Procedure : 2015/3034(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0051/2016

Ingediende teksten :

B8-0051/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 21/01/2016 - 8.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0019

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 273kWORD 69k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0043/2016
14.1.2016
PE575.953v01-00
 
B8-0051/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de toepassing van artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (2015/3034(RSP))


Ioan Mircea Paşcu, Knut Fleckenstein, Richard Howitt, Victor Boştinaru, Gilles Pargneaux, Vincent Peillon, Ana Gomes, Afzal Khan, Tonino Picula, Neena Gill, Liisa Jaakonsaari, Sorin Moisă, Victor Negrescu, Boris Zala namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de toepassing van artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (2015/3034(RSP))  
B8-0051/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name artikel 42, lid 7,

–  gezien artikel 2, lid 4, en artikel 222 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over de EU-clausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit: politieke en operationele dimensies(1),

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties, en met name de bepalingen van hoofdstuk VII en artikel 51,

–  gezien de verklaring die de Franse president op 16 november 2015 voor het Franse Congres heeft afgelegd dat Frankrijk in oorlog is,

–  gezien de conclusies over defensie en veiligheid van de Europese Raad van 19 en 20 december 2013 en 25 en 26 juni 2015,

–  gezien het resultaat van de zitting van de Raad Buitenlandse Zaken (ministers van Defensie) van 17 november 2015,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 13 november 2015 in Parijs verscheidene terroristische aanslagen zijn gepleegd, waarbij minstens 130 mensen uit meer dan 26 landen zijn omgekomen;

B.  overwegende dat de Franse regering na de terroristische aanslagen van 13 november 2015 in Parijs officieel de clausule inzake wederzijdse verdediging heeft ingeroepen, zoals verankerd in artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

C.  overwegende dat, nu Frankrijk de clausule inzake wederzijdse verdediging heeft ingeroepen, op de lidstaten de plicht rust Frankrijk met alle middelen waarover zij beschikken hulp en bijstand te verlenen overeenkomstig artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties;

D.  overwegende dat gebruik van geweld door de EU of haar lidstaten alleen is toegestaan als dit op grond van het VN-Handvest gerechtvaardigd is; overwegende dat in artikel 51 van het VN-Handvest het inherente recht op individuele of collectieve zelfverdediging wordt erkend; overwegende dat het voorkomen van conflicten en aanvallen de voorkeur verdient boven het verhelpen van de gevolgen ervan;

E.  overwegende dat solidariteit, hulp en wederzijdse bijstand tussen de lidstaten, waarbij ook gebruik kan worden gemaakt van EU-middelen, tot de fundamentele waarden van de Europese Unie behoren; overwegende dat de veiligheid van de lidstaten ondeelbaar is en dat alle Europese burgers dezelfde veiligheidsgaranties en eenzelfde niveau van bescherming moeten hebben tegen zowel conventionele als niet-conventionele dreigingen, met inbegrip van terrorisme, en aanvallen van overheids- en niet-overheidsactoren;

F.  overwegende dat de bestrijding van het internationale terrorisme voor de EU als prioriteit geldt en dat de invulling van het solidariteitsbeginsel om optreden in eigen land alsmede in het buitenland vraagt, in overeenstemming met het internationaal recht; overwegende dat de interne en de externe dimensie van de veiligheid in de EU noodzakelijkerwijze en nauw met elkaar verweven zijn;

G.  overwegende dat er nog geen volledige uitvoering is gegeven aan de veiligheids- en defensiearchitectuur als omschreven in de Verdragen; overwegende dat het Verdrag van Lissabon voorziet in nauwere samenwerking op het gebied van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), onder meer door middel van de toewijzing van specifieke taken en missies aan clusters van staten, alsook het concept van permanente gestructureerde samenwerking in militaire aangelegenheden; overwegende dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het boeken van vooruitgang op het gebied van de veiligheid en defensie van de Unie;

H.  overwegende dat artikel 42, lid 6, VEU over permanente gestructureerde samenwerking dient te worden geactiveerd voor de lidstaten die nauw met elkaar willen samenwerken;

