Procedure : 2014/3017(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0028/2015

Ingediende teksten :

B8-0028/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/01/2015 - 11.7
CRE 15/01/2015 - 11.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 144kWORD 68k
12.1.2015
PE547.451v01-00
 
B8-0028/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Egypte (2014/3017(RSP))


Javier Couso Permuy, Paloma López Bermejo, Malin Björk, Patrick Le Hyaric, Marina Albiol Guzmán, Ángela Vallina, Younous Omarjee, Lidia Senra Rodríguez, Marie-Christine Vergiat, Kateřina Konečná namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Egypte (2014/3017(RSP))  
B8‑0028/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over Egypte, en met name die van 16 februari 2012 over "Egypte: recente ontwikkelingen"(1), van 15 maart 2012 over "Mensenhandel in de Sinaï, in het bijzonder de zaak-Solomon W."(2), van 14 maart 2013 over de situatie in Egypte(3), van 4 juni 2013 over de crisis in Egypte(4), van 12 september 2013 over de situatie in Egypte(5), van 6 februari 2014 over de situatie in Egypte(6) en van 17 juli 2014 over de vrijheid van meningsuiting en vereniging in Egypte(7),

–       gezien de verklaringen van woordvoerder van de EDEO van 21 september 2014 over de bomaanslag op het Egyptische Ministerie van Buitenlandse Zaken en van 3 december 2014 over de gerechtelijke uitspraken in Egypte,

–       gezien de conclusies van de Raad over Egypte,

–       gezien de verklaringen van de woordvoerder van secretaris-generaal van de VN Ban Ki‑moon over Egypte en gezien de verklaring van de groep van 8 deskundigen van de VN over de massale terdoodveroordelingen in Egypte,

–       gezien het interne rapport van 9 januari 2014 getiteld "Egypt, Constitutional Referendum January 2014" en de voorlopige verklaring van 29 mei 2014 getiteld "Presidential election administered in line with the law, in an environment falling short of constitutional principles" van de EU-verkiezingsdeskundigenmissie (EU EEM),

–       gezien de associatieovereenkomst tussen de EU en Egypte van 2001,

–       gezien de 300 aanbevelingen van de Universal Periodic Review over Egypte op de VN‑Mensenrechtenraad van 7 november 2014,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat in Egypte sinds de militaire overname per decreet autoritaire wetten zijn uitgevaardigd zonder het parlement daarbij te betrekken, onder meer betreffende het verbieden van protesten, het uitbreiden van de jurisdictie van militaire rechtbanken, het opheffen van beperkingen van voorarrest en het beperken van de aandacht die in media zonder voorafgaande toestemming besteed mag worden aan het leger; overwegende dat op 9 januari 2014 vier demonstranten door de veiligheidstroepen zijn gedood tijdens demonstraties tegen de regering;

B.     overwegende dat een Egyptische strafrechter op 2 december 2014 in het gouvernement Gizeh 188 verdachten voorlopig ter dood heeft veroordeeld; overwegende dat voorafgaand aan deze zaak in maart en april na twee rechtszaken 1 212 terdoodveroordelingen zijn uitgesproken door een rechter in het gouvernement Minya;

C.     overwegende dat volgens zowel binnenlandse als internationale mensenrechtenorganisaties arrestaties, buitensporig gebruik van geweld, willekeurige hechtenis en de verlenging van de periode van voorlopige hechtenis de voorbije maanden bijna dagelijks zijn voorgekomen;

D.     overwegende dat de Egyptische autoriteiten de zaken van honderden burgers naar militaire rechtbanken hebben verwezen op basis van een decreet van president Al-Sisi, uitgevaardigd in oktober 2014; overwegende dat de zaken van minstens 820 burgers zijn verwezen naar militaire aanklagers; overwegende dat civiele aanklagers het decreet met terugwerkende kracht uitvoeren door burgerlijke zaken naar militaire rechtbanken te verwijzen;

E.     overwegende dat de Egyptische veiligheidstroepen sinds de militaire staatsgreep tegen president Morsi in juli 2013 herhaaldelijk excessief en willekeurig geweld hebben gebruikt bij het uiteenslaan van demonstraties, waarbij minstens 1 400 demonstranten om het leven zijn gekomen; overwegende dat minstens 817 personen zijn omgekomen bij de gewelddadige beëindiging van de sit-in op Rab'a al-Adawiya; overwegende dat geen enkele politie- of legerofficier verantwoordelijk is gesteld voor deze moorden of voor andere wandaden in het afgelopen jaar; overwegende dat de veiligheidstroepen volgens officiële cijfers minstens 22 000 mensen in hechtenis hebben genomen; overwegende dat dit aantal volgens andere schattingen op 41 000 ligt; overwegende dat naar schatting ongeveer 29 000 mensen zijn gearresteerd wegens vermoede banden met de Moslimbroederschap;

