Procedure : 2015/3035(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0066/2016

Ingediende teksten :

B8-0066/2016

Debatten :

Stemmingen :

Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0020

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 325kWORD 109k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0050/2016
14.1.2016
PE575.968v01-00
 
B8-0066/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de prioriteiten van de EU voor de zittingen van de VN-Mensenrechtenraad in 2016 (2015/3035(RSP))


Elena Valenciano, Pier Antonio Panzeri, Soraya Post, Liisa Jaakonsaari, Tibor Szanyi, Doru-Claudian Frunzulică namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de prioriteiten van de EU voor de zittingen van de VN-Mensenrechtenraad in 2016 (2015/3035(RSP))  
B8-0066/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de mensenrechtenverdragen van de VN alsmede de facultatieve protocollen daarbij, waaronder het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie jegens vrouwen (CEDAW),

–  gezien resolutie 60/251 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waarbij de VN-Mensenrechtenraad (UNHRC) is opgericht,

–  gezien het Europees Verdrag betreffende de rechten van de mens, het Europees Sociaal Handvest en het Handvest van de grondrechten van de EU,

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019),

–  gezien zijn eerdere resoluties over de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties (UNHRC),

–  gezien zijn eerdere resoluties over de schending van mensenrechten, waaronder zijn spoedresoluties over dit onderwerp,

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het beleid van de Europese Unie(1),

–  gezien de verklaringen van de Wereldconferentie tegen racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante vormen van onverdraagzaamheid die in 2001 in Durban plaatsvond,

–  gezien het meest recente verslag en de conclusies van de speciale UNHRC-rapporteur met betrekking tot hedendaagse vormen van racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante vormen van onverdraagzaamheid,

–  gezien artikel 2, artikel 3, lid 5, en de artikelen 18, 21, 27 en 47 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien het jaarverslag 2015 van de UNHRC aan de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat 2015 en 2016 belangrijke mijlpalen zijn wat de verworvenheden op het gebied van mensenrechten, vrede en veiligheid betreft: de 70e verjaardag van de oprichting van de Verenigde Naties, de 50e verjaardag van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) en van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (ICESCR), de 30e respectievelijk 20e verjaardag van de Verklaring over het recht op ontwikkeling (1986) en de Verklaring en het Actieprogramma van Peking (1995) en de 15e verjaardag van de historische resolutie van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid (2000) en de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (2000);

B.  overwegende dat het eerbiedigen van mensenrechten, ongeacht ras, afkomst, geslacht of huidskleur, een plicht is die voor alle staten geldt; overwegende dat het EP toegewijd blijft aan de ondeelbaarheid van mensenrechten – of het nu om burgerrechten, economische, sociale of culturele rechten gaat – aangezien ze onderling verbonden en onderling afhankelijk zijn; overwegende dat de ontzegging van om het even welk van deze rechten rechtstreekse en nadelige gevolgen heeft voor de andere rechten; overwegende dat alle staten verplicht zijn de grondrechten van hun respectieve volkeren te eerbiedigen, de plicht hebben concrete maatregelen te treffen om de eerbiediging van deze rechten op nationaal niveau te faciliteren en op internationaal niveau moeten samenwerken om belemmeringen voor de verwezenlijking van de mensenrechten op alle gebieden weg te nemen;

C.  overwegende dat de eerbiediging, bevordering en waarborging van het universele karakter van de mensenrechten deel uitmaakt van het ethische en juridische acquis van de Europese Unie, en een van de hoekstenen vormt van de Europese eenheid en integriteit;

D.  overwegende dat het optreden van de Unie in haar betrekkingen met derde landen vertrekt vanuit artikel 21 van het Verdrag van Lissabon, waarin het universele en ondeelbare karakter van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden nogmaals wordt bekrachtigd en waarin de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de beginselen van het VN-Handvest en het internationaal recht zijn opgenomen;

E.  overwegende dat de eerbiediging van mensenrechten geïntegreerd moet worden in alle beleidsdomeinen die raakvlakken hebben met vrede en veiligheid, ontwikkelingssamenwerking, migratie, handel en investeringen, humanitair optreden, klimaatverandering en terrorismebestrijding, aangezien deze niet los van de eerbiediging van mensenrechten benaderd kunnen worden;

F.  overwegende dat de reguliere zittingen van de VN-Mensenrechtenraad (UNHRC), de benoeming van speciale rapporteurs, het universeel periodiek doorlichtingsmechanisme (UPR) en de zogeheten speciale procedures voor situaties in specifieke landen of voor thematische kwesties allemaal bijdragen tot de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

G.  overwegende dat sommige leden van de Mensenrechtenraad jammer genoeg te boek staan als behorend tot degenen die de mensenrechten het meest met voeten treden en een slechte reputatie hebben als het gaat om samenwerking in het kader van de speciale procedures van de VN en om naleving van hun rapportageverplichtingen aan de organen van het VN-Mensenrechtenverdrag;

VN-Mensenrechtenraad

1.  is verheugd over de benoeming van ambassadeur Choi Kyong-lim tot voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad voor 2016;

2.  is ingenomen met het jaarverslag van de UNHRC aan de Algemene Vergadering van de VN, waarin de 28e, 29e en 30e zitting van de Mensenrechtenraad worden behandeld;

3.  herhaalt zijn standpunt dat de leden van de UNHRC verkozen moeten worden uit de groep landen die de mensenrechten, de rechtsstaat en de democratie eerbiedigen, en roept de VN-lidstaten op ervoor te ijveren dat bij de verkiezing van leden van de UNHRC prestatiecriteria op het gebied van mensenrechten worden gehanteerd; spreekt zijn bezorgdheid uit over schendingen van de mensenrechten in een aantal pasverkozen UNHRC-leden, zoals Saudi-Arabië, en onderstreept dat het belangrijk is de onafhankelijkheid van de UNHRC te verdedigen, teneinde ervoor te zorgen dat die zijn mandaat op een doeltreffende en onpartijdige manier kan blijven uitvoeren; is zeer teleurgesteld over het gebrek aan samenwerking waarvan een aantal lidstaten blijk geeft;

