Procedure : 2014/2976(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0353/2014

Ingediende teksten :

B8-0353/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/12/2014 - 10.23
CRE 17/12/2014 - 10.23
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 130kWORD 58k
10.12.2014
PE545.602v01-00
 
B8-0353/2014

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de EU-staalindustrie: bescherming van werknemers en bedrijfstakken (2014/2976(RSP))


Eleonora Forenza, Paloma López Bermejo, Kostadinka Kuneva, Dimitrios Papadimoulis, Sofia Sakorafa, Kostas Chrysogonos namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de EU-staalindustrie: bescherming van werknemers en bedrijfstakken (2014/2976(RSP))  
B8‑0353/2014

Het Europees Parlement,

–       gezien de vraag aan de Commissie over de industriële en werkgelegenheidsperspectieven in de ijzer- en staalindustrie in de EU: de dringende noodzaak om te reageren op het verlies van banen en essentiële productietakken in de lidstaten (O‑000086/2014),

–       gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties, en met name de artikelen 22 en 23 over de economische en sociale rechten en het recht op arbeid,

–       gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin is bepaald dat de Unie en de lidstaten het concurrentievermogen van de Europese industrie waarborgen, en met name artikel 173,

–       gezien artikel 174 VWEU inzake economische, sociale en territoriale samenhang, met name in regio's die een industriële overgang doormaken,

–       gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name hoofdstuk IV betreffende solidariteit,

–       gezien de mededeling van de Commissie van 11 juni 2013, getiteld "Actieplan voor een concurrerende en duurzame staalindustrie in Europa" (COM(2013)0407),

–       gezien de aanbevelingen van de rondetafelbijeenkomst op hoog niveau over de toekomst van de staalindustrie van 12 februari 2013,

–       gezien de vergadering van de Raad Concurrentievermogen op 18 en 19 februari 2013, waarin de Raad de Commissie verzocht een actieplan op te stellen,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de situatie op de wereldmarkt voor staal de afgelopen tien jaar is veranderd ten gevolge van de toenemende vraag naar staal en de steeds groter wordende mondiale productiecapaciteit;

B.     overwegende dat China momenteel de grootste staalproducent is en dat het marktaandeel van China is gestegen van 18% in 2001 naar 45% in 2011, terwijl het marktaandeel van de EU-27 in dezelfde periode daalde van 22% naar 12 %;

C.     overwegende dat deze situatie ertoe heeft geleid dat er in deze sector in de periode 2007-2013 ongeveer 60 000 banen verloren zijn gegaan en de staalproductie is gedaald van 210 miljoen ton naar 166 miljoen ton, terwijl de wereldwijde staalproductie naar verwachting de komende twee jaar met zo'n 118 miljoen ton zal stijgen;

D.     overwegende dat de staalindustrie binnen industriële economieën een kernsector is, vanwege haar samenhang met en brede gevolgen voor andere producerende industrieën en technologische sectoren;

E.     overwegende dat volgens de OESO de mondiale vraag naar staal tegen 2025 naar verwachting met 2,3 miljard ton zal zijn gestegen en dat deze vraag vooral afkomstig zal zijn van de bouw-, de vervoers- en de machinebouwsector en dan met name in de opkomende economieën;

F.     overwegende dat de concurrentiestrijd tussen Europese economieën het probleem van het verlies van werkgelegenheid verergert, doordat de productie geconcentreerd wordt in enkele gebieden in een klein aantal lidstaten, hetgeen in strijd is met het cohesiebeginsel, zoals dat in de Verdragen is vastgelegd;

G.     overwegende dat de grootste multinationals in de staalindustrie verschillende herstructureringen hebben doorgevoerd met het oog op de vergroting van hun mondiale marktaandeel en hun concurrentievermogen, terwijl er op Europees niveau geen maatregelen zijn getroffen om het Europees werkgelegenheidsniveau en de productiecapaciteit, in kwalitatieve dan wel kwantitatieve zin, te waarborgen;

