Procedure : 2015/2685(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0840/2015

Ingediende teksten :

B8-0840/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/09/2015 - 8.5
CRE 10/09/2015 - 8.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0318

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 161kWORD 90k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0836/2015
7.9.2015
PE565.808v01-00
 
B8-0840/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de rol van de EU in het vredesproces in het Midden-Oosten (2015/2685(RSP))


Martina Anderson, Neoklis Sylikiotis, Patrick Le Hyaric, Ángela Vallina, Sofia Sakorafa, Younous Omarjee, Marisa Matias, Tania González Peñas, Lola Sánchez Caldentey, Estefanía Torres Martínez, Pablo Iglesias, Marina Albiol Guzmán, Paloma López Bermejo, Javier Couso Permuy, Lidia Senra Rodríguez, Josu Juaristi Abaunz, Malin Björk, Stelios Kouloglou, Kostas Chrysogonos, Takis Hadjigeorgiou, Eleonora Forenza, Merja Kyllönen, Marie-Christine Vergiat, Kateřina Konečná namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de rol van de EU in het vredesproces in het Midden-Oosten (2015/2685(RSP))  
B8-0840/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over het conflict tussen Palestina en Israël,

–       gezien het besluit van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 29 november 2012 om Palestina de status van niet-lidstaat met waarnemersstatus toe te kennen,

–       gezien resolutie 194 van de Algemene Vergadering van de VN en de resoluties 242 (1967), 252 (1968), 338 (1972), 476 (1980), 478 (1980) en 1860 (2009) van de VN‑Veiligheidsraad,

–       gezien resolutie 67/19 van de Algemene Vergadering van de VN,

–       gezien de VN-mensenrechtenverdragen waarbij Israël en Palestina partij zijn,

–       gezien resolutie A/HRC/29/L.35 van de VN-Mensenrechtenraad getiteld "Ensuring accountability and justice for all violations of international law in the Occupied Palestinian Territory including East Jerusalem", die op 3 juli 2015 met unanieme steun van de EU werd aangenomen,

–       gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–       gezien de Vierde Conventie van Genève,

–       gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–       gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind (UNCRC) van 20 november 1989, met name de artikelen 9 en 37,

–       gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat bij resolutie 39/46 van de Algemene Vergadering van de VN van 10 december 1984 werd aangenomen,

–       gezien de Akkoorden van Oslo ("Declaration of Principles on Interim Self-Government Arrangements") van 13 september 1993,

–       gezien het advies van het Internationaal Gerechtshof (ICJ) van 9 juli 2004 getiteld "Legal Consequences of the Construction of a Wall in the Occupied Palestinian Territories",

–       gezien de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël, en met name artikel 2 daarvan,

–       gezien de conclusies van de Raad van 16 december 2013, 14 mei 2012, 23 mei en 18 juli 2011, en 8 december 2009 over het vredesproces in het Midden-Oosten,

–       gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van de EU van maandag 20 juli 2015 over het Midden-Oosten,

–       gezien de richtsnoeren van de Europese Unie inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht,

–       gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (vv/hv), Federica Mogherini, over de situatie in Israël en Palestina,

–       gezien het besluit van de Zweedse regering om de Palestijnse staat met ingang van 30 oktober 2014 te erkennen, en gezien de erkenning van Palestina door het Vaticaan in juni 2015,

–       gezien de brief die 16 Europese ministers van Buitenlandse Zaken op 13 april 2015 aan de vv/hv hebben gezonden en waarin zij oproepen tot de EU-brede invoering van richtsnoeren voor de correcte etikettering van uit de nederzettingen afkomstige producten,

–       gezien de verklaring van de vv/hv, Federica Mogherini, over de vorming van de nieuwe Israëlische regering van 7 mei 2015 en gezien de verklaringen van haar woordvoerder van 31 juli 2015 over de brandaanslag op de westelijke Jordaanoever en van 29 juli 2015 over de recente Israëlische beslissingen over uitbreiding van de nederzettingen,