4.  spreekt nogmaals zijn steun uit voor de speciale procedures en de onafhankelijke status van mandaathouders als de speciale rapporteurs, bedoeld om hen in staat te stellen hun taak volledig neutraal uit te voeren, en roept alle staten op hun medewerking aan deze procedures te verlenen;

5.  benadrukt nogmaals het belang van het universele karakter van de universele periodieke doorlichting (UPR) om tot een volledig inzicht te komen in de mensenrechtensituatie in alle VN-lidstaten, en spreekt andermaal zijn steun uit voor de tweede doorlichtingscyclus die gericht is op de tenuitvoerlegging van de gedurende de eerste cyclus aanvaarde aanbevelingen; dringt er echter opnieuw op aan dat de aanbevelingen die door sommige landen niet werden aanvaard gedurende de eerste cyclus bij de voortzetting van het UPR-proces worden heroverwogen;

6.  onderstreept dat gewaarborgd moet worden dat een breed scala aan belanghebbenden, met name het maatschappelijk middenveld, ten volle aan het proces van de universele periodieke doorlichting (UPR) deelneemt, en toont zich bezorgd over de vergaande beperkingen en restricties die de deelname van het maatschappelijk middenveld aan het UPR-proces hebben bemoeilijkt;

7.  dringt er bij de EU op aan om in alle beleidsdialogen van de EU met de landen in kwestie terug te komen op de aanbevelingen die in het kader van de universele periodieke doorlichting worden geformuleerd, teneinde te onderzoeken op welke manier deze aanbevelingen door middel van landen- en regionale strategieën ten uitvoer kunnen worden gelegd;

8.  is verheugd over het project "Initiative for Change" van de hoge commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties, dat erop gericht is de mondiale aanwezigheid van VN-mensenrechtenkantoren te verbeteren en te vergroten middels de oprichting van acht regionale centra voor toezicht op en bevordering van de eerbiediging van mensenrechten via rechtstreekse samenwerking met partners, teneinde de aanbevelingen van de mensenrechtenmechanismen te vertalen naar tastbare veranderingen in het veld;

Burgerrechten en politieke rechten

9.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de grondwetsherzieningen die in enkele landen worden doorgevoerd en die gericht zijn op een wijziging van de vastgestelde presidentiële ambtstermijnen, wat in een aantal gevallen tot verkiezingsgerelateerd geweld heeft geleid; bevestigt nogmaals dat de eerbiediging van burgerrechten en politieke rechten, met inbegrip van de individuele en collectieve vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vergadering en vereniging, de belangrijkste indicator is van een democratische, verdraagzame en pluralistische maatschappij;

10.  herhaalt dat de vrije verkiezing van politieke leiders middels periodieke en eerlijke verkiezingen op basis van algemeen en gelijk kiesrecht een grondrecht is dat alle burgers moeten kunnen genieten, in overeenstemming met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (artikel 21, lid 3) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (artikel 25); bevestigt nogmaals dat de vrijheid van meningsuiting en een levendig en gunstig klimaat voor een onafhankelijk en pluralistisch maatschappelijk middenveld noodzakelijke voorwaarden zijn voor het bevorderen van de mensenrechten;

11.  veroordeelt de aanhoudende pesterijen en opsluiting van mensenrechtenverdedigers en oppositieleden door de regeringsmacht in een aantal derde landen; spreekt zijn bezorgdheid uit over oneerlijke en beperkende wetgeving, met inbegrip van beperkingen op buitenlandse financiering, waardoor het maatschappelijk middenveld steeds minder ruimte krijgt om zijn activiteiten te ontplooien; verzoekt alle regeringen om de vrijheid van media, organisaties uit het maatschappelijk middenveld en de acties van mensenrechtenverdedigers te bevorderen en te ondersteunen en het hen mogelijk te maken te functioneren zonder angst, onderdrukking of intimidatie;

12.  is van mening dat de moderne digitale technologieën kansen inhouden en uitdagingen vormen voor de bescherming van het recht op de persoonlijke levenssfeer en voor de online uitoefening van de vrijheid van meningsuiting in de hele wereld; is in deze context verheugd over de aanstelling van een speciale VN-rapporteur voor het recht op privacy in het digitale tijdperk, die het mandaat krijgt zich over problemen met betrekking tot bewaking en het recht op de persoonlijke levenssfeer te buigen, online of offline;

13.  herinnert aan het EU-standpunt van nultolerantie voor de doodstraf en herhaalt dat het zich sinds lang verzet tegen foltering en tegen wrede, onmenselijke en onterende behandeling en bestraffing, in alle gevallen en onder alle omstandigheden; onderstreept hoe belangrijk het is dat de EU blijft ijveren voor een moratorium op de doodstraf als eerste stap naar de afschaffing ervan en benadrukt eens te meer dat de afschaffing van de doodstraf bijdraagt tot de versterking van de menselijke waardigheid;

14.  prijst de substantiële vooruitgang die tot nu toe is geboekt, met vele landen die de doodstraf hebben opgeschort en andere die wetgevingsmaatregelen hebben getroffen met het oog op de afschaffing van de doodstraf; betreurt niettemin dat er in de loop van de voorbije jaren weer terechtstellingen zijn ingevoerd in een aantal landen; verzoekt de landen die de doodstraf hebben afgeschaft of sinds lang een moratorium hebben ingesteld op de doodstraf, om deze niet opnieuw in te voeren;

15.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de aanbevelingen van de speciale VN-rapporteur op te nemen in hun intern beleid ter bestrijding van de verspreiding van rassenhaat, etnische haat en vreemdelingenhaat en het aanzetten tot geweld op internet en via de sociale media, door passende wetgevingsmaatregelen te nemen en daarbij de andere grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, ten volle te eerbiedigen;

Sociale en economische rechten

16.  betreurt het dat het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (ICESCR), meer dan twintig jaar na de aanneming van de Verklaring van Wenen inzake het universele karakter, de ondeelbaarheid, de onderlinge verbondenheid en afhankelijkheid van alle mensenrechten, geen behandeling op voet van gelijkheid en met dezelfde nadruk krijgt als het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR); erkent de inspanningen van de UNHRC om alle mensenrechten op voet van gelijkheid te behandelen en dezelfde nadruk toe te kennen, via de aanstelling van mandaathouders voor speciale procedures met betrekking tot economische, sociale en culturele rechten;

