Procedure : 2015/2685(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0844/2015

Ingediende teksten :

B8-0844/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/09/2015 - 8.5
CRE 10/09/2015 - 8.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0318

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 207kWORD 91k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0836/2015
7.9.2015
PE565.812v01-00
 
B8-0844/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de rol van de EU in het vredesproces in het Midden-Oosten (2015/2685(RSP))


Victor Boştinaru, Richard Howitt, Eric Andrieu, Nikos Androulakis, Zigmantas Balčytis, Hugues Bayet, Brando Benifei, Goffredo Maria Bettini, José Blanco López, Vilija Blinkevičiūtė, Biljana Borzan, Nicola Caputo, Andi Cristea, Miriam Dalli, Viorica Dăncilă, Monika Flašíková Beňová, Doru-Claudian Frunzulică, Eider Gardiazabal Rubial, Enrico Gasbarra, Adam Gierek, Neena Gill, Maria Grapini, Theresa Griffin, Roberto Gualtieri, Sergio Gutiérrez Prieto, Anna Hedh, Cătălin Sorin Ivan, Liisa Jaakonsaari, Afzal Khan, Jeppe Kofod, Kashetu Kyenge, Arne Lietz, Javi López, Louis-Joseph Manscour, David Martin, Marlene Mizzi, Alessia Maria Mosca, Victor Negrescu, Norbert Neuser, Demetris Papadakis, Tonino Picula, Kati Piri, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Daciana Octavia Sârbu, Peter Simon, Tibor Szanyi, Claudia Tapardel, Marita Ulvskog, Elena Valenciano, Julie Ward namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de rol van de EU in het vredesproces in het Midden-Oosten (2015/2635(RSP))  
B8-0844/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over het vredesproces in het Midden-Oosten, in het bijzonder die van 17 december 2014 over de erkenning van Palestina als staat(1), die van 18 september 2014 over Israël en Palestina na de oorlog in de Gazastrook en de rol van de EU(2), en die van 5 juli 2012 over het EU-beleid inzake de westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem(3),

–       gezien de conclusies van de Raad van maandag 20 juli 2015 over het vredesproces in het Midden-Oosten,

–       gezien de verklaring van vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, Federica Mogherini, van 7 mei 2015 over de vorming van de nieuwe Israëlische regering en de verklaringen van haar woordvoerder van 31 juli 2015 over de brandaanslag op de westelijke Jordaanoever, respectievelijk 29 juli 2015 over de recente Israëlische beslissingen over uitbreiding van de nederzettingen,

–       gezien de lokale EU-verklaring van 24 augustus 2015 over sloopwerkzaamheden in sector C en bouwwerkzaamheden aan de scheidingsmuur in Cremisan,

–       gezien de gezamenlijke verklaring van de VV/HV, Federica Mogherini, de EU-commissaris voor nabuurschapsbeleid en uitbreidingsonderhandelingen, Johannes Hahn, en de commissaris voor humanitaire hulp en crisismanagement, Christos Stylianides, van 19 augustus 2015 over EU-steun voor de UNRWA,

–       gezien de Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds,

–       gezien de Euromediterrane interim-associatieovereenkomst voor handel en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, anderzijds,

–       gezien de relevante resoluties van de Algemene Vergadering van de VN en de VN-Veiligheidsraad,

–       gezien de vierde Conventie van Genève van 1949 betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd,

–       gezien het feit dat Yehiel Hilik Bar, ondervoorzitter van de Knesset, op 27 juli 2015 de "Diplomatic Outline for Resolving the Israeli-Palestinian Conflict and Steps for Creating a Diplomatic Horizon and Generating Positive Momentum toward an Agreement" heeft gepresenteerd,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat na het initiatief van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, John Kerry, uit 2013-2014 en na de oorlog in de Gazastrook in de zomer van 2014 nu opnieuw sprake is van een impasse in het vredesproces in het Midden-Oosten tussen Israëli's en Palestijnen; overwegende dat de VN-Veiligheidsraad pogingen onderneemt om het vredesproces nieuw leven in te blazen; overwegende dat Yehiel Hilik Bar, ondervoorzitter van de Knesset, gesteund door belangrijke leiders van de Israëlische oppositie, in juli 2015 een "Diplomatic Outline for Resolving the Israeli-Palestinian Conflict and Steps for Creating a Diplomatic Horizon and Generating Positive Momentum toward an Agreement" heeft gepresenteerd;

