Procedure : 2015/2685(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0839/2015

Ingediende teksten :

B8-0839/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/09/2015 - 8.5
CRE 10/09/2015 - 8.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0318

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 153kWORD 313k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0836/2015
7.9.2015
PE565.807v01-00
 
B8-0839/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de rol van de EU in het vredesproces in het Midden-Oosten (2015/2685(RSP))


Tamás Meszerics, Margrete Auken, Bodil Valero, Molly Scott Cato, Alyn Smith, Igor Šoltes, Bart Staes, Pascal Durand, Karima Delli, Klaus Buchner, Judith Sargentini, Ernest Maragall, Jordi Sebastià namens de Verts/ALE-fractie
Fabio Massimo Castaldo, Ignazio Corrao, Eleonora Evi, Laura Ferrara, Laura Agea, Tiziana Beghin, Daniela Aiuto, Piernicola Pedicini, Dario Tamburrano, Rosa D’Amato in eigen naam

Resolutie van het Europees Parlement over de rol van de EU in het vredesproces in het Midden-Oosten (2015/2685(RSP))  
B8-0839/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over het conflict tussen Israël en Palestina,

–       gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van de EU van 20 juli 2015 over het Midden-Oosten,

–       gezien de EU-richtsnoeren aangaande het internationale humanitaire recht,

–       gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (vv/hv), Federica Mogherini, over de situatie in Israël en Palestina,

–       gezien het besluit van de Zweedse regering van 30 oktober 2014 om de Palestijnse staat te erkennen,

–       gezien de erkenning van Palestina door het Vaticaan in juni 2015,

–       gezien de brief die 16 Europese ministers van Buitenlandse Zaken op 13 april 2015 aan de vv/hv hebben gezonden, waarin zij oproepen tot de EU-brede invoering van richtsnoeren voor de correcte etikettering van uit de nederzettingen afkomstige producten,

–       gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over het conflict tussen Israël en Palestina,

–       gezien de VN-mensenrechtenverdragen, waarbij Israël en Palestina partij zijn,

–       gezien het besluit van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 29 november 2012 om Palestina te erkennen als niet-lidstaat met waarnemersstatus,

–       gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad getiteld "Ensuring accountability and justice for all violations of international law in the Occupied Palestinian Territory including East Jerusalem", die op 3 juli 2015 met unanieme steun van de EU werd aangenomen,

–       gezien het Arabisch vredesinitiatief dat in maart 2002 werd aangenomen door de Raad van de Liga van Arabische Staten,

–       gezien de studie van het Europees Parlement over de bezetting/annexatie van een grondgebied: eerbiediging van het internationaal humanitair recht en de mensenrechten en consistenter EU-beleid, van 25 juni 2015,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de door de VS geleide onderhandelingen voor een alomvattende oplossing van het conflict tussen Israël en Palestina in april 2014 zijn opgeschort en dat het er niet naar uitziet dat zij in de huidige constellatie van het zogeheten vredesproces in het Midden-Oosten op korte of middellange termijn betekenisvol hervat zullen worden;

B.     overwegende dat de eerste wetgevingsmaatregelen van de in mei 2015 aangetreden Israëlische coalitieregering hebben aangetoond dat zij nationalistisch van inslag is, het nederzettingenbeleid voorstaat en extreemrechtse ideologische neigingen vertoont, zoals blijkt uit de goedkeuring van het wetsontwerp inzake gedwongen voeding, de verharding van de sancties tegen stenengooiers en een voorstel om meer gebruik te maken van de doodstraf; overwegende dat er wetsontwerpen in voorbereiding zijn om de bevoegdheid van het Hooggerechtshof te beknotten en de openbare ruimte voor maatschappelijke organisaties te beperken; overwegende dat de Israëlische regering de bouw van honderden nieuwe nederzettingen in Oost-Jeruzalem en op de Westelijke Jordaanoever heeft aangekondigd en de bouw van de scheidingsmuur heeft hervat, hoewel het Internationaal Gerechtshof die in 2004 onwettig heeft verklaard;

C.     overwegende dat de rechten van de Palestijnse bevolking op de Westelijke Jordaanoever, met name in zone C en Oost-Jeruzalem, flagrant worden geschonden, onder meer door geweldpleging door kolonisten, de afleiding van water, ernstige beperkingen van het vrije verkeer, de afbraak van woningen en gedwongen uitzettingen; overwegende dat er momenteel 5 700 Palestijnen – onder wie 160 kinderen, 26 vrouwen en 400 administratief gedetineerden – vastzitten in Israëlische gevangenissen; overwegende dat de deportatie van de ingezetenen van een bezet gebied een ernstige schending van het internationale humanitaire recht vormt; overwegende dat het ruimtelijkeordeningsbeleid gebruikt wordt om Palestijnen te verdrijven en vooruitgeschoven nederzettingen uit te breiden; overwegende dat militaire trainingen eveneens worden aangewend om honderden Palestijnen gedwongen te verplaatsen, met name in de Jordaanvallei; overwegende dat Israëlische kolonisten volgens de VN sinds begin 2015 minstens 120 aanvallen op Palestijnen in Oost-Jeruzalem en op de Westelijke Jordaanoever hebben uitgevoerd; overwegende dat volgens de Israëlische ngo B'Tselem gedurende de eerste helft van 2015 in de bezette Palestijnse gebieden minstens 13 Palestijnen door de Israëlische veiligheidstroepen en 3 Israëlische burgers door Palestijnen om het leven zijn gebracht;

D.     overwegende dat volgens het OCHA in augustus 2015 in zone C en Oost-Jeruzalem 142 structuren van Palestijnse eigenaren werden vernield, waaronder 16 door donoren gefinancierde structuren; overwegende dat door deze vernielingen 201 mensen, onder wie 121 kinderen, ontheemd en 426 mensen, onder wie 233 kinderen, anderszins getroffen zijn; overwegende dat dit de grootste vernieling was die in dit gebied werd opgetekend sinds januari 2013;

E.     overwegende dat de partijen een jaar na de Israëlische militaire operatie "Protective Edge" tegen Gaza, waarbij meer dan 2 100 Palestijnen en 66 Israëli's om het leven kwamen (onder wie respectievelijk 1 462 en 5 burgers), hun verplichting niet zijn nagekomen een echt onderzoek naar de berichten over schendingen in te stellen en de daders te vervolgen; overwegende dat de onderzoekscommissie van de VN die zich over deze operatie buigt, in juni 2015 tot de conclusie is gekomen dat zowel Israël als Hamas oorlogsmisdaden hebben begaan en dat de verwoesting in het gebied nooit eerder gezien was; overwegende dat Israël heeft geweigerd met deze onderzoekscommissie samen te werken en ze geen toegang tot Gaza heeft verleend;

F.     overwegende dat het op 26 augustus 2014 bereikte bestand niet ten uitvoer is gelegd, vooral niet wat betreft het opheffen van de blokkade; overwegende dat van de 19 000 volledig verwoeste woningen er tot dusver geen enkele heropgebouwd is doordat de invoer van bouwmateriaal streng beperkt is; overwegende dat 100 000 mensen nog steeds ontheemd zijn; overwegende dat 95 % van het water geen veilig drinkwater is; overwegende dat de aanhoudende blokkade van Gaza desastreuze gevolgen heeft voor de 1,8 miljoen inwoners van Gaza; overwegende dat de blokkade van Gaza volgens het ICRK neerkomt op "een collectieve bestraffing die duidelijk indruist tegen Israëls verplichtingen in het kader van het internationaal humanitair recht"; overwegende dat de UNCTAD in een verslag van 1 september 2015 tot de conclusie komt dat de blokkade de ontwikkeling van Gaza een zware klap heeft toegebracht en dat Gaza tegen 2020 onbewoonbaar zou kunnen worden;

G.     overwegende dat er sinds het staakt-het-vuren van augustus 2015 verscheidene raketten vanuit Gaza zijn afgevuurd; overwegende dat deze aanvallen zijn opgeëist door salafistische organisaties of andere met de regerende Hamas rivaliserende bewegingen; overwegende dat er bij deze aanvallen geen Israëlische slachtoffers zijn gemeld;

H.     overwegende dat er in april 2014 een Palestijnse eenheidsregering is geïnstalleerd, met goedkeuring van Hamas en Fatah, die de beginselen van het Kwartet, namelijk geweldloosheid, aanvaarding van de bestaande overeenkomsten en de erkenning van Israël accepteert en die wordt gesteund door de VS en de EU; overwegende dat de inspanningen met het oog op Palestijnse verzoening echter geen tastbare vooruitgang hebben opgeleverd; overwegende dat de regering er niet in geslaagd is haar gezag uit te oefenen over de Gazastrook; overwegende dat de Palestijnse leiders nog steeds in een interne machtsstrijd verwikkeld zijn, waarbij de president van de Palestijnse Autoriteit (PA), Mahmoud Abbas, onlangs nog ontslag nam uit het PLO-bestuur en aandrong op een spoedvergadering van de Palestijnse Nationale Raad; overwegende dat de PA steeds vaker beschuldigd wordt van cliëntelisme, autoritair bestuur, de arrestatie van critici, corruptie en misbruik van overheidsgeld;

I.      overwegende dat president Mahmoud Abbas heeft laten weten via de VN een tijdschema te willen instellen om binnen drie jaar een einde te maken aan de Israëlische bezetting van Palestijns grondgebied; overwegende dat de Arabische Liga haar steun voor dit actieplan heeft uitgesproken, en ertoe heeft opgeroepen een internationale conferentie te organiseren met het oog op een definitieve oplossing op basis van het Arabisch vredesinitiatief; overwegende dat er binnen de VN-Veiligheidsraad onder aanvoering van Frankrijk parallelle inspanningen worden gedaan;

J.      overwegende dat de donorgemeenschap sinds de ondertekening van de beginselverklaring van Oslo in 1993 meer dan 23 miljard EUR in vrede en ontwikkelingshulp in de bezette Palestijnse gebieden heeft geïnvesteerd; overwegende dat de ongelijkheid, werkloosheid en armoede onder de Palestijnen in diezelfde periode voortdurend zijn toegenomen;

K.     overwegende dat in een in mei 2014 in opdracht van de Commissie uitgevoerde evaluatie van de samenwerking van de EU met de bezette Palestijnse gebieden en van de steun aan het Palestijnse volk werd geconcludeerd dat het huidige samenwerkingsparadigma zijn grenzen heeft bereikt, bij gebrek aan een parallel politiek traject van de EU ten aanzien van de obstakels die voortvloeien uit de Israëlische bezetting en het Israëlische nederzettingenbeleid en de politieke verdeeldheid van de Westelijke Jordaanoever en Gaza;

L.     overwegende dat derde partijen, waaronder de lidstaten, krachtens het internationale recht nederzettingen niet mogen erkennen, helpen of bijstaan en zich daar daadwerkelijk tegen moeten verzetten;

M.    overwegende dat de voormalige vv/hv ervoor pleitte om tegen juli 2013 voor de hele EU geldende richtsnoeren uit te vaardigen voor de correcte etikettering van ingevoerde producten die afkomstig zijn uit gebieden voorbij de Israëlische grenzen van voor 1967; overwegende dat een duidelijke meerderheid van de EU-lidstaten in april 2015 in een brief te kennen gaven erover ontstemd te zijn dat de uitvaardiging van dergelijke richtsnoeren door de vv/hv herhaaldelijk werd uitgesteld, en haar met klem verzochten actie te ondernemen; overwegende dat drie EU-lidstaten – het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en België – hun eigen vrijwillige nationale richtsnoeren hebben uitgevaardigd;

1.      roept de EU ertoe op haar illusies aangaande het feitelijk ter ziele gegane "vredesproces in het Midden-Oosten", dat in zijn huidige vorm een kostbare mislukking is gebleken, te laten varen; dringt aan op een nieuwe EU-benadering die daadwerkelijk vrede en veiligheid voor zowel het Palestijnse als het Israëlische volk ten goede komt;

2.      verzoekt de EU zich niet langer te verschuilen achter het leiderschap van de Verenigde Staten, die onvoldoende doortastend zijn gebleken om een geloofwaardig onderhandelingsproces op basis van gelijkheid van de partijen en eerbiediging van het internationaal recht mogelijk te maken;

3.      vraagt de EU met klem haar verantwoordelijkheden als invloedrijke speler na te komen, en een moedig en alomvattend vredesinitiatief voor de regio te nemen, met name op basis van het Arabische vredesinitiatief; neemt in dit verband kennis van de plannen om een internationale steungroep op te zetten, zoals op 20 juli 2015 aangekondigd door de Raad Buitenlandse Zaken van de EU; benadrukt dat elk initiatief waaraan deze groep zijn steun zou verlenen, gebaseerd moet zijn op de parameters in de conclusies van de Raad van juli 2014 en op een ondubbelzinnig engagement van de partijen om het internationaal recht te eerbiedigen en deze gesprekken zonder voorafgaande voorwaarden en te goeder trouw aan te gaan;

4.      onderstreept eens te meer dat geweldloosheid de enige manier is om tot vrede tussen Israëli's en Palestijnen te komen middels een via onderhandelingen bereikte definitievestatusovereenkomst die een eind maakt aan alle wederzijdse claims; veroordeelt elke vorm van geweld tegen (het leven van) burgers over en weer; herhaalt dat het onverminderd groot belang hecht aan de veiligheid van Israël; geeft onverminderd steun aan het beleid van geweldloos verzet dat wordt aangekleefd door het Palestijnse maatschappelijk middenveld en de Palestijnse president Mahmoud Abbas;

5.      veroordeelt scherp de voortdurende expansie van Israëlische nederzettingen, die het internationaal humanitair recht schenden, de wrok bij de Palestijnse bevolking aanwakkeren en de levensvatbaarheid van en de vooruitzichten op een tweestatenoplossing danig beperken; verzoekt de Israëlische autoriteiten hun nederzettingenbeleid onmiddellijk stop te zetten en terug te draaien;

6.      uit zijn ernstige bezorgdheid over de exploitatie van Palestijnse natuurlijke hulpbronnen door Israël en over gedwongen verplaatsingen, met name in zone C, wat een ernstige schending van het internationale recht vormt; betreurt met name de recente beslissingen van Israëlische rechters waarbij de sloop en gedwongen verplaatsing van bedoeïenengemeenschappen op de Westelijke Jordaanoever voor de bouw van joodse nederzettingen werd goedgekeurd; roept de Israëlische autoriteiten op de rechten van de bedoeïenen volledig te eerbiedigen en de afbraak- en uitzettingsbevelen voor de dorpen Susya en Abu Nwar ogenblikkelijk in te trekken;

7.      geeft uiting aan zijn grote ontzetting over de steeds vaker voorkomende ongecontroleerde geweldpleging door kolonisten, waaronder de recente moord op een 18 maanden oude Palestijnse baby ten gevolge van een brandstichting in het Palestijnse dorp Douma op 28 juli 2015; is ingenomen met de algemene veroordeling van deze misdaad door de Israëlische leiders, al gingen die grotendeels voorbij aan het endemische karakter van de geweldpleging door kolonisten, in de hand gewerkt door een decennialang klimaat van straffeloosheid en ophitsing;

8.      is van mening dat de samenstelling van de Israëlische coalitieregering, alsook haar agenda, die een opgevoerde uitbreiding van de nederzettingen, verdere straffeloosheid voor schendingen in de bezette gebieden en de gedwongen verplaatsing van Palestijnen inhoudt, de tweestatenoplossing ernstig belemmert en onderstreept dat de EU dringend stappen moet ondernemen om de haalbaarheid ervan te waarborgen; roept de EU ertoe op iets te doen aan de ontbrekende bereidheid van en prikkels voor de huidige Israëlische regering om over een beëindiging van het conflict te onderhandelen;

9.      verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten hun wettelijke verplichting tot niet-erkenning gestand te doen en een doeltreffend en integraal beleid te voeren waarbij de EU een onderscheid maakt tussen Israël en zijn nederzettingen, op basis van een strikte eerbiediging van het internationale recht en de beginselen van de EU;

10.    is ervan overtuigd dat een dergelijk differentiatiebeleid onontbeerlijk is om een positieve dynamiek tot stand te brengen om tot echte vredesonderhandelingen te komen; is van mening dat een dergelijke aanpak de structuur van prikkels waarop Israëls nederzettingenbeleid gegrondvest is, zou helpen veranderen en de kosten-batenberekeningen van de Israëlische openbare en politieke elite met betrekking tot de bezetting ter discussie zou stellen;

11.    spoort de EU ertoe aan, als onderdeel van dit differentiatiebeleid, de volgende maatregelen te nemen:

a.   haar openlijke diplomatie in reactie op nederzettingenactiviteiten op te voeren en het Israëlische publiek duidelijk te maken dat een dergelijk beleid voortvloeit uit de intense, brede en diepe banden tussen de EU en Israël en op een juridische verplichting berust;

b.   bij de toepassing van de akkoorden tussen de EU en Israël de bezette Palestijnse gebieden strikt buiten beschouwing te laten;

c.   EU-richtsnoeren betreffende de etikettering van producten uit de nederzettingen uit te vaardigen die voor de hele toeleveringsketen moeten gelden;

d.   een robuuster EU-monitoring- en nalevingsmechanisme inzake vrijhandel op te zetten, om te voorkomen dat Israëlische goederen die uit de nederzettingen afkomstig niet-verwerkt materiaal bevatten, in aanmerking komen voor preferentiële handelstarieven in het kader van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Israël;

e.   een voorbeeld te nemen aan het snelle en doeltreffende EU-verbod op producten uit de Krim en uit nederzettingen afkomstige Israëlische producten van de interne markt van de Unie uit te sluiten;

f.    in kaart te brengen welke Europese bedrijven met de nederzettingen verband houdende activiteiten ontplooien;

g.   een advies aan Europese burgers en bedrijven in de hele EU uit te brengen om ze ervan te weerhouden zaken te doen met bedrijven wier activiteiten bijdragen aan de bouw of de instandhouding van illegale nederzettingen en andere schendingen van het internationale recht in de bezette Palestijnse gebieden, en de stopzetting van bestaande zakenrelaties aan te moedigen in de geest van de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten;

h.   concrete maatregelen jegens kolonisten te nemen, waaronder het vaststellen van een geen-contactbeleid en een visumverbod voor degenen onder hen die bij geweldplegingen betrokken zijn geweest;

i.    richtsnoeren voor financiële samenwerking tussen Europese en Israëlische entiteiten te ontwikkelen, om ervoor te zorgen dat Europese investeringsfondsen of banken geen bedrijven of fondsen steunen die in de nederzettingen actief zijn;

j.    in Israëlische nederzettingen uitgegeven juridische documenten, zoals eigendomsbewijzen of onderwijsdiploma's, niet te aanvaarden;

k.   de Commissie en de EDEO te verzoeken de interacties van de EU en de lidstaten met Israël stelselmatig te beoordelen en ervoor te zorgen dat het differentiatiebeleid consequent wordt toegepast;

l.    de betrekkingen tussen de EU en Israël te heroverwegen tegen de achtergrond van artikel 2 van de associatieovereenkomst;

12.    dringt er bij alle lidstaten op aan de Palestijnse staat onvoorwaardelijk te erkennen in overeenstemming met de grenzen van 1967; is ervan overtuigd dat, als de Palestijnse staat in heel Europa wordt erkend, de vooruitzichten op vrede zullen toenemen en de inspanningen, ook door het maatschappelijk middenveld in Israël, met het oog op een tweestatenoplossing zullen worden aangemoedigd;