I.  overwegende dat de EU intensiever moet samenwerken met de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) om een steeds grotere compatibiliteit te bereiken in het binnen beide organisaties opgestelde veiligheids- en defensiebeleid, met name wanneer een lidstaat op zijn grondgebied gewapenderhand wordt aangevallen, waaronder ook terreuraanslagen vallen;

J.  overwegende dat de EU-instellingen actiever moeten worden in het veiligheids- en defensiebeleid en de uitvoering van alle in de Verdragen verankerde bepalingen inzake het veiligheids- en defensiebeleid moeten bevorderen, met inbegrip van de bepalingen over de bijzondere rol van de NAVO met betrekking tot de Europese en trans-Atlantische veiligheid en defensie; overwegende dat het strategische partnerschap tussen de EU en de NAVO moet worden versterkt; overwegende dat de EU-instellingen alle lidstaten moeten ondersteunen bij hun inspanningen om die bepalingen volledig uit te voeren;

1.  verwelkomt met grote tevredenheid de unanieme en volledige steun die alle lidstaten Frankrijk aangeboden hebben; is met name verheugd dat alle lidstaten bereid zijn alle nodige steun en bijstand te verlenen;

2  wijst erop dat alle gebruik van geweld in overeenstemming moet zijn met het VN-Handvest, de internationale mensenrechtenwetgeving en het internationaal humanitair recht;

3.  stipt aan dat de clausule inzake wederzijdse verdediging voor het eerst is ingeroepen; is van mening dat dit geval een precedent zal vormen voor de toekomstige aanwending van de clausule inzake wederzijdse verdediging en moet worden aangegrepen om de Europese veiligheid en defensie te verbeteren;

4.  constateert met grote voldoening dat er, nadat Frankrijk de clausule inzake wederzijdse verdediging had ingeroepen, extra middelen beschikbaar zijn gesteld in de strijd tegen terrorisme; moedigt alle lidstaten aan om hun bijdragen zolang als nodig is te blijven leveren; is verheugd over de rol van Frankrijk als drijvende kracht bij deze gezamenlijke inspanningen; moedigt de bevoegde EU-instellingen aan hun steun waar nodig te verlenen en vol te houden;

5.  is van mening dat het inroepen van de Verdragsclausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit allereerst een politieke zaak is; onderstreept dat, wanneer deze clausules worden ingeroepen, zowel de Europese Raad als het Europees Parlement de fora voor het politieke debat zijn;

6.  wijst erop dat de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid in eerdere resoluties is verzocht om praktische regelingen en richtsnoeren voor te stellen ter waarborging van een adequate respons ingeval een lidstaat de clausule inzake wederzijdse verdediging inroept, alsook om na te gaan welke rol de EU-instellingen in zo'n geval toekomt; betreurt het evenwel dat er geen analyse en geen richtsnoeren beschikbaar waren toen de clausule inzake wederzijdse verdediging voor het eerst werd geactiveerd, wat heeft geleid tot de huidige situatie, waarin ad-hocmaatregelen, ad-hocbeheer en ad-hocsamenwerking geboden waren;

7.  is van mening dat de vaststelling van praktische regelingen en richtsnoeren voor de toekomstige activering van de clausule inzake wederzijdse verdediging een dringende prioriteit blijft; benadrukt dat bij het opstellen van deze richtsnoeren rekening moet worden gehouden met de ervaring die is opgedaan bij de eerste activering van artikel 42, lid 7; herhaalt zijn standpunt dat de verplichting tot het verlenen van hulp en bijstand, die een uiting van de politieke solidariteit tussen de lidstaten is, een snel besluit van de Raad voor de ondersteuning van de aangevallen lidstaat vereist; is van mening dat raadplegingen overeenkomstig het voorschrift van artikel 32 VEU hiertoe zouden kunnen dienen, onverminderd het recht van elke lidstaat om intussen zelf zijn verdediging ter hand te nemen;