B.     overwegende dat het Israëlisch-Palestijnse conflict onverminderd gevolgen heeft voor het hele Midden-Oosten; overwegende dat de gewelddadige crisis in Syrië, de opkomst van de zogenaamde Islamitische Staat, het toenemende radicalisme en de toename van het terrorisme in het Midden-Oosten aanzienlijke bedreigingen vormen voor de veiligheid van Israël en de hele regio, en het lijden van de Palestijnen vergroot, maar ook gedeelde belangen creëert tussen de Arabische staten en Israël, terwijl de nucleaire overeenkomst met Iran voor het vredesproces een uniek momentum inhoudt, dat we niet voorbij mogen laten gaan;

C.     overwegende dat de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, Federica Mogherini, die haar eerste officiële buitenlandse bezoek in deze functie in november 2014 aan Israël en Palestina bracht, zich persoonlijk heeft ingezet voor het vernieuwen en intensiveren van de betrokkenheid van de EU bij het vredesproces in het Midden-Oosten; overwegende dat Fernando Gentilini benoemd is tot speciaal afgezant van de EU voor het vredesproces in het Midden-Oosten; overwegende dat de EU, ondanks de ambitie en de toezegging om ten aanzien van het vredesproces in het Midden-Oosten een eigen rol te spelen, nog geen alomvattende en coherente kijk op die rol heeft ontwikkeld, die bovendien rekening moet houden met de snel veranderende regionale context;

D.     overwegende dat het Parlement herhaaldelijk zijn steun heeft uitgesproken voor een tweestatenoplossing waarbij de staat Israël, met de garantie op veilige en erkende grenzen, en een onafhankelijke, soevereine, aangrenzende en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid, met de grenzen van 1967, met onderling overeengekomen landruilovereenkomsten en met Jeruzalem als hoofdstad van beide staten; overwegende dat de belangrijkste kenmerken van de tweestatenoplossing bekend zijn van eerdere onderhandelingen tussen de beide partijen;

E.     overwegende dat op de westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem, naar schatting 600 000 Joodse kolonisten wonen; overwegende dat de voortdurende sloop van Palestijnse huizen en de verdrijving van Palestijnse gezinnen, de beperkingen van de bewegingsvrijheid van Palestijnen en van de toegang tot hun landbouwgronden, het door Joodse kolonisten gepleegde geweld, de bouw van de scheidingsmuur (die bovendien niet overal samenvalt met de Groene Lijn), en de exploitatie van Palestijnse natuurlijke hulpbronnen door Israël, als bezettingsmacht, in dit gebied een ondubbelzinnige schending van het internationale recht vormen en een ernstige bedreiging voor de tweestatenoplossing zijn;

F.     overwegende dat volgens de Palestinian Monitoring Group Joodse kolonisten sinds 2004 meer dan 11 000 aanslagen op Palestijnen op de westelijke Jordaanoever hebben gepleegd; overwegende dat het volgens de Israëlische mensenrechtenorganisatie Yesh Din in slechts 1,9 % van alle gevallen van geweld door kolonisten die in de periode 2005-2014 voor het gerecht zijn gebracht tot een succesvolle vervolging is gekomen;

G.     overwegende dat de status van Jeruzalem onverminderd een van de belangrijkste kwestie in het vredesproces in het Midden-Oosten is; overwegende dat de EU en de internationale gemeenschap de unilaterale annexatie van Oost-Jeruzalem door Israël nooit hebben geaccepteerd; overwegende dat Palestijnen in Oost-Jeruzalem nog altijd niet de status van wettelijk inwoner hebben, dat hun land in beslag wordt genomen en dat ze worden gediscrimineerd bij de toegang tot overheidsdiensten, bij planning en bouwactiviteiten, en bij de toegang tot religieuze plaatsen en sites als gevolg van het beleid van de Israëlische regering gericht op het wijzigen van de demografische samenstelling van dit deel van de stad;

H.     overwegende dat het aantal Palestijnse vluchtelingen, een andere belangrijke kwestie in het vredesproces, volgens de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Midden-Oosten (UNRWA) anno 2015 bijna vijf miljoen bedraagt, waarvan de overgrote meerderheid vluchtelingen van de tweede of de derde generatie is;

