Procedure : 2015/2935(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1359/2015

Ingediende teksten :

B8-1359/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 16/12/2015 - 11.12
CRE 16/12/2015 - 11.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0461

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 177kWORD 69k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-1351/2015
9.12.2015
PE573.404v01-00
 
B8-1359/2015

naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B8-1110/2015

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over de situatie in Hongarije  (2015/2935(RSP))


Judith Sargentini, Benedek Jávor, Ulrike Lunacek, Monika Vana namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Hongarije  (2015/2935(RSP))  
B8-1359/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name het tweede en het vierde t/m het zevende streepje,

–  gezien met name artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede streepje, en de artikelen 6 en 7 VEU, en de artikelen van het VEU en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met betrekking tot de eerbiediging, bevordering en bescherming van de grondrechten in de EU,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–  gezien zijn resolutie van 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 met als titel "Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–  gezien de verklaring van 27 november 2015 van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa na zijn bezoek aan Hongarije,

–  gezien de adviezen over Hongarije van de Europese Commissie voor democratie door recht (Commissie van Venetië) van de Raad van Europa,

–  gezien de verklaring van de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Parlement van 2 december 2015 over de situatie in Hongarije,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de situatie in Hongarije: follow-up van de resolutie van het Europees Parlement van 10 juni 2015 (O-000140/2015 – B8‑0000/2015),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie op de volgende waarden berust: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van mensen die tot een minderheid behoren, en overwegende dat de lidstaten deze waarden gemeen hebben in een samenleving die wordt gekenmerkt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen (artikel 2 VEU);

B.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de EU alle vormen van discriminatie verbiedt op grond van o.a. geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid;

C.  overwegende dat het recht op asiel wordt gewaarborgd met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol daarbij van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en in overeenstemming met VEU en VWEU;

D.  overwegende dat de recente ontwikkelingen en de initiatieven en maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen in Hongarije hebben geleid tot een ernstige verslechtering van de situatie op het vlak van onder andere vrijheid en pluriformiteit van de media, de bestrijding van onverdraagzaamheid en discriminatie, de mensenrechten van immigranten, asielzoekers en vluchtelingen, de vrijheid van vergadering en vereniging, de vrijheid van onderwijs en academisch onderzoek, het recht op gelijke behandeling van religie en geloof, de mogelijkheid van organisaties van het maatschappelijk middenveld om hun taak onbelemmerd te vervullen zonder dat hun rechten worden beknot, de rechten van mensen die tot een minderheid behoren, waaronder Roma en LGBTI's, het functioneren van het constitutionele stelsel, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en andere instellingen die zouden moeten fungeren als "checks and balances" in een democratische staat, en vele zorgwekkende beschuldigingen van corruptie en belangenverstrengeling die de rechtsstaat ondermijnen;

E.  overwegende dat de Commissie niet is ingegaan op het verzoek van het Parlement in zijn resolutie van 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije, om aan te vangen met een diepgravende evaluatie waarmee de toestand waarin de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije verkeren onder de loep wordt genomen en waarbij mogelijke stelselmatige ernstige schendingen van de waarden waarop de Unie krachtens artikel 2 VEU gestoeld is, worden beoordeeld;

F.  overwegende dat het Hongaarse parlement in juli en september 2015 een aantal amendementen heeft aangenomen, vooral met betrekking tot het asielrecht, het wetboek van strafrecht, de wet inzake strafprocedures, de wet inzake grensbewaking, de wet inzake de politie en de wet inzake nationale defensie; overwegende dat in de voorlopige beoordeling van de Commissie een aantal bezwaren en vragen naar voren zijn gekomen over de inhoud en de tenuitvoerlegging van die amendementen; overwegende dat de Commissie op 6 oktober 2015 een administratieve brief aan de Hongaarse regering heeft gestuurd; overwegende dat de Hongaarse regering op die brief heeft geantwoord;

G.  overwegende dat de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 2 december 2015 over de situatie in Hongarije verklaarde dat zij bereid was alle beschikbare middelen in te zetten, met inbegrip van inbreukprocedures, om ervoor te zorgen dat Hongarije – net als alle andere lidstaten – zijn verplichtingen uit hoofde van het EU-recht nakomt en de waarden van de Unie als verankerd in artikel 2 VEU eerbiedigt; overwegende dat de Commissie van mening is dat in dit stadium niet aan de voorwaarden wordt voldaan om het kader voor de rechtsstaat in werking te laten treden;

1.  herhaalt zijn standpunt als verwoord in de resolutie van 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije, waarin de herhaaldelijke verklaringen van de Hongaarse premier Viktor Orbán, die aanzetten tot een debat over de mogelijke herinvoering van de doodstraf in Hongarije werden veroordeeld, de volksraadpleging over migratie en de aanverwante campagne op reclameborden in het hele land op initiatief van de Hongaarse regering werden verworpen, er bij de Commissie op aan werd gedrongen de eerste fase van het EU-kader om de rechtsstaat te versterken in werking te stellen, en de Commissie werd verzocht een voorstel in te dienen voor de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten;

2.  herinnert eraan dat bij een duidelijk risico op een ernstige schending van de in artikel 2 VEU genoemde waarden door een lidstaat de "artikel 7-procedure" in werking treedt;

