Procedure : 2014/3017(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0019/2015

Ingediende teksten :

B8-0019/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/01/2015 - 11.7
CRE 15/01/2015 - 11.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0012

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 167kWORD 81k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0012/2015
12.1.2015
PE547.442v03-00
 
B8-0019/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Egypte (2014/3017(RSP))


Judith Sargentini, Igor Šoltes, Ernest Urtasun, Davor Škrlec, Barbara Lochbihler, Alyn Smith, Molly Scott Cato, Eva Joly, Bodil Ceballos, Pascal Durand, Bart Staes, Ernest Maragall namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Egypte (2014/3017(RSP))  
B8‑0019/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over Egypte, en met name die van 17 juli 2014 over de vrijheid van meningsuiting in Egypte(1),

–       gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van de EU van augustus 2013 en februari 2014 over Egypte,

–       gezien de recente verklaringen van de Europese Dienst voor Extern Optreden over Egypte, mede ook over de rechterlijke uitspraken van 3 december 2014,

–       gezien de associatieovereenkomst EU-Egypte en het actieplan EU-Egypte uit hoofde van het Europees Nabuurschapsbeleid,

–       gezien de EU-richtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting en mensenrechtenverdedigers, en de EU-richtsnoeren inzake bevordering en bescherming van alle mensenrechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI's),

–       gezien de uitslag van de universele periodieke toetsing inzake Egypte van de VN-Mensenrechtenraad van 5 november 2014,

–       gezien de grondwet van Egypte, in het bijzonder de artikelen 65 (vrijheid van meningsuiting), 70 (vrijheid van drukpers), 73 (vrijheid van vereniging), 75 (vrijheid van vergadering) en 93 (bindende werking van internationaal mensenrechtenrecht),

–       gezien Egyptische wet nr. 107 van 2013 tot regeling van het recht op samenscholingen, optochten en vreedzame protestacties,

–       gezien de Egyptische wet nr. 136 van 2014, een presidentieel decreet waarbij alle ‘openbare en vitale installaties' voor twee jaar onder militaire rechtsmacht werden gebracht,

–       gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–       gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat Egypte in 1982 heeft geratificeerd,

–       gezien het rapport van Human Rights Watch met de titel ‘Alles volgens plan, de slachtpartij van Rab’a en de massale afslachting van demonstranten in Egypte’ van 12 augustus 2014,

 

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging en vergadering onmisbare pijlers zijn van een democratische en pluralistische samenleving; overwegende dat het vertrappen van die fundamentele vrijheden onder het regime van Mubarak een beslissende factor is geweest voor de omverwerping van dit regime door het volk in februari 2011; overwegende dat de fundamentele vrijheden ontegenzeggelijk in de Egyptische grondwet van 2014 zijn verankerd;

B.     overwegende dat de Egyptische autoriteiten zich sinds de militaire staatsgreep in juni 2013 toeleggen op een repressiebeleid zoals het land dat nooit eerder in zijn moderne geschiedenis heeft meegemaakt; overwegende dat de mensenrechtensituatie in Egypte onder het leiderschap van president Abdel Fattah al-Sisi over de gehele lijn gestaag achteruit is gegaan;

C.     overwegende dat sinds de staatsgreep van juli 2013 naar schatting 41 000 mensen zouden zijn gearresteerd; overwegende dat velen daarvan enkel werden opgepakt wegens vreedzaam protest of uiting van een afwijkende mening;

D.     overwegende dat duizenden vermoedelijke leden van de Moslimbroederschap, waaronder het gehele leiderschap en de afgezette president Morsi, zijn gearresteerd en honderden zijn aangeklaagd en, onder meer in massaprocessen, ter dood of tot zware gevangenisstraffen veroordeeld, na afloop van gerechtelijke procedures die flagrant in strijd waren met alle elementaire normen van eerlijk proces; overwegende dat een Egyptische rechtbank op 2 december 2014 188 personen ter dood heeft veroordeeld vanwege hun aandeel in de aanval op een politiebureau in augustus 2013;

 

E.     overwegende dat krachtens een presidentieel decreet van oktober 2014 honderden burgers voor een militaire rechtbank konden worden gebracht, ook met terugwerkende kracht; overwegende dat militaire rechtbanken onder gezag staan van het ministerie van defensie en kinderen zonder onderscheid als volwassenen behandelen;

