Procedure : 2016/2568(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0322/2016

Ingediende teksten :

B8-0322/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/03/2016 - 7.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0090

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 264kWORD 71k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0318/2016
2.3.2016
PE579.752v01-00
 
B8-0322/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Eritrea (2016/2568(RSP))


Beatriz Becerra Basterrechea, Dita Charanzová, Fredrick Federley, Charles Goerens, Filiz Hyusmenova, Ilhan Kyuchyuk, Valentinas Mazuronis, Louis Michel, Javier Nart, Urmas Paet, Marietje Schaake, Pavel Telička, Hilde Vautmans namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Eritrea (2016/2568(RSP))  
B8-0322/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Eritrea, met name die van 7 februari 2002(1), 18 november 2004(2) en 15 september 2011(3) over de mensenrechtensituatie in het land,

–  gezien resolutie 2244 van de VN-Veiligheidsraad van 23 oktober 2015, waarbij het wapenembargo tegen Eritrea tot 15 november 2016 werd verlengd, en gezien het verslag van de Monitoringgroep voor Somalië en Eritrea van 19 oktober 2015,

–  gezien het verslag dat de speciale VN-rapporteur over de mensenrechtensituatie in Eritrea, Sheila B. Keetharuth, op 19 juni 2015 heeft voorgelegd aan de VN-Mensenrechtenraad,

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de ACS (de Overeenkomst van Cotonou), zoals herzien in 2005 en 2010, die door Eritrea is ondertekend,

–  gezien de verklaringen van 23 november 2011 en 25 juni 2013 van de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU over de mensenrechtensituatie in Eritrea,

–  gezien zijn debat van 27 mei 2015 over EU-ontwikkelingshulp aan Eritrea in het licht van gedocumenteerde mensenrechtenschendingen,

–  gezien de in 1997 aangenomen grondwet van Eritrea, die de burgerlijke vrijheden, waaronder godsdienstvrijheid, garandeert,

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van 1981,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU Eritrea ondersteund heeft sinds het land in 1993 onafhankelijk werd van Ethiopië; overwegende dat de aanvankelijke belofte van eerbiediging van de democratie en de rechtsstaat na de onafhankelijkheid van het land door de Eritrese regering is uitgehold onder het mom van nationale veiligheid en dienstplicht; overwegende dat de voor 1997 geplande presidentsverkiezingen nooit hebben plaatsgevonden en dat de in datzelfde jaar aangenomen grondwet nooit ten uitvoer is gelegd;

B.  overwegende dat Eritrea's onafhankelijkheid van Ethiopië in 1993 bij de internationale gemeenschap en de Eritrese bevolking de verwachting had gewekt dat Eritrea zou kunnen uitgroeien tot een land waar de mensenrechten worden geëerbiedigd en waar geen plaats is voor repressie; overwegende dat dit niet is gebeurd, maar dat integendeel sprake is van meer repressie en meer schendingen van de mensenrechten;

C.  overwegende dat de speciale VN-rapporteur erop heeft gewezen dat de mensenrechtensituatie in Eritrea een van de slechtste ter wereld is, dat de mensenrechten er dagelijks en systematisch worden geschonden en dat de laatste jaren geen verbetering merkbaar is; overwegende dat veel jonge mensen het land zijn ontvlucht om te ontkomen aan het repressieve regime en de verplichte militaire dienst, waarbij sprake is van gedwongen arbeid en talloze mensenrechtenschendingen; overwegende dat godsdienstvrijheid, vrije media en vrije meningsuiting niet gewaarborgd zijn;

D.  overwegende dat gevangenen, waaronder ook kinderen, worden vastgehouden in barre omstandigheden, die in bepaalde gevallen neerkomen op foltering;

E.  overwegende dat de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden in een op 18 september 2014 in Brussel uitgebrachte verklaring uiting heeft gegeven aan zijn bezorgdheid over het feit dat een groep van 11 leden van het parlement en eminente leden van het Volksfront voor democratie en rechtvaardigheid sinds 18 september 2001 worden vastgehouden zonder formele aanklacht, zonder proces en zonder de mogelijkheid om een advocaat te raadplegen, en over het feit dat 10 onafhankelijke journalisten sinds 23 september 2001 worden vastgehouden, onder hen ook Dawit Isaak, Zweeds staatsburger en de enige Europese gewetensgevangene; overwegende dat patriarch Abune Antonios sinds januari 2006 incommunicado is en onder huisarrest staat;

F.  overwegende dat Eritrea volgens het UNDP-verslag van 2014 over de menselijke ontwikkeling de 182e plaats inneemt onder de 187 landen op de menselijke ontwikkelingsindex voor 2014; overwegende dat volgens de laatste armoedestudie van de Wereldbank, die dateert van 2003, 65% van de Eritrese bevolking onder de armoedegrens leeft;

G.  overwegende dat de VN in november 2015 hebben gewaarschuwd voor ernstige droogte in de Hoorn van Afrika als gevolg van het huidige El Niño-patroon; overwegende dat de VN in december 2015 hebben verklaard dat deze droogte de ergste was die ooit in de regio is geregistreerd, en dat 50 tot 90% van de oogst verloren is gegaan; overwegende dat Eritrea derhalve behoort tot de landen die worden geconfronteerd met de aanzienlijke uitdaging om de voedselzekerheid voor hun bevolking te waarborgen;

H.  overwegende dat de EU een belangrijke partner voor Eritrea is op het gebied van ontwikkelingshulp en bijstand;

I.  overwegende dat de president van Eritrea, volledig in tegenspraak met de heersende droogte, de vrees voor een voedseltekort heeft afgewimpeld en stelt dat het land ondanks de beperkte landbouwproductie geen voedselcrisis tegemoet gaat;