17.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de toename van extreme armoede, wat de volledige uitoefening van alle mensenrechten op de helling zet; is in dit verband ingenomen met het verslag van de speciale VN-rapporteur over extreme armoede en mensenrechten (A/HRC/29/31) en spreekt zijn steun uit voor diens voorstellen tot uitbanning van extreme armoede, waaronder: aan economische, sociale en culturele rechten dezelfde bekendheid en prioriteit toekennen als aan burgerrechten en politieke rechten; het recht op sociale bescherming erkennen; een begrotingsbeleid ten uitvoer leggen dat specifiek gericht is op het verminderen van ongelijkheid; het recht op gelijkheid nieuw leven inblazen en een concrete invulling geven; en in mensenrechtendebatten kwesties in verband met de herverdeling van middelen centraal stellen; benadrukt dat de meerderheid van de armen in de wereld weliswaar vrouwen en huishoudens met een vrouw aan het hoofd zijn, maar dat het van belang is om zowel vrouwen als mannen te verzekeren van een gelijke toegang tot middelen en werkgelegenheid;

18.  is van mening dat corruptie, belastingontduiking, wanbeheer van openbare goederen en gebrek aan verantwoordingsplicht bijdragen tot de schending van de mensenrechten van burgers, aangezien hierdoor middelen worden onttrokken aan overheidsbegrotingen die besteed zouden moeten worden aan de bevordering van mensenrechten in broodnodige openbare diensten zoals onderwijs, basisgezondheidszorg en andere sociale infrastructuur; is van mening dat maatregelen voor de eerbiediging van mensenrechten, met name het recht op informatie, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering, een onafhankelijk gerechtelijk apparaat en democratische deelname aan het openbaar leven, een hulpmiddel zijn in de strijd tegen corruptie;

19.  benadrukt dat minderheidsgroepen in derde landen specifieke behoeften hebben en dat geijverd moet worden voor hun volledige gelijkwaardigheid op alle gebieden van het economische, sociale, politieke en culturele leven;

Bedrijfsleven en mensenrechten

20.  is een groot voorstander van de daadwerkelijke en brede tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten binnen en buiten de EU, en pleit er ten zeerste voor dat de EU-lidstaten nationale actieplannen uitwerken en ten uitvoer leggen; bevestigt bovendien dat het van belang is dat de EU maatschappelijk verantwoord ondernemen bevordert, en dat Europese bedrijven het voortouw nemen in de bevordering van internationale normen inzake bedrijfsleven en mensenrechten; dringt er bij de VN en de EU op aan om zich samen met multinationale en Europese ondernemingen over de kwestie van landrechtenverdedigers te buigen, die het slachtoffer zijn van vergeldingsmaatregelen, onder meer via dreigementen, pesterijen, willekeurige arrestaties, geweld en moord, omdat ze kritiek uiten op grootschalige grondaankoop ten koste van de land- en voedselrechten van de plattelandsbevolking in derde landen; dringt erop aan dat landrechtenverdedigers stelselmatig worden opgenomen in de mensenrechtenprojecten van de VN-mechanismen en het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie;

21.  is verheugd over het initiatief van de hoge commissaris voor de mensenrechten van de VN om het project voor verantwoordingsplicht en rechtsmiddelen te versterken, teneinde bij te dragen aan een eerlijk en doeltreffender stelsel van nationale rechtsmiddelen, met name in het geval van grove mensenrechtenschendingen in het bedrijfsleven; verzoekt alle regeringen om hun verplichtingen inzake de eerbiediging van de mensenrechten te vervullen, alsook inzake de toegang tot de rechter voor slachtoffers die praktische en juridische problemen ondervinden om toegang te krijgen tot rechtsmiddelen op nationaal en internationaal niveau, wat bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen betreft;

22.  wijst erop dat in juli 2015 een eerste bijeenkomst is gehouden van een bij de UNHRC-resolutie van 26 juni 2014 ingestelde open, intergouvernementele werkgroep voor het uitwerken van een internationaal bindend instrument voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens; dringt er bovendien bij de EU op aan de inspanningen om haar beleid af te stemmen op de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen te ondersteunen en pleit ervoor dat de EU en haar lidstaten actief deelnemen aan het debat over een internationaal juridisch bindend instrument in het kader van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten;

Migratie

23.  maakt zich zorgen over de zwaarste humanitaire crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, die ontstaan is doordat een steeds groter aantal mensen zich gedwongen ziet hun huis te verlaten ten gevolge van vervolging, gewapende conflicten, om zich heen grijpend geweld en klimaatverandering, en doordat mensen op zoek zijn naar bescherming en een beter leven, waarbij ze gevaarlijke tochten ondernemen met gevaar voor hun leven;

24.  wijst er met aandrang op dat de uitdagingen als gevolg van de humanitaire crisis in verband met vluchtelingen op een alomvattende manier moeten worden aangepakt, in een geest van solidariteit binnen de EU en in nauwe samenwerking met de VN en hun agentschappen; verzoekt alle landen om met betrekking tot migratie een op mensenrechten gebaseerde benadering te hanteren, waarbij migrantenrechten centraal worden gesteld in het migratiebeleid en -beheer, met een bijzondere aandacht voor de situatie van gemarginaliseerde en benadeelde groepen onder de migranten, zoals vrouwen en kinderen; verzoekt alle landen om gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes aan te pakken, en benadrukt hoe belangrijk het is een migratiebeleid te ontwikkelen vanuit een genderperspectief om aan de specifieke behoeften van deze groep te kunnen beantwoorden;