F.     overwegende dat de 19-jarige Ierse burger Ibrahim Halawa sinds augustus 2013 zonder proces in preventieve hechtenis wordt gehouden in een Egyptische gevangenis;

G.     overwegende dat de Egyptische politie honderden mensen heeft gearresteerd wegens overtreding van de wet van november 2013 houdende een verbod op samenscholingen van meer dan tien personen waarvoor geen toestemming vooraf is verleend door de autoriteiten; overwegende dat deze wet de minister van Binnenlandse Zaken de bevoegdheid geeft willekeurig demonstraties te verbieden en demonstraties waarvoor geen toestemming is verleend met geweld te uiteen te slaan;

H.     overwegende dat een Egyptische rechter op 21 april 2015 uitspraak zal doen in de zaak van de afgezette president Morsi en 14 anderen die beschuldigd zijn van het aanzetten tot het doden van demonstranten; overwegende dat Morsi nog twee andere rechtszaken wachten waarin hij wordt beschuldigd van spionage en uitbraak uit hechtenis;

I.      overwegende dat de Egyptische openbare aanklager op 8 januari 2015 heeft ingestemd met een beroep in de zaak-Mubarak nadat de aanklacht van het vermoorden van demonstranten was ingetrokken met een uitspraak van de rechtbank in november;

J.      overwegende dat de Egyptische autoriteiten op 11 januari 2015 Khaled al-Qazzaz hebben vrijgelaten, een van de adviseurs van de afgezette president Morsi die tegelijk met hem op 3 juli 2013 in hechtenis zijn genomen; overwegende dat hij sinds zijn arrestatie zonder aanklacht werd vastgehouden;

K.     overwegende dat Al-Sisi op 7 januari 2015 de eerste Egyptische president was die de christelijke kerstmis bijwoonde in een koptische kerk te Caïro; overwegende dat hij de islamitische leiders in zijn land recentelijk heeft opgeroepen extremisme te veroordelen;

L.     overwegende dat op 14 en 15 januari 2014 een constitutioneel referendum werd gehouden en dat de eerste presidentiële verkiezingen sinds de militaire machtsgreep plaatsvonden op 26 en 27 mei 2014, in een klimaat van onderdrukking en mediacensuur; overwegende dat eind maart 2015 parlementaire verkiezingen zullen plaatsvinden in het land; overwegende dat Egypte geen parlement heeft sinds 2012, toen een rechtbank de Volksvergadering ontbond;

M.    overwegende dat er inmiddels bijna vier jaar zijn verstreken sinds Hosni Mubarak aftrad na de betogingen op het Tahrirplein en de opstand in geheel Egypte, waarbij werd aangedrongen op ingrijpende politieke, economische en sociale hervormingen, afzetting van het corrupte regime, democratie, eerbiediging van de mensenrechten en betere leefomstandigheden;

N.     overwegende dat Egypte van alle Arabische landen de meeste inwoners heeft, met een bevolking van meer dan 80 miljoen mensen, en een cruciale plaats inneemt in het zuidelijke Middellandse Zeegebied; overwegende dat het land met ernstige veiligheidsproblemen te kampen heeft vanwege de situatie in de buurlanden, met name Libië; overwegende dat politieke, economische en sociale ontwikkelingen in Egypte verstrekkende gevolgen hebben voor de gehele regio en daarbuiten;

O.     overwegende dat de Verenigde Staten in juni 2014 aan Egypte militaire steun hebben verleend ter hoogte van 575 miljoen dollar, maar dat deze steun sinds de militaire machtsgreep tegen Morsi is bevroren;

P.     overwegende dat de EU in december 2014 een nieuw handelsakkoord heeft voorgesteld voor de landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA-landen), waaronder Egypte

Q.     overwegende dat volgens het rapport uit 2013 van de VN-entiteit voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen 99% van de vrouwen in Egypte te maken heeft gehad met enige vorm van seksueel geweld en meer dan eenderde van de vrouwen het slachtoffer is van huiselijk geweld; overwegende dat cijfers uit 2008 aangeven dat 91% van de Egyptische vrouwen tussen 15 en 49 jaar het slachtoffer is van genitale verminking; overwegende dat kindhuwelijken en genitale verminking van vrouwen nog niet zijn uitgeroeid, ondanks de wetten die deze praktijken verbieden;

