Procedure : 2015/2935(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1351/2015

Ingediende teksten :

B8-1351/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 16/12/2015 - 11.12
CRE 16/12/2015 - 11.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0461

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 356kWORD 75k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-1351/2015
9.12.2015
PE573.389v01-00
 
B8-1351/2015

naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B8-1110/2015

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over de situatie in Hongarije (2015/2935(RSP))


Birgit Sippel, Péter Niedermüller, Tanja Fajon, Sylvie Guillaume, Ana Gomes, Iliana Iotova, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Juan Fernando López Aguilar, Soraya Post, Vilija Blinkevičiūtė, Hugues Bayet, Petra Kammerevert, Miltiadis Kyrkos, Andrejs Mamikins, Emilian Pavel, Christine Revault D’Allonnes Bonnefoy, Elly Schlein, Daniele Viotti, Evelyne Gebhardt, Sergio Gutiérrez Prieto, Nikos Androulakis, Nicola Danti, Patrizia Toia, Miroslav Poche, Nicola Caputo, Demetris Papadakis, Elena Valenciano, Viorica Dăncilă, Costas Mavrides, Momchil Nekov, Isabella De Monte, Flavio Zanonato, Marc Tarabella, Edouard Martin, Eric Andrieu, Victor Boştinaru, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Maria Grapini, Tibor Szanyi, Brando Benifei, Miapetra Kumpula-Natri, Eva Kaili, Julie Ward namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Hongarije (2015/2935(RSP))  
B8-1351/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name het tweede en het vierde t/m het zevende streepje,

–  gezien met name artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede streepje, en de artikelen 6 en 7 VEU, en de artikelen van het VEU en het VWEU met betrekking tot de eerbiediging, bevordering en bescherming van de grondrechten in de EU,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2011 over de mediawet in Hongarije(1) en zijn resolutie van 5 juli 2011 over de herziene Hongaarse grondwet(2),

–  gezien de brief van 6 maart 2013 van de ministers van Buitenlandse Zaken van Duitsland, Nederland, Denemarken en Finland aan de voorzitter van de Commissie, José Manuel Barroso, waarin zij oproepen tot instelling van een mechanisme om de eerbiediging van de fundamentele waarden in de lidstaten te bevorderen,

–  gezien zijn resolutie van woensdag 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije(3),

–  gezien het plenaire debat over democratie, rechtsstaat en grondrechten in Hongarije, dat op 21 oktober 2014 heeft plaatsgevonden,

–  gezien de conclusies van de Raad en de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 16 december 2014 over toezien op de eerbiediging van de rechtsstaat,

–  gezien de hoorzitting van 22 januari 2015 van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over de mensenrechtensituatie in Hongarije,

–  gezien zijn resolutie van 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 met als titel "Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–  gezien de verklaring van 27 november 2015 van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa na zijn bezoek aan Hongarije,

–  gezien de verklaring van de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 2 december 2015 over de situatie in Hongarije,

–  gezien de Hongaarse wet CXL van 2015 inzake massale immigratie,

–  gezien de Hongaarse wet CXLII van 2015 inzake de doelmatige bescherming van de Hongaarse grenzen en inzake massale immigratie,

–  gezien de resolutie 36/2015 van het Hongaarse parlement over de boodschap aan de leiders van de Europese Unie, aangenomen op 22 september 2015,

–  gezien de komende evaluatie door de Europese Commissie van de vierde wijziging van de Basiswet van Hongarije,

–  gezien resolutie 1941 (2013) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa "Request for the opening of a monitoring procedure in respect of Hungary" (Verzoek om de inleiding van een toezichtsprocedure met betrekking tot Hongarije), vervolgresolutie 2064 (2015) en resolutie 2035 (2015) over de bescherming van de veiligheid van journalisten en de mediavrijheid in Europa,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de situatie in Hongarije: follow-up van de resolutie van het Europees Parlement van 10 juni 2015 (O-000140/2015 – B8-1110/2015),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie op de volgende waarden berust: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van mensen die tot een minderheid behoren, en overwegende dat de lidstaten deze waarden gemeen hebben in een samenleving die wordt gekenmerkt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen (artikel 2 VEU);

B.  overwegende dat een behoorlijk uitgavenbeleid en de bescherming van de financiële belangen van de EU centraal moeten staan in het EU-beleid, teneinde het vertrouwen van de burger te vergroten door ervoor te zorgen dat zijn geld goed, doelmatig en doeltreffend wordt besteed;

C.  overwegende dat de manier waarop de rechtsstaat op nationaal niveau wordt ontplooid, een belangrijke rol speelt in het wederzijdse vertrouwen tussen lidstaten en hun respectieve rechtsstelsels, en dat het bijgevolg van vitaal belang is om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht overeenkomstig Titel V van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) tot stand te brengen;

