Procedure : 2015/2935(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1361/2015

Ingediende teksten :

B8-1361/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 16/12/2015 - 11.12
CRE 16/12/2015 - 11.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0461

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 252kWORD 70k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-1351/2015
9.12.2015
PE573.406v01-00
 
B8-1361/2015

naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B8-1110/2015

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over de situatie in Hongarije: follow-up van de resolutie van het Europees Parlement van 10 juni 2015 (2015/2935(RSP))


Marie-Christine Vergiat, Cornelia Ernst, Malin Björk, Barbara Spinelli, Patrick Le Hyaric, Lola Sánchez Caldentey, Estefanía Torres Martínez, Xabier Benito Ziluaga, Miguel Urbán Crespo, Tania González Peñas, Helmut Scholz namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Hongarije: follow-up van de resolutie van het Europees Parlement van 10 juni 2015 (2015/2935(RSP))  
B8-1361/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name het tweede en het vierde t/m zevende streepje,

–  gezien met name artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede streepje, en de artikelen 6 en 7 VEU, en de artikelen van het VEU en het VWEU met betrekking tot de eerbiediging, bevordering en bescherming van de grondrechten in de EU,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–  gezien zijn resolutie van 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije(1), van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije(2), van 16 februari 2012 over de recente politieke ontwikkelingen in Hongarije(3) en van 10 maart 2011 over de mediawet in Hongarije(4),

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 met als titel "Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–  gezien de verklaring van 27 november 2015 van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa na zijn bezoek aan Hongarije,

–  gezien de verklaring van de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 2 december 2015 over de situatie in Hongarije,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de situatie in Hongarije: follow-up van de resolutie van het Europees Parlement van 10 juni 2015 (O-0001402015 – B8‑1110/2015),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, universele waarden zijn, en dat die waarden in artikel 2 VEU zijn verankerd als gemeenschappelijke waarden van alle lidstaten die de beginselen van pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen aanhangen;

B.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de EU alle vormen van discriminatie op grond van o.a. geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid verbiedt;

C.  overwegende dat het recht op asiel wordt gewaarborgd, met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol daarbij van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en in overeenstemming met het VEU en het VWEU;

D.  overwegende dat de acties van de Hongaarse regering in de afgelopen jaren hebben geleid tot een ernstige verslechtering van de situatie op het vlak van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, met name wat betreft de bevoegdheden en samenstelling van het Grondwettelijk Hof, de kieswetten en de beperking van de campagnemogelijkheden van de oppositie, de organisatie en werking van de rechterlijke macht en het openbaar ministerie, de belemmering van de activiteiten van maatschappelijke organisaties, de beperking van de toegang tot informatie, van de mediavrijheid en van de mensenrechten van migranten, asielzoekers en vluchtelingen, alsook geweld en haatuitingen tegen groepen zoals Roma, joden, LGBTI, migranten, daklozen en armen;

E.  overwegende dat de Commissie niet heeft geantwoord op het verzoek van het Parlement, geformuleerd in zijn resolutie van 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije, om aan te vangen met een diepgravende evaluatie van de toestand van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije;

F.  overwegende dat het Hongaarse parlement in juli en september 2015 een aantal wetgevingsamendementen heeft aangenomen, vooral met betrekking tot het asielrecht, het strafrecht, strafprocedures, grensbewaking, politie en nationale defensie; overwegende dat de voorlopige beoordeling van de Commissie een aantal bezwaren en vragen heeft opgeworpen over de inhoud en de tenuitvoerlegging van die amendementen; overwegende dat de Commissie op 6 oktober 2015 een administratieve brief aan de Hongaarse regering heeft gestuurd; overwegende dat de Hongaarse regering die brief heeft beantwoord;

G.  overwegende dat de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 2 december 2015 over de situatie in Hongarije verklaarde dat zij bereid is alle beschikbare middelen, met inbegrip van inbreukprocedures, in te zetten om ervoor te zorgen dat Hongarije – net als alle andere lidstaten – zijn verplichtingen uit hoofde van het Unierecht nakomt en de waarden van de Unie als verankerd in artikel 2 VEU eerbiedigt;

H.  overwegende dat de Commissie van mening is dat in dit stadium niet aan de voorwaarden wordt voldaan om het kader voor het versterken van de rechtsstaat ten aanzien van Hongarije in werking te laten treden;

1.  herhaalt zijn standpunt van 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije;