25.  herinnert eraan dat alle landen verplicht zijn de mensenrechten van alle personen binnen hun rechtsgebied te eerbiedigen en te beschermen, ongeacht hun nationaliteit of herkomst en ongeacht hun immigratiestatus; herinnert eraan dat een wereldwijde strategie inzake migratie nauw verbonden is met het humanitaire en ontwikkelingsbeleid, met inbegrip van de totstandbrenging van humanitaire corridors en de afgifte van humanitaire visa, alsook andere externe beleidsmaatregelen; herinnert eraan dat de terugkeer van migranten met volledige eerbiediging van hun rechten moet verlopen, op basis van vrije beslissingen met kennis van zaken en alleen wanneer de bescherming van hun rechten gewaarborgd is in hun land; verzoekt regeringen een einde te stellen aan de willekeurige arrestatie en opsluiting van migranten;

26.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de aanhoudende en wijdverspreide discriminatie van migranten, waaronder asielzoekers en vluchtelingen, en de schendingen van hun rechten; verzoekt de EU en haar lidstaten steun te verlenen aan de werkzaamheden van de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten van migranten, alsook aan de tenuitvoerlegging van zijn aanbevelingen; verzoekt regeringen het recht op asiel en mensenrechten en de inherente waardigheid van migranten te eerbiedigen, en in alle omstandigheden het beginsel van non-refoulement in acht te nemen; verzoekt landen, indien zij dit nog niet hebben gedaan, systemen en procedures in te voeren om te waarborgen dat ze hun verplichtingen ten aanzien van het internationaal recht inzake de mensenrechten volledig nakomen via al hun programma's en instanties op het gebied van migratie;

Klimaatverandering en mensenrechten

27.  is verheugd over de Overeenkomst van Parijs in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (United Nations Framework Convention on Climate Change, UNFCCC), waarin aandacht wordt besteed aan aanpassing, mitigatie, ontwikkeling en overdracht van technologie en capaciteitsopbouw; dringt erop aan dat het thema klimaatverandering in alle economische beleidsdomeinen wordt geïntegreerd; spoort alle partijen die de Overeenkomst hebben ondertekend aan om op het vlak van aanpassing en mitigatie dringende en ambitieuze maatregelen te treffen door klimaatverandering in alle beleidsdomeinen te integreren;

28.  herinnert eraan dat de nadelige gevolgen van klimaatverandering een onmiddellijke en mogelijk onomkeerbare wereldwijde bedreiging vormen voor de volledige uitoefening van mensenrechten, en dat de gevolgen voor kwetsbare groepen, die zich nu al in een onzekere situatie bevinden, aanzienlijk zijn; stelt met bezorgdheid vast dat klimaatgerelateerde incidenten zoals de stijging van de zeespiegel en extreme weersveranderingen die droogten en overstromingen veroorzaken naar verwachting nog meer levens zullen kosten en nog meer tot verplaatsing van de bevolking en tot voedsel- en watertekorten zullen leiden;

29.  verzoekt de internationale gemeenschap zich te buigen over de juridische lacunes met betrekking tot de term "klimaatvluchteling", met inbegrip van een definitie van dit begrip in het internationaal recht of in juridisch bindende internationale overeenkomsten;

Vrouwenrechten

30.  benadrukt hoe belangrijk het is dat er met betrekking tot het fundamenteel mensenrecht van toegang tot onderwijs en gezondheidszorg en de bescherming van seksuele en reproductieve rechten geen afbreuk wordt gedaan aan het "acquis" van het Actieprogramma van Peking; onderstreept dat de universele eerbiediging van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, alsook de toegang tot de desbetreffende dienstverlening de zuigelingen- en moedersterfte helpen terugdringen; wijst erop dat gezinsplanning, de gezondheid van moeders en een gemakkelijke toegang tot anticonceptie en veilige abortus belangrijke factoren zijn om vrouwenlevens te redden en om vrouwen te helpen hun leven weer in handen te nemen als ze het slachtoffer zijn geweest van verkrachting; beklemtoont dat deze beleidsmaatregelen centraal moeten staan in de ontwikkelingssamenwerking met derde landen;

31.  onderstreept het belang van maatregelen die ervoor zorgen dat meer vrouwen in leidinggevende posities terechtkomen en meer participeren in de besluitvorming op alle niveaus; verzoekt landen te waarborgen dat vrouwen gelijk vertegenwoordigd zijn in openbare instellingen en het openbare leven, met een bijzondere aandacht voor de inclusie van vrouwen uit minderheidsgroepen;

32.  is verheugd over de recente resolutie 2242 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, waarin vrouwen een centrale rol toebedeeld krijgen in alle inspanningen voor het aanpakken van wereldwijde uitdagingen, waaronder toenemend gewelddadig extremisme, klimaatverandering, migratie, duurzame ontwikkeling, vrede en veiligheid; prijst de bevindingen van het wereldwijde VN-onderzoek over de tenuitvoerlegging van resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, waarin het belang van vrouwelijk leiderschap en de deelname van vrouwen aan conflictoplossing en vredesopbouw wordt benadrukt, en waarin wordt gesteld dat de participatie van vrouwen de humanitaire hulpverlening heeft verbeterd, de inspanningen van vredeshandhavers heeft ondersteund, de afronding van vredesbesprekingen heeft bevorderd en de strijd tegen gewelddadig terrorisme heeft vooruitgeholpen; verzoekt de VN en alle lidstaten concrete acties te ondernemen om de autonomie van vrouwen te waarborgen en ervoor te zorgen dat ze op een betekenisvolle manier worden betrokken bij het voorkomen en oplossen van conflicten, alsook bij het proces van vredesonderhandelingen en vredesopbouw, door middel van een grotere vrouwelijke vertegenwoordiging op alle besluitvormingsniveaus, met inbegrip van nationale, regionale en internationale instellingen en mechanismen;

33.  geeft zijn verbijstering te kennen over het feit dat geweld tegen vrouwen sinds de opkomst van gewelddadige extremistische groeperingen als Da'esh in Syrië en Irak en Boko Haram in West-Afrika een nieuwe dimensie heeft gekregen die nooit eerder zoveel angst inboezemde, aangezien seksueel geweld een integraal onderdeel is geworden van de doelstellingen, ideologie en inkomstenbronnen van deze extremistische groeperingen, en de internationale gemeenschap hierdoor met een cruciale nieuwe uitdaging geconfronteerd wordt; verzoekt alle regeringen en de VN-instellingen zich nog meer in te zetten voor de strijd tegen deze afschuwelijke misdaden en vrouwen te herstellen in hun waardigheid zodat ze toegang krijgen tot gerechtigheid, schadeloosstelling en steun;