I.      overwegende dat Palestijnse eenheid een essentieel onderdeel van het vredesproces in het Midden-Oosten is en een noodzakelijke voorwaarde voor de tweestatenoplossing; overwegende dat deze eenheid evenwel voortdurend wordt ondermijnd door politieke spanningen tussen de Palestijnen onderling en door de Israëlische blokkade van de Gazastrook, en overwegende dat de Palestijnse Autoriteit in dit gebied in feit nauwelijks iets te zeggen heeft;

J.      overwegende dat de Gazastrook, waar Hamas de facto de lakens uitdeelt, sinds 2007 van de buitenwereld is afgesloten; overwegende dat deze blokkade de economie van de Gazastrook kapot heeft gemaakt, resulterend in een hoge werkloosheid en een gebrek aan elementaire spullen, en een grote psychologische impact heeft op de bevolking, en mate name de jongeren; overwegende dat veel kinderen in de Gazastrook reeds drie oorlogen hebben meegemaakt en lijden onder de post-traumatische stress die dit oplevert; overwegende dat de humanitaire crisis in de Gazastrook door de oorlog in de zomer van 2014 verder is toegenomen en dat te weinig materiaal voor de wederopbouw tot het gebied wordt toegelaten; overwegende dat de EU de raketaanvallen vanuit de Gazastrook op Israël herhaaldelijk heeft veroordeeld en erop aangedrongen heeft een definitief eind te maken aan de wapensmokkel naar het gebied;

K.     overwegende dat er 5 700 Palestijnen – onder wie 160 kinderen, 26 vrouwen en 400 administratief gedetineerden – vastzitten in Israëlische gevangenissen; overwegende dat tien leden van de Palestijnse Wetgevende Raad – onder wie drie in administratieve detentie – vastzitten in Israëlische gevangenissen; overwegende dat de Knesset op 30 juli 2015 goedkeuring heeft gehecht aan een wet die het mogelijk maakt Palestijnse gevangenen die in hongerstaking zijn gedwongen voedsel toe te dienen;

L.     overwegende dat actoren van het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenorganisaties, vredesactivisten, kunstenaars, schrijvers, academici en intellectuelen (aan zowel Israëlische, als Palestijnse kant) een belangrijk onderdeel van het sociale en politieke leven van hun respectieve gemeenschappen vormen, en onmisbaar zijn voor de vredesbewegingen aan de basis; overwegende dat een brede waaier aan verhalen en ervaringen, een dynamisch maatschappelijk middenveld en een inclusieve maatschappelijke discussie tot sterkere democratische instellingen in beide kampen kunnen leiden, en vrede en verbroedering dichterbij kunnen helpen brengen;

M.    overwegende dat de UNRWA - die essentiële diensten verleend aan Palestijnse vluchtelingen in de bezette Palestijnse gebieden, maar ook in Jordanië, Libanon en Syrië - momenteel de zwaarste financieringscrisis uit haar bestaan beleeft; overwegende dat de EU en haar lidstaten onverminderd de belangrijkste donor van de UNRWA zijn en bijna 40 % van alle steun die deze organisatie ontvangt voor hun rekening nemen;

1.      maakt zich ernstige zorgen over de aanhoudende impasse in het vredesproces in het Midden-Oosten tussen Israëli's en Palestijnen, en dringt aan op onmiddellijke hervatting van geloofwaardige vredesinspanningen tussen beide partijen op basis van een ondubbelzinnige toezegging - van die partijen - af te zien van elke schending van het internationale recht, gericht op het verwezenlijken van tastbare resultaten in het kader van een van tevoren overeengekomen tijdschema;

2.      steunt de permanente inspanningen van de VN-Veiligheidsraad, in het bijzonder het Franse initiatief, gericht op hervatting van de vredesgesprekken tussen Israëli's en Palestijnen in de vorm van een resolutie met een kader en een tijdschema voor het vredesproces in kwestie; dringt overigens - mocht de huidige impasse in het vredesproces voortduren - aan op een alomvattend Europees vredesinitiatief, dat voorgesteld zou kunnen worden tijdens een internationale vredesconferentie waaraan wordt deelgenomen door beide partijen en alle betrokken regionale en internationale actoren; is voorstander van de instelling van een International Support Group, zoals aangekondigd in de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 juli 2015; neemt kennis van de "Diplomatic Outline" van Yehiel Hilik Bar, ondervoorzitter van de Knesset, en beschouwt deze als een belangrijke bijdrage aan de vredesinspanningen;

