Procedure : 2015/2973(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1357/2015

Ingediende teksten :

B8-1357/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/12/2015 - 9.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0474

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 181kWORD 72k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-1348/2015
9.12.2015
PE573.400v01-00
 
B8-1357/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Burundi (2015/2973(RSP))


Fabio Massimo Castaldo, Ignazio Corrao, Piernicola Pedicini, Laura Agea namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Burundi (2015/2973(RSP))  
B8-1357/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening in Burundi van 28 augustus 2000,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien het Afrikaanse Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers en de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting,

–  gezien de grondwet van Burundi van 2005,

–  gezien de gezamenlijke verklaring over Burundi van 12 november 2015 van de plaatsvervangend secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Jan Eliasson, de voorzitter van de Afrikaanse Unie, Nkosazana Dlamini-Zuma, en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie (VV/HV), Federica Mogherini,

–  gezien het communiqué over Burundi dat door de Afrikaanse Unie is aangenomen tijdens de 515e vergadering van de Vredes- en Veiligheidsraad op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders van 13 juni 2015,

–  gezien het communiqué over de situatie in Burundi dat door de Oost-Afrikaanse Gemeenschap is aangenomen tijdens de derde top van staatshoofden van 6 juli 2015,

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de situatie in Burundi(1),

–  gezien de verklaring van 23 juli 2015 van de VV/HV Federica Mogherini namens de EU na de presidentsverkiezingen in Burundi,

–  gezien de verklaring van 20 augustus 2015 van de woordvoerder van de secretaris-generaal van de VN over Burundi,

–  gezien de verklaring van 28 augustus 2015 van de Groep van internationale gezanten en vertegenwoordigers voor het gebied van de Grote Meren in Afrika over de situatie in Burundi,

–  gezien Besluit (GBVB) 2015/1763 van de Raad van 1 oktober 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 oktober 2015 over het opstarten van overleg met Burundi krachtens artikel 96 van de partnerschapsovereenkomst van Cotonou (COM(2015)0500),

–  gezien de verklaring van 9 oktober 2015 van de EU-delegatie in Burundi over de politieke en veiligheidscrisis in Burundi,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de parlements- en presidentsverkiezingen in Burundi hebben plaatsgevonden op respectievelijk 29 juni en 21 juli 2015, ondanks de boycot van 17 oppositiegroepen, de terugtrekking van de verkiezingswaarnemers van de Afrikaanse Unie en de EU, en de verklaringen van de internationale gemeenschap dat er niet aan de voorwaarden voor eerlijke en vrije verkiezingen werd voldaan;

B.  overwegende dat Pierre Nkurunziza voor een derde termijn werd gekozen tot president van Burundi met 69,4 % van de stemmen en de regerende partij 77 van de 100 beschikbare zetels in het parlement heeft gekregen;

C.  overwegende dat de derde termijn van de Burundese president Pierre Nkurunziza in strijd is met de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening in Burundi van 28 augustus 2000 en in het bijzonder met artikel 7, lid 3, van protocol II over democratie en goed bestuur, alsook met de grondwet van Burundi en met name met artikel 96 daarvan, waarin wordt bepaald dat de president wordt gekozen voor een slechts eenmaal hernieuwbaar mandaat van vijf jaar en dat niemand meer dan twee presidentiële mandaten mag vervullen;

D.  overwegende dat de maatschappelijke organisaties en oppositiepartijen die de verkiezingen hebben geboycot, zich hebben beklaagd over geweld en intimidatie door de Imbonerakure (de jongerenmilitie van de regerende partij CNDD-FDD), een vooringenomen gebruik van staatsinstellingen, een gebrek aan onafhankelijkheid van de Onafhankelijke Nationale Kiescommissie (CENI) van Burundi en strategieën van de overheid om bepaalde groepen van de verkiezingen uit te sluiten;

E.  overwegende dat de verkiezingswaarnemingsmissie van de Verenigde Naties in Burundi (MENAB) heeft verklaard dat het algehele verkiezingsklimaat niet bevorderlijk was voor inclusieve, vrije en geloofwaardige verkiezingen;

F.  overwegende dat de Burundese regering de besluiten en aanbevelingen van de Afrikaanse Unie en de Oost-Afrikaanse Gemeenschap van respectievelijk 13 juni 2015 en 6 juli 2015 heeft genegeerd, hoewel de volledige toepassing daarvan de weg zou hebben vrijgemaakt voor geloofwaardige en inclusieve verkiezingen;