34.  is van mening dat het waarborgen van de autonomie van vrouwen, door iets te doen aan de onderliggende ongelijke behandeling van vrouwen en mannen waardoor vrouwen en meisjes kwetsbaar worden in tijden van conflict, één van de manieren is om extremisme te bestrijden; benadrukt dat meisjes in vluchtelingenkampen, conflictgebieden en gebieden die worden getroffen door extreme armoede en extreme milieuomstandigheden zoals droogte en overstromingen onderwijs moeten blijven krijgen;

35.  verzoekt de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger te blijven ijveren voor de politieke en economische versterking van de positie van vrouwen en meisjes door gendergelijkheid te integreren in al hun externe beleidslijnen en programma's, onder meer door gestructureerde dialogen te voeren met derde landen, door gendergerelateerde kwesties in het openbaar te bespreken en door hiertoe voldoende middelen uit te trekken;

Rechten van het kind

36.  herinnert eraan dat in het Verdrag inzake de rechten van het kind, dat in 1989 is aangenomen en het mensenrechtenverdrag is dat door het grootste aantal landen is geratificeerd, een aantal kinderrechten worden beschreven, zoals het recht op gezondheid, onderwijs en spel, het recht op familie-en gezinsleven, op bescherming tegen geweld en discriminatie en het recht om gehoord te worden; verzoekt alle partijen bij dit verdrag hun verplichtingen na te komen;

37.  is verheugd over het geplande wereldwijde onderzoek dat door de VN zal worden opgestart om via een analyse op basis van toezicht en beoordeling in kaart te brengen hoe bestaande internationale wetgeving en normen in de praktijk ten uitvoer worden gelegd en om na te gaan hoe landen hun beleid en reacties concreet kunnen verbeteren; dringt er bij alle landen op aan actief steun te verlenen en deel te nemen aan het onderzoek;

38.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een voorstel in te dienen met een uitgebreide strategie en een actieplan voor de rechten van het kind voor de komende vijf jaar, teneinde in het externe beleid van de EU voorrang te geven aan kinderrechten, als ondersteuning bij de inspanningen van de EU om hun rechten te bevorderen, met name door er mee voor te zorgen dat kinderen toegang hebben tot water, sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg en onderwijs, door voor de rehabilitatie en re-integratie te zorgen van kinderen die ingelijfd zijn bij gewapende groeperingen, door kinderarbeid, foltering, het probleem van kinderen die van hekserij worden beschuldigd, kinderhandel, kindhuwelijken en seksuele uitbuiting uit te bannen, alsook door kinderen bijstand te bieden in gewapende conflicten en te waarborgen dat ze in conflictgebieden en vluchtelingenkampen toegang krijgen tot onderwijs;

Rechten van LGBTI's

39.  toont zich bezorgd over het feit dat er in diverse landen nog steeds sprake is van discriminerende wetten en praktijken en van geweld tegen personen op grond van hun seksuele gerichtheid en genderidentiteit; pleit ervoor dat de situatie van LGBTI's op de voet wordt gevolgd in landen waar onlangs ingevoerde anti-LGBTI-wetten een bedreiging vormen voor het leven van seksuele minderheden; toont zich uitermate verontrust over de zogeheten "antipropagandawetten" waarmee de vrijheid van meningsuiting en vergadering wordt ingeperkt, ook in landen op het Europese continent;

40.  spreekt zijn steun uit voor de niet-aflatende werkzaamheden van de hoge commissaris voor de mensenrechten van de VN ter bestrijding van deze discriminerende wetten, met name door middel van verklaringen, verslagen en de "vrij & gelijk"-campagne (Free & Equal campaign), alsook voor het werk van andere VN-organisaties; maakt zich zorgen over de inperking van de fundamentele vrijheden van activisten die zich voor mensenrechten van LGBTI's inzetten, en roept de EU op hen meer steun te betuigen; merkt op dat LGBTI's meer kans maken om geëerbiedigd te worden in hun grondrechten indien zij toegang hebben tot wettelijke instituties, mogelijk via geregistreerd partnerschap of huwelijk;

Mensenrechtenverdedigers

41.  verzoekt alle regeringen om organisaties uit het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers te helpen en te ondersteunen en het hen mogelijk te maken te functioneren zonder angst, onderdrukking of intimidatie, om met de UNHRC en het mechanisme voor universele periodieke doorlichting samen te werken en ervoor te zorgen dat landen die vergeldingsmaatregelen tegen mensenrechtenactivisten nemen ter verantwoording worden geroepen;

is van mening dat de aanhoudende pesterijen en opsluiting van mensenrechtenverdedigers en oppositieleden door een aantal leden van de UNHRC de geloofwaardigheid van de Mensenrechtenraad aantast; spoort de EU en haar lidstaten aan zich op het niveau van de VN hard te maken voor een initiatief gericht op het uitwerken van een samenhangend en uitgebreid antwoord op de grote uitdagingen waarmee mensenrechtenverdedigers die zich voor vrouwenrechten, het milieu, landrechten en de rechten van inheemse volkeren, corruptie en straffeloosheid inzetten, alsook journalisten en andere mensenrechtenverdedigers die gebruikmaken van de media, met inbegrip van online media en sociale media, wereldwijd worden geconfronteerd, en moorden in deze groep stelselmatig aan de kaak te stellen;

De strijd tegen straffeloosheid en het Internationaal Strafhof (ICC)