–       gezien de lokale EU-verklaring over sloopwerkzaamheden in gebied C en bouwwerkzaamheden aan de scheidingsmuur in Cremisan van 24 augustus 2015,

–       gezien het verslag van de leiders van het EU-werkbezoek van januari 2012 over Oost‑Jeruzalem, het verslag van de leiders van het EU-werkbezoek van juli 2011 met de titel "Area C and Palestinian State Building", en het verslag van de leiders van het EU‑werkbezoek van april 2011 alsook de begeleidende nota van februari 2012 over geweld van kolonisten,

–       gezien de EU-richtsnoeren betreffende de mogelijkheid van Israëlische entiteiten en hun activiteiten in de door Israël sinds juni 1967 bezette gebieden om in aanmerking te komen voor subsidies, prijzen en financieringsinstrumenten die vanaf 2014 met EU‑middelen worden gefinancierd,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat Israël 48 jaar na de oorlog van 1967 nog steeds Palestina bezet houdt, in strijd met het internationaal recht en alle relevante resoluties van de VN‑Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering van de VN, en overwegende dat de Palestijnse staat binnen de grenzen van 1967 en met Oost-Jeruzalem als hoofdstad nog steeds een volwaardig VN-lid overeenkomstig de VN-resolutie van 1948 moet worden;

B.     overwegende dat de Algemene Vergadering van de VN in november 2012 Palestina de status van "niet-lidstaat met waarnemersstatus" heeft toegekend; overwegende dat het vinden van een rechtvaardige en duurzame vrede tussen Israëli's en Palestijnen, alsook tussen Arabieren en Israëli's in een ruimere context, een doelstelling voor de internationale gemeenschap en een vast standpunt van de EU is;

C.     overwegende dat het Parlement zich herhaaldelijk onomwonden heeft uitgesproken voor de twee-statenoplossing, met de staat Israël en een onafhankelijke, democratische, naburige en leefbare staat Palestina met Oost-Jeruzalem als hoofdstad, binnen de grenzen van 1967, in vreedzame coëxistentie;

D.     overwegende dat de Palestijnen twintig jaar na de Akkoorden van Oslo en de niet-uitvoering daarvan door Israël geen vertrouwen meer hebben in onderhandelingen;

E.     overwegende dat president Mahmoud Abbas van de Palestijnse staat heeft laten weten via de VN een tijdschema te willen instellen om binnen drie jaar een einde te maken aan de Israëlische bezetting van Palestijns grondgebied; overwegende dat de Arabische Liga haar steun voor dit actieplan heeft uitgesproken, en ertoe heeft opgeroepen een internationale conferentie te organiseren met het oog op een definitieve oplossing op basis van het Arabisch Vredesinitiatief; overwegende dat er binnen de VN‑Veiligheidsraad onder aanvoering van Frankrijk parallelle inspanningen worden gedaan;

F.     overwegende dat de opeenvolgende door de VS aangevoerde inspanningen, onder meer in 2014, om tot een zinvol vredesproces tussen Israël en Palestina te komen zijn mislukt, en dat de kans gering is dat een dergelijke opzet in de toekomst wél slaagt;

G.     overwegende dat het beleid van de Israëlische regering leidt tot verdere erosie en volledige uitholling van de mogelijkheden voor een tweestatenoplossing zoals in alle relevante VN-resoluties en in de relevante conclusies van de Raad van de EU neergelegd;