3.      herhaalt met klem zijn steun voor een tweestatenoplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict waarbij de staat Israël, met de garantie op veilige en erkende grenzen, en een onafhankelijke, soevereine, aangrenzende en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid, met de grenzen van 1967, met onderling overeengekomen landruilovereenkomsten en met Jeruzalem als hoofdstad van beide staten;

4.      onderstreept dat het in leven houden van de tweestatenoplossing door middel van concrete maatregelen en het waarborgen van volledige eerbiediging van de rechten van de plaatselijke bevolking voor de EU en de internationale gemeenschap de hoogste prioriteit moeten hebben; kijkt uit naar de start van de gestructureerde dialoog van de EU met Israël over de situatie op de westelijke Jordaanoever en het in leven houden van de tweestatenoplossing, in het kader waarvan ook de kwestie van de nederzettingen aan bod zou moeten komen;

5.      onderstreept eens te meer dat geweldloosheid de enige manier is om tot vrede tussen Israëli's en Palestijnen te komen middels een via onderhandelingen bereikte definitievestatusovereenkomst die een eind maakt aan alle wederzijdse claims; veroordeelt elke vorm van geweld tegen (het leven van) burgers over en weer; herhaalt dat het onverminderd groot belang hecht aan de veiligheid van Israël; geeft onverminderd steun aan het beleid van geweldloos verzet van de Palestijnse president Mahmoud Abbas;

6.      onderstreept dat een permanente oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict alleen mogelijk is in een regionale context en met de actieve en permanente ondersteuning van de internationale gemeenschap; onderstreept in dit verband het belang van het Arabische vredesinitiatief en roept Israël op tot een officiële reactie hierop; dringt erop aan alle relevante regionale partijen in het vredesproces in te schakelen, waarbij met name te denken is aan de Arabische Liga, alsmede Egypte, Jordanië en Libanon, die een bijzonder belang hebben bij de kwesties van de grenzen en de vluchtelingen;

7.      onderstreept dat het hoog tijd is dat de EU een prominente politieke rol in het vredesproces in het Midden-oosten op zich neemt; is verheugd over de persoonlijke inzet van de VV/HV, en geeft zijn volledige steun aan haar inspanningen op dit vlak; is er verheugd over dat de EU, zoals staat in de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 juli 2015, toezegt zich actief te zullen inzetten voor een hernieuwde multilaterale benadering van het vredesproces, in overleg met alle betrokken partijen, alsmede met regionale partners samen te werken op basis van het Arabische vredesinitiatief; onderstreept evenwel dat de EU niet alleen moet meedoen, maar in dit proces een voortrekkersrol moet vervullen, in nauwe samenwerking met andere belangrijke internationale actoren, door een duidelijke en consistente beleidslijn te volgen die is ingepast in een bredere strategie gericht op verandering van de geopolitieke orde in het Midden-Oosten;

8.      spoort de VV/HV aan doeltreffend gebruik te maken van alle bestaande EU-instrumenten, waaronder positieve en negatieve stimulansen, die Israël en de Palestijnen ertoe kunnen bewegen akkoord te gaan met de tweestatenoplossing; onderstreept dat de toekomst van de betrekkingen van de EU met zowel Israël, als de Palestijnen afhankelijk moet worden gemaakt van een duidelijk zichtbare inzet voor en tastbare vooruitgang bij de totstandbrenging van vrede en eerbiediging van het internationale recht; dringt in dit verband aan op permanente, volledige en doeltreffende implementatie van alle relevante EU-wetgeving en -richtsnoeren, alsook van de bilaterale overeenkomsten van de EU met beide partijen, met inbegrip van artikel 2 van de associatie-overeenkomst EU-Israël en de interim-associatie-overeenkomst EU-PLO;

9.      herinnert aan de toezegging, zoals vervat in de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 13 december 2013 (en, de afgelopen twee jaar, in meerdere EU-conclusies en -verklaringen herhaald), dat: "de EU beide partijen in het kader van een definitievestatusovereenkomst een uniek pakket Europese steunmaatregelen op politiek, economisch en veiligheidsgebied zal aanbieden", dat "zodra er een definitief vredesakkoord tot stand komt de Europese Unie Israël en de toekomstige staat Palestina een bijzonder bevoorrecht partnerschap zal aanbieden, met inbegrip van bredere toegang tot de Europese markten, nauwere culturele en wetenschappelijke banden, facilitering van handel en investeringen en bevordering van betrekkingen tussen ondernemingen", en dat "beide staten voorts het intensiveren van de politieke dialoog en de veiligheidssamenwerking zal worden aangeboden";