J.  overwegende dat Eritrea deelneemt aan het proces van Khartoem (een initiatief van de EU en de Afrikaanse Unie, op 28 november 2014 gelanceerd om het probleem van migratie en mensenhandel aan te pakken), dat de tenuitvoerlegging inhoudt van concrete projecten, onder meer wat capaciteitsopbouw voor het rechtsapparaat en bewustmaking betreft;

K.  overwegende dat het Veiligheidssectorprogramma (ISSP) van de Intergouvernementele Ontwikkelingsautoriteit (IGAD) op 22 februari 2016 in Addis Abeba een studie heeft gepubliceerd met de titel "Human Smuggling and Trafficking on the Horn of Africa - Central Mediterranean Route";

L.  overwegende dat Eritrea een van de landen ter wereld is waar het meeste vluchtelingen vandaan komen, met het op twee na hoogste aantal vluchtelingen (na Syrië en Afghanistan) die de gevaarlijke reis naar Europa wagen en hun lot in handen leggen van meedogenloze mensensmokkelaars voor de gevaarlijke oversteek over de Middellandse Zee; overwegende dat de situatie in Eritrea rechtstreekse gevolgen heeft voor Europa, omdat Eritreeërs naar hun thuisland zouden kunnen terugkeren indien de mensenrechten er geëerbiedigd en gehandhaafd zouden worden en de bevolking er zonder vrees zou kunnen leven;

M.  overwegende dat bijzondere aandacht dient uit te gaan naar niet-begeleide minderjarige slachtoffers van mensenhandel, aangezien zij zich in een zeer kwetsbare situatie bevinden en derhalve specifieke bijstand en ondersteuning behoeven;

N.  overwegende dat de EU alle belang heeft bij een stabiel Eritrea, omdat de huidige situatie een aanzienlijk deel van de bevolking op de vlucht jaagt, en duizenden mensen het leven verliezen ingevolge criminele activiteiten zoals migrantensmokkel en mensenhandel;

1.  constateert met grote bezorgdheid dat de mensenrechtensituatie in Eritrea betreurenswaardig blijft;

2.  stemt in met de toewijzing van 200 miljoen euro over de komende zes jaar voor het nationaal indicatief programma in het kader van het 11e Europees Ontwikkelingsfonds, teneinde de armoede terug te dringen en sociaaleconomische ontwikkeling te stimuleren, de belangrijkste onderliggende economische en politieke oorzaken van migratie aan te pakken en projecten te financieren op het gebied van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en economische governance; herinnert eraan dat deze toewijzing een aanvulling vormt op andere samenwerkingsinstrumenten zoals het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR);

3.  dringt erop aan dat Eritrea blijk geeft van transparantie en goed bestuur met betrekking tot de overheidsfinanciën; verzoekt de EU-delegatie de politieke situatie in het land van nabij te volgen om ervoor te zorgen dat de voortzetting van de EU-ontwikkelingssteun afhankelijk wordt gesteld van wezenlijke vooruitgang op het gebied van mensenrechten en democratie, met name vrije meningsuiting, vrije pers en vrijheid van vereniging; onderstreept dat het ontbreken van breed gefundeerde economische ontwikkeling emigratie in de hand werkt; benadrukt de belangrijke rol die vrouwen, ook tijdens de onafhankelijkheidsstrijd, hebben gespeeld en pleit voor een verbetering van de positie van vrouwen en voor gendergelijkheid;

4.  herinnert eraan dat een niet-begeleide minderjarige bovenal een kind is dat mogelijk gevaar loopt, en dat de EU en de lidstaten niet het immigratiebeleid maar de bescherming van het kind centraal moeten stellen wanneer zij met niet-begeleide minderjarigen te maken hebben, waarmee zij het kernbeginsel van de belangen van het kind eerbiedigen; herinnert eraan dat iedereen jonger dan 18 jaar zonder uitzondering als een kind en dus als minderjarige moet worden beschouwd; wijst erop dat niet-begeleide minderjarigen, in het bijzonder meisjes, twee keer zoveel risico lopen op problemen en moeilijkheden als andere minderjarigen;

5.  roept de internationale gemeenschap en Eritrea's ontwikkelingspartners op om te interveniëren en druk uit te oefenen op de Eritrese regering om buitenlandse hulp voor de kwetsbare bevolkingsgroepen toe te laten vóór de crisis erger wordt, vooral na de recente droogte;

6.  blijft zeer bezorgd over de mensenrechtensituatie in het land; herhaalt zijn oproep aan de Eritrese autoriteiten voor de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle parlementsleden, journalisten (inclusief Zweeds staatsburger Dawit Isaak, van wie sinds 2005 niets meer is vernomen), geestelijken en alle politieke gevangenen;

7.  vraagt van de Eritrese regering duidelijke garanties dat zij democratische hervormingen zal doorvoeren en de eerbiediging van de mensenrechten zal waarborgen, onder meer door de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de 18e zitting van de Groep universele periodieke doorlichting (UPR), die zij op 7 februari 2014 heeft aanvaard;

8.  verzoekt de Raad ervoor te zorgen dat de toegewezen middelen niet ten goede komen aan de Eritrese regering, maar alleen worden gebruikt om tegemoet te komen aan de behoeften van de Eritrese bevolking ten aanzien van ontwikkeling, democratie, mensenrechten, behoorlijk bestuur en veiligheid;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de Raad van de Afrikaanse Unie, de secretaris-generaal van de Verenigde naties en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

(1)

PB C 284 E van 21.11.2002, blz. 359.

(2)

PB C 201 E van 18.8.2005, blz. 123.

(3)

PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 146.

Juridische mededeling