13.    is verontrust over de toenemende vernietiging, inbeslagneming en confiscatie van humanitaire hulp en uitrusting in zone C en verzoekt de Commissie aan het Parlement verslag uit te brengen over haar inspanningen om de Israëlische autoriteiten te bewegen tot compensatie en garanties dat dit niet meer zal gebeuren, te blijven investeren in zone C en daar humanitaire en ontwikkelingshulp van de EU te verstrekken; neemt in dit verband kennis van het EU-initiatief om met Israël een gestructureerde dialoog over de situatie op de Westelijke Jordaanoever aan te gaan, maar betreurt dat de nederzettingenkwestie daar geen deel van uitmaakt; herhaalt dat verzoeken om compensatie voor de vernieling van door de EU gefinancierde infrastructuur gerechtvaardigd zijn en niet afhankelijk mogen worden gemaakt van de uitkomst van de gestructureerde dialoog;

14.    verzoekt de Commissie de lijst bekend te maken van door de EU gefinancierde projecten die door het Israëlische leger zijn beschadigd tijdens het conflict in Gaza in 2014, en verzoekt de EDEO het Parlement in te lichten over de stappen die tot dusver jegens de Israëlische autoriteiten zijn ondernomen met het oog op een financiële compensatie; betreurt met name informatie over de uit de EU-begroting en door Frankrijk, België en Zweden medegefinancierde afvalwaterzuiveringsinstallatie in Noord-Gaza, die tijdens het conflict zware schade heeft opgelopen;

15.    roept de Commissie op haar hulpverlening aan de Palestijnen drastisch te veranderen om te garanderen dat de EU-steun volledig met de politieke dimensie van de bezetting strookt en daadwerkelijk de Palestijnse zelfbeschikking ten goede komt, in plaats van de Israëlische bezetting te subsidiëren en de Palestijnse afhankelijkheid van donoren aan te wakkeren; beklemtoont in dit verband dat het van cruciaal belang is het recht van de Palestijnen op toegang tot hun natuurlijke hulpbronnen, en met name water, te ondersteunen; spoort de EU ertoe aan haar steun aan het Palestijnse maatschappelijk middenveld op te voeren, ook op het gebied van de verantwoordingsplicht van de regering en de bestrijding van corruptie;

16.    roept alle partijen op de voorwaarden uit het staakt-het-vurenakkoord van augustus 2014 doeltreffend ten uitvoer te leggen; dringt er met name bij de Israëlische autoriteiten op aan de illegale blokkade van de Gazastrook onmiddellijk, onvoorwaardelijk en volledig op te heffen; verzoekt de EU concrete maatregelen te treffen om Israël ertoe aan te zetten de blokkade op te heffen, met name door een tijdpad vast te stellen; spreekt zijn afkeur uit over de aanhoudende beperkingen die Israël oplegt aan de invoer van bouwmateriaal naar Gaza; verzoekt de Israëlische regering het op willekeurige en ondoorzichtige wijze aanmerken van materiaal als "voor tweeërlei gebruik" te staken en haar lijst inzake tweeërlei gebruik aan te passen aan de internationale normen, met name door hout, aggregaten, stalen balken en cement van deze lijst te halen;

17.    veroordeelt de recente raketbeschietingen door militante groepen vanuit de Gazastrook, daar dergelijke acties het gevaar van een nieuwe geweldspiraal vergroten; roept alle partijen op zich voor geweldloosheid in te zetten;

18.    is ingenomen met de unanieme goedkeuring door de EU-lidstaten van de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 3 juli 2015 getiteld "Ensuring accountability and justice for all violations of international law in the Occupied Palestinian Territory, including East Jerusalem", en spoort de EU aan te zorgen voor de volledige uitvoering van de aanbevelingen in het verslag van de onafhankelijke VN-onderzoekscommissie, met inbegrip van de aanbevelingen om de activiteiten van het Internationaal Strafhof met betrekking tot de bezette Palestijnse gebieden actief te ondersteunen;