3.  verwerpt de reeks wetgevingsmaatregelen die de afgelopen maanden versneld zijn uitgevoerd, aangezien daarmee de toegang tot internationale bescherming extreem moeilijk is geworden en migranten en asielzoekers ten onrechte strafbaar zijn gesteld, hetgeen in strijd is met het Verdrag van Genève en het protocol daarbij; benadrukt zijn vrees dat het beginsel van non-refoulement niet wordt nageleefd; veroordeelt dat er steeds meer asielzoekers worden vastgehouden en dat er een xenofobe retoriek wordt gebezigd waarbij migranten in één adem worden genoemd met maatschappelijke problemen of veiligheidsrisico's, onder andere in door de regering geïnitieerde communicatiecampagnes, als gevolg waarvan de integratie van de weinige migranten die in het land verblijven nog moeizamer verloopt;

4.  is van mening dat alle lidstaten het EU-recht volledig moeten eerbiedigen in hun wetgevende en bestuurlijke praktijken en dat alle wetgeving, waaronder ook het primaire recht van elke lidstaat of kandidaat-lidstaat, een afspiegeling moet zijn van en in overeenstemming moet zijn met de fundamentele Europese waarden, te weten democratische beginselen, de rechtsstaat en de grondrechten;

5.  betreurt het nogmaals dat de Raad niet heeft gereageerd op de ontwikkelingen in Hongarije; dringt er bij de Raad van de Europese Unie en de Europese Raad op aan de situatie in Hongarije te bespreken en hierover conclusies aan te nemen;

6.  stelt vast dat de ontwikkelingen in Hongarije hebben geleid tot ongerustheid met betrekking tot de beginselen van de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten in de afgelopen jaren, die samen een nieuwe, stelselmatige bedreiging van de rechtsstaat in deze lidstaat kunnen gaan vormen; is van mening dat Hongarije een testcase vormt waarmee de EU kan aantonen dat zij in staat en bereid is te reageren op bedreigingen en schendingen van haar eigen fundamentele waarden door een lidstaat; stelt met bezorgdheid vast dat ontwikkelingen in een aantal andere lidstaten, zoals Polen, tekenen aan de wand zijn voor een vergelijkbare ondermijning van de rechtsstaat als in Hongarije;

7.  betreurt het dat de huidige aanpak van de Commissie hoofdzakelijk gericht is op marginale, technische aspecten van de wetgeving en voorbijgaat aan de tendensen, patronen en het gecombineerde effect van maatregelen op de rechtsstaat en de grondrechten; is van mening dat met name inbreukprocedures in de meeste gevallen niet hebben geleid tot echte veranderingen en een aanpak van de situatie in breder verband; dringt er nogmaals bij de Commissie op aan het eerste stadium van het EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat in werking te stellen, en daarom onmiddellijk aan te vangen met een diepgravende evaluatie waarmee de toestand waarin de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije verkeren onder de loep wordt genomen en waarbij mogelijke stelselmatige en ernstige schendingen van de waarden waarop de Unie gebaseerd is, als vastgelegd in artikel 2 VEU, worden beoordeeld, met inbegrip van het gecombineerde effect van een aantal maatregelen die de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten ondermijnen, en waarbij wordt beoordeeld of in die lidstaat een stelselmatige bedreiging van de rechtsstaat ontstaat, die zou kunnen uitmonden in een duidelijk gevaar voor een ernstige schending in de zin van artikel 7 VEU;

8.  vindt dat de Commissie tot nu toe niet heeft gehandeld in overeenstemming met haar taken als hoedster van de Verdragen en de gemeenschappelijke belangen en waarden van de Unie; betreurt het dat de Commissie, door geen rekening te houden met of adequaat te reageren op de zorgen van het Parlement die herhaaldelijk zijn verwoord door een meerderheid van zijn leden, het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen, zoals vastgelegd in artikel 13, lid 2 VEU, ondergraaft; neemt kennis van het besluit van de Commissie van 14 juli 2015 om de uitvoering van verscheidene contracten in het kader van acht EU-financieringsprogramma's op te schorten, vanwege een buitensporig restrictief selectiecriterium in aanbestedingsprocedures in Hongarije; verzoekt de Commissie alle onderzoeken voort te zetten en van alle bestaande wettelijke instrumenten ten volle gebruik te maken, om ervoor te zorgen dat in Hongarije, overeenkomstig het EU-recht, transparant en deugdelijk gebruikgemaakt wordt van de EU-fondsen;

9.  is ingenomen met de registratie van een Europees Burgerinitiatief waarin de Commissie verzocht wordt om de artikel 7-procedure toe te passen vanwege vermeende schendingen van de EU-grondrechten door Hongarije; verzoekt zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken een specifiek verslag over Hongarije op te stellen, overeenkomstig artikel 83, lid 1, onder a), van zijn Reglement, om een met redenen omkleed voorstel aan te nemen waarin de Raad verzocht wordt te handelen krachtens artikel 7, lid 1, VEU;

10.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een voorstel in te dienen voor het instellen van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, als instrument ter waarborging van de naleving en de handhaving van het Handvest en de Verdragen die zijn ondertekend door alle lidstaten, op basis van gemeenschappelijke en objectieve indicatoren, en een onpartijdige, jaarlijkse beoordeling uit te voeren van de situatie van de grondrechten, de democratie en de rechtsstaat in alle lidstaten, op onbevooroordeelde en gelijkwaardige grondslag, waarvan een evaluatie door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten een onderdeel vormt in combinatie met passende bindende en corrigerende mechanismen, teneinde bestaande lacunes op te vullen en een automatische en stapsgewijze reactie op schendingen van de beginselen van de rechtsstaat en de grondrechten door de lidstaten mogelijk te maken;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de president, de regering en het parlement van Hongarije, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0227.

Juridische mededeling