Procedure : 2015/3035(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0050/2016

Ingediende teksten :

B8-0050/2016

Debatten :

Stemmingen :

Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0020

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 309kWORD 94k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0050/2016
14.1.2016
PE575.952v01-00
 
B8-0050/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de prioriteiten van de EU voor de UNHRC-zittingen in 2016 (2015/3035(RSP))


Andrzej Grzyb, Cristian Dan Preda, Therese Comodini Cachia, Mariya Gabriel, László Tőkés, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Davor Ivo Stier, Bogdan Brunon Wenta, Fernando Ruas, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Theodoros Zagorakis, Ramón Luis Valcárcel Siso namens de PPE-Fractie

over de prioriteiten van de EU voor de UNHRC-zittingen in 2016 (2015/3035(RSP))  
B8-0050/2016

Het Europees Parlement,

  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en de VN-verdragen over de rechten van de mens en de facultatieve protocollen hierbij,

–  gezien resolutie 60/251 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waarbij de VN-Mensenrechtenraad (UNHRC) is opgericht,

–  gezien het Europees Verdrag betreffende de rechten van de mens, het Europees Sociaal Handvest en het Handvest van de grondrechten van de EU,

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019,

–  gezien zijn eerdere resoluties over het UNHCR,

–  gezien zijn eerdere resoluties over mensenrechtenschendingen, waaronder de resoluties over debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat (ingevolge artikel 135 van zijn Reglement),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(1),

–  gezien de artikelen 2, 3, lid 5, 18, 21, 27 en 47 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien het jaarverslag 2015 van de UNHRC aan de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat 2015 en 2016 belangrijke herdenkingsjaren zijn wat mensenrechten, vrede en veiligheid betreft: de 70e verjaardag van de oprichting van de Verenigde Naties, de 50e verjaardag van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, de 30e, respectievelijk 20e verjaardag van de Verklaring over het recht op ontwikkeling (1986) en de Verklaring en het Platform voor Actie van Beijing (1995), de 15e verjaardag van de baanbrekende resolutie van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid (2000) ven van de Millennium Ontwikkelingsdoelstellingen (2000);

B.  overwegende dat eerbiediging van mensenrechten, ongeacht ras, afkomst, religie, geslacht of huidskleur, een plicht is die voor alle staten geldt, en overwegende dat het EP blijft vasthouden aan de ondeelbaarheid van mensenrechten (om het even of het gaat om politieke, burgerlijke, economische, sociale of culturele rechten), die onderling verbonden en wederzijds afhankelijk zijn, en verder overwegende dat ontneming van het ene recht een weerslag heeft op de andere; overwegende dat alle staten de plicht hebben om de elementaire rechten van hun respectieve bevolking te eerbiedigen, concrete maatregelen te treffen die bevorderlijk zijn voor de eerbiediging van die rechten op nationaal niveau, en op internationaal niveau samen te werken om obstakels die aan verwezenlijking van de mensenrechten op enig gebied in de weg staan, te verwijderen;

C.  overwegende dat eerbiediging, bevordering en waarborging van het universele karakter van mensenrechten deel uitmaakt van het ethische en juridische acquis van de Europese Unie, en een van de hoekstenen vormt van de Europese eenheid en integriteit;

D.  overwegende dat het optreden van de Unie in haar betrekkingen met derde landen vertrekt vanuit artikel 21 van het Verdrag van Lissabon, waarin het universele en ondeelbare karakter van mensenrechten en fundamentele vrijheden wordt bekrachtigd en de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de beginselen van het VN-Handvest en het internationaal recht worden bepaald;

E.  overwegende dat eerbiediging van mensenrechten geïntegreerd moet worden in alle beleidsdomeinen met raakvlakken met vrede en veiligheid, ontwikkelingssamenwerking, handel en investeringen, humanitair optreden, klimaatverandering en terrorismebestrijding, aangezien deze niet los van de eerbiediging van de mensenrechten benaderd kunnen worden;

F.  overwegende dat de VN-lidstaten zich hebben vastgelegd op de door hen aangenomen Agenda 2030, die een wereld in het vooruitzicht stelt van universele eerbiediging van mensenrechten en menselijke waardigheid, rechtsstatelijkheid, rechtvaardigheid, gelijkheid en non-discriminatie;

G.  overwegende dat de reguliere zittingen van de UNHRC, de benoeming van bijzonder rapporteurs, de universele periodieke doorlichting (UPR) en de zogeheten speciale procedure voor specifieke situaties in landen of voor thematische kwesties bijdragen tot de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

