomen met de toegenomen aandacht voor steun voor het maatschappelijk middenveld, met name op het gebied van democratie en de rechtsstaat, en de huidige overgang naar direct beheer en spoort de Commissie aan deze herbalancering verder te bespoedigen;

4.  benadrukt dat de stabiliteit van het Oostelijk en Zuidelijk nabuurschap van de EU prioriteit moet krijgen; onderstreept met name dat belangrijke landen zoals Oekraïne, Moldavië, Tunesië en Georgië moeten worden gesteund en dat al deze landen aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt, wat moet worden erkend en gesteund; wijst nogmaals op het belang van een hoog niveau van steun en betrokkenheid van de EU met betrekking tot het nabuurschap, rekening houdend met de toezeggingen van partnerlanden in verband met hun alomvattende hervormingsagenda, met name op het gebied van democratie, de rechtsstaat en mensenrechten; herinnert er verder aan dat het, gezien de voortdurende dreigingen en de verslechtering van de veiligheidssituatie aan de oostelijke grenzen van de EU, van belang is door te gaan met vertrouwensopbouw met de oostelijke partners en voldoende middelen ter beschikking te stellen om stabiliteit en democratieopbouw in de regio te steunen, met name in Oekraïne en in Oost-Oekraïne in verband met het aanhoudende, door Rusland aangestichte conflict aldaar; steunt een versterkte en zichtbaardere rol van de waarnemingsmissie van de EU in Georgië in het licht van de toegenomen Russische agressie tegen Georgië; benadrukt dat de EU in het geval van Moldavië gebruik moet maken van het politieke momentum en moet zorgen voor een sterke financiële ondersteuning, zodat de nodige democratische, economische en sociale hervormingen kunnen worden doorgevoerd;

5. dringt aan op meer middelen om de desinformatiecampagnes tegen te gaan die de democratische processen in het nabuurschap van de EU ondermijnen;

6. herhaalt dat de landen in het Zuidelijk nabuurschap blootstaan aan enorme druk door de tumultueuze ontwikkelingen in de regio, waaronder conflicten in Syrië en Libië, de opkomst van extremisme en de daaraan gerelateerde vluchtelingen- en migrantenstromen, en is van mening dat er meer inspanningen moeten worden geleverd en meer middelen ter beschikking moeten worden gesteld voor vertrouwensopbouw om de huidige problemen het hoofd te kunnen bieden; pleit ervoor dat de voorgestelde bezuinigingen voor de zuidelijke buurlanden in het kader van het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) ongedaan worden gemaakt; herhaalt dat bijdragen van het ENI aan de toezegging voor Syrië en het EU-trustfonds voor Afrika niet ten koste mogen gaan van de kernprioriteiten van het ENI en dringt erop aan dat deze aanvullende toezeggingen volledig met verhogingen worden gecompenseerd;

7.  is verheugd over de toezeggingen die gedaan zijn tijdens de derde conferentie in Brussel, “Ondersteuning van de toekomst van Syrië en de regio”, en wijst erop dat de EU, afgezien van de toegezegde 560 miljoen EUR, langdurige en stabiele betrokkenheid met de regio moet toezeggen; wijst in het bijzonder op de inspanningen die zijn geleverd door de organisaties die bewijs verzamelen in Syrië en dringt erop aan dat bewijs van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid begaan door alle conflictpartijen moet worden bewaard als een fundamentele prioriteit;

8.  dringt aan op meer EU-steun voor de haalbaarheid van een tweestatenoplossing, de Palestijnse Autoriteit, het maatschappelijk middenveld in zowel Israël als Palestina en de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA); wijst met bezorgdheid op de recente corruptiebeschuldigingen in de leiding van de UNRWA en verwacht een transparant onderzoek naar deze beschuldigingen evenals extern toezicht in dit verband; uit opnieuw haar bezorgdheid over de aanhoudende vernietiging en inbeslagname van door de EU gefinancierde humanitaire bijstand op de westelijke Jordaanoever;

9. dringt aan op herstel van het mandaat van een speciale vertegenwoordiger van de EU voor het zuidelijke Middellandse Zeegebied, die een leidende rol zou spelen bij de samenwerking van de EU met de regio en de EU meer zichtbaarheid zou geven in de regio;

10.  verzoekt om meer financiering voor het Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR); bevestigt wederom zich, onder meer met behulp van het mechanisme ter verdediging van de mensenrechten (ProtectDefenders.eu), krachtig in te willen zetten voor mensenrechtenactivisten, met name voor hen die het meeste gevaar lopen;

11. benadrukt dat de LGBTI+-gemeenschap overal ter wereld moet worden gesteund en beschermd; dringt erop aan EU-middelen toe te wijzen ter ondersteuning van LGBTI+-gemeenschappen in landen waar de rechten van deze gemeenschappen worden bedreigd;

12.  wijst op de belangrijke rol die de EU-verkiezingswaarnemingsmissies spelen bij de versterking van democratische instellingen en de vergroting van het vertrouwen bij de bevolking in verkiezingsprocessen, waardoor stabiliteit wordt bevorderd en andere doelstellingen van het buitenlands beleid, waaronder vredesopbouw, verwezenlijkt kunnen worden; wijst erop dat deze verkiezingswaarnemingsmissies moeten worden bevorderd en de financiering in dit kader moet worden verhoogd; merkt op dat de voorgestelde verhoging met name gericht moet zijn op de versterking van de steun aan plaatselijke maatschappelijke organisaties voor verkiezingswaarneming, waarbij tot 25 % van de totale begroting van het EIDHR moet worden besteed aan de financiering van verkiezingswaarnemingsmissies; spoort de Commissie aan concurrentie tussen dienstverleners te stimuleren om de doeltreffendheid en efficiëntie te verhogen;

13.  onderstreept het belang van een progressief kader voor het gemeenschappelijke defensiebeleid van de EU en geeft aan dat het noodzakelijk is meer financiering beschikbaar te stellen om de tenuitvoerlegging ervan te garanderen; spreekt nogmaals haar krachtige steun uit voor het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie en is verheugd dat in de ontwerpbegroting 255 miljoen EUR voor dit programma is voorzien; wijst nogmaals op de belangrijke rol die het Europees Defensiefonds (EDF) in toekomstige begrotingen moet spelen, met name in het volgende meerjarig financieel kader; dringt er bij de lidstaten op aan in toenemende mate gebruik te maken van deze financieringsmogelijkheden;

14. wijst nogmaals op haar standpunt dat financiering uit de Uniebegroting van de administratieve en operationele uitgaven van het Europees Defensieagentschap en van permanente gestructureerde samenwerking de enige mogelijkheid is waarin de Verdragen voorzien;

15. is van mening dat er meer middelen moeten worden bestemd voor civiele conflictpreventie, bemiddeling, en verzoeningspogingen, met name in het Oostelijk en Zuidelijk nabuurschap van de EU;

16. wijst op de consequenties die de klimaatverandering zal hebben voor het externe beleid van de EU; benadrukt dat er een substantiële verhoging van de financiële middelen nodig is om de klimaatdoelstellingen te halen en klimaatdiplomatie te laten welslagen;

17. onderstreept dat de EU medeverantwoordelijk is voor de bescherming van het Noordpoolgebied; benadrukt dat er meer geïnvesteerd moet worden in een samenhangend EU-Noordpoolbeleid;

18. benadrukt dat seksueel en op gender gebaseerd geweld dringend moet worden uitgebannen door het wijdverspreide en systematische gebruik ervan als een oorlogswapen aan te pakken; pleit ervoor EU-middelen aan te wenden om slachtoffers van op gender gebaseerd geweld te helpen en ervoor te zorgen dat vrouwen wereldwijd toegang hebben tot veilige en legale abortus;

19. pleit ervoor meer middelen uit te trekken voor projecten die gericht zijn op het ondersteunen van vluchtelingen uit Venezuela die naar naburige landen zijn gevlucht, met inbegrip van overzeese gebiedsdelen van lidstaten in het Caribisch gebied;

20. is ontzet over het lage percentage vrouwen in middenkader- en topkaderfuncties van de EDEO (resp. 25 % en 13 %); verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid een schriftelijke toezegging te doen met betrekking tot het percentage vrouwen in middenkaderfuncties, alsook met betrekking tot de doelstelling dat 50 % van de delegatiehoofden tegen 2024 vrouw is;

21. wijst op het feit dat onvoorziene crises flexibiliteit en manoeuvreerruimte in de begroting vergen en herinnert eraan dat indien nodig snel en efficiënt moet kunnen worden gehandeld;

22. wijst erop dat het huidige begrotingsvoorstel gebaseerd is op een begroting met volledige bijdragen van het Verenigd Koninkrijk gedurende 2020.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

1.10.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

42

12

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Maria Arena, Petras Auštrevičius, Traian Băsescu, Phil Bennion, Lars Patrick Berg, Anna Bonfrisco, Reinhard Bütikofer, Fabio Massimo Castaldo, Włodzimierz Cimoszewicz, Tanja Fajon, Michael Gahler, Giorgos Georgiou, Nathan Gill, Raphaël Glucksmann, Klemen Grošelj, Bernard Guetta, Sandra Kalniete, Stelios Kouloglou, David Lega, Nathalie Loiseau, Antonio López-Istúriz White, Jaak Madison, Claudiu Manda, Thierry Mariani, David McAllister, Vangelis Meimarakis, Sven Mikser, Francisco José Millán Mon, Javier Nart, Demetris Papadakis, Tonino Picula, Giuliano Pisapia, Nacho Sánchez Amor, Isabel Santos, Sergei Stanishev, Hermann Tertsch, Idoia Villanueva Ruiz, Viola Von Cramon-Taubadel, Irina Von Wiese, Isabel Wiseler-Lima, Željana Zovko

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Attila Ara-Kovács, Vladimír Bilčík, Loucas Fourlas, Neena Gill, Markéta Gregorová, Roman Haider, Sergey Lagodinsky, Hannah Neumann, Bert-Jan Ruissen, Tineke Strik, Mick Wallace

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 209, lid 7)

Michael Bloss, Liudas Mažylis, Philippe Olivier

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

42

+

ECR

Hermann Tertsch

NI

Fabio Massimo Castaldo

PPE

Traian Băsescu, Vladimír Bilčík, Loucas Fourlas, Michael Gahler, Sandra Kalniete, David Lega, Antonio López-Istúriz White, David McAllister, Liudas Mažylis, Vangelis Meimarakis, Francisco José Millán Mon, Isabel Wiseler-Lima, Željana Zovko

RENEW

Petras Auštrevičius, Phil Bennion, Klemen Grošelj, Bernard Guetta, Nathalie Loiseau, Javier Nart, Irina Von Wiese

S&D

Attila Ara-Kovács, Maria Arena, Włodzimierz Cimoszewicz, Tanja Fajon, Neena Gill, Raphaël Glucksmann, Claudiu Manda, Sven Mikser, Demetris Papadakis, Tonino Picula, Giuliano Pisapia, Nacho Sánchez Amor, Isabel Santos

VERTS/ALE

Michael Bloss, Reinhard Bütikofer, Markéta Gregorová, Sergey Lagodinsky, Hannah Neumann, Tineke Strik, Viola Von Cramon-Taubadel

 

12

-

ECR

Bert-Jan Ruissen

GUE/NGL

Giorgos Georgiou, Stelios Kouloglou, Idoia Villanueva Ruiz, Mick Wallace

ID

Lars Patrick Berg, Anna Bonfrisco, Roman Haider, Jaak Madison, Thierry Mariani, Philippe Olivier

NI

Nathan Gill

 

1

0

S&D

Sergei Stanishev

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


 

 

ADVIES VAN DE Commissie ontwikkelingssamenwerking (9.10.2019)

<CommissionInt>aan de Begrotingscommissie</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020 </Titre>

<DocRef>(2019/2028(BUD))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Charles Goerens</Depute>

 

 

 

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. onderstreept dat de algemene begroting van de Europese Unie op passende wijze moet bijdragen tot de verwezenlijking van de Agenda 2030, de bijbehorende doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s) en de doelstelling “uitbanning van armoede”, zoals vastgelegd in de artikelen 3 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; benadrukt dat de SDG’s een strategische prioriteit moeten zijn en dat de uitvoering daarvan in zowel alle interne als externe beleidsmaatregelen van de Europese Unie verweven moet zijn; wijst erop dat volgens de Verenigde Naties voor de verwezenlijking van de SDG’s tussen 5 en 7 biljoen USD per jaar nodig is (waarvan 2,5 tot 3 biljoen in ontwikkelingslanden); benadrukt dat de Europese Unie, om een geloofwaardige wereldspeler te zijn, het voortouw moet nemen bij de verwezenlijking van de SDG’s en de samenhang van het ontwikkelingsbeleid (PCD) moet versterken; benadrukt het belang van dialoog, inclusieve lokale betrokkenheid en zeggenschap, en van EU-steun die daadwerkelijk bij de mensen terechtkomt; onderstreept dat de SDG’s onderling verbonden en ondeelbaar zijn, maar benadrukt dat SDG 3 inzake gezondheid, SDG 4 inzake onderwijs, SDG 5 inzake gendergelijkheid, SDG 13 inzake klimaatactie en SDG 16 inzake vrede, rechtvaardigheid en sterke instellingen duidelijker tot uiting moeten komen in de algemene begroting van de Europese Unie voor 2020;

2. benadrukt dat de Unie en haar lidstaten hun collectieve verbintenis, die in 2015 opnieuw werd bevestigd, moeten nakomen om hun officiële ontwikkelingshulp (ODA) uiterlijk in 2030 te verhogen tot 0,7 % van hun bni; roept de Commissie en de lidstaten op bindende tijdschema’s op te stellen om geleidelijk naar dit hogere niveau toe te werken; wijst op de collectieve verbintenis van de Unie om 0,20 % van het bni dat is uitgetrokken voor ODA toe te wijzen aan de minst ontwikkelde landen; wijst eens te meer op de door de Commissie aangegane verbintenis om ten minste 20 % van haar totale ODA aan menselijke ontwikkeling en sociale inclusie te besteden; benadrukt dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten moeten worden bevorderd en beschermd;

3. herhaalt haar zorgen aangaande het gebruik van ontwikkelingsgeld voor andere doeleinden dan ontwikkelingsdoelstellingen, en onderstreept dat financiering die niet voldoet aan de criteria voor ODA afkomstig moet zijn van andere bronnen dan het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI); onderstreept dat mensenrechtennormen in alle samenwerkingsverbanden in het kader van het DCI moeten worden gewaarborgd, en dringt erop aan dat de EU de oorzaken van armoede en ongelijkheid aanpakt om armoede op de lange termijn met succes terug te dringen; spreekt opnieuw zijn steun uit voor de opname van het Europees Ontwikkelingsfonds in de begroting en dringt aan op voldoende parlementaire controle op de financiering van de Europese Unie voor ontwikkelingshulp;

4.  pleit voor een op resultaten gebaseerde aanpak, de handhaving van meldingsmechanismen, efficiëntie en het toezicht op de middelen die bestemd zijn voor de ontwikkelingshulp van de EU;

5. is zeer verontrust over de manier waarop het EU-noodtrustfonds voor Afrika (EUTF) wordt ingezet; merkt met name op dat de prioriteit die wordt toegekend aan de financiering van migratie en grensbeheer vaak wordt geschrapt uit de doelstellingen “uitbanning van armoede” en “de aanpak van de onderliggende oorzaken van migratie”, en dat dit nadelige gevolgen kan hebben; is van mening dat het bijvoorbeeld ongepast is om dat instrument te gebruiken voor de financiering van de Libische kustwacht zonder rekening te houden met de zeer ernstige mensenrechtenschendingen in Libië;

6. hamert op de op rechten gebaseerde benadering van ontwikkeling en het beginsel dat niemand aan zijn lot mag worden overgelaten; benadrukt dat met het beleid en de programma’s van de Unie mensenrechtennormen moeten worden gewaarborgd en dat daarmee moet worden bijgedragen aan de bestrijding van de nog altijd bestaande mondiale ongelijkheden en discriminatie op basis van factoren zoals inkomen, etniciteit, geslacht, leeftijd, handicap, religie of geloof, seksuele gerichtheid en genderidentiteit; benadrukt de noodzaak van steun voor non-discriminatie en de bescherming van mensenrechtenverdedigers;

7. betreurt de beperkte rol die het Europees Parlement speelt bij het toezicht op en de governance van het EUTF; acht het van bijzonder groot belang dat het Parlement toezicht kan houden op de activiteiten van het operationeel comité, en verzoekt de Commissie gedetailleerde informatie te verstrekken over de besluiten die in dat comité worden genomen en ervoor te zorgen dat het Europees Parlement op de vergaderingen van dat comité vertegenwoordigd is;

8. wijst met klem op de noodzaak om SDG 5 inzake gendergelijkheid te bevorderen en dringt aan op concretere maatregelen in het externe beleid van de Unie, met inbegrip van gerichte acties en maatregelen op het vlak van gendergelijkheid; dringt erop aan dat geweld tegen vrouwen en meisjes wordt bestreden en de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten wordt verbeterd;

9. hamert op SDG 16 en steun voor democratie, goed bestuur en de rechtsstaat; acht het van groot belang dat dialoog en inclusieve lokale inbreng worden bevorderd en dat er stimulerende randvoorwaarden voor burgerparticipatie worden gecreëerd; onderstreept hoe belangrijk jongeren en vrouwen zijn als aanjagers van verandering; benadrukt dat vrouwen moeten worden betrokken bij vredesopbouw en de oplossing van conflicten;

10. benadrukt dat burgers in conflictgebieden moeten worden ondersteund en dat samenlevingen na de beëindiging van een conflict heropgebouwd moeten worden; vestigt de aandacht op de situatie van groepen Koerden, jezidi’s, christelijke en andere etnische en religieuze minderheden in het Midden-Oosten; benadrukt hoe belangrijk het is dat de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten functioneel is en voldoende steun ontvangt in tijden van verminderde steun van andere mondiale actoren;

11. schaart zich achter het voornemen van de Commissie om de doctrine te verduidelijken die zij zal toepassen op het vlak van ontwikkelingssamenwerking met staten die de beginselen van het externe beleid van de Europese Unie schenden;

12. is van mening dat in de ontwikkelingsbegroting voor 2020 de aandacht van de EU moet uitgaan naar landen die het minst ontwikkeld zijn op het gebied van onderwijs en jeugdwerkgelegenheid, naar landen waar meisjes en vrouwen het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld en landen waar geen universele toegang tot water is;

13. verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de financiering van activiteiten in verband met de aanpassing aan de klimaatverandering en andere klimaatgerelateerde activiteiten in derde landen een aanvulling vormt op de financiering van activiteiten via instrumenten voor ontwikkelingssamenwerking; wijst erop dat de klimaatverandering de nu al kwetsbare situatie nog verder kan verergeren en er zelfs toe kan leiden dat de reeds geboekte vooruitgang bij de bestrijding van armoede en honger ongedaan wordt gemaakt; vreest dat de ongunstige gevolgen van de klimaatverandering legio zullen zijn, met nog meer humanitaire crises tot gevolg, bijv. door een stijging van het aantal conflicten en oorlogen;

14. benadrukt dat er meer fatsoenlijke en groene banen moeten worden gecreëerd in overeenstemming met SDG 8; vestigt de aandacht op het verband tussen handel en ontwikkeling, roept de Unie op landen beter te ondersteunen om deel te nemen aan en ten volle profijt te trekken van de internationale handel; benadrukt dat de dialoog tussen de sociale partners in dit verband moet worden aangewakkerd, en wijst op initiatieven als het mondiaal akkoord voor fatsoenlijk werk en inclusieve groei; onderstreept dat de arbeidsrechten moeten worden gegarandeerd in mondiale waardeketens en dat fatsoenlijk werk moet worden gestimuleerd aan de hand van de arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie;

15. is van mening dat er actie moet worden ondernomen om humanitaire crises aan te pakken, waarbij de nadruk moet liggen op preventie, de opbouw van veerkracht en samenwerking met belanghebbenden, en zodoende een oplossing te vinden voor het wereldwijde tekort aan financiering voor humanitaire acties; wijst erop dat regeringen, het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector nauwer met elkaar moeten samenwerken; dringt aan op een aanzienlijke verhoging van de middelen die worden toegewezen voor de begrotingslijnen voor humanitaire hulp om voorbereid te zijn op nieuwe rampen in plaats van alleen lopende crises te dekken, en tegelijkertijd te zorgen voor voldoende financiering voor meer ontwikkelingssamenwerking op de lange termijn met als doel sterke, veerkrachtige en inclusieve samenlevingen; wijst erop dat het er niet naar uitziet dat er minder crises op ons afkomen, en dat crises bovendien steeds langer voortslepen; benadrukt dat humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking beter op elkaar moeten worden afgestemd;

16. benadrukt dat de betalingskredieten in het hoofdstuk humanitaire hulp ten minste op hetzelfde niveau moeten worden gehouden als de vastleggingskredieten, om te voorkomen dat er betalingsachterstanden ontstaan die aanzienlijke negatieve gevolgen kunnen hebben voor de bevolking en de uitvoerende partners;

17. dringt erop aan dat de Unie niet kan terugkrabbelen als motor voor multilateralisme en mondiale samenwerking, en pleit voor een toereikende toewijzing van middelen voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp binnen het nieuwe meerjarig financieel kader.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

8.10.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

2

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Hildegard Bentele, Udo Bullmann, Ryszard Czarnecki, Gianna Gancia, Mónica Silvana González, Pierrette Herzberger-Fofana, György Hölvényi, Martin Horwood, Rasa Juknevičienė, Pierfrancesco Majorino, Lukas Mandl, Marc Tarabella, Tomas Tobé, Chrysoula Zacharopoulou

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Manon Aubry, Stéphane Bijoux, Ellie Chowns, Ewa Kopacz, María Soraya Rodríguez Ramos

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 209, lid 7)

Sándor Rónai

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

20

+

ECR

Ryszard Czarnecki

GUE/NGL

Manon Aubry

ID

Gianna Gancia

PPE

Hildegard Bentele, György Hölvényi, Rasa Juknevičienė, Ewa Kopacz, Lukas Mandl, Tomas Tobé

Renew

Stéphane Bijoux, Martin Horwood, María Soraya Rodríguez Ramos, Chrysoula Zacharopoulou

S&D

Udo Bullmann, Mónica Silvana González, Pierfrancesco Majorino, Sándor Rónai, Marc Tarabella

Verts/ALE

Ellie Chowns, Pierrette Herzberger-Fofana

 

2

-

NI

Louis Stedman-Bryce, James Wells

 

2

0

ID

Dominique Bilde, Bernhard Zimniok

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


 

ADVIES VAN DE Commissie begrotingscontrole (26.9.2019)

<CommissionInt>aan de Begrotingscommissie</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020 </Titre>

<DocRef>(2019/2028(BUD))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Corina Crețu</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

Financieel beheer

1. herinnert eraan dat de Commissie op grond van artikel 247, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement verplicht is jaarlijks uiterlijk op 31 juli aan het Europees Parlement en de Raad een geïntegreerde reeks financiële en verantwoordingsverslagen voor te leggen, met inbegrip van een langetermijnraming van toekomstige in- en uitstromen voor de komende vijf jaar;

2. dringt erop aan dat in deze verslagen het effect wordt geanalyseerd van de vastleggingen op de omvang van de betalingsachterstand van een bepaald meerjarig financieel kader (MFK);

Programmaverklaringen voor de operationele uitgaven bij de begroting

3. is ingenomen met de programmaverklaringen voor de operationele uitgaven bij de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020 (begroting 2020), waarin overeenkomstig artikel 41, lid 3, onder h), van het Financieel Reglement, informatie wordt verstrekt over elk van de uitgavenprogramma’s;

4. juicht toe dat de programmaverklaringen voor 2020 refereren aan de verwezenlijking van sectoroverschrijdende beleidsdoelstellingen zoals de strijd tegen de klimaatverandering en mainstreaming van de biodiversiteit; waardeert het feit dat de Commissie ook ingaat op de uitgavenprogramma’s die bijdragen tot de verwezenlijking van de prioriteiten van Europa 2020 en dat zij de nadruk legt op de meest recente en relevante initiatieven die bijdragen tot het realiseren van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling in het kader van het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking, weliswaar vaak op indirecte en niet-meetbare wijze;

5. verzoekt de Begrotingscommissie om, in overleg met de sectorale commissies van dit Parlement, een echte cultuur van resultaatgerichtheid te bevorderen, met als doel het gebruik van middelen te optimaliseren, de redenen te analyseren die leiden tot programma’s die slecht presteren en te streven naar maatregelen ter verbetering van de absorptie en de prestaties;

Prestatieverslagen

6. herinnert eraan dat het huidige prestatiekader van de programma’s dat is vastgesteld in de programmaverklaringen, meer dan 700 indicatoren bevat voor het meten van de prestaties met betrekking tot meer dan 60 algemene en meer dan 220 specifieke doelstellingen;

7. vraagt zich af waarom de Commissie twee reeksen doelstellingen en indicatoren hanteert om de prestaties van haar financiële beheer te meten: aan de ene kant evalueren de directoraten‑generaal van de Commissie de verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vastgelegd in hun beheersplan in de doelstellingen en indicatoren in hun jaarlijkse activiteitenverslagen, en aan de andere kant meet de Commissie de prestaties van uitgavenprogramma’s aan de hand van de programmaverklaringen over de operationele uitgaven, die bij de ontwerpbegroting zijn gevoegd; verzoekt de Commissie haar verslaglegging te baseren op één enkele reeks doelstellingen en indicatoren;

8. betreurt het feit dat de Commissie in haar prestatieverslagen niet heeft uitgelegd hoe zij informatie over de prestaties gebruikt heeft bij haar besluitvormingsproces;

9. verzoekt de Commissie:

a) de verslaglegging over de prestaties te stroomlijnen door:

 het aantal doelstellingen en indicatoren dat zij voor haar verschillende prestatieverslagen gebruikt, verder te verminderen en zich op die doelstellingen en indicatoren te richten waarmee de prestaties van de begroting van de Unie het beste kunnen worden gemeten;

 financiële informatie zodanig te presenteren dat deze kan worden vergeleken met de informatie over prestaties, zodat het verband tussen uitgaven en prestaties duidelijk is;

b) aan te geven hoe informatie over de prestaties met betrekking tot de begroting van de Unie gebruikt is in het besluitvormingsproces;

c) methoden te ontwikkelen voor de verwerking van de enorme hoeveelheden gegevens die bij de prestatieverslaglegging worden gecreëerd, teneinde de behaalde resultaten tijdig, eerlijk en reëel in beeld te brengen; dringt erop aan dat de prestatieverslaglegging als basis moet dienen voor corrigerende maatregelen wanneer de doelstellingen van een programma niet worden gehaald;

d) de verslaglegging over prestaties beter in evenwicht te brengen door duidelijk informatie te presenteren over de belangrijkste uitdagingen die nog moeten worden verwezenlijkt;