8.  spreekt er zijn bezorgdheid over uit dat het – zoals in dit geval – niet voor alle lidstaten mogelijk zal zijn bilateraal hulp en bijstand uit hoofde van de clausule inzake wederzijdse verdediging te verlenen, en verzoekt daarom de Europese Raad vaart te zetten achter de verdere ontwikkeling van deze clausule en de relevante EU-instellingen een sterkere, faciliterende rol toe te kennen;

9.  vraagt om de ontwikkelingen in verband met de activering van artikel 42, lid 7, VEU in de gaten te houden, bijvoorbeeld via een mechanisme zoals de gezamenlijke informatiebijeenkomsten;

10.  merkt op dat de solidariteitsclausule in artikel 222 VWEU het mogelijk zou maken alle relevante EU-middelen ter beschikking te stellen aan Frankrijk en andere lidstaten die rechtstreeks deelnemen aan de strijd tegen het terrorisme;

11.  pleit voor een betere coördinatie tussen grensbewakings-, politie- en andere wetshandhavings- en inlichtingendiensten, en dringt aan op een efficiëntere en meer gestructureerde onderlinge uitwisseling van informatie; onderstreept dat er behoefte is aan een mechanisme voor coördinatie en wederzijdse bijstand tussen de lidstaten bij speciale grootschalige politieacties;

12.  dringt aan op een gemeenschappelijk buitenlands beleid van de EU inzake de toekomst van Syrië en het Midden-Oosten in ruimere zin, in samenspraak met alle relevante actoren; vindt dat dit beleid integraal deel moet uitmaken van de toekomstige algehele EU-strategie; merkt op dat de coördinatie tussen de lidstaten die ter plaatse bijdragen aan terrorismebestrijding tot dusver beter had gekund; stelt vast dat de militaire ondersteuning van de coalitie die de opmars van Islamitische Staat in Irak, Syrië en Libië tracht tegen te gaan, wegens een gebrekkige organisatie en coördinatie niet het potentieel van een geïntegreerde Europese aanpak heeft bereikt;

13.  is van mening dat de huidige activering van artikel 42, lid 7, VEU de aanzet moet geven tot de ontsluiting van het potentieel van alle Verdragsbepalingen inzake veiligheid en defensie, die geen dode letter mogen blijven; wijst in dit verband op het belang van een volledige en juiste toepassing van het defensiepakket, waaronder Richtlijn 2009/81/EG betreffende het plaatsen van defensieopdrachten en Richtlijn 2009/43/EG betreffende de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap;

14.  dringt aan op de volledige tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 258/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot uitvoering van artikel 10 van het Protocol van de Verenigde Naties tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, die tot doel heeft de handel in vuurwapens voor civiel gebruik doeltreffend te controleren; is ingenomen met de herziening van de EU-wetgeving over vuurwapens (met inbegrip van de wetgeving over het onbruikbaar maken van wapens, administratieve sancties en alarmwapens) en met het voornemen om met betrekking tot wapensmokkel de politiesamenwerking met buurlanden te versterken; verzoekt de Commissie dientengevolge Europol op dit vlak meer slagkracht te geven;

15.  meent dat de activering van de clausule inzake wederzijdse verdediging, met name in het licht van de heersende terreurdreiging in de lidstaten en de vele conflicten in de buurlanden, ook aangeeft dat de EU een stem in de VN-Veiligheidsraad moet hebben; is van mening dat de EU in de VN-Veiligheidsraad haar uiterste best moet doen om een hernieuwd inzicht in het internationaal humanitair recht te bevorderen teneinde rekening te houden met de huidige onconventionele dreigingen van wapengeweld en bedreigingen van niet-overheidsactoren, zoals terreurgroepen, en ervoor te zorgen dat deze in het toepasselijke internationale recht op passende wijze worden afgebakend; is van mening dat de EU moet ijveren voor de als "verantwoordelijkheid tot bescherming" bekend staande internationale veiligheids- en mensenrechtennorm voor het voorkomen en aanpakken van humanitaire noodsituaties, in overeenstemming met het internationale recht;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Europese Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de president en de minister van Defensie van de Verenigde Staten.

(1)

PB L 419 van 16.12.2015, blz. 138.

Juridische mededeling