42.  herhaalt zijn volledige steun voor de werkzaamheden van het ICC die erop gericht zijn een einde te maken aan de straffeloosheid ten aanzien van plegers van de zwaarste misdrijven die de internationale gemeenschap aanbelangen en gerechtigheid te bieden aan slachtoffers van oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide; blijft alert met betrekking tot pogingen om de legitimiteit of de onafhankelijkheid van het ICC te ondermijnen; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan om samen te werken met het ICC en het krachtige diplomatieke, politieke en financiële steun te bieden, ook in het kader van de VN; dringt er bij de EU, haar lidstaten en haar speciale vertegenwoordigers op aan actief steun te betuigen aan het ICC, de handhaving van zijn beslissingen en de strijd tegen straffeloosheid met betrekking tot misdrijven die onder het Statuut van Rome vallen, onder meer door de betrekkingen met de Veiligheidsraad te versterken en uit te breiden, en door erop toe te zien dat de EU-lidstaten spoedig overgaan tot ratificatie van de in Kampala overeengekomen wijzigingen van het Statuut van Rome, waarin het misdrijf agressie wordt gedefinieerd;

Drones en autonome wapens

43.  herhaalt zijn oproep aan de Raad van de EU om een gemeenschappelijk EU-standpunt over het gebruik van gewapende drones te formuleren en daarin prioritair belang toe te kennen aan de eerbiediging van mensenrechten en het internationaal humanitair recht en aandacht te besteden aan kwesties zoals het rechtskader, evenredigheid, verantwoordingsplicht, de bescherming van burgers en transparantie; dringt er nogmaals bij de EU op aan een verbod uit te vaardigen op de productie, ontwikkeling en het gebruik van volledig autonome wapens, waarmee aanvallen zonder menselijke tussenkomst kunnen worden uitgevoerd; staat erop dat mensenrechten worden opgenomen in alle dialogen inzake terrorismebestrijding met derde landen;

Betrokkenheid van de EU

44.  herhaalt voorts hoe belangrijk het is dat de EU actief en consequent deelneemt aan alle mensenrechtenmechanismen van de VN, met name de Derde Commissie, de Algemene Vergadering (AVVN) en de UNHRC; erkent de inspanningen van de EDEO, de EU-delegaties in New York en Genève en de lidstaten om door middel van tijdig en inhoudelijk overleg de samenhang van het EU-optreden inzake mensenrechtenkwesties op VN-niveau te vergroten en met één stem naar buiten te treden; spoort de EU aan de inspanningen op te voeren om haar stem te laten horen, onder meer door de toenemende praktijk van regio-overschrijdende initiatieven te versterken en door steun te verlenen aan en het initiatief te nemen voor resoluties; herhaalt zijn oproep voor een grotere zichtbaarheid van het EU-optreden in alle multilaterale fora;

45.  spoort de speciale vertegenwoordiger voor de mensenrechten aan om de doeltreffendheid, samenhang en zichtbaarheid van het EU-mensenrechtenbeleid in de context van de UNHRC te vergroten, en een nauwe samenwerking tot stand te brengen met het Bureau van de hoge commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) en de speciale procedures;

46.  beklemtoont uitdrukkelijk de rol van de Groep rechten van de mens van de Raad (COHOM) om verbeteringen aan te brengen in de voorbereiding en afstemming van EU-standpunten voor de UNHRC-zittingen en om zich te buigen over de samenhang tussen het externe en interne mensenrechtenbeleid van de EU; herinnert eraan hoe belangrijk het is de geïnstitutionaliseerde praktijk om parlementaire delegaties naar de UNHRC en de AVVN te sturen in stand te houden;

Integratie van de mensenrechten in de EU

47.  verzoekt de EU de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten, waaronder burgerrechten en politieke, economische, sociale en culturele rechten, te bevorderen overeenkomstig artikel 21 van het Verdrag van Lissabon en de algemene bepalingen inzake het extern optreden van de Unie;

48.  dringt er nogmaals bij de EU op aan een op rechten gebaseerde benadering te kiezen en eerbiediging van de mensenrechten te integreren in handels- en investeringsbeleid, overheidsdiensten en ontwikkelingssamenwerking, alsmede in haar gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid; onderstreept voorts dat het EU-beleid op het gebied van de mensenrechten de garantie moet bieden dat interne en externe beleidsmaatregelen coherent zijn en aansluiten bij de verplichtingen van het EU-Verdrag;

49.  onderstreept dat gender een systematisch en integrerend onderdeel moet zijn van alle mensenrechtendialogen tussen de EU en derde landen; verzoekt de EDEO om naast de mensenrechtendialogen met derde landen ook genderdialogen in te stellen;

Landen die het voorwerp vormen van een universele periodieke doorlichting (UPR)

Burundi

50.  blijft diep bezorgd over de humanitaire gevolgen van de crisis voor de burgerbevolking in het land en in de hele regio; verzoekt de EU nauw te blijven samenwerken met de Oost-Afrikaanse Gemeenschap en de Afrikaanse Unie om een consensus te bereiken tussen de regering en de oppositie, teneinde opnieuw een inclusief en democratisch politiek stelsel tot stand te brengen;

Georgië

51.  is ingenomen met het Georgische lidmaatschap van de VN-Mensenrechtenraad en met de recente UPR over Georgië; neemt kennis van de relevante wetswijzigingen die geleid hebben tot een zekere vooruitgang en verbetering op gebieden als justitie en wetshandhaving, het openbaar ministerie, de strijd tegen slechte behandeling, de rechten van het kind, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, en interne ontheemden;

52.  stelt evenwel vast dat er meer inspanningen nodig zijn wat betreft slechte behandeling, met name waar het gaat om voorarrest en rehabilitatie van slachtoffers; blijft bezorgd over de vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid en over het feit dat waarnemers geen toegang krijgen tot de bezette gebieden Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië, waar mensenrechtenschendingen schering en inslag blijven; roept de regering van Georgië op adequate maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de in het UPR-proces gedane aanbevelingen worden opgevolgd;

Israël/Palestina

53.  betreurt ten zeerste dat Israël de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in de Palestijnse Gebieden, Makarim Wibisono, de toegang tot deze gebieden heeft geweigerd en dat hij ontslag heeft moeten nemen omdat hij zijn taken niet in volledige onafhankelijkheid kon vervullen;