R.     overwegende dat na het besluit van de Egyptische interimregering om de Moslimbroederschap als terroristische groepering aan te merken honderden leiders en leden en duizenden beweerde aanhangers zijn opgesloten en vervolgd; overwegende dat de politieke vleugel van de Moslimbroederschap, de Partij voor vrijheid en justitie, door een rechtbank in augustus 2014 is ontbonden, zodat deze partij niet kan deelnemen aan de komende verkiezingen; overwegende dat de algemene onderdrukking niet alleen beweerde aanhangers van deze groep treft, maar ook seculiere activisten, journalisten, mensenrechtenactivisten, studenten en vakbondsleden;

S.     overwegende dat op 7 december 2014 een groep van ongeveer 30 mannen werd gearresteerd op verdenking van "losbandige praktijken" in een badhuis in Caïro, waarbij het grootste aantal vermeend homoseksuele mannen tegelijk is opgepakt sinds 2001, onder het regime-Mubarak; overwegende dat de arrestatie werd geregistreerd door een regeringsgezinde televisiezender; overwegende dat deze openbare vernedering een van de uitingen is van de toenemende vervolging door de regering van de LGTBI-gemeenschap in Egypte;

T.     overwegende dat op 24 november 2013 de wet nr. 107 betreffende het recht op vreedzame samenscholingen, optochten en betogingen met een presidentieel decreet werd ingevoerd; overwegende dat deze "protestwet" maatregelen voor controles en sancties ingeval van niet-naleving omvat die als buitenproportioneel kunnen worden beschouwd overeenkomstig internationale normen, aangezien deze wet de veiligheidstroepen het recht geeft een einde te maken aan samenscholingen die zonder voorafgaande toestemming van de regering worden gehouden en het gebruik van dodelijk geweld tegen demonstranten toelaat; overwegende dat de secretaris-generaal van de VN de bezorgdheden heeft herhaald van de VN-Commissaris voor de rechten van de mens, die heeft gewaarschuwd dat de nieuwe wet kan leiden tot ernstige schendingen van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering;

U.     overwegende dat journalisten van Al Jazeera werden vervolgd voor "de verspreiding van incorrect nieuws" en "hulp aan een terroristische groepering"; overwegende dat de rechtbank van Caïro 20 mensen heeft berecht, waaronder 9 medewerkers van Al‑Jazeera, en de Australische correspondent Peter Greste heeft veroordeeld tot 7 jaar, het hoofd van het kantoor in Caïro van Al-Jazeera, Mohamed Fahmmy, eveneens tot 7 jaar, en de Egyptische producer Baher Mohammed tot 10 jaar gevangenisstraf, nadat ze schuldig waren bevonden aan het verspreiden van incorrect nieuws, het schaden van de nationale eenheid en de sociale rust, en het lidmaatschap van een terroristische organisatie; overwegende dat de rechtbank 11 andere journalisten en leden van de oppositie bij verstek heeft veroordeeld tot 10 jaar gevangenisstraf;

V.     overwegende dat tijdens demonstraties en gewelddadige rellen na de afzetting van Morsi honderden studenten zijn gearresteerd, die in hechtenis worden gehouden en slecht worden behandeld; overwegende dat in het academisch jaar 2013-2014 minstens 14 studenten om het leven zijn gekomen;

W.    overwegende dat een student door een Egyptische rechtbank is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf omdat hij op Facebook had meegedeeld atheïst te zijn; overwegende dat een blogger in december 2012 is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens godslastering; overwegende dat een koptische christen in juni 2014 is veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens belediging van de islam;

X.     overwegende dat de grensovergang tussen de Gazastrook en Egypte meestal dicht is; overwegende dat de Egyptische autoriteiten zijn begonnen met de tweede fase van het ruimen van grote delen van Rafah, waar meer dan 2 000 gezinnen wonen, alsmede met het verbreden van de bufferzone tussen deze Egyptische grensstad en de Gazastrook; overwegende dat honderden gezinnen zijn ontheemd, mede door de militaire activiteiten in het gebied, en dat gezinnen die niet door de regering zijn gecompenseerd in kampen leven ten westen van Al-Arish;

1.      is ernstig verontrust over de algemene onderdrukking van de democratische rechten in Egypte, zoals de vrijheid van meningsuiting en van vergadering; is van mening dat het recht op politieke vereniging gegarandeerd moet zijn zolang de democratische beginselen worden nageleefd; herinnert eraan dat deelname aan vreedzame demonstraties of kritiek op de regering geen reden mag zijn voor opsluiting of vervolging;

2.      roept de Egyptische autoriteiten op een eind te maken aan alle vormen van intimidatie en onderdrukking, onder meer door gerechtelijke instanties, van activisten, journalisten, leden van de oppositie, mensenrechtenactivisten en vakbondsleden; dringt aan op de vrijlating van gewetensgevangenen, zoals Ibrahim Halawa;

3.      is verontrust over de wet die het recht op demonstratie beperkt; roept Egypte in dit verband op zijn internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten na te komen;