H.     overwegende dat de EU, ondanks de crisis, nog altijd de op een na grootste staalproducent is en toeleverancier is voor een aantal industriële waardeketens met nauwe banden met belangrijke industriële sectoren in de EU, waaronder de automobiel-, de bouw- en de elektronicasector en de sectoren werktuigbouw en elektrotechniek;

I.      overwegende dat in de staalsector de energiekosten tot 40 % van de totale operationele kosten uitmaken;

J.      overwegende dat energie-efficiëntie en hulpbronnenefficiëntie aanzienlijke kostenbesparingen kunnen opleveren;

K.     overwegende dat de Europese staalindustrie vanwege haar positie in de waardeketen te maken heeft met hogere energieprijzen dan de meeste van haar concurrenten en dat de energietarieven volgens het "Stappenplan Energie 2050" van de Commissie tot 2030 waarschijnlijk zullen stijgen, maar dat er daarna een daling zal inzetten ten gevolge van investeringen in energie-infrastructuur;

L.     overwegende dat het emissiehandelssysteem ertoe heeft geleid dat bepaalde industrieën naar niet-EU-landen zijn verplaatst en in ruil daarvoor emissiekredieten hebben verkregen, maar dat er geen doeltreffende investeringen zijn gedaan in innovatie, energie-efficiëntie of recycling van secundaire grondstoffen;

M.    overwegende dat het belangrijk is dat er bij het uitzetten van duurzaam beleid op het gebied van energie rekening wordt gehouden met de gevolgen van dat beleid voor de tarieven en kosten en dat er wordt nagedacht over manieren om de negatieve gevolgen daarvan voor de strijd tegen klimaatverandering en voor het concurrentievermogen van energie-intensieve industrieën te ondervangen;

N.     overwegende dat niet alle producenten dezelfde regels toepassen om de uitstoot van CO2 te verminderen en dat de staalindustrie in China gemiddeld 2,1 ton CO2 produceert per ton staal, terwijl de EU gemiddeld 1,5 ton CO2 produceert per ton staal;

O.     overwegende dat een mondiale overeenkomst inzake vermindering van CO2-uitstoot zal leiden tot een meer gelijke toegang tot de staalmarkt en tevens zal bijdragen aan milieuduurzaamheid en een doeltreffend herstelbeleid;

P.     overwegende dat de veranderingen binnen de wereldmarkt voor staal en de veranderingen in de structuur van de belangrijkste staalproducenten de EU en de Wereldhandelsorganisatie dwingen tot herziening van hun mededingings- en handelsregels, met name de regels inzake misbruik van machtsposities;

Q.     overwegende dat met het mislukken van de overname van Acciai Speciali Terni (AST) door Outokumpu VDM, wegens bezwaren van de Commissie, en de verkoop ten gevolge daarvan van Acciai Speciali Terni (AST) aan ThyssenKrupp is aangetoond dat de EU-mededingings- en antitrustregels geen bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het EU-actieplan voor de staalindustrie;

R.     overwegende dat het akkoord dat onlangs is gesloten tussen de vakbondsleiders en het management van ThyssenKrupp een bevestiging vormt van de juistheid van de strategische keuze om de smeltovens open te houden en investeringen ter hoogte van 400 miljoen EUR in een van de productiesectoren met de grootste toegevoegde waarde veilig te stellen;

S.     overwegende dat rond hoogovencomplexen, zoals dat in Taranto, lucht- en watervervuiling hebben geleid tot een stijging van de kindersterfte met 21 % en tot een stijging van de kans op kanker bij mannen met 30 % en bij vrouwen met 20 %; overwegende dat het dringend noodzakelijk is de gezondheid en het welzijn van werknemers in de staalindustrie en personen die in de nabijheid van dergelijke complexen wonen te beschermen;

1.      dringt er bij de Commissie op aan dat zij erkent dat de staalindustrie van groot belang is voor het herstel van de industrie- en productiesector in Europa; is in dit verband van mening dat de Commissie haar langetermijnstrategie voor de toekomst van de staalindustrie in Europa zou moeten herzien en een nieuwe impuls zou moeten geven, om ervoor te zorgen dat de werkgelegenheid in deze sector behouden blijft, de rechten van werknemers worden beschermd, de kwaliteit van producten gewaarborgd wordt en de essentiële vakkennis op dit gebied bewaard blijft;