H.     overwegende dat de eerste wetgevingsmaatregelen van de in mei 2015 aangetreden Israëlische coalitieregering hebben aangetoond dat zij nationalistisch van inslag is, het nederzettingenbeleid voorstaat en extreemrechtse ideologische neigingen vertoont, zoals onder meer blijkt uit de goedkeuring van het wetsontwerp inzake gedwongen voeding, de verharding van de sancties tegen stenengooiers en een voorstel om meer gebruik te maken van de doodstraf; overwegende dat er wetsontwerpen in voorbereiding zijn om de bevoegdheid van het Hooggerechtshof te beknotten en de openbare ruimte voor maatschappelijke organisaties te beperken; overwegende dat de Israëlische regering de bouw van honderden nieuwe nederzettingen in Oost-Jeruzalem en op de Westelijke Jordaanoever heeft aangekondigd en de bouw van de scheidingsmuur heeft hervat, hoewel het Internationaal Gerechtshof die in 2004 onwettig heeft verklaard;

I.      overwegende dat de rechten van de Palestijnse bevolking op de Westelijke Jordaanoever, met name in gebied C en Oost-Jeruzalem, flagrant worden geschonden, onder meer door geweldpleging door kolonisten, de afleiding van water, ernstige beperkingen van het vrije verkeer, de afbraak van woningen en gedwongen uitzettingen; overwegende dat de deportatie van de ingezetenen van een bezet gebied een ernstige schending van het internationale humanitaire recht vormt; overwegende dat het ruimtelijkeordeningsbeleid gebruikt wordt om Palestijnen te verdrijven en vooruitgeschoven nederzettingen uit te breiden; overwegende dat militaire trainingen eveneens worden aangewend om honderden Palestijnen gedwongen te verplaatsen, met name in de Jordaanvallei; overwegende dat Israëlische kolonisten volgens de VN sinds begin 2015 minstens 120 aanvallen op Palestijnen in Oost-Jeruzalem en op de Westelijke Jordaanoever hebben uitgevoerd; overwegende dat volgens de Israëlische ngo B'Tselem gedurende de eerste helft van 2015 in de bezette Palestijnse gebieden minstens 13 Palestijnen door de Israëlische veiligheidstroepen en drie Israëlische burgers door Palestijnen om het leven zijn gebracht;

J.      overwegende dat er 5 700 Palestijnen – onder wie 160 kinderen, 26 vrouwen en 400 administratief gedetineerden – vastzitten in Israëlische gevangenissen; overwegende dat tien leden van de Palestijnse Wetgevende Raad – onder wie drie in administratieve detentie – vastzitten in Israëlische gevangenissen; overwegende dat de Knesset op 30 juli 2015 goedkeuring heeft gehecht aan een wet die het mogelijk maakt Palestijnse gevangenen die in hongerstaking zijn onder dwang voedsel toe te dienen;

K.     overwegende dat de Israëlische nederzettingen krachtens het internationaal recht illegaal zijn en een belangrijk obstakel vormen voor de vredesinspanningen, zoals reeds vele jaren het geval is; overwegende dat producten uit Israëlische nederzettingen nog steeds via een preferentiële regeling op de EU-markt worden ingevoerd, hoewel de huidige EU-regelgeving de invoer van dergelijke producten via de preferentiële voorwaarden van de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël niet toestaat;

L.     overwegende dat volgens de Palestinian Monitoring Group Joodse kolonisten sinds 2004 meer dan 11 000 aanslagen op Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever hebben gepleegd; overwegende dat het volgens de Israëlische mensenrechtenorganisatie Yesh Din in slechts 1,9 % van alle gevallen van geweld door kolonisten die in de periode 2005-2014 voor het gerecht zijn gebracht tot een succesvolle vervolging is gekomen;

M.    overwegende dat derde partijen, waaronder de lidstaten, krachtens het internationale recht nederzettingen niet mogen erkennen, helpen of bijstaan en zich daar daadwerkelijk tegen moeten verzetten;

