Procedure : 2015/3010(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1345/2015

Ingediende teksten :

B8-1345/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 16/12/2015 - 11.6

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0455

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 258kWORD 70k
9.12.2015
PE573.381v01-00
 
B8-1345/2015

ingediend overeenkomstig artikel 106, leden 2 en 3, van het Reglement


over het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie tot vaststelling van een lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten krachtens Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad (D041932/01 – 2015/3010(RSP))


Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
Rapporteur: Pavel Poc, Renate Sommer

Resolutie van het Europees Parlement over het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie tot vaststelling van een lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten krachtens Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad (D041932/01 – 2015/3010(RSP))  
B8-1345/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie tot vaststelling van een lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten krachtens Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad (D041932/01),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten(1), en met name artikel 4, lid 1,

–  gezien artikel 11 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen een lijst vaststelt van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten ("de Unielijst"), op basis van de criteria van artikel 4, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad ("de IAS-verordening"), en overwegende dat die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 27, lid 2, van de IAS-verordening;

B.  overwegende dat die ontwerpuitvoeringshandelingen uiterlijk op 2 januari 2016 moeten worden voorgelegd aan het comité als bedoeld in artikel 27, lid 1, van de IAS-verordening, en in werking treden op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking in het Publicatieblad;

C.  overwegende dat de Unielijst verbindend in al haar onderdelen zal zijn en rechtstreeks toepasselijk zal zijn in elke lidstaat;

D.  overwegende dat het aantal invasieve uitheemse soorten talrijk is en dat het daarom belangrijk is dat de groep van invasieve uitheemse soorten die als zorgwekkend voor de Unie wordt beschouwd, prioritair wordt aangepakt;

E.  overwegende dat een invasieve uitheemse soort als zorgwekkend voor de Unie moet worden beschouwd wanneer de schade die door de soort wordt veroorzaakt in de getroffen lidstaten zo aanzienlijk is dat specifieke in de gehele Unie toepasselijke maatregelen moeten worden getroffen, dus ook voor de lidstaten die nog niet getroffen zijn of die wellicht niet getroffen zullen worden;

F.  overwegende dat tijdens de informele trialoogonderhandelingen werd erkend dat het van het grootste belang is ervoor te zorgen dat de aanwijzing van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten proportioneel blijft en gericht is op die soorten waarvan het opnemen in de Unielijst daadwerkelijk de nadelige gevolgen van die soorten zal voorkomen, tot een minimum beperken of matigen, en dit op een kosteneffectieve manier;

G.  overwegende dat de criteria voor opname in de Unielijst het belangrijkste toepassingsinstrument van deze verordening vormen;

H.  overwegende dat de criteria voor opname in de Unielijst ervoor moeten zorgen dat de potentiële invasieve uitheemse soorten die de meest aanzienlijke nadelige gevolgen hebben, deel uitmaken van de in de lijst op te nemen soorten, teneinde er ook voor te zorgen dat de middelen doeltreffend worden gebruikt;

I.  overwegende dat overeenkomstig overweging 13 van de IAS-verordening gemeenschappelijke criteria moeten worden ontwikkeld voor de uitvoering van de risicobeoordeling, met het oog op de naleving van de toepasselijke verdragen van de WTO en de coherente toepassing van deze verordening;

J.  overwegende dat in overweging 32 van de IAS-verordening staat dat, teneinde rekening te kunnen houden met de meest recente wetenschappelijke ontwikkelingen op milieugebied, aan de Commissie de bevoegdheid moet worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen voor het vaststellen van de gemeenschappelijke elementen voor de ontwikkeling van risicobeoordelingen;

K.  overwegende dat dat in overweging 32 van de IAS-verordening voorts staat dat het van bijzonder belang is dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat de Commissie bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor moet zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad;

L.  overwegende dat het Parlement niet naar behoren is geïnformeerd over de vaststelling van gemeenschappelijke elementen voor de ontwikkeling van risicobeoordelingen, en overwegende dat de desbetreffende documenten niet gelijktijdig, tijdig en op gepaste wijze aan het Parlement zijn toegezonden;

