Procedure : 2015/2935(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1358/2015

Ingediende teksten :

B8-1358/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 16/12/2015 - 11.12
CRE 16/12/2015 - 11.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0461

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 272kWORD 69k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-1351/2015
9.12.2015
PE573.402v01-00
 
B8-1358/2015

naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B8-1110/2015

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over de situatie in Hongarije: follow-up van de resolutie van het Europees Parlement van 10 juni 2015 (2015/2935(RSP))


Louis Michel, Sophia in ‘t Veld, Cecilia Wikström, Nathalie Griesbeck, Filiz Hyusmenova, Ivan Jakovčić namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Hongarije: follow-up van de resolutie van het Europees Parlement van 10 juni 2015 (2015/2935(RSP))  
B8-1358/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name het tweede en het vierde t/m het zevende streepje,

–  gezien met name artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede streepje, en de artikelen 6 en 7 VEU, en de artikelen van het VEU en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met betrekking tot de eerbiediging, bevordering en bescherming van de grondrechten in de EU,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–  gezien zijn resolutie van 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 met als titel "Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–   gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en de verdragen, aanbevelingen, resoluties en verslagen van de Parlementaire Vergadering, het Comité van ministers, de commissaris voor de mensenrechten en de Commissie van Venetië van de Raad van Europa,

–  gezien de verklaring van 27 november 2015 van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa na zijn bezoek aan Hongarije,

–  gezien de eerste jaarlijkse dialoog over de rechtsstaat van de Raad, gehouden op 17 november 2015,

–  gezien de verklaring van de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Parlement van 2 december 2015 over de situatie in Hongarije,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de situatie in Hongarije: follow-up van de resolutie van het Europees Parlement van 10 juni 2015 (O-000140/2015 – B8-1110/2015),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie op de volgende waarden berust: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van mensen die tot een minderheid behoren, en overwegende dat de lidstaten deze waarden gemeen hebben in een samenleving die wordt gekenmerkt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen (artikel 2 VEU);

B.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie deel uitmaakt van het primaire recht van de EU en alle vormen van discriminatie verbiedt op grond van o.a. geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid;

C.  overwegende dat door toe te treden tot de Unie, de lidstaten zich hebben verbonden om de in de Verdragen en in het Handvest verankerde fundamentele waarden van de EU te eerbiedigen; overwegende dat de Commissie het subsidiariteitsbeginsel dan ook niet kan inroepen om het uitblijven van een reactie te rechtvaardigen als een lidstaat deze waarden heeft geschonden;

D.  overwegende dat het recht op asiel wordt gewaarborgd, met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol daarbij van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en in overeenstemming met het VEU en het VWEU;

E.  overwegende dat recente initiatieven en bemoeienissen van de Hongaarse regering, met name gedurende de afgelopen twaalf maanden, hebben geleid tot een ernstige en systemische verslechtering van de rechtsstaat aangaande de vrijheid en pluriformiteit van de media, de bestrijding van onverdraagzaamheid en discriminatie, de rechten van immigranten, asielzoekers en vluchtelingen, de vrijheid van vergadering en vereniging, de vrijheid van onderwijs en academisch onderzoek, gelijke behandeling van religie en geloof, beperkingen en belemmeringen van de activiteiten van organisaties van het maatschappelijk middenveld, de rechten van mensen die tot een minderheid behoren, waaronder Roma en LGBTI, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de vele zorgwekkende beschuldigingen van corruptie en belangenconflicten die de rechtsstaat ondermijnen;

F.  overwegende dat de Commissie niet heeft geantwoord op het verzoek van het Parlement, geformuleerd in zijn resolutie van 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije, om aan te vangen met een diepgravende evaluatie waarmee de toestand waarin de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije verkeren, onder de loep wordt genomen;

G.  overwegende dat de besluiten die de Commissie genomen heeft om nauwlettend toe te zien op de budgettaire en economische samenhang van de lidstaten en om deze te versterken, afsteken tegen haar gebrek aan bereidheid om daadwerkelijk en naar behoren ervoor te zorgen dat de lidstaten de fundamentele waarden van de EU volledig in acht nemen; overwegende dat deze dubbele nalevingsaanpak het vertrouwen van de Europese burgers in de EU ernstig in gevaar kan brengen; overwegende dat de verdedigbare onbuigzaamheid van de EU ten aanzien van waarden als eerbiediging van democratie, de rechtsstaat, essentieel is voor de geloofwaardigheid van de Unie, zowel intern als op het internationale toneel;

H.  overwegende dat het Hongaarse parlement in juli en september 2015 een aantal amendementen heeft aangenomen, vooral met betrekking tot het asielrecht, het wetboek van strafrecht, de wet inzake strafprocedures, de wet inzake grensbewaking, de wet inzake de politie en de wet inzake nationale defensie; overwegende dat in de voorlopige beoordeling van de Commissie een aantal bezwaren en vragen naar voren zijn gekomen over de inhoud en de tenuitvoerlegging van die amendementen; overwegende dat de Commissie op 6 oktober 2015 een administratieve brief aan de Hongaarse regering heeft gestuurd; overwegende dat de Hongaarse regering die brief in november 2015 beantwoord heeft;

I.  overwegende dat de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 2 december 2015 over de situatie in Hongarije verklaarde dat zij bereid was alle beschikbare middelen in te zetten, met inbegrip van inbreukprocedures, om ervoor te zorgen dat Hongarije – net als alle andere lidstaten – zijn verplichtingen uit hoofde van de EU-wetgeving nakomt en de waarden van de Unie als verankerd in artikel 2 VEU eerbiedigt; overwegende dat de Commissie van mening is dat in dit stadium niet aan de voorwaarden wordt voldaan om het kader voor de rechtsstaat ten aanzien van Hongarije in werking te laten treden of om artikel 7 VEU toe te passen;