N.     overwegende dat de voormalige vv/hv ervoor pleitte om tegen juli 2013 voor de hele EU geldende richtsnoeren uit te vaardigen voor de correcte etikettering van ingevoerde producten die afkomstig zijn uit gebieden buiten de Israëlische grenzen van voor 1967; overwegende dat een duidelijke meerderheid van de lidstaten in april 2015 in een brief te kennen gaven erover ontstemd te zijn dat de uitvaardiging van dergelijke richtsnoeren door de vv/hv herhaaldelijk werd uitgesteld, en haar met klem verzochten actie te ondernemen; overwegende dat drie lidstaten – het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en België – hun eigen vrijwillige nationale richtsnoeren hebben uitgevaardigd;

O.     overwegende dat volgens het VN-bureau voor de coördinatie van humanitaire zaken (OCHA) in augustus 2015 142 gebouwen van Palestijnse eigenaren werden gesloopt in gebied C en Oost-Jeruzalem, waaronder 16 door donoren gefinancierde gebouwen; overwegende dat door deze vernielingen 201 personen, onder wie 121 kinderen, ontheemd zijn geraakt en 426 mensen, onder wie 233 kinderen, anderszins getroffen zijn; overwegende dat dit de grootste vernietiging van gebouwen was die in dit gebied werd opgetekend sinds januari 2013;

P.     overwegende dat de partijen een jaar na de Israëlische militaire operatie "Protective Edge" tegen Gaza, waarbij meer dan 2 100 Palestijnen en 66 Israëli's om het leven kwamen (onder wie respectievelijk 1 462 en 5 burgers), hun verplichting niet zijn nagekomen een echt onderzoek naar de berichten over schendingen in te stellen en de daders te vervolgen; overwegende dat de onderzoekscommissie van de VN die zich over deze operatie buigt, in juni 2015 tot de conclusie is gekomen dat zowel Israël als Hamas oorlogsmisdaden hebben begaan en dat de verwoesting in het gebied erger is dan ooit tevoren; overwegende dat Israël heeft geweigerd met deze onderzoekscommissie samen te werken en haar geen toegang tot Gaza heeft verleend;

Q.     overwegende dat het op 26 augustus 2014 bereikte bestand niet ten uitvoer is gelegd, vooral niet wat betreft het opheffen van de blokkade; overwegende dat van de 19 000 volledig verwoeste woningen er tot dusver geen enkele heropgebouwd is doordat de invoer van bouwmateriaal streng beperkt is; overwegende dat 100 000 mensen nog steeds ontheemd zijn; overwegende dat 95 % van het water geen veilig drinkwater is; overwegende dat de aanhoudende blokkade van Gaza desastreuze gevolgen heeft voor de 1,8 miljoen inwoners van het gebied; overwegende dat de blokkade van Gaza volgens het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRK) neerkomt op "een collectieve bestraffing die duidelijk indruist tegen Israëls verplichtingen in het kader van het internationaal humanitair recht"; overwegende dat de VN-Conferentie over handel en ontwikkeling (UNCTAD) in een verslag van 1 september 2015 tot de conclusie komt dat de blokkade de ontwikkeling van Gaza een zware klap heeft toegebracht en dat Gaza tegen 2020 onbewoonbaar zal worden;

R.     overwegende dat het VN-agentschap voor hulp aan Palestijnse vluchtelingen (UNRWA) – dat essentiële diensten verleent aan Palestijnse vluchtelingen in de bezette Palestijnse gebieden, maar ook in Jordanië, Libanon en Syrië – momenteel de zwaarste financieringscrisis uit zijn bestaan beleeft; overwegende dat de EU en haar lidstaten onverminderd de belangrijkste donor van UNRWA zijn en goed zijn voor bijna 40 % van alle steun die deze organisatie ontvangt;

S.     overwegende dat er in april 2014 een door Hamas en Fatah gesteunde Palestijnse eenheidsregering is geïnstalleerd die de beginselen van het Kwartet, namelijk geweldloosheid, aanvaarding van de bestaande overeenkomsten en de erkenning van Israël accepteert en die wordt gesteund door de VS en de EU; overwegende dat de inspanningen met het oog op Palestijnse verzoening echter geen tastbare vooruitgang hebben opgeleverd;