F.     overwegende dat sinds juli 2013 naar schatting 1 400 demonstranten zijn omgekomen ten gevolge van buitensporig en willekeurig geweld van de veiligheidstropen, zoals op 2 januari 2015 toen de veiligheidstroepen twee mensen doodschoten bij het gewelddadig uiteendrijven van demonstranten die hun steun betuigden aan de Moslim Broederschap in de Matariya-wijk van Caïro; overwegende dat bij het stelselmatig en wijd en zijd verbreide afslachting van minstens 1 150 pro-Morsi betogers door Egyptische veiligheidstroepen in juli en augustus 2013 volgens de NGO Human Rights Watch waarschijnlijk sprake is van misdrijven tegen de menselijkheid; overwegende dat deze organisatie de slachtpartij op het Rab’a-plein de grootste afslachting van demonstranten op één dag in de recente geschiedenis heeft genoemd; overwegende dat de hiervoor verantwoordelijke veiligheidsagenten tot dusver volledig straffeloos zijn gebleven, terwijl ook zeer weinig politiemensen of militairen verantwoording hebben hoeven afleggen voor andere mishandeling van demonstranten; overwegende dat de in december 2013 ingestelde onderzoekscommissie naar algemeen oordeel niet is toegekomen aan grondig , geloofwaardig en onpartijdig onderzoek naar deze gebeurtenissen; overwegende dat de Egyptische autoriteiten zich hebben beklaagd over gewelddadigheid van de zijde van de demonstranten, waaronder vuurwapengebruik, tegen veiligheidsagenten; overwegende dat er volgens het officiële Forensisch Instituut acht politiemensen bij de verspreiding van de demonstratie op Rab’a zijn omgekomen;

G.     overwegende dat de afgezette President Mubarak, die eerder tot levenslang was veroordeeld wegens ‘nalaten van bescherming van demonstranten’ bij de opstanden van 2011, op 29 november 2014 tezaamen met zijn beide zonen, de voormalige minister van binnenlandse zaken, en enkele veiligheidsagenten, door een Egyptische rechtbank werd vrijgesproken;

H.     overwegende dat de veiligheidssituatie in Egypte steeds meer is verslechterd, terwijl Egyptische veiligheidstroepen hun aanvallen op militanten op het Sinaï-schiereiland hebben opgevoerd, vooral nadat op 24oktober 2014 een aanval had plaatsgevonden op het checkpoint Karm al-Qawadis waarbij 28 Egyptische soldaten om het leven kwamen; overwegende dat politiemensen en militairen overal in het land regelmatig doelwit zijn, zoals bij de bomaanslag van 5 januari 2015 op een politiebureau in de noordelijke Sinaï, en bij een vuurgevecht op 4 januari in een westelijke voorstad van Caïro waarbij meerdere politiemensen werden gedood of gewond, en in Minya op 6 januari; overwegende dat de staat een bevel tot uitzetting van duizenden inwoners van Rafah heeft uitgevaardigd en een 500 meter brede bufferzone langs de grens met de Gazastrook heeft aangelegd, en overwegende dat sinds 24 oktober 2014 op het schiereiland een noodtoestand van kracht is; overwegende dat Ansar Bayt al-Maqdis, een militante group in de noordelijke Sinai, trouw heeft gezworen aan de Islamitische Staat; overwegende dat de grensovergang bij Rafah naar de Gazastrook overwegend dicht is, en alleen in december 2014 voor slechts drie dagen werd geopend, waardoor de blokkade van de enclave door beide buurlanden nog werd verscherpt;

I.      overwegende dat de nieuwe wet op vergaderingen van 24 november 2013, uitgevaardigd per decreet, de rechtsgrondslag biedt voor strenge beperkingen op het recht van vreedzame bijeenkomst en van vrije meningsuiting, onder meer doordat de minister van binnenlandse zaken ruime bevoegdheden krijgt om demonstraties te verbieden en uiteen te drijven en de deelnemers te arresteren; overwegende dat honderden leidende intellectuelen, journalisten en politieke partijen bij de autoriteiten hebben aangedrongen op onmiddellijke intrekking van deze repressieve wetgeving;

J.      overwegende dat organisaties van het Egyptische maatschappelijk middenveld onlangs hun ernstige bezorgdheid hebben geuit over het meest recente wetsvoorstel inzake ngo's, waardoor maatschappelijke groeperingen aan volledig en ongerechtvaardigd toezicht zouden worden onderworpen en ondergeschikt zouden worden gemaakt aan veiligheids- en bestuursorganen, en waardoor zeer strenge veroordeling van mensenrechtenverdedigers mogelijk zou worden; overwegende dat voor maatschappelijke organisaties een herhaaldelijk verschoven tijdslimiet geldt om zich te laten registreren ingevolge wet nr. 84 die zware beperkingen stelt aan de onafhankelijkheid en werkzaamheden van NGO's, op straffe van vervolging; overwegende dat een presidentieel wetsbesluit van 21 september 2014 tot wijziging van het wetboek van strafrecht voorziet in strenge bestraffing, zoals levenslange gevangenisstraffen, voor ngo's die buitenlandse financiële steun ontvangen voor het vaag geformuleerde doel "beschadiging van het nationaal belang"; overwegende dat de belangrijkste NGO's voor de mensenrechten in Egypte laten weten dat het huidige repressieve klimaat ongekende niveaus heeft bereikt, zelfs in vergelijking met het autoritaire bewind van Mubarak ; overwegende dat door de regering gesubsidieerde media een ongekende lastercampagne zijn begonnen tegen de onafhankelijke NGO's voor de mensenrechten in Egypte;

K.     overwegende dat een groot aantal mensenrechtenactivisten, oppositieleden en jeugdactivisten willekeurig zijn gearresteerd, in staat van beschuldiging gesteld en veroordeeld wegens hun vreedzame activiteiten overeenkomstig de wetgeving op het vergaderrecht; overwegende dat prominente activisten waaronder de blogger Ahmed Douma, de 6-april leiders Mohamed Adel en Ahmed Maher, en de mensenrechtenadvocaat Mahinoor El-Masry tot drie jaar gevangenisstraf zijn veroordeeld, naar het heet wegens overtreding van de nieuwe wet; overwegende dat de blogger Alaa Abd El Fattah en 24 andere aangeklaagden tot 15 jaar gevangenisstraf werden veroordeeld wegens demonstreren zonder vergunning; overwegende dat op 20 oktober 2014 23 mensen, waaronder mensenrechtenverdedigers Yara Salam en Sanaa Ahmed Seif, tot drie jaar gevangenisstraf werden veroordeeld wegens overtreding van de anti-demonstratiewet; overwegende dat er studenten aan de universiteit zijn gearresteerd en zwaar bestraft wegens deelname aan vreedzame demonstraties op de campus, waarbij enkelen op het terrein van de universiteit door de politie zijn doodgeschoten; overwegende dat de gerechtelijke procedures in al deze gevallen alom werden afgekeurd als zijnde politiek gemotiveerd en aantastbaar door wezenlijke procedurele tekortkomingen;

L.     overwegende dat geweld tegen vrouwen volgens berichten toeneemt, ondanks de goedkeuring van een nieuwe wet inzake seksuele intimidatie, waarvan de inwerkingtreding volgens Egyptische ngo's op het gebied van vrouwenrechten nog op zich laat wachten; overwegende dat Egyptische vrouwelijke activisten zich in een bijzonder kwetsbare positie bevinden en in verband met hun vreedzame activiteiten vaak het slachtoffer worden van geweld, seksueel misbruik en andere vormen van vernederende behandeling;

M.    overwegende dat op 23 juni 2014 de Al Jazeera-journalisten Mohamed Fadel Fahmy, Peter Greste en Baher Mohamed tot gevangenisstraffen van 7 tot 10 jaar werden veroordeeld wegens "valse berichtgeving" en samenspanning met de Moslimbroederschap; overwegende dat drie andere journalisten -Sue Turton, Dominic Kane en Rena Netjes- bij verstek zijn veroordeeld tot 10 jaar gevangenisstraf; overwegende dat het Egyptische Hof van Cassatie op 1 januari 2015 een nieuwe behandeling van de zaak heeft gelast; overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Navi Pillav, deze gerechtelijke procedures heeft gehekeld als "vol met procedurele onregelmatigheden en in strijd met internationale mensenrechtenwetgeving"; overwegende dat minstens 14 andere journalisten op dit moment gevangen zitten, waarmee het land volgens het Comité voor bescherming van Journalisten tot de landen behoort waar de repressie tegen de media het ergst is; overwegende dat de zelfcensuur sinds de zomer van 2013 dramatisch is toegenomen;

N.     overwegende dat Al Jazeera haar uitzendingen vanuit Qatar via het Egyptische kanaal op 22 december 2014 heeft gestaakt ‘in afwachting van betere werkomstandigheden in Egypte'; overwegende dat zeven leidende figuren van de Moslimbroederschap in september 2014 het verzoek kregen Qatar te verlaten ; overwegende dat beide besluiten verband zouden houden met en dooi in de betrekkingen tussen Doha en Cairo;

O.     overwegende dat de bekende Egyptische humorist Bassem Youssef op 23 december 2014 veroordeeld werd tot betaling van een boete van EGP 50 miljoen (EUR 5,9 miljoen) door een arbitragecollege in Caïro, in een geschil met een televisiezender die zijn show had onderbroken toen hij de spot dreef met het Egyptische militaire leiderschap; overwegende dat deze show, qua kijkcijfers het meest populaire satirische programma in de Arabische wereld, is beëindigd; overwegende dat de meeste particuliere media nauw zijn verbonden met het bewind onder Mubarak en het huidige regime;

P.     overwegende dat op 7 december 2014 26 mannen werden gearresteerd wegens " zedeloos gedrag" in een badhuis in Caïro; overwegende dat de arrestatie op de televisie was te volgen en werd voorgesteld als onderdeel van een campagne tegen afwijkend seksueel gedrag; overwegende dat alle aangeklaagden op 12 januari 2015 werden vrijgesproken; overwegende dat deze opzettelijk vernederende aanhouding te plaatsen is tegen de achtergrond van de steeds hardere aanpak van de LBGT-gemeenschap in het land; overwegende dat deze arrestaties in december de grootste collectieve aanhouding vormen van beweerdelijk homoseksuele mannen sinds het tijdperk van Mubarak; overwegende dat acht mannen in september 2014 tot drie jaar werden veroordeeld wegens zedeloos gedrag op grond van een online circulerende video waarop kennelijk een ‘homohuwelijk' te zien was; overwegende dat deze straf in december 2014 tot één jaar werd teruggebracht; overwegende dat in september 2014 zes mannen door een rechtbank in Cairo tot twee jaar dwangarbeid werden veroordeeld, nadat zij hun huis als homo-ontmoetingsplaats hadden aangeboden op Facebook; overwegende dat het Egyptische initiatief voor persoonlijke rechten schat dat er in de afgelopen 18 maanden minstens 150 mensen zijn gearresteerd op verdenking van losbandigheid;

Q.     overwegende dat vrouwelijke genitale verminking in Egypte is verboden en dat de sancties op overtreding van deze wet beduidend strenger zijn geworden, maar dat deze praktijk nog steeds wijdverspreid is; overwegende dat de eerste rechtszaak in het land over vrouwelijke verminking op 20 november 2014 uitliep op vrijspraak van de arts en de vader van een 13-jarig meisje dat aan de gevolgen van een besnijdenisoperatie was overleden; overwegende dat de openbaar aanklager hoger beroep tegen deze uitspraak heeft aangetekend;

R.     overwegende dat de EU de belangrijkste economische partner van Egypte is en de voornaamste bron van buitenlandse investeringen; overwegende dat het niveau en de intensiteit van de betrokkenheid van de EU bij Egypte conform het na de Arabische Lente herziene Europese nabuurschapsbeleid van de EU, en met name als gevolg van de "meer voor meer"-strategie op stimulansen zijn gebaseerd en daarom afhangen van de vooruitgang die het land boekt bij het nakomen van zijn verplichtingen met betrekking tot de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en gendergelijkheid; overwegende dat de Raad buitenlandse zaken (RBZ) op 21augustus 2013 de vicevoorzitter /hoge vertegenwoordiger heeft belast met de herziening van de EU-bijstand aan Egypte; overwegende dat de Raad heeft besloten dat de EU-samenwerking met Egypte zal worden bijgesteld naargelang de ontwikkelingen ter plaatse;

