Procedure : 2015/2723(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0665/2015

Ingediende teksten :

B8-0665/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 09/07/2015 - 12.11
CRE 09/07/2015 - 12.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0275

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 157kWORD 294k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0657/2015
1.7.2015
PE559.028v01-00
 
B8-0665/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over Burundi (2015/2723(RSP))


Maria Heubuch, Judith Sargentini, Heidi Hautala, Barbara Lochbihler, Igor Šoltes, Davor Škrlec namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over Burundi (2015/2723(RSP))  
B8-0665/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over Burundi,

–       gezien de conclusies van de Raad van 22 juni 2015 over Burundi,

–       gezien de verklaring van de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 17 juni 2015 over de situatie in Burundi,

–       gezien de verklaring van de woordvoerder van de HV/VV van 29 juni 2015 over Burundi,

–       gezien de verklaring van de top van de Afrikaanse Unie van 13 juni 2015 over Burundi,

–       gezien de verklaring van de top van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap van 31 mei 2015 over Burundi,

–       gezien de Overeenkomst van Cotonou van 23 juni 2000 als herzien,

–       gezien de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening van 28 augustus 2000,

–       gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–       gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–       gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–       gezien het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

–       gezien de routekaart voor Burundi van maart 2013,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat Burundi een recente geschiedenis kent van burgeroorlog, wijdverbreid politiek geweld, onderontwikkeling en armoede;

B.     overwegende dat de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening van 2000 een proces van nationale verzoening in werking zette en leidde tot een periode van relatieve stabiliteit, ondanks momenten van wijdverbreid politiek geweld;

C.     overwegende dat president Pierre Nkurunziza momenteel kandidaat is voor een derde presidentiële ambtstermijn, hetgeen in het algemeen beschouwd wordt als strijdig met de Overeenkomst van Arusha en de Burundese grondwet;

D.     overwegende dat de aankondiging van zijn kandidatuur en de aanloop naar de verkiezingen gepaard gingen met de ernstige onderdrukking van de Burundese oppositie, mensenrechtenactivisten, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de media, waaronder de moord op oppositieleider Zedi Feruzi;

E.     overwegende dat op 29 juni 2015 wetgevende en lokale verkiezingen zijn gehouden in Burundi en dat op 15 juli 2015 presidentsverkiezingen zullen worden gehouden, die beide door de oppositie respectievelijk zijn en zullen worden geboycot;

F.     overwegende dat in juni stembureaus zijn aangevallen, waaruit de instabiliteit van de situatie waarin de verkiezingen werden gehouden blijkt;

G.     overwegende dat confrontaties tussen de politie en activisten van de oppositie sinds 26 april 2015 ten minste 27 levens hebben gekost;

H.     overwegende dat mensen van wie gedacht wordt dat zij de oppositie steunen of kritisch tegenover de regering staan systematisch geterroriseerd en bedreigd worden door gewapende jeugdgroepen die gelieerd zijn aan de regerende partij;

I.      overwegende dat duizenden demonstranten zijn gearresteerd en niet zijn vrijgelaten uit de gevangenis en andere detentiecentra;

J.      overwegende dat bijna 100 000 Burundezen zijn gevlucht naar buurlanden;

K.     overwegende dat het Grote Merengebied al meer dan twintig jaar geteisterd wordt door politieke instabiliteit en gewapende conflicten, en dat er een aanzienlijk risico bestaat dat binnenlandse conflicten zich uitbreiden naar buurlanden;

L.     overwegende dat veel critici van de regering in ballingschap zijn gegaan, waaronder vicepresident Gervais Rufyikiri, voorzitter van het Burundese parlement Pie Ntavyohanyuma, vicepresident van het Constitutionele Hof Sylvere Nimpagaritse, en Maggy Barnkitse, de oprichtster van Burundi's grootste ngo Maison Shalom, die allen bedreigd zijn nadat zij zich uitgesproken hadden tegen een derde termijn van president Nkurunziza;

M.    overwegende dat staatsmedia hun toevlucht hebben genomen tot uitingen van etnische haat in een regio die nog steeds de littekens draagt van de Rwandese genocide van 1994;

N.     overwegende dat de Verenigde Naties, de Afrikaanse Unie (AU) en de Oost-Afrikaanse gemeenschap (EAC) alle hebben opgeroepen tot uitstel van de verkiezingen, gezien de huidige situatie van instabiliteit en de onmogelijkheid van een vrije campagne voor de oppositie;

O.     overwegende dat de EU haar verkiezingswaarnemingsmissie uit Burundi heeft teruggetrokken en dat de EAC en de AU van het sturen van missies hebben afgezien;

P.     overwegende dat de Afrikaanse Unie haar bereidheid heeft uitgedrukt om mensenrechtenwaarnemers en militaire experts naar Burundi te sturen, maar dat hun de toegang is geweigerd door de Burundese autoriteiten;

Q.     overwegende dat in het Europees Ontwikkelingsfonds voor de periode 2014‑2020 432 miljoen EUR voor Burundi is gereserveerd;

1.      is zeer bezorgd over de situatie in Burundi, die het risico in zich draagt van een nieuwe burgeroorlog en het verder oplopen van de spanningen in het Grote Merengebied;

2.      is van mening dat de verkiezingen die plaatsvonden op 29 juni 2015 niet vrij en eerlijk waren, dat de Burundese autoriteiten de campagne van de oppositie systematisch belemmerden door het voorkomen van openbare manifestaties en het bedreigen van politici van de oppositie en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, hetgeen ertoe heeft geleid dat velen in ballingschap zijn gegaan, en dat de Burundese autoriteiten, geleid door president Nkurunziza, tijdens de organisatie van de verkiezingen de Burundese grondwet meermaals met voeten hebben getreden;

3.      is van mening dat de kandidatuur van president Nkurunziza voor een derde termijn een ondubbelzinnige schending is van de Overeenkomst van Arusha, waarin is bepaald dat de president wordt gekozen voor een termijn van vijf jaar die eenmaal kan worden verlengd en dat niemand meer dan twee ambtstermijnen als president kan fungeren;

4.      veroordeelt de ernstige onderdrukking van de oppositie in Burundi, de angst die wordt verspreid door de jeugdmilitie Imbonerakure van de regeringspartij en de onderdrukking van de media;

5.      dringt er bij de Burundese autoriteiten op aan ervoor te zorgen dat deze voorvallen volledig onderzocht worden en dat de daders voor het gerecht worden gebracht;

6.      dringt aan op de onmiddellijke ontwapening van de Imbonerakure-militie;

7.      houdt president Pierre Nkurunziza primair verantwoordelijk voor de ernstige verslechtering van de politieke situatie in Burundi en verzoekt hem onmiddellijk een serieuze dialoog aan te gaan met de oppositie in Burundi om een oplossing te vinden voor de huidige crisis; deze oplossing dient gebaseerd te zijn op de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening;

8.      roept president Nkurunziza en de Burundese autoriteiten op de presidentiële verkiezingen onmiddellijk uit te stellen;

9.      herinnert Burundi aan zijn verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van Cotonou om mensenrechten, democratische waarden en de rechtsstaat te respecteren; herinnert eraan dat dergelijke rechten ook zijn opgenomen in de Burundese grondwet;

10.    roept de Burundese autoriteiten op de fundamentele rechten van alle Burundezen te respecteren en te beschermen – inclusief de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering van aanhangers van de oppositie –, de media onverwijld open te stellen, de oppositieleiders in ballingschap te laten terugkeren naar het land, alle politieke gevangenen onvoorwaardelijk vrij te laten en te stoppen met het intimideren van maatschappelijke organisaties;

11.    dringt er bij de Burundese autoriteiten op aan de aangestelde mensenrechtenwaarnemers en militaire experts van de AU onmiddellijk tot het land toe te laten en geen enkele actie te ondernemen om hun werk te belemmeren;

12.    is ingenomen met de mededeling van de EDEO van 29 juni 2015 waarin wordt gedreigd met het nemen van maatregelen tegen de Burundese autoriteiten uit hoofde van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou, en verzoekt de EDEO en de Raad snel voortgang te maken met hun beslissing en de tenuitvoerlegging hiervan;

13.    verlangt dat dergelijke stappen gerichte beperkende maatregelen bevatten, zoals reisverboden voor en de bevriezing van middelen van degenen wier handelingen geleid kunnen hebben, of wellicht kunnen leiden, tot geweldpleging, onderdrukking en ernstige mensenrechtenschendingen, en/of pogingen kunnen belemmeren om tot een politieke oplossing te komen binnen het kader dat is voorgesteld door de AU en de EAC;

14.    roept de EU, de EAC en de AU op de legitimiteit van de regering die zal voortkomen uit een ondeugdelijk verkiezingsproces niet te erkennen;

15.    ondersteunt, en is verheugd over, de pogingen tot onderhandeling door de Verenigde Naties, de Afrikaanse Unie en de Oost-Afrikaanse Gemeenschap;

16.    is ernstig bezorgd over de aanhoudende uittocht van vluchtelingen naar buurlanden, spreekt opnieuw zijn steun uit aan de humanitaire organisaties in de regio, die voorzien in de directe behoeften van de vluchtelingen, en complimenteert de autoriteiten van de gastlanden voor hun open en gastvrije houding tegenover diegenen die hun toevlucht binnen hun grenzen zoeken;

17.    is ernstig bezorgd over het opnieuw opduiken van haatzaaiende uitlatingen in bepaalde media die aan de regering gelieerd zijn en houdt president Nkurunziza hiervoor en voor de mogelijke gevolgen verantwoordelijk; roept de aanklager van het Internationaal Strafhof op om zowel deze media als toespraken van politieke leiders nauwlettend in de gaten te houden om te zien of zij aanzetten tot etnische haat;

18.    verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de regeringen van de lidstaten, de VN-Veiligheidsraad, de Afrikaanse Unie en de regeringen van de landen in het Grote Merengebied en van Zuid-Afrika.

Juridische mededeling