H.  overwegende dat sommige van de huidige leden van de Mensenrechtenraad een twijfelachtige reputatie genieten waar het gaat om mensenrechten, ook op het punt van samenwerking in het kader van de speciale procedures van de VN en van naleving van hun rapportageplicht jegens de organen van het VN-Mensenrechtenverdrag;

De VN-Mensenrechtenraad

1.  is verheugd over de benoeming van ambassadeur Choi Kyong-lim tot voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad voor 2016;

2.  verwelkomt het jaarverslag van de UNHRC aan de Algemene Vergadering van de VN, waarin de 28e, 29e en 30e zittingen van de Mensenrechtenraad behandeld worden;

3.  herhaalt zijn standpunt dat de leden van de UNHRC gekozen moeten worden uit die landen die de mensenrechten, de rechtsstaat en de democratie eerbiedigen, en vraagt de VN-lidstaten om te bevorderen dat ook criteria ontleend aan de mensenrechtelijke staat van dienst worden bekeken voordat een land tot lid van de UNHCR wordt gekozen; pleit voor invoering van bindende procedures aan de hand waarvan de naleving van de lidmaatschapscriteria voor UNHRC-lidstaten te verifiëren is; spreekt zijn bezorgdheid uit over de mensenrechtensituatie in een aantal pasgekozen UNHRC-lidstaten en onderstreept hoe belangrijk het is voor de onafhankelijkheid van de UNHRC op te komen zodat deze zijn mandaat op doeltreffende en onpartijdige manier kan blijven uitvoeren;

4.  betuigt nogmaals zijn instemming met de speciale procedures en de onafhankelijke status van de mandaathouders, bedoeld om hen in staat te stellen hun taak volledig neutraal uit te voeren, en roept alle staten op hun medewerking aan deze procedures te verlenen;

5.  benadrukt nogmaals dat het universele karakter van de universele periodieke doorlichting (UPR) belangrijk is om volledig inzicht te kunnen krijgen in de mensenrechtensituatie in alle VN-lidstaten, en spreekt nogmaals zijn steun uit voor de tweede doorlichtingscyclus die gericht is op de tenuitvoerlegging van de gedurende de eerste cyclus aanvaarde aanbevelingen; dringt er echter opnieuw op aan dat de aanbevelingen die door sommige landen niet werden aanvaard gedurende de eerste cyclus bij de voortzetting van het UPR-proces worden heroverwogen;

6.  onderstreept dat erop moet worden toegezien dat een breed scala aan belanghebbenden, en met name het maatschappelijk middenveld, ten volle aan het proces van de universele periodieke doorlichting (UPR) deelneemt, en dat beperkingen hierin moeten worden vermeden;

7.  dringt er bij de EU op aan om in alle beleidsdialogen van de EU met de landen in kwestie nader in te gaan op de aanbevelingen in het kader van de UPR, om na te gaan op welke manier aan die aanbevelingen door middel van landen- en regionale strategieën uitvoering kan worden gegeven;

8.  is verheugd over het "Initiative for Change" van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, dat erop gericht is de mondiale aanwezigheid van VN-mensenrechtenbureaus te vergroten middels de oprichting van acht regionale centra ter bescherming en bevordering van de eerbiediging van mensenrechten via rechtstreekse samenwerking met partners om de aanbevelingen van de mensenrechtenmechanismen te vertalen naar tastbare veranderingen in het veld;

Burgerrechten en politieke rechten

9.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de grondwetsherzieningen die in enkele landen worden doorgevoerd en die gericht zijn op een wijziging van de vastgestelde presidentiële ambtstermijnen, wat in een aantal gevallen tot verkiezingsgerelateerd geweld heeft geleid; stelt nogmaals dat eerbiediging van burgerrechten en politieke rechten, met inbegrip van de individuele en collectieve vrijheid van meningsuiting en van vergadering en vereniging, de belangrijkste indicator is van een democratische, verdraagzame en pluralistische maatschappij;

10.  herhaalt dat deelneming aan periodiek te organiseren vrije en eerlijke verkiezingen, op basis van algemeen en gelijk kiesrecht, een fundamenteel recht is dat volgens de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (artikel 21, lid 3) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (artikel 25) aan alle burgers toekomt; bevestigt nogmaals dat de vrijheid van meningsuiting en een levendig en gunstig klimaat voor een onafhankelijk en pluralistisch maatschappelijk middenveld noodzakelijke voorwaarden zijn voor het bevorderen van mensenrechten;