S.     overwegende dat er voor maart en april 2015 parlementsverkiezingen zijn gepland; overwegende dat tot de voorwaarden voor uitzending van een EU-verkiezingswaarnemingsmissie behoort dat politieke partijen en individuele kandidaten hun legitieme recht moeten kunnen uitoefenen om aan de verkiezingen deel te nemen, dat er vrije meningsuiting mogelijk waardoor eventueel kritiek kan worden uitgeoefend op de zittende regering, evenals vrijheid van beweging en van vergadering, en dat alle deelnemende partijen en kandidaten redelijke toegang hebben tot de media;

T.     overwegende dat in de RBZ-conclusies van 21 augustus 2013 stat dat ‘de lidstaten instemmen met opschorting van vergunningen voor de uitvoer naar Egypte van alle materiaal dat te gebruiken is voor interne onderdrukking en met herbeoordeling van uitvoervergunningen voor materieel als bedoeld in gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB en herziening van hun bijstand op veiligheidsgebied aan Egypte.’; overwegende dat deze conclusies in februari 2014 door de RBZ nog eens werden herhaald;

U.     overwegende dat Frankrijk op 27 november 2014 een aantal wapentransacties met Egypte bekend heeft gemaakt, waaronder een contract ter waarde van 1 miljard euro voor de levering van vier marineschepen en de vernieuwing van gevechtsvliegtuigen; overwegende dat de Verenigde Staten in juni 2014 aan Egypte militaire steun hebben toegezegd ter hoogte van 575 miljoen dollar, maar dat deze steun sinds de militaire machtsgreep tegen Morsi is bevroren; overwegende dat in augustus 2014 de Russische President Vladimir Putin militaire en technologische samenwerking aan Egypte heeft toegezegd en naar verluidt zouden beide landen op het punt staan een transactie ter waarde van 3 miljard USD voor geavanceerde raketten en gevechtsvliegtuigen af te sluiten ;

1.      is diep verontrust over de niet-aflatende inbreuken die de Egyptische autoriteiten sinds de militaire coup in juli 2013 maakt op de rechtsstaat, de fundamentele vrijheden, op de politieke pluriformiteit en het maatschappelijk organisatiebestel in Egypte; betreurt de onverstoorbaarheid waarmee het land zich afkeert van al die aspiraties naar sociale rechtvaardigheid, waardigheid, vrijheid en democratie die de mensen indertijd hebben beogen tot de revolutie van 25 januari 2011;

2.      veroordeelt het voortdurende brute optreden van politie en leger, de intimidatie, de massa-arrestaties, en de schijnprocessen tegen honderden personen – journalisten, mensenrechtenactivisten, intellectuelen, studenten, vakbondsleden en oppositieleden – als reactie op de enkele vreedzame aanwending van fundamentele rechten; vraagt de Egyptische autoriteiten dringend om strikt de hand te houden aan de ondubbelzinnige grondwettelijke waarborgen voor deze vrijheden ;

 

3.      verzoekt de Egyptische autoriteiten nog eens om de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van al degenen die uitsluitend gevangen zijn gezet wegens gebruik van hun recht van vrije meningsuiting en vreedzame vergadering, waaronder de mensenrechtenverdedigers Yara Salam en Sanaa Ahmed Seif; dringt aan op onmiddellijke vrijlating van mensenrechtenactivist Alaa Abd El Fattah en mensenrechtenadvocaat Mahinour El-Masry en herziening van hun zware gevangenisstraffen; vraagt de autoriteiten dringend om het ongegronde verbod tegen de 6 aprilbeweging en de vonnissen tegen de activisten van deze beweging, waronder Ahmed Maher en Mohamed Adel, in te trekken;