Libanon

54.  prijst Libanon om zijn beleid van open grenzen en opvang dat het land al jarenlang tentoonspreidt ten aanzien van vluchtelingen uit Palestina, Irak en Syrië, en spoort de Europese Unie aan meer middelen beschikbaar te stellen en nauw samen te werken met de Libanese autoriteiten om het land te helpen de bescherming van de rechten van vluchtelingen en asielzoekers te handhaven; spreekt in dit verband zijn bezorgdheid uit over het naar verluidt grote aantal gevallen van kindhuwelijken en/of gedwongen huwelijken onder Syrische vluchtelingen; moedigt de Libanese regering aan een hervorming te overwegen van de wet inzake inreis en verblijf in en uitreis uit Libanon, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen asielzoekers en vluchtelingen enerzijds en migranten anderzijds;

55.  steunt de aanbevelingen van het VN-comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen (CEDAW) om aan te dringen op bewustmakingsacties onder vrouwelijke migranten die als huishoudelijk personeel werken over hun mensenrechten volgens het CEDAW-verdrag, waarbij Libanon partij is; benadrukt met name de noodzaak om het "Kafala-systeem" af te schaffen en voor vrouwelijke migranten die als huishoudelijk personeel werken doeltreffende toegang tot de rechter te waarborgen, onder meer door hun veiligheid en verblijf tijdens juridische en administratieve procedures betreffende hun status te garanderen;

Mauritanië

56.  onderstreept dat de Mauritaanse regering weliswaar vooruitgang heeft geboekt door wetgevende maatregelen te nemen ter bestrijding van alle vormen van slavernij en op slavernij lijkende praktijken, maar dat dergelijke praktijken blijven voortbestaan bij gebrek aan een doeltreffende tenuitvoerlegging van deze maatregelen; roept de autoriteiten op een antislavernijwet in te voeren, in het hele land systematisch en op regelmatige basis gedifferentieerde gegevens over alle vormen van slavernij te gaan verzamelen en een grondig, op bewijsmateriaal gebaseerd onderzoek in te stellen naar de geschiedenis en de aard van slavernij, teneinde deze praktijk volledig uit te roeien;

57.  dringt er bij de Mauritaanse autoriteiten op aan vrijheid van meningsuiting en van vergadering toe te staan, in overeenstemming met internationale verdragen en de eigen nationale wetgeving; dringt tevens aan op vrijlating van Biram Dah Abeid, Bilal Ramdane en Djiby Sow, zodat deze personen hun geweldloze campagne tegen het voortbestaan van slavernij kunnen voortzetten zonder pesterijen of intimidatie te hoeven vrezen;

Myanmar

58.  is verheugd dat er op 8 november 2015 competitieve verkiezingen werden gehouden, voor het land een belangrijke mijlpaal in de overgang naar democratie; blijft evenwel bezorgd over het grondwettelijk kader voor deze verkiezingen, dat voorschrijft dat 25 % van de parlementszetels bestemd is voor het leger; erkent dat er vooruitgang is geboekt wat de mensenrechten betreft, maar ziet nog steeds een aantal punten van grote zorg, zoals de rechten van minderheden en de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering;

59.  veroordeelt de discriminatie jegens de Rohingya, die nog verergerd wordt door het feit dat deze gemeenschap geen wettelijke status heeft en door de toenemende haatzaaiende uitlatingen tegen niet-boeddhisten; dringt aan op een volledig, transparant en onafhankelijk onderzoek naar alle meldingen van mensenrechtenschendingen jegens de Rohingya en is van mening dat de vier door het parlement in 2015 aangenomen wetten "ter bescherming van ras en religie" discriminerende aspecten bevatten wat geslacht betreft; betreurt dat het Bureau van de hoge commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) nog steeds geen toestemming werd verleend een kantoor in het land te openen; staat erop dat er een volledige effectbeoordeling inzake duurzaamheid en mensenrechten moet worden uitgevoerd voordat de onderhandelingen over de investeringsovereenkomst tussen de EU en Myanmar worden afgerond;

Nepal

60.  is blij met de inwerkingtreding op 20 september 2015 van de nieuwe grondwet van Nepal, die het fundament moet vormen van de toekomstige politieke stabiliteit en economische ontwikkeling van het land; hoopt dat de resterende vragen betreffende de politieke vertegenwoordiging van minderheden, waaronder de Dalits, en de wetgeving inzake burgerschap in de nabije toekomst zullen worden aangepakt;

61.  betreurt het feit dat voor de mensenrechtenschendingen die tijdens de burgeroorlog werden begaan door beide partijen amper personen ter verantwoording zijn geroepen, ondanks de in mei 2014 aangenomen wet inzake waarheid, verzoening en verdwijningen; dringt er bij de regering van Nepal op aan toe te treden tot het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning; veroordeelt de beperkingen die aan de fundamentele vrijheden van Tibetaanse vluchtelingen worden gesteld; dringt er bij India op aan de niet-officiële blokkade van de Nepalese economie op te heffen die in combinatie met de verwoestende aardbeving van april 2015 tot een humanitaire crisis heeft geleid en nog eens bijna één miljoen Nepalezen in een armoedeval heeft gedreven;

Oman

62.  prijst Oman om het feit dat er van overheidswege een nationale mensenrechtencommissie (NHRC) in het leven is geroepen en een uitnodiging is uitgegaan die het historische bezoek van de speciale VN-rapporteur voor het recht op vreedzame vergadering in september 2014 mogelijk maakte; spreekt de hoop uit dat deze constructieve stappen tot een intensiever contact tussen Oman, VN-vertegenwoordigers voor mensenrechtenkwesties en onafhankelijke mensenrechtenorganisaties zullen leiden;

Rwanda

63.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de mensenrechtensituatie in Rwanda, onder meer de beperking van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging, de krimpende democratische ruimte voor politieke oppositiepartijen en onafhankelijke activiteiten van het maatschappelijk middenveld, en het ontbreken van een gunstig klimaat voor een onafhankelijke rechterlijke macht; verzoekt de Rwandese regering democratische ruimte te creëren waarin alle geledingen van de maatschappij vrij kunnen handelen;

64.  is bezorgd over de voorgestelde grondwetswijziging om het de zittende president mogelijk te maken zich kandidaat te stellen voor een derde ambtstermijn; richt zich tot de regering van Rwanda om het Afrikaans handvest inzake democratie, verkiezingen en bestuur na te leven, waarvan in artikel 5 is vastgelegd dat alle partijen bij het handvest alle nodige maatregelen moeten treffen om constitutionele orde te waarborgen, met name constitutionele machtsoverdracht, en waarvan in artikel 23 wordt verklaard dat elke grondwetswijziging die aan de beginselen van een democratische regeringswissel raakt illegaal is;

Saudi-Arabië

65.  uit zijn ernstige bezorgdheid over het alarmerende tempo waaraan rechtbanken in 2015 de doodstraf hebben uitgesproken; is verbijsterd over de massa-executies die de voorbije weken zijn uitgevoerd;

66.  dringt er bij de EU op aan om samen met de Saudische autoriteiten nauw toe te zien op de gezondheidstoestand van Raif Badawi, de Saudische blogger en laureaat van de Sacharovprijs 2015, die naar verluidt in hongerstaking is;

Zuid-Sudan

67.  is verheugd over het vredesakkoord, op 28 augustus 2015 ondertekend door de oorlogvoerende partijen om een einde te brengen aan de burgeroorlog, waarin voorzien wordt in een overgangsregeling voor de verdeling van de macht, veiligheidsregelingen en de oprichting van een hybride rechtbank voor de berechting van alle misdaden die sinds de start van het conflict zijn gepleegd; herinnert eraan dat het conflict duizenden levens heeft geëist en aanleiding heeft gegeven tot honderdduizenden ontheemden en vluchtelingen;

68.  richt zich tot alle partijen om geen mensenrechtenschendingen te plegen en geen inbreuk te maken op het internationaal humanitair recht, met inbegrip van de schendingen die neerkomen op internationale misdaden, zoals buitengerechtelijke executies, etnisch georiënteerd geweld, conflictgerelateerd seksueel geweld, waaronder verkrachting, alsook gendergerelateerd geweld, het ronselen en gebruiken van kinderen, gedwongen verdwijningen en willekeurige arrestaties en opsluiting;

Syrië

69.  benadrukt het belang van het werk dat is uitgevoerd door de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor Syrië van de VN; stelt met grote bezorgdheid vast dat de onderzoekscommissie tot de centrale bevinding is gekomen dat de meeste burgerslachtoffers, willekeurige verplaatsingen en vernielingen nog steeds veroorzaakt worden door gerichte acties tegen de burgerbevolking, lukrake en disproportionele aanvallen, aanvallen op burgerdoelwitten en beschermd cultureel erfgoed en het opleggen van belegeringen en blokkades als strafmaatregel; benadrukt dat er bijzondere aandacht en steun moet uitgaan naar vrouwelijke slachtoffers van geweld, vrouwenorganisaties en participatie van vrouwen in humanitaire hulpverlening en conflictoplossing;

70.  verzoekt de EU en haar lidstaten met klem er mee voor te zorgen dat de onderzoekscommissie voldoende middelen krijgt om haar mandaat uit te voeren, dat bestaat uit het vaststellen van de feiten en omstandigheden van alle zware mensenrechtenschendingen en, waar mogelijk, het aanduiden van de verantwoordelijken, teneinde te garanderen dat de daders van schendingen, met inbegrip van schendingen die mogelijk als misdaden tegen de menselijkheid kunnen worden beschouwd, ter verantwoording worden geroepen;

71.  benadrukt dat alle partijen de plicht hebben burgers te beschermen, hun mensenrechten te eerbiedigen en te voorzien in hun basisbehoeften, in overeenstemming met de mensenrechten en het humanitair recht; herhaalt zijn overtuiging dat een duurzame oplossing voor de crisis in Syrië alleen kan worden bereikt middels een inclusieve politieke oplossing en roept alle partijen ertoe op te streven naar een echte politieke overgang die voldoet aan de legitieme verwachtingen van de Syrische bevolking en haar in staat stelt op onafhankelijke en democratische wijze de eigen toekomst te bepalen;

Venezuela

72.  spreekt zijn voldoening uit over de vrije en eerlijke verkiezingen die op 6 december 2015 in Venezuela zijn gehouden; betreurt dat de aanvankelijke aanvaarding van de resultaten door zowel de regeringsmacht als de oppositie is uitgedraaid op een nieuwe politieke crisis; herinnert eraan hoe belangrijk het is de grondwet te handhaven en de mensenrechten te eerbiedigen en af te zien van elke poging om de wil van de Venezolaanse bevolking zoals in de verkiezingen tot uiting is gekomen teniet te doen;

73.  wijst erop dat de nieuwe regering een breed scala van mensenrechtenkwesties zal moeten aanpakken, van straffeloosheid en verantwoording voor buitengerechtelijke executies, onder meer door veiligheidstroepen, tot willekeurige arrestaties en opsluiting, het recht van politieke gevangenen op een eerlijk proces, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de vrijheid van vergadering en vereniging en de mediavrijheid;

Jemen

74.  toont zich zwaar verontrust door het dramatische en gewelddadige conflict en de nooit geziene humanitaire crisis in het land, waar de Jemenitische burgerbevolking het eerste slachtoffer vormt van de huidige militaire escalatie en van extremistische en terroristische groeperingen die misbruik maken van de situatie;

75.  betreurt de reeks aanvallen op medisch personeel en medische voorzieningen en doet een dringende oproep aan de partijen in het conflict om de grondbeginselen van het internationaal humanitair recht te eerbiedigen;

76.  is ervan overtuigd dat alleen een brede politieke consensus in het kader van door de VN gefaciliteerde onderhandelingen een duurzame oplossing kan bieden, de vrede kan herstellen en de eenheid en territoriale integriteit van Jemen kan bewaren, en betuigt nogmaals zijn steun aan alle regionale actoren, die op een verantwoordelijke en constructieve manier moeten handelen om een oplossing te bereiken;

o

o  o

77.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de VN-Veiligheidsraad, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitter van de 69e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad, de hoge commissaris voor de mensenrechten van de VN en de secretaris-generaal van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0470.

Juridische mededeling