Procedure : 2015/2559(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0138/2015

Ingediende teksten :

B8-0138/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 12/02/2015 - 4.6
CRE 12/02/2015 - 4.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0040

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 131kWORD 59k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0136/2015
9.2.2015
PE549.931v01-00
 
B8-0138/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de humanitaire crisis in Irak en Syrië, met name in de context van IS (2015/2559(RSP))


Cristian Dan Preda, Arnaud Danjean, Jacek Saryusz-Wolski, Elmar Brok, Andrej Plenković, David McAllister, Tunne Kelam, Barbara Matera, Davor Ivo Stier, Lara Comi, Philippe Juvin, Fernando Ruas, József Nagy namens de PPE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de humanitaire crisis in Irak en Syrië, met name in de context van IS (2015/2559(RSP))  
B8‑0138/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn resoluties over Irak en Syrië,

–       gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 15 december 2014,

–       gezien de conclusies van de Europese Raad over Irak en Syrië van 30 augustus 2014,

–       gezien de verklaringen over Irak en Syrië van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV),

–       gezien de verklaringen over Irak en Syrië van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat het niet-aflatende geweld in Syrië tot een humanitaire crisis geleid heeft, en dat daarbij meer dan 200.000 mensen – merendeels burgers – omgekomen zijn, meer dan 7 miljoen in eigen land ontheemd zijn, en overwegende dat meer dan 12 miljoen Syriërs in nood verkeren; overwegende dat meer dan 3 miljoen Syriërs het land ontvlucht zijn, hoofdzakelijk naar Libanon, Turkije, Jordanië, Irak en Egypte;

B.     overwegende dat de humanitaire situatie in Irak verslechtert; overwegende dat meer dan 5 miljoen mensen dringend behoefte hebben aan humanitaire hulp en dat meer dan 2 miljoen Irakezen in eigen land ontheemd zijn;

C.     overwegende dat de terroristische organisatie Islamitische Staat (IS) in Noord-Irak en Syrië begonnen is met systematische etnische zuiveringen en daarbij tegen etnische en religieuze minderheden oorlogsmisdaden begaat, zoals massale standrechtelijke executies en ontvoeringen; overwegende dat de VN reeds bericht hebben over gerichte moorden, gedwongen bekeringen, ontvoeringen, vrouwenhandel, slavernij van vrouwen en kinderen, aanwerving van kinderen voor zelfmoordaanslagen, seksueel en lichamelijk misbruik en foltering; overwegende dat christenen, jezidi's, Turkmenen, shabak, kaka'i, Sabeeërs en sjiieten het doelwit geworden zijn van IS, net als vele Arabieren en soennitische moslims;

D.     overwegende dat IS onwettige, zogeheten "sharia-rechtbanken" opgericht heeft in de door hem veroverde gebieden, die wrede en onmenselijke straffen tegen mannen, vrouwen en kinderen ten uitvoer leggen; overwegende dat IS een strafwet heeft bekendgemaakt waarin misdrijven worden vermeld die bestraft worden met amputatie, steniging en kruisiging; overwegende dat degenen die bestraft worden, beschuldigd worden van overtreding van de islamitische sharia-wetgeving in de extreme interpretatie van de groepering, of verdacht worden van gebrek aan loyaliteit;

E.     overwegende dat opgeleide, werkende vrouwen, en met name vrouwen die zich kandidaat hebben gesteld bij verkiezingen voor een openbaar ambt gevaar lopen; overwegende dat in het begin van 2015 melding gemaakt is van de executie van drie vrouwelijke advocaten;

F.     overwegende dat onlangs in het centrum van Mosul vier artsen omgebracht zijn, omdat zij, naar verluidt, geweigerd hadden IS-strijders te behandelen; overwegende dat op 1 januari 2015, IS, naar verluidt, 15 burgers van de soennitisch-Arabische stam Jumaili uit Fallujah terechtgesteld heeft omdat zij verdacht werden van samenwerking met de Iraakse veiligheidstroepen; overwegende dat op 9 januari 2015 ten minste 14 mannen op een openbaar plein in Dour door IS geëxecuteerd zijn omdat zij geen trouw wilden zweren aan de organisatie; overwegende dat IS in 2015 de Japanse gijzelaars Haruna Yukawa en Kenji Goto en de Jordaanse piloot Muath al-Kasaesbeh geëxecuteerd heeft;

1.      veroordeelt ten sterkste de door IS gepleegde systematische en wijdverbreide schendingen van mensenrechten in Irak en Syrië, waaronder het doden van gijzelaars en het geweld tegen religieuze en etnische minderheden en kwetsbare groepen; verwerpt zonder voorbehoud de aankondiging door de IS-leiding van de oprichting van een kalifaat in de gebieden die zij momenteel in handen heeft, en beschouwt die als illegaal; betreurt de oprichting van onwettige, zogeheten "sharia-rechtbanken" in het gebied dat IS in handen heeft; spreekt zijn diepe medeleven uit met en betuigt zijn deelneming aan de nabestaanden van alle slachtoffers van het conflict; verzoekt de onmiddellijke vrijlating van alle gijzelaars;

2.      benadrukt dat wijdverbreide of systematische aanvallen die tegen burgers zijn gericht vanwege hun etnische of politieke achtergrond, godsdienst, levensovertuiging of geslacht een misdaad tegen de menselijkheid zouden kunnen zijn; veroordeelt ten stelligste alle vormen van vervolging, discriminatie en onverdraagzaamheid op grond van godsdienst en levensovertuiging, evenals geweld tegen alle religieuze gemeenschappen; onderstreept andermaal dat het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst een fundamenteel mensenrecht is;

3.      spreekt zijn steun uit voor alle slachtoffers van religieuze onverdraagzaamheid en haat; spreekt zijn solidariteit uit met de leden van de christelijke gemeenschappen die worden vervolgd en in hun moederland – Irak dan wel Syrië – met uitsterving worden bedreigd, alsook met andere vervolgde religieuze minderheden; benadrukt dat misdaden tegen christelijke minderheden, zoals Assyriërs, Aramezen en Chaldeeërs, evenals jezidi's en sjiitische moslims, een laatste zet vormen van IS in de richting van een volledige religieuze zuivering in de regio; beklemtoont dat leden van verschillende religieuze groepen eeuwenlang vreedzaam in deze regio hebben samengeleefd;

4.      onderstreept dat IS niet alleen een ernstige bedreiging vormt voor de inwoners van Irak en Syrië, en het Midden-Oosten in ruimere zin, maar ook een rechtstreekse bedreiging voor de veiligheid van Europese landen; benadrukt dat Iran en bepaalde golfstaten, die een belangrijke rol spelen, een verantwoordelijkheid hebben om bij te dragen aan de inspanningen tot de-escalatie in Irak en Syrië; prijst de rol van de buurlanden, waaronder Jordanië en Libanon, bij het opvangen van vluchtelingen; verzoekt de EU zo spoedig mogelijk haar omvattende regionale strategie ten aanzien van Syrië, Irak en de IS-dreiging te presenteren; onderstreept dat de EU een strategie nodig heeft die de activiteiten van de VN en de anti-IS-coalitie aanvult en die zich richt op de samenwerking met regionale partners om de financiering van het terrorisme, de wapenleveranties en de stroom van transnationale buitenlandse strijders aan te pakken;

5.      steunt de wereldwijde campagne tegen IS en is verheugd over de vastbeslotenheid van de coalitiepartners om in het kader van een gemeenschappelijke, veelzijdige langetermijnstrategie samen te werken met het doel IS te verzwakken en te verslaan; is verheugd over de nederlaag van IS in de Syrische stad Kobani;

6.      is diep bezorgd over de expansie van IS in Noord-Afrika en met name in Libië, waar de groepering profiteert van het politieke vacuüm en de escalatie van het geweld in het land; brengt in herinnering dat IS de stad Derna in het oosten van het land reeds in handen heeft en vaste voet aan de grond heeft in grote steden zoals Tripoli, Benghazi en Sirte; is van mening dat de regio in een destructieve chaos terecht dreigt te komen, vergelijkbaar met de huidige situatie in Syrië en Irak; veroordeelt ten sterkste de moorden die IS in 2015 gepleegd heeft op de Egyptische verslaggever Sofien Chourabi en cameraman Nadhir Ktari; spreekt ook zijn krachtige veroordeling uit van de aanval van 27 januari 2015 op het hotel Corinthia in Tripoli waarbij negen doden vielen, waaronder een Amerikaanse beveiligingscontractant en een Franse burger; hekelt ook de ontvoering door IS en andere verwante terroristische groeperingen (Ansar al-Sharia) van 21 Egyptische koptische christenen in Sirte; verzoekt de onmiddellijke vrijlating van die gijzelaars;

7.      veroordeelt het gebruik en de exploitatie van olievelden en oliegerelateerde infrastructuur door IS en daarmee verbonden groepen, aangezien IS daarmee een aanzienlijk inkomen verwerft, en verzoekt alle landen met klem zich te houden aan resoluties 2161 (2014) en 2170 (2014) van de VN-Veiligheidsraad, waarin elke vorm van directe of indirecte handel met IS en daarmee verbonden groepen wordt veroordeeld;

8.      uit zijn bezorgdheid over de toename van de betrokkenheid van extremistische islamitische groeperingen en buitenlandse strijders bij het conflict in Syrië; benadrukt dat voor een duurzame oplossing een politieke transitie nodig is via een door Syrië geleid inclusief politiek proces met de steun van de internationale gemeenschap; is ingenomen en steunt de werkzaamheden van Staffan de Mistura, de speciale afgezant van de Verenigde Naties voor Syrië, en zijn inspanningen om tot een onderbreking van de zware gevechten in Aleppo te komen; dringt er bij alle partijen in het conflict in Syrië op aan de bescherming van de burgerbevolking te waarborgen, hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal humanitair recht en mensenrechtenwetgeving na te komen, de verstrekking van humanitaire hulp en bijstand door middel van alle mogelijke kanalen te faciliteren, over grenzen en conflictlijnen heen, en de veiligheid van al het medisch personeel en alle humanitaire hulpverleners te waarborgen;

9.      dringt er bij de Iraakse regering op aan werkelijk representatief te zijn, met een inclusieve agenda; onderstreept dat de regering de politieke, religieuze en etnische verscheidenheid van de Iraakse samenleving, inclusief de soennitische minderheid, naar behoren zou moeten weerspiegelen, zodat er een einde komt aan het bloedvergieten en de versnippering van het land; dringt er bij alle deelnemers op aan zich eendrachtig in te zetten voor de belangen van politieke stabiliteit en vrede, alsook voor de bestrijding van de IS-opstand; onderstreept dat de eenheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van Irak essentieel zijn voor de stabiliteit en de economische ontwikkeling van het land en de regio;

10.    staat achter het verzoek van de VN-Mensenrechtenraad aan het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten om dringend een missie naar Irak te sturen om de schendingen van het internationaal recht inzake de mensenrechten door IS en de daarmee verbonden groepen te onderzoeken en om de feiten en omstandigheden van die schendingen vast te stellen, teneinde straffeloosheid te voorkomen en een volledige verantwoordingsplicht te waarborgen;

11.    blijft ervan overtuigd dat er geen duurzame vrede in Syrië en Irak mogelijk is zonder dat rekenschap wordt afgelegd voor de misdaden die tijdens het conflict zijn gepleegd, met name misdaden op religieuze of etnische gronden; herhaalt zijn oproep om degenen die worden verdacht van het plegen van misdaden tegen de menselijkheid in Syrië en Irak voor het Internationaal Strafhof te brengen en steunt alle initiatieven in deze richting;

12.    uit andermaal zijn bezorgdheid over het feit dat duizenden buitenlandse strijders, waaronder onderdanen van EU-lidstaten, zich bij de IS-opstand hebben aangesloten; verzoekt de lidstaten passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat strijders van hun grondgebied vertrekken – in overeenstemming met resolutie 2170 (2014) van de VN-Veiligheidsraad – en om een gemeenschappelijke strategie voor veiligheidsdiensten en EU-agentschappen te ontwikkelen voor het volgen en controleren van jihadisten; roept op tot samenwerking in de EU en op internationaal niveau met het oog op passende juridische stappen tegen eenieder die ervan verdacht wordt bij terroristische acties betrokken te zijn; roept de EU-lidstaten ertoe op hun samenwerking en de informatie-uitwisseling onderling en met EU-organen op te voeren;

13.    dringt er bij de internationale gemeenschap op aan meer humanitaire hulp en bijstand te bieden aan de mensen die door de crisis in Irak en Syrië zijn getroffen, en rechtstreekse financiële steun aan de gastlanden te verlenen; is verheugd over de verplichtingen die de lidstaten van de EU als de grootste donor van financiële steun zijn aangegaan en hun toezeggingen voor de toekomst; verzoekt de EU druk uit te oefenen op alle donoren opdat zij hun beloften en toezeggingen op korte termijn naleven;

14.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Europese Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad, de regering en de Raad van Volksvertegenwoordigers van Irak, het regionale bestuur van Koerdistan en alle partijen die betrokken zijn bij het conflict in Syrië.

 

Juridische mededeling