T.     overwegende dat de donorgemeenschap sinds de ondertekening van de beginselverklaring van Oslo in 1993 meer dan 23 miljard EUR in vrede en ontwikkelingshulp in de bezette Palestijnse gebieden heeft geïnvesteerd; overwegende dat de ongelijkheid, werkloosheid en armoede onder de Palestijnen in diezelfde periode voortdurend zijn toegenomen;

U.     overwegende dat in een in mei 2014 in opdracht van de Commissie uitgevoerde evaluatie van de samenwerking van de EU met de bezette Palestijnse gebieden en van de steun aan het Palestijnse volk werd geconcludeerd dat het huidige samenwerkingsparadigma zijn grenzen heeft bereikt, bij gebrek aan een parallel politiek traject van de EU ten aanzien van de obstakels die voortvloeien uit de Israëlische bezetting en het Israëlische nederzettingenbeleid en de politieke verdeeldheid van de Westelijke Jordaanoever en Gaza;

V.     overwegende dat de status van Jeruzalem een van de belangrijkste kwesties in het vredesproces in het Midden-Oosten blijft; overwegende dat de EU en de internationale gemeenschap de unilaterale annexatie van Oost-Jeruzalem door Israël nooit hebben geaccepteerd; overwegende dat Palestijnen in Oost-Jeruzalem nog altijd niet de status van wettelijk inwoner hebben, dat hun land in beslag wordt genomen en dat ze systematisch worden gediscrimineerd bij de toegang tot overheidsdiensten, bij planning en bouwactiviteiten, en bij de toegang tot religieuze plaatsen en gebouwen als gevolg van het beleid van de Israëlische regering dat gericht is op het wijzigen van de demografische samenstelling van dit gebied;

W.    overwegende dat het aantal Palestijnse vluchtelingen, een andere belangrijke kwestie in het vredesproces, volgens de UNRWA anno 2015 bijna vijf miljoen bedraagt, waarvan de overgrote meerderheid vluchtelingen van de tweede of de derde generatie zijn;

X.     overwegende dat in artikel 2 van de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël duidelijk bepaalt dat "de betrekkingen tussen de partijen zijn gebaseerd op de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen, en dat dit de grondslag van hun binnen- en buitenlands beleid en een wezenlijk onderdeel van de overeenkomst vormt";

Y.     overwegende dat de internationale mensenrechtenwetgeving en het internationaal humanitair recht, inclusief de Vierde Conventie van Genève, volledig van toepassing zijn op de Westelijke Jordaanoever, met inbegrip van Oost-Jeruzalem, en de Gazastrook;

1.      eist dat er een einde komt aan de Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever, Gaza en Oost-Jeruzalem;

2.      onderstreept dat de tweestatenoplossing gebaseerd is op de VN-resolutie van 1948 en op de erkenning van beide staten door de internationale gemeenschap, en dringt er bij alle EU-lidstaten, de EU-instellingen en de VN-organisaties op aan overeenkomstig het VN‑besluit van november 2012 de Palestijnse staat binnen de grenzen van 1967 en met Oost-Jeruzalem als hoofdstad, te erkennen, zoals bepaald in de VN-resoluties, in vreedzame en veilige coëxistentie met de staat Israël;

3.      overwegende dat de erkenning van de Palestijnse staat door de lidstaten zou moeten bijdragen tot de onmiddellijke hervatting van rechtstreekse vredesbesprekingen tussen Israëli's en Palestijnen, en dringt er bij de EU op aan zich als werkelijke politieke factor in het vredesproces in het Midden-Oosten te doen gelden door steun te verlenen aan zinvolle inspanningen in het kader van de VN om tot een oplossing te komen die alle vraagstukken omvat, waaronder ook die van de definitieve status; is van mening dat vooruitgang in het vredesproces in het Midden-Oosten de veelgeplaagde regio als geheel ten goede zou komen;