4.      maakt zich nog steeds grote zorgen over de verslechterende veiligheidssituatie in Egypte, en met name over het toenemende aantal terroristische aanslagen en andere gewelddaden waarvoor islamistische groeperingen de verantwoordelijkheid opeisen; is met name bezorgd over de situatie in de Sinaï en de berichten over toenemende radicalisering, vooral onder de jeugd; betuigt zijn solidariteit met de slachtoffers; steunt alle inspanningen waarmee de Egyptische autoriteiten de ernstige bedreiging van islamitisch extremisme wil tegengaan op een manier die zich verdraagt met mensenrechtelijke normen; betoont zich verontrust door de berichten over hardhandige maatregelen tegen plaatselijke bevolkingen zoals bijvoorbeeld de verdrijving van duizenden inwoners uit Rafah; onderstreept dat bestrijding van terrorisme met geweld alleen maar leidt tot nog meer geweld aan beide zijden en roept de Egyptische autoriteiten op het extremisme bij de wortel aan te pakken door alle politieke krachten in het politieke proces te betrekken; vraagt de Egyptische autoriteiten iets te doen aan de al lang bestaande grieven van de bedoeïenbevolking van de Sinaï, die voortspruiten uit politieke vervreemding en economische achterstelling; roept op om een einde te maken aan de beknotting van onafhankelijke meningen in de Sinaï;

5.      is ernstig bezorgd over het stelselmatig misbruik van de rechterlijke macht als instrument waarmee het Egyptisch alle vormen van tegenstand in het land onderdrukt; spoort de Egyptische autoriteiten aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht strikt in acht te nemen en het recht op eerlijk proces daadwerkelijk te waarborgen, overeenkomstig de grondwet en de internationale normen;

6.      betreurt de ongekende uitbreiding van de militaire rechtsmacht tot ook civiele rechtszaken, op grond waarvan honderden burgers naar een militaire rechtbank zijn doorverwezen, ook met terugwerkende kracht; vraagt de Egyptische autoriteiten dringend het decreet van oktober 2014, dat de grondslag vormt voor deze gang van zaken, in te trekken en een einde te maken aan de berechting van burgers voor een militaire rechtbank, overeenkomstig internationale en regionale normen;

7.      is diep verontrust over de ernstige verslechtering van het mediaklimaat; dringt aan op onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van de journalisten van Al Jazeera, voor wie op 1 januari 2015 een nieuw proces werd gelast, en van alle mediawerkers en bloggers die enkel wegens legale activiteiten zijn veroordeeld, waaronder Mahmoud Abdel Nabi, Mahmoud Abu Zeid, Samhi Mustafa, Ahmed Gamal, Ahmed Fouad en Abdel Rahman Shaheen;

8.      betuigt zijn absolute afschuw over het massaal uitdelen van doodvonnissen tegen aanhangers van de Moslimbroederschap , na de ontstellend oneerlijke processen, zoals laatstelijk op 2 december 2014 toen 188 gedaagden ter dood werden veroordeeld; dringt erop aan dat deze vonnissen worden vernietigd en dat de gedaagden alsnog van een eerlijk proces worden verzekerd, alsmede dat er een moratorium wordt afgekondigd op doodstraffen, met het oog op de afschaffing van wrede en onmenselijke vormen van rechtspleging; wijst er nogmaals op dat de EU sterk en principieel gekant is tegen de doodstraf; merkt op dat Egypte een vierde plaats op de wereldranglijst inneemt als het gaat om het aantal uitgesproken doodvonnissen;

9.      gelooft stellig dat een werkelijk pluralistische en inclusieve samenleving het fundament zou kunnen vormen voor veiligheid en stabiliteit op lange termijn in Egypte; vraagt de Egyptische autoriteiten in dit verband dringend om de aanwijzing van de belangrijkste oppositiebeweging, de Moslimbroederschap, als terroristische organisatie nogmaals te overdenken;

10.    spreekt zijn afkeuring uit over de repressieve anti-demonstratiewet van november 2013 die al talloze malen is aangewend om elk protest tegen het regime de kop in te drukken, met geweld uiteen te drijven en de demonstranten te arresteren; vraagt de Egyptische autoriteiten dringend deze wet in te trekken of te wijzigen en in overeenstemming te brengen met internationale mensenrechtennormen;

11.    is bezorgd over de berichten over een zeer restrictief wetsontwerp inzake NGO's en vraagt de autoriteiten dringend erop toe te zien dat toekomstige wetgeving beantwoordt aan de grondwettelijk gewaarborgde vrijheid van vereniging;