11.  herinnert eraan dat vrijheid van denken, geweten, godsdienst en overtuiging een fundamenteel mensenrecht is, zoals erkend in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en gewaarborgd door artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten; noemt het verontrustend dat sommige landen zich nog steeds niet willen houden aan de VN-normen en hun toevlucht zoeken tot repressie van staatswege, die kan bestaan uit lijfstraffen, gevangenisstraffen, buitensporige boetes en zelfs de doodstraf, in strijd met de vrijheid van godsdienst of overtuiging; maakt zich zorgen over de steeds intensievere vervolging van religieuze of levensbeschouwelijke minderheidsgroepen, waaronder christelijke gemeenschappen, en over de onrechtmatige vernielingen aan gebeds- of meditatieruimten; stelt zich achter het rapport van de speciale VN-rapporteur voor vrijheid van godsdienst en overtuiging over geweld dat door religieuze motieven wordt ingegeven; roept de EU op invulling te geven aan haar aanbevelingen met het oog op initiatieven voor interreligieuze dialoog;

12.  is ingenomen met het engagement van de EU om in internationale fora te ijveren voor de vrijheid van godsdienst of overtuiging, onder meer door het mandaat van de bijzonder VN-rapporteur voor vrijheid van godsdienst en overtuiging te steunen; geeft zijn volledige steun aan de werkwijze van de EU om in de UNHRC en in de Algemene Vergadering van de VN het initiatief te nemen voor thematische resoluties over dit onderwerp; verlangt concrete actie en maatregelen voor daadwerkelijke uitvoering en verbetering van de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging; is van oordeel dat er op zowel internationale als regionale fora actie ondernomen moet worden door een open, transparante en regelmatige dialoog in stand te houden met kerkgenootschappen en religieuze gemeenschappen, zoals bepaald in artikel 14 VWEU;

13.  veroordeelt de aanhoudende intimidatie en detentie van mensenrechtenactivisten en oppositieleden door regeringstroepen in een aantal derde landen; spreekt zijn bezorgdheid uit over oneerlijke en beperkende wetgeving, met inbegrip van beperkingen op buitenlandse financiering, waardoor het maatschappelijk middenveld steeds minder ruimte krijgt om zijn activiteiten te ontplooien; verzoekt alle regeringen om de vrijheid van media, organisaties uit het maatschappelijk middenveld en het werk van mensenrechtenactivisten te bevorderen en te ondersteunen, en hen in staat te stellen te handelen zonder angst, onderdrukking of intimidatie;

14.  herinnert eraan dat het Europees Parlement zich van oudsher verzet tegen de doodstraf, foltering en een wrede, onmenselijke en onterende behandeling en bestraffing, in alle gevallen en onder alle omstandigheden; benadrukt eens te meer dat de afschaffing van de doodstraf ertoe bijdraagt de menselijke waardigheid te versterken en dat het EP gehecht is aan het recht op leven en menselijke waardigheid van elk individu;

15.  prijst de substantiële vooruitgang die tot nu toe is geboekt, met vele landen die de doodstraf hebben opgeschort en andere die wetgevingsmaatregelen hebben getroffen voor de afschaffing van de doodstraf; betreurt dat desondanks in de loop van de voorbije jaren in een aantal landen toch weer terechtstellingen hebben plaatsgevonden; verzoekt de landen die de doodstraf hebben afgeschaft of sinds lang een moratorium hebben ingesteld op uitvoering van doodvonnissen, standvastig te blijven in hun besluit;

16.  is van mening dat de digitale technologie van vandaag voordelen en uitdagingen inhoudt voor de bescherming van het recht op de persoonlijke levenssfeer en voor de wereldwijde online uitoefening van vrijheid van meningsuiting, omdat die hedendaagse technologie ook vaak te baat wordt genomen voor extremistische en terroristische propaganda en voor recruteringsdoeleinden; spreekt in deze context zijn voldoening uit over de aanstelling van een bijzonder VN-rapporteur voor het recht op privacy in het digitale tijdperk, onder wiens mandaat ook bewakings- en privacy-kwesties vallen waarmee mensen online en offline in aanraking komen;

Sociale en economische rechten

17  erkent de inspanningen van de UNHRC om alle mensenrechten middels de aanstelling van mandaathouders voor speciale procedures met betrekking tot economische, sociale en culturele rechten op voet van gelijkheid te behandelen en dezelfde nadruk toe te kennen;

18.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de toename van extreme armoede, waardoor de volledige uitoefening van alle mensenrechten in het gedrang komt; is in dit verband ingenomen met het verslag van de speciale UNCHR-rapporteur over extreme armoede en mensenrechten (A/HRC/29/31) en spreekt zijn steun uit voor diens voorstellen tot uitbanning van extreme armoede; acht het van belang dat de toenemende ongelijkheid wordt aangepakt om de armoede in het algemeen te bestrijden en de sociale en economische rechten in het bijzonder te bevorderen door de toegang tot voedsel, water, onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting te vergemakkelijken;