M.  overwegende dat Commissie bevoegd is om overeenkomstig artikel 29 van de IAS-verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen om nader te bepalen welk type bewijsmateriaal voor de toepassing van artikel 4, lid 3, onder b), van die verordening aanvaardbaar is en om een gedetailleerde beschrijving te geven van de toepassing van artikel 5, lid 1, punten a) tot en met h), van die verordening, en overwegende dat de gedetailleerde beschrijving onder meer de voor de risicobeoordeling toe te passen methodologie moet omvatten, met inachtneming van de toepasselijke nationale en internationale normen en de noodzaak prioriteit te verlenen aan maatregelen tegen invasieve uitheemse soorten die in verband gebracht worden met, of die potentieel de oorzaak zijn van, aanzienlijke nadelige gevolgen voor de biodiversiteit of aanverwante ecosysteemdiensten, alsmede voor de menselijke gezondheid of voor de economie, waarbij dergelijke nadelige gevolgen als een verzwarende omstandigheid worden beschouwd;

N.  overwegende dat de Commissie is afgeweken van de bepalingen van artikel 4, lid 3, van de IAS-verordening, niet nader heeft bepaald welk type bewijsmateriaal voor de toepassing van artikel 4, lid 3, onder b), van die verordening aanvaardbaar is, en geen gedetailleerde beschrijving heeft gegeven van de toepassing van artikel 5, lid 1, punten a) tot en met h), van die verordening, met onder meer de voor de risicobeoordeling toe te passen methodologie;

O.  overwegende dat de Commissie er niet voor heeft gezorgd dat de voor de risicobeoordeling toe te passen methodologie door alle lidstaten op dezelfde wijze wordt toegepast wanneer zij voorstellen om een soort in de Unielijst op te nemen, en overwegende dat niet kan worden gegarandeerd dat de lidstaten hetzelfde type bewijsmateriaal gebruiken en dezelfde algemene normen toepassen;

P.  overwegende dat de redenen om de soorten in de Unielijst op te nemen, eerder op politieke dan op wetenschappelijke criteria gebaseerd zijn;

Q.  overwegende dat de opname van de soorten in de lijst niet op een gestandaardiseerde risicobeoordeling en methodologie gebaseerd is, maar veeleer op de politieke wil van de lidstaten;

R.  overwegende dat de ontwerp-Unielijst het probleem van invasieve uitheemse soorten niet op alomvattende wijze aanpakt teneinde de inheemse biodiversiteit en ecosysteemdiensten te beschermen en de mogelijke gevolgen van deze soorten voor de menselijke gezondheid en de economie tot een minimum te beperken en te matigen;

S.  overwegende dat de IAS-verordening, als specifiek EU-wetgevingsinstrument, onopgeloste problemen met betrekking tot verlies aan biodiversiteit zou kunnen oplossen, resultaten zou kunnen opleveren en de doelstellingen van de biodiversiteitsstrategie zou kunnen helpen verwezenlijken, maar alleen als zij correct wordt uitgevoerd en door de lokale autoriteiten en het grote publiek wordt gesteund;

T.  overwegende dat de initiële lijst van de Commissie kritiek heeft gekregen van verscheidene bevoegde nationale autoriteiten, belanghebbenden en het grote publiek, in die mate dat zij de toekomstige doeltreffendheid van de IAS-verordening nu ernstig in twijfel trekken, voornamelijk omdat veel van de meest problematische invasieve uitheemse soorten niet in de lijst zijn opgenomen, terwijl een aantal soorten zijn opgenomen die geen aanzienlijke nadelige gevolgen voor de biodiversiteit, de ecosysteemdiensten, de menselijke gezondheid of de economie kunnen hebben of waarvoor de te nemen maatregelen onevenredige kosten met zich zouden brengen;

U.  overwegende dat de initiële lijst voorbijgaat aan soorten die tot de meest schadelijke invasieve uitheemse soorten in Europa behoren; overwegende dat bepaalde terrestrische planten- en zoogdierensoorten aan de criteria voldoen en dat er een degelijk onderbouwde risicobeoordeling beschikbaar is, maar dat zij zijn niet in de lijst zijn opgenomen; overwegende dat zoogdiersoorten die behoren tot de uitheemse soorten die zich de afgelopen jaren het snelst in Europa hebben uitgebreid, niet zijn opgenomen, en overwegende dat wijdverspreide en zich snel uitbreidende plantensoorten met aanzienlijke en goed gedocumenteerde nadelige gevolgen voor de menselijke gezondheid, evenmin zijn opgenomen;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie de in Verordening (EU) nr. 1143/2014 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsverordening in te trekken en een nieuw ontwerp aan het comité voor te leggen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35.

(2)

PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

Juridische mededeling