Procedure : 2015/2559(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0136/2015

Ingediende teksten :

B8-0136/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 12/02/2015 - 4.6
CRE 12/02/2015 - 4.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0040

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 134kWORD 60k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0136/2015
9.2.2015
PE549.929v01-00
 
B8-0136/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de humanitaire crisis in Irak en Syrië, met name in de context van IS (2015/2559(RSP))


Charles Tannock, David Campbell Bannerman, Ryszard Czarnecki, Geoffrey Van Orden, Valdemar Tomaševski, Jana Žitňanská namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de humanitaire crisis in Irak en Syrië, met name in de context van IS (2015/2559(RSP))  
B8‑0136/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over de humanitaire situatie in Irak en Syrië, waaronder de resolutie van 18 september 2014 over de situatie in Irak en Syrië, en het IS-offensief, inclusief de vervolging van minderheden(1),

–       gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–       gezien de opmerkingen van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten, Zeid Ra'ad Al Hussein, van 8 september 2014 over het geweld in Syrië en Irak,

–       gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van de VN,

–       gezien resolutie S-22/1 van de VN-Mensenrechtenraad van 1 september 2014 over de mensenrechtensituatie in Irak in het licht van de wandaden van de zogenoemde Islamitische Staat in Irak en de Levant en aanverwante groeperingen,

–       gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, dat op 11 mei 2011 in Istanbul, Turkije, ter ondertekening werd opengesteld,

–       gezien de opmerkingen van de speciale gezant van de VN in Irak, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten en de adjunct-secretaris-generaal van de VN voor humanitaire zaken in de VN-Veiligheidsraad op 18 november 2014,

–       gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking van 1995 over gendergelijkheid,

–       gezien het Verdrag van de VN inzake de rechten van het kind,

–       gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 15 december 2014,

–       gezien de Verklaring van de VN inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie gebaseerd op religie of geloof van 1981,

–
   gezien de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen hierbij,

–       gezien de op 24 juni 2013 goedgekeurde richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat het aanhoudende geweld in Syrië en Irak geleid heeft tot een ongekende humanitaire crisis en dat miljoenen mensen ontheemd zijn, dagelijks te maken krijgen met geweld, en behoefte hebben aan voedsel, water, gezondheidszorg en onderdak; overwegende dat etnische en religieuze minderheden zich in deze crisis in een bijzonder kwetsbare situatie bevinden; overwegende dat deze personen op de vlucht voor geweld hun toevlucht zoeken in de omringende landen en dat dit een enorme druk legt op de gemeenschappen die deze vluchtelingen opvangen;

B.     overwegende dat de situatie in Syrië, die al rampzalig was vanwege de voortdurende burgeroorlog, is verslechterd door de gewelddadige extremistische activiteiten van strijders van Islamitische Staat (IS) in Syrië en het buurland Irak;

C.     overwegende dat er in Syrië naar schatting 7,6 miljoen binnenlands ontheemden zijn en in Irak 1,8 miljoen;

D.     overwegende dat IS in Syrië en Irak grote aantallen vrouwen en kinderen heeft gedood of ontvoerd; overwegende dat de ontvoerde vrouwen en meisjes volgens berichten verkracht en seksueel misbruikt worden, gedwongen worden om met strijders te trouwen, of verkocht worden voor seksuele slavernij; overwegende dat er vrouwen als slaaf verkocht zijn voor het luttele bedrag van 25 USD;

E.     overwegende dat Islamitische Staat zich schuldig heeft gemaakt aan talloze wreedheden die aangemerkt moeten worden als misdrijven de menselijkheid, waaronder op video vastgelegde onthoofdingen en verbrandingen;

F.     overwegende dat de walgelijke moord op de Jordaanse piloot Moaz al-Kasasbeh de zoveelste illustratie is van de verwerpelijke ideologie van Islamitische Staat, die in strijd is met de meest elementaire menselijke waarden en rechten;