2.  verwerpt de reeks maatregelen die de afgelopen maanden overhaast zijn genomen en die de toegang tot internationale bescherming extreem bemoeilijkt hebben en migranten en asielzoekers ten onrechte gecriminaliseerd hebben; veroordeelt dat er steeds meer asielzoekers worden vastgehouden en dat er een xenofobe retoriek wordt gebezigd waarbij migranten in één adem worden genoemd met maatschappelijke problemen of veiligheidsrisico's, waardoor de integratie van de weinige migranten die in het land verblijven nog problematischer verloopt;

3.  herinnert eraan dat alle wetgeving van de lidstaten een afspiegeling moet zijn en in overeenstemming moet zijn met de beginselen van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten;

4.  veroordeelt alle schendingen van de grondrechten door lidstaten, alsook het ontbreken van een reactie van de Raad op deze verontrustende ontwikkelingen, met name in Hongarije; dringt er bij de Raad en de Europese Raad op aan om zo spoedig mogelijk een debat te houden over de situatie in Hongarije en hierover conclusies aan te nemen;

5.  stelt vast dat de genoemde ontwikkelingen hebben geleid tot ongerustheid met betrekking tot de beginselen van de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten in Hongarije in de afgelopen jaren, en dat een en ander zou kunnen wijzen op een opkomende, systemische bedreiging van de rechtsstaat in deze lidstaat; is van mening dat Hongarije schendingen van rechten die ook in andere lidstaten voorkomen combineert, en aldus een testcase vormt waarmee de EU kan aantonen dat zij in staat en bereid is te reageren op bedreigingen en schendingen van haar eigen fundamentele waarden door een lidstaat; stelt met bezorgdheid vast dat ontwikkelingen in een aantal andere lidstaten zoals Polen, Frankrijk, Slovakije en de Tsjechische Republiek, tekenen aan de wand zijn voor een vergelijkbare ondermijning van de rechtsstaat;

6.  laakt het feit dat de huidige aanpak van de Commissie hoofdzakelijk gericht is op marginale, technische aspecten van de wetgeving en voorbijgaat aan de tendensen en patronen; is van mening dat met name inbreukprocedures in de meeste gevallen niet hebben geleid tot echte veranderingen of een bredere oplossing voor de situatie; dringt er nogmaals bij de Commissie op aan het eerste stadium van het EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat in werking te stellen en daarom onmiddellijk aan te vangen met een diepgravende evaluatie van de toestand van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, met name in Hongarije, waarbij mogelijke stelselmatige en ernstige schendingen van de waarden waarop de Unie gebaseerd is, als vastgelegd in artikel 2 VEU, worden beoordeeld, met inbegrip van het gecombineerde effect van een aantal maatregelen die de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten ondermijnen, en waarbij wordt beoordeeld of in die lidstaat een stelselmatige bedreiging van de rechtsstaat ontstaat, die zou kunnen uitmonden in een duidelijk gevaar voor een ernstige schending in de zin van artikel 7 VEU;

7.  veroordeelt het feit dat de Commissie geen actie onderneemt ten aanzien van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, maar wel inbreukprocedures instelt om lidstaten te verplichten tot bezuinigingsmaatregelen, ondanks de dramatische sociale gevolgen en de impact daarvan op de grondrechten, de mensenrechten en de economische, sociale en culturele rechten;

8.  herhaalt met klem de aanbevelingen die het aan de Commissie heeft gedaan in zijn resolutie van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije, met name wat betreft het nieuwe mensenrechtenbestel dat in het leven is geroepen door het Handvest van grondrechten van de Europese Unie en de komende toetreding van de EU tot het EVRM, de dringende noodzaak om het zogenaamde "Kopenhagen-dilemma" op te lossen, en de oprichting van een EU‑mechanisme ten behoeve van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten;

9.  neemt kennis van de registratie van een Europees Burgerinitiatief waarin de Commissie verzocht wordt om de procedure van artikel 7 VEU toe te passen vanwege vermeende schendingen van de fundamentele waarden van de EU door Hongarije; verzoekt zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken een specifiek verslag over Hongarije op te stellen overeenkomstig artikel 83 van zijn Reglement, met het oog op de aanneming van een met redenen omkleed voorstel waarin de Raad gevraagd wordt op te treden krachtens artikel 7, lid 1, VEU;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de president, de regering en het parlement van Hongarije, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0227.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2013)0315.

(3)

PB C 249 van 30.8.2013, blz. 27.

(4)

PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 154.

Juridische mededeling