19.    verwelkomt andermaal de ratificatie door Palestina van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof; betreurt het dat de vv/hv geen blijk heeft gegeven van ook maar enige erkenning van deze belangrijke stap in de richting van verantwoording voor toekomstige schendingen door alle partijen; vindt dat dergelijk gedrag de geloofwaardigheid van het mensenrechtenbeleid van de EU en haar verklaringen over verantwoording en internationale rechtvaardigheid openlijk ondermijnt;

20.    spreekt zijn verontrusting uit over berichten inzake een verslechterend klimaat voor mensenrechten-ngo's in Israël en over de toenemende pogingen van de huidige regering om afwijkende meningen en onafhankelijke kunst de mond te snoeren, onder meer via de goedkeuring van wetsontwerpen die tot doel hebben de activiteiten van ngo's ernstig in te perken; roept de diplomatieke EU-missies op met de Israëlische autoriteiten het gesprek aan te gaan over deze dringende kwestie en mensenrechtenactivisten in het land te blijven steunen;

21.    neemt kennis van de inspanningen die de Palestijnen in Israël zich bij de jongste parlementsverkiezingen hebben getroost om zich op een gezamenlijke lijst te verenigen en een sterk resultaat neer te zetten; verzoekt de EDEO en de Commissie hun ondersteuning van en dialoog met minderheden in Israël aanzienlijk op te voeren alsook de inspanningen van deze minderheden met het oog op betere politieke, economische en sociale participatie te ondersteunen;

22.    betreurt de aanhoudende Palestijnse verdeeldheid en verzoekt alle Palestijnse krachten zich opnieuw in te spannen voor verzoening, met name door de langverwachte presidents- en parlementsverkiezingen te houden; hekelt de pogingen om dit potentieel historische proces te ondermijnen en vraagt de Israëlische autoriteiten om vrijlating van alle 12 leden van de Palestijnse Wetgevende Raad die momenteel worden vastgehouden, alsook van alle andere Palestijnse politieke gevangen en personen die zonder aanklacht in administratieve detentie zitten; verzoekt de EU concrete actie te ondernemen om de verzoening te bevorderen en de Palestijnse eenheidsregering te ondersteunen;

23.    besluit een verslag op te stellen over de handel in wapens en andere beveiligingsapparatuur tussen de lidstaten en Israël/Palestina, en over de verenigbaarheid van deze handel met het gemeenschappelijk standpunt van de EU; roept op tot een alomvattend VN-wapenembargo voor alle partijen in de regio om verdere schendingen van het internationale humanitaire recht en de mensenrechten te voorkomen; stelt dat er geen middelen uit het EU-Kaderprogramma voor onderzoek ten goede mogen komen aan Israëlische bedrijven die drones willen produceren;

24.    meent dat de benoeming van Tony Blair tot speciaal gezant voor het Midden-Oostenkwartet een onheilspellende beslissing was, en is opgelucht dat zijn mandaat is beëindigd; is meer in het algemeen van mening dat de EU er voordeel mee zou doen gezanten met een gedegen kennis van de regio, politieke invloed en een ethisch onberispelijk parcours aan te stellen;

25.    herinnert aan zijn besluit om een initiatief "Parlementsleden voor vrede" te lanceren om Europese, Israëlische en Palestijnse parlementsleden samen te brengen en zo vorderingen met de vredesagenda te boeken en de diplomatieke inspanningen van de EU aan te vullen;

26.    spreekt zijn verontwaardiging uit over het voortdurend en ongerechtvaardigd dwarsbomen door de Israëlische autoriteiten van bezoeken van officiële organen van het Europees Parlement aan Gaza; waarschuwt dat er maatregelen zullen worden genomen indien er op 1 november 2015 nog steeds geen verbetering in deze situatie is gekomen;

27.    besluit een ad-hocdelegatie naar Gaza/Palestina en naar Israël te sturen om de situatie ter plaatse te beoordelen wat betreft de vernietiging van door de EU gefinancierde projecten in zone C en Gaza, en de kansen op een duurzame oplossing voor het conflict;

28.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, het Kwartet, de Israëlische regering, de Knesset, de president van de Palestijnse Autoriteit, de Palestijnse Wetgevende Raad en de organen van de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering.

Juridische mededeling