G.  overwegende dat de kandidatuur van president Nkurunziza voor een derde termijn en zijn daaropvolgende herverkiezing het land in een diepe politieke crisis heeft gestort die wordt gekenmerkt door een golf van geweld; overwegende dat de crisis tot op heden tot meer dan 240 sterfgevallen en duizenden gewonden heeft geleid, en ervoor heeft gezorgd dat meer dan 200 000 Burundezen naar buurlanden zijn gevlucht, zoals blijkt uit gegevens van het vluchtelingenagentschap van de Verenigde Naties (UNHCR);

H.  overwegende dat er volgens het Bureau van de Hoge Commissaris van de mensenrechten van de Verenigde Naties (OHCHR) en andere mensenrechtenorganisaties in de aanloop naar en na afloop van de verkiezingen sprake is geweest van politiek gemotiveerde en andere mensenrechtenschendingen en geweld in het land, met name gericht tegen activisten van de oppositie, mensenrechtenactivisten en journalisten, waaronder Pierre Claver Mbonimpa; overwegende dat algemeen de overtuiging heerst dat deze grotendeels maar niet uitsluitend toe te schrijven zijn aan overheidsinstellingen; overwegende dat de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de veiligheid in Burundi en de bescherming van de Burundese bevolking, zonder afbreuk te doen aan de rechtsstaat, de mensenrechten en het internationale humanitaire recht, bij de Burundese regering ligt;

I.  overwegende dat de Burundese vluchtelingen humanitaire noodsituaties hebben veroorzaakt in de buurlanden Rwanda, de Democratische Republiek Congo en Tanzania, waar een uitbraak van Cholera is gemeld;

J.  overwegende dat de Afrikaanse Unie heeft onderstreept dat de huidige crisis rampzalige gevolgen zou kunnen hebben als er geen vreedzame oplossing volgt, aangezien de onveilige situatie en de instabiliteit zich kunnen uitbreiden naar de buurlanden en dus een grote bedreiging voor de gehele regio vormen;

K.  overwegende dat de Raad op 1 oktober reisbeperkingen en een bevriezing van tegoeden heeft vastgesteld ten aanzien van vier personen wier activiteiten de democratie ondermijnen of de zoektocht naar een politieke oplossing voor de huidige crisis in Burundi belemmeren, door onder meer daden van geweld, onderdrukking of aanzetting tot geweld, met inbegrip van handelingen die ernstige schendingen van de mensenrechten vormen; overwegende dat de Afrikaanse Unie en de Verenigde Staten gelijksoortige maatregelen hebben aangenomen;

L.  overwegende dat de EU op 26 oktober 2015 heeft verzocht om overleg overeenkomstig de procedure van artikel 96 van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst in geval van niet-naleving van essentiële elementen van de overeenkomst, zoals de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat; overwegende dat dit overleg op 8 december 2015 van start is gegaan;

M.  overwegende dat de Burundese autoriteiten bij Decreet 530/1597 de werkzaamheden van tien mensenrechtenorganisaties, namelijk ACAT-Burundi, Aprodh, Amina, Focode, FORSC, Fontaine-ISOKO, Maison Shalom, Parcem, RCP en SPPDF, hebben stopgezet en hun bankrekeningen hebben geblokkeerd;

1.  geeft uiting aan zijn grote bezorgdheid over de aanhoudende crisis in Burundi, de escalatie van geweld en de verslechterende humanitaire situatie in het land; veroordeelt alle daden van geweld, onderdrukking, intimidatie, schendingen van de mensenrechten en inbreuken op de grondwet ten zeerste, door welke partij ze ook zijn begaan;

2.  verzoekt alle Burundese actoren de nodige inspanningen te leveren om een passend klimaat te scheppen voor het aangaan van een dialoog die gericht is op het bereiken van een blijvende en inclusieve politieke oplossing via een inter-Burundees proces op basis van de Overeenkomst van Arusha; herinnert aan de cruciale rol van het maatschappelijk middenveld in deze dialoog;

3.  dringt er bij alle belanghebbenden en politieke leiders op aan dat zij actief optreden tegen alle activiteiten die gericht zijn op het aanzetten tot of begaan van mensenrechtenschendingen en gewelddaden, aangezien deze crisis een vreedzame en politieke oplossing vereist;

4.  dringt aan op de onmiddellijke beëindiging van het geweld, de mensenrechtenschendingen en de politieke intimidatie van tegenstanders en op de onmiddellijke ontwapening van alle gewapende groepen die banden met politieke partijen hebben, onder strikte eerbiediging van het internationale recht en de mensenrechten;

5.  wijst er met name op dat de gewapende groeperingen die in Burundi actief zijn veel jongeren tellen en verzoekt de internationale gemeenschap bijzondere aandacht te besteden aan de re-integratie van deze jongeren en het bevorderen van hun deelname aan een vreedzaam politiek proces;