2.      wijst er nogmaals op dat het belangrijk is dat de vakkennis en ervaring, opgebouwd in belangrijke industriële gebieden zoals Terni, Piombino, Florange, Krefeld, Bochum, Taranto en Asturias, bewaard blijven, omdat deze vakkennis en ervaring zorgen voor diversificatie, innovatieve producten en het behoud van bestaande productiecapaciteit;

3.      benadrukt dat uitsluitend door middel van een constructieve dialoog tussen staalproducenten enerzijds en vakbonden en werknemersorganisaties anderzijds de juiste oplossingen en ontwikkelingsstrategieën gevonden kunnen worden om de toekomst van hele industriële regio's veilig te stellen, en voorkomen kan worden dat beslissingen eenzijdig door de staalproducenten worden genomen; verzoekt de lidstaten en de Commissie daarom te stimuleren dat bestuurders in de staalindustrie een constructieve dialoog aangaan met vakbonden en lokale en nationale autoriteiten, zodat zij gezamenlijk kunnen werken aan de ontwikkeling van strategieën voor de staalsector;

4.      dringt er bij de lidstaten op aan dat zij, hetzij door middel van wetgeving, hetzij via collectieve overeenkomsten, zorgen voor passende sociale bescherming, goede arbeidsomstandigheden, een behoorlijk loon en een doeltreffende bescherming tegen onrechtmatig ontslag;

5.      dringt er bij zowel de EU als de lidstaten op aan dat zij erop toezien dat er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn voor scholing en herstelmaatregelen om de staalindustrie te steunen in kritieke perioden van overgang;

6.      benadrukt dat het van wezenlijk belang is dat er geen staalproducten en grondstoffen geïmporteerd worden uit landen waar de staalproductie schadelijk is voor de gezondheid van de mens of voor het milieu of waar de sociale rechten niet worden geëerbiedigd;

7.      benadrukt het belang van de ontwikkeling en verspreiding van de beste beschikbare technieken (BBT) in de hele EU en is voorstander van vervanging van mineralen door ijzerschroot, van meer gebruik van elektrische boogovens en van vervanging van cokeskool door gas;

8.      dringt er bij de lidstaten op aan zich ervoor in te zetten dat de productiecapaciteit van de gebieden binnen de staalsector met de hoogste toegevoegde waarde behouden blijft en dat geen bedrijven worden verplaatst als dat ernstige negatieve gevolgen heeft voor de werkgelegenheid in en het concurrentievermogen van de EU;

9.      dringt aan op herziening van het beleid inzake handelsbeschermingsinstrumenten, ter ontmoediging van oneerlijke mededinging in landen waar de rechten van werknemers niet worden geëerbiedigd en de sociale minimumnormen en de minimumnormen op het gebied van milieu die bedoeld zijn om sociale en milieudumping te voorkomen, niet worden nageleefd;

10.    verzoekt de Commissie sociale dumping ten gevolge van bedrijfsmigratie naar derde landen aan te pakken, onder meer door middel van een herziening van de mededingingsregels die erop gericht is bedrijfsmigraties en een verergering van de negatieve gevolgen van de crisis te voorkomen;

11.    benadrukt dat het belangrijk is dat het handelsbeleid en de antitrustwetgeving worden aangepast aan de veranderde situatie op de wereldmarkt voor staal; verzoekt de Commissie derhalve de mededingingsregels te herzien en daarbij rekening te houden met de socio-economische situatie in de lidstaten;

12.    benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is om financiële steun te verlenen aan fundamenteel onderzoek en technologische ontwikkeling binnen de staalsector, om enerzijds de productiviteit te verhogen en te waarborgen dat de sector kan blijven produceren en anderzijds de energiekosten op middellange en lange termijn te beperken, wat van groot belang is voor deze energie-intensieve sector;

13.    wijst erop dat de Europese staalsector ontwikkeld moet worden in het kader van het cohesiebeleid, zodat de technische capaciteiten binnen de staalsector in alle lidstaten verbeteren;

14.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en aan de Raad, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

Juridische mededeling