19.  herinnert eraan dat corruptie, belastingontduiking, wanbeheer van openbare goederen en ontbrekende verantwoordingsplicht evenzovele bedreigingen vormen voor gelijke mensenrechtelijke aanspraken en democratische processen als de rechtsstaat en een eerlijke rechtsbedeling; is van mening dat maatregelen voor de eerbiediging van mensenrechten, met name het recht op informatie, op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering, op een onafhankelijke rechterlijke macht en op democratische deelname aan openbare aangelegenheden, kunnen helpen bij de strijd tegen corruptie;

Bedrijfsleven en mensenrechten

20.  steunt de daadwerkelijke en brede tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten binnen en buiten de EU, onder meer via de ontwikkeling van nationale actieplannen; benadrukt dat alles in het werk moet worden gesteld om lacunes in de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren aan te pakken, inclusief wat de toegang tot de rechter en rechtsmiddelen betreft;

21.  dringt er bij de VN en de EU op aan om de kwestie van landrechtenverdedigers aan de orde te stellen, die het slachtoffer zijn van vergeldingsmaatregelen in de vorm van onder meer dreigementen, pesterijen, willekeurige arrestaties, geweld en moord, dringt erop aan dat landrechtenverdedigers stelselmatig worden opgenomen in de mensenrechtenprojecten van de VN-mechanismen en het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie;

22.  is verheugd over het initiatief van de hoge commissaris voor de mensenrechten van de VN ter versterking van het project voor verantwoordingsplicht en rechtsmiddelen, teneinde bij te dragen aan een eerlijk en doeltreffender stelsel van nationale rechtsmiddelen, met name in het geval van grove mensenrechtenschendingen in het bedrijfsleven; verzoekt alle regeringen hun plicht te doen met betrekking tot het waarborgen van de eerbiediging van mensenrechten en toegang tot de rechter voor slachtoffers die bij die toegang op nationaal en internationaal niveau praktische en juridische problemen ondervinden;

23.  wijst erop dat in juli 2015 een eerste bijeenkomst is gehouden van een bij de UNHRC-resolutie van 26 juni 2014 ingestelde open, intergouvernementele werkgroep voor het uitwerken van een internationaal bindend instrument voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens; vraagt de EU en haar lidstaten om het debat over bovenvermeld internationaal instrument te blijven volgen;

Migratie

24.  maakt zich zorgen over de zwaarste humanitaire crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, die ontstaan is doordat een steeds groter aantal mensen gedwongen is hun huis te verlaten ten gevolge van vervolging, gewapende conflicten en alomtegenwoordig geweld, en doordat mensen op zoek zijn naar bescherming en een beter leven, waarbij ze met gevaar voor hun leven gevaarlijke tochten ondernemen;

25.  verzoekt alle landen om met betrekking tot migratie een op mensenrechten gebaseerde benadering te hanteren, met bijzondere aandacht voor de situatie van gemarginaliseerde en benadeelde groepen onder de migranten, zoals vrouwen en kinderen; verzoekt alle landen om gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes aan te pakken, en benadrukt hoe belangrijk het is een migratiebeleid te ontwikkelen vanuit een genderperspectief om aan de specifieke behoeften van deze groep te kunnen beantwoorden;

26.  onderstreept dat de ongekende migratiecrisis van dit moment een internationale verantwoordelijkheid uitmaakt, zowel waar het de oorzaken betreft als de noodzakelijke middelen voor de aanpak ervan; vraagt alle VN-lidstaten hun betrokkenheid te tonen bij en mee te werken aan een respons op zowel oorzaken als effecten van de migratiecrisis; herinnert eraan dat alle landen verplicht zijn de mensenrechten van alle personen binnen hun rechtsgebied te eerbiedigen en te beschermen, ongeacht hun nationaliteit of herkomst; herinnert eraan dat alle samenwerkings- en overnameovereenkomsten met derde landen op het gebied van migratie moeten stroken met het internationaal recht;

27.  verzoekt de EU en de lidstaten de steun voor de strijd tegen de mensenhandel op te voeren middels externe beleidsmaatregelen en daarbij speciale aandacht te besteden aan de bescherming van slachtoffers, minderjarigen in het bijzonder; is van mening dat de EU de samenwerking met derde landen en andere betrokken partijen moet versterken om beproefde methoden uit te wisselen en bij te dragen aan het oprollen van internationale mensensmokkel-netwerken; verwelkomt het verslag van 3 augustus 2015 van de speciale rapporteur inzake de handel in mensen, in het bijzonder vrouwen en kinderen;