1.  herhaalt zijn standpunt zoals geformuleerd in zijn resolutie van 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije;

2.  herinnert eraan dat na een ernstige schending van de in artikel 2 VEU genoemde waarden door een lidstaat de "artikel 7-procedure" in werking treedt;

3.  verwerpt de wettelijke bepalingen die in de afgelopen maanden in allerijl zijn vastgesteld en die de toegang tot internationale bescherming extreem bemoeilijkt en vluchtelingen, migranten en asielzoekers ten onrechte gecriminaliseerd hebben; dringt er bij de Hongaarse regering op aan om weer van normale procedures gebruik te maken en de crisismaatregelen in te trekken, nu een einde is gekomen aan de uitzonderlijke toestroom van vluchtelingen; veroordeelt het dat er steeds meer asielzoekers worden vastgehouden, waaronder minderjarigen, en dat er een xenofobe retoriek wordt gebezigd waarbij migranten in één adem worden genoemd met maatschappelijke problemen of terrorisme, onder meer in door de regering geïnitieerde communicatiecampagnes en nationale raadplegingen, wat bijdraagt aan de vijandige en xenofobe atmosfeer en de solidariteit vermindert;

4.  is van mening dat alle lidstaten het EU-recht volledig moeten eerbiedigen in hun wetgevende en bestuurlijke praktijken en dat alle wetgeving, waaronder ook het primaire recht van elke lidstaat of kandidaat-lidstaat, een afspiegeling moet zijn van en in overeenstemming moet zijn met de fundamentele Europese waarden, te weten democratische beginselen, de rechtsstaat en de grondrechten;

5.  betreurt het nogmaals dat de Raad niet heeft gereageerd op de ontwikkelingen in Hongarije; dringt er bij de Raad van de Europese Unie en de Europese Raad op aan de situatie in Hongarije te bespreken en hierover conclusies aan te nemen;

6.  stelt vast dat deze ontwikkelingen hebben geleid tot ongerustheid met betrekking tot de beginselen van de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten in Hongarije in het afgelopen jaar, die samen een nieuwe, systemische bedreiging van de rechtsstaat in deze lidstaat kunnen gaan vormen; is van mening, in tegenstelling tot de verklaring van de Commissie in het Parlement op 2 december 2015, dat aan de voorwaarden voor de inwerkingtreding van het kader voor de rechtsstaat en voor de toepassing van artikel 7, lid 1, VEU, volledig wordt voldaan; is van mening dat Hongarije een testcase vormt waarmee de EU kan aantonen dat zij in staat en bereid is te reageren op bedreigingen voor en schendingen van haar eigen fundamentele waarden door een lidstaat; stelt met bezorgdheid vast dat ontwikkelingen in een aantal andere lidstaten, zoals Polen, tekenen aan de wand zijn voor een vergelijkbare ondermijning van de rechtsstaat als in Hongarije; betreurt het dat het blijvende gebrek aan politieke bereidheid van de Commissie om de situatie in Hongarije naar behoren aan te pakken een precedent schept voor andere lidstaten die soortgelijke verontrustende ontwikkelingen te zien geven wat de eerbiediging van de rechtsstaat betreft; is van mening dat dit aanleiding geeft tot ernstige bezorgdheid over het vermogen van de Unie om ervoor te zorgen dat een lidstaat na de toetreding tot de Unie aan de politieke criteria van Kopenhagen blijft voldoen;

7.  betreurt het dat de huidige aanpak van de Commissie hoofdzakelijk gericht is op marginale, technische aspecten van de wetgeving en voorbijgaat aan de tendensen, patronen en het cumulatieve effect van maatregelen; is van mening dat met name inbreukprocedures in de meeste gevallen niet hebben geleid tot echte veranderingen en een algehele oplossing van de situatie; dringt er nogmaals bij de Commissie op aan het eerste stadium van het EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat in werking te stellen, en daarom onmiddellijk aan te vangen met een diepgravende evaluatie waarmee de toestand waarin de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije verkeren onder de loep wordt genomen en waarbij mogelijke stelselmatige en ernstige schendingen van de waarden waarop de Unie gebaseerd is, als vastgelegd in artikel 2 VEU, worden beoordeeld, met inbegrip van het gecombineerde effect van een aantal maatregelen die de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten ondermijnen, en waarbij wordt beoordeeld of in die lidstaat een stelselmatige bedreiging van de rechtsstaat ontstaat, die zou kunnen uitmonden in een duidelijk gevaar voor een ernstige schending in de zin van artikel 7 VEU;

8.  vindt dat de Commissie tot nu toe niet heeft gehandeld in overeenstemming met haar taken als hoedster van de Verdragen en de gemeenschappelijke belangen en waarden van de Unie; betreurt het dat de Commissie, door geen rekening te houden met of adequaat te reageren op de zorgen van het Parlement die herhaaldelijk zijn verwoord door een meerderheid van zijn leden, het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen, zoals vastgelegd in artikel 13 VEU, ondergraaft;

9.  is ingenomen met de registratie van een Europees Burgerinitiatief waarin de Commissie verzocht wordt om de mechanismen van artikel 7 VEU in werking te stellen vanwege vermeende schendingen van de EU-grondrechten door Hongarije; verzoekt zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken een specifiek verslag over Hongarije op te stellen, overeenkomstig artikel 83 van zijn Reglement, met het oog op de aanneming van een met redenen omkleed voorstel waarin de Raad gevraagd wordt te handelen krachtens artikel 7, lid 1, VEU;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de president, de regering en het parlement van Hongarije, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

 

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0227.

Juridische mededeling