Tijdige absorptie

10. verzoekt de Commissie de nauwkeurigheid van de betalingsprognose te verbeteren en de lessen die uit de vorige programmeringsperiode zijn getrokken te gebruiken om de geaccumuleerde betalingsachterstand aan te pakken, de negatieve gevolgen ervan voor het volgende MFK te vermijden en het actieplan ter voorkoming van betalingsachterstanden tijdens het MFK 2021-2027 te presenteren;

11. verzoekt de Commissie voldoende middelen uit te trekken voor technische bijstand aan de nationale autoriteiten van de lidstaten opdat deze in staat zijn de toegewezen bedragen te absorberen;

12. benadrukt dat de EU-begroting geen tekort mag vertonen en dat het toenemende bedrag aan achterstallige betalingen in feite een financiële schuld vormt;

Klimaatverandering

13. herhaalt het standpunt van de Europese Unie dat 20 % van de begroting aan het aanpakken van de klimaatverandering besteed moet worden; verzoekt de Commissie om onderzoek, ontwikkeling en innovatie te versterken om deze doelstelling van 20 % te bereiken;

Migratie, bescherming van de grenzen en mensenrechten

14. roept de Commissie op om voor beheer- en rapportagedoeleinden een manier te vinden om begrotingsuitgaven van de Unie zodanig te registreren dat alle financiering met betrekking tot de vluchtelingen- en migratiekwestie kan worden gerapporteerd, alsook met betrekking tot het toekomstige beleid van de Unie inzake de beheersing van migratiestromen en integratie;

Horizon 2020

15. herinnert eraan dat het programma Horizon 2020 de politieke steun van de lidstaten geniet en dat onderzoek een directe investering is voor slimme, duurzame en inclusieve groei die het scheppen van banen bevordert; is van mening dat de Unie alleen met een ambitieuze begroting haar leidende wetenschappelijke rol op dit gebied zal kunnen ontwikkelen, met name als antwoord op de maatschappelijke uitdagingen op het gebied van werkgelegenheid, energietransitie, digitalisering van de samenleving en medisch en farmaceutisch onderzoek;

16. herhaalt dat er in elke migratiecrisis een humanitair element meespeelt dat noodzakelijkerwijs meestal noodmaatregelen inhoudt; verzoekt de Commissie manieren te zoeken om snel te reageren op de migratiecrisis en de achterliggende humanitaire situatie;

17. dringt er bij de Commissie op aan om meer middelen toe te wijzen aan de lidstaten die vanuit de voorste linie het hoofd moeten bieden aan de migratie- en vluchtelingencrisis, opdat zij doeltreffender op het probleem van de migratiecrisis kunnen reageren;

18. pleit opnieuw voor een apart begrotingsonderdeel voor de specifieke doelstelling van Daphne, dat deel uitmaakt van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap", als blijk van de inzet van de Unie voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes; pleit voor een verhoging van de middelen voor dit begrotingsonderdeel ter compensatie van de verlaging van de middelen voor de doelstelling van Daphne in de periode 2014-2020; stelt voor om in het volgende MFK de begroting te verhogen van het nieuwe Fonds voor justitie, rechten en waarden, dat ook het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" zal omvatten; vraagt dat er continu inspanningen worden geleverd om de bekendheid te vergroten van de subsidies en de maatregelen voor de vereenvoudiging van de bijbehorende administratieve procedures die in de specifieke doelstelling van Daphne zijn opgenomen;

Veiligheid en defensie

19. verzoekt de Commissie "Veiligheid en defensie" als afzonderlijke omschrijving in te voeren om transparanter toezicht mogelijk te maken;

20. benadrukt het aanzienlijke risico voor de begroting en de organisatie dat verbonden is aan de grote uitbreiding van agentschappen, zoals voorgesteld voor Frontex in het MFK 2021-27. dringt, om dit risico voor de begroting te beheren, aan op de ontwikkeling van, verslaglegging over en controle op een gedetailleerd en gefaseerd uitbreidingsprogramma overeenkomstig de voor het volgende MFK goedgekeurde rechtsgrond, op basis waarvan de begrotingsregelingen in de komende jaren zullen worden vastgesteld en op basis waarvan hierover verantwoording zal moeten worden afgelegd;

Financieringsinstrumenten en trustfondsen

21. benadrukt net als de Rekenkamer het feit dat meer gedetailleerde verslaglegging over financiële instrumenten nodig is en verzoekt de Commissie accurate en volledige informatie te verstrekken over financiële instrumenten onder gedeeld beheer na de afsluiting, met vermelding van de bedragen die terugvloeien naar de begroting van de Unie en de resterende bedragen in de lidstaten;

22. wijst erop dat voor steun aan derde landen steeds meer gebruik is gemaakt van alternatieve financieringsmodellen (zoals trustfondsen en de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije), waardoor de bestaande financiële structuren complexer worden;

23. wijst erop dat de bundeling van middelen van het Europees Ontwikkelingsfonds, de begroting van de Unie en andere donoren in trustfondsen niet tot gevolg mag hebben dat voor ontwikkelings- en samenwerkingsbeleid bestemde middelen niet worden gebruikt voor de oorspronkelijke doelstellingen, zoals het uitbannen van armoede en het bevorderen van de mensenrechten;

24. benadrukt dat trustfondsen alleen mogen worden opgericht als het gebruik hiervan gerechtvaardigd is en de vereiste actie niet via andere, bestaande financieringskanalen kan worden gerealiseerd; verzoekt de Commissie te overwegen om op basis van het beginsel van eenheid van de begroting een einde te maken aan trustfondsen die niet in staat zijn een significante bijdrage van andere donoren aan te trekken of geen toegevoegde waarde bieden in vergelijking met de “traditionele” externe instrumenten van de Unie;

25. is van mening dat de werking van en de verantwoording over de trustfondsen van de Unie het best kunnen worden verwezenlijkt door deze op transparante wijze te beheren als onderdeel van de algemene begroting van de Unie;

EOM

26. dringt erop aan dat het Europees Openbaar Ministerie (EOM) voldoende wordt gefinancierd en voorzien wordt van voldoende personeel; wijst erop dat het EOM reeds operationeel moet zijn vanaf november 2020; benadrukt het belang van een duidelijke taakverdeling en een goede coördinatie tussen het EOM en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF);

27. herinnert aan het belang van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief om hun activering en integratie op de arbeidsmarkt te bevorderen;

28. stelt vast dat de bijdrage van de Unie in de ontwerpbegroting voor 2020 in totaal 8 372 000 EUR bedraagt;

29. herinnert eraan dat het van belang is dat OLAF, Europol en Eurojust voldoende middelen en personeel krijgen om ervoor te zorgen dat zij doeltreffend kunnen samenwerken met het EOM en de gemeenschappelijke taak kunnen vervullen om de financiële belangen van de Unie te beschermen. Toont zich in dit verband bezorgd over de personeelsvermindering waarvan OLAF in zijn jaarverslag 2018 melding heeft gemaakt, terwijl de werklast van OLAF structureel is toegenomen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.9.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

2

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Matteo Adinolfi, Olivier Chastel, Caterina Chinnici, Lefteris Christoforou, Corina Crețu, Tamás Deutsch, Raffaele Fitto, Daniel Freund, Isabel García Muñoz, Cristian Ghinea, Michael Heaver, Monika Hohlmeier, Joachim Kuhs, Claudiu Manda, Tsvetelina Penkova, Markus Pieper, Sabrina Pignedoli, Petri Sarvamaa, Angelika Winzig, Lara Wolters, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Katalin Cseh, Derk Jan Eppink, Mikuláš Peksa, Ramona Strugariu, Viola Von Cramon-Taubadel, Lucia Vuolo

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

24

+

ID

NI

EPP

Renew

S&D

Verts/ALE

Matteo Adinolfi, Joachim Kuhs, Lucia Vuolo

Sabrina Pignedoli

Lefteris Christoforou, Tamás Deutsch, Monika Hohlmeier, Markus Pieper, Petri Sarvamaa, Angelika Winzig, Tomáš Zdechovský

Olivier Chastel, Katalin Cseh, Cristian Ghinea, Ramona Strugariu

Caterina Chinnici, Corina Crețu, Isabel García Muñoz, Claudiu Manda, Tsvetelina Penkova, Lara Wolters

Daniel Freund, Mikuláš Peksa, Viola Von Cramon-Taubadel

 

2

-

ECR

NI

Derk Jan Eppink

Michael Heaver

 

1

0

ECR

Raffaele Fitto

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


 

 

ADVIES VAN DE Commissie economische en monetaire zaken (6.9.2019)

<CommissionInt>aan de Begrotingscommissie</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020</Titre>

<DocRef>(2019/2028(BUD))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Siegfried Mureşan</Depute>

 

 

 

SUGGESTIES

De Commissie economische en monetaire zaken verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. dringt erop aan dat de begroting voor 2020 bijdraagt aan de verwezenlijking van de prioriteiten van het Europees semester, namelijk het realiseren van particuliere en openbare investeringen van hoge kwaliteit, bijvoorbeeld in start-ups en kmo’s, en hervormingen die bevorderlijk zijn voor het concurrentievermogen en een duurzame, inclusieve en op cohesie gerichte groei, met inachtneming van de uitvoering van het stabiliteits- en groeipact en de flexibiliteitsbepalingen daarvan; herinnert eraan hoe belangrijk het is zorg te blijven dragen voor macrofinanciële stabiliteit en gezonde overheidsfinanciën, de uitvoering van evenwichtige structurele hervormingen, de verdieping en versterking van de interne markt, met inbegrip van de digitale component, en de voltooiing van de economische en monetaire unie (EMU);

2. is van mening dat de EU-begroting het economisch herstel in de Europese Unie moet blijven ondersteunen en voldoende middelen moet verschaffen om grensoverschrijdende uitdagingen zoals klimaatverandering en migratie het hoofd te bieden;

3. benadrukt hoe belangrijk het is om voldoende middelen uit te trekken voor de coördinatie van en het toezicht op het macro-economisch beleid, de aanpak van financiële criminaliteit, de bestrijding van witwaspraktijken en de naleving van het kader voor economisch bestuur, en om op transparante wijze met de EU-burgers over de maatregelen te communiceren en in gesprek te gaan; herinnert eraan dat de kwaliteit en het taalgebruik van de informatie op internet voortdurend moeten worden verbeterd, zodat deze informatie beter aansluit bij frequente vragen van de burgers;

4. onderstreept dat sociaal evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling en groei moeten worden gestimuleerd, met inachtneming van klimaatverandering en duurzaamheid, en dat er structurele hervormingen moeten worden doorgevoerd om de Europese economieën te moderniseren en kmo’s betere toegang tot financiering te geven, waarbij ook de hieraan verbonden begrotingsprioriteiten moeten worden uitgevoerd;

5. vindt verder dat de begroting moet bijdragen aan het uitvoeren van beleidsprioriteiten zoals de voltooiing van de kapitaalmarktenunie, onder meer door het faciliteren van een investeringsklimaat dat marktdeelnemers, in het bijzonder kmo’s en start-ups, een betere toegang biedt tot financiering;

6. vraagt om voldoende extra middelen voor de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA’s) met het oog op de nieuwe taken en bevoegdheden die zij hebben gekregen als gevolg van de vaststelling van de herziening van de verordening tot oprichting van ETA’s (2017/0230(COD)); onderstreept dat de ETA’s hun efficiëntie moeten blijven vergroten, ook bij de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en bij het toezicht op schaduwbankieren, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van hun werk, met bijzondere aandacht voor een voortdurende herbeoordeling van hun werkmethoden en een doeltreffend en transparant gebruik van personele en financiële middelen; benadrukt hoe belangrijk het is genderevenwicht te bevorderen, in het bijzonder op managementniveau bij de ETA’s; benadrukt dat de ETA’s zich met het oog op een verstandig gebruik van hun budgetten te allen tijde strikt moeten blijven houden aan de taken en het mandaat die ze van de Europese wetgever hebben gekregen, met volledige inachtneming van onder meer het evenredigheids- en het subsidiariteitsbeginsel bij hun dagelijkse werkzaamheden; wijst erop dat de ETA’s voldoende voorbereidingen moeten treffen om snel te kunnen reageren op de mogelijke gevolgen van een harde brexit;

7. benadrukt dat de financiering van boekhoudkundige entiteiten en belastingautoriteiten moet worden voortgezet, met name om ze te steunen bij het bestrijden van belastingfraude en belastingontduiking, en dat deze entiteiten verantwoording moeten afleggen aan het Europees Parlement; maakt zich in dit verband zorgen over het voorstel van de Raad om de financiële middelen voor personeel in het voor belastingen bevoegde directoraat-generaal te verminderen, net nu er toezicht moet worden uitgeoefend op de tenuitvoerlegging van onlangs goedgekeurde wetgeving en nu er op het niveau van zowel de G20 als het Inclusief Kader een nieuwe internationale belastinghervorming in gang is gezet; benadrukt dat er voldoende financiering nodig opdat de Europese Commissie de antiwitwasnormen van de lidstaten en derde landen aan een gedegen beoordeling kan onderwerpen;

8. onderstreept dat het belangrijk is dat organen die financiering krijgen, verantwoording afleggen en transparantie aan de dag leggen.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

4.9.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

39

12

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gunnar Beck, Stefan Berger, Gilles Boyer, Cristian-Silviu Buşoi, Derk Jan Eppink, Engin Eroglu, Markus Ferber, Jonás Fernández, Frances Fitzgerald, José Manuel García-Margallo y Marfil, Luis Garicano, Sven Giegold, Neena Gill, José Gusmão, Enikő Győri, Eero Heinäluoma, Danuta Maria Hübner, Stasys Jakeliūnas, Herve Juvin, Othmar Karas, Billy Kelleher, Ondřej Kovařík, Georgios Kyrtsos, Aušra Maldeikienė, Costas Mavrides, Csaba Molnár, Luděk Niedermayer, Dimitrios Papadimoulis, Piernicola Pedicini, Lídia Pereira, Dragoş Pîslaru, Luisa Porritt, Jake Pugh, Evelyn Regner, Antonio Maria Rinaldi, Alfred Sant, Joachim Schuster, Pedro Silva Pereira, Ernest Urtasun, Inese Vaidere, Johan Van Overtveldt, Stéphanie Yon-Courtin, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Gerolf Annemans, Manon Aubry, Carmen Avram, Niels Fuglsang, Eugen Jurzyca, Margarida Marques, Siegfried Mureşan, Ville Niinistö, Irene Tinagli

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Alice Kuhnke

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

39

+

PPE

Stefan Berger, Cristian-Silviu Buşoi, Markus Ferber, Frances Fitzgerald, José Manuel García-Margallo y Marfil, Danuta Maria Hübner, Othmar Karas, Georgios Kyrtsos, Aušra Maldeikienė, Siegfried Mureşan, Luděk Niedermayer, Lídia Pereira, Inese Vaidere

RENEW

Gilles Boyer, Engin Eroglu, Luis Garicano, Billy Kelleher, Ondřej Kovařík, Dragoş Pîslaru, Luisa Porritt, Stéphanie Yon-Courtin

S&D

Carmen Avram, Jonás Fernández, Niels Fuglsang, Neena Gill, Eero Heinäluoma, Margarida Marques, Costas Mavrides, Csaba Molnár, Evelyn Regner, Alfred Sant, Joachim Schuster, Pedro Silva Pereira, Irene Tinagli

VERTS/ALE

Sven Giegold, Stasys Jakeliūnas, Alice Kuhnke, Ville Niinistö, Ernest Urtasun

 

12

-

ECR

Derk Jan Eppink, Eugen Jurzyca

GUE/NGL

Manon Aubry, José Gusmão, Dimitrios Papadimoulis

ID

Gerolf Annemans, Gunnar Beck, Herve Juvin, Antonio Maria Rinaldi, Marco Zanni

NI

Jake Pugh

PPE

Enikő Győri

 

2

0

ECR

Johan Van Overtveldt

NI

Piernicola Pedicini

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 


 

 

ADVIES VAN DE Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (27.9.2019)

<CommissionInt>aan de Begrotingscommissie</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020</Titre>

<DocRef>(2019/2028(BUD))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Lucia Ďuriš Nicholsonová</Depute>

 

 

 

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. herinnert eraan dat in een doeltreffend en zorgvuldig overwogen sociaal en werkgelegenheidsbeleid rekening moet worden gehouden met de sociaal-economische, demografische en automatiseringsuitdagingen en de uitdagingen als gevolg van de toezegging van de Unie tot decarbonisering, en dat dit beleid gekoppeld moet worden aan goed gerichte investeringsstrategieën alsook een belangrijke voorwaarde moet blijven voor duurzame groei, wat de belangrijkste factor is voor kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid, het verminderen van ongelijkheid en het stimuleren van opwaartse sociale convergentie en cohesie;

2. is ingenomen met de beleidsontwikkelingen op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken tijdens de achtste zittingsperiode, maar benadrukt dat passende, toereikende en tijdige financiering van de beleidsinitiatieven nodig is om hun goede werking te verzekeren;

3. benadrukt dat de begroting 2020 moet bijdragen aan de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen op sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, die wat arbeidsparticipatie betreft haalbaar lijken, maar lang niet bereikt dreigen te worden wanneer het gaat om de doelstelling om het aantal mensen dat risico loopt op armoede of sociale uitsluiting te verminderen, met name doordat steeds meer mensen met een baan in armoede dreigen te vervallen;

4. beklemtoont ook dat de strategische oriëntatie van de EU-beleidsmaatregelen en programma’s geleidelijk moet worden afgestemd op de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en de sociale beginselen van de Europese pijler van sociale rechten, die volledig moeten worden geïntegreerd in de EU‑financieringsprogramma’s en het Europees Semester;

5. benadrukt in dit verband de noodzaak van alomvattende beleidshervormingen en geïntegreerde benaderingen om de sociale inclusie te versterken, de jeugdwerkloosheid en de langdurige werkloosheid te bestrijden en de vaak verwaarloosde kwestie van de inzetbaarheid van ouderen en personen met een handicap aan te pakken;

6. benadrukt in dit verband het belang van voldoende financiering voor de programma’s en initiatieven binnen het meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020 die gericht zijn op het bevorderen van inclusieve groei, het bestrijden van werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting, het verminderen van de ongelijkheid en het stimuleren van opwaartse sociale convergentie, in het bijzonder de programma’s en initiatieven die gericht zijn op de meest achtergestelde groepen in de samenleving;

7. benadrukt dat er in 2020 en tot de inwerkingtreding van de programmeringsfase van het volgende MFK voldoende financiering naar deze programma’s en initiatieven moet gaan;

8. wijst daarom de bezuinigingen in de programmering voor de begrotingslijnen 04 01 01, 04 01 02 01, 04 01 03, 04 03 02 01, 04 03 12, 04 03 13, 08 02 03 06 en 13 08 01 van de hand;

9. wijst er nogmaals op dat een juist evenwicht moet worden gevonden tussen vastleggings- en betalingskredieten om het potentieel van deze programma’s en initiatieven volledig te kunnen benutten;

10. benadrukt dat werknemers betrekken bij en inspraak bieden in bedrijfsaangelegenheden een aanzienlijk positief effect heeft op hun productiviteit, gezondheid en welzijn, de kwaliteit van banen en de lonen; beklemtoont verder dat de begrotingslijnen ter ondersteuning van de sociale dialoog in de Unie van groot belang zijn voor het vergroten van de rol die zij spelen bij onder andere het Europees Semester en de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten; dringt dan ook aan op meer kredieten voor de betrekkingen tussen de sociale partners en voor de sociale dialoog;

11. benadrukt het belang van begrotingsverantwoordingsplicht en prioritering bij het waarborgen van daadwerkelijke kosteneffectiviteit voor de burgers van de Unie, met inbegrip van een sterkere nadruk op empirisch onderbouwde beleidsvorming en bijzondere aandacht voor sociale, regionale en territoriale verschillen;

12. is van mening dat het beginsel van Europese meerwaarde de hoeksteen van alle toekomstige uitgaven moet vormen; benadrukt dat de Uniefinanciering daarom gebaseerd moet zijn op een prestatiegericht begrotingsmodel waarbij iedere begrotingslijn vergezeld gaat van meetbare doelstellingen en prestaties; onderstreept in dit verband het belang van transparantie en het afleggen van verantwoording voor organen die Uniefinanciering krijgen;

13. erkent de cruciale rol van het Europees Sociaal Fonds (ESF), het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI), het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG), het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD), en herhaalt dat deze fondsen synergieën moeten creëren waarmee de sociale verschillen en ongelijkheid kunnen worden verkleind om ervoor te zorgen dat niemand uit de boot valt; waarschuwt dat een verlaging van de begroting voor deze gebieden het moeilijker zou kunnen maken om een doeltreffend beleid te voeren en de doelstellingen te bereiken;

14. benadrukt in dit verband dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheden in kleine lidstaten of afgelegen gebieden, met inbegrip van de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden; benadrukt in het bijzonder dat de toegang tot fondsen voor de landen en gebieden overzee (die vanwege hun bijzondere status en omvang over beperkte administratieve middelen en deskundigheid beschikken) moet worden verbeterd; is met name van oordeel dat het EFG ook rekening moet houden met de omstandigheden op kleine arbeidsmarkten en de markten van kleine lidstaten, in het bijzonder wat aanvragen door kmo’s betreft, en wanneer de ontslagen en het banenverlies ernstige gevolgen hebben voor de werkgelegenheid en voor de lokale of regionale economie;

15. benadrukt dat de activiteiten die in het kader van deze fondsen en programma’s worden uitgevoerd, altijd moeten resulteren in strategische maatregelen met duidelijk omschreven doelstellingen en streefcijfers, en dat efficiëntie en doeltreffendheid van de uitgaven even belangrijk zijn als de totale begrotingsplafonds; onderstreept in dit verband het belang van een echte cultuur van resultaatgerichtheid, met als doel het gebruik van middelen te optimaliseren, de redenen te analyseren die leiden tot programma’s die slecht presteren, en te streven naar maatregelen voor verbetering;

16. waardeert in deze context de inspanningen die zijn geleverd om de procedures om aanspraak te maken op de middelen in de begroting 2020 transparanter en toegankelijker te maken;

17. verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten de nodige flexibiliteit te bieden bij de uitvoering van de programma’s van de Unie voor 2020, met name het EFG, om de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie voor in de lidstaten gevestigde werknemers en entiteiten te ondervangen; is in dit verband verheugd over het voorstel van de Commissie om het toepassingsgebied van het huidige EFG-programma te wijzigen om steun mogelijk te maken voor werknemers die hun baan hebben verloren ten gevolge van verstoringen vanwege een terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU;

18. neemt kennis van de komende integratie van het huidige ESF, het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, het FEAD, het EaSI en het EU-gezondheidsprogramma in het ESF+ vanaf 2021; herhaalt zijn standpunt dat het ESF+ in het kader van het MFK 2021-2027 moet worden verhoogd tot 120 457 000 000 EUR in lopende prijzen; verzoekt de Commissie financiële informatie en begrotingstoewijzingen zodanig te presenteren dat de ESF+-cijfers en -subrubrieken kunnen worden vergeleken met de huidige middelen; keurt de aanzienlijke daling (met 5 miljoen EUR) die de Raad heeft voorgesteld voor de Progress-pijler van het EaSI voor 2020 af en vindt dat de begroting ervan ten minste gelijk moet zijn aan het voorstel van de Europese Commissie; benadrukt in dit verband dat alle wetgevings- en begrotingsherzieningen moeten zijn gebaseerd op bewijs en inzicht in de effecten ervan, in overeenstemming moeten zijn met de agenda voor betere regelgeving, gepaard moeten gaan met een evaluatie van kwantificeerbare en vergelijkbare resultaten in plaats van loutere outputmetingen, en gebaseerd moeten zijn op de gerelateerde aanbevelingen van de Europese Rekenkamer;

19. benadrukt dat het in de context van de huidige budgettaire beperkingen van cruciaal belang zal zijn om optimaal gebruik te maken van de algemene begroting voor 2020, met name waar het gaat om beleid dat duurzame economische groei en het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid kan ondersteunen, zoals toekomstige beleidsmaatregelen inzake vaardigheden, beroepsonderwijs en -opleiding, bij- en omscholing, en maatregelen om goed functionerende arbeidsmarkten te ondersteunen en een verbeterde afstemming op demografische veranderingen te verzekeren, met name door een betere integratie van kwetsbare en kansarme groepen, zoals ouderen en personen met een handicap, op de arbeidsmarkt en door de tenuitvoerlegging van maatregelen voor integratie en de bestrijding van armoede; merkt op dat de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verschillende proefprojecten en voorbereidende acties heeft voorgesteld die gericht zijn op sociaal geïsoleerde gemeenschappen;

20. is sterk voorstander van alle investeringen in de invoering van nieuwe technologieën in alle sectoren van de economie en de industriële productie, met bijzondere aandacht voor specifieke programma’s die gericht zijn op het bespoedigen van de tijdige overstap van de beroepsbevolking en het beperken van de mogelijk schadelijke neveneffecten van een dergelijke overstap, zoals structurele werkloosheid, toenemende inkomensongelijkheid of regionale en territoriale ongelijkheden; wijst in dit verband op de rol van de instrumenten van de Unie bij de ondersteuning van ondernemingen en werknemers in de transitie naar een digitale en groenere economie;

21. wijst nogmaals op het belang van beroepsonderwijs en -opleiding in dit tijdperk van digitalisering; verzoekt de Commissie verdere mogelijkheden te onderzoeken ter ondersteuning van programma’s voor beroepsonderwijs en -opleiding, met name op het gebied van softwareontwikkeling en informatietechnologieën;

22. wijst erop dat, ondanks de positieve trend in de richting van een daling van de jeugdwerkloosheidscijfers in de Europese Unie, het gebrek aan toekomstperspectief voor jongeren in bepaalde delen van de Unie - met grote verschillen tussen de lidstaten en de regio’s – een echte maatschappelijke noodsituatie is, en dat jongeren nog steeds een groter risico lopen op armoede en sociale en economische uitsluiting; benadrukt dat hiervoor innovatieve en gerichte oplossingen nodig zijn die onmiddellijk kunnen worden toegepast om op korte termijn tot concrete verbeteringen te komen; verwacht bijgevolg dat de Commissie en de lidstaten van de bestrijding van de jeugdwerkloosheid een prioriteit maken, hetgeen moet worden weerspiegeld in de begroting voor 2020;