28.  doet een beroep op de internationale gemeenschap om al het nodige te doen ter voorkoming van nog meer migratiedruk, door de daarvoor aangewezen instanties zoals UNHCR en Frontex, te versterken en op te schalen;

Klimaatverandering en mensenrechten

29.  is verheugd over de Overeenkomst van Parijs in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (United Nations Framework Convention on Climate Change, UNFCCC), waarin aandacht wordt besteed aan aanpassing, mitigatie, ontwikkeling en overdracht van technologie en capaciteitsopbouw; roept alle verdragsluitende staten op hun toezeggingen gestand te doen;

30.  herinnert eraan dat de nadelige gevolgen van klimaatverandering een onmiddellijke en mogelijk onomkeerbare wereldwijde bedreiging vormen voor de volledige uitoefening van mensenrechten, en dat de gevolgen voor kwetsbare groepen, die zich nu al in een onzekere situatie bevinden, aanzienlijk zijn; stelt met bezorgdheid vast dat klimaatgerelateerde incidenten zoals de stijging van de zeespiegel en extreme weersveranderingen die droogten en overstromingen veroorzaken naar verwachting nog meer levens zullen kosten en nog meer tot verplaatsing van de bevolking en tot voedsel- en watertekorten zullen leiden;

Vrouwenrechten

31.  is verheugd over de recente resolutie 2242 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, waarin vrouwen een centrale rol toebedeeld krijgen in alle inspanningen voor het aanpakken van wereldwijde uitdagingen, waaronder toenemend gewelddadig extremisme, klimaatverandering, migratie, duurzame ontwikkeling, vrede en veiligheid; prijst de bevindingen van het wereldwijde VN-onderzoek over de tenuitvoerlegging van resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen en vrede en veiligheid, waarin het belang van vrouwelijk leiderschap en de deelname van vrouwen aan conflictoplossing en vredesopbouw worden benadrukt, alsook de bijdrage van vrouwelijke betrokkenheid aan de verbetering van humanitaire hulp, de versterking van de inspanningen van vredeshandhavers, de afronding van vredesbesprekingen en de strijd tegen gewelddadig extremisme;

32.  geeft zijn verbijstering te kennen over het feit dat geweld tegen vrouwen sinds de opkomst van gewelddadige extremistische groeperingen als Da'esh in Syrië en Irak en Boko Haram in West-Afrika een nieuwe dimensie heeft gekregen die nooit eerder zoveel angst inboezemde, aangezien seksueel geweld een integraal onderdeel is geworden van de doelstellingen en ideologie van en een inkomstenbron voor deze extremistische groeperingen, en de internationale gemeenschap hierdoor met een cruciale nieuwe uitdaging geconfronteerd wordt; verzoekt alle regeringen en de VN-instellingen zich nog meer in te zetten voor de strijd tegen deze misdaden en vrouwen te herstellen in hun waardigheid zodat ze gerechtigheid, schadeloosstelling en steun verkrijgen;

33.  noemt het belangrijk dat de autonomie van vrouwen wordt gewaarborgd door aanpak van de onderliggende ongelijkheden tussen vrouwen en mannen die vrouwen en meiden in tijden van conflict kwetsbaar maken, en vraagt de VN en alle VN-lidstaten concrete acties te ondernemen om de autonomie van vrouwen te waarborgen en ervoor te zorgen dat ze op een betekenisvolle manier worden betrokken bij het voorkomen en oplossen van conflicten en bij het proces van vredesonderhandelingen en vredesopbouw, door middel van een grotere vrouwelijke vertegenwoordiging op alle besluitvormingsniveaus, met inbegrip van nationale, regionale en internationale instellingen en mechanismen;

Rechten van het kind

34.  herinnert eraan dat in het Verdrag inzake de rechten van het kind, dat in 1989 is aangenomen en het mensenrechtenverdrag is dat door het grootste aantal landen is geratificeerd, een aantal kinderrechten worden beschreven, zoals het recht op leven, gezondheid, onderwijs en spel, het recht op familie-en gezinsleven, op bescherming tegen geweld en discriminatie en het recht om gehoord te worden; verzoekt alle ondertekenaars van dit verdrag hun verplichtingen na te komen;

35.  is verheugd over het geplande wereldwijde onderzoek dat door de VN zal worden opgestart om via een analyse op basis van toezicht en beoordeling in kaart te brengen hoe bestaande internationale wetgeving en normen in de praktijk ten uitvoer worden gelegd en om concreet na te gaan hoe landen hun beleid en reacties kunnen verbeteren; dringt er bij alle landen op aan actief steun te verlenen en deel te nemen aan het onderzoek;