10.    onderstreept dat geen enkele financiële steun van de EU aan Israël of aan Europese of andere entiteiten direct of indirect gebruikt mag worden voor of bij mag dragen aan de bouw of uitbreiding van illegale Israëlische nederzettingen op de westelijke Jordaanoever, met inbegrip van Oost-Jeruzalem, of voor/aan Israëlische activiteiten die neerkomen op schending van het internationale humanitaire recht in bezet Palestijns gebied; verwelkomt in dit verband de "richtsnoeren (van de Commissie) betreffende de mogelijkheid van Israëlische entiteiten en hun activiteiten in de door Israël sinds juni 1967 bezette gebieden om in aanmerking te komen voor subsidies, prijzen en financieringsinstrumenten die na 2014 met EU-middelen worden gefinancierd" van 19 juli 2013, en dringt erop aan deze volledig te implementeren; onderstreept de verantwoordelijkheid die de relevante EU-autoriteiten hebben om ervoor te zorgen dat geen enkele financiële steun van de EU aan de Palestijnen bedoeld of onbedoeld terecht kan komen bij terroristische organisaties en/of gebruikt kan worden voor terroristische activiteiten;

11.    is vastbesloten de samenwerking met Israëlische en Palestijnse politici en actoren van het maatschappelijk middenveld die zich voor een eerlijke en permanente vrede in het Midden-Oosten inzetten, te versterken; herinnert aan zijn besluit om een initiatief, "Parliamentarians for Peace" genaamd, te starten als een forum voor intensivering van de dialoog met democratisch verkozen leden van de Knesset en de Palestijnse Wetgevende Raad;

12.    onderstreept dat de Arabische burgers van Israël in potentie een belangrijke rol kunnen spelen bij het tot stand brengen van vrede tussen Israëli's en Palestijnen, en wijst op de opkomst - met veel stemmen van Joodse burgers van Israël - van de Gemeenschappelijke Arabische Lijst tot de op twee na grootste politieke fractie in de Knesset; onderstreept dat de tweestatenoplossing de garantie moet inhouden van volledige eerbiediging van de waardigheid en de individuele en de collectieve rechten van etnische en religieuze minderheden, als evenwaardige burgers van hun landen, in beide staten; roept Israël in dit verband op te werken aan een betere integratie van de Arabische burgers in de publieke sector, alsook op sociaal, economisch en politiek vlak; onderstreept dat het ook belangrijk is de religieuze leiders van beide partijen gedurende het hele vredesproces te raadplegen;

13.    erkent dat een dialoog tussen mensen aan de basis een onlosmakelijk onderdeel zal vormen van een levensvatbare en duurzame vrede tussen Israëli's en Palestijnen; dringt aan op EU-maatregelen ter ondersteuning van organisaties van het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenorganisaties, vredesactivisten, kunstenaars, schrijvers, academici en intellectuelen die zich inzetten voor dialoog, culturele uitwisselingen, de totstandbrenging van vrede, intermenselijke contacten en culturele uitwisselingen aan beide zijden; dringt aan op EU-maatregelen voor het aanzwengelen van interculturele uitwisselingen tussen Israëli's en Palestijnen en van dialoog tussen jongeren, waaronder onderwijsprojecten, initiatieven op de gebieden sport en kunst, alsmede programma's voor jonge leiders;

14.    veroordeelt het feit dat Israël onverminderd doorgaat met het bouwen van nieuwe, en het uitbreiden van reeds bestaande nederzettingen op de westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem, alsook de recente aankondiging van de Israëlische premier, Benjamin Natanyahu, betreffende de bouw van 300 nieuwe wooneenheden in de nederzetting Beit El en 500 wooneenheden in Oost-Jeruzalem, alsook - volgens het VN-Bureau voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden (OCHA) - alleen al in augustus 2015 de sloop van 142 huizen van Palestijnen en andere infrastructuurvoorzieningen in sector C en in Oost-Jeruzalem, waaronder 16 met geld van donoren gebouwde structuren, resulterend in de verdrijving van 201 Palestijnen, waaronder 121 kinderen; onderstreept eens te meer dat de bouw door Israël van nederzettingen in bezet Palestijns gebied illegaal is onder het internationale recht, indruist tegen de geest van vrede en een grote belemmering vormt voor de vredesinspanningen; betreurt de sloop van met geld van de EU en haar lidstaten gefinancierde projecten in bezet Palestijns gebied, en spoort de EU en haar lidstaten aan samen met Israël te zoeken naar een passende oplossing in de vorm van compensatie voor vernietigde of in beslag genomen spullen die met geld van Europese belastingbetalers waren gefinancierd;

