ONTWERPRESOLUTIE
PDF 112kWORD 49k
5.2.2015
PE549.927v01-00
 
B8-0134/2015

ingediend overeenkomstig artikel 133 van het Reglement


over oneerlijke sociale praktijken in het Europese luchtvervoer


Marie-Christine Arnautu

Ontwerpresolutie van het Europees Parlement over oneerlijke sociale praktijken in het Europese luchtvervoer  
B8-0134/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten(1),

–       gezien Verordening (EG) nr. 1899/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart(2);

–       gezien Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG van de Raad, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG(3),

–       gezien Verordening (EU) nr. 83/2014 van de Commissie van 29 januari 2014 houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 965/2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad(4),

–       gezien de richtsnoeren van de Europese Commissie van 20 februari 2014 inzake staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen,

–       gezien artikel 133 van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de luchtvaartsector een dynamische sector vormt maar sterk afhankelijk is van de conjunctuur, geopolitieke context en brandstofkosten;

B.     overwegende dat de opkomst van lowcostmaatschappijen in Europa steevast ten koste gaat van het arbeidsrecht en de sociale bescherming;

C.     overwegende dat in Frankrijk verscheidene van deze bedrijven zijn veroordeeld wegens het overtreden van deze regelgeving;

D.     overwegende dat sommige van deze maatschappijen over dochterondernemingen beschikken in belastingparadijzen zoals Jersey of de Kaaimaneilanden;

E.     overwegende dat de Europese sociale regelgeving ontoereikend is om oneerlijke sociale praktijken te voorkomen;

1.      eist dat bij de toepassing van het arbeidsrecht de thuisbasis van het personeel als uitgangspunt wordt genomen;

2.      eist een kaderregeling voor het zelfstandigenstatuut met als doel fraude te voorkomen;

3.      vraagt de Commissie passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat lowcostmaatschappijen in Europa oneerlijke sociale praktijken hanteren die nadelig zijn voor de sociale bescherming van hun werknemers en voor de veiligheid van hun passagiers;

4.      wenst dat er onderzoeken worden uitgevoerd om oneerlijke concurrentie vanwege deze bedrijven te verhinderen;

5.      verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad en de lidstaten.

(1)

PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1.

(2)

PB L 377 van 27.12.2006, blz. 1.

(3)

PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1.

(4)

PB L 28 van 31.1.2014, blz. 17.

Juridische mededeling