Procedure : 2016/2575(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0487/2016

Ingediende teksten :

B8-0487/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 28/04/2016 - 4.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0142

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 176kWORD 74k
20.4.2016
PE579.916v01-00
 
B8-0487/2016

ingediend overeenkomstig artikel 216, lid 2, van het Reglement


over het veiligstellen van de belangen van het kind in de gehele EU op basis van verzoekschriften die gericht zijn aan het Europees Parlement (2016/2575(RSP))


Cecilia Wikström namens de Commissie verzoekschriften

Ontwerpresolutie van het Europees Parlement over het veiligstellen van de belangen van het kind in de gehele EU op basis van verzoekschriften die gericht zijn aan het Europees Parlement (2016/2575(RSP))  
B8-0487/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 228 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 81, lid 3 VEU,

–  gezien het Europese Handvest van de grondrechten, met name artikel 24,

–  gezien de artikelen 8 en 20 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, of the Child, waarin regeringen gewezen worden op hun verplichting de identiteit van een kind te beschermen wat ook de familiebetrekkingen omvat,

–  gelet op het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen, met name artikel 37 (b),

–  gezien het gezien het Verdrag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (Brussel IIbis)(1).

–  gezien de EU-Agenda voor de rechten van het kind (COM(2011)0060),

–  gezien de richtsnoeren in de discussienota voor het 9e Europees Forum over de rechten van het kind,

–  gezien de door het Bureau grondrechten in kaart gebrachte kinderbeschermingsstelsels,

–  gezien de talloze verzoekschriften over de handelwijze van kinderwelzijnsinstanties en de bescherming van de rechten van kinderen, ouderlijk gezag, kinderontvoering en kinderzorg die de Commissie verzoekschriften sinds jaar en dag vanuit verschillende lidstaten ontvangt en de aanbevelingen in haar verslagen over fact-findingbezoeken aan Duitsland (23-24 november 2011)(Jugendamt), Denemarken (20-21 juni 2013)(sociale diensten) en het Verenigd Koninkrijk (5-6 november 2015)(niet-consensuele adopties),

–  gezien de rol en de activiteiten van de bemiddelaar van het Europees Parlement voor grensoverschrijdende ontvoeringen van kinderen,

–  gezien artikel 216, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het belang van het kind voorop moet staan bij alle beslissingen op elk niveau in verband met kwesties rond kinderzorg;

B.  overwegende dat de EU maatregelen kan nemen met betrekking tot familierecht met grensoverschrijdende implicaties (artikel 81, lid 3 VWEU), ook op gebied van adoptie;

C.  overwegende dat de toegenomen mobiliteit binnen de EU gezorgd heeft voor steeds meer grensoverschrijdende kinderbeschermingskwesties waarbij ontneming van het gezagsrecht aan de orde is;

D.  overwegende dat problemen rond het gezagsrecht over een kind een beduidende invloed hebben in het leven van ieder die daarmee te maken heeft en op de samenleving als geheel, en dat de Brussel IIbis-verordening niet vrij is van lacunes en de ophanden zijnde herziening daarvan een goede gelegenheid biedt voor aanvulling van de bepalingen ervan;

E.  overwegende dat de uitoefening van een grondrecht als het vrije verkeers- en verblijfsrecht geen grotere bedreiging mag vormen voor het recht van een kind op leven in een gezin;

F.  overwegende dat kinderen wier ouders gebruik maken van hun recht van vrij verkeer het recht hebben om een reguliere persoonlijke relatie en direct contact te onderhouden met hun ouders tenzij dat tegen hun belang ingaat, overeenkomstig artikel 24 van het Handvest van de grondrechten;

1.  herinnert eraan dat het grote aantal verzoekschriften over zaken in verband met kinderen erop wijst dat er een belangrijk probleem is met de uitvoering van de Brussel IIbis-verordening ;

2.  is van mening dat alle beschermingssystemen voor kinderen transnationale en grensoverschrijdende regelingen moeten omvatten met het oog op de specifieke problematiek rond grensoverschrijdende conflicten;

Kinderbescherming en rechterlijke samenwerking binnen de EU

3.  vraagt de lidstaten een volg- en evaluatiesysteem in te voeren (met de nodige sociaal-economische en naar nationaliteit opgesplitste statistieken) binnen een nationaal coördinerend kader voor grensoverschrijdende zaken waarbij kinderen zijn betrokken; acht het aan te bevelen dat de Commissie de overdracht van informatie tussen de betrokken nationale instanties zal coördineren;

4.  vraagt de Raad om verslag uit te brengen over de specifieke acties die de lidstaten ondernemen om synergiën tot stand te brengen tussen de 28 nationale systemen voor kinderbescherming;

5.  dringt aan op een duidelijke definitie van ‘gewone verblijfplaats’ in de herziene Brussel IIbis-verordening;

6.  onderstreept dat de nationale autoriteiten ingevolge de Brussel IIbis-verordening verplicht zijn tot erkenning en uitvoering van rechterlijke beslissingen die in een andere lidstaat worden gegeven in zaken waarbij kinderen betrokken zijn; vraagt de lidstaten om de samenwerking tussen hun rechterlijke instanties in zaken waarbij kinderen betrokken zijn te verruimen en te verbeteren;

7.  vraagt de Commissie en de lidstaten om de oprichting mede te financieren en te bevorderen van een platform voor bijstandverlening bij familierechtelijke procedures aan niet-nