Procedure : 2015/2559(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0139/2015

Ingediende teksten :

B8-0139/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 12/02/2015 - 4.6
CRE 12/02/2015 - 4.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0040

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 142kWORD 79k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0136/2015
9.2.2015
PE549.932v01-00
 
B8-0139/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de humanitaire crisis in Irak en Syrië, met name in de context van IS (2015/2559(RSP))


Alyn Smith, Barbara Lochbihler, Karima Delli, Igor Šoltes namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de humanitaire crisis in Irak en Syrië als gevolg van het IS-geweld (2015/2559(RSP))  
B8‑0139/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over Irak en Syrië,

–       gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over Irak en Syrië, in het bijzonder die van 15 december 2014,

–       gezien de conclusies van de Europese Raad over Irak en Syrië van 30 augustus 2014,

–       gezien de verklaringen over Irak en Syrië van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV),

–       gezien Resoluties 2139 (2014), 2165 (2014) en 2170 (2014) van de VN-Veiligheidsraad en Resolutie S-221 van de VN-Mensenrechtenraad,

–       gezien het VN-rapport van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor de Arabische Republiek Syrië van 12 februari 2014: "Rule of Terror: Living under ISIS in Syria" (Terreurheerschappij: leven onder ISIS in Syrië) van 14 november 2014,

–       gezien de verklaringen over Irak en Syrië van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties,

–       gezien de recente verklaringen van António Guterres, Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten, over de situatie van de Syrische en Iraakse vluchtelingen;

–       gezien de verklaring van de NAVO-top van 5 september 2014,

–       gezien de EU-richtsnoeren over het internationaal humanitair recht, mensenrechtenverdedigers en bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging,

–       gezien de conclusies van de internationale conferentie over vrede en veiligheid in Irak, die op 15 september 2014 in Parijs is gehouden, en de eerste ministervergadering van de 60 landen tellende wereldwijde coalitie tegen de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL), die op 3 december 2014 in Brussel is gehouden,

–       gezien de internationale "Conferentie over de situatie van de Syrische vluchtelingen – Steun voor de stabiliteit in de regio", die op 28 oktober 2014 in Berlijn is gehouden, en de door de UNHCR bijeengeroepen ministeriële donorconferentie van 9 december 2014 over hervestiging en andere vormen van toelating van Syrische vluchtelingen;

–       gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds, en zijn wetgevingsresolutie van 17 januari 2013 over dat partnerschap(1),

–       gezien de gezamenlijke mededeling van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie over de regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die uitgaat van Da'ish,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat het conflict in Syrië, dat nu zijn vijfde jaar ingaat, heeft geleid tot de grootste humanitaire ramp sinds de Tweede Wereldoorlog; overwegende dat volgens cijfers van de VN bij het conflict al meer dan 200 000 doden – voor het merendeel burgers – zijn gevallen, meer dan 7,6 miljoen mensen in eigen land ontheemd zijn en meer dan 12,2 miljoen Syriërs dringend hulp nodig hebben in Syrië zelf; overwegende dat 212 000 mensen nog steeds worden belegerd – 185 000 door regeringstroepen en 26 500 door oppositietroepen; overwegende dat meer dan 3,5 miljoen Syriërs hun land ontvlucht zijn, hoofdzakelijk naar Libanon, Turkije, Jordanië, Irak en Egypte, en dat zij thans de grootste vluchtelingenpopulatie ter wereld vormen die onder het mandaat van de UNHCR valt;

B.     overwegende dat de humanitaire situatie in Irak blijft verslechteren en dat de behoeften toenemen; overwegende dat meer dan 5,2 miljoen mensen dringend behoefte hebben aan humanitaire hulp en dat meer dan 2,1 miljoen Irakezen in eigen land ontheemd zijn; overwegende dat 3,6 miljoen mensen in door IS gecontroleerd gebied wonen, waarvan er 2,2 miljoen dringend behoefte aan hulp hebben, en dat deze mensen bijzonder moeilijk te bereiken zijn; overwegende dat sinds de zomer van 2014 ruim 500 000 Irakezen uit het oosten van Irak zijn gevlucht; overwegende dat Irak ook onderdak biedt aan meer dan 233 000 Syrische vluchtelingen;