4.      bekrachtigt dat de ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en Israël in grote mate afhankelijk moet worden gesteld van de eerbiediging van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht, zoals bepaald in artikel 2 van de associatieovereenkomst;

5.      veroordeelt met kracht de voortdurende expansie van Israëlische nederzettingen, die het internationaal humanitair recht schenden, de wrok bij de Palestijnse bevolking aanwakkeren en de levensvatbaarheid van en de vooruitzichten op een tweestatenoplossing danig beperken; verzoekt de Israëlische autoriteiten hun nederzettingenbeleid onmiddellijk stop te zetten en terug te draaien, als eerste en met spoed wat betreft het gebied ten zuiden van Bethlehem;

6.      uit zijn ernstige bezorgdheid over de exploitatie van Palestijnse natuurlijke hulpbronnen door Israël en over gedwongen verplaatsingen, met name in gebied C, wat een ernstige schending van het internationale recht vormt; betreurt met name de recente beslissingen van Israëlische rechters waarbij de sloop en gedwongen verplaatsing van bedoeïenengemeenschappen op de Westelijke Jordaanoever voor de bouw van joodse nederzettingen werd goedgekeurd; roept de Israëlische autoriteiten op de rechten van de bedoeïenen volledig te eerbiedigen en de afbraak- en uitzettingsbevelen voor de dorpen Susya en Abu Nwar ogenblikkelijk in te trekken;

7.      geeft uiting aan zijn grote ontzetting over de steeds vaker voorkomende ongecontroleerde geweldpleging door kolonisten, waaronder de recente moord op een 18 maanden oude Palestijnse baby ten gevolge van een brandaanslag in het Palestijnse dorp Douma op 28 juli 2015; is ingenomen met de algemene veroordeling van deze misdaad door de Israëlische leiders, al gingen die grotendeels voorbij aan het endemische karakter van de geweldpleging door kolonisten, in de hand gewerkt door een decennialang klimaat van straffeloosheid en ophitsing;

8.      dringt aan op onmiddellijke beëindiging van de blokkade van de Gazastrook waardoor de plaatselijke bevolking collectief gestraft wordt; roept alle partijen op de voorwaarden uit het staakt-het-vurenakkoord van augustus 2014 doeltreffend ten uitvoer te leggen; verzoekt de EU concrete maatregelen te treffen om Israël ertoe aan te zetten de blokkade op te heffen, met name door een tijdpad vast te stellen; spreekt zijn afkeur uit over de aanhoudende beperkingen die Israël oplegt aan de invoer van bouwmateriaal naar Gaza; verzoekt de Israëlische regering het op willekeurige en ondoorzichtige wijze aanmerken van materiaal als "voor tweeërlei gebruik" te staken en haar lijst inzake tweeërlei gebruik aan te passen aan de internationale normen, met name door hout, aggregaten, stalen balken en cement van deze lijst te halen; benadrukt dat Israël als bezettingsmacht en op grond van de Vierde Conventie van Genève de enige en voornaamste partij is die verantwoordelijk is voor de handhaving van een minimale levensstandaard voor de inwoners van Gaza;

9.      dringt opnieuw aan op de snelle wederopbouw van en terugkeer naar het normale leven in de Gazastrook na de oorlog van de zomer van 2014, hetgeen prioriteit moet krijgen in het humanitaire beleid van de EU en de internationale gemeenschap; prijst de UNRWA voor zijn bovenmenselijke inspanningen op dit gebied; verzoekt de internationale donoren zich te houden aan de toezeggingen die zij hebben gedaan tijdens de conferentie van Caïro in oktober 2014;

10.    roept andermaal op tot vrijlating van alle Palestijnse politieke gevangenen, en met name de leden van de Palestijnse Wetgevende Raad; dringt erop aan dat de rechten van Palestijnse politieke arrestanten en gevangenen in Israëlische gevangenissen volledig worden geëerbiedigd, waaronder ook de rechten van personen in hongerstaking; is van mening dat de door de Knesset op 30 juli 2015 aangenomen wet op gedwongen voeding een schending van de internationale mensenrechtenwetgeving vormt, en dringt aan op onmiddellijke intrekking van deze wet;