Terrorismebestrijding

36.  neemt met voldoening kennis van de richtsnoeren voor terrorismebestrijding, die door de EDEO en door de Commissie zijn goedgekeurd, en die de eerbiediging van de mensenrechten moeten waarborgen bij het plannen en uitvoeren van projecten met derde landen voor bijstand op het gebied van terrorismebestrijding; herinnert er in dit verband aan dat de eerbiediging van fundamentele rechten en vrijheden de basis moet zijn voor een succesvol anti-terrorismebeleid, wat ook geldt voor gebruik van digitale bewakings- en observeringstechnologie; onderstreept de behoefte aan effectieve communicatiestrategieën – toegesneden op hedendaagse digitale technologie – waarmee terroristische en extremistische propaganda en recruteringsmethoden moeten worden tegengegaan; steunt de internationale pogingen om een eind te maken aan de door IS/Da'esh gepleegde mensenrechtenschendingen;

Democratie

37.  bepleit dat de EU haar inspanningen opvoert voor de ontwikkeling van een bredere benadering van democratiseringsprocessen, waarvan vrije en eerlijke verkiezingen slechts één dimensie uitmaken, om positief bij te dragen aan de versterking van democratische instellingen; is van mening dat uitwisseling van overgangservaringen in het kader van het uitbreidings- en nabuurschapsbeleid bruikbaar zou kunnen zijn voor ondersteuning en consolidering van andere democratiseringsprocessen over de hele wereld;

Mainstreaming van mensenrechten in de EU

38.  verzoekt de EU de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten, waaronder burgerrechten en politieke, economische, sociale en culturele rechten, te bevorderen overeenkomstig artikel 21 van het Verdrag van Lissabon en de algemene bepalingen inzake het externe optreden van de Unie;

39.  dringt er nogmaals bij de EU op aan een op rechten gebaseerde benadering te kiezen en eerbiediging van de mensenrechten te integreren in handels- en investeringsbeleid, overheidsdiensten en ontwikkelingssamenwerking, alsmede in haar gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid; onderstreept ook dat de EU in haar mensenrechtenbeleid de coherentie met haar interne en externe beleid moet bewaren, in overeenstemming met haar verplichting ingevolge het EU-Verdrag;

40.  onderstreept welk belang de EU hecht aan de nieuwe duurzame-ontwikkelingsdoelstelling (SDG) 16 van Agenda 2030, over vrede en recht, die een prioriteit behoort te zijn voor elk extern en intern optreden, vooral waar het gaat om financiering van de ontwikkelingssamenwerking;

Landen die het voorwerp vormen van een universele periodieke doorlichting (UPR)

Georgië

41.  is ingenomen met het lidmaatschap van Georgië van de VN-Mensenrechtenraad en de recente UPR van Georgië; neemt kennis van de relevante wetswijzigingen die geleid hebben tot een zekere vooruitgang en verbetering op gebied van justitie en wetshandhaving, het openbaar ministerie, de strijd tegen slechte behandeling, de rechten van het kind, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, en binnenlands ontheemden;

42.  vraagt de Georgische autoriteiten een einde te maken aan alle onterechte behandeling, vooral waar het gaat om voorlopige hechtenis en corrigerende maatregelen voor ambtenaren die onder de vorige regering hebben gediend, wat als selectieve justitie aan te merken is; noemt het zorgwekkend dat de rechterlijke macht als instrument voor de bestrijding van politieke tegenstanders wordt ingeschakeld; blijft bezorgd over de vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid en het feit dat waarnemers geen toegang krijgen tot de bezette gebieden Abchazië en Tskhinvali/Zuid-Ossetië, waar mensenrechtenschendingen schering en inslag zijn, en roept de Georgische regering op passende maatregelen te treffen om gevolg te geven aan de aanbevelingen die het UPR-proces heeft opgeleverd;

Libanon

43.  prijst Libanon om zijn beleid van open grenzen en opvang dat het land al jarenlang tentoonspreidt ten aanzien van vluchtelingen uit Palestina, Irak en Syrië, onderstreept dat het land gerekend naar inwoneraantal een vluchtelingenconcentratie kent van een op vier, de hoogste ter wereld, en spoort de Europese Unie aan meer middelen beschikbaar te stellen en nauw samen te werken met de Libanese autoriteiten om het land te helpen de bescherming van de rechten van vluchtelingen en asielzoekers te handhaven; spreekt in dit verband zijn bezorgdheid uit over het naar verluidt grote aantal gevallen van kindhuwelijken en/of gedwongen huwelijken onder Syrische vluchtelingen; raadt de Libanese regering aan te denken aan een hervorming van de wettelijke regeling rond in- en uitreis en verblijf,