D.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de EU alle vormen van discriminatie verbiedt op grond van o.a. geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid;

E.  overwegende dat het recht op asiel wordt gewaarborgd met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol daarbij van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en in overeenstemming met VEU en VWEU;

F.  overwegende dat de recente ontwikkelingen in Hongarije hebben geleid tot zorgen over de situatie op het gebied van de grondrechten, democratie en rechtsstaat in het land, met name ten aanzien van de vrijheid en pluriformiteit van de media, de bestrijding van onverdraagzaamheid en discriminatie, de mensenrechten van immigranten, asielzoekers en vluchtelingen, de vrijheid van vergadering en vereniging, de vrijheid van onderwijs en academisch onderzoek, gelijke behandeling van godsdienst en geloof, beperkingen en belemmeringen van de activiteiten van organisaties van het maatschappelijk middenveld, de rechten van mensen die tot een minderheid behoren, waaronder Roma en LGBTI-personen, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en vele zorgwekkende beschuldigingen van corruptie en belangenconflicten die de rechtsstaat ondermijnen;

G.  overwegende dat het Hongaarse parlement in juli en september 2015 een aantal amendementen heeft aangenomen, vooral met betrekking tot het asielrecht, het wetboek van strafrecht, de wet inzake strafprocedures, de wet inzake grensbewaking, de wet inzake de politie en de wet inzake nationale defensie; overwegende dat uit de voorlopige beoordeling van de Commissie bleek dat er een aantal ernstige punten van zorg zijn ten aanzien van de verenigbaarheid van deze wijzigingen met het Unierecht en hun gevolgen voor de eerbiediging van grondrechten van migranten, met name het beginsel van non-refoulement; overwegende dat de Commissie op 6 oktober 2015 een administratieve brief aan de Hongaarse regering heeft gestuurd; overwegende dat de Hongaarse regering die brief op 4 november 2015 beantwoord heeft;

H.  overwegende dat de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 2 december 2015 over de situatie in Hongarije verklaarde dat zij bereid was alle beschikbare middelen in te zetten, met inbegrip van inbreukprocedures, om ervoor te zorgen dat Hongarije – net als alle andere lidstaten – zijn verplichtingen uit hoofde van het EU-recht nakomt en de waarden van de Unie als verankerd in artikel 2 VEU, eerbiedigt; overwegende dat de Commissie van mening is dat in dit stadium niet aan de voorwaarden wordt voldaan om het kader voor de rechtsstaat in werking te laten treden;

1.  herhaalt zijn standpunt zoals geformuleerd in zijn resolutie van 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije;

2.  herinnert eraan dat na een ernstige schending van de in artikel 2 VEU genoemde waarden door een lidstaat de "artikel 7-procedure" in werking treedt;

3.  spreekt zijn ernstige zorgen uit over de onlangs aangenomen wijzigingen van de wetgeving op het gebied van migratie, asiel en grensbewaking; betreurt het dat de afgelopen maanden met spoed een reeks maatregelen genomen zijn waardoor de toegang tot internationale bescherming extreem bemoeilijkt is, zo niet onmogelijk, en migranten en asielzoekers ten onrechte gecriminaliseerd zijn; benadrukt zijn vrees dat het beginsel van non-refoulement niet wordt nageleefd; uit andermaal zijn bezorgdheid over het feit dat steeds meer asielzoekers worden vastgehouden en dat er een xenofobe retoriek wordt gebezigd waarbij migranten in één adem worden genoemd met maatschappelijke problemen of veiligheidsrisico's, als gevolg waarvan de integratie van de weinige migranten die in het land verblijven nog problematischer verloopt;

4.  is van mening dat alle lidstaten het EU-recht volledig moeten eerbiedigen in hun wetgevende en bestuurlijke praktijken en dat alle wetgeving, waaronder ook het primaire recht van elke lidstaat of kandidaat-lidstaat, een afspiegeling moet zijn van en in overeenstemming moet zijn met de fundamentele Europese waarden, te weten democratische beginselen, de rechtsstaat en de grondrechten;

5.  betreurt het dat de Raad niet heeft gereageerd op de ontwikkelingen in Hongarije; dringt er bij de Raad van de Europese Unie en de Europese Raad op aan de situatie in Hongarije te bespreken en hierover conclusies aan te nemen;

