Procedure : 2015/2747(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0717/2015

Ingediende teksten :

B8-0717/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 09/07/2015 - 12.12
CRE 09/07/2015 - 12.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0276

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 158kWORD 68k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0716/2015
7.7.2015
PE565.695v01-00
 
B8-0717/2015

naar aanleiding van een verklaring van de voorzitter

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de herdenking van Srebrenica (2015/2747(RSP))


Charles Tannock, Ryszard Antoni Legutko, Ryszard Czarnecki, Anna Elżbieta Fotyga, Tomasz Piotr Poręba, Ruža Tomašić, Zdzisław Krasnodębski, Raffaele Fitto namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de herdenking van Srebrenica (2015/2747(RSP))  
B8-0717/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn resolutie van 7 juli 2005 over Srebrenica(1),

−      gezien zijn resolutie van 15 januari 2009 over Srebrenica(2),

−      gezien de op 16 juni 2008 te Luxemburg ondertekende stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië-Herzegovina, anderzijds en het EU-lidmaatschap dat alle landen van de westelijke Balkan op de Europese Top in Thessaloniki in 2003 in het vooruitzicht werd gesteld,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de door land ingesloten Bosnische stad Srebrenica, die in resolutie 819 van 16 april 1993 van de VN-Veiligheidsraad tot veilig gebied was verklaard, op 11 juli 1995 in handen viel van de strijdkrachten van generaal Ratko Mladić, opererend onder verantwoordelijkheid van de toenmalige president van de Republika Srpska, Radovan Karadžić;

B.     overwegende dat na de val van Srebrenica verscheidene dagen lang een massaslachting heeft plaatsgevonden waarbij meer dan 8 000 moslimmannen en -jongens, zonder vorm van proces systematisch werden terechtgesteld en in massagraven werden begraven door Bosnisch-Servische strijdkrachten van generaal Mladić (het leger van de Republika Srpska) en door paramilitaire eenheden, zoals ongeregelde Servische politie-eenheden die het Bosnische gebied vanuit Servië waren binnengekomen, terwijl dit gebied onder de bescherming zou moeten staan van de beschermingsmacht van de VN (UNPROFOR), die ter plaatse vertegenwoordigd werd door een contingent van 400 vredeshandhavers; overwegende dat bijna 25 000 vrouwen, kinderen en bejaarden werden gedeporteerd en vele vrouwen werden verkracht, waarmee deze gebeurtenis de grootste moordpartij tijdens een oorlog was die sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog in Europa heeft plaatsgevonden;

C.     overwegende dat dit drama, dat door het Internationaal Straftribunaal voor ex-Joegoslavië (ICTY) is aangemerkt als genocide, plaatsvond in een door de VN veilig verklaard gebied en daarom symbolisch is voor het onvermogen van de internationale gemeenschap om het bloedbad te voorkomen en snel in te grijpen om de burgerbevolking te beschermen;

D.     overwegende dat de Bosnisch-Servische strijdkrachten de Conventie van Genève talloze malen hebben geschonden bij hun optreden tegen de burgerbevolking van Srebrenica, zoals bij de deportatie van duizenden vrouwen, kinderen en bejaarden en de verkrachting van een groot aantal vrouwen;

E.     overwegende dat ondanks de enorme inspanningen die zijn gedaan om individuele en massagraven te vinden en de stoffelijke resten van de slachtoffers op te graven en te identificeren, het onderzoek niet heeft geleid tot een volledige reconstructie van de massaslachting in en rond Srebrenica;

F.     overwegende dat er zonder gerechtigheid geen sprake van echte vrede kan zijn en dat volledige en onvoorwaardelijke samenwerking met het ICTY voor de landen van de westelijke Balkan een basisvereiste blijft om het proces van integratie in de EU voort te zetten,

G.     overwegende dat generaal Radislav Krstić van het Bosnisch-Servische leger als eerste door het ICTY schuldig werd bevonden aan medeplichtigheid aan de genocide in Srebrenica, dat Ratko Mladić op 26 mei 2011 gearresteerd is en dat naar verwachting einde 2015 in zijn proces uitspraak zal worden gedaan, en dat de procedure tegen Radovan Karadžić nog steeds lopende is;

H.     overwegende dat de instelling van een herdenkingsdag de beste manier is om de slachtoffers van de genocide te herdenken en een duidelijke boodschap vormt voor komende generaties;

1.      spreekt zijn krachtige veroordeling uit van de massaslachting van Srebrenica; eert de nagedachtenis van alle slachtoffers van de gruweldaden en betuigt zijn medeleven aan de families van de slachtoffers, waarvan velen niet met zekerheid weten wat er met hun vaders, zonen, echtgenoten of broers is gebeurd; is ingenomen met de arrestatie van de voornaamste leiders van de massamoord in Srebrenica, maar betreurt het dat een bepaald aantal daders niet voor de rechter is gebracht; spreekt dan ook zijn volledige steun uit aan het waardevolle en moeilijke werk van het ICTY, dat inmiddels ten aanzien van 147 beschuldigden een definitieve uitspraak heeft gedaan en nog werkt aan de lopende procedures tegen nog eens 14 beschuldigden;

2.      verzoekt de lidstaten en de landen op de westelijke Balkan de 20e verjaardag van de genocide in Srebrenica-Potočari naar behoren te herdenken door 11 juli uit te roepen als de dag om in de hele EU de genocide van Srebrenica te herdenken; spoort de lidstaten aan initiatieven van ngo's te steunen om ervoor te zorgen dat de herdenkingen op een passende schaal plaatsvinden; is ingenomen met de ernst en de oprechtheid van de herdenkingsdag in het Verenigd Koninkrijk die in goede samenwerking georganiseerd is door de nationale autoriteiten en de ngo "Remembering Srebrenica";

3.      is verheugd over de erkenning van de massamoord door de Servische autoriteiten en hun officiële en openlijke verontschuldigingen middels de aanneming van een bijzondere resolutie in 2010; benadrukt dat Servië de verantwoordelijken voor de massamoord voor de rechter heeft gebracht, wat een cruciale stap is op weg naar vrede en stabiliteit in de regio; verzoekt de andere autoriteiten in de regio de genocide wettelijk te erkennen teneinde de regionale verzoening te versterken, hetgeen een van de belangrijkste vereisten is voor de landen op de westelijke Balkan om voort te kunnen gaan op hun weg naar de EU;

4.      benadrukt de belangrijke rol van de religieuze gemeenschappen, de media en het onderwijs in dit verzoeningsproces, en verzoekt bijgevolg de landen op de westelijke Balkan de ontwikkelingsprogramma's te versterken die gemeenschappen nader tot elkaar brengen om de historische spanningen weg te nemen en te komen tot een vreedzaam en oprecht naast elkaar bestaan, in het belang van blijvende vrede, stabiliteit en economische groei;

5.      betreurt het ten zeerste dat de Bosnisch-Servische leider Milorad Dodik het veto van Rusland heeft verzocht om de aanneming van de door het Verenigd Koninkrijk ingediende resolutie over Srebrenica te ondergraven, wat vorm zou hebben gegeven aan het onvermogen van de VN om genocide te voorkomen en de slachtoffers van de genocide en hen die tijdens de oorlog, ongeacht de strijdende partij, geleden hebben, te herdenken; dringt er bij de Bosnisch-Servische autoriteiten op aan verdere escalatie van de spanningen te voorkomen en de massamoord in Srebrenica officieel te erkennen als genocide, gezien het feit dat deze gruweldaad, de ergste sinds de Tweede Wereldoorlog, reeds als zodanig is aangemerkt door het Internationaal Gerechtshof en het ICTY;

6.      verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de regering en het parlement van Bosnië-Herzegovina en zijn entiteiten, en de regeringen en parlementen van de landen van de westelijke Balkan.

 

(1)

PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 468.

(2)

PB C 46 E van 24.2.2010, blz. 111.

Juridische mededeling