4.      spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het welbewuste gebruik van massale terdoodveroordelingen als instrument voor willekeurige en politiek gemotiveerde vervolging door de staat met als doel het onderdrukken van politieke tegenstand; is ook verontrust over de voortdurende willekeurige arrestaties en mensenrechtenschendingen door de veiligheidstroepen, waaronder de arrestatie en slechte behandeling van leden van de pers en activisten;

5.      herhaalt in alle zaken en onder alle omstandigheden sterk gekant te zijn tegen de voltrekking van de doodstraf, en verzoekt de Egyptische als eerste stap in de richting van de afstraffing van de doodstraf een officieel moratorium in te voeren op de voltrekking ervan;

6.      roept de Egyptische gerechtelijke macht op tot waarborging van het recht van verdachten op een eerlijk proces, uitgaand van een duidelijke aanklacht en een deugdelijk en onafhankelijk onderzoek, alsmede van het recht op toegang tot en contact met advocaten en familieleden, overeenkomstig internationale normen;

7.      herhaalt zijn afkeuring van de militaire staatsgreep en de grove onderdrukking door het Egyptische leger; betreurt ten zeerste de doden, gewonden en vernielingen in Caïro en andere delen van Egypte; herhaalt dat de leiders en generaals van het Egyptische leger geen bijdrage te bieden hebben aan de verwezenlijking van de rechtmatige eisen van de demonstranten, aangezien de legerleiding sterke economische posities in Egypte heeft en daarom andere economische en politieke belangen vertegenwoordigt dan die van de werknemers, armen en jongeren die sociale rechtvaardigheid en een verbetering van hun leefomstandigheden verlangen;

8.      spreekt nogmaals zijn steun uit voor de eisen van het Egyptische volk inzake vrijheid, menselijke waardigheid, sociale rechtvaardigheid, democratie, eerbiediging van de mensenrechten, betere levensomstandigheden en een seculiere staat, en in het bijzonder hun eisen inzake loonsverhogingen in verband met de prijsstijgingen, en huisvesting, gezondheidszorg en werk;

9.      beklemtoont dat het Egyptische volk zijn toekomst stevig in eigen hand moet houden, zonder inmenging van buitenaf; is gekant tegen elke inmenging van buitenaf, met name door de VS, Israël of Saudi-Arabië;

10.    betreurt het dat de EU en een aantal regeringen van de lidstaten met name het regime van Hosni Mubarak tientallen jaren hebben gesteund; herhaalt dat de economische, politieke, sociale, culturele en alle andere betrekkingen tussen de EU en de ENB-landen gestoeld moeten zijn op gelijke behandeling, niet-inmenging, solidariteit, dialoog en respect voor verschillen en de specifieke kenmerken van de diverse landen;

11.    roept op tot het instellen van een onafhankelijke en onpartijdige onderzoekscommissie die onderzoek moet doen naar mensenrechtenschendingen tijdens het regime-Mubarak, het presidentschap van Morsi, na de militaire staatsgreep, met name de moord op meer dan 800 mensen tijdens de gewelddadige beëindiging van de sit-in op Rab'a al-Adawiya, en tijdens het presidentschap van Al-Sisi, met inbegrip van gevallen van buitengerechtelijke executie en willekeurige arrestatie, en tot het aanwijzen en zo nodig berechten van de verantwoordelijken, en het bieden van compensatie aan slachtoffers en hun families;

12.    roept de lidstaten op de uitvoer te verbieden van veiligheidsapparatuur en militaire steun naar Egypte die gebruikt kan worden voor het onderdrukken van vreedzame demonstraties en afwijkende meningen;

13.    herhaalt zijn oproep aan de Egyptische autoriteiten om de grens bij Rafah zo snel mogelijk te heropenen, ter verzachting van het lijden van de Palestijnse bevolking, dat is verergerd door de recente slachting door het Israëlische leger;

14.    betreurt het feit dat het geweld tegen vrouwen ondanks een nieuwe wet inzake seksuele intimidatie is toegenomen, met name in de openbare ruimte, met tientallen gevallen van verkrachting en seksueel geweld tijdens manifestaties; dringt er bij de Egyptische autoriteiten op aan om LGBTI'ers niet meer te straffen voor het uiten van hun seksuele geaardheid en het uitoefenen van hun recht van vergadering, op basis van de "losbandigheidswet", en om alle LGBTI'ers vrij te laten die op grond van die wet zijn gearresteerd en gevangengenomen;

15.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, de Afrikaanse Unie en de regering en het parlement van Egypte.

(1)

PB C 249 E van 30.8.2013, blz. 60.

(2)

PB C 251 van 31.08.13, blz. 106.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0095.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0333.

(5)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0379.

(6)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0100.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0007.

Juridische mededeling