C.     overwegende dat IS tal van gewelddaden en misdaden tegen de bevolking in Noord-Irak en Syrië heeft begaan; overwegende dat het gaat om zware feiten zoals massa-executies en etnische zuivering die neerkomen op genocide op bepaalde religieuze groepen, met name sjiieten, gedwongen belkeringen, gedwongen verplaatsingen, steniging en amputaties, gedwongen verdwijningen en foltering; overwegende dat IS het met name heeft gemunt op etnische en religieuze minderheden zoals sjiieten, jezidi's, christenen, shabakken, kaka'i en sabeeërs; overwegende dat de VN ook melding maken van stelselmatig seksueel geweld tegen en slavernij van vrouwen en kinderen, rekrutering van kinderen voor zelfmoordaanslagen, seksueel en lichamelijk misbruik en foltering;

D.     overwegende dat er dagelijks massaal melding wordt gemaakt oorlogsmisdaden en schendingen van het internationaal humanitair recht en de mensenrechten door de andere partijen bij het conflict, met name het Assad-regime;

E.     overwegende dat bij het conflict in Irak alleen al in 2014 ten minste 12 000 mensen zijn omgekomen en 22 000 mensen gewond zijn geraakt; overwegende dat bij het conflict in Syrië sinds 2011 ruim 200 000 mensen zijn omgekomen;

F.     overwegende dat het neerslaan van de grotendeels vreedzame betogingen in de westelijke provincie Anbar door de Iraakse regering, waarbij in april 2013 in Hawija 90 betogers omkwamen en in december 2013 in Ramadi 17 betogers omkwamen, mee de aanleiding vormde voor de opstand tegen de regering; overwegende dat door de Iraakse regering gesteunde sjiitische milities aan het hoofd stonden van de veiligheidstroepen die IS bestreden en zich in die grotere rol straffeloos schuldig maakten aan ontvoeringen, standrechtelijke executies, marteling en massale verplaatsing van duizenden gezinnen; overwegende dat de regering niemand ter verantwoording heeft geroepen voor het misbruik door deze milities of door haar eigen troepen;

G.     overwegende dat de militaire posities op het terrein in Syrië en Irak sinds de bombardementen van de door de VS geleide coalitie tegen IS in augustus 2014 niet spectaculair zijn opgeschoven; overwegende dat IS in grote delen van Irak en Syrië nog steeds de controle heeft over de natuurlijke hulpbronnen en het grondgebied; overwegende dat IS terrein verloren heeft in de stad Kobane/Ein el Arab, delen van Mossul en een aantal steden in de provincie Al Anbar;

H.     overwegende dat het Syrische regime de strategische posities van IS nog steeds niet aanvalt;

I.      overwegende dat bij de bemiddelingspogingen van de VN, onder leiding van Staffan de Mistura, speciaal vertegenwoordiger van de VN voor Syrië, om tot een politieke oplossing van het Syrische conflict te komen, tot dusver geen concrete vooruitgang is geboekt;

J.      overwegende dat volgens de UNHCR bijna 50 % van alle Syriërs zijn huis heeft moeten verlaten en 40 % van de vluchtelingen noodgedwongen in ondermaatse omstandigheden leeft, hetgeen op lange termijn gevolgen zal hebben voor de scholing van twee miljoen vluchtelingenkinderen; overwegende dat volgens de VN driekwart van de Syriërs in armoede leeft en het werkeloosheidspercentage in het land boven de 50 % ligt; overwegende dat twee derde van de Syrische vluchtelingen in Jordanië onder de armoedegrens leeft en dat 55 % van de vluchtelingen in Libanon in ondermaatse opvang leeft; overwegende dat in de gastlanden het geweld tegen en de discriminatie van vluchtelingen zijn toegenomen;

K.     overwegende dat de UNHCR landen heeft opgeroepen om tegen 2016 ten minste 130 000 plaatsten beschikbaar te stellen voor de hervestiging van Syrische vluchtelingen; overwegende dat de EU-lidstaten ongeveer 36 000 plaatsen hebben toegezegd;

L.     overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de vluchtelingen heeft gewaarschuwd dat de landen die Syrische vluchtelingen onderdak bieden, worden geconfronteerd met een enorme bevolkingstoename, waardoor de nationale infrastructuur, scholen en ziekenhuizen overvraagd raken, de water- en energievoorziening niet meer volstaat, de overheidsfinanciën onder zware druk komen te staan en een groot deel van de bevolking van de gastlanden het economisch moeilijk krijgt;