12.    veroordeelt de massale en onwettige afslachting van vreedzame betogers, en met name van leden en aanhangers van de moslimbroederschap, waaraan de Egyptische veiligheidstroepen zich sinds de militaire staatsgreep schuldig maken; vraagt de Egyptische autoriteiten dringend om de veiligheidstroepen te instrueren alleen geweld tegen demonstranten te gebruiken voorzover in overeenstemming met internationale regels van evenredigheid en noodzaak; betreurt de mentaliteit van nagenoeg volledige straffeloosheid jegens beveiligingsagenten die zich het afgelopen herhaaldelijk schuldig hebben gemaakt aan buitensporig geweld en ander ernstig wangedrag;

13.    is verontwaardigd over de steeds hardere aanpak tegen de LGBT-gemeenschap in Egypte, die gepaard gaat met steeds meer arrestaties, vaak onder zeer vernederende omstandigheden, en zware gevangenisstraffen tegen mensen op grond van hun seksuele oriëntatie; roept de Egyptische autoriteiten op de haatcampagne tegen LGBT-mensen te staken; roept de Egyptische autoriteiten op een einde te maken aan de criminalisering van LGBT-personen onder aanwending van de ‘anti-onzedelijkheidswet' en alle LGBT-personen die krachtens die wet zijn gearresteerd en gevangen zitten, vrij te laten;

14.    is zeer teleurgesteld over de uitspraak die de politierechter in Aga op 20 november 2014 heeft gedaan in een eerste rechtszaak over vrouwelijke genitale verminking die in Egypte heeft plaatsgevonden, en vraagt de Egyptische autoriteiten en rechterlijke instanties om eenieder die bij zulke wrede en schadelijke praktijken is betrokken daadwerkelijk op te sporen, te vervolgen en te veroordelen, overeenkomstig het personen- en familierecht van Egypte;

15.    vraagt de Egyptische autoriteiten volledig mee te werken met de mensenrechtenmechanismen van de VN, onder meer door de verzoeken van verscheidene speciale rapporteurs om het land te mogen bezoeken, goed te keuren, en de belofte van Egypte na te komen om een regionaal bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN te laten openen;

16.    onderstreept dat de ongekende mate van onderdrukking in Egypte het de EU onmogelijk maakt om gewoon op de ingeslagen weg door te blijven gaan, maar integendeel vraagt om een diepgaande en algehele herziening van de EU-betrekkingen met Egypte; dringt erop aan dat de Raad buitenlandse zaken spoedig met zijn conclusies komt, met daarin effectieve en gerichte maatregelen in antwoord op de situatie in het land; is gekant tegen nieuwe initiatieven in de opstelling van de EU jegens de Egyptische autoriteiten, inclusief gesprekken op technisch niveau, vooruitlopend op dit herzieningsproces;

17.    is ontsteld over de lauwe reacties van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en van de lidstaten op de reeks schandalige uitspraken tegen mensenrechtenactivisten, reacties die pover afsteken tegen de verplichtingen die de EU op zich heeft genomen uit hoofde van onder meer de EU-richtsnoeren voor mensenrechtenactivisten, en die in Caïro slechts kunnen worden opgevat als aanmoediging van de spiraal van onderdrukking die momenteel gaande is; verwacht van de EU, met name van de VV/HV en van de EU-delegatie in Caïro, dat zij in het vervolg een scherpere publieke reactie geven wanneer het Egyptische regime zich tegen mensenrechtenactivisten en andere tegenstemmers keert, dat zij hun steun geven tegen degenen die gevaar lopen of gevangen worden gehouden, en dat zij hun processen met een alomvattende blik blijven volgen;

18.    dringt erop aan dat de EU een lijst aanlegt van Egyptische gewetensgevangenen, en hun lot te laten wegen als feitelijke elementen waarvan de toekomst van de betrekkingen tussen de EU en Egypte zal moeten afhangen;