6.  spreekt zijn krachtige veroordeling uit over alle vormen van manipulatie van etniciteit, zowel door de regering als door de oppositie, en in het bijzonder over alle retoriek die teruggrijpt op de taal die tijdens de genocide van 1994 in Rwanda werd gebruikt; verzoekt alle politieke actoren zich te weerhouden van uitspraken die zouden kunnen aanzetten tot geweld of haat ten opzichte van verschillende groepen in de Burundese samenleving;

7.  steunt de inspanningen tot bemiddeling van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap, de Afrikaanse Unie en de Verenigde Naties om de politieke dialoog over alle controversiële onderwerpen te verbeteren;

8.  herinnert de autoriteiten van Burundi aan hun verplichtingen om toe te zien op veiligheid op het Burundese grondgebied en op de mensenrechten, burgerrechten en politieke rechten en de fundamentele vrijheden, zoals vastgelegd in de Burundese grondwet, het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en andere internationale en regionale mensenrechteninstrumenten;

9.  brengt in herinnering dat Burundi, als een van de partijen bij de Overeenkomst van Cotonou, aan alle bepalingen van deze overeenkomst moet voldoen, met inbegrip van de bepalingen van de artikelen 8 en 9 met betrekking tot de politieke dialoog en de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, fundamentele sociale rechten en democratie; is ingenomen met het besluit van de EU om te verzoeken om overleg over de schendingen van de mensenrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat, overeenkomstig artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou;

10.  geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid over de sociaal-economische, humanitaire en veiligheidseffecten van de crisis in het land en in de hele regio, aangezien deze crisis een bedreiging vormt voor de regionale stabiliteit en kan leiden tot een escalatie van geweld en een verdere verspreiding van besmettelijke ziekten;

11.  is zeer verontrust over de moeilijke situatie van de Burundese vluchtelingen die hun land na het begin van de crisis zijn ontvlucht; verzoekt de internationale gemeenschap passende humanitaire steun te bieden;

12.  vraagt de Burundese senaat snel zijn goedkeuring te hechten aan de nieuwe mediawet die op 4 maart 2015 met algemene stemmen door het parlement is aangenomen, en nu dus kan worden uitgevaardigd en geratificeerd; roept de Burundese regering ertoe op beledigingen in de media uit de strafwet te halen en volledige vrijheid en onafhankelijkheid van de media te garanderen;

13.  dringt aan op intrekking van Decreet 530/1597 strekkende tot voorlopige opschorting van de werkzaamheden van tien mensenrechtenorganisaties en op onmiddellijke opheffing van de bevriezing van hun bankrekeningen, zodat die organisaties hun werkzaamheden onbelemmerd kunnen voortzetten;

14.  roept op tot de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle mensen die gevangen zijn gezet omdat zij hun politieke en democratische rechten uitoefenden, met inbegrip van politieke gevangenen, journalisten en voorvechters van de mensenrechten;

15.  is verheugd dat de Afrikaanse Unie mensenrechtenwaarnemers en militaire deskundigen naar Burundi heeft gestuurd om toe te zien op de mensenrechtensituatie, en benadrukt dat het van belang is met hen samen te werken om de uitvoering van hun mandaat te vergemakkelijken; vraagt daarnaast het Internationaal Strafhof om binnen het raam van zijn rechtsmacht onderzoek in te stellen naar gemelde schendingen van de mensenrechten tijdens de recente crisis;

16.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de steun voor Burundi om te zetten van centrale begrotingssteun naar verhoogde financiële steun voor het maatschappelijk middenveld, en om het aanpakken van humanitaire en sociaal-economische problemen daarbij tot prioriteit te maken;

17.  benadrukt dat zij die direct of indirect betrokken zijn bij gewelddadigheden en schendingen van de mensenrechten persoonlijk ter verantwoording moeten worden geroepen en voor de rechter moeten worden gebracht, waarbij onmenselijke en vernederende behandelingen echter moeten worden vermeden; is voorstander van het opleggen van EU-reisbeperkingen en bevriezingen van tegoeden aan Burundese personen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij het plannen, aansturen of uitvoeren van handelingen die in strijd zijn met de internationale mensenrechtenwetgeving of het internationaal humanitair recht;

18.  herhaalt ervan overtuigd te zijn dat alleen door middel van dialoog en consensus, gebaseerd op eerbiediging van de Overeenkomst van Arusha en de grondwet van Burundi, een duurzame politieke oplossing kan worden gevonden, waarbij de vrede wordt geconsolideerd en de democratie en de rechtsstaat worden versterkt;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad ACS-EU, de Commissie, de regering van Burundi, de regeringen van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid (Federica Mogherini), de Afrikaanse Unie en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

 

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0275.

(2)

PB L 257 van 2.10.2015, blz. 37.

Juridische mededeling