44.  steunt de aanbevelingen van het VN-comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen (CEDAW) door op te roepen tot maatregelen om onder in de huishouding werkende vrouwelijke migranten meer besef te kweken van hun mensenrechten volgens het CEDAW-verdrag, waarbij Libanon partij is; benadrukt met name de noodzaak om het 'Kafala-systeem' af te schaffen en voor in de huishouding werkende vrouwelijke migranten doeltreffende toegang tot de rechter te waarborgen, onder meer door hun veiligheid en verblijf tijdens juridische en administratieve procedures betreffende hun status te garanderen;

Mauritanië

45.  onderstreept dat de Mauritaanse regering weliswaar vooruitgang heeft geboekt door wettelijke maatregelen te nemen ter bestrijding van alle vormen van slavernij en op slavernij lijkende praktijken, maar dat dergelijke praktijken blijven voortbestaan bij gebrek aan een doeltreffende tenuitvoerlegging van deze maatregelen; roept de autoriteiten op een antislavernijwet in te voeren, in het hele land systematisch en volgens dezelfde regels gedifferentieerde gegevens over alle vormen van slavernij te gaan verzamelen en een grondig, op bewijsmateriaal gebaseerd onderzoek in te stellen naar de geschiedenis en de aard van slavernij, teneinde deze praktijk volledig uit te roeien;

46.  dringt er bij de Mauritaanse autoriteiten op aan vrijheid van meningsuiting en van vergadering toe te staan, in overeenstemming met internationale verdragen en de eigen nationale wetgeving; dringt tevens aan op vrijlating van Biram Dah Abeid, Bilal Ramdane en Djiby Sow, zodat deze personen hun geweldloze campagne tegen het voortbestaan van slavernij kunnen voortzetten zonder pesterij of intimidatie te hoeven vrezen;

Myanmar

47.  noemt het verheugend dat op 8 november 2015 competitieve verkiezingen werden gehouden, voor het land een belangrijke mijlpaal in de overgang naar een democratie; is positief gestemd over de wijze waarop de kiezers in Myanmar het voortgaande democratiseringsproces in het land omarmen; blijft evenwel bezorgd over het grondwettelijk kader voor deze verkiezingen, dat voorschrijft dat 25% van de parlementszetels bestemd is voor het leger; erkent dat er vooruitgang is geboekt wat betreft de mensenrechten, maar ziet nog steeds een aantal punten van grote zorg, zoals de rechten van minderheden en de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering; steunt Myanmar in de politieke overgang die het land doormaakt naar democratie, vrede, stabiliteit en economische ontwikkeling;

48.  veroordeelt de discriminatie jegens de Rohingya, nog verergerd door het gemis van een wettelijke status voor deze gemeenschap en door de toenemende haatzaaiende uitlatingen tegen niet-boeddhisten; dringt aan op een volledig, transparant en onafhankelijk onderzoek naar alle meldingen van mensenrechtenschendingen jegens de Rohingya en is van mening dat de vier door het parlement in 2015 aangenomen wetten "ter bescherming van ras en religie" discriminerende aspecten bevatten wat geslacht betreft; herhaalt zijn verzoek om het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) toestemming te verlenen een kantoor in het land te openen; benadrukt dat er een grondige duurzaamheidseffectbeoordeling moet worden uitgevoerd voordat de onderhandelingen over de investeringsovereenkomst tussen de EU en Myanmar worden afgerond;

Nepal

49.  is blij met de inwerkingtreding op 20 september 2015 van de nieuwe grondwet van Nepal, die het fundament moet vormen van de toekomstige politieke stabiliteit en economische ontwikkeling van het land; hoopt dat de resterende vragen rond de politieke vertegenwoordiging van minderheden, waaronder de Dalits, en wetgeving inzake burgerschap in de nabije toekomst zullen worden aangepakt;

50.  betreurt dat voor de mensenrechtenschendingen die tijdens de burgeroorlog door beide partijen werden begaan amper personen ter verantwoording zijn geroepen, ondanks de in mei 2014 aangenomen wet inzake waarheid, verzoening en verdwijningen; dringt bij de regering van Nepal aan op toetreding tot het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning; veroordeelt de beperkingen die aan de fundamentele vrijheden van Tibetaanse vluchtelingen worden gesteld; dringt er bij India op aan zijn de onofficiële blokkade van de Nepalese economie op te heffen die in combinatie met de verwoestende aardbeving van april 2015 tot een humanitaire crisis heeft geleid en nog eens bijna een miljoen Nepalezen in een armoedeval heeft gedreven;