G.     overwegende dat het de taak van de politieke en religieuze leiders is om alle vormen van extremisme en terrorisme op welk niveau dan ook te bestrijden en het wederzijds respect tussen personen en religieuze en etnische groepen te bevorderen;

H.     overwegende dat gerichte acties tegen personen of groepen op religieuze of etnische gronden, alsook aanvallen op burgers die niet aan de vijandelijkheden deelnemen, krachtens het internationaal humanitair recht en het recht inzake mensenrechten verboden zijn; overwegende dat dergelijke acties als oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid kunnen worden beschouwd;

I.      overwegende dat de expansie van het kalifaat "Islamitische Staat" en de extremistische activiteiten van IS een ernstige bedreiging vormen, niet alleen voor de bevolking van Syrië en Irak, maar voor de hele regio;

J.      overwegende dat volgens berichten honderden buitenlandse strijders, waaronder veel strijders afkomstig uit EU-lidstaten, zich bij IS hebben aangesloten; overwegende dat deze EU-burgers een bedreiging voor de veiligheid vormen;

K.     overwegende dat de VN en andere internationale organisaties melding hebben gemaakt van grootschalige mensenrechtenschendingen in Irak en Syrië door IS, waaronder het gericht doden van christenen en andere etnische en religieuze minderheden; overwegende dat er toenemende bezorgdheid is over het welzijn van degenen die nog steeds vastzitten in de door IS gecontroleerde gebieden;

L.     overwegende dat volgens een rapport van de VN-commissie voor de rechten van het kind van februari 2015 IS-strijders ontvoerde kinderen verkopen als seksslaven of vermoorden door hen te kruisigen of levend te begraven;

1.      veroordeelt zonder voorbehoud de moorden, ontvoeringen, verkrachtingen, het seksueel geweld en de folteringen door IS-strijders in Syrië en Irak en is van oordeel dat deze handelingen als oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid kunnen worden beschouwd; veroordeelt voorts de gewelddaden, gepleegd door het regime van Assad in Syrië tegen de eigen bevolking;

2.      geeft uiting aan zijn toenemende bezorgdheid over de verslechterende humanitaire en mensenrechtensituatie in Syrië en Irak en over de schendingen van het internationaal humanitair recht, vooral in de context van de opstand van IS;

3.      is van mening dat de instabiele situatie in Syrië ten gevolge van de aanhoudende burgeroorlog heeft bijgedragen aan de groei van Islamitische Staat;

4.      maakt zich ernstige zorgen over de daden van terrorisme door Islamitische Staat en aanverwante groeperingen tegen vrouwen en meisjes, en de wandaden tegen christenen en andere etnische en religieuze minderheden;

5.      wijst er voorts op dat het belangrijk is passende maatregelen te nemen om de veiligheid van vrouwen en meisjes in Syrië en Irak en personen die tot een religieuze of etnische minderheid behoren, te waarborgen;

6.      maakt zich in politiek opzicht sterk voor het recht van religieuze en etnische minderheden om zich te verdedigen als dat nodig is om hun veiligheid te waarborgen; dringt er voorts bij de internationale gemeenschap op aan personen die op de vlucht zijn voor terrorisme of daden van geweld bescherming te bieden;

7.      veroordeelt zonder voorbehoud het feit dat christenen en andere religieuze of etnische meerderheden in Syrië en Irak door IS-strijders gedwongen worden zich te bekeren;

8.      is van oordeel dat al het mogelijke moet worden gedaan om terrorisme te bestrijden en dat degenen die zich schuldig maken aan terroristische acties ter verantwoording moeten worden geroepen; is voorts van oordeel dat de internationale respons op terrorisme in overeenstemming moet zijn met het internationale recht;