19.    wijst met nadruk op de dubbele maatstaven die de EU hanteert ten opzichte van de massale slachtpartijen tegen demonstranten door partnerlanden, en op het contrast tussen het uitblijven van een reactie van de EU op de slachtpartij van Rab’a in augustus 2013 en de dwangmaatregelen die de EU nam na het neerslaan van de demonstraties in 1989 op het Tiananmenplein in Beijing en in 2005 in Andidjan, Oezbekistan; vraagt de lidstaten om, naar het voorbeeld van de snelle reactie van de EU op de brute onderdrukking van protesten in een ander land van het Europees Nabuurschap , Oekraïne, ook tegen degenen die zich in Egypte schuldig maken aan mensenrechtenschendingen, geweldpleging en gebruik van overmatig geweld gerichte sancties in te voeren, zoals bevriezing van tegoeden en visumverboden;

20.    betreurt dat sommige lidstaten, met name Frankrijk, de samenwerking met Egypte op veiligheidsgebied voortzetten en wapentransacties aankondigen, hetgeen indruist tegen het gemeenschappelijke EU-standpunt inzake wapenexport; dringt aan op een voor de gehele EU geldend verbod op uitvoer van elke vorm van beveiligingsmaterieel en militaire hulpmiddelen naar Egypte; vraagt de vicevoorzitter /hoge vertegenwoordiger verslag uit te brengen over de huidige stand van de militaire en politiële samenwerking van lidstaten met het Egyptisch regime, en over de resultaten van de herziening door de lidstaten van hun bijstand op veiligheidsgebied aan Egypte, zoals in augustus 2013 door de RBZ beschreven;

21.    herhaalt zijn verzoek aan de vicevoorzitter /hoge vertegenwoordiger om toe te lichten welke specifieke maatregelen er zijn genomen naar aanleiding van het besluit van de RBZ van in augustus 2013 tot herziening van de bijstand van de EU aan Egypte; verlangt een toelichting van de Commissie omtrent de huidige status van de aanzienlijke bedragen die aan een vijftal programma's voor begrotingssteun zijn toegewezen en op de plannen voor besteding van die gelden overeenkomstig de richtlijnen van de Commissie inzake begrotingssteun en de aanbevelingen van de Rekenkamer van juni 2013; verzoekt de Commissie toe te lichten welke waarborgen de programma's gefinancierd in het kader van de investeringsfaciliteit voor het nabuurschapsbeleid bevatten in verband met risico's op corruptie, en met economische en financiële entiteiten die in handen zijn van het leger;

22.    dringt aan op onmiddellijke opschorting van alle toezeggingen aan de Egyptische autoriteiten op gebied van handelsfacilitering, inclusief bevriezing van de duurzaamheidseffectbeoordeling rond de beoogde diepgaande en brede vrijhandelsovereenkomst;

23.    koestert ernstige twijfel aan de eerlijkheid, de inclusiviteit en de geloofwaardigheid van de komende parlementsverkiezingen, tegen de achtergrond van verdergaande restricties van elementaire vrijheden en de herziening van het kiesstelsel, dat alom kritiek is geuit omdat het niet beantwoordt aan internationale democratische normen; verlangt dat wanneer de EU wordt uitgenodigd om waarnemers naar deze verkiezingen te sturen, de VV/HV dit moet afwijzen overeenkomstig de internationale en EU-normen inzake waarneming van verkiezingen; vraagt de EU aan de Egyptische autoriteiten duidelijk te maken dat het verloop en het resultaat van deze verkiezingen bepalend zullen zijn voor de toekomstige ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en Egypte; betreurt dat de EU in mei 2014 wel een volledige waarnemingsmissie heeft gestuurd, hetgeen indruisde tegen de EU-richtsnoeren inzake waarnemingsmissies en schade toebracht aan de reputatie en geloofwaardigheid van de EU;

24.    moedigt de VV/HV ertoe aan om EU-steun te winnen voor een resolutie over de situatie in Egypte tijdens de volgende bijeenkomst van de VN-Mensenrechtenraad, waardoor onder meer een internationaal onderzoek zou worden gestart naar de moord op manifestanten en de beschuldigingen van foltering en slechte behandeling door veiligheidstroepen na de militaire staatsgreep;

25.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de parlementen en regeringen van de lidstaten, en de president en de regering van de Arabische Republiek Egypte.

 

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0007.

Juridische mededeling