Oman

51.  prijst Oman om het feit dat er van overheidswege een nationale mensenrechtencommissie (NHRC) in het leven is geroepen en een uitnodiging is uitgegaan die het historische bezoek van de speciaal VN-rapporteur voor het recht op vreedzame vergadering in september 2014 mogelijk maakte; spreekt de hoop uit dat deze constructieve stappen tot een intensiever contact tussen Oman en VN-vertegenwoordigers voor mensenrechtenkwesties alsmede onafhankelijke mensenrechtenorganisaties zullen leiden;

52.  moedigt Oman aan de nodige maatregelen te treffen om verandering te brengen in wat door de bijzonder VN-rapporteur werd omschreven als een alomtegenwoordig klimaat van angst en intimidatie in dit land, waar mensen volgens hem 'niet voor hun mening durven uit te komen, de telefoon niet durven te gebruiken, elkaar niet durven te ontmoeten'; blijft bezorgd over het verbod op alle politieke partijen en de nieuwe wet op het staatsburgerschap van augustus 2014, die bepaalt dat de overheid burgers die lid worden van als schadelijk voor de nationale belangen beschouwde groeperingen het staatsburgerschap kan afnemen, en verzoekt de regering een en ander te heroverwegen; roept de EU-instellingen en de lidstaten op technische en juridische bijstand te bieden om Oman te helpen een veilige en vruchtbare omgeving te creëren voor organisaties van het maatschappelijk middenveld;

Rwanda

53.  spreekt zijn verontrusting uit over de mensenrechtensituatie in Rwanda, zoals de beperking van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging, de krimpende democratische ruimte voor politieke oppositiepartijen en onafhankelijke activiteiten van het maatschappelijk middenveld, en het ontbreken van een gunstig klimaat voor een onafhankelijke rechterlijke macht; verzoekt de Rwandese regering democratische ruimte te creëren waarin alle geledingen van de maatschappij vrij kunnen handelen;

54.  is bezorgd over de voorgestelde grondwetswijziging die de zittende president de mogelijkheid moet geven zich kandidaat te stellen voor een derde ambtstermijn; richt zich tot de regering van Rwanda om het Afrikaans handvest inzake democratie, verkiezingen en bestuur na te leven, waarvan artikel 5 verlangt dat de partijen bij het handvest alle nodige maatregelen treffen om constitutionele orde te waarborgen, met name in geval van constitutionele machtsoverdracht, en waarvan in artikel 23 wordt verklaard dat elke grondwetswijziging een inbreuk vormt op het beginsel van democratische regeringswisseling;

Venezuela

55.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de barre mensenrechtensituatie in dit land als gevolg van het in de afgelopen jaren verslechterde economische, politieke en sociale klimaat; wijst er nogmaals op dat de vrijheid van meningsuiting, een onafhankelijke rechterlijke macht en rechtsstatelijkheid essentiële onderdelen uitmaken van elke democratische samenleving; doet in dit verband een beroep op de Venezolaanse autoriteiten elke vorm van beperking op de persvrijheid en het recht op informatie op te heffen, bij alle gerechtelijke procedures het internationale recht na te leven, en alle politieke gevangenen onmiddellijk vrij te laten; is verheugd over de uitslag van de verkiezingen van 6 december 2015 en de installatie van de nieuwe Nationale Vergadering; veroordeelt alle pogingen om de omzetting van de verkiezingsuitslag te hinderen, zoals bijvoorbeeld door schorsing van sommige democratisch gekozen parlementsleden; roept de gekozen leden op tot een constructieve dialoog met het oog op een aanpak van de economische, politieke, sociale en veiligheidsmatige uitdagingen waar Venezuela voor staat;

Belarus

56.  verwelkomt de vrijlating van de laatste politieke gevangenen in augustus 2015 en verzoekt de Belarussische regering de vrijgelaten politieke gevangenen te rehabiliteren en volledig in hun politieke en burgerrechten te herstellen; neemt kennis van de tekortkomingen die bij de presidentsverkiezingen van 2015 door onafhankelijke internationale waarnemers werden gesignaleerd, en verzoekt Belarus bij de komende presidentsverkiezingen internationaal erkende normen na te leven,; richt een dringend verzoek aan Belarus, het enige land in Europa dat de doodstraf nog steeds toepast, zich aan te sluiten bij het wereldwijde moratorium op uitvoering van doodvonnissen, bij wijze van eerste stap naar definitieve afschaffing van de doodstraf;

o

o  o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de VN-Veiligheidsraad, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitter van de 69e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad, de hoge VN-commissaris voor de mensenrechten en de secretaris-generaal van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0470.

Juridische mededeling