11.    is van mening dat de EU zich van haar verantwoordelijkheid zou moeten kwijten om een werkelijke politieke factor en facilitator te worden in het vredesproces in het Midden-Oosten, en verzoekt de EU:

•     het door Israël gevoerde beleid van collectieve bestraffing van de Palestijnse bevolking te veroordelen en op te roepen tot de beëindiging van de straffeloosheid van Israël met betrekking tot de voortdurende grove schendingen van het internationaal en humanitair recht, het Handvest van de VN en de Universele Verklaring van de rechten van de mens;

•     artikel 2 van de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël ten uitvoer te leggen door deze overeenkomst op te schorten zolang Israël de mensenrechten blijft schenden;

•     een verbod op de uitvoer van wapens van de EU naar Israël op te leggen, alle invoer van wapens uit Israël naar de EU te verbieden, en onmiddellijk alle samenwerking met Israël in het kader van het Europees Defensieagentschap (EDA) stop te zetten;

•     geen subsidies aan Israëlische entiteiten te verlenen via Horizon 2020;

•     herstelbetalingen van Israël te eisen voor de door de EU gefinancierde projecten die zijn vernield tijdens de herhaalde aanvallen in zowel Gaza als op de Westelijke Jordaanoever;

•     het verzoek te steunen van de Palestijnse president Mahmoud Abbas om Palestina onder internationale bescherming te plaatsen;

•     de regeringen van de lidstaten te verzoeken de richtsnoeren van 19 juli 2013 toe te passen en een verbod uit te vaardigen op invoer naar de EU van alle Israëlische producten die zijn vervaardigd in de illegale Israëlische nederzettingen in de bezette Palestijnse gebieden;

12.    roept de EU op te reageren op de aanhoudende uitbreiding van Israëlische nederzettingen door strikt te weigeren de overeenkomsten tussen de EU en Israël van toepassing te laten zijn op de bezette Palestijnse gebieden, door duidelijker advies te verstrekken aan burgers en bedrijven in de EU met betrekking tot de Israëlische nederzettingen en hun activiteiten, door maatregelen te nemen ten aanzien van EU‑bedrijven die meewerken aan schendingen in de nederzettingen, door concrete maatregelen ten aanzien van kolonisten te treffen, waaronder goedkeuring van een "geen contact"-beleid en een visumverbod, door producten uit de nederzettingen van de interne EU-markt uit te sluiten en door de betrekkingen tussen de EU en Israël in het licht van artikel 2 van de associatieovereenkomst te bevriezen;

13.    juicht toe dat de EU zich ervoor inzet – passend in het streven een onderscheid te maken tussen Israël en het optreden van dat land in bezet Palestijns gebied – te bewerkstelligen dat in alle overeenkomsten tussen de EU en Israël ondubbelzinnig en expliciet wordt vermeld dat zij niet van toepassing zijn in de gebieden die Israël in 1967 heeft bezet, zoals bekrachtigd in de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 juli 2015; dringt aan op correcte etikettering van producten uit de Israëlische nederzettingen op de EU-markt, in overeenstemming met bestaande EU-wetgeving en het beleid dat de EU ten aanzien van deze kwestie reeds sinds jaar en dag voert;

14.    spreekt zijn grote verontrusting uit over de ernstige financieringscrisis waarin UNRWA verkeert; verzoekt om meer financiële steun van de EU voor UNRWA en dringt er bij alle overige donoren op aan hun subsidie aan het agentschap op te voeren, maar beklemtoont ook dat de hoofdoorzaak van het probleem van de Palestijnse vluchtelingen, namelijk het recht op terugkeer, moet worden aangepakt; prijst UNRWA om zijn buitengewone inspanningen die het mogelijk hebben gemaakt dat het schooljaar 2015/2016 geopend te verklaren voor Palestijnse scholieren uit de vluchtelingengemeenschap;