15.    juicht toe dat de EU zich ervoor inzet - passend in het streven een onderscheid te maken tussen Israël en het optreden van dat land in bezet Palestijns gebied - te bewerkstelligen dat in alle overeenkomsten tussen de EU en Israël ondubbelzinnig en expliciet wordt vermeld dat zij niet van toepassing zijn in de gebieden die Israël in 1967 heeft bezet, zoals bekrachtigd in de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 juli 2015; dringt aan op de juiste etikettering van producten uit de Israëlische nederzettingen op de EU-markt, in overeenstemming met bestaande EU-wetgeving en het beleid dat de EU ten aanzien van deze kwestie reeds jaar en dag voert;

16.    spreekt - onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 juli 2015 - zijn grote bezorgdheid uit over de verdere verslechtering van de situatie van de Palestijnse bevolking op de westelijke Jordaanoever, in het bijzonder in sector C en in Oost-Jeruzalem, ten gevolg van de niet-aflatende bouw van nieuwe, en de uitbreiding van reeds bestaande nederzettingen door Israël, de beperkingen van de bewegingsvrijheid van Palestijnen, de sloop van Palestijnse huizen en de verdrijving van Palestijnse gezinnen, het door Joodse kolonisten gepleegde geweld, de bouw van de scheidingsmuur (die bovendien niet overal samenvalt met de Groene Lijn), en de exploitatie van Palestijnse natuurlijke hulpbronnen door Israël, als bezettingsmacht, die een ernstige bedreiging vormen voor de tweestatenoplossing; verzoekt de Israëlische autoriteiten met klem een eind te maken aan de gedwongen verplaatsingen van de Palestijnse bevolking en de sloop van Palestijnse huizen en infrastructuurvoorzieningen, waaronder in de dorpen Abu Nawar en Susiya, en dit in de toekomst te voorkomen;

17.    veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen de recente aanslagen door Joodse kolonisten op Palestijnen, in het bijzonder de moord op Ali Dawabshah, een anderhalf jaar oud Palestijns kind, en diens ouders in het dorp Duma, en spreekt zijn medeleven uit; maakt zich ernstige zorgen over het toenemende geweld door kolonisten op de westelijke Jordaanoever, dat rechtstreeks verband houdt met het nederzettingenbeleid van de Israëlische regering; verwelkomt de verklaringen van de Israëlische president, Reuven Rivlin, en de Israëlische premier, Benjamin Netanyahu, waarin zij de aanslagen op de familie Dawabshah veroordelen en een terroristische daad noemen, maar herinnert Israël eraan dat het de volledige verantwoordelijkheid draagt om de Palestijnse bevolking in bezet gebied tegen aanvallen en intimidatie door Joodse kolonisten te beschermen en alle daders van geweld door kolonisten voor het gerecht ter verantwoording te roepen;

18.    herhaalt zijn steun voor het recht op zelfbeschikking van het Palestijnse volk; continueert zijn steun voor de erkenning van Palestina als staat als een cruciale stap voor het doorbreken van de impasse in het vredesproces in het Midden-Oosten, alsook voor de wederzijdse erkenning door Israël en Palestina als onderdeel van een definitievestatusovereenkomst; is verheugd over het lidmaatschap van Palestina van het Internationaal Strafhof;

19.    herhaalt zijn oproep voor daadwerkelijke Palestijnse eenheid, hetgeen een essentieel onderdeel uitmaakt van het vredesproces in het Midden-Oosten; betreurt de recente terugslag in het proces van verbroedering tussen de Palestijnen na de gedeeltelijke herschikking in de regering van nationale eenheid eind juli 2015; neemt ter kennis dat president Mahmoud Abbas en een aantal leden van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) hebben aangekondigd te zullen terugtreden van hun functie van president, respectievelijk lid van het uitvoerend comité van de PLO; dringt opnieuw aan op presidents- en parlementsverkiezingen in Palestina omdat deze de democratische legitimiteit van het Palestijnse politieke leiderschap zullen vergroten, tot interne Palestijnse verbroedering zullen bijdragen en de politieke invloed van extremistische krachten, waaronder Hamas, zullen verkleinen;