M.    overwegende dat de humanitaire behoeften exponentieel toenemen, maar dat de VN‑agentschappen en andere humanitaire organisaties met een chronisch gebrek aan broodnodige financiering te kampen hebben; overwegende dat het regionale vluchtelingenplan waartoe de UNHCR heeft opgeroepen, sinds januari 2015 slechts voor 51 % gefinancierd is en een begrotingstekort van 1,8 miljard USD heeft; overwegende dat het Wereldvoedselprogramma van de VN essentiële voedselhulp aan 1,7 miljoen Syrische vluchtelingen in december 2014 tijdelijk moest opschorten bij gebrek aan financiering;

N.     overwegende dat de EU sinds het begin van het conflict ruim 3,3 miljard EUR aan noodhulp heeft uitgetrokken voor Syriërs in eigen land en voor de vluchtelingen in gastlanden; overwegende dat ook het EU-mechanisme voor civiele bescherming is geactiveerd om snel hulp en deskundigen naar de regio te kunnen sturen;

O.     overwegende dat António Guterres, Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten, op 29 januari 2015 heeft verklaard dat slechts twee Europese landen – Zweden en Duitsland – tot dusver voldoende hebben gedaan om de nood van de Syrische bevolking te lenigen; overwegende dat de heer Guterres de EU heeft gevraagd te overwegen een quotasysteem in te stellen om de opvang van asielzoekers evenwichtiger te verdelen;

P.     overwegende dat de UNHCR de winterhulp heeft uitgebreid, met een programma ten belope van 206 miljoen USD om miljoenen kwetsbare mensen in de regio de winter door te helpen; overwegende dat veel vluchtelingen ondanks deze inspanningen in niet-afgewerkte gebouwen en ontoereikende noodopvang moeten leven, waarin zij blootstaan aan vrieskou, zware sneeuwval en harde wind; overwegende dat ongeveer 740 000 intern ontheemde Irakezen een ondermaatse behuizing hebben en dat de UNHCR aan 600 000 ontheemden in Irak winterhulp probeert te verlenen;

Q.     overwegende dat de bijna 2 miljoen vluchtelingenkinderen 52 % van de vluchtelingenbevolking in de regio uitmaken; overwegende dat Unicef aan 916 000 van de beoogde 1,3 miljoen kinderen in Syrië, Irak, Libanon, Jordanië en Turkije winterhulp verleent; overwegende dat Unicef en het Wereldvoedselprogramma in januari 2015 met een wintertoelagencampagne zijn gestart; overwegende dat volgens Kang Kyung-wha, adjunct-secretaris-generaal van de VN voor humanitaire aangelegenheden, de VN-operaties met een gebrekkige financiering kampen omdat slechts 39 % van de vereiste 2,3 miljard USD is ontvangen; overwegende dat het volgens de UNHCR nog steeds erg moeilijk is om ter plaatse op te treden om burgers en vluchtelingen de benodigde hulp te verlenen;

1.      uit zijn bezorgdheid over de humanitaire tragedie in Irak en Syrië, die zich nog steeds uitbreidt en die in de recente geschiedenis zijn weerga niet kent;

2.      herhaalt zijn krachtige veroordeling van de aanhoudende en wijdverbreide mensenrechtenschendingen en andere schendingen door statelijke en niet-statelijke actoren in beide landen;

3.      erkent dat het geweld van IS een van de vele factoren is die bijdragen tot de humanitaire crisis in Syrië, Irak en de ruimere regio; vraagt de internationale gemeenschap in dit verband steun te verlenen voor een politiek proces om het lijden van miljoenen mensen van alle religieuze en etnische groepen te verlichten;

4.      benadrukt dat de reactie van de EU, ondanks de dreiging van gewapende en extremistische groeperingen aan alle zijden, principieel moet blijven stroken met de Europese consensus over humanitaire hulp en het internationaal humanitair recht; vraagt de EU bij haar reactie noodhulp niet ondergeschikt te maken aan een politieke agenda waarin terrorismebestrijding voorop wordt gesteld;

5.      vraagt alle conflictpartijen het internationaal humanitair recht te eerbiedigen en ervoor te zorgen dat burgers worden beschermd, onbelemmerd toegang hebben tot medische voorzieningen en humanitaire bijstand, en gebieden waar geweld heerst, veilig en waardig kunnen verlaten;

