Procedure : 2015/2879(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1001/2015

Ingediende teksten :

B8-1001/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 08/10/2015 - 9.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0348

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 157kWORD 67k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0998/2015
5.10.2015
PE568.488v01-00
 
B8-1001/2015

naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B8-0761/2015

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over de doodstraf (2015/2879(RSP))


Cristian Dan Preda, Therese Comodini Cachia, Andrej Plenković, László Tőkés, Davor Ivo Stier, Miroslav Mikolášik, David McAllister, Dubravka Šuica, Michael Gahler, Patricija Šulin, Luděk Niedermayer, Adam Szejnfeld, Tomáš Zdechovský, Pavel Svoboda, Ivana Maletić, Jaromír Štětina, Roberta Metsola, Michaela Šojdrová, Anna Maria Corazza Bildt, Milan Zver, Francisco José Millán Mon, Jiří Pospíšil, Ramón Luis Valcárcel Siso, Lara Comi namens de PPE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de doodstraf (2015/2879(RSP))  
B8-1001/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over de afschaffing van de doodstraf, in het bijzonder die van 7 oktober 2010 over de Werelddag tegen de doodstraf(1),

–       gezien de protocollen 6 en 13 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

–       gezien artikel 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–       gezien de richtsnoeren van de EU inzake de doodstraf,

–       gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het tweede facultatieve protocol daarbij,

–       gezien de slotverklaring van het vijfde Wereldcongres tegen de doodstraf dat op 12-15 juni 2013 in Madrid werd gehouden,

–       gezien de studie over de gevolgen van het drugsprobleem in de wereld voor de uitoefening van de mensenrechten, die de hoge VN-commissaris voor de mensenrechten in september 2015 heeft uitgebracht,

–       gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de doodstraf, als uiterst wrede, onmenselijke en onterende bestraffing, neerkomt op een schending van het recht op leven zoals vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en op een vorm van foltering die onaanvaardbaar is voor staten die de mensenrechten eerbiedigen;

B.     overwegende dat de Europese Unie sterk en principieel tegen de doodstraf gekant is en een universeel moratorium met het oog op de wereldwijde afschaffing ervan als een van de belangrijkste doelstellingen van het mensenrechtenbeleid van de Unie beschouwt;

C.     overwegende dat de Werelddag tegen de doodstraf op 10 oktober 2015 gericht is op "bewustmaking rond de toepassing van de doodstraf voor drugsgerelateerde delicten";

D.     overwegende dat de doodstraf geen afschrikkend effect heeft op drugshandel of criminaliteit; overwegende dat de overgrote meerderheid van de personen die voor drugsdelicten ter dood veroordeeld worden in de hiërarchie van de drugshandel tot de onderste geledingen behoort;

E.     overwegende dat volgens het Bureau van de hoge commissaris voor de mensenrechten van de VN meer dan 160 lidstaten van de VN, met uiteenlopende rechtsstelsels, tradities, culturen en religieuze achtergronden, de doodstraf hebben afgeschaft of niet meer toepassen;

F.     overwegende dat volgens de meest recente cijfers in 2014 ten minste 2 466 mensen in 55 landen ter dood zijn veroordeeld – een toename met bijna 23 % ten opzichte van 2013; overwegende dat 33 landen de doodstraf opleggen voor drugsgerelateerde delicten, hetgeen leidt tot circa 1 000 terechtstellingen per jaar; overwegende dat er ook in 2015 sprake is van een alarmerend aantal doodvonnissen en executies;

G.     overwegende dat tientallen Europese onderdanen terechtgesteld dreigen te worden in derde landen, velen van hen wegens drugsgerelateerde delicten;

1.      veroordeelt andermaal de toepassing van de doodstraf en is groot voorstander van de invoering van een moratorium op de doodstraf, als stap in de richting van de afschaffing ervan; benadrukt eens te meer dat de afschaffing van de doodstraf ertoe bijdraagt de menselijke waardigheid te versterken; stelt er diep van overtuigd te zijn dat de afschaffing van de doodstraf een gevestigde ethische norm vormt;

2.      veroordeelt alle terechtstellingen, waar zij ook plaatsvinden; blijft uiterst bezorgd over de oplegging van de doodstraf aan minderjarigen en personen met een mentale of verstandelijke handicap en verzoekt om onmiddellijke, definitieve beëindiging van deze praktijken, die een inbreuk vormen op internationale mensenrechtelijke normen; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de recente massaprocessen waarbij een zeer groot aantal doodvonnissen werd uitgesproken;

3.      blijft er volledig van overtuigd dat doodvonnissen niet voorkomen dat mensen een misdaad plegen of het slachtoffer worden van drugsmisbruik; verzoekt landen waar de doodstraf nog bestaat alternatieven voor de doodstraf wegens drugsdelicten in te voeren die met name gericht zijn op drugspreventieprogramma's;

4.      dringt er bij de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten op aan de strijd tegen de voltrekking van de doodstraf voort te zetten en landen waar de doodstraf nog steeds wordt toegepast dringend op te roepen om te voldoen aan internationale minimumnormen en het toepassingsgebied en het gebruik van de doodstraf in te perken; dringt er bij de EDEO op aan waakzaam te blijven voor ontwikkelingen in alle landen en alle beschikbare middelen om invloed uit te oefenen te gebruiken;

5.      beveelt de Commissie en de lidstaten nogmaals aan de afschaffing van de doodstraf voor drugsgerelateerde delicten als voorwaarde te hanteren voor het drugsbestrijdingsbeleid;

6.      steunt alle VN-organisaties, intergouvernementele regionale organen en ngo's bij hun niet-aflatende inspanningen om landen ertoe te bewegen de doodstraf af te schaffen; verzoekt de Commissie projecten op dit gebied te blijven financieren via het Europees instrument voor democratie en mensenrechten;

7.      is verheugd dat het aantal staten dat partij is bij het tweede facultatieve protocol bij het IVBPR, dat de afschaffing van de doodstraf ten doel heeft, door een aantal recente ratificaties is gestegen tot 81, en roept alle staten die geen partij zijn bij het protocol, het onmiddellijk te bekrachtigen;

8.      verzoekt de Commissie, wat hulp en politieke steun betreft, bijzondere aandacht te schenken aan landen die werk maken van de afschaffing van de doodstraf of pleiten voor een wereldwijd moratorium op de doodstraf;

9.      verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de voorzitter van de Algemene Vergadering van de VN en de regeringen van de lidstaten van de VN.

 

(1)

PB C 371 E van 20.12.2011, blz. 5.

Juridische mededeling