6.  stelt vast dat de constitutionele, juridische en politieke ontwikkelingen hebben geleid tot ongerustheid met betrekking tot de beginselen van de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten in Hongarije in de afgelopen jaren, en dat die ontwikkelingen bij elkaar zonder meer een opkomende, systemische bedreiging van de rechtsstaat in deze lidstaat vormen; is van mening dat Hongarije een testcase vormt waarmee de Europese Unie kan aantonen dat zij in staat en bereid is te reageren op bedreigingen en schendingen van haar eigen fundamentele waarden door een lidstaat; betreurt het dat de passiviteit van de EU kan hebben bijgedragen aan soortgelijke ontwikkelingen in enkele andere lidstaten, zoals Polen, die verontrustend genoeg, net zoals in Hongarije, wijzen op ondermijning van de rechtsstaat;

7.  betreurt het dat de Commissie, als hoedster van de Verdragen, nog steeds van oordeel is dat deze ontwikkelingen in Hongarije niet aan de voorwaarden voldoen om het kader van de rechtsstaat in werking te laten treden;

8.  merkt op dat met de door de Commissie tegen de Hongaarse regering ingeleide inbreukprocedures stappen in de goede richting zijn gezet; herinnert er echter aan dat inbreukprocedures, hoewel belangrijke instrumenten voor het aanpakken van bepaalde zorgwekkende kwesties op het gebied van de rechtsstaat, slechts beperkte resultaten hebben opgeleverd aangezien de Commissie zulke inbreukprocedures slechts kan inleiden wanneer deze kwesties ook een inbreuk zijn op een specifieke bepaling van het Unierecht, en daarom systematische schending van fundamentele waarden niet altijd doeltreffend kunnen verhelpen, zoals de Commissie in haar mededeling over het EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat opgemerkt heeft;

9.  dringt er bij de Commissie nogmaals op aan de eerste fase van het EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat te activeren, en daarom onmiddellijk aan te vangen met een diepgravende evaluatie waarmee de toestand waarin de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije verkeren onder de loep wordt genomen en waarbij mogelijke systemisch ernstige schendingen van de waarden waarop de Unie gebaseerd is, als vastgelegd in artikel 2 VEU, worden beoordeeld, met inbegrip van het gecombineerde effect van een aantal maatregelen die de toestand van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten verslechteren, en waarbij wordt beoordeeld of in die lidstaat een stelselmatige bedreiging van de rechtsstaat ontstaat, die zou kunnen uitmonden in een duidelijk gevaar voor een ernstige schending in de zin van artikel 7 VEU;

10.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een voorstel in te dienen voor het instellen van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, als instrument ter waarborging van de naleving en de handhaving van het Handvest en de Verdragen die zijn ondertekend door alle lidstaten, op basis van gemeenschappelijke en objectieve indicatoren, en een onpartijdige, jaarlijkse beoordeling uit te voeren van de situatie van de grondrechten, de democratie en de rechtsstaat in alle lidstaten, op onbevooroordeelde en gelijkwaardige grondslag, waarvan een evaluatie door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten een onderdeel vormt in combinatie met passende bindende en corrigerende mechanismen, teneinde bestaande lacunes op te vullen en een automatische en stapsgewijze reactie op schendingen van de beginselen van de rechtsstaat en de grondrechten door de lidstaten mogelijk te maken;

11.  verzoekt de totstandbrenging van een sterk en onafhankelijk Europees Openbaar Ministerie (EPPO) om fraude in verband met de Europese begroting en het misbruik van Europese fondsen te bestrijden, onder meer in Hongarije; neemt kennis van het besluit van de Commissie van 14 juli 2015 om de uitvoering van verscheidene contracten in het kader van acht EU-financieringsprogramma's op te schorten, vanwege het gebruik van een buitensporig restrictief selectiecriterium in aanbestedingsprocedures in Hongarije; verzoekt de Commissie alle onderzoeken voort te zetten, met volledige gebruikmaking van alle bestaande wettelijke instrumenten, om ervoor te zorgen dat in Hongarije, overeenkomstig het EU-recht, transparant en naar behoren gebruikgemaakt wordt van de EU-fondsen;

12.  is verheugd dat de Commissie op 30 november een Europees Burgerinitiatief geregistreerd heeft waarin zij verzocht wordt om de mechanismen van artikel 7 VEU in werking te stellen en de Hongaarse kwestie op de agenda van de Raad te zetten; verzoekt zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken een specifiek verslag over Hongarije op te stellen, overeenkomstig artikel 83, lid 1, onder a), van zijn Reglement, met het oog op de aanneming van een met redenen omkleed voorstel waarin de Raad gevraagd wordt op grond van artikel 7, lid 1, VEU, te constateren dat er duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending van in artikel 2 VEU bedoelde waarden door een lidstaat;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de president, de regering en het parlement van Hongarije, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

(1)

PB LC 199 E van 7.7.2012, blz. 154.

(2)

PB LC 33 van 5.2.2013, blz. 17.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0315.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0227.

Juridische mededeling