6.      blijft ernstig bezorgd over de bedreiging die IS vormt voor de bevolking van Irak en Syrië en daarbuiten; hekelt de extremistische ideologie en de gruweldaden die IS heeft begaan in gebieden die het controleert, zoals standrechtelijke executies, extreem geweld tegen religieuze en etnische minderheden, de brutale onderwerping van vrouwen en meisjes en het vermoorden van gijzelaars;

7.      benadrukt dat de opkomst van IS als belangrijke regionale actor die sinds de zomer van 2014 de internationale aandacht naar zich toetrekt, niet mag verhullen dat ook andere actoren een grote en blijvende verantwoordelijkheid dragen voor de huidige humanitaire ramp, met name in de eerste plaats het Assad-regime, maar ook de vorige Iraakse regering en andere plaatselijke strijdende partijen en milities;

8.      veroordeelt nogmaals ten stelligste de misdaden die de Syrische regering tegen haar bevolking heeft begaan; veroordeelt het feit dat Syrië onder meer in april 2014 chemische wapens, en met name chloorgas, heeft gebruikt tegen burgers en oppositiegroeperingen, waarmee het zijn eerdere internationale toezeggingen heeft geschonden;

9.      vraagt de Syrische regering in heel Syrië onmiddellijk op te houden met het gebruik van brandwapens; vraagt de ondertekenende staten, waaronder Rusland en China, Syrië ertoe op te roepen het internationaal protocol inzake het verbod op brandwapens in acht te nemen;

10.    veroordeelt het feit dat de Syrische op grote schaal clustermunitie gebruikt tegen haar bevolking, wat een schending is van resolutie 68/182 van de Algemene Vergadering van de VN van december 2013, die door 140 staten werd gesteund;

11.    veroordeelt het feit dat Syrië met schending van resolutie 2139 van de VN-Veiligheidsraad van 22 februari 2013 grote aantallen ongeleide tonbommen op burgers blijft droppen, bijvoorbeeld bij de luchtaanvallen van de Syrische regering op Aleppo, waarbij alleen al in 2014, 3 557 burgers zijn omgekomen;

12.    veroordeelt de belegeringsstrategie van Syrië, die erin bestaat de burgerbevolking uit te hongeren om gebied te heroveren, met name in Homs, het Yarmouk-kamp ten zuiden van Damascus, Daraya, Oost-Ghouta en Moadameiya, waarvan 200 000 burgers het slachtoffer zijn en die een schending vormt van resolutie 2013(2013) van de VN-Veiligheidsraad, waarin alle partijen worden opgeroepen om "de belegering van bevolkte gebieden onmiddellijk op te heffen";

13.    vraagt IS, Jabhat al-Nusra, de Iraakse regering, de Koerdische autoriteiten in Syrië en de Syrische regering alle gevangenen die willekeurig worden vastgehouden, vrij te laten; vraagt de Syrische regering de ruim 85 000 gevangen vrij te laten die sinds het begin van de Syrische revolutie in 2011 worden vastgehouden in omstandigheden die neerkomen op gedwongen verdwijning;

14.    veroordeelt de executies en foltering door IS, alsook de moord op duizenden gevangenen die in 2014 werden vastgehouden in militaire hospitalen in Syrië, waarover Syrische overlopers en mensenrechtenorganisaties hebben getuigd;

15.    veroordeelt de inzet van kindsoldaten door IS, de YPG, de Koerdische politie en legertroepen in Syrië en alle andere partijen, waaronder de Syrische regering;

16.    is verheugd dat de EU en haar lidstaten een leidende rol spelen bij de internationale humanitaire respons; is echter nog steeds verontrust over het feit dat de humanitaire behoeften van de bevolking veel groter blijven dan de internationale respons; vraagt de internationale gemeenschap haar humanitaire inspanningen nog op te voeren, met name nu er een strenge winter heerst; verzoekt alle donoren hun toezeggingen na te komen en snel met hulpleveringen te komen; vraagt dat de bijdragen van de EU aan de humanitaire programma's van de VN worden verhoogd en dat de samenwerking met internationale organisaties wordt versterkt;

17.    is verheugd over de nieuwe strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die uitgaat van Da'ish, en met name over het pakket van 1 miljard EUR om "de vrede en de veiligheid te helpen herstellen" die volgens de VV/HR "al te lang door terrorisme en geweld teniet zijn gedaan"; onderstreept dat de conflicten in de regio niet in de eerste plaats mogen worden gezien in het kader van terrorismebestrijding, maar moeten worden gezien als een strijd voor de legitieme verwachtingen van de bevolking in de regio, die in 2011 heeft gevraagd om "brood, vrijheid, sociale gerechtigheid en menselijke waardigheid";

18.    steun de focus van de EU op onderwijs en beroepsopleiding in haar nieuwe strategie; is bezorgd over het feit dat dit vooral wordt gezien als een terrorismebestrijdingsmaatregel, terwijl onderwijl onderwijs een recht is en een belangrijk instrument is voor de bescherming van kinderen, zowel jongens als meisjes;

19.    vraagt om verduidelijking over de plannen van de EU voor nauwe samenwerking met de landen in de regio op het gebied van terrorismebestrijding, zoals voorgesteld in haar nieuwe strategie voor Syrië en Irak, en over de definitie en implicaties van het onvermogen van de "partnerlanden" om te voldoen aan de normen inzake mensenrechten en burgerlijke en politieke vrijheden;

20.    steunt de inspanningen van de VV/HV om de steun die door de EU-instellingen en de lidstaten wordt verleend, beter te coördineren; vraagt dat het EU-kantoor in Gaziantep (Turkije) versterking krijgt en dat er een EU-kantoor wordt geopend in Erbil (Noord-Irak) om het optreden van de EU ter plaatse doeltreffender en zichtbaarder te maken, met inbegrip van een betere coördinatie van de humanitaire en ontwikkelingshulp en steun voor onafhankelijke maatschappelijke organisaties, en met name onafhankelijke media;

21.    vraagt de lidstaten gevolg te geven aan het verzoek van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten om de lasten beter te verdelen, zodat Syrische vluchtelingen buiten de onmiddellijke grensregio bescherming kunnen krijgen door hervestiging, toelating om humanitaire redenen, vereenvoudigde gezinshereniging of flexibelere visumregelingen; verzoekt de lidstaten te zorgen voor een snellere afhandeling van de asielaanvragen van het toenemende aantal Syrische vluchtelingen dat de conflictgebieden ontvlucht; onderstreept dat er met name aandacht moet worden besteed aan groepen die bijzonder kwetsbaar zijn door ernstige medische behoeften of door hun seksualiteit, geslacht of handicap; vraagt de EU iets te doen aan het tragische probleem van dodelijk aflopende reizen over de Middellandse Zee; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat ten minste 5 % van de Syrische vluchtelingen in 2015 buiten de regio bescherming kan krijgen, dat de meest kwetsbare vluchtelingen prioriteit krijgen en dat hun rechten overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag van 1951 volledig worden gewaarborgd;

22.    veroordeelt het feit dat de lidstaten ten aanzien van Syrische vluchtelingen stelselmatig de Conventie van Genève schenden, met name Bulgarije, Spanje, Griekenland en Cyprus, die Syrische asielzoekers aan hun land- en zeegrenzen soms met geweld terugdrijven zonder hun de kans te geven een asielaanvraag in te dienen;

23.    vraagt de Jordaanse regering Palestijnse vluchtelingen uit Syrië niet langer gedwongen te deporteren of de toegang te weigeren;

24.    betreurt dat alle vier de buurlanden van Syrië Syriërs geen duidelijke rechtspositie willen geven;

25.    veroordeelt de stelselmatige tegenwerking van pogingen om in Syrië humanitaire hulp te verlenen en verzoekt alle bij het conflict betrokken partijen het internationaal humanitair recht en de mensenrechten te eerbiedigen, de verlening van humanitaire hulp en bijstand via alle mogelijke kanalen te vergemakkelijken, ook over grenzen en conflictlijnen heen, en de veiligheid van alle medische en humanitaire hulpverleners te garanderen, zoals in de verschillende resoluties van de VN-Veiligheidsraad wordt geëist;

26.    betreurt dat de Syrische regering nog steeds geen gevolg geeft aan de resolutie van de VN-Veiligheidsraad van 2 februari 2014, waarin een veilige en ongehinderde toegang voor humanitaire hulp over de grenzen en conflictlijnen in Syrië heen wordt geëist; betreurt ten zeerste dat de resolutie van de VN-Veiligheidsraad van 14 juli 2014, die de VN-agentschappen en hun uitvoerende partners toelaat om zonder toestemming van de regering hulp te bieden over de Syrische grens, nog steeds door de Syrische regering wordt geschonden;

27.    is ervan overtuigd dat onmiddellijke humanitaire bijstand en bescherming moeten worden aangevuld met een langetermijnstrategie ter ondersteuning van de sociaaleconomische rechten en bestaansmogelijkheden van teruggekeerde vluchtelingen en binnenlands ontheemden, zodat zij in staat worden gesteld duurzame oplossingen te kiezen die aan hun behoeften beantwoorden;

28.    onderstreept dat de hulpverlening, zoals gespecialiseerde medische zorg en psychologische ondersteuning van vrouwen en meisjes, moet worden geprioriteerd en uitgebreid;

29.    uit met name zijn bezorgdheid over het lot van het belegerde en uitgehongerde Palestijnse vluchtelingenkamp Yarmouk ten zuiden van Damascus, waar 18 000 Palestijnse vluchtelingen sinds 2012 nauwelijks humanitaire hulp krijgen en worden belegerd door milities die onder controle van de Syrische regering staan;

30.    veroordeelt nogmaals de geweldpleging tegen en het doden van LGBT-personen in de regio, misdrijven die volstrekt onbestraft blijven; wijst erop dat LGTB-personen in de regio in een bijzonder kwetsbare positie verkeren omdat zij weinig steun krijgen van hun families en van de gemeenschap en door de overheid nauwelijks worden beschermd, en dat hun veiligheid in vluchtelingengemeenschappen en bepaalde gastlanden onvoldoende gewaarborgd wordt; vraagt de Iraakse regering, de EU-delegatie in Irak en de ambassades van de EU-lidstaten in de regio LGBT-personen bescherming te bieden en zorg te dragen voor spoedige hervestiging van LGBT-personen die uit veiligheidsoverwegingen gevlucht zijn;

31.    maakt zich nog steeds zorgen over het gebruik en de exploitatie van olievelden en oliegerelateerde infrastructuur door IS en daarmee verbonden groepen die mobiele olieraffinaderijen gebruiken, aangezien IS daarmee meer inkomsten verwerft, en verzoekt alle landen met klem zich te houden aan resoluties 2161 (2014) en 2170 (2014) van de VN-Veiligheidsraad, waarin elke vorm van directe of indirecte handel met IS en daarmee verbonden groepen wordt veroordeeld; vraagt de EU de sancties te verscherpen om IS te beletten olie te verkopen; vraagt de EU sancties op te leggen aan alle partijen (regeringen en publieke of particuliere ondernemingen) die betrokken zijn bij het vervoer, de verwerking, de raffinage en de verhandeling van olie die is gewonnen in door IS gecontroleerde gebieden, in combinatie met strenge controles op financiële stromen om elke vorm van economische activiteit en benutting van belastingparadijzen door IS te voorkomen;

32.    vraagt om strengere controles van uitrusting die voor de bouw van mobiele olieraffinaderijen wordt gebruikt en die via Turkije naar Irak wordt vervoerd, en om een betere coördinatie tussen de autoriteiten van Turkije, de regionale Koerdische regering en Irak bij de bestrijding van oliesmokkel in de regio; is verheugd dat Koeweit in augustus 2014 maatregelen heeft aangekondigd om te voorkomen dat IS wordt gefinancierd door personen in moskeeën en om humanitaire hulp via erkende liefdadigheidsorganisaties te verlenen; vraagt nogmaals dat de EU-sancties ten aanzien van de olie-inkomsten van de Syrische regering volledig worden gehandhaafd; is verheugd dat de EU de uitvoer van brandstof voor de Syrische luchtmacht sinds december 2014 heeft verboden;

33.    benadrukt dat IS in de eerste plaats eerder het gevolg dan de oorzaak is van de huidige onrust in het Midden-Oosten en daarbuiten; beklemtoont dat IS het gevolg is van langdurige mensenrechtenschendingen en straffeloosheid, corrupt kapitalisme, wijdverbreide corruptie, sektarisme, marginalisering en discriminatie van hele bevolkingsgroepen, met name sociaal achtergestelde Arabische soennieten, alsook van een lange geschiedenis van manipulatie van buitenaf en inmenging door regionale en westerse actoren; meent dan ook dat er voor een doeltreffend optreden van de internationale gemeenschap tegen de infame handelingen en aard van IS een gezamenlijk, inclusief strategisch actieplan nodig is dat op internationale legaliteit berust;

34.    benadrukt dat de regionale strategie van de EU ter bestrijding van IS de diepere sociaaleconomisch, culturele en politieke wortels van het verschijnsel IS in kaart moet brengen en zich daarop moet concentreren, moet worden gekoppeld aan een politieke oplossing op lange termijn voor het Syrische conflict en steun voor een inclusief, verantwoordelijk en democratisch Irak, en rekening moet houden met de belangen van alle betrokken bevolkingsgroepen;

35.    vraagt nogmaals om een duurzame oplossing voor het Syrische conflict aan de hand van een inclusief politiek proces onder leiding van de Syriërs en op basis van het communiqué van Genève van juni 2012; betreurt dat de "Genève 2"-conferentie van januari 2014 geen concrete resultaten heeft opgeleverd;

36.    steunt ten volle de inspanningen van de speciale vertegenwoordiger van de VN voor Syrië om alle partijen te bewegen tot plaatselijke wapenstiltanden en humanitaire pauzes om de levering van humanitaire hulp mogelijk te maken;

37.    blijft ervan overtuigd dat duurzame vrede in Syrië en Irak niet mogelijk is zonder dat er verantwoording wordt afgelegd over de misdaden die tijdens het conflict zijn gepleegd; betreurt ten zeerste dat Rusland en China op 22 mei 2014 een veto hebben uitgebracht tegen een resolutie van de VN-Veiligheidsraad die de situatie in Syrië zou hebben verwezen naar het Internationaal Strafhof, terwijl de 13 andere leden van de Veiligheidsraad vóór de verwijzing waren; herhaalt zijn oproep om de situatie in Syrië aan het Internationaal Strafhof voor te leggen en steunt alle initiatieven in die zin;

38.    is van mening dat het succes en de aantrekkingskracht van IS en andere jihadistische groeperingen, met duizenden Europese jihadstrijders in hun rangen, mede het gevolg is van verkeerd beleid van westerse en regionale actoren, zoals steun voor groeperingen die een extremistische, gewelddadige interpretatie van de salafistische ideologie verspreiden, de agressieve oorlog tegen Irak en de zware, wijdverbreide en stelselmatige schendingen van de mensenrechten van soennitische Arabieren door het Syrische regime, dat sinds het begin van de Syrische revolutie in 2011 feitelijke straffeloosheid geniet;

39.    vraagt de Europese beleidsmakers het over een andere boeg te gooien en openlijk te erkennen dat ze in het verleden fouten hebben gemaakt, zoals programma's voor foltering en buitengewone uitlevering en medeplichtigheid aan mensenrechtenschendingen tijdens de zogenaamde "oorlog tegen terreur", en een actief beleid te voeren om iets te doen aan de diverse vormen van discriminatie van hun moslimbevolking en de recente golf van antimoslimgevoelens in Europa;

40.    is van mening dat de dramatische instabiliteit in het hele zuidelijke nabuurschap van de EU ongeziene politieke maatregelen van de EU vereist, en dat de Koerdische regio, met name Noord-Irak, van bijzonder belang is als mogelijk anker van stabiliteit en de-escalatie, en daarbij een grotere rol moet kunnen spelen; vraagt ook om een herziening van het beleid ten aanzien van Saudi-Arabië om de regering ertoe aan te sporen de staatsdoctrine en de staatsinstellingen grondig te hervormen en personen in Saudi-Arabië te beletten steun te verlenen aan gewelddadige islamistische groeperingen; steunt ten volle alle inspanningen van de EU om een oplossing te vinden voor het aanslepende nucleaire geschil met Iran, en is van mening dat de Palestijnse Autoriteit moet worden gesteund bij elke poging om op internationaal vlak meer als staat te worden erkend;

41.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en de Raad van Volksvertegenwoordigers van Irak, het regionale bestuur van Koerdistan, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en alle partijen die betrokken zijn bij het conflict in Syrië.

 

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0023.

Juridische mededeling