Procedure : 2015/2747(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0716/2015

Ingediende teksten :

B8-0716/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 09/07/2015 - 12.12
CRE 09/07/2015 - 12.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0276

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 155kWORD 69k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0716/2015
7.7.2015
PE565.694v01-00
 
B8-0716/2015

naar aanleiding van de verklaring van de Voorzitter

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de herdenking van Srebrenica (2015/2747(RSP))


Igor Šoltes, Terry Reintke, Ulrike Lunacek, Davor Škrlec namens de Verts/ALE Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de herdenking van Srebrenica (2015/2747(RSP))  
B8-0716/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn resolutie van 15 januari 2009 over Srebrenica(1),

–       gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO) tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en Bosnië-Herzegovina anderzijds, die op 16 juni 2008 in Luxemburg werd ondertekend, en door alle EU-lidstaten is geratificeerd,

–       gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van de EU van 16 maart 2015 over Bosnië en Herzegovina,

–       gezien de resoluties 827 (1993), 1551 (2004) en 1575 (2004) van de VN-Veiligheidsraad,

–       gezien het rapport van 15 november 1999 van de VN-secretaris-generaal naar aanleiding van resolutie 53/35 van de Algemene VN-Vergadering over de val van Srebrenica,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de Oost-Bosnische stad Srebrenica, die in resolutie 819 (1993) van de VN-Veiligheidsraad tot veilig gebied was verklaard, werd ingenomen door Servische troepen onder generaal Ratko Mladić, opererend onder verantwoordelijkheid van de toenmalige president van de Servische Republiek, Radovan Karadžić;

B.     overwegende dat na de val van Srebrenica verscheidene dagen lang een massaslachting heeft plaatsgevonden waarbij meer dan 8 000 moslimmannen en -jongens, die hun toevlucht hadden gezocht in dit gebied dat onder de bescherming stond van de beschermingsmacht van de VN (UNPROFOR), zonder vorm van proces werden terechtgesteld door Bosnisch-Servische strijdkrachten van generaal Mladić en door paramilitaire eenheden, zoals ongeregelde Servische politie-eenheden die het Bosnische gebied vanuit Servië waren binnengekomen, en ook zogenaamde vrijwilligers uit EU-lidstaten; overwegende dat in het kader van een massale etnische zuivering bijna 30 000 vrouwen, kinderen en bejaarden onder dwang werden gedeporteerd, waardoor deze gebeurtenis de ernstigste oorlogsmisdaad is geworden die sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog in Europa heeft plaatsgevonden;

C.     overwegende dat deze tragische gebeurtenissen, die door het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY) en door het Internationaal Strafhof (ICJ) werd erkend als genocide, plaatsvond in een door de VN veilig verklaard gebied en daarom symbool staat voor het onvermogen van de internationale gemeenschap om in te grijpen in een conflict en de onschuldige burgerbevolking te beschermen;

D.     overwegende dat de VN-secretaris-generaal in zijn rapport over de val van Srebrenica in 1999 verklaarde dat de VN had gefaald in zijn missie, speciaal waar het ging om bescherming van zogenoemde "veilige gebieden", en daardoor mede verantwoordelijk is;

E.     gezien de veelvuldige schending van de Conventie van Genève door Bosnisch-Servische troepen tegen de Moslimbevolking van Srebrenica, zoals deportatie van duizenden vrouwen, kinderen en bejaarden en verkrachting van talloos veel vrouwen,

F.     overwegende dat, ondanks de inspanningen om individuele en massagraven te lokaliseren en te onderzoeken, de stoffelijke resten van bijna 1 200 mannen en jongens nog niet zijn gevonden en geïdentificeerd;

G.     overwegende dat het ICTY op 30 januari 2015 de vonnissen heeft bekrachtigd tegen vijf hogere Bosnisch-Servische officieren die waren veroordeeld voor hun aandeel in de genocide van 1995 in Srebrenica, waarmee de eerste definitieve veroordeling wegens genocide werd bekrachtigd; overwegende dat een van deze veroordeelde officieren direct onder bevel stond van de Bosnisch-Servische legerleider Ratko Mladić, die op dit moment voor het ICTY terechtstaat wegens onder meer genocide;

H.     overwegende dat het tekortschieten van de besluitvorming in de EU en het gemis van een echt gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid ook ongunstig op de loop van de gebeurtenissen hebben uitgewerkt;

1.      herdenkt en eert alle slachtoffers van de genocide van Srebrenica en andere gruweldaden tijdens de oorlogen in het voormalige Joegoslavië; betuigt zijn medeleven en solidariteit met de nabestaanden van de slachtoffers;

2.      benadrukt dat tijdige preventie en daadwerkelijke bestraffing van genocides en misdaden tegen de menselijkheid tot de hoofdprioriteiten van de EU moeten behoren;

3.      roept de Raad, de Commissie en de lidstaten op alles te doen wat in hun vermogen ligt om te verhinderen dat zulke monstrueuze barbaarsheid zich ooit nog eens in Europa voordoet, en te onderzoeken in hoeverre EU-burgers tussen 1992 en 1995 in Bosnië-Herzegovina aan genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden hebben meegewerkt of zich daaraan schuldig gemaakt;

4.      vraagt de Parlementaire Vergadering van Bosnië-Herzegovina een resolutie aan te nemen over de genocide van Srebrenica; verwelkomt het initiatief van het Verenigd Koninkrijk voor een VN-resolutie hierover;

5.      betuigt zijn steun aan organisaties zoals "Moeders van Srebrenica en Žepa Enclaves" voor de cruciale rol die zij hebben vervuld om de aandacht hiervoor te vergroten en een bredere basis te creëren voor verzoening tussen alle burgers van het land; roept alle burgers van Bosnië en Herzegovina op de twintigjarige herdenking van de genocide in Srebrenica aan te grijpen als een kans om een verdere impuls te geven aan verzoening en samenwerking, de belangrijkste vereisten voor alle landen in de regio om voort te kunnen op de weg naar Europa; roept de Commissie en de VV/HV op het belang te onderkennen van een beleid van verzoening, en benadrukt dat religieuze autoriteiten, de media en de onderwijsstelsels een belangrijke rol hebben te vervullen in dit moeizame proces;

6.      herinnert eraan dat de VN-vredesmacht UNPROFOR de als zodanig aangewezen veilige gebieden niet heeft weten te beschermen; herinnert eraan dat een aantal EU-lidstaten een grote bijdrage aan de UNPROFOR-vredesmacht hebben geleverd en daardoor een groot aandeel in de verantwoordelijkheid te dragen kregen en nog steeds dragen;

7.      verzoekt de Raad en de Commissie aan de vooravond van de herdenkingsdag van de genocide in Srebrenica-Potočari, andermaal te wijzen op de toezegging van de EU om alle landen op de westelijke Balkan Europees perspectief te bieden en te steunen bij hun toetredingsproces, met name door de weg vrij te maken voor intensievere regionale samenwerking;

8.      merkt op dat het Daytonakkoord een belangrijk instrument is geweest voor het brengen van vrede in de regio, maar onderstreept dat het een opgave geworden is om een levensvatbaar politiek systeem in Bosnië-Herzegovina te consolideren; wijst erop dat alle burgers verantwoordelijkheid op zich moeten nemen om tot een nieuwe constitutionele regeling te komen en een levensvatbare staat voor allen in het leven te roepen; herinnert eraan dat diplomaten uit de Europese Unie en haar lidstaten behulpzaam zijn geweest bij het opstellen van de Dayton-constitutie en dat de EU en haar lidstaten daardoor een bijzondere verantwoordelijkheid delen voor de hervorming van het land;

9.      verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de regering en het parlement van Bosnië-Herzegovina en zijn entiteiten, en de regeringen en parlementen van de landen van de westelijke Balkan.

(1)

PB L 46 E van 24.2.2010, blz. 111.

Juridische mededeling