20.    dringt opnieuw aan op de snelle wederopbouw van en terugkeer naar het normale leven in de Gazastrook na de oorlog van de zomer van 2014, hetgeen prioriteit moet krijgen in het humanitaire beleid van de EU en de internationale gemeenschap; prijst de UNRWA voor haar bovenmenselijke inspanningen op dit gebied; verzoekt de internationale donoren zich te houden aan de toezeggingen die zij hebben gedaan tijdens de conferentie van Caïro in oktober 2014;

21.    dringt aan op onmiddellijke beëindiging van de blokkade van de Gazastrook, die neerkomt op collectieve bestraffing van de plaatselijke bevolking, en op economisch herstel van het gebied, aangezien handhaving van de huidige status quo geen serieuze optie vormt en koren op de molen van extremisten is; herhaalt dat een stabiele en welvarende Gazastrook ook dienstig is aan Israël's belangen en veiligheid; is verheugd over de recente positieve stappen van Israël in de richting van opheffing van de blokkade, en spoort enerzijds Israël aan op de ingeslagen weg door te gaan en anderzijds de Palestijnse Autoriteit hierop positief te reageren; onderstreept dat het beëindigen van de blokkade van de Gazastrook in combinatie met oog voor Israël's legitieme veiligheidsbekommernissen onverminderd hoog op de agenda van de Europees-Israëlische bilaterale betrekkingen moet blijven staan;

22.    verzoekt de Palestijnse Autoriteit haar regeringsrol in de Gazastrook weer op zich te nemen, als voorwaarde voor duurzame politieke consolidering in dat gebied; is er verheugd over dat de EU heeft toegezegd, en in de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 juli 2015 heeft bekrachtigd, deze inspanningen te zullen steunen, waaronder middels de reactivering en mogelijke uitbreiding van de reikwijdte en het mandaat van de EU-missie voor bijstandsverlening inzake grensbeheer (EUBAM Rafah) en de EU-politiemissie voor de Palestijnse gebieden (EUPOL COPPS);

23.    dringt aan op onmiddellijke en definitieve beëindiging van de raketaanvallen vanuit de Gazastrook op Israëlisch grondgebied, en van alle andere vormen van terrorisme tegen Israël vanuit dit gebied; onderstreept nog eens dat volledige eerbiediging van de internationale mensenrechten- en humanitaire wetgeving door zowel staats-, als niet-staatsactoren, met inbegrip van hun verplichting tot het afleggen van rekenschap, onmisbaar is voor het tot stand brengen van duurzame vrede en veiligheid tussen Israëli's en Palestijnen, en in het hele Midden-Oosten;

24.    roept andermaal op tot vrijlating van alle Palestijnse politieke gevangenen, en met name de leden van de Palestijnse Wetgevende Raad; dringt erop aan dat de rechten van Palestijnse politieke arrestanten en gevangenen in Israëlische gevangenissen volledig worden geëerbiedigd, waaronder ook de rechten van personen in hongerstaking; maakt zich zorgen over de door de Knesset op 30 juli 2015 aangenomen wet die het mogelijk maakt Palestijnse gevangenen die in hongerstaking zijn gedwongen voedsel toe te dienen, en onderstreept dat bij de toepassing van deze wet de internationale mensenrechtenwetgeving en -normen strikt in acht moeten worden genomen;

25.    spreekt zijn grote verontrusting uit over de ernstige financieringscrisis waarin de UNRWA verkeert; verzoekt om meer financiële steun van de EU voor de UNRWA en dringt er bij alle overige donoren op aan hun subsidie aan het agentschap op te voeren, maar beklemtoont ook dat de hoofdoorzaak van het probleem van de Palestijnse vluchtelingen moet worden aangepakt; prijst de UNRWA om haar buitengewone inspanningen die het mogelijk hebben gemaakt het schooljaar 2015/2016 voor geopend te verklaren voor Palestijnse scholieren uit de vluchtelingengemeenschap;

26.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale afgezant van de EU voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Knesset, de president en de regering van Israël, de Palestijnse Wetgevende Raad en de Palestijnse Autoriteit, de secretaris-generaal van de Liga van Arabische staten, de parlementen en regeringen van Egypte, Jordanië en Libanon, en de commissaris-generaal van de UNRWA.

 

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0103.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0029.

(3)

PB C 349 E van 29.11.2013, blz. 82.

Juridische mededeling