9.      veroordeelt nogmaals de geweldpleging tegen en het doden van LGBT-personen in de regio, misdrijven die volstrekt onbestraft blijven; wijst erop dat LGTB-personen in de regio in een bijzonder kwetsbare positie verkeren omdat zij slechts weinig steun ontvangen van hun families en van de gemeenschap en door de overheid nauwelijks worden beschermd, en dat hun veiligheid in vluchtelingengemeenschappen en bepaalde gastgemeenschappen onvoldoende gewaarborgd wordt; dringt er bij de Iraakse regering, de EU-delegatie in Irak en de ambassades van de EU-lidstaten in de regio op aan LGBT-personen bescherming te bieden en zorg te dragen voor onmiddellijke hervestiging van LGBT-personen die uit veiligheidsoverwegingen op de vlucht zijn;

10.    is furieus over de berichten dat IS-strijders kinderen, waaronder kinderen met een mentale beperking, inzetten als zelfmoordterrorist of misbruiken als menselijk schild, en dat zij ontvoerde kinderen als seksslaven verkopen en kinderen vermoorden, onder meer door hen te kruisigen of levend te begraven;

11.    roept op tot het nemen van alle nodige maatregelen om de kinderen die in handen zijn van IS te redden en degenen die deze misdrijven begaan te vervolgen; stelt echter vast dat de internationale gemeenschap op dit moment niet bij machte lijkt de strijders ter verantwoording te roepen voor deze afschuwelijke mensenrechtenschendingen;

12.    verzoekt de lidstaten om met de internationale partners samen te werken en al het mogelijke te doen, onder meer het verlenen van passende militaire bijstand, om de bevolking van Syrië en Irak bij te staan de dreiging die uitgaat van IS het hoofd te bieden;

13.    dringt erop aan dat het VN-wapenembargo en de bevriezing van tegoeden doeltreffender worden gehandhaafd en dat sancties worden opgelegd aan oliehandelaren die olie betrekken uit door IS gecontroleerde gebieden, om een einde te maken aan de geldstromen die IS in staat stellen zakelijk actief te zijn en terroristische activiteiten te financieren;

14.    ondersteunt al degenen die betrokken zijn bij de strijd tegen het terrorisme door IS en andere gewapende/terroristische groeperingen; dringt er voorts bij alle regionale actoren en regeringen op aan ten volle samen te werken bij de bestrijding van de dreiging door IS; onderstreept dat een dergelijke samenwerking van essentieel belang is voor de veiligheid van de regio;

15.    is van mening dat alle opties open moeten worden gehouden en dat niets kan worden uitgesloten wat betreft de bestrijding van de bedreiging die van IS uitgaat; dringt er voorts bij de Europese Unie, haar lidstaten en andere internationale actoren op aan nauw samen te werken bij de ontwikkeling, op korte termijn, van een alomvattende respons op de IS-dreiging;

16.    uit zijn bezorgdheid over de berichten dat zich honderden buitenlandse strijders hebben aangesloten bij de IS-opstand, waaronder onderdanen van EU-lidstaten; dringt voorts aan op internationale samenwerking om de passende gerechtelijke stappen te nemen tegen personen die ervan worden verdacht betrokken te zijn bij terroristische activiteiten;

17.    is verheugd dat IS recentelijk uit de Syrische stad Kobane is verdreven en bewondert de moed van de Syrische YPG-militie, die werd bijgestaan door Koerdische Peshmerga-troepen, alsmede, door middel van luchtaanvallen, door de internationale coalitie;

18.    is ingenomen met de recente toezegging van Jordanië de strijd tegen IS te intensiveren; dringt er voorts bij de internationale coalitie tegen IS op aan de opsporings- en reddingsmissies ten behoeve van vermiste piloten te verbeteren, om te voorkomen dat er nog meer piloten door IS gevangen worden genomen;

19.    is er stellig van overtuigd dat het bestrijden van IS in Irak alleen niet voldoende is om de extremisten te verslaan;

20.    dringt aan op uitbreiding van de luchtaanvallen naar Syrië, met name Raqqa en omgeving;

21.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de EDEO, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de Arabische Liga en de regering van Irak.

 

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0027.

Juridische mededeling