15.    is ingenomen met de unanieme goedkeuring door de EU-lidstaten van de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 3 juli 2015 getiteld "Ensuring accountability and justice for all violations of international law in the Occupied Palestinian Territory including East Jerusalem", en spoort de EU aan te zorgen voor volledige uitvoering van de aanbevelingen in het verslag van de onafhankelijke VN-onderzoekscommissie, met inbegrip van de aanbevelingen om de activiteiten van het Internationaal Strafhof met betrekking tot de bezette Palestijnse gebieden actief te ondersteunen;

16.    verwelkomt andermaal de ratificatie door Palestina van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof; betreurt het dat de vv/hv geen blijk heeft gegeven van ook maar enige erkenning van deze belangrijke stap in de richting van verantwoording voor toekomstige schendingen door alle partijen; vindt dat dergelijk gedrag de geloofwaardigheid van het mensenrechtenbeleid van de EU en haar verklaringen over verantwoording en internationale rechtvaardigheid openlijk ondermijnt;

17.    spreekt zijn verontrusting uit over berichten inzake een verslechterend klimaat voor mensenrechten-ngo's in Israël en over de toenemende pogingen van de huidige regering om afwijkende meningen en onafhankelijke kunst de mond te snoeren, onder meer via de goedkeuring van wetsontwerpen die tot doel hebben de activiteiten van ngo's ernstig in te perken; roept de diplomatieke EU-missies op met de Israëlische autoriteiten het gesprek aan te gaan over deze dringende kwestie en mensenrechtenactivisten in het land te blijven steunen;

18.    is ingenomen met de vorming van de Gemeenschappelijke Lijst en de overtuigende resultaten daarvan bij de meest recente parlementsverkiezingen in Israël, omdat de Israëlische groeperingen en burgers die zich inzetten voor een einde van de bezetting en een vreedzame tweestatenoplossing, hiermee een stem krijgen;

19.    hoopt dat de Palestijnse politieke krachten in staat zullen zijn verzoening en nationale eenheid tot stand te brengen, hetgeen ertoe zal bijdragen dat er een einde komt aan de bezetting;

20.    besluit een verslag op te stellen over de handel in wapens en andere beveiligingsapparatuur tussen de lidstaten en Israël en Palestina, en over de verenigbaarheid van deze handel met het gemeenschappelijk standpunt van de EU; roept op tot een alomvattend VN-wapenembargo voor alle partijen in de regio om verdere schendingen van het internationale humanitaire recht en de mensenrechten te voorkomen;

21.    herinnert aan zijn besluit om een initiatief "Parlementsleden voor vrede" te lanceren om Europese, Israëlische en Palestijnse parlementsleden samen te brengen en zo vorderingen met de vredesagenda te boeken en de diplomatieke inspanningen van de EU aan te vullen;

22.    spreekt zijn verontwaardiging uit over het voortdurend en ongerechtvaardigd dwarsbomen door de Israëlische autoriteiten van bezoeken van officiële organen van het Europees Parlement aan Gaza; waarschuwt dat er maatregelen zullen worden genomen indien er op 1 november 2015 nog steeds geen verbetering in deze situatie is gekomen;

23.    besluit een ad-hocdelegatie naar Palestina, met inbegrip van Gaza, en naar Israël te sturen om de situatie ter plaatse te beoordelen wat betreft de vernietiging van door de EU gefinancierde projecten in gebied C en Gaza, alsmede de kansen op een duurzame oplossing voor het conflict;

24.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Knesset, de Palestijnse Wetgevende Raad, de president en de regering van de Palestijnse staat, de president en de regering van Israël, de secretaris-generaal van de Arabische Liga en de commissaris-generaal van UNRWA.

Juridische mededeling