Procedure : 2015/2589(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0376/2015

Ingediende teksten :

B8-0376/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 29/04/2015 - 10.66
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0175

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 127kWORD 56k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0363/2015
27.4.2015
PE555.150v01-00
 
B8-0376/2015

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de tweede herdenking van de instorting van het Rana Plaza-gebouw en de voortgang bij het Duurzaamheidspact Bangladesh (2015/2589(RSP))


Catherine Bearder, Filiz Hyusmenova, Ivan Jakovčić, Marielle de Sarnez, Beatriz Becerra Basterrechea, Frédérique Ries, Louis Michel, Jozo Radoš, Marietje Schaake, Ivo Vajgl, Gérard Deprez, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Petras Auštrevičius, Robert Rochefort, Hilde Vautmans, José Inácio Faria namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement de tweede herdenking van de instorting van het Rana Plaza-gebouw en de voortgang bij het Duurzaamheidspact Bangladesh (2015/2589(RSP))  
B8‑0376/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Bangladesh van 2001,

–       gezien zijn eerdere resoluties over Bangladesh, met name die van 14 januari 2014(1), 21 november 2013(2) en 14 maart 2013(3),

–       gezien de herziene richtsnoeren van de OESO voor multinationale ondernemingen van 2011,

–       gezien de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten,

–       gezien de verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) over fundamentele beginselen en rechten op het werk,

–       gezien het Pact van de VN inzake mensenrechten, arbeid, milieu en corruptiebestrijding,

–       gezien het Pact ter continuele verbetering van de arbeidsrechten en de veiligheid in fabrieken van confectiekleding en breigoederen in Bangladesh,

–       gezien de Verklaring van Johannesburg van de VN over duurzame consumptie en productie ter bevordering van sociaal-economische ontwikkeling,

–       gezien de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten, waarin voor zowel regeringen als bedrijven een kader wordt vastgelegd om mensenrechten te beschermen en in acht te nemen en die in juni 2011 werden goedgekeurd door de Mensenrechtenraad,

–       gezien het Duurzaamheidspact ter continuele verbetering van de arbeidsrechten en de veiligheid in fabrieken van confectiekleding en breigoederen in Bangladesh,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat op 24 april 2013 1134 mensen zijn omgekomen en duizenden anderen gewond zijn geraakt toen in Savar in Bangladesh het Rana Plaza-gebouw instortte;

B.     overwegende dat op 24 november 2012 ten minste 112 mensen zijn omgekomen bij de brand in de Tazreen-fabriek in de wijk Ashulia in de stad Dhaka in Bangladesh, en dat in september 2012 289 mensen om het leven kwamen in een vuurzee in Karachi in Pakistan;

C.     overwegende dat ten minste zes mensen zijn omgekomen en 60 mensen gewond zijn geraakt toen onlangs in Bangladesh het dak van een onafgebouwde cementfabriek instortte;

D.     overwegende dat de confectie-industrie in Bangladesh in een paar decennia tijd is uitgegroeid tot de op een na grootste in de wereld;

E.     overwegende dat Bangladesh als een van de minst ontwikkelde landen in aanmerking komt voor accijnsvrije en quotavrije toegang tot de EU-markt voor al zijn producten die onder het "alles behalve wapens"-initiatief vallen, wat voor 55% van de export van Bangladesh geldt, die voor het grootste deel uit kleding en textiel bestaat;

F.     overwegende dat meer dan 5 000 nabestaanden van de slachtoffers en overlevenden van de Rana Plaza-ramp nog slechts 40% van de hun toekomende schadevergoeding hebben ontvangen en dat er weliswaar afspraken bestaan over de uitbetaling van nog eens 30% van hun totale claims, maar dat de eindbetaling niet kan plaatsvinden omdat er 9 miljoen US-dollar te weinig is;

G.     overwegende dat de IAO het nationale initiatief van de regering van Bangladesh steunt om structurele en brand- en elektriciteitsveiligheidsinspecties uit te voeren in zo'n 1 800 confectiefabrieken, die in vele gevallen verbouwde bedrijfspanden of woonhuizen zijn;

H.     overwegende dat in het kader van de overeenkomst inzake gebouwen- en brandveiligheid in Bangladesh en door de Alliantie voor de veiligheid van werknemers in Bangladesh inspecties zijn verricht in de 1 687 fabrieken waar de aangesloten bedrijven producten betrekken;

I.      overwegende dat fatsoenlijk werk in de wereldwijde toeleveringsketens hoog op de agenda van de IAO-Conferentie van 2016 zal staan;

1.      betreurt het tekort van 9 miljoen US-dollar op het totaal dat benodigd is voor de uitkering van schadevergoeding in verband met de Rana Plaza-ramp; roept de verantwoordelijke internationale merken, de regering van Bangladesh en de vertegenwoordigers van de Bengalese industrie op onmiddellijk maatregelen te nemen om dit tekort aan te vullen;

2.      merkt op dat de momenteel over de betaling van schadevergoeding in verband met de brand in Tazreen op dezelfde basis wordt onderhandeld als de Rana Plaza-regeling; betreurt de aanhoudende vertragingen ten zeerste en dringt erop aan dat de schadevergoeding tijdig uitbetaald wordt;

3.      betreurt dat de overlevenden en de nabestaanden van de slachtoffers van de fatale brand bij de textielfabriek Ali Enterprises in Karachi (Pakistan), waarbij 260 mensen om het leven zijn gekomen, nog steeds wachten op schadevergoeding door een vooraanstaand Europees kledingbedrijf;

4.      is ingenomen met de initiatieven die genomen worden om in Bangladesh een permanent verzekeringsstelsel voor arbeidsongevallen op te zetten en verzoekt de Commissie deze initiatieven in voorkomend geval te steunen, maar tekent daarbij aan dat de vooruitgang op dit gebied belemmerd zal worden zolang de huidige compensatie-inspanningen niet zijn afgerond;

5.      verzoekt de regeringen van de EU-lidstaten en van andere landen op zich te gaan buigen over een beter regelgevingskader dat ervoor zorgt dat toegang tot rechtsmiddelen en schadevergoeding gebaseerd is op noodzaak en niet op vermogen van actiegroepen om degenen die in gebreke blijven publiekelijk als schuldigen aan te wijzen;

6.      is ingenomen met de fabrieksinspecties die thans zijn afgerond in Bangladesh en het feit dat op veel plaatsen inmiddels maatregelen worden genomen; steunt het belangrijke werk van de IAO om dit te helpen garanderen;

7.      is verheugd over de belangrijke toezegging van de Bengalese regering om het Ministerie voor Fabrieks- en bedrijfsinspecties (DIFE) opnieuw op te bouwen en over het feit dat de dienst inspecties van dat ministerie in januari 2014 is uitgebreid;

8.      wijst echter op beschuldigingen van diepgewortelde corruptie in vele landen in Zuid-Azië tussen gezondheids- en veiligheidsinspecteurs en fabriekseigenaren en verzoekt om meer maatregelen om dergelijke praktijken te bestrijden;

9.      verzoekt de regering van Bangladesh om de beloftes van het Pact na te komen en onverwijld en met de hoogste prioriteit de uitvoeringsvoorschriften en –verordeningen van de arbeidswet van Bangladesh ten uitvoer te leggen en daarbij uitgebreid overleg te plegen met de tripartiete adviesraad (TCC) en ten volle rekening te houden met de aanbevelingen van de IAO;

10.    is ingenomen met het vlaggenschipinitiatief van de Commissie inzake verantwoordelijk beheer van de toeleveringsketen in de kledingsector; meent dat de EU een wereldwijde kampioen van verantwoordelijkheid in de toeleveringsketen kan en moet zijn;

11.    is van mening dat toegang tot informatie in de kledingsector vaak de belangrijkste hinderpaal vormt voor het bestrijden van mensenrechtenschendingen in de wereldwijde toeleveringsketen en dat er een verplicht informatiesysteem moet komen met gegevens over de contacten tussen alle spelers in de waardeketen van elk product, van de plaats van productie tot de kleinhandel;

12.    is van mening dat er nieuwe EU-wetgeving nodig is om het wettelijk verplicht te maken dat kledingbedrijven in de EU die de productie outsourcen naar derde landen zorgvuldigheid in verband met mensenrechten betrachten, inclusief bindende maatregelen om de traceerbaarheid en de transparantie te waarborgen door middel van wetgeving die bedrijven die op de Europese markt willen opereren ertoe verplicht om informatie te verstrekken over de hele toeleveringsketen van hun producten, overeenkomstig de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten;

13.    wijst op de belangrijke rol die werknemers en vakbonden kunnen spelen, bijvoorbeeld door in alle fabrieken door werknemers geleide veiligheidscommissies in te stellen en vakbonden toegang te geven tot fabrieken om werknemers voor te lichten over de manier waarop zij hun rechten en veiligheid kunnen beschermen, waaronder het recht op weigering van onveilig werk;

14.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, UN Women, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties en de regering en het parlement van Bangladesh.

 

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA (2014)0045.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA (2013)0516.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA (2013)0100.

Juridische mededeling