23. wijst daarom nogmaals op het belang van de fondsen en andere instrumenten ter bevordering van maatregelen om ongelijkheid aan te pakken en de inzetbaarheid van jongeren te verbeteren, namelijk de jongerengarantie, het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, het ESF en Erasmus+;

24. benadrukt met name de rol van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief bij het aanpakken van de jeugdwerkloosheid, en neemt kennis van het voorstel van de Commissie om de toewijzingen voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in 2020 met 116 miljoen EUR te verhogen; vindt een dergelijk bedrag echter onvoldoende; dringt er daarom op aan de vastleggingskredieten voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief met 600 miljoen EUR te verhogen;

25. is ingenomen met de toezegging die voorgedragen voorzitter van de Commissie Ursula von der Leyen in haar politieke beleidslijnen heeft gedaan om de jongerengarantie te versterken door er een vast instrument met een groter budget en regelmatige verslaglegging van te maken;

26. betreurt dat meer dan een kwart van alle kinderen in de Unie risico loopt op armoede of sociale uitsluiting;

27. kijkt uit naar de publicatie van de haalbaarheidsstudie over de kindergarantie, die als uitgangspunt voor de uitvoering van verdere activiteiten kan dienen, maar verzoekt de Commissie ten volle rekening te houden met de voorstellen voor de uitvoering van de voorbereidende acties op het gebied van de kindergarantie, die zijn goedgekeurd in de jaarlijkse begrotingen voor 2017, 2018 en 2019, en die een financieringsniveau hebben dat de uitvoering van een goede experimentele fase van de kindergarantie mogelijk maakt in de volgende programmeringsperiode 2021-2027;

28. verwelkomt in dit verband de toezegging van voorgedragen voorzitter van de Commissie Ursula von der Leyen in haar politieke beleidslijnen om de Europese kindergarantie in het leven te roepen, teneinde ervoor te helpen zorgen dat elk kind in de Unie dat het risico loopt op armoede of sociale uitsluiting, toegang heeft tot de meest elementaire rechten, zoals gezondheidszorg en onderwijs;

29. wijst nadrukkelijk op de noodzaak om de sociale inclusie van kwetsbare kinderen te bevorderen, en met name de situatie van Roma-kinderen te verbeteren, vooral door hun toegang tot onderwijs te vergemakkelijken; merkt op dat een proefproject een geschikt instrument zou zijn om deze kwestie aan te pakken;

30. benadrukt dat de agentschappen een belangrijke bijdrage leveren bij het aanpakken van een breed scala aan werkgelegenheids- en sociale vraagstukken en bij de verzameling van gegevens; benadrukt dat zij steeds meer taken krijgen en dat zij daarom over de nodige middelen moeten beschikken om die taken uit te voeren en de best mogelijke resultaten te behalen bij het ondersteunen van de wetgevings- en beleidsdoelstellingen van de Unie; roept daarom op tot een grondige beoordeling van de nieuwe taken die aan de agentschappen worden toegewezen en van hun algemene prestaties, om toereikende en efficiënte begrotingstoewijzingen te verzekeren;

31. stelt vast dat een Europese Arbeidsautoriteit (ELA) opgericht wordt, die naar verwachting in 2019 met haar werkzaamheden zal beginnen; geeft aan dat voor voldoende financiering moet worden gezorgd voor de oprichting van deze autoriteit; dringt erop aan dat deze financiering niet kan worden verwezenlijkt door de toewijzingen voor andere agentschappen voor werkgelegenheid en sociale zaken en andere begrotingslijnen te herverdelen, en dat de ELA een nieuwe instantie is die dus ook nieuwe middelen nodig heeft om vlot te kunnen functioneren; benadrukt met name dat de inwerkingtreding van de ELA niet mag leiden tot een vermindering van de middelen en capaciteiten van Eures, dat een cruciale rol speelt om de arbeidsmobiliteit van burgers van de Unie te vergemakkelijken en diensten en partnerschappen aanbiedt voor werkzoekenden en werkgevers, openbare diensten voor arbeidsvoorziening, de sociale partners en de lokale autoriteiten; onderstreept daarom dat er voor zowel de ELA als Eures duidelijke en afzonderlijke begrotingslijnen behouden moet blijven;

32. herhaalt dat proefprojecten en voorbereidende acties, op voorwaarde dat ze grondig voorbereid worden, uiterst nuttige instrumenten zijn voor het initiëren van nieuwe activiteiten en maatregelen op het gebied van werkgelegenheid – en met name meer werkgelegenheid voor jongeren – en sociale inclusie, en dat zij ingezet kunnen worden om gegevens en bewijsmateriaal te verzamelen, teneinde het toekomstige werkgelegenheidsbeleid van de Unie te verbeteren; merkt op dat verschillende ideeën van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken in het verleden met succes zijn uitgevoerd als proefprojecten of voorbereidende acties; verzoekt de begrotingsautoriteit om in de begroting voor 2020 de acht proefprojecten en voorbereidende acties op te nemen die door de commissie werden voorgesteld en die te maken hebben met de sociale inclusie van kwetsbare groepen (Roma, met name Roma-kinderen, kansarme jongeren, gezinnen met een laag inkomen, ouderen), jeugdwerkloosheid, gezondheid en veiligheid op het werk en het minimumloon; moedigt aan dat de beschikbare marges in elke rubriek volledig worden gebruikt;

33. wijst erop dat het van het grootste belang is dat het Parlement regelmatig door de Commissie wordt geïnformeerd over de verschillende stadia van de uitvoering van de proefprojecten en voorbereidende acties, met inbegrip van een grondige evaluatie van de resultaten en de toegevoegde waarde van de projecten voor de burgers van de Unie; benadrukt hoe belangrijk het is dat de Commissie proefprojecten en voorbereidende acties op een transparante wijze beoordeelt.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.9.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

42

9

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Atidzhe Alieva-Veli, Abir Al-Sahlani, Gabriele Bischoff, Vilija Blinkevičiūtė, Jane Brophy, Sylvie Brunet, David Casa, Leila Chaibi, Estrella Durá Ferrandis, Lucia Ďuriš Nicholsonová, Rosa Estaràs Ferragut, Nicolaus Fest, Loucas Fourlas, Cindy Franssen, Chiara Gemma, Helmut Geuking, Elisabetta Gualmini, Alicia Homs Ginel, France Jamet, Radan Kanev, Stelios Kympouropoulos, Katrin Langensiepen, Elena Lizzi, Radka Maxová, Lefteris Nikolaou-Alavanos, Matthew Patten, Sandra Pereira, Kira Marie Peter-Hansen, Alexandra Louise Rosenfield Phillips, Dragoş Pîslaru, Manuel Pizarro, Dennis Radtke, Elżbieta Rafalska, Guido Reil, Daniela Rondinelli, Mounir Satouri, Monica Semedo, Beata Szydło, Eugen Tomac, Romana Tomc, Yana Toom, Nikolaj Villumsen, Marianne Vind, Maria Walsh, Tatjana Ždanoka, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Alex Agius Saliba, José Gusmão, Jeroen Lenaers, Pierfrancesco Majorino, Anne Sander, Birgit Sippel

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

42

+

ECR

Lucia Ďuriš Nicholsonová, Helmut Geuking, Elżbieta Rafalska, Beata Szydło

NI

Chiara Gemma, Daniela Rondinelli

PPE

David Casa, Rosa Estaràs Ferragut, Loucas Fourlas, Cindy Franssen, Radan Kanev, Stelios Kympouropoulos, Jeroen Lenaers, Dennis Radtke, Anne Sander, Eugen Tomac, Romana Tomc, Maria Walsh, Tomáš Zdechovský

RENEW

Abir Al-Sahlani, Atidzhe Alieva-Veli, Jane Brophy, Sylvie Brunet, Radka Maxová, Dragoş Pîslaru, Monica Semedo, Yana Toom

S&D

Alex Agius Saliba, Gabriele Bischoff, Vilija Blinkevičiūtė, Estrella Durá Ferrandis, Elisabetta Gualmini, Alicia Homs Ginel, Pierfrancesco Majorino, Manuel Pizarro, Birgit Sippel, Marianne Vind

VERTS/ALE

Katrin Langensiepen, Kira Marie Peter-Hansen, Alexandra Louise Rosenfield Phillips, Mounir Satouri, Tatjana Ždanoka

 

9

-

GUE/NGL

Leila Chaibi, José Gusmão, Sandra Pereira, Nikolaj Villumsen

ID

Nicolaus Fest, France Jamet, Elena Lizzi, Guido Reil

NI

Lefteris Nikolaou-Alavanos

 

1

0

NI

Matthew Patten

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 


 

 

ADVIES VAN DE Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (5.9.2019)

<CommissionInt>aan de Begrotingscommissie</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020</Titre>

<DocRef>(2019/2028(BUD))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Pascal Canfin</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. wijst erop dat 21,0 % van de totale vastleggingskredieten in de ontwerpbegroting voor 2020 klimaatgerelateerd is; betreurt dat de Uniebegrotingstrend voor het huidige meerjarig financieel kader (MFK) slechts 19,7 % zou opleveren, terwijl het vóór 2014 overeengekomen doel “ten minste 20 %” voor de periode 2014‑2020 was; benadrukt dat, volgens de Commissie, in de begroting voor 2020 een aanvullend bedrag van 3,5 miljard EUR voor klimaatgerelateerde uitgaven nodig is om het doel van 20 % te halen; benadrukt dat alle nodige inspanningen moeten worden geleverd om ervoor te zorgen dat de algehele Uniebegrotingsdoelstelling vóór het einde van 2020 gehaald wordt; herhaalt zijn pleidooi voor meer ambitie bij de integratie van de klimaatdimensie en een doelstelling van ten minste 40 % (het Parlement drong in zijn resolutie van november 2018 aan op 30 %), voor een verbeterde methodologie voor het opvolgen van klimaatmaatregelen en een verbeterde klimaattoets in het volgende MFK, en voor de afstemming daarvan op de Klimaatovereenkomst van Parijs en de klimaatactiedoelstellingen van de Unie; staat erop dat het volgende MFK stoelt op een robuuste, bij internationaal overeengekomen normen aansluitende methodologie, om de financiering van klimaatmaatregelen te traceren en te voorkomen dat het effect van klimaatmaatregelen te hoog wordt ingeschat; is van oordeel dat groene budgettering van het volgende MFK essentieel is voor het halen van onze klimaatdoelstellingen;

2. merkt bezorgd op dat opnieuw slechts 8,3 % van de totale vastleggingskredieten erop gericht is de achteruitgang van de biodiversiteit te keren, hetgeen het laagste percentage is sinds 2015, ondanks het niet eerder geziene en steeds snellere tempo waarin soorten uitsterven; dringt aan op toewijzing van voldoende en traceerbare extra middelen zodat de biodiversiteit in de gehele Unie op de lange termijn in stand kan worden gehouden; acht het van zeer groot belang dat het volgende MFK stoelt op een robuuste, bij internationaal overeengekomen normen aansluitende methodologie, om de biodiversiteit te monitoren en te voorkomen dat het effect van biodiversiteitsmaatregelen te hoog wordt ingeschat;

3. is van oordeel dat met name in het laatste jaar van het MFK behoefte is aan een ambitieuze begroting voor klimaatgerelateerde programma’s en de bescherming van de biodiversiteit, teneinde een brug te slaan naar het volgende MFK, dat naar verwachting langzaam uit de startblokken zal komen totdat alle nieuwe programma’s volledig operationeel zijn;

4. roept de Unie op voldoende financiering ter beschikking te stellen voor de volledige en doeltreffende tenuitvoerlegging van het toekomstige Europese Groene Akkoord;

5. benadrukt dat het daarnaast absoluut noodzakelijk is om de emissiereducties te versnellen, in het kader van de beleidsrichtsnoeren voor de volgende Commissie, zoals gepresenteerd door haar nieuwe voorzitter;

6. onderstreept de noodzaak, overeenkomstig Agenda 2030 en de toezeggingen die de Unie en haar lidstaten in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties hebben verkregen, voldoende middelen in de begroting voor 2020 te waarborgen voor het verwezenlijken van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen;

7. stelt vast dat de vastleggingskredieten voor het LIFE-programma met 21,5 miljoen EUR (+ 3,9 %) zijn verhoogd; is ervan overtuigd dat het budget voor het LIFE-programma voor 2020 (529,6 miljoen EUR) niet volstaat; dringt aan op een flinke verhoging voor 2020 om voorbereid te zijn op de wens van het Parlement om het LIFE-programma in de MFK-periode ná 2020 te verdubbelen; betreurt ten zeerste dat het LIFE-programma slechts 0,3 % van de ontwerpbegroting voor 2020 vertegenwoordigt;

8. juicht toe dat het nieuwe programma rescEU 156,2 miljoen EUR krijgt voor een betere aanpak van aardbevingen, natuurbranden, bosbranden en andere natuurrampen; benadrukt het belang van instrumenten zoals het Uniemechanisme voor civiele bescherming en het Solidariteitsfonds voor het reageren op milieurampen en het in kaart brengen van de schade aan het milieu;

9. neemt kennis van de voorgestelde 69,7 miljoen EUR aan vastleggingskredieten (+ 2,0 %) en de voorgestelde 64,2 miljoen EUR aan betalingskredieten (+ 4,7 %) voor volksgezondheid; betreurt dat dit slechts 0,04 % van de ontwerpbegroting voor 2020 en 1,9 % van rubriek 3 vertegenwoordigt (aan vastleggingskredieten);

10. benadrukt dat in de begroting voldoende middelen moeten worden uitgetrokken voor de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van het toekomstige Europees plan ter bestrijding van kanker; benadrukt dat dit plan cruciaal is voor het bevorderen en verbeteren van preventie, onderzoek, toegang tot innovatie en re‑integratie;

11. neemt kennis van de voorgestelde 280,0 miljoen EUR aan vastleggingskredieten (‑ 3,3 %) en de voorgestelde 244,7 miljoen EUR aan betalingskredieten (2,3 %) voor levensmiddelen en diervoeders; betreurt dat dit slechts 0,17 % van de ontwerpbegroting voor 2020 en 7,5 % van rubriek 3 vertegenwoordigt (aan vastleggingskredieten);

12. neemt kennis van de voorgestelde 156,2 miljoen EUR aan vastleggingskredieten (+ 4,4 %) en de voorgestelde 77,0 miljoen EUR aan betalingskredieten (‑ 5,7 %) voor het Uniemechanisme voor civiele bescherming, een van de hoekstenen waarop de solidariteit van de Unie berust;

13. stelt vast dat het aantal vaste en tijdelijke posten dat in het kader van de ontwerpbegroting voor 2020 is toegestaan, ten opzichte van de begroting 2019 ongewijzigd blijft bij het Europees Centrum voor ziektepreventie en ‑bestrijding (ECDC) en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA), terwijl het toeneemt bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) (+ 34, naar aanleiding van de herziening van de algemene levensmiddelenwetgeving), het Europees Milieuagentschap (EEA) (+ 1) en het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) (+ 2); benadrukt dat deze agentschappen waar nodig meer financiële en personele middelen moeten krijgen om hun mandaat uit te voeren en hun taken te vervullen, en om een wetenschappelijk gefundeerde aanpak in de Unie te bevorderen; benadrukt dat betere coördinatie tussen de agentschappen hun werk en het gebruik van publieke middelen zou optimaliseren;

14. dringt bij de Commissie aan op een snelle tenuitvoerlegging van proefprojecten en voorbereidende acties;

15. geeft aan dat proefprojecten en voorbereidende acties moeten aansluiten op de klimaatdoelstellingen en gedurende hun gehele looptijd substantiële financiering moeten krijgen, zodat hun potentieel volledig kan worden benut en voorbereidingen kunnen worden getroffen voor de vaststelling van toekomstige maatregelen.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

4.9.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

60

10

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Bartosz Arłukowicz, Margrete Auken, Simona Baldassarre, Marek Paweł Balt, Aurelia Beigneux, Monika Beňová, Malin Björk, Delara Burkhardt, Cristian-Silviu Buşoi, Pascal Canfin, Sara Cerdas, Mohammed Chahim, Nathalie Colin-Oesterlé, Miriam Dalli, Seb Dance, Esther de Lange, Marco Dreosto, Eleonora Evi, Agnès Evren, Fredrick Federley, Pietro Fiocchi, James Alexander Glancy, Andreas Glück, Catherine Griset, Jytte Guteland, Teuvo Hakkarainen, Pär Holmgren, Jan Huitema, Yannick Jadot, Petros Kokkalis, Athanasios Konstantinou, Ewa Kopacz, Joanna Kopcińska, Peter Liese, Sylvia Limmer, Javi López, César Luena, Liudas Mažylis, Anthea McIntyre, Aileen McLeod, Tilly Metz, Silvia Modig, Alessandra Moretti, Ljudmila Novak, Grace O’Sullivan, Rory Palmer, Jutta Paulus, Rovana Plumb, Jessica Polfjärd, Frédérique Ries, Sándor Rónai, Rob Rooken, Silvia Sardone, Christine Schneider, Günther Sidl, Nicolae Ştefănuță, Nils Torvalds, Edina Tóth, Véronique Trillet-Lenoir, Caroline Voaden, Alexandr Vondra, Mick Wallace, Michal Wiezik, Anna Zalewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Michael Bloss, Christophe Hansen, Lídia Pereira, Susana Solís Pérez, Nikolaj Villumsen

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

60

+

ECR

Pietro Fiocchi, Joanna Kopcińska, Alexandr Vondra, Anna Zalewska

GUE/NGL

Malin Björk, Petros Kokkalis, Silvia Modig, Nikolaj Villumsen, Mick Wallace

NI

Eleonora Evi, Athanasios Konstantinou

PPE

Bartosz Arłukowicz, Cristian-Silviu Buşoi, Nathalie Colin-Oesterlé, Agnès Evren, Christophe Hansen, Ewa Kopacz, Esther de Lange, Peter Liese, Liudas Mažylis, Ljudmila Novak, Lídia Pereira, Jessica Polfjärd, Christine Schneider, Edina Tóth, Michal Wiezik

RENEW

Pascal Canfin, Catherine Chabaud, Fredrick Federley, Andreas Glück, Jan Huitema, Frédérique Ries, Susana Solís Pérez, Nicolae Ştefănuță, Nils Torvalds, Véronique Trillet-Lenoir, Caroline Voaden

S&D

Marek Paweł Balt, Monika Beňová, Delara Burkhardt, Sara Cerdas, Mohammed Chahim, Miriam Dalli, Seb Dance, Jytte Guteland, Javi López, César Luena, Alessandra Moretti, Rory Palmer, Rovana Plumb, Sándor Rónai, Günther Sidl

VERTS/ALE

Margrete Auken, Michael Bloss, Pär Holmgren, Yannick Jadot, Aileen McLeod, Tilly Metz, Grace O'Sullivan, Jutta Paulus

 

10

-

ECR

Anthea McIntyre, Rob Rooken

ID

Simona Baldassarre, Aurelia Beigneux, Marco Dreosto, Catherine Griset, Teuvo Hakkarainen, Sylvia Limmer, Silvia Sardone

NI

James Alexander Glancy

 

0

0

 

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


 

 

ADVIES VAN DE Commissie industrie, onderzoek en energie (26.9.2019)

<CommissionInt>aan de Begrotingscommissie</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020</Titre>

<DocRef>(2019/2028(BUD))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Adina-Ioana Vălean</Depute>

 

 

 

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. betreurt dat de door de Commissie voorgestelde begroting 474,6 miljoen EUR onder het plafond voor rubriek 1a ligt, hoewel de relevante programma’s verzadigd zijn en heel goed aanvullende middelen zouden kunnen gebruiken; benadrukt het uiterste belang van de programma’s van rubriek 1a om de innovatiegedreven economische groei te stimuleren en bij te dragen tot een klimaatneutrale samenleving in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs;

2. benadrukt dat er leiderschap moet worden ontwikkeld op het gebied van innovatie en wijst op het belang van toenemend en disruptief onderzoek naar geavanceerde technologieën om de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken, verzet zich derhalve tegen de bezuinigingen van de Raad in rubriek 1a ter hoogte van 747,4 miljoen EUR, waaronder 424,9 miljoen EUR voor het gemeenschappelijk strategisch kader voor onderzoek en innovatie, met name in de relevante begrotingslijnen ter versterking van het onderzoek naar toekomstige en opkomende technologieën, versterking van de Europese onderzoeksinfrastructuur, inclusief e-infrastructuur en leiderschap op het gebied van informatie- en communicatietechnologie, alsmede 28 miljoen EUR voor het ICT-onderdeel van de Connecting Europe Facility, en 20 miljoen EUR voor COSME; is van mening dat deze bezuinigingen de inspanningen van de EU om duurzame groei en hoogwaardige werkgelegenheid te creëren, dreigen te ondermijnen, alsmede de inspanningen van de Unie om de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en de klimaatdoelstellingen van de VN te halen en om tegen 2050 de doelstelling van een broeikasgasneutrale economie te halen, zonder dat hierbij iemand aan zijn lot wordt overgelaten;

3. meent dat rubriek 1a in het bijzonder tijdens het laatste jaar van het MFK een ambitieuze begroting behoeft, zodat er een brug kan worden geslagen met het daaropvolgende MFK, aangezien alle nieuwe programma’s tijd nodig hebben om volledig operationeel te worden, om ervoor te zorgen dat deze programma’s optimaal functioneren zodat zij een bijdrage kunnen blijven leveren aan de verwezenlijking van de beleidsprioriteiten van de Unie;

4. eist daarom een niveau aan vastleggingskredieten dat gelijk is aan het plafond voor rubriek 1a; vraagt bovendien dat er wordt gebruikgemaakt van alle mogelijke flexibiliteitsinstrumenten die uit hoofde van de MFK-verordening beschikbaar zijn, en van de in het Financieel Reglement opgenomen speciale bepaling inzake het hergebruik van geannuleerde middelen voor onderzoeksprojecten, om een zo hoog mogelijk niveau aan vastleggingskredieten voor de begroting 2020 te garanderen;

5. herinnert aan het belang van onderzoek en innovatie om maatschappelijke problemen op te lossen en bij te dragen tot duurzame ontwikkeling; wijst op de verzadiging van diverse programma’s, waaronder Horizon 2020 en COSME, die geleid heeft tot lagere toekenningspercentages van aanvragen voor Horizon 2020 ten opzichte van de vorige MFK-periode, wat inhoudt dat er veel meer hoogwaardige projecten op het gebied van onderzoek en innovatie kunnen worden gefinancierd als er voldoende Uniefinanciering kan worden verstrekt; benadrukt dat dit kan worden opgelost met een ambitieuzere begroting voor 2020 en door het versterken van de complementariteit met andere EU-fondsen, financiële instrumenten, nationale programma’s en particuliere investeringen; is van mening dat de financiële middelen voor Unie-onderzoek en innovatie met name moeten worden aangewend op gebieden waar de markt faalt en maatschappelijke problemen worden verwaarloosd; is derhalve van mening dat vrijgekomen middelen opnieuw beschikbaar moeten worden gesteld in overeenstemming met artikel 15, lid 3, van het Financieel Reglement; herhaalt zijn standpunt dat er ten minste 120 miljoen EUR in prijzen van 2018 noodzakelijk is voor Horizon Europe in het volgende MFK;

6 benadrukt dat kmo’s een essentieel onderdeel zijn van de economie van de Unie omdat zij binnen de Unie zorgen voor de meeste werkgelegenheid; acht het noodzakelijk om een kmo-vriendelijk ondernemersklimaat te creëren, alsook om clusters en netwerken van kmo’s te ondersteunen; is derhalve verheugd over verhoging van de middelen voor het kmo-instrument; neemt met bezorgdheid kennis van de bezuinigingen van de Raad op stimulering van innovatie in kmo’s, omdat daar een negatief signaal van uitgaat voor het bedrijfsleven in de Unie;

7. benadrukt dat de doelstellingen van de digitale interne markt moeten worden verwezenlijkt om de digitalisering van de Unie en de digitale inclusie van de economie van de Unie, publieke sector en burgers te bevorderen; erkent in dit verband het belang van initiatieven als WIFI4EU; betreurt de door de Raad voorgestelde bezuinigingen op dit initiatief;

8 benadrukt dat de mobiliteitssector van de Unie moet worden hervormd om het vervoer in de Unie duurzaam, schoon en concurrerend te maken, om de Europese automobielsector klaar te stomen voor de toekomst en om onze klimaatdoelen te halen; onderstreept derhalve dat er in voldoende financiering moet worden voorzien voor de programma’s die deze doelen ondersteunen, zoals Horizon, CEF-Vervoer en de gemeenschappelijke onderneming brandstofcellen en waterstof 2 (FCH 2); is derhalve bezorgd over het effect van de door de Raad voorgestelde bezuinigingen op de totstandbrenging van een vervoersysteem in de Unie dat efficiënt gebruik maakt van zijn hulpbronnen, milieuvriendelijk is en naadloos aansluit;

9 betreurt ten zeerste dat de door de Commissie voorgestelde begroting nog maar eens ver onder het door het ACER (Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators) gevraagde niveau ligt, en wijst erop dat de werking van het ACER en de capaciteit van het agentschap om zijn taken op het gebied van toezicht en markttransparantie uit te voeren, laat staan de extra taken die het krachtens nieuwe wetgeving moet vervullen, hierdoor in het gedrang dreigen te komen;

10 herhaalt dat er meer in onderzoek en innovatie moet worden geïnvesteerd, teneinde de toegang tot kennis te verbeteren, sociale ontwikkeling te stimuleren en de kwaliteit van de levensstandaarden te verhogen.

11 eist voor alle agentschappen die onder haar bevoegdheden vallen (ACER, Berec, Enisa en GSA) een niveau aan kredieten en personeel dat overeenstemt met het niveau waarom deze agentschappen hebben verzocht; dringt erop aan dat de financiële middelen en de middelen voor personeel worden verhoogd in overeenstemming met de uitbreiding van de taken van de betrokken agentschappen en als voorbereiding op de uitvoering van de nieuwe wetgeving en om rekening te houden met toekomstige rollen en verantwoordelijkheden; merkt op dat de GSA zich geplaatst ziet voor nieuwe uitdagingen die verband houden met veiligheid en andere gevoelige terreinen, waar outsourcing leidt tot een lager veiligheidsniveau en geringere kosten-efficiëntie, en tot een verlies van expertise; is derhalve van mening dat hooggespecialiseerde deskundigen moeten worden aangeworven en in dienst gehouden moeten worden;

12 herinnert aan de toezegging die het Parlement, de Raad en de Commissie hebben gedaan in een gezamenlijke verklaring bij Verordening (EU) 2017/1953 van het Europees Parlement en de Raad[9], en die inhoudt dat de drie instellingen ernaar streven om de bevordering van de internetconnectiviteit binnen lokale gemeenschappen over een periode van drie jaar met 120 miljoen EUR te financieren, zodat dit initiatief een echt succes kan worden, ten gunste van de Europese lokale gemeenschappen en bevolking; benadrukt in dit verband dat na twee oproepen tot het indienen van voorstellen, meer dan 23 000 gemeenten uit de gehele Unie zich hebben geregistreerd bij het WiFi4EU-portaal, en dat al aan 6 200 gemeenten WiFi4EU-vouchers zijn toegekend, wat bewijst dat het initiatief een succes is;

13. vraagt om aanvullende middelen om de ontwikkeling en toepassing van schonere technologieën te versnellen alsmede aanvullende middelen om een eerlijke transitie van steenkool- en koolstofintensieve regio’s te faciliteren, aangezien dit ertoe kan bijdragen dat de Unie haar verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs nakomt, onder meer via de voortzetting van bestaande en de lancering van nieuwe proefprojecten en voorbereidende acties; herhaalt het voorstel van het Europees Parlement om binnen het meerjarig financieel kader 2021-2027 een fonds voor een rechtvaardige transitie in te stellen, met als doel de maatschappelijke, sociaaleconomische en ecologische gevolgen van het afstappen van de steenkool- en koolstofafhankelijkheid voor werknemers en gemeenschappen op te vangen; benadrukt dat steenkool- en koolstofintensieve regio’s in de Unie in aanmerking moeten blijven komen voor steun, zodat zij voorbereid zijn op de komst van het Fonds voor een rechtvaardige energietransitie;

14. benadrukt dat onderzoek en innovatie drijvende krachten zijn voor duurzame ontwikkeling en wijst nogmaals op de toezegging van de Unie en haar lidstaten om de SDG’s te verwezenlijken; is ingenomen met de raming van de Commissie dat de uitgaven in verband met de klimaatverandering 21 % van de begroting 2020 zullen bedragen, en herhaalt dat de inspanningen ter zake moeten worden opgevoerd; betreurt dat de gestelde streefdoelen voor uitgaven voor klimaat en duurzaamheid hoogstwaarschijnlijk niet zullen worden gehaald met de voorgestelde begroting voor Horizon 2020, en dat hetzelfde bijgevolg geldt voor het gehele huidige MFK; benadrukt zijn standpunt dat de klimaatgerelateerde uitgaven gezien de verbintenissen van de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs passend moeten worden verhoogd; herinnert in dit verband aan het beginsel “voorrang voor energie-efficiëntie” alsook aan de doelstelling van de Unie om de leider te worden op het gebied van hernieuwbare energie;

15. vraagt om aanvullende kredieten voor de Connecting Europe Facility en in het bijzonder de onderdelen hiervan inzake duurzame energie en ICT, met het oog op de voltooiing van de Energie-unie, de aansluiting van geïsoleerde markten en de opheffing van nog bestaande knelpunten en de totstandbrenging van een toekomstbestendig EU-energienetwerk;

16. is ernstig bezorgd over de aanhoudende onzekerheid met betrekking tot de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie; benadrukt dat er financiële voorzorgsmaatregelen moeten worden getroffen voor het geval het VK niet volledig of slechts gedeeltelijk bijdraagt aan de begroting van 2020, dringt er derhalve bij alle overige lidstaten op aan naar voren te treden en de bijdrage van het VK te compenseren nu alle programma’s zich in de slotfase bevinden en begunstigden van Uniemiddelen de zekerheid moeten hebben dat de Unie haar toezeggingen gestand zal doen;

17. benadrukt dat het verzuim van de Unie om haar juridische en politieke verbintenissen inzake betalingskredieten na te komen haar betrouwbaarheid ernstige schade kan toebrengen, en grote negatieve gevolgen kan hebben voor het vertrouwen dat de instellingen van de Unie hun rol kunnen vervullen; benadrukt dat dit wordt versterkt door het feit dat de Unie het einde van het huidige MFK nadert en dat de tenuitvoerlegging van de meerjarenprogramma’s daarom snel moet plaatsvinden.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.9.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

54

6

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

François Alfonsi, Nicola Beer, François-Xavier Bellamy, Michael Bloss, Manuel Bompard, Paolo Borchia, Marc Botenga, Markus Buchheit, Klaus Buchner, Carlo Calenda, Andrea Caroppo, Maria Da Graça Carvalho, Katalin Cseh, Ciarán Cuffe, Josianne Cutajar, Pilar del Castillo Vera, Martina Dlabajová, Christian Ehler, Valter Flego, Niels Fuglsang, Jens Geier, Nicolás González Casares, Christophe Grudler, András Gyürk, Henrike Hahn, Robert Hajšel, Ivo Hristov, Ivars Ijabs, Eva Kaili, Seán Kelly, Łukasz Kohut, Andrius Kubilius, Miapetra Kumpula-Natri, Thierry Mariani, Marisa Matias, Eva Maydell, Joëlle Mélin, Iskra Mihaylova, Dan Nica, Ville Niinistö, Mauri Pekkarinen, Markus Pieper, Sara Skyttedal, Maria Spyraki, Jessica Stegrud, John David Edward Tennant, Grzegorz Tobiszowski, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Isabella Tovaglieri, Adina-Ioana Vălean, Henna Virkkunen, Pernille Weiss, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Rasmus Andresen, Marco Dreosto, Giorgos Georgiou, Klemen Grošelj, Alicia Homs Ginel, Adam Jarubas, Janusz Lewandowski, Jutta Paulus, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, Edina Tóth

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Hannes Heide

 


 

 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

54

+

ECR

Evžen Tošenovský

ID

Thierry Mariani, Joëlle Mélin

PPE

François-Xavier Bellamy, Maria Da Graça Carvalho, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, András Gyürk, Adam Jarubas, Seán Kelly, Andrius Kubilius, Janusz Lewandowski, Eva Maydell, Markus Pieper, Massimiliano Salini, Sara Skyttedal, Maria Spyraki, Edina Tóth, Adina-Ioana Vălean, Henna Virkkunen, Pernille Weiss

RENEW

Nicola Beer, Katalin Cseh, Martina Dlabajová, Valter Flego, Klemen Grošelj, Christophe Grudler, Ivars Ijabs, Iskra Mihaylova, Mauri Pekkarinen, Dominique Riquet

S&D

Carlo Calenda, Josianne Cutajar, Niels Fuglsang, Jens Geier, Nicolás González Casares, Robert Hajšel, Hannes Heide, Alicia Homs Ginel, Ivo Hristov, Eva Kaili, Łukasz Kohut, Miapetra Kumpula-Natri, Dan Nica, Patrizia Toia, Carlos Zorrinho

VERTS/ALE

François Alfonsi, Rasmus Andresen, Michael Bloss, Klaus Buchner, Ciarán Cuffe, Henrike Hahn, Ville Niinistö, Jutta Paulus

 

6

-

ECR

Jessica Stegrud

ID

Paolo Borchia, Andrea Caroppo, Marco Dreosto, Isabella Tovaglieri

NI

John David Edward Tennant

 

6

0

ECR

Grzegorz Tobiszowski

GUE/NGL

Manuel Bompard, Marc Botenga, Giorgos Georgiou, Marisa Matias

ID

Markus Buchheit

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 


 

 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE INTERNE MARKT EN CONSUMENTENBESCHERMING (3.9.2019)

<CommissionInt>aan de Begrotingscommissie</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020</Titre>

<DocRef>(2019/2028(BUD))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Svenja Hahn</Depute>

SUGGESTIES

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. wijst erop dat de Commissie interne markt en consumentenbescherming (IMCO) in de begrotingsprocedure bevoegd is voor begrotingsonderdelen in titel 2 (interne markt, industrie, ondernemerschap en midden- en kleinbedrijf), titel 14 (belastingen en douane-unie) en titel 33 (justitie en consumentenzaken);

2. benadrukt dat de interne markt een van de grootste en concreetste verwezenlijkingen van de Unie blijft, die voordelen oplevert voor bedrijven, inclusief kleine en micro-ondernemingen, consumenten en burgers in heel Europa; wijst erop dat in de begroting 2020 prioriteit moet worden verleend aan de verdere verdieping van de interne markt, de vermindering van de bureaucratische lasten, die het vrije verkeer van goederen, kapitaal, diensten en arbeidskrachten belemmeren, en de ontwikkeling van de digitale eengemaakte markt, om ervoor te zorgen dat het bedrijfsleven van de EU concurrerend blijft en om de consumenten in de hele Unie te beschermen; benadrukt in verband hiermee dat het belangrijk is om systematisch toezicht te houden op de vooruitgang op dit gebied, teneinde nieuwe problemen op te sporen en beleidsaanbevelingen te doen voor de verdere ontwikkeling van de digitale eengemaakte markt;

3. benadrukt dat het belangrijk is te beschikken over een interne markt voor diensten; verzoekt de Unie extra financiering toe te wijzen aan de voltooiing van de interne markt voor diensten en de ontwikkeling van nieuwe en innoverende diensten aan te moedigen;

4. dringt erop aan dat de begroting voor 2020 bijdraagt aan de verwezenlijking van de prioriteiten van het Europees semester, met name het realiseren van investeringen van hoge kwaliteit en van hervormingen om het concurrentievermogen en de productiviteit van de bedrijven, inclusief kleine en micro-ondernemingen, te vergroten, de eengemaakte markt nog hechter te maken en de digitale eengemaakte markt verder te ontwikkelen;

5. is ingenomen met het feit dat de Commissie in haar ontwerpbegroting passende kredieten heeft toegewezen aan de meeste hoofdprioriteiten van IMCO, met inbegrip van de interne markt voor goederen en diensten, steun aan kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), consumentenbescherming en concurrentievermogen, en verzoekt de Raad en het Parlement zich met deze kredieten in de begroting 2020 akkoord te verklaren;

6. is ingenomen met de verhoging van de kredieten voor de werking en ontwikkeling van de interne markt voor goederen en diensten (artikel 02 03 01), in verband met markttoezicht en de invoering van het EU-netwerk voor productconformiteit, voor betere toegang tot financiering voor kmo’s (artikel 02 02 02) en voor ondersteunende uitgaven voor Cosme (post 02 01 04 01), aangezien deze drie acties van cruciaal belang zijn om de economische groei in de Unie te stimuleren; betreurt ten zeerste de verlaging door de Raad van de begrotingslijnen 02 03 01 en 02 02 02;

7. benadrukt in verband hiermee dat kmo’s een essentieel onderdeel vormen van de economie van de Unie en een cruciale rol spelen bij het scheppen van banen in de hele Unie, en acht het noodzakelijk om een kmo-vriendelijk ondernemingsklimaat te creëren en verder te bevorderen; onderstreept daarom dat voor IMCO de verbetering van de toegang van kmo’s tot financiering een belangrijke prioriteit in de begroting 2020 blijft;

8. benadrukt het feit dat het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (Cosme) een cruciaal instrument is om de ondernemerscultuur te bevorderen, bestaande kmo’s te ondersteunen en te zorgen voor concurrentievermogen, duurzaamheid en groei; dringt in het bijzonder aan op een versterking van de accelerator van de Europese Innovatieraad (kmo-instrument), aangezien hiermee ondersteuning wordt geboden die van doorslaggevend belang is voor kmo’s met radicaal nieuwe ideeën en commercieel haalbare innoverende oplossingen; is van mening dat de Uniebegroting, en toegang tot de financiering in het kader hiervan, een essentieel instrument is om start-ups, micro-ondernemingen en kmo’s concurrerender en innoverender te maken en de ondernemingsgeest in de Unie stimuleert;

9. benadrukt het belang van een krachtig en efficiënt gevoerd consumentenbeleid dat zowel offline als online bescherming en zekerheid biedt aan consumenten, oneerlijke handelspraktijken bestrijdt en vertrouwen geeft aan bedrijven om hun goederen en diensten in de gehele interne markt aan te bieden, en dat zorgt voor markttoezicht en voor de naleving en handhaving van de EU- en de nationale wetgeving, terwijl de administratieve lasten voor kmo’s tot een minimum beperkt blijven; benadrukt het feit dat er op het gebied van consumentenbescherming nog steeds uitdagingen bestaan, zowel digitaal als fysiek, en dat het daarom van het grootste belang is meer inspanningen te leveren op het gebied van voorlichting en bewustmaking van consumenten en burgers;

10. is ingenomen met de verhoging van de betalingskredieten voor de vrijwaring van de belangen en verbetering van de veiligheid en de voorlichting van consumenten (artikel 33 04 01), aangezien het verbeteren van de consumentenrechten en het bevorderen van het bewustzijn van consumentenrechten een belangrijk middel zijn om het vertrouwen van de consument in de interne markt en in het vermogen van de Unie om concrete voordelen te bieden, te vergroten;

11. benadrukt dat het belangrijk is de overgang naar een volledig geautomatiseerde douanewerking naar behoren te financieren om de Europese bedrijven efficiënter te laten werken, eerlijke mededinging te garanderen en de consumenten op gelijke wijze te beschermen; acht het hiertoe van essentieel belang de financiering van het programma Douane 2020 te verhogen, dat samenwerkingsmechanismen bevat die de douaneautoriteiten en functionarissen in de hele Unie in staat stellen informatie en beste praktijken uit te wisselen en te delen, en acht het ook van essentieel belang te zorgen voor de financiering van de aankoop en het onderhoud van moderne, efficiënte douanecontroleapparatuur;

12. herinnert eraan dat zowel de Commissie als de lidstaten al vertraging hebben opgelopen bij de geplande uitvoering van het douanewetboek van de Unie; betreurt daarom ten zeerste de verlaging van de kredieten ter ondersteuning van de werking en de modernisering van de douane-unie (artikel 14 02 01), wat tot nog meer vertragingen kan leiden, een verbetering van de efficiëntie van de douanecontrole in de hele EU kan ondermijnen en de werking van de interne markt kan hinderen; herinnert eraan dat de volledige en uniforme uitvoering van het wetboek essentieel is om de burgers en de financiële belangen van de Unie beter te beschermen en dat e-douane een prioritaire beleidsmaatregel is voor een betere werking van de interne markt;

13. wijst erop dat 2020 het laatste jaar van het huidige meerjarig financieel kader (MFK) is, en verzoekt de Commissie daarom in de begroting 2020 ten volle gebruik te maken van de beschikbare MFK-marges voor de beleidsterreinen waarop IMCO bevoegd is;

14. benadrukt dat het belangrijk is dat de Commissie de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer volledig volgt, ter wille van een effectievere begroting en een meerwaarde voor de Europese burgers;

15. verzoekt de Commissie alle door IMCO goedgekeurde proefprojecten en voorbereidende acties te financieren.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.9.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

38

6

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Alex Agius Saliba, Andrus Ansip, Pablo Arias Echeverría, Alessandra Basso, Adam Bielan, Hynek Blaško, Vlad-Marius Botoş, Markus Buchheit, Dita Charanzová, David Cormand, Petra De Sutter, Dinesh Dhamija, Carlo Fidanza, Alexandra Geese, Svenja Hahn, Virginie Joron, Eugen Jurzyca, Arba Kokalari, Marcel Kolaja, Andrey Kovatchev, Maria Manuel Leitão Marques, Morten Løkkegaard, Adriana Maldonado López, Antonius Manders, Beata Mazurek, Leszek Miller, Brian Monteith, Dan-Ştefan Motreanu, Kris Peeters, Anne-Sophie Pelletier, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Tomislav Sokol, Ivan Štefanec, Róża Thun und Hohenstein, Kim Van Sparrentak, Marion Walsmann, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Clara Aguilera, Claudia Gamon, Lucy Elizabeth Harris, John Howarth

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Delara Burkhardt, Predrag Fred Matić

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

38

+

ECR

Adam Bielan, Carlo Fidanza, Eugen Jurzyca, Beata Mazurek

GUE/NGL

Anne-Sophie Pelletier

NI

Marco Zullo

PPE

Pablo Arias Echeverría, Arba Kokalari, Andrey Kovatchev, Antonius Manders, Dan-Ştefan Motreanu, Kris Peeters, Andreas Schwab, Tomislav Sokol, Ivan Štefanec, Róża Thun und Hohenstein, Marion Walsmann

RENEW

Andrus Ansip, Vlad-Marius Botoş, Dita Charanzová, Dinesh Dhamija, Claudia Gamon, Svenja Hahn, Morten Løkkegaard

S&D

Alex Agius Saliba, Clara Aguilera, Delara Burkhardt, John Howarth, Maria Manuel Leitão Marques, Adriana Maldonado López, Predrag Fred Matić, Leszek Miller, Christel Schaldemose

VERTS/ALE

David Cormand, Petra De Sutter, Alexandra Geese, Marcel Kolaja, Kim Van Sparrentak

 

6

-

ID

Alessandra Basso, Hynek Blaško, Markus Buchheit, Virginie Joron

NI

Lucy Elizabeth Harris, Brian Monteith

 

0

0

 

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : in favour

- : against

0 : abstention

 

 

 


 

 

ADVIES VAN DE Commissie vervoer en toerisme (26.9.2019)

<CommissionInt>aan de Begrotingscommissie</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020</Titre>

<DocRef>(2019/2028(BUD))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Daniel Freund</Depute>

 

 

 

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. neemt kennis van de door de Commissie op het gebied van vervoer voorgestelde ontwerpbegroting; betreurt de willekeurige bezuinigingen waarop de Raad heeft aangedrongen; dringt aan op de vaststelling van een ambitieuze begroting voor de vervoerssector in de EU, om tegemoet te kunnen komen aan nieuwe uitdagingen en recht te doen aan de huidige politieke prioriteiten op het gebied van het vervoerbeleid van de EU;

2. is van oordeel dat de tijd rijp is voor een fundamentelere hervorming van de vervoersfinanciering van de EU teneinde tegen 2050 een vervoerssector zonder vervuilende emissies te verwezenlijken en de volledige naleving van de Overeenkomst van Parijs en van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te waarborgen; benadrukt dat het van het grootste belang is te zorgen voor een hoog financieringsniveau en een resultaatgericht en doeltreffend gebruik van de middelen voor de vervoersportefeuille, programma’s en gemeenschappelijke ondernemingen van Horizon 2020, teneinde deze doelstellingen te verwezenlijken; benadrukt het belang van projecten en programma’s op het gebied van decarbonisatie en digitalisering, verzoekt om afdoende financiering hiervoor en dringt erop aan hier prioriteit aan te verlenen; verzoekt de Commissie met klem om de digitalisering in de logistieke sector te bevorderen; gelooft dat bij deze hervorming volledig rekening moet worden gehouden met de behoeften van kwetsbare sociale groepen en regio’s, zodat de transitie op een rechtvaardige en inclusieve manier plaatsvindt; benadrukt dat de financiering een verbeterde connectiviteit en efficiëntie van het vervoer moet waarborgen;

3. benadrukt dat het vervoerbeleid van de EU van essentieel belang is voor economische, sociale en milieuduurzaamheid en daarom veeleer prioriteit moet worden gegeven aan de kwaliteit en de duurzaamheid van projecten en aan het nut van projecten voor burgers en bedrijven dan aan de kwantiteit of omvang ervan; benadrukt dat voor het vervoerbeleid van de EU passende en toereikende financiering beschikbaar moet zijn teneinde de groei, de werkgelegenheid en het concurrentievermogen in Europa, met inbegrip van de afgelegen geografische gebieden, te waarborgen, en ervoor te zorgen dat er meer kan worden geïnvesteerd in onderzoek en innovatie en in sociale en territoriale cohesie; benadrukt dat dwarsverbanden tussen beleid, financiering en administratieve procedures ontwikkeld moeten worden, om een grotere doeltreffendheid bij belangrijke infrastructuurprojecten te bereiken;

4. onderstreept de fundamentele rol van het vervoerbeleid van de EU en van investeringen bij het bevorderen en versterken van de territoriale, sociale en economische cohesie van de EU en bij het waarborgen van de territoriale toegankelijkheid en de interconnectiviteit van alle regio’s van de Unie, met inbegrip van de afgelegen, ultraperifere, insulaire, perifere, bergachtige en grensregio’s evenals de ontvolkte en dunbevolkte gebieden;

5. wijst erop dat overheidsinvesteringen in het weg-, spoor-, lucht- en zeevervoer een positief effect hebben op de interne markt en de Europese economie, die een wereldleider moet worden;

6. benadrukt dat binnen het vervoersinfrastructuurbeleid van de EU gestreefd moet worden naar een sterkere samenhang tussen en grotere nadruk op de volgende drie aspecten:

- prioriteit voor de interconnectiviteit tussen de corridors en het uitgebreide netwerk, en grensoverschrijdende verbindingen,

- intermodaliteit als basis voor besluiten over projecten, en

- interoperabiliteit als voorwaarde voor medefinanciering van vervoersprojecten;

7. wijst er andermaal op dat het voorlopige akkoord over de verordening tot vaststelling van het InvestEU-programma[10] een algemene bepaling omvat - van toepassing op alle met vervoer verband houdende financiering - die ervoor moet zorgen dat “projecten die niet stroken met de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen niet in aanmerking [komen] voor steun” en dat financierings- en investeringsverrichtingen “worden gescreend om na te gaan of ze milieu-, klimaat-, en sociale effecten met zich meebrengen, en indien dit het geval is, worden onderworpen aan een toetsing van hun duurzaamheid op het gebied van klimaat-, milieu- en sociale effecten”; herinnert eraan dat het InvestEU-fonds investeringen moet ondersteunen die bijdragen aan een grotere economische, territoriale en sociale cohesie in de Unie en dat de effecten en de meerwaarde van de financiële steun van de EU gemaximaliseerd moeten worden door zo groot mogelijke synergieën te verwezenlijken tussen relevante programma’s van de Unie op gebieden als vervoer, energie en digitalisering;

8. onderstreept dat het, naast de sleutelrol ervan bij het uitvoeren van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en InvestEU, van essentieel belang is dat de voor 2020 geplande herziening van het vervoerbeleid van de Europese Investeringsbank (EIB) het pad effent voor een ingrijpendere herziening van de financiering van het vervoer door de EIB; herinnert eraan dat de EIB ongeveer 140 miljard EUR aan leningen voor vervoersprojecten in de periode 2007-2018 heeft goedgekeurd, waarvan zo’n 80 % verband houdt met weginfrastructuur[11]; doet een beroep op de EIB om tijdig aan het Parlement verslag uit te brengen over alle stadia van haar herziening van het vervoerbeleid;

9. onderstreept dat de Connecting Europe Facility (CEF) fundamenteel is om de ontwikkeling te bevorderen van een hoogwaardig, duurzaam en onderling verbonden trans-Europees netwerk (TEN-T) op het gebied van infrastructuur voor vervoer, energie en digitale diensten; herhaalt dat de spoedige voltooiing van het TEN-T aanzienlijk zal bijdragen tot de sociaal-economische en territoriale cohesie van de Unie en tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU om de koolstofuitstoot te verminderen; benadrukt dat de CEF van essentieel belang is voor investeringen in duurzame groei op lange termijn, innovatie, cohesie, het concurrentievermogen en het scheppen van banen in de Unie;

10. is van oordeel dat de uitgaven van de CEF op het gebied van vervoer kunnen worden verbeterd door het aandeel van de financiële middelen ten behoeve van emissievrije vervoerswijzen verder te verhogen; herinnert eraan dat de CEF een uiterst belangrijk en essentieel financieel instrument is in de vervoerssector en dat bij de planning van de uitgaven op korte en lange termijn rekening moet worden gehouden met een resultaatgerichte aanpak en moet worden gestreefd naar een EU-meerwaarde, met name wat betreft de ontwikkeling en voltooiing van het TEN-T-kernnetwerk en uitgebreide netwerk; is ingenomen met de aanpak van de Commissie om het herstel van regionale grensoverschrijdende spoorwegverbindingen die zijn ontmanteld of buiten gebruik zijn gesteld[12], mee te financieren, en moedigt de lidstaten, grensregio’s en de Commissie aan deze bottom-upprojecten verder te intensiveren, aangezien zij bijdragen tot het heropenen van grenzen binnen de Unie waar deze grenzen nog steeds bestaan; roept de Commissie ertoe op het gereserveerde bedrag binnen het CEF-begrotingsonderdeel voor de financiering van de heraanleg van ontbrekende regionale spoorverbindingen die zijn ontmanteld of buiten gebruik zijn gesteld, aanzienlijk te verhogen, waarbij in de eerste plaats rekening moet worden gehouden met geografisch benadeelde gebieden; verzoekt de Commissie rekening te houden met de nog steeds grote verschillen in de vervoersinfrastructuur in de EU; is van mening dat de verdere elektrificatie van spoorweginfrastructuur moet worden geïntensiveerd en dat een snellere uitrol van het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS) noodzakelijk is; is van oordeel dat in de CEF-begroting tevens rekening moet worden gehouden met geluidsreducerende maatregelen voor het goederenvervoer per spoor om te zorgen voor een duurzaam en efficiënt vrachtvervoersysteem; is van mening dat er meer moet gebeuren om het vervoer over zee in de CEF op te nemen en te bevorderen; dringt erop aan dat het aandeel van de voor de CEF gereserveerde middelen behouden blijft bij de toewijzing van de beschikbare middelen voor vervoer;

11. verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2019 een evaluatie voor te leggen van de uitvoering van alle gecontracteerde projecten, met inbegrip van de stand van zaken en de vooruitzichten met betrekking tot de voltooiing van de projecten en voorstellen die het mogelijk moeten maken een uitgavenniveau van 100 % te bereiken, met inbegrip van herschikking van middelen;

12. herinnert eraan dat de financiering van de vervoersinfrastructuur in het kader van het cohesiebeleid gericht moet zijn op het nastreven van de in het Verdrag vastgelegde doelstelling van economische, sociale en territoriale cohesie; benadrukt dat gedecentraliseerde benaderingen belangrijk zijn en dat de connectiviteit en toegankelijkheid van plattelandsgebieden een uitdaging blijft die dringend moet worden aangepakt; is bezorgd dat er weinig aandacht wordt besteed aan de modal shift in het gebruik van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds; benadrukt de noodzaak om de EU-fondsen ook koolstofarm te maken waar het gaat om de vervoerssector; beveelt aan om meer te investeren in fietsen en wandelen; herhaalt zijn regelmatig verwoorde eis van transparantie van de EU-financiering in de vervoerssector, met name van de middelen voor gedeeld beheer; verzoekt de Commissie om uitgebreide informatie beschikbaar te stellen over vervoersprojecten die financiering uit het EFRO en het Cohesiefonds hebben ontvangen;

13. verzoekt de Commissie uiterlijk eind dit jaar een evaluatie voor te leggen van het gebruik van het deel van het EU-geld van de CEF, het Cohesiefonds en het EFRO voor vervoersprojecten, met inbegrip van de mate van naleving van de vervoersstrategieën en de ex-antevoorwaarden die in de partnerschapsovereenkomsten zijn vastgelegd;

14. verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2019 een evaluatie voor te leggen van de stand van zaken met betrekking tot de besteding van de bedragen die zijn toegewezen voor financieringsinstrumenten, prognoses met betrekking tot het uiteindelijke absorptieniveau en voorstellen die moeten worden toegepast om een niveau van 100 % te bereiken, met inbegrip van een herschikking naar andere CEF-begrotingslijnen;

15. verzoekt de Commissie een evaluatie voor te leggen van het gebruik van de voor de uitrol van SESAR toegewezen bedragen, de stand van zaken, toekomstige acties en de bijdrage van de uit deze bedragen gefinancierde projecten aan de uitrol van SESAR in de lidstaten;

16. moedigt de Commissie ertoe aan de vernieuwing van comfortabele Europese nachttreinen te bevorderen als mogelijk en duurzaam alternatief voor korteafstandsvluchten en langeafstandsreizen per auto; roept de Commissie ertoe op te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om de medefinanciering van het EuroVelo-netwerk te combineren met het uitgebreide spoorwegnetwerk;

17. gelooft dat vervoer over zee een alternatief vormt voor de “alles over de weg”-benadering; is van mening dat de bepalingen van Richtlijn (EU) 2016/802 van het Europees Parlement en de Raad[13] waarin het maximale zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen is bepaald, de duurzaamheid van deze vorm van vervoer ten goede komen en dat er nog steeds ruimte voor verbetering is wat betreft het koolstofvrij maken van de sector; wijst erop dat de Europese havens multimodale knooppunten zijn en de toegangspoort vormen voor meer dan 90 % van de door de EU ingevoerde goederen; dringt er bij de Commissie op aan meer te doen om deze vervoerswijze te bevorderen en te financieren;

18. benadrukt dat de digitalisering van het vervoer de vervoerssector in de Unie meer inclusief, innovatief, onderling verbonden en duurzaam kan maken; wijst de Commissie nogmaals op het belang van een nieuwe EU-strategie die prioritair moet zijn gericht op een eerlijke transitie en de omscholing van werknemers van wie de banen overbodig worden door de digitalisering van de vervoerssector;

19. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan verdere prioriteit te verlenen aan de financiering van de veiligheid van de passagiers in de diverse vervoerswijzen en zich te concentreren op de veiligheid van kwetsbare weggebruikers, zoals voetgangers, personen met een handicap, fietsers en andere gebruikers van micromobiliteit, alsook op de verschuiving naar veiligere en schonere vervoerswijzen, zoals het spoorvervoer, in het licht van het nog steeds zeer hoge aantal doden en gewonden bij verkeersongevallen en de nieuwe richtlijn betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur met haar bepaling dat “de lidstaten erop [toezien] dat [...] rekening wordt gehouden met de behoeften van kwetsbare weggebruikers”; verzoekt de Commissie de lidstaten de nodige technische en administratieve bijstand te verlenen met betrekking tot adequate onderhoudsmaatregelen voor de bestaande wegen in hun respectieve uitgebreide vervoersplannen, teneinde de kwaliteit en de veiligheid van de wegen te verbeteren;

20. is van oordeel dat een sterkere koppeling tussen de financiering van stedelijk vervoer en de plannen voor duurzame stedelijke mobiliteit van essentieel belang is om de transformatie van de stedelijke mobiliteit te bevorderen; dringt erop aan dat in deze plannen voor stedelijke mobiliteit de multimodaliteit van de verschillende duurzame vervoerswijzen wordt bevorderd en dat daarbij sociaal-economisch evenwichtige regelingen worden vastgesteld die waarborgen dat de Europese burgers niet worden gediscrimineerd;

21. benadrukt dat regelingen voor stedelijke mobiliteit moeten bijdragen tot verkorting van het woon-werkverkeer, zorgen voor interoperabiliteit, de aantrekkelijkheid van het openbaar vervoer voor het publiek moeten vergroten en het individueel vervoer moeten terugdringen, en zo moeten bijdragen tot duurzaamheid voor milieu en klimaat, alsmede tot de ontwikkeling van de samenleving; is van mening dat, gezien de diversiteit van openbaarvervoerswijzen in grootstedelijke gebieden in de EU (waarbij in sommige gevallen sprake is van versnipperde vervoersystemen en ongeorganiseerde kaartverkoop waardoor het gebruik duurder wordt), de nadruk in de begroting van 2020 moet worden gelegd op problemen als gevolg van ingewikkelde kaartverkoop in het openbaar vervoer en op de uitvoering van een actieplan om één enkel multimodaal kaartverkoopsysteem in te voeren;

22. dringt aan op een volledig transparant financieringslandschap en transparantere projectbeoordelingen waarbij vooral aandacht wordt besteed aan de participatie van burgers, het maatschappelijk middenveld en ngo’s in transparante besluitvorming en toezicht op de ontwikkeling van grote projecten met een totaal investeringsvolume van meer dan 1 miljard EUR; is van mening dat de middelen gericht moeten zijn op doelstellingen die met name op maatschappelijk en ecologisch gebied voor een daadwerkelijke meerwaarde voor de lidstaten zorgen;

23. wijst erop dat overheidsinvesteringen in infrastructuur bijzonder gevoelig voor corruptie zijn; onderstreept het belang van transparante aanbestedingsprocedures voor door de EU gefinancierde, grootschalige vervoersinfrastructuurprojecten; dringt erop aan dat de aanbestedende diensten en inschrijvers bij deze grootschalige projecten integriteitspacten ondertekenen uit hoofde waarvan derden toezicht houden op de naleving van hun verbintenissen inzake optimale praktijken en transparantie; herinnert eraan dat de lidstaten in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een beheerssysteem dat gericht is op de effectieve en efficiënte uitvoering van investeringsprojecten, en dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor de nodige administratieve en technische ondersteuning om de uitvoering ervan te vergemakkelijken; wijst erop dat het ook belangrijk is dat in aanbestedingsprocedures rekening wordt gehouden met de sociale voorwaarden voor werknemers; wijst erop dat het momenteel voor de hele vervoerssector moeilijk is om personeel aan te werven en dat de werkomstandigheden moeten worden verbeterd om de personeelsproblemen aan te pakken;

24. is van oordeel dat kosten-batenanalyses voor vervoersprojecten zich niet langer moeten concentreren op economische analyses op de korte termijn, maar op een veelomvattend begrip van alle externe kosten op de korte en lange termijn met als leidraad de recente, door de Commissie in opdracht gegeven studie over de internalisering van externe kosten waaruit blijkt dat de totale omvang van de externe kosten van vervoer wordt geraamd op bijna 1 000 miljard EUR per jaar[14];

25. roept de Commissie op om een meer resultaatgerichte aanpak te hanteren, te streven naar EU-meerwaarde en zich meer te richten op de politieke doelstellingen bij de vaststelling van de criteria voor de selectie van proefprojecten en voorbereidende acties, en herinnert aan het belang van een goede uitvoering ervan;

26. herhaalt dat er behoefte is aan een sterk Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) met de nodige financiële middelen om de veiligheid van de EU-burgers te waarborgen en wereldwijd leider te zijn op dat terrein (onder meer met het oog op uitdagingen als gevolg van nieuwe technologieën, cyberdreigingen, GNSS-verstoring) en de milieuduurzaamheid van de luchtvaartsector door de verkleining van de ecologische voetafdruk (minder geluidsoverlast en emissies, decarbonisatie, circulaire economie), de bevordering van milieubescherming (mitigatiemaatregelen), de ontwikkeling van innovatieve en duurzame technologieën (drones, elektrische en hybride vliegtuigen, duurzame vliegtuigbrandstoffen), een programma voor een milieukeur en multimodale mobiliteit (d.w.z. de interconnectie met/tussen de spoorweg- en luchthaveninfrastructuur);

27. betreurt dat voor de begroting 2020 geen aandacht is besteed aan de uitgebreide taken van de met vervoer verband houdende agentschappen van de EU - het EASA, het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA) en het Spoorwegbureau van de Europese Unie (ERA) -, terwijl rekening moet worden gehouden met de toegenomen behoefte aan financiële en personele middelen om de volledige ontplooiing van hun taken te waarborgen; herinnert eraan dat volgens een advies van de Rekenkamer de kosten ten laste van de EU-begroting kunnen worden verminderd door de werkzaamheden van het ERA op één plaats te centraliseren;

28. benadrukt het belang van projecten ter bevordering van het toerisme, een sector die een belangrijke bijdrage levert aan het bbp van de lidstaten en economische impact heeft op de groei, het concurrentievermogen, de werkgelegenheid en de sociale ontwikkeling; betreurt dat toerisme in de begroting niet is opgenomen als apart beleidsterrein en herinnert aan zijn oproep om in het volgende meerjarig financieel kader specifieke daarvoor bestemde financiering op een afzonderlijke begrotingslijn uitsluitend voor toerisme te bestemmen; benadrukt dat de lidstaten op het gebied van toerisme voor gemeenschappelijke uitdagingen staan zoals het omgaan met crisissituaties, concurrentie van derde landen, duurzaamheid van toeristische activiteiten, ondersteuning van lokale en afgelegen gemeenschappen en de overgang naar een koolstofvrije economie, en dat gemeenschappelijk Europees beleid daarom aanzienlijke toegevoegde waarde biedt.

 


 

BIJLAGE: LIJST VAN ENTITEITEN WAARVAN OF PERSONEN VAN WIE DE RAPPORTEUR VOOR ADVIES INPUT HEEFT ONTVANGEN

 

 

 

 

Entiteit en/of persoon -

European Federation for Transport and Environment - 58744833263-19

 

 

Gemeenschap van Europese Spoorwegen - 7574621118-27

 

 

 

 

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.9.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

6

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Andris Ameriks, José Ramón Bauzá Díaz, Izaskun Bilbao Barandica, Marco Campomenosi, Ciarán Cuffe, Johan Danielsson, Andor Deli, Anna Deparnay-Grunenberg, Ismail Ertug, Gheorghe Falcă, Giuseppe Ferrandino, Mario Furore, Isabel García Muñoz, Jens Gieseke, Kateřina Konečná, Elena Kountoura, Julie Lechanteux, Bogusław Liberadzki, Peter Lundgren, Benoît Lutgen, Marian-Jean Marinescu, Tilly Metz, Caroline Nagtegaal, Bill Newton Dunn, Jan-Christoph Oetjen, Philippe Olivier, Tomasz Piotr Poręba, Dominique Riquet, Sven Schulze, Vera Tax, Cristian Terheş, Barbara Thaler, István Ujhelyi, Petar Vitanov, Lucia Vuolo, Roberts Zīle, Kosma Złotowski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Paolo Borchia, Gina Dowding, Ilhan Kyuchyuk, Ljudmila Novak, Andrey Novakov, Anne-Sophie Pelletier, Catherine Rowett

 

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

35

+

GUE/NGL

Kateřina Konečná, Elena Kountoura, Anne-Sophie Pelletier

NI

Mario Furore

PPE

Andor Deli, Gheorghe Falcă, Jens Gieseke, Benoît Lutgen, Marian-Jean Marinescu, Ljudmila Novak, Andrey Novakov, Sven Schulze, Barbara Thaler

RENEW

José Ramón Bauzá Díaz, Izaskun Bilbao Barandica, Ilhan Kyuchyuk, Caroline Nagtegaal, Bill Newton Dunn, Jan-Christoph Oetjen, Dominique Riquet

S&D

Andris Ameriks, Johan Danielsson, Ismail Ertug, Giuseppe Ferrandino, Isabel García Muñoz, Bogusław Liberadzki, Vera Tax, Cristian Terheş, István Ujhelyi, Petar Vitanov

VERTS/ALE

Ciarán Cuffe, Anna Deparnay-Grunenberg, Gina Dowding, Tilly Metz, Catherine Rowett

 

6

-

ECR

Peter Lundgren

ID

Paolo Borchia, Marco Campomenosi, Julie Lechanteux, Philippe Olivier, Lucia Vuolo

 

3

0

ECR

Tomasz Piotr Poręba, Roberts Zīle, Kosma Złotowski

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


 

 

ADVIES VAN DE Commissie regionale ontwikkeling (7.10.2019)

<CommissionInt>aan de Begrotingscommissie</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020</Titre>

<DocRef>(2019/2028(BUD))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Younous Omarjee</Depute>

 

 

 

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. wijst erop dat cohesie een van de doelstellingen van de Unie is die is neergelegd in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gedefinieerd staat in artikel 174 VWEU en een gedeelde bevoegdheid is van de Unie en de lidstaten; onderstreept dat het cohesiebeleid een van de belangrijkste beleidsterreinen van de Unie is en haar voornaamste beleid voor overheidsinvesteringen, met een begroting van 351,8 miljard EUR voor de periode 2014-2020 (een derde van het MFK), wat zo zou moeten blijven in het volgende MFK zonder verdere bezuinigingen, en dat nieuwe initiatieven van de Unie gepaard moeten gaan met nieuwe en toereikende financiële middelen en volgens de medebeslissingsprocedure moeten worden behandeld;

2. onderstreept dat het uitgangspunt van het cohesiebeleid solidariteit is, waarmee de doelstelling uit het Verdrag om de algehele harmonieuze ontwikkeling van lidstaten en regio’s te bevorderen en te ondersteunen wordt nagestreefd, en dat met dit beleid de interregionale samenwerking wordt bevorderd, wordt beoogd om de economische, sociale en territoriale ongelijkheid tussen en binnen regio’s in de Unie terug te dringen zodat geen enkele regio achteropraakt, waarbij rekening wordt gehouden met demografische uitdagingen; is van mening dat dit beleid in de hele Unie groei en banen oplevert en belangrijke doelstellingen en prioriteiten van de Unie verwezenlijkt, waaronder klimaat- en energiedoelen en slimme, duurzame en inclusieve economische groei; merkt op dat additionaliteit kan leiden tot een evenwichtig gebruik van de structuurfondsen in combinatie met alle beschikbare bronnen, inclusief financieringsinstrumenten;

3. vindt het verheugend dat er geen betalingen meer uitstaan voor de periode 2007-2013 en dat de verbeterde uitvoering van betalingen en het hogere percentage geselecteerde projecten nu op kruissnelheid is gekomen en dat de daadwerkelijke projectselectie eindelijk het niveau van de vorige programmeringsperiode heeft bereikt en verder is verhoogd, namelijk tot 83 % in september 2019; stelt echter vast dat er grote verschillen tussen deze percentages bestaan in de lidstaten en roept de Commissie op om de lidstaten die een achterstand hebben opgelopen te blijven ondersteunen bij de verbetering van hun resultaten;

4. wijst op de verhoging van de vastleggingskredieten met 2,5 % voor subrubriek 1b in de ontwerpbegroting voor 2020 ten opzichte van de begroting voor 2019, terwijl de betalingskredieten als geheel met 6,4 % zijn gestegen;

5. verzoekt de Raad en de Commissie lering te trekken uit deze programmeringsperiode en nieuwe betalingscrises en betalingsachterstanden in het vervolg te voorkomen; wijst erop dat de vertraging van de start en de uitvoering van de programma’s heeft geleid tot een opeenhoping van betalingsverzoeken;

6. wijst erop dat de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden kunnen profiteren van specifieke maatregelen, met name in het kader van het cohesiebeleid, wat betreft de voorwaarden voor toegang tot fondsen die noodzakelijk en onontbeerlijk zijn om duurzame ontwikkeling te bevorderen en aldus de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te verwezenlijken, gezien hun economische en sociale situatie, de sterke structurele impact van hun afgelegen ligging en hun kwetsbaarheid voor de gevolgen van de klimaatverandering;

7. herinnert eraan dat het cohesiebeleid een van de belangrijkste instrumenten is om prioriteiten uit de ontwerpbegroting van de Commissie voor 2020 aan te pakken; benadrukt het rendement op de investeringen van het cohesiebeleid, aangezien elke euro die wordt geïnvesteerd een bijdrage aan groei en nieuwe banen oplevert van 2,74 EUR;

8. bevestigt nogmaals dat voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid de samenwerking van regionale, lokale, stedelijke en andere autoriteiten van essentieel belang is, evenals de dialoog met maatschappelijke organisaties, met inbegrip van universiteiten, milieuorganisaties en groepen die de diversiteit op het gebied van etnische afkomst, godsdienst, leeftijd, handicap, seksuele gerichtheid of genderidentiteit vertegenwoordigen;

9. herinnert eraan dat het cohesiebeleid een nuttig instrument is om de opvang en integratie van migranten te ondersteunen en dringt erop aan dat de EU-begroting voor 2020 in een geest van solidariteit bijdraagt aan de aanpak van de uitdagingen in verband met migratie;

10. pleit voor een herprogrammering van het jeugdwerkgelegenheidsinitiatief, naar aanleiding van het akkoord in de begrotingsprocedure van 2019 om het niveau van vastleggingskredieten aanzienlijk te verhogen; hamert op de financiering van specifieke maatregelen om de massale uitstroom van jongeren uit minder ontwikkelde regio’s te beperken;

11. maakt zich zorgen over de gevolgen van een eventuele brexit zonder akkoord en vooral over de mogelijke negatieve effecten hiervan op het cohesiebeleid en grensregio’s; benadrukt het belang van de onderhandelingen over het volgende MFK en dringt er in dat verband op aan dat de budgettaire gevolgen van de brexit voor het cohesiebeleid zo veel mogelijk worden beperkt;

12. wijst er nogmaals op dat de bestuurlijke capaciteit van lokale en regionale autoriteiten moet worden versterkt, gezien het cruciale belang daarvan voor de correcte voorbereiding en uitvoering van projecten ter plaatse;

13. merkt op dat 2020 het laatste begrotingsjaar van de huidige MFK-periode is en benadrukt daarom het belang van de voorbereiding en de vlotte aanpassing aan de nieuwe financieringsperiode;

14. vreest dat de doelstelling om ten minste 20 % van de EU-begroting voor het MFK 2014-2020 te besteden aan klimaatgerelateerde maatregelen niet zal worden gehaald, en dringt er bij de Commissie op aan om het percentage aan klimaatuitgaven voor 2020 aanzienlijk te verhogen; roept de lidstaten en regio’s op om terdege rekening te houden met de belangrijke bijdrage van het cohesiebeleid aan investeringen in klimaatbescherming en aan de door de Unie nagestreefde uitgaven op klimaatgebied, en vindt dat de begrotingskloof op het vlak van klimaatgerelateerde uitgaven van 3,5 miljard EUR moet worden gedicht en moet worden vermeden dat overheidsgeld aan fossiele brandstoffen uitgegeven wordt zodat de aandacht kan worden gericht op de aanpak van de klimaatverandering teneinde de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te halen;

15. is van mening dat ook voldoende middelen moeten worden uitgetrokken voor acties die vooral gericht zijn op gezondheids- en milieuaspecten, mogelijk als gevolg van de vereisten in verband met de energietransitie, zoals de ontmanteling van kerncentrales; wijst erop dat de 41 regio’s die afhankelijk zijn van steenkool koolstofvrij moeten worden gemaakt door omscholing en bijscholing van werknemers in de kolensector, en dat er moet worden gezorgd voor een rechtvaardige overgang naar een duurzame economie door middel van de oprichting van een fonds voor een rechtvaardige transitie dat gepaard gaat met voldoende middelen in de begroting, om uiterlijk in 2050 een rechtvaardige en eerlijke transitie naar een koolstofvrije economie te waarborgen;

16. merkt op dat 2020 het tweede jaar wordt waarin voor overdrachten naar de Connecting Europe Facility aanvullende voorfinanciering kan worden aangevraagd voor acties die zijn begonnen in 2014, 2015 of 2016, en het laatste jaar voor de toewijzing van middelen die nog niet aangesproken zijn;

17. benadrukt dat geen enkele overdracht in het kader van het cohesiebeleid ertoe mag leiden dat de doelen van de structuur- en investeringsfondsen niet gehaald worden;

18. merkt op dat het steunprogramma voor structurele hervormingen zal worden gefinancierd uit de overkoepelende marge voor vastleggingen; wijst erop dat verhogingen van de financiering niet ten koste mogen gaan van het cohesiebeleid; herinnert eraan dat nieuwe initiatieven van de Unie met nieuwe, aanvullende middelen gefinancierd moeten worden en niet ten koste mogen gaan van sinds jaar en dag bestaand beleid van de Unie; merkt op dat het cohesiebeleid en economische governance verschillende doelstellingen kunnen hebben en dat bij hervormingen terdege rekening moet worden gehouden met territoriale gevolgen;

19. betreurt de daling van de kredieten van het Cohesiefonds ten opzichte van de vorige programmeringsperiode en wijst op het risico dat de verschillen in ontwikkeling op het gebied van basisinfrastructuur en met name vervoersinfrastructuur groter worden; dringt aan op flexibelere begrotingsmechanismen om de herschikking van financiële middelen voor aanvullende investeringen in basisinfrastructuur en met name TEN-T-infrastructuur te vergemakkelijken, aangezien dit de drijvende kracht is achter economische, sociale en territoriale inclusie op het niveau van de Unie in de lidstaten die qua ontwikkeling duidelijk achterblijven;

20. verzoekt de Commissie en de lidstaten het transparante, eerlijke en verantwoordelijke gebruik van Uniemiddelen te waarborgen.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

2.10.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

38

0

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Mathilde Androuët, Pascal Arimont, Adrian-Dragoş Benea, Isabel Benjumea Benjumea, Tom Berendsen, Stéphane Bijoux, Franc Bogovič, Andrea Cozzolino, Corina Crețu, Rosa D’Amato, Tamás Deutsch, Francesca Donato, Jill Evans, Raffaele Fitto, Cristian Ghinea, Mircea-Gheorghe Hava, Krzysztof Hetman, Manolis Kefalogiannis, Ondřej Knotek, Constanze Krehl, Elżbieta Kruk, Naomi Long, Cristina Maestre Martín De Almagro, Pedro Marques, Martina Michels, Andżelika Anna Możdżanowska, Andrey Novakov, Younous Omarjee, Alessandro Panza, Tsvetelina Penkova, Caroline Roose, André Rougé, Susana Solís Pérez, Monika Vana, Julie Ward

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Ciarán Cuffe, Barbara Ann Gibson, Tomislav Sokol, Maria Spyraki

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

38

+

ECR

Raffaele Fitto, Elżbieta Kruk, Andżelika Anna Możdżanowska

GUE/NGL

Martina Michels, Younous Omarjee

ID

Mathilde Androuët, Francesca Donato, Alessandro Panza, André Rougé

NI

Rosa D'Amato

PPE

Pascal Arimont, Isabel Benjumea Benjumea, Tom Berendsen, Franc Bogovič, Mircea-Gheorghe Hava, Krzysztof Hetman, Manolis Kefalogiannis, Andrey Novakov, Tomislav Sokol, Maria Spyraki

RENEW

Stéphane Bijoux, Cristian Ghinea, Barbara Ann Gibson, Ondřej Knotek, Naomi Long, Susana Solís Pérez

S&D

Adrian-Dragoş Benea, Andrea Cozzolino, Corina Crețu, Constanze Krehl, Cristina Maestre Martín De Almagro, Pedro Marques, Tsvetelina Penkova, Julie Ward

VERTS/ALE

Ciarán Cuffe, Jill Evans, Caroline Roose, Monika Vana

 

0

-

 

 

 

1

0

PPE

Tamás Deutsch

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 


 

 

ADVIES VAN DE Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (6.9.2019)

<CommissionInt>aan de Begrotingscommissie</CommissionInt>


<Titre>Ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020 </Titre>

<DocRef>(2019/2028(BUD))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Paolo De Castro</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. neemt kennis van de 59 994,9 miljoen EUR aan vastleggingen en de 58 014,3 miljoen EUR aan betalingen die de Commissie voorstelt in de ontwerpbegroting 2020 voor rubriek 2, waarvan de kredieten van het Europees Landbouwgarantiefonds licht zijn verhoogd tot 43 531,8 miljoen EUR aan vastleggingen (+ 0,8 %) en tot 43 501,7 miljoen EUR aan betalingen (+ 0,9 %) ten opzichte van de begroting 2019; betreurt ten zeerste dat de kredieten van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden verlaagd tot 14 708,7 miljoen EUR aan vastleggingen (- 0,1 %) en 13 141,2 miljoen EUR (- 0,1 %) aan betalingen ten opzichte van de begroting 2019, voornamelijk als gevolg van een stagnatie in de nominale termijn van het Elfpo als zodanig en een sterke daling van de steunuitgaven;

2. dringt erop aan dat alle ontvangsten ten bate van de begroting van de Unie die voortvloeien uit bestemmingsontvangsten of terugbetalingen in verband met onregelmatigheden in de landbouw in voorgaande jaren binnen rubriek 2 moeten blijven;

3. dringt erop aan dat de landbouwbegroting niet verder wordt verlaagd, vooral ook gezien het feit dat de landbouwsector dikwijls wordt getroffen door crises die een budgettaire reactie vergen;

4. merkt op dat het begrotingsjaar 2020 het laatste is van het huidige meerjarig financieel kader en benadrukt daarom het belang van de voorbereiding van en de vlotte aanpassing aan de nieuwe financiële periode, waarin een redelijke levensstandaard voor de landbouwers moet worden gewaarborgd;

5. is diep bezorgd over de budgettaire gevolgen van een brexit zonder akkoord en is, aangezien de landbouwers hun activiteiten op voorhand moeten plannen, sterk gekant tegen elke onverwachte verlaging van de toewijzingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) in 2020 ingeval er geen overeenkomst tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk bestaat;

6. onderstreept dat de begroting van de Unie in overeenstemming moet zijn met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, dat in december 2015 is aangenomen;

7. betreurt de verlaging van de kredieten die de Commissie voorstelt voor producentenorganisaties in de sector groenten en fruit (- 14,6 miljoen EUR), die negatieve gevolgen kan hebben voor de groeiende bijdrage daarvan aan het versterken van de onderhandelingspositie binnen de voedselvoorzieningsketen, omdat de landbouwers er rechtstreeks door getroffen zullen worden; is in dit verband van oordeel dat de Commissie ervoor moet zorgen dat de betalingen voor deze sector niet worden verminderd; betreurt het dat er geen kredieten beschikbaar zijn voor de sector vlees van pluimvee en stelt voor in het deel “Andere maatregelen voor varkensvlees, pluimvee, eieren, bijenteelt, andere dierlijke producten” middelen toe te wijzen ter ondersteuning van de pluimveesector, aangezien daarin sprake is van oneerlijke handelsverstoring door Oekraïne;

8. betreurt het gebrek aan compensatie voor de door de Commissie voorgestelde verlaging van de kredieten voor groente- en fruitproducenten in de Unie, een sector die te kampen heeft met een ernstige crisis als gevolg van fytofage of pathologische agentia zoals het tristeza-virus voor sinaasappelen, mal secco voor citroenen, Tuta absoluta voor tomaten en Xylella fastidiosa voor olijfbomen; vraagt daarom dat er, ondanks de verlagingen van de kredieten, een plan voor de financiering van citrusvruchten wordt opgesteld om de kosten te helpen dragen voor de omschakeling van de huidige citrus- en olijfboomgaarden op rassen van dezelfde planten die er beter bestand tegen zijn, zodat de sector echt uit het slop kan worden gehaald;

9. is ingenomen met het voorstel van de Commissie om 50 miljoen EUR toe te wijzen aan “Andere maatregelen voor rund- en kalfsvlees” om de rundvleessector in Ierland te ondersteunen in geval van moeilijkheden op de markt die verband houden met de mogelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie; benadrukt dat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie ook aanzienlijke negatieve gevolgen zal hebben voor verschillende landbouwsectoren in de Unie; verzoekt de Commissie met een steunplan te komen op basis van een behoorlijke effectbeoordeling per sector en per lidstaat, voor alle landbouwsectoren van de Unie die waarschijnlijk zullen worden getroffen door de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie en dat plan naargelang de mate van blootstelling uit te breiden naar de getroffen lidstaten; is van mening dat het plan, om doeltreffend te zijn, structurele maatregelen moet omvatten om de organisatie van die sectoren te versterken en de diversificatie van de handelsstromen te bevorderen;

10. is van mening dat door de handelsovereenkomst tussen de Unie en Mercosur die landbouwsectoren het nog moeilijker zullen krijgen en verzoekt de Commissie daarom uiterlijk eind 2019 de inhoud uiteen te zetten van het op 28 juni 2019 aangekondigde steunpakket van de Unie van 1 miljard EUR, dat gevoelige landbouwsectoren in de Unie in staat moet stellen om het hoofd te bieden aan de potentiële negatieve gevolgen van die handelsovereenkomst ingeval het wordt geratificeerd;

11. benadrukt de budgettaire ondoelmatigheid ten aanzien van de ondersteuning van gevoelige sectoren enerzijds en de openstelling van deze sectoren voor verdere concurrentie en het risico van marktinstabiliteit, met name via bilaterale vrijhandelsovereenkomsten anderzijds; wijst daarnaast op de afbrokkeling van de traditionele eigen middelen in de begroting van de Unie op de lange termijn, die in het bijzonder wordt veroorzaakt door de afname van douanerechten als gevolg van vrijhandelsovereenkomsten;

12. neemt nota van het voorstel van de Commissie om landbouwers te helpen met een financieel steunpakket van 1 miljard EUR in geval van verstoring van de markt in het kader van de handelsovereenkomst van de Unie met Mercosur; dringt erop aan dat deze middelen niet uit een bestaand begrotingsonderdeel voor de landbouw mogen worden gehaald;

13. is bezorgd over de huidige crisis in de suikersector na de afschaffing van de quotaregeling en de recente aankondiging van acht fabriekssluitingen in de Unie; betreurt het gebrek aan middelen ter ondersteuning van die sector; is van mening dat bij het uitblijven van maatregelen van de overheid particuliere actoren particuliere initiatieven moeten kunnen nemen om de productie op vrijwillige basis te reguleren; stelt in dit verband voor dat de Commissie in het licht van het nieuwe productieseizoen de mogelijkheid onderzoekt om begrotingsneutrale maatregelen in te voeren, die beschikbaar zijn op grond van artikel 222 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad[15], waarbij landbouwers, hun organisaties en erkende brancheorganisaties toestemming krijgen om collectieve overeenkomsten te sluiten teneinde hun productie op een gecoördineerde manier terug te halen van de markt, op te slaan of te verminderen;

14. is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de financiering voor afzetbevorderingsmaatregelen te verhogen, aangezien hiermee wordt bevestigd dat de verbeteringen die bij de laatste hervormingen zijn doorgevoerd doeltreffend zijn; is van mening dat de Commissie de promotiecampagnes voor de openstelling van nieuwe markten voor kwaliteitsproducten moet blijven versterken, aangezien afzetbevorderingsmaatregelen van cruciaal belang zijn om het aandeel van de uitvoer van de Unie op markten over de hele wereld uit te breiden;

15. betreurt het dat landbouwers die vanwege het Russische invoerverbod op allerlei landbouwproducten van de Unie (“het Russische embargo”) nog steeds moeilijkheden op de markt ondervinden, met name in de sector melk en zuivelproducten, geen steun krijgen voor maatregelen;

16. herinnert eraan dat landbouwsectoren in de Unie al vijf jaar te lijden hebben onder de gevolgen van het Russische embargo; benadrukt dat eventuele extra gevolgen voor de handelsstromen in de landbouw in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie kunnen leiden tot verdere verstoring, en verzoekt om extra kredieten voor buitengewone maatregelen, waar nodig;

17. is van mening dat de Unie een cruciale bijdrage kan leveren aan het bevorderen van gezonde eetgewoonten, vooral bij kinderen, en acht het daarom van essentieel belang dat ten volle gebruik wordt gemaakt van de maxima ten aanzien van de schoolregelingen van de Unie en dat er aanvullende regelingen voor duurzame consumptie worden opgesteld in de huidige verordening; roept de lidstaten daarom op hun nationale programma’s te versterken om ten volle gebruik te maken van de maximaal beschikbare toewijzingen (250 miljoen EUR) door minder bureaucratische programma’s in te voeren;

18. is ingenomen met de toegenomen steun voor onderzoek en innovatie die gericht zijn op de levering van veilig en kwalitatief hoogstaand voedsel en op voedselzekerheid; benadrukt dat het van essentieel belang is dat middelen die bestemd zijn voor onderzoek in de agri-foodsector, met name uit de begroting voor Horizon 2020, als zodanig volledig beschikbaar blijven om innovatie en slimme oplossingen, met name door agro-ecologisch onderzoek gebaseerd op een benadering van het hele agro-ecosysteem, in de landbouw- en de plattelandsontwikkelingssector te stimuleren; onderstreept het belang van de praktische toepasbaarheid van de resultaten op bedrijfsniveau en de rol van landbouwvoorlichtingsdiensten; benadrukt dat het onderzoeksbeleid de samenhang met de doelstellingen van het beleid op het gebied van milieu, klimaat, biodiversiteit, gezondheid en welzijn moet behouden, en initiatieven moet stimuleren en ondersteunen die zijn afgestemd op de behoeften van kleine landbouwbedrijven zonder schaalvoordelen, zodat zij gebruik kunnen maken van nieuwe technologieën; onderstreept de noodzaak om het verband tussen onderzoek en praktijk te versterken door primaire producenten erbij te betrekken en kennis en beste praktijken te verspreiden;

19. verzoekt de Commissie voldoende financiële steun te verlenen voor de verdere invoering van slimme en innovatieve oplossingen in de landbouwsector, gezien de bewezen voordelen ervan voor het milieu en de noodzaak van een grotere doelmatigheid in de landbouw; is van mening dat precisielandbouw en het gebruik van digitalisering verder moeten worden geanalyseerd en bevorderd;

20. rekening houdend met het feit dat de Unie nog steeds kwetsbaar is voor uitbraken van dier- en plantenziekten, betreurt het dat de kredieten van het fonds voor noodmaatregelen in verband met de gezondheid van dieren en planten met 60 % zijn verlaagd;

21. neemt met grote bezorgdheid kennis van de ernstige gevolgen van de verspreiding van de Afrikaanse varkenspest (AVP) in verschillende lidstaten en het grote aantal sinds het begin van 2019 geregistreerde uitbraken; is bezorgd over het feit dat grote varkenshouderijen zijn getroffen door het ruimen van tientallen duizenden dieren; betreurt daarom het gebrek aan middelen voor de preventie en bestrijding van AVP en benadrukt dat daarvoor in de begroting van de Unie voor 2019 een bedrag van 28 miljoen EUR is uitgetrokken; benadrukt dat ten minste een vergelijkbare toewijzing moet worden opgenomen in de begroting van de Unie voor 2020; neemt er nota van dat derde landen hebben geïnvesteerd in onderzoek naar de ontwikkeling van een vaccin tegen AVP; is van mening dat de Unie moet investeren in onderzoek naar en de ontwikkeling van een vaccin, wat zou helpen de verspreiding en het vóórkomen van AVP zo snel mogelijk tegen te gaan;

22. moedigt de lidstaten aan om meer steun te verstrekken voor de vestiging van jonge landbouwers, in overeenstemming met de doelstelling van een betere bijdrage aan de generatievernieuwing onder landbouwers in de Unie;

23. benadrukt het belang van de vastleggingen en uitgaven voor plattelandsontwikkeling voor milieumaatregelen in de landbouw en voor de plattelandseconomie in ruimere zin, met name het belang van initiatieven die gericht zijn op jonge landbouwers en hen ondersteunen;

24. is ingenomen met de financiering van nieuwe proefprojecten die van essentieel belang zijn voor de bezinning over de toekomst van het GLB, namelijk projecten voor de ontwikkeling van een instrumentarium voor geïntegreerde gewasbescherming voor landbouwers, het bevorderen van “slimme dorpen” en het opzetten van een operationeel programma in de veehouderijsector;

25. verzoekt om de handhaving van de kredieten voor de Posei-programma’s op het maximumniveau dat in het recht van de Unie is vastgelegd, onderstreept het belang van die programma’s voor de weerbaarheid van landbouwproducenten en beklemtoont de precaire economische situatie van de ultraperifere gebieden, die nog ernstig te lijden hebben onder de crisis.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

4.9.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

39

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Mazaly Aguilar, Álvaro Amaro, Eric Andrieu, Attila Ara-Kovács, Carmen Avram, Adrian-Dragoş Benea, Benoît Biteau, Mara Bizzotto, Daniel Buda, Matt Carthy, Asger Christensen, Dacian Cioloș, Ivan David, Paolo De Castro, Jérémy Decerle, Diane Dodds, Herbert Dorfmann, Luke Ming Flanagan, Dino Giarrusso, Martin Häusling, Martin Hlaváček, Krzysztof Jurgiel, Jarosław Kalinowski, Elsi Katainen, Gilles Lebreton, Norbert Lins, Marlene Mortler, Ulrike Müller, Juozas Olekas, Sheila Ritchie, Bronis Ropė, Bert-Jan Ruissen, Anne Sander, Petri Sarvamaa, Annie Schreijer-Pierik, Veronika Vrecionová, Sarah Wiener, Juan Ignacio Zoido Álvarez

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Atidzhe Alieva-Veli, Franc Bogovič, Lena Düpont, Estrella Dura Ferrandis, Ivo Hristov, Jan Huitema, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, Tilly Metz, Daniela Rondinelli, Christine Schneider, Marc Tarabella, Irène Tolleret

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

39

+

ECR

Mazaly Aguilar, Krzysztof Jurgiel, Anthea McIntyre, Veronika Vrecionová

GUE/NGL

Matt Carthy, Luke Ming Flanagan

ID

Mara Bizzotto, Gilles Lebreton, Joëlle Mélin

NI

Diane Dodds, Dino Giarrusso

PPE

Álvaro Amaro, Franc Bogovič, Daniel Buda, Herbert Dorfmann, Lena Düpont, Jarosław Kalinowski, Norbert Lins, Marlene Mortler, Anne Sander, Petri Sarvamaa, Annie Schreijer‑Pierik, Juan Ignacio Zoido Álvarez

Renew

Asger Christensen, Dacian Cioloș, Jérémy Decerle, Martin Hlaváček, Elsi Katainen, Ulrike Müller, Sheila Ritchie

S&D

Eric Andrieu, Attila Ara‑Kovács, Carmen Avram, Adrian‑Dragoş Benea, Paolo De Castro, Estrella Dura Ferrandis, Ivo Hristov, Juozas Olekas, Marc Tarabella

 

5

-

Verts/ALE

Benoît Biteau, Martin Häusling, Tilly Metz, Bronis Ropė, Sarah Wiener

 

1

0

ID

Ivan David

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 


 

 

ADVIES VAN DE Commissie visserij (5.9.2019)

<CommissionInt>aan de Begrotingscommissie</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020</Titre>

<DocRef>(2019/2028(BUD))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Chris Davies</Depute>

 

 

 

SUGGESTIES

De Commissie visserij verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. herinnert eraan dat er passende financiële maatregelen nodig zijn om te zorgen voor een rendabele visserijsector; wijst erop dat de doelstellingen van het GVB alleen kunnen worden bereikt als er een toereikende begroting is; wijst erop dat die begroting geconcentreerd is in Afdeling III en titel 11 “Maritieme zaken en visserij”; herinnert eraan dat het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) en de verplichte bijdragen aan de regionale organisaties voor het beheer van de visserij en overeenkomsten inzake duurzame visserij het grootste deel van de begroting uitmaken;

2. benadrukt dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen milieuprioriteiten en sociaaleconomische stabiliteit om een duurzame blauwe economie tot stand te brengen, met name ten aanzien van de gemeenschappen die afhankelijk zijn van de kleinschalige kustvisserij;

3. benadrukt dat de centrale doelstellingen van het GVB de levensvatbaarheid van een sector die voor de Europese Unie van strategisch belang is, moeten afwegen tegen de noodzaak om de mariene ecosystemen in stand te houden door de ontwikkeling van een economisch en ecologisch duurzame visserij;

4. is van mening dat er grote inspanningen zijn geleverd om de goed gefundeerde wetenschappelijke kennis van de mariene biologische hulpbronnen te vergroten; wijst erop dat de kennis weliswaar is toegenomen, maar nog lang niet volstaat om een adequate evaluatie mogelijk te maken; pleit dan ook voor verhoging van de EU-middelen voor zowel internationale als lidstaatorganisaties voor wetenschappelijk onderzoek, zodat het evalueren van de visstand verder kan worden verbeterd en zodat de mariene kennis wordt vergroot, met name door onderzoek naar de effecten van de klimaatverandering en verontreiniging op de visbestanden; acht het meer in het algemeen noodzakelijk de bijdrage van de vissers aan de mariene kennis te bevorderen, met name door de financiering van meetinstrumenten aan boord;

5. wijst erop dat meer dan de helft van de in de EU toegeleverde visserijproducten afkomstig is uit internationale wateren en de exclusieve economische zones van derde landen; benadrukt dat de bevordering door de EU van duurzame visserij in de wateren van derde landen van essentieel belang is voor de EU-vloot en voor de welvaart van de kustgemeenschappen van de EU en van derde landen, voor de instandhouding van de visbestanden en het mariene milieu, voor de ontwikkeling van lokale industrieën, voor de werkgelegenheid die wordt gecreëerd door de visserij, de verwerking en de handel, en voor de bijdrage van de visserij aan de voedselzekerheid; wijst op het strategische belang van de partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij en meer in het algemeen op de externe dimensie van het GVB; is van mening dat er adequate en betrouwbare budgettaire voorzieningen in de jaarlijkse begroting voor 2020 moeten worden opgenomen en dat er niet mag worden bezuinigd op de huidige begroting, om aan de uit internationale visserijovereenkomsten voortvloeiende verplichtingen te voldoen en de deelname van de Unie aan regionale organisaties voor het beheer van de visserij te garanderen;

6. herinnert eraan dat de Europese Unie partij is bij internationale overeenkomsten zoals de Overeenkomst van Parijs en zich inzet voor de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties en met name voor doelstelling 14 inzake het behoud en duurzaam gebruik van de oceanen, de zeeën en de maritieme hulpbronnen met het oog op duurzame ontwikkeling, en dat zij de uitvoering van haar beleid en met name van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet afstemmen op de door haar gedane verbintenissen;

7. herinnert eraan dat een van de doelstellingen van het GVB erin bestaat voedselzekerheid in de Unie te helpen garanderen; herinnert eraan dat een aanzienlijk deel van de in de Unie geconsumeerde visserijproducten ingevoerde producten zijn; benadrukt dat aquacultuur een steeds belangrijker element vormt om deze doelstelling te verwezenlijken en de EU minder afhankelijk te maken van de invoer van visserijproducten;

8. wijst erop dat in de begroting 2020 bijzondere aandacht moet worden besteed aan de financiële middelen die nodig zijn om de visserijsector te ondersteunen terwijl ook de regelingen inzake de aanlandingsverplichting worden uitgevoerd;

9. wijst andermaal op het belang van de kleine ambachtelijke en kustvisserij; benadrukt dat deze sector bijna 75 % van alle in de Unie ingeschreven vissersvaartuigen en bijna de helft van de werkgelegenheid in de visserijsector vertegenwoordigt, en daarom in veel kustgemeenschappen een belangrijke factor is, niet alleen in economisch, maar ook in sociaal opzicht; merkt op dat kleinschalige kustvissers voor hun belangrijkste bron van inkomsten zijn aangewezen op gezonde visbestanden;

10. benadrukt het belang van de sociale en economische dimensie van de visserij voor plaatselijke gemeenschappen en voor bepaalde maritieme regio’s, zoals kust- en eilandregio's, die in hoge mate afhankelijk zijn van de visserij; herinnert eraan dat de visserijondernemingen in deze regio's vaak worden benadeeld doordat zij extra kosten moeten maken en te kampen hebben met permanente natuurlijke belemmeringen, en dat zij daarom met extra middelen moeten worden ondersteund;

11. verzoekt de Commissie en de lidstaten gemeenschappen die zijn aangewezen op de visserij te steunen om hun economieën om te buigen naar andere maritieme activiteiten, zoals toerisme, activiteiten tot behoud van het mariene milieu, het verzamelen van gegevens en onderzoek, of om hun visserijactiviteiten meer waarde te geven, bijvoorbeeld door aanverwante visserijgerelateerde activiteiten te stimuleren;

12. merkt op dat de goedkeuring van de huidige meerjarenplannen en de uitvoering van nieuwe technische maatregelen om bij te dragen aan het tot stand brengen van visserij op een duurzaam niveau, een degelijk controlebeleid vereisen dat adequaat gefinancierd wordt;

13. herinnert eraan dat begeleidende sociaaleconomische maatregelen bij beheersbesluiten om de visserijinspanning te verminderen van cruciaal belang zijn teneinde de duurzaamheid van de activiteiten op een adequaat niveau te handhaven;

14. herinnert eraan dat het Europees Bureau voor visserijcontrole (EBVC) een cruciale rol speelt bij de coördinatie en tenuitvoerlegging van het GVB en dat het huidige financieringsniveau daarom moet worden gehandhaafd;

15. benadrukt het probleem van plastic afval in zee; is van mening dat er extra inspanningen moeten worden geleverd en dat er voldoende middelen moeten worden vrijgemaakt voor de uitvoering van passende voorschriften voor de vermindering van de impact van plastic producten in zee;

16. wijst erop dat de huidige intentie van het Verenigd Koninkrijk om uit de Unie te treden, gevolgen zal hebben voor de tenuitvoerlegging van het EFMZV voor de periode 2014-2020; merkt op dat de brexit zou betekenen dat er maximale aandacht moet worden geschonken aan de totstandbrenging van een nieuw begrotingskader voor de periode 2021-2027; is van mening dat er een grotere mate van flexibiliteit van de EU-begroting nodig is om op een dergelijke situatie te kunnen inspelen; merkt op dat de brexit in geen geval mag leiden tot een daling van de middelen ten opzichte van het huidige EFMZV (2014-2027); verzoekt er juist om de begroting voor 2021-2027 te verhogen zodat de exploitanten de ernstige gevolgen van de brexit kunnen ondervangen;

17. wijst erop dat – zes jaar na de goedkeuring van het huidige Fonds – het uitvoeringsniveau van het EFMZV voor de periode 2014-2020 uitermate laag is en dat de Commissie en de lidstaten de beheers- en controleprocedures moeten bespoedigen en de administratieve lasten moeten verminderen om ervoor te zorgen dat de sector er op korte termijn ook werkelijk de vruchten van plukt;

18. herinnert eraan dat de financiële middelen voor de adviesraden moeten worden verhoogd gezien hun grotere inzet voor het regionaliseringsbeleid overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en gezien hun steeds prominentere plaats in de meerjarige beheersplannen en in de nieuwe verordening inzake technische maatregelen;

19. herinnert aan de rol van de vissers als “hoeders van de zee” en verzoekt de Commissie voldoende financiële middelen uit te trekken voor maatregelen ter bevordering van een combinatie van visserij- en milieubeschermende maatregelen, zoals het verzamelen van plastic op zee, het nemen van watermonsters of het aan boord hebben van onderzoekers, waardoor de gevolgen voor de bestanden verder worden beperkt.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

4.9.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

25

0

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Clara Aguilera, Christian Allard, Pietro Bartolo, Izaskun Bilbao Barandica, Rosanna Conte, Richard Corbett, Rosa D’Amato, Chris Davies, Filip De Man, Diane Dodds, João Ferreira, Søren Gade, Niclas Herbst, France Jamet, Predrag Fred Matić, Francisco José Millán Mon, Nosheena Mobarik, Grace O’Sullivan, Annie Schreijer-Pierik, Ruža Tomašić, Peter van Dalen, Theodoros Zagorakis

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Catherine Chabaud, Nicolás Gonzalez Casares, Ivo Hristov, Brian Monteith, June Alison Mummery, Manuel Pizarro, Caroline Roose, Raffaele Stancanelli, Maria Walsh

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

25

+

ECR

Nosheena Mobarik, Ruža Tomašić

ID

Filip De Man, France Jamet

NI

Rosa D'Amato, Diane Dodds

PPE

Peter van Dalen, Niclas Herbst, Francisco José Millán Mon, Annie Schreijer-Pierik, Maria Walsh, Theodoros Zagorakis

RENEW

Izaskun Bilbao Barandica, Catherine Chabaud, Chris Davies, Søren Gade

S&D

Clara Aguilera, Pietro Bartolo, Richard Corbett, Nicolás Gonzalez Casares, Ivo Hristov, Predrag Fred Matić

VERTS/ALE

Christian Allard, Grace O'Sullivan, Caroline Roose

 

0

-

 

 

 

1

0

GUE/NGL

João Ferreira

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 


 

 

ADVIES VAN DE Commissie cultuur en onderwijs (2.10.2019)

<CommissionInt>aan de Begrotingscommissie</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020 </Titre>

<DocRef>(2019/2028(BUD))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Petra Kammerevert</Depute>

 

 

 

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. herinnert eraan dat het Erasmus+-programma een strategische investering is, vooral in de jonge generatie van Europa, die onderwijs- en opleidingskansen in heel Europa steunt en bijdraagt aan meer sociale cohesie en de ontwikkeling van een Europees gevoel van verbondenheid, en dus een cruciale investering in de toekomst van de Unie vormt; wijst erop dat Erasmus+ een van de bekendste programma’s van de Unie is, en dat terwijl zijn begroting relatief klein is en 1,8 % van het huidige MFK bedraagt; wijst er nogmaals op dat een aanzienlijke verhoging van de begroting voor het Erasmus+-programma van cruciaal belang is om beter in te spelen op de grote vraag naar het programma, zoals blijkt uit de omvang van de ontvangen aanvragen, die de beschikbare financiering ruimschoots overtreft; verzoekt daarom om een verhoging met 10 % van de financiering van de ontwerpbegroting voor 2020 voor alle begrotingslijnen in het kader van Erasmus+ om de lage succespercentages te verbeteren en meer mensen de kans te geven om gebruik te maken van het programma; herhaalt de steun van het Parlement voor een verdriedubbeling van de begroting voor het Erasmus+-programma in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) en zijn voornemen om zich hard te maken voor deze verhoging;

2. is sterk gekant tegen de door de Raad voorgestelde bezuinigingen op het programma Creatief Europa, die de doelstelling ervan, namelijk de ondersteuning van de culturele en de creatieve sector van de Unie en de bevordering van een Europees gevoel van verbondenheid, sociale cohesie, banen en groei, verder zullen ondermijnen; dringt erop aan dat de financieringsniveaus aansluiten bij de ambities van het programma en herinnert eraan dat het programma chronisch te weinig financiering ontvangt; verzoekt bijgevolg om niet op de begrotingslijnen voor het programma Creatief Europa te bezuinigen, maar deze juist met 10 % te verhogen ten opzichte van de ontwerpbegroting voor 2020 teneinde de inspanningen ter versterking van de creatieve en de culturele sector te ondersteunen; herhaalt de steun van het Parlement voor een verdubbeling van de begroting voor het programma Creatief Europa in het volgende MFK en zijn voornemen om zich hard te maken voor deze verhoging; verzoekt de Commissie het meertalige aanbod van Europese hoogwaardige culturele tv-programma’s in heel Europa via het programma Creatief Europa te blijven steunen;

3. erkent dat het interinstitutioneel akkoord over de financiering van het Europees Solidariteitskorps in acht is genomen en dat er voldoende middelen zijn uitgetrokken voor de werking van het programma; stelt vast dat het onderdeel vrijwilligerswerk van het programma veel belangstelling heeft gewekt bij deelnemers en organisaties; 

4. benadrukt de waardevolle bijdrage van het programma Europa voor de burger om de burgers een beter inzicht te geven in de Unie en een gevoel van burgerschap te stimuleren; betreurt daarom de door de Raad voorgestelde bezuinigingen; verzoekt de desbetreffende begrotingslijnen te herstellen en te versterken om maatschappelijke betrokkenheid en democratische participatie te bevorderen; benadrukt dat het volgende programma Europa voor de burger in het volgende MFK voor de periode 2021-2027 adequate financiering nodig heeft, zij het in het kader van het programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden; is van mening dat Europese en mondiale burgerschapseducatie verder moet worden bevorderd teneinde de nodige informatie te verstrekken om het institutionele kader van de Unie te begrijpen en om als actief burger aan de slag te gaan met wereldwijde uitdagingen en de huidige internationale sociaal-politieke veranderingen;

5. verzoekt de Commissie in te spelen op de aandacht die is ontstaan door het Europees Jaar van het cultureel erfgoed 2018 om een coherente en duurzame langetermijnstrategie te ontwikkelen voor de bevordering en bescherming van het cultureel erfgoed in Europa, ook door middel van onderzoek, en daarvoor in 2020 en daarna de benodigde middelen toe te wijzen; verzoekt in dit verband om via de relevante MFK-programma’s specifieke middelen ter beschikking te stellen;

6. is ingenomen met het feit dat cultuur- en onderwijsgerelateerde projecten en infrastructuur worden ondersteund in het kader van een hele reeks programma’s en instrumenten van de Unie, met name de ESI-fondsen, het EFSI en Horizon 2020; verzoekt de Commissie eens te meer om coherente synergieën tussen de programma’s van de Unie — zoals Horizon 2020, de Connecting Europe Facility, Erasmus+, EaSI, Creatief Europa en Cosme, EFSI en de ESI-fondsen — te bevorderen om de steun voor projecten op het gebied van onderwijs, jeugd en sport en projecten in de culturele en de creatieve sector te versterken; benadrukt dat de synergieën niet mogen worden opgevat als een bekrachtiging door het Parlement van herschikkingen of bezuinigingen op de begroting;

7. verzoekt de Commissie ook aandacht te besteden aan de overzeese gebieden van de lidstaten, waar meer dan 5 miljoen Europese burgers wonen, aangezien de sportcomponent van het Erasmus+-programma een succes is geweest. In dit verband is er behoefte aan realistische en aangepaste begrotingslijnen in het kader van het MFK 2021-2027 voor het hoofdstuk sport, onder meer voor transnationale bijeenkomsten in het kader van het Erasmus+-sportprogramma;

8. verzoekt de Commissie haar externe communicatie en haar contacten met de burgers te verbeteren om nepnieuws en desinformatie aan te pakken en informatie over de activiteiten van de Unie te verbeteren; wijst op het belang van multimedia-acties ter bevordering van een gemeenschappelijke Europese publieke ruimte, alsook van meertaligheid; erkent dat de Europese samenlevingen behoefte hebben aan sterke en onafhankelijke journalistiek die hun informatie biedt vanuit Europees perspectief; dringt er daarom bij de Commissie op aan de ontwerpbegroting voor 2020 voor multimedia-acties zeker te stellen en te verhogen; vraagt in dit verband om een verhoging met 5 % van de begrotingslijn voor multimedia-activiteiten ten opzichte van de ontwerpbegroting voor 2020, om het cruciale werk van Euranet Plus voor de rest van het MFK zeker te stellen; dringt er tegelijkertijd bij de Commissie op aan om de transparantie en verantwoordingsplicht bij het gebruik van de begroting voor multimedia-acties te vergroten, met name door het creëren van specifieke begrotingslijnen voor de verschillende acties, en om de begroting voor multimedia-acties volledig te evalueren;

9. is gealarmeerd over de conclusies van de snelle evaluatie van de Europese Rekenkamer over Euronews, waarin wordt benadrukt dat Euronews nu voor 85 % eigendom is van particuliere investeerders en slechts voor 15 % van omroepen en lokale overheden binnen en buiten de Unie, dat er bij de financiële ondersteuning van Euronews door de Unie sprake is van een gebrek aan transparantie en verantwoording, dat de mechanismen voor monitoring en evaluatie onvoldoende degelijk zijn en dat Euronews voor de meeste burgers in de Unie niet toegankelijk is; is met name bezorgd over de bevinding dat er, na de herziening in 2018 van het Financieel Reglement, waarbij de verwijzing naar het begrip “organisaties die een algemeen belang van de Unie nastreven” is geschrapt, subsidies aan Euronews worden toegekend op grond van de punten c) en f), van de eerste alinea van artikel 195 van het Financieel Reglement (organen met een feitelijke monopoliepositie/met specifieke technische vakkennis) en niet op grond van artikel 180 (acties die beogen bij te dragen tot de verwezenlijking van een beleidsdoelstelling van de Unie/organen die een in het kader en ter ondersteuning van het beleid van de Unie passende doelstelling nastreven), wat betekent dat Euronews niet langer een algemeen belang van de Unie nastreeft; dringt er, in het licht van de bovenstaande overwegingen, bij de Commissie op aan te antwoorden op alle door de Rekenkamer geuite zorgen in het kader van haar toezicht op de aan Euronews toegewezen middelen, en zijn aanpak van de samenwerking met Euronews te heroverwegen; verzoekt voorts, indien het raamcontract met Euronews na 2020 wordt verlengd, dat de looptijd van het contract niet langer is dan twee jaar; moedigt de Commissie bovendien aan om nieuwe manieren te overwegen om onafhankelijke en uitgebreide informatie over Europese zaken te verstrekken aan de Europese kijkers, waarbij rekening moeten worden gehouden met nieuwe technologische ontwikkelingen en veranderingen in de consumentengewoonten; verzoekt de Commissie daarom te investeren in een gediversifieerde mix van informatie-instrumenten die Euronews zouden kunnen omvatten;

10. wijst op het potentieel van proefprojecten en voorbereidende acties (PPPA’s); betreurt het dat de voorafgaande beoordeling van PPPA’s door de Commissie de adviserende commissies van het Europees Parlement zeer weinig tijd laat om aandacht te besteden aan de beoordelingen en opmerkingen; betreurt het bovendien dat de beoordelingen en opmerkingen van de Commissie in sommige gevallen niet geheel objectief zijn en beïnvloed lijken te zijn door institutionele of persoonlijke voorkeuren; herinnert eraan dat het niet goedkeuren van een PPPA binnen de Commissie nooit een reden kan zijn voor een lage beoordelingsgraad; verzoekt de Commissie daarom te overwegen de procedure voor de voorafgaande beoordeling te herzien teneinde de EP-commissies voldoende tijd te geven om de resultaten van de voorafgaande beoordelingen door de Commissie te onderzoeken; verzoekt de Commissie voorts feedback te geven over de uitvoering van de PPPA’s van de EP-commissies, met de nadruk op succesvolle en niet-succesvolle projecten;


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

1.10.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

25

4

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Asim Ademov, Isabella Adinolfi, Christine Anderson, Andrea Bocskor, Judith Bunting, Gianantonio Da Re, Laurence Farreng, Claire Fox, Romeo Franz, Catherine Griset, Irena Joveva, Petra Kammerevert, Niyazi Kizilyürek, Ryszard Antoni Legutko, Predrag Fred Matić, Dace Melbārde, Shaffaq Mohammed, Niklas Nienaß, Peter Pollák, Domènec Ruiz Devesa, Andrey Slabakov, Massimiliano Smeriglio, Michaela Šojdrová, Sabine Verheyen, Julie Ward, Salima Yenbou, Milan Zver

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Isabel Benjumea Benjumea, Ibán García Del Blanco, Iuliu Winkler

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

25

+

ECR

Ryszard Antoni Legutko, Dace Melbārde, Andrey Slabakov

GUE/NGL

Niyazi Kizilyürek

NI

Isabella Adinolfi

PPE

Asim Ademov, Isabel Benjumea Benjumea, Andrea Bocskor, Peter Pollák, Michaela Šojdrová, Sabine Verheyen, Iuliu Winkler, Milan Zver

RENEW

Judith Bunting, Laurence Farreng, Irena Joveva, Shaffaq Mohammed

S&D

Ibán García Del Blanco, Petra Kammerevert, Predrag Fred Matić, Massimiliano Smeriglio, Julie Ward

VERTS/ALE

Romeo Franz, Niklas Nienaß, Salima Yenbou

 

4

-

ID

Christine Anderson, Gianantonio Da Re, Catherine Griset

NI

Claire Fox

 

1

0

S&D

Domènec Ruiz Devesa

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding


 

 

ADVIES VAN DE Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (9.9.2019)

<CommissionInt>aan de Begrotingscommissie</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020</Titre>

<DocRef>(2019/2028(BUD))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Gwendoline Delbos‑Corfield</Depute>

 

 

 

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. stelt vast dat de vastleggingskredieten voor het AMIF in totaal met 15,4 % (d.w.z. met 172 miljoen EUR) zijn verlaagd ten opzichte van 2019; betreurt dat de vastleggingskredieten voor de versterking en ontwikkeling van het CEAS en een betere verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de lidstaten zijn verlaagd (namelijk met 29,5 %) ten opzichte van 2019; stelt evenwel vast dat de vastleggingskredieten nog steeds ver boven het niveau van de begroting 2018 liggen en is zich ervan bewust dat de daling, althans ten dele, verband houdt met het feit dat de hervorming van de Dublinverordening is geblokkeerd door politieke inertie in de Raad; herinnert eraan dat het van belang is hoge asielnormen in de Unie te garanderen en te zorgen voor voldoende financiële capaciteit om de opvang, huisvesting en integratie van asielzoekers en migranten in de lidstaten te ondersteunen, voor doeltreffende terugkeerstrategieën, hervestigingsprogramma’s, een doeltreffende behandeling van asielaanvragen, de handhaving van besluiten over asielaanvragen en een antwoord op de behoefte aan noodhulp van lidstaten die grote aantallen asielzoekers en/of nieuwkomers opvangen; merkt op dat in de begroting van het AMIF geen financiële reserves zijn opgenomen ter financiering van de hervormde Dublin-wetgeving en de nieuwe hervestigingsregelingen van de Unie voor het geval dat die wetgeving in 2020 wordt aangenomen; stelt voor om een bedrag in de reserve op te nemen voor tijdelijke regelingen om mensen die op de Middellandse Zee worden gered, in de Unie aan land te brengen en te herplaatsen; stelt, om financiële middelen vrij te maken, voor dat het EU-trustfonds voor Afrika en de regionale ontwikkelings- en beschermingsprogramma’s voor Noord-Afrika, die in de eerste plaats het externe beleid van de Unie ondersteunen, worden gefinancierd uit rubriek IV van de Uniebegroting (Europa als wereldspeler) in plaats van door het AMIF uit rubriek III (Veiligheid en burgerschap); herinnert eraan dat de samenhang tussen de acties in het kader van rubriek III en rubriek IV moet worden gewaarborgd;

2. verzoekt de Commissie het aantal begrotingslijnen in het kader van het AMIF te vergroten met het oog op meer transparantie over de wijze waarop de financiële middelen van het fonds worden toegewezen aan de verschillende doelstellingen van het fonds; vraagt met name dat er een duidelijke scheiding wordt aangebracht tussen uitgaven voor de bevordering van billijke terugkeerstrategieën en uitgaven voor legale migratie en de bevordering van daadwerkelijke integratie van onderdanen van derde landen;

3. herinnert eraan dat er voldoende middelen uit de EU-begroting moeten worden toegewezen om de externe dimensie van migratie te versterken en een adequate bescherming van de buitengrenzen van de Unie te waarborgen;

4. wijst op het lage bedrag voor noodhulp dat in het kader van het ISF is uitgetrokken (8,5 miljoen EUR); verzoekt de Commissie dit bedrag zorgvuldig en op meer realistische wijze te herzien, rekening houdend met de eventuele behoeften van lidstaten aan noodhulp in het kader van het ISF, bijvoorbeeld voor het beheer van veiligheidsgerelateerde incidenten;

5. dringt aan op meer financiële middelen voor het programma “Europa voor de burger”, gezien de fundamentele rol die het speelt bij het versterken van de Europese demos en het Europees burgerschap;

6. neemt nota van de verhogingen van de vastleggingskredieten voor JBZ-agentschappen zoals het EASO (41,5 %), de Europese grens- en kustwacht (34,6 %), Cepol (14 %), het EWDD (7,7 %), het FRA (5,4 %), Eurojust (5,2 %) en Europol (2,1 %) ten opzichte van de begroting 2019; is verheugd over de algemene verhoging van de middelen die beschikbaar zijn in het kader van het programma “Justitie”; betreurt echter dat de vastleggingskredieten voor het onderdeel “Vergemakkelijken en ondersteunen van justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken” zijn verlaagd (namelijk met 23,6 %);

7. stelt vast dat de begroting van de Europese grens- en kustwacht in 2020, na de goedkeuring van zijn nieuwe mandaat, met 34,8 % is gestegen (d.w.z. 108 miljoen EUR), wat veruit de grootste stijging is van alle JBZ-agentschappen; herinnert eraan dat de Rekenkamer in het kader van de kwijting voor de uitvoering van de begroting 2017 heeft vastgesteld dat de lidstaten de financiële behoefte van de Europese grens- en kustwacht in 2017 te hoog hebben ingeschat; neemt kennis van de doelstelling om de Europese grens- en kustwacht meer personele middelen ter beschikking te stellen (10 000 grenswachten tegen 2027) en van het feit dat het aantal doden op zee blijft toenemen omdat er op de Middellandse Zee geen middelen voor opsporing en redding beschikbaar zijn; stelt voor om deze extra middelen ook te gebruiken om levens te redden op zee; vraagt de Commissie met spoed een fonds ter ondersteuning van opsporings- en reddingsoperaties op te richten om een sterke aanwezigheid van opsporings- en reddingsdiensten op de Middellandse Zee te garanderen; betreurt het opvallende verschil tussen de vastleggingskredieten die in 2020 aan de Europese grens- en kustwacht zijn toegewezen (420 miljoen EUR) en het bedrag dat aan het EASO is toegekend (133 miljoen EUR); vraagt dat het EASO wordt omgevormd tot een volwaardig gedecentraliseerd agentschap van de Unie met een sterk uitgebreid mandaat, en is van mening dat de begroting en het personeelsbestand van het EASO moeten worden uitgebreid om het agentschap in staat te stellen de taken die het heeft gekregen, naar behoren uit te voeren; stelt vast dat de vastleggingskredieten voor het ISF met 6,1 % (d.w.z. 32,6 miljoen EUR) zijn verlaagd ten opzichte van 2019; herinnert eraan dat er steun moet worden verleend op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken;

 8. is ingenomen met de verhoging van de vastleggingskredieten voor het EOM (70,5 %); herinnert eraan dat het EOM een belangrijke rol speelt bij het onderzoeken en vervolgen van fraude met middelen van de Unie en dat het voldoende financiële middelen moet krijgen zodat het vóór december 2020 volledig operationeel wordt; verzoekt de Commissie nader in te gaan op de financiële behoeften met het oog een uitbreiding van de rol van het EOM tot grensoverschrijdend terrorisme, in overeenstemming met haar mededeling van 12 september 2018;

9. betreurt dat de Commissie de begrotingsverzoeken van Europol en Eurojust niet heeft ingewilligd en heeft voorgesteld om de toewijzingen voor Europol en Eurojust in 2020 met respectievelijk 33,5 miljoen en 3,7 miljoen EUR te verlagen ten opzichte van hun financiële doelstellingen; onderstreept dat zo’n verlaging gevolgen kan hebben voor de operationele activiteiten van beide agentschappen; merkt op dat de steun van Europol van cruciaal belang is geweest bij gezamenlijke onderzoeken in de Unie en een sleutelrol speelt bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit; steunt de uitvoering van de strategie 2020+ van Europol, die tot doel heeft de operationele steun en de analytische capaciteit van Europol te versterken ten bate van de lidstaten, en stelt voor om nieuwe investeringen te doen in de bestrijding van belangrijke soorten criminaliteit zoals drugshandel en financiële criminaliteit; merkt op dat de verlaging van de vastleggingskredieten voor eu‑LISA met 18,7 % (d.w.z. met 55 miljoen EUR) overeenkomt met het einde van de ontwikkeling van het inreis-uitreissysteem; herhaalt dat er in voldoende financiële steun, personeel en personeelsopleiding moet worden voorzien opdat de JBZ-agentschappen de hun toegewezen taken effectief en op volledig transparante wijze kunnen vervullen en ernstige grensoverschrijdende criminaliteit kunnen bestrijden met volledige inachtneming van de grondrechten;

10. is ingenomen met het bedrag dat aan de EDPS is toegewezen (19 miljoen EUR); merkt op dat meer dan 30 % van dit bedrag wordt gebruikt om het secretariaat van het EDBP te verzorgen; benadrukt dat de EDPS over adequate begrotings- en personele middelen moet beschikken om de extra taken die uit de tenuitvoerlegging van het nieuwe gegevensbeschermingskader van de Unie (GDPR) voortvloeien, op volledig onafhankelijke wijze te kunnen vervullen; benadrukt dan ook dat de toegewezen begroting het absolute minimum is;

11. vreest dat de ontwerpbegroting van de Commissie voor het Cepol (een financieringstekort van 1,5 miljoen EUR) het Cepol niet in staat stelt om in voldoende mate te voorzien in de behoefte van de lidstaten aan onderwijs en opleiding voor de rechtshandhavingsinstanties in de Unie en haar buurlanden; betreurt dat het Cepol onvoldoende financiële middelen krijgt om nieuwe uitdagingen in verband met de nieuwe informatiesystemen zoals SIS II aan te gaan, en dat het rechtshandhavingsfunctionarissen geen opleidingen kan geven op gebieden als corruptie en accijnsfraude, terwijl uit de evaluatie van de behoefte aan strategische opleidingen van de EU is gebleken dat dergelijke opleidingen noodzakelijk zijn voor de rechtshandhaving op het niveau van de Unie; zo heeft Cepol 54 geldige en legitieme verzoeken van de lidstaten om opleidingen in leiderschap op het gebied van rechtshandhaving, illegale immigratie, haatdelicten en witwaspraktijken moeten afwijzen wegens budgettaire beperkingen; stelt dat de begrotingsmiddelen waarom het Cepol (12 miljoen EUR) voor 2020 verzoekt, nodig zijn om te kunnen voldoen aan de toenemende vraag van de lidstaten, met name op het gebied van cybercriminaliteit en digitalisering; wijst erop dat het vertrouwen, de netwerken en de informatie-uitwisseling tussen rechtshandhavingsinstanties over de grenzen heen verder zouden kunnen worden verbeterd door aan het huidige uitwisselingsprogramma van het Cepol een nieuwe component van één maand toe te voegen en door studiebezoeken aan Europol en uitwisselingsprogramma’s tussen operationele functionarissen van de lidstaten en personeel van Europol aan te bieden; wijst er evenwel op dat het Cepol daartoe extra financiële en personele middelen nodig heeft;

12. stelt vast dat er bij de agentschappen van de Unie steeds vaker “tijdelijke functionarissen” worden aangeworven in plaats van “arbeidscontractanten”; is van mening dat er, omdat het personeel van de JBZ-agentschappen toegang heeft tot gevoelige informatie, een strikt vertrouwelijkheidsbeleid nodig is, in het bijzonder wat aanwerving en personeelsbeheer betreft;

13. moedigt de Commissie aan om via speciale fondsen meer steun te verlenen voor onderzoeksjournalistiek – met inbegrip van grensoverschrijdende onderzoeksjournalistiek – en mediavrijheid, die onder meer helpen om criminaliteit aan het licht te brengen en te bestrijden en de EU-burgers beter bewust te maken;

14. spreekt nogmaals zijn steun uit voor de bestrijding van discriminerende praktijken, gendergerelateerd geweld en haatdelicten en voor de programma’s inzake de volledige uitoefening van rechten, gelijkheid en justitie; benadrukt dat de vastleggingen voor non-discriminatie-instrumenten en programma’s ter bevordering van gelijkheid een belangrijke rol spelen als het erop aankomt de rechten van minderheden te handhaven, met bijzondere aandacht voor de rechten van vrouwen, ouderen, personen met een handicap en de LGBTQI+-gemeenschap;

15. verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten genderbudgettering toe te passen op alle overheidsuitgaven, met name bij de planning van, de onderhandelingen over en de uitvoering en herbeoordeling van het volgende meerjarig financieel kader (MFK); vindt de toezegging om ervoor te zorgen dat gendergelijkheid en de rechten van vrouwen en meisjes in de begrotingsprocedure voor 2020 wordt bevorderd en beschermd, van cruciaal belang; is daarom van mening dat genderbudgettering in alle begrotingslijnen moet worden geïntegreerd en rekening moet houden met: 1) de bevordering van verantwoordingsplicht en transparantie bij de begrotingsplanning, 2) meer genderresponsieve participatie in het begrotingsproces, en 3) de bevordering van gendergelijkheid en vrouwenrechten;

16. vraagt dat er duurzame en toereikende financiering wordt gereserveerd voor maatregelen met het oog een effectieve tenuitvoerlegging van het Verdrag van Istanbul en de richtlijn inzake de rechten van slachtoffers, omdat dit essentiële wetgevingsteksten zijn om geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te bestrijden en slachtoffers de nodige steun te verlenen, en omdat ze een alomvattend wettelijk kader vormen en een alomvattende aanpak bieden om gendergerelateerd geweld tegen te gaan, bewustmakingscampagnes op te zetten en een behoorlijke overheidsinfrastructuur ter bestrijding van dergelijk geweld op te zetten;

17. betreurt dat er sinds 2015 geen merkbare vooruitgang is geboekt als het erom gaat de politieke en juridische toezeggingen op hoog niveau van de Unie inzake gendergelijkheid en gendermainstreaming waar te maken in het begrotingsproces en besluiten over uitgaven, hetgeen ook blijkt uit het feit dat noch bij de tussentijdse herziening van het MFK voor 2014-2020, noch in het voorstel van de Commissie voor de periode 2021-2027 rekening is gehouden met gendergelijkheid.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.9.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

46

10

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Malik Azmani, Katarina Barley, Pernando Barrena Arza, Pietro Bartolo, Vladimír Bilčík, Vasile Blaga, Saskia Bricmont, Jorge Buxadé Villalba, Damien Carême, Caterina Chinnici, Clare Daly, Anna Júlia Donáth, Lena Düpont, Cornelia Ernst, Sylvie Guillaume, Balázs Hidvéghi, Antony Hook, Evin Incir, Sophia in ‘t Veld, Marina Kaljurand, Fabienne Keller, Peter Kofod, Moritz Körner, Alice Kuhnke, Jeroen Lenaers, Juan Fernando López Aguilar, Magid Magid, Roberta Metsola, Claude Moraes, Nadine Morano, Javier Moreno Sánchez, Maite Pagazaurtundúa, Kostas Papadakis, Nicola Procaccini, Paulo Rangel, Terry Reintke, Ralf Seekatz, Michal Šimečka, Birgit Sippel, Sylwia Spurek, Tineke Strik, Ramona Strugariu, Annalisa Tardino, Dragoş Tudorache, Milan Uhrík, Tom Vandendriessche, Bettina Vollath, Jadwiga Wiśniewska, Javier Zarzalejos

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Bartosz Arłukowicz, Gwendoline Delbos-Corfield, Claire Fox, Raphaël Glucksmann, Lívia Járóka, Kris Peeters, Anne-Sophie Pelletier, Sabrina Pignedoli, Loránt Vincze, Maria Walsh, Juan Ignacio Zoido Álvarez

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

46

+

NI

Sabrina Pignedoli

PPE

Bartosz Arłukowicz, Vladimír Bilčík, Vasile Blaga, Lena Düpont, Balázs Hidvéghi, Lívia Járóka, Jeroen Lenaers, Roberta Metsola, Kris Peeters, Paulo Rangel, Ralf Seekatz, Loránt Vincze, Maria Walsh, Javier Zarzalejos, Juan Ignacio Zoido Álvarez

RENEW

Malik Azmani, Anna Júlia Donáth, Antony Hook, Sophia in 't Veld, Fabienne Keller, Moritz Körner, Maite Pagazaurtundúa, Michal Šimečka, Ramona Strugariu, Dragoş Tudorache

S&D

Katarina Barley, Pietro Bartolo, Caterina Chinnici, Raphaël Glucksmann, Sylvie Guillaume, Evin Incir, Marina Kaljurand, Juan Fernando López Aguilar, Claude Moraes, Javier Moreno Sánchez, Birgit Sippel, Sylwia Spurek, Bettina Vollath

VERTS/ALE

Saskia Bricmont, Damien Carême, Gwendoline Delbos-Corfield, Alice Kuhnke, Magid Magid, Terry Reintke, Tineke Strik

 

10

-

GUE/NGL

Pernando Barrena Arza, Clare Daly, Cornelia Ernst, Anne-Sophie Pelletier

ID

Peter Kofod, Annalisa Tardino, Tom Vandendriessche

NI

Claire Fox, Kostas Papadakis, Milan Uhrík

 

4

0

ECR

Jorge Buxadé Villalba, Nicola Procaccini, Jadwiga Wiśniewska

PPE

Nadine Morano

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


 

 

ADVIES VAN DE Commissie constitutionele zaken (4.9.2019)

<CommissionInt>aan de Begrotingscommissie</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020 </Titre>

<DocRef>(2019/2028(BUD))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Antonio Tajani</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. is ingenomen met de voorgestelde verhoging van de financiering voor communicatieactiviteiten, namelijk een verhoging van 1,9 % aan vastleggingskredieten en van 2,2 % aan betalingskredieten ten opzichte van de begroting 2019; is van mening dat de communicatie met de burger moet worden bevorderd om een breed publiek debat en deelname van burgers aan de discussie over de toekomst van Europa te waarborgen; herinnert eraan dat soortgelijke activiteiten op het gebied van burgerraadpleging die reeds hebben plaatsgevonden in EU-lidstaten vruchten hebben afgeworpen;

2. is daarom verheugd over de voorgestelde verhoging van de financiering voor de communicatie door de vertegenwoordigingen van de Commissie, burgerdialogen en partnerschapsacties, namelijk een verhoging van 8,8 % aan vastleggingskredieten en van 7,9 % aan betalingskredieten; betreurt echter het voorstel van de Raad om de financiering voor communicatieactiviteiten te verlagen;

3. benadrukt dat de inspanningen ter bestrijding van nepnieuws en desinformatie moeten worden voortgezet met passende financiering voor deze activiteiten, terwijl tegelijk moet worden gezorgd voor een adequate interinstitutionele samenwerking;

4. is ingenomen met de voorgestelde verhoging van 3,1 % aan vastleggingskredieten, maar betreurt de verlaging van 3,8 % aan betalingskredieten voor het programma “Europa voor de burger” (begrotingslijn 18 04 01 01); verwerpt het voorstel van de Raad om de vastleggingskredieten hiervoor met 4,4 % te verlagen, aangezien dit programma van essentieel institutioneel belang is voor de bevordering van een democratische Unie; is verheugd over de verhoging van 5,3 % aan vastleggingskredieten en van 21,3 % aan betalingskredieten voor het programma “Rechten, gelijkheid en burgerschap” (begrotingslijn 33 02 01), maar betreurt het voorstel van de Raad om de vastleggingskredieten met 3,5 % te verlagen; is ingenomen met het feit dat er een specifiek bedrag is uitgetrokken voor het begrotingsonderdeel voor het Europees burgerinitiatief (EBI);

5. benadrukt dat het gezamenlijke secretariaat van het transparantieregister moet worden voorzien van voldoende en passende administratieve en financiële middelen om zijn taken uit te voeren, aangezien het een cruciale rol speelt in het waarborgen van eerlijke en transparante activiteiten van belangenvertegenwoordigers;

6. verzoekt de Commissie de nodige voorstellen te doen voor de financiering van de voorgestelde conferentie over de toekomst van Europa; wijst erop dat de conferentie met de nodige autonomie moet kunnen functioneren en dat het Europees Parlement er op gelijke voet met de andere Europese instellingen bij moet worden betrokken; benadrukt voorts dat de conferentie de deelname en betrokkenheid van een brede groep burgers, waaronder jongeren, mogelijk moet maken;

7. is van mening dat de EU onder de burgers meer kennis van en vertrouwen in de EU‑begroting en de meerwaarde ervan moet opbouwen door bij elk nieuw programma en elke nieuwe taak een begrotingsanalyse te maken van de op nationaal niveau te verwachten besparingen en de op EU-niveau te realiseren meerwaarde; meent dat op deze manier steun van de EU-burgers en de lidstaten gewonnen kan worden, de instelling ten aanzien van bijdragen aan de EU-begroting kan veranderen en een bijdrage kan worden geleverd ter bevordering van het Europese project.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.9.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Martina Anderson, Gerolf Annemans, Catherine Bearder, Gabriele Bischoff, Damian Boeselager, Richard Corbett, Pascal Durand, Daniel Freund, Charles Goerens, Maria Grapini, Brice Hortefeux, Laura Huhtasaari, Giuliano Pisapia, Paulo Rangel, Antonio Maria Rinaldi, Domènec Ruiz Devesa, Antonio Tajani, László Trócsányi, Guy Verhofstadt, Loránt Vincze

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Vladimír Bilčík, Gwendoline Delbos-Corfield, Othmar Karas, Miapetra Kumpula-Natri

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

21

+

GUE/NGL

Martina Anderson

PPE

Vladimír Bilčík, Brice Hortefeux, Othmar Karas, Paulo Rangel, Antonio Tajani, László Trócsányi, Loránt Vincze

RENEW

Catherine Bearder, Pascal Durand, Charles Goerens, Guy Verhofstadt

S&D

Gabriele Bischoff, Richard Corbett, Maria Grapini, Miapetra Kumpula Natri, Giuliano Pisapia, Domènec Ruiz Devesa

VERTS/ALE

Damian Boeselager, Gwendoline Delbos-Corfield, Daniel Freund

 

3

-

ID

Gerolf Annemans, Laura Huhtasaari, Antonio Maria Rinaldi

 

0

0

 

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


 

 

ADVIES VAN DE Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (2.10.2019)

<CommissionInt>aan de Begrotingscommissie</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020 </Titre>

<DocRef>(2019/2028(BUD))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Frances Fitzgerald</Depute>

 

 

 

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat de Unie onder andere gestoeld is op de waarde van gelijkheid van mannen en vrouwen; overwegende dat in artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaald is dat de Unie er bij elk optreden naar moet streven de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, en dat gendergelijkheid bijgevolg deel moet uitmaken van alle beleidsterreinen, en op alle niveaus van het begrotingsproces aan de orde moet worden gesteld door middel van gendermainstreaming en genderbudgettering; overwegende dat het waarborgen van de samenhang tussen de interne begrotings- en kwijtingsprocedures en de externe acties op het gebied van de bevordering van gendergelijkheid essentieel is voor de geloofwaardigheid van het Parlement en de andere instellingen van de Unie;

B. overwegende dat begrotingen niet genderneutraal zijn en dus moeten worden opgesteld met het duidelijke doel om discriminatie te bestrijden en beide seksen in gelijke mate te bevoordelen; 

C. overwegende dat de Unie zich ertoe heeft verbonden de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, waaronder doelstelling 5 inzake gendergelijkheid, te verwezenlijken;

D. overwegende dat het Parlement herhaaldelijk heeft aangedrongen op voldoende financiering voor het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap, en heeft gevraagd zo veel mogelijk nadruk te blijven leggen op de Daphne-doelstelling daarvan; overwegende dat het Parlement heeft aangedrongen op de voortzetting van alle maatregelen ter bestrijding van geweld tegen vrouwen, met een onafhankelijke voor dit doel bestemde begrotingstoewijzing, ook in het programma Rechten en waarden voor het volgende meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027;

E. overwegende dat vrouwen nog altijd ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt en in het openbare en politieke leven en verhoudingsgewijs veel meer tijd dan mannen besteden aan onbetaald huishoudelijk werk en zorg;

F. overwegende dat het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor 2020 tot doel heeft strategische investeringen en duurzame groei te blijven ondersteunen, teneinde de economische samenhang te verbeteren en werkgelegenheid te creëren, met name voor jongeren, ouderen en personen met een handicap; overwegende dat het in dit verband ook van belang is nadruk te leggen op het verkleinen van het verschil in arbeidsparticipatie en de loonkloof tussen mannen en vrouwen en op het verhogen van de arbeidsparticipatie van vrouwen, met inbegrip van LGBTI-vrouwen, door maatregelen te nemen zoals het investeren in infrastructuur en overheidsdiensten ter bevordering van het evenwicht tussen werk en privéleven en het ondersteunen van het potentieel van vrouwen in leidinggevende functies en in alle economische sectoren, waaronder de digitale economie, informatie- en communicatietechnologie (ICT) en wetenschap, technologie, techniek en wiskunde (STEM);

G. overwegende dat de digitalisering een substantieel effect heeft op de arbeidsmarkt, onder meer door nieuwe arbeidskansen en flexibeler arbeidsomstandigheden te creëren, zoals telewerken, dat een instrument zou kunnen zijn voor het bereiken van een beter evenwicht tussen beroeps- en huishoudelijke taken voor zowel vrouwen als mannen;

H. overwegende dat gendergelijkheid een kerndoelstelling van de Unie is, maar dat er nog steeds sprake is van een ernstig tekort aan financiële middelen: overwegende dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid in 2019 heeft vastgesteld dat slechts 1 % van de structuur- en investeringsfondsen van de Unie in het kader van de EU-begroting 2020 voor de bevordering van gendergelijkheid is gereserveerd; overwegende, echter, dat ongelijkheid en discriminatie op grond van geslacht enorme economische kosten met zich meebrengen voor zowel vrouwen als de samenleving; overwegende dat de Wereldbank schat dat ongeveer 145 biljoen EUR aan menselijk kapitaal verloren gaat als gevolg van de ongelijke beloning van mannen en vrouwen; overwegende dat alleen al in Engeland en Wales huiselijk geweld ongeveer 33 miljard dollar aan kosten per jaar veroorzaakt, volgens UN Women in 2016;

1. herhaalt zijn dringende verzoek om de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen, door gebruik te maken van gendergelijkheidsmainstreaming en genderbudgettering op alle niveaus in de begrotingsprocedure, ook bij het afronden van de onderhandelingen voor het nieuwe MFK, en door begrotingsuitgaven in te zetten als een effectief instrument om de bestaande ongelijkheden aan te pakken en de gelijkheid van vrouwen en mannen, met inbegrip van LGBTI-personen, te bevorderen; herinnert eraan dat genderbudgettering een methode is die moet worden toegepast in alle begrotingsonderdelen van de Unie; herinnert aan het belang van een verhoging van de middelen voor gendergelijkheid om aanzienlijke vooruitgang te kunnen boeken, en aan de noodzaak van een betere verstrekking van en een beter toezicht op de financiering van de Unie in dit verband, met name in het geval van lidstaten die de rechtstaat schenden en de rechten van de vrouw terugdraaien;

2. benadrukt dat genderbudgettering een integraal deel van de begrotingsprocedure moet uitmaken in alle begrotingslijnen, en niet alleen in programma’s waarin het gendereffect het duidelijkst is, zodat de begrotingsuitgaven een efficiënt instrument worden om gendergelijkheid te bevorderen;

3. herinnert eraan dat genderbudgettering onderdeel uitmaakt van een ruimere strategie voor gendermainstreaming en wijst erop dat het van groot belang is om gendermainstreaming in alle fasen van de beleidscyclus toe te passen;

4. herinnert eraan dat voor de toepassing van genderbudgettering onder meer aparte begrotingsonderdelen voor gerichte acties, gekoppeld aan doelstellingen inzake gendergelijkheid, ingevoerd moeten worden; herhaalt daarom zijn verzoek om te voorzien in een aparte begrotingslijn voor de doelstelling in het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap ter bevordering van gendergelijkheid en gendermainstreaming;

5. betreurt de tendens van de laatste jaren om te bezuinigen op de middelen van de Unie ter bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes; herhaalt zijn oproep tot een verhoging van de middelen voor de Daphne-doelstelling van het huidige programma Rechten, gelijkheid en burgerschap, en vraagt een soortgelijke verhoging te handhaven in het programma Rechten en waarden; vraagt om in het kader van de effectieve tenuitvoerlegging van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te voorzien in voldoende financiering voor maatregelen ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes, met inbegrip van vrouwelijke genitale verminking, en mensenhandel, met name mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting; roept de Commissie op tot het ondersteunen van programma’s en maatregelen die specifiek gericht zijn op de bestrijding van intimidatie, met inbegrip van seksuele intimidatie;

6. roept de lidstaten op om onverwijld het Verdrag van Istanboel inzake de voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te ratificeren, met name gezien de rol van dit verdrag bij de bescherming van vrouwen en meisjes tegen geweld en de economische gevolgen daarvan voor de slachtoffers en de samenleving; roept op tot inzet van middelen van de relevante fondsen van de Unie voor hulp bij de voorbereiding of voortgezette inspanningen voor de uitvoering van het Verdrag van Istanboel in de lidstaten;

7. benadrukt de noodzaak om in het programma dat het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap in de volgende MFK-periode zal vervangen alle maatregelen voort te zetten die gericht zijn op het voorkomen en bestrijden van alle vormen van geweld tegen vrouwen, met een onafhankelijke begrotingstoewijzing voor de bestrijding van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en bijzondere aandacht voor de bestrijding van mensenhandel, seksuele uitbuiting, de cultuur van eerwraak en eergerelateerd geweld;

8. beklemtoont dat er meer specifieke financiering nodig is ter ondersteuning van kwetsbare vrouwen en meisjes in onze samenleving, met name vrouwen met een handicap, vrouwelijke vluchtelingen en slachtoffers van mensenhandel en misbruik; steunt in dit verband een verhoging van zowel de vastleggings- als de betalingskredieten voor de twee onderdelen van het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap;

9. benadrukt dat meer begrotingsmiddelen moeten worden uitgetrokken ter ondersteuning van de toegang van vrouwen tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg en rechten, zowel binnen als buiten de Unie, aangezien deze toegang steeds meer in gevaar komt;

10. roept de Unie op om vrouwenrechtenorganisaties en -activisten en hun werk te steunen en ervoor te zorgen dat zij sterker vertegenwoordigd worden bij de Europese besluitvormingsprocessen;

11. herhaalt zijn verzoek om meer middelen uit de structuurfondsen van de Unie te bestemmen voor de bescherming van de economische en sociale rechten van vrouwen, met name door maatregelen te financieren om de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te vergroten en door te investeren in hoogwaardige openbare zorgdiensten;

12. benadrukt het belang van het gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen, met name het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Europees Sociaal Fonds (ESF), om de werkgelegenheid voor vrouwen te bevorderen, onder meer door het financieren van kwalitatief hoogwaardige en betaalbare zorgfaciliteiten;

13. verzoekt om begrotingstoewijzingen ter ondersteuning van ondernemerschap en de economische onafhankelijkheid van vrouwen en ter waarborging en stimulering van de toegang van vrouwen tot gespecialiseerde beroepsopleidingen, betaalbare leningen en aandelenfinanciering door middel van programma’s en fondsen van de Unie, zoals COSME, Horizon 2020 en het ESF, teneinde de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, met name alleenstaande moeders, zorgverleners en vrouwen die na een lange pauze opnieuw op de arbeidsmarkt komen, te maximaliseren en hun inzetbaarheid te vergroten; roept er in verband met deze fondsen, waarvoor in voldoende middelen moet worden voorzien, toe op om de bevordering van gendergelijkheid te ondersteunen door middel van onderwijs en gezondheidszorg en een sterkere integratie van het genderperspectief, en om ernaar te streven elk programma gericht te laten zijn op gendergelijkheid;

14. neemt met bezorgdheid kennis van het geringe aantal vrouwelijke studenten dat ICT-gerelateerde vakken studeert en herhaalt dat de door de Commissie voorgestelde kredieten op dat gebied moeten worden hersteld; voegt daaraan toe dat er, om de digitale genderkloof te dichten, voldoende financiële middelen moeten worden uitgetrokken om het onderwijs te verbeteren, vrouwelijke ondernemers in de digitale sector te ondersteunen en bewustmakingscampagnes op te zetten;

15. benadrukt de noodzaak om de digitale kloof tussen vrouwen en mannen, die tot grote verschillen op de arbeidsmarkt leidt, te dichten door middelen te reserveren voor onderwijs en opleiding en steun voor zelfstandig werkzame vrouwen;

16. benadrukt dat middelen gereserveerd moeten worden om de belangstelling van vrouwen voor de digitale economie en sectoren zoals ICT en STEM te stimuleren en hen in dit verband te ondersteunen;

17. benadrukt het belang van passende financiële verbintenissen voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief om de bijzonder hoge jeugdwerkloosheidscijfers te bestrijden; roept op toe te zien op een gelijkwaardige participatie van meisjes en jonge vrouwen aan de maatregelen in het kader van dat initiatief, en het besteden van specifieke aandacht aan het waarborgen van een hoogwaardig aanbod van opleidingen en werkgelegenheid voor meisjes en jonge vrouwen, met name in de digitale economie, ICT en de STEM-sectoren, waar vrouwen zowel op het gebied van onderwijs en opleiding als op het gebied van werkgelegenheid aanzienlijk ondervertegenwoordigd zijn, wat tot een digitale kloof tussen vrouwen en mannen leidt; is van mening dat maatregelen als het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief niet alleen moeten bijdragen aan de integratie van jongeren op de arbeidsmarkt, maar ook aan de bevordering van hoogwaardige werkgelegenheid; wijst erop dat ook bijzondere aandacht moet worden besteed aan de financiering van hoogwaardige trainingen op het gebied van onderwerpen als seksisme, seksuele intimidatie, mobbing en haatzaaien, met aanmoediging van een gelijke deelname van meisjes en jonge vrouwen, maar ook van jongens en jonge mannen;

18. herinnert eraan dat onder de vluchtelingen en asielzoekers die de Unie binnenkomen, zeer veel vrouwen en kinderen zijn; wijst erop dat gendermainstreaming ook een van de fundamentele beginselen van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) is en pleit er nogmaals voor om ook in het migratie- en asielbeleid rekening te houden met de genderdimensie door specifieke middelen toe te wijzen voor de preventie van gendergerelateerd geweld en de toegang tot gezondheidszorg en reproductieve gezondheid en rechten te waarborgen;

19. benadrukt dat het van essentieel belang is te zorgen voor een passende hoeveelheid middelen voor menselijke ontwikkeling om Agenda 2030 en de SDG’s, met inbegrip van SDG 5, te verwezenlijken; herinnert aan de toezegging van de Unie om 20 % van de officiële ontwikkelingshulp te investeren in menselijke ontwikkeling en roept op tot passende toewijzingen voor menselijke ontwikkeling, ter ondersteuning van maatregelen en projecten die gericht zijn op de bestrijding van armoede onder vrouwen en kinderen, een betere integratie op de arbeidsmarkt, het wegwerken van loonverschillen tussen mannen en vrouwen, de bestrijding van geweld tegen vrouwen, kinderen en jongeren, en de verbetering van de toegang tot en het aanbod van gezondheidszorg, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, onderwijs, gendergelijkheid en sociale bescherming, in het kader van het programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen;

20. dringt erop aan middelen te blijven toewijzen voor de bestrijding van genitale verminking van vrouwen in alle externe actieprogramma’s, met inbegrip van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking;

21. benadrukt dat in het afgelopen decennium, met het uitbreken van de economische en financiële crisis, de economische, sociale, arbeidsmarkt- en genderongelijkheid binnen en tussen de lidstaten is verergerd; herinnert aan de belangrijke rol van het Europees Instituut voor gendergelijkheid om bewustzijn te creëren over de omvang en de oorzaken van genderongelijkheid in de Unie, en pleit voor de toewijzing van voldoende middelen voor de begroting, de personeelsformatie en de onafhankelijkheid van het instituut, hetgeen de goede werking zal waarborgen en de uitvoering van ambitieuze projecten mogelijk zal maken; dringt ook aan op meer middelen voor de begrotingslijn “Bestrijding van discriminatie en bevordering van gelijkheid”;

22. wijst erop dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid in 2019 tot de bevinding kwam dat gendermainstreaming “wordt behandeld als een thema dat weinig invloed heeft op de eigenlijke inhoud van de financieringsprogramma’s”; roept daarom op tot krachtige en alomvattende maatregelen om de inspanningen op het gebied van gendermainstreaming te verbeteren, met inbegrip van een hernieuwde aandacht voor de bevordering van de verantwoordingsplicht en transparantie bij de begrotingsplanning en een grotere betrokkenheid van actoren op het gebied van genderproblematiek bij het begrotingsproces;

23. beveelt in het bijzonder aan om meer middelen uit te trekken voor de bescherming van het moederschap, het ouderschap en de vroege kinderjaren door middel van passende programma’s; dringt er in dit verband op aan dat in de begroting van de EU voor 2020 bijzondere aandacht wordt besteed aan de gezondheid van moeder en kind; beveelt verder aan om middelen te waarborgen voor de verdediging, bevordering en ondersteuning van borstvoeding, en zo bij te dragen aan de inspanningen om de doelstelling van de Wereldgezondheidsorganisatie om tegen 2025 wereldwijd 50 % van de baby’s in de eerste zes maanden van hun leven uitsluitend borstvoeding te geven, te verwezenlijken, wat onder andere zou vereisen dat het zwangerschaps- en vaderschapsverlof lang genoeg is en voldoende wordt betaald;

24. roept op tot het toewijzen van begrotingskredieten om in te spelen op de specifieke behoeften van verschillende groepen vrouwen die met uiteenlopende economische uitdagingen worden geconfronteerd, met inbegrip van, maar niet beperkt tot: menstruatiearmoede onder jonge meisjes, economische achterstelling van alleenstaande gepensioneerde vrouwen en de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen, onbetaalde zorgtaken en tijdsarmoede onder moeders en verzorgsters, en sociaal-economische uitsluiting en discriminatie van BAME (black, Asian and minority ethnic)-vrouwen op de arbeidsmarkt.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

30.9.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Christine Anderson, Annika Bruna, Belinda De Lucy, Frances Fitzgerald, Jackie Jones, Sandra Pereira, Pina Picierno, Samira Rafaela, Elżbieta Rafalska, Evelyn Regner, María Soraya Rodríguez Ramos, Christine Schneider, Elissavet Vozemberg-Vrionidi

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Isabella Adinolfi, Lena Düpont, Lina Gálvez Muñoz, Marina Kaljurand, Elena Kountoura, Alessandra Moretti, Alexandra Louise Rosenfield Phillips, Pernille Weiss

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 209, lid 7)

Mazaly Aguilar, Enikő Győri, Pär Holmgren, Kathleen Van Brempt

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

19

+

PPE

Lena Düpont, Frances Fitzgerald, Christine Schneider, Pernille Weiss, Elissavet Vozemberg‑Vrionidi

S&D

Lina Gálvez Muñoz, Jackie Jones, Marina Kaljurand, Alessandra Moretti, Pina Picierno, Evelyn Regner, Kathleen Van Brempt

RE

Samira Rafaela, María Soraya Rodríguez Ramos

GREENS/EFA

Pär Holmgren, Alexandra Louise Rosenfield Phillip

GUE/NGL

Elena Kountoura, Sandra Pereira

NI

Isabella Adinolfi

 

5

-

ID

Christine Anderson, Annika Bruna

ECR

Mazaly Aguilar, Elżbieta Rafalska

NI

Belinda De Lucy

 

1

0

PPE

Enikő Győri

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 


BRIEF VAN DE Commissie internationale handel

De heer Johan van Overveldt

Voorzitter

Begrotingscommissie

BRUSSEL

Betreft: <Titre>Advies over de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020 – alle afdelingen</Titre> <DocRef>COM(2019)0400 – C9‑0000/2019 – 2019/2028(BUD) </DocRef>

Geachte heer [...],

In het kader van bovengenoemde procedure heeft de Commissie internationale handel besloten een advies uit te brengen aan uw commissie. Tijdens haar vergadering van 24 september 2019 heeft zij besloten dat advies in briefvorm uit te brengen.

Tijdens die vergadering heeft de Commissie internationale handel de kwestie behandeld en besloot zij de bevoegde Begrotingscommissie te verzoeken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen.

 

Hoogachtend,

Bernd Lange

SUGGESTIES

1. stelt vast dat er voor de uitvoering van de ambitieuze handelsagenda van de Unie voldoende middelen nodig zijn; benadrukt dan ook dat DG Handel toereikende financiering moet ontvangen om vaart te kunnen maken met de onderhandelingen over en de sluiting van handelsovereenkomsten en de vinger aan de pols te kunnen houden bij de tenuitvoerlegging van eerder gesloten handelsovereenkomsten en wetgeving op het vlak van handel, maar dat er tegelijkertijd voldoende financiering moet worden uitgetrokken om de nieuwe hoofdverantwoordelijke voor handel in staat te stellen deze nieuwe functie doeltreffend uit te voeren; is er voorstander van dat DG Handel de noodzakelijke begrotingstoewijzing ontvangt voor de uitvoering van de verordening inzake de screening van buitenlandse directe investeringen na de inwerkingtreding daarvan in oktober 2020;

 

2. wijst erop dat het handelsbeleid in de eerste plaats voor alle partijen gunstige economische groei en duurzame ontwikkeling bevordert, onder andere door betere markttoegang te garanderen en internationale regels voor investeringen vast te stellen, maar dat het ook een belangrijk instrument is voor het buitenlandbeleid van de Unie waarmee de waarden van de EU internationaal voor het voetlicht kunnen worden gebracht, met name de eerbiediging van de mensenrechten, gendergelijkheid, klimaatbescherming, de rechtsstaat en de uitvoering van internationale arbeidsnormen, en waarmee de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling wereldwijd vooruit kan worden geholpen, terwijl onze handelspartners daarnaast gestimuleerd worden om sociale rechten en duurzaamheid speerpunten te maken van hun economische beleid; dringt er dan ook op aan dat er voldoende financiering wordt verstrekt voor adequate monitoring, tussentijdse en ex-postbeoordelingen, met gegevens uitgesplitst naar geslacht, en voor de handhaving van toezeggingen die zijn gedaan door derde landen;

 

3. benadrukt dat voor de aanvaarding van het handelsbeleid van de EU actieve betrokkenheid met haar belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld vereist is; benadrukt dan ook dat er meer middelen moeten worden uitgetrokken voor voorlichting over het handelsbeleid, burgerdialogen, helpdesks en begeleiding voor kmo’s, consumenten en binnenlandse adviesgroepen – de belangrijkste instrumenten om het maatschappelijk middenveld op doeltreffende wijze te betrekken bij de handhaving en monitoring van de hoofdstukken over de duurzaamheid van de handel in handelsovereenkomsten, die een essentieel onderdeel vormen van de handelsstructuur;

 

4. ziet graag dat er volledig gebruik wordt gemaakt van de beschikbare middelen om de internationalisering van kmo’s te ondersteunen, waarbij de aandacht moet uitgaan naar de lidstaten die achteraan bungelen, zodat ook zij kunnen deelnemen aan de besluitvoering van het handelsbeleid;

 

5. wijst op de cruciale rol die parlementen spelen in besprekingen over het wereldhandelsbeleid; merkt op dat de Parlementaire Conferentie van de WTO in dit verband een waardevol hulpmiddel waarvoor toereikende financiering nodig is om het potentieel ervan te benutten; benadrukt dan ook dat er net als in 2019 voldoende middelen beschikbaar moeten worden gesteld om de deelname van het EP aan het forum mogelijk te maken en dat de juiste infrastructuur moet worden geleverd voor de activiteiten van de conferentie.

 

 


 

 

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

14.10.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

8

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Rasmus Andresen, Clotilde Armand, Anna Bonfrisco, Jonathan Bullock, Olivier Chastel, Lefteris Christoforou, David Cormand, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Valentino Grant, Valerie Hayer, Monika Hohlmeier, John Howarth, Moritz Körner, Joachim Kuhs, Zbigniew Kuźmiuk, Ioannis Lagos, Hélène Laporte, Pierre Larrouturou, Janusz Lewandowski, Margarida Marques, Jan Olbrycht, Henrik Overgaard Nielsen, Karlo Ressler, Nils Torvalds, Nils Ušakovs

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Eero Heinäluoma, Fabienne Keller, Aušra Maldeikienė, Jake Pugh

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 209, lid 7)

Agnes Jongerius, Anne-Sophie Pelletier, Viola Von Cramon-Taubadel, Javier Zarzalejos

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

26

+

ECR

Zbigniew Kuźmiuk

NI

Ioannis Lagos

PPE

Lefteris Christoforou, José Manuel Fernandes, Monika Hohlmeier, Janusz Lewandowski, Ausra Maldeikiene, Jan Olbrycht, Karlo Ressler, Javier Zarzalejos

RENEW

Clotilde Armand, Olivier Chastel, Valerie Hayer, Fabienne Keller, Moritz Körner, Nils Torvalds

S&D

Eider Gardiazabal Rubial, Eero Heinäluoma, John Howarth, Agnes Jongerius, Pierre Larrouturou, Margarida Marques, Nils Ušakovs

VERTS/ALES

Rasmus Andresen, David Cormand, Viola Von Cramon-Taubadel

 

8

-

GUE/NGL

Anne-Sophie Pelletier

ID

Anna Bonfrisco, Valentino Grant, Joachim Kuhs, Hélène Laporte

NI

Jonathan Bullock, Henrik Overgaard Nielsen, Jake Pugh

 

0

0

 

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 

[1] PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.

[2] PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.

[3] PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

[4] PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

[5] Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2019)0210.

[6] Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2019)0326.

[7] Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 31).

[8] Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0417.

[9] Verordening (EU) 2017/1953 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2017 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014 wat de bevordering van internetconnectiviteit in lokale gemeenschappen betreft (PB L 286 van 1.11.2017, blz. 1).

[10] Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het InvestEU-programma (COM(2018)0439 – C8‑0257/2018 – 2018/0229(COD)).

[11] Europese Rekenkamer - Vooruitblik op de controle “Roads connecting European regions” (Wegen die Europese regio’s verbinden) blz. 9 - https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/AP19_08/AP_CONNECTING_ROADS_EN.pdf

[12] Comprehensive analysis of the existing cross-border rail transport connections and missing links on the internal EU borders (https://ec.europa.eu/regional_policy/sources/docgener/studies/pdf/cb_rail_connections_en.pdf).

[13] Richtlijn (EU) 2016/802 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 58).

[14] Study on Sustainable Transport Infrastructure Charging and Internalisation of Transport Externalities (https://ec.europa.eu/transport/themes/sustainable-transport/internalisation-transport-external-costs_nl).

[15] Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).

Laatst bijgewerkt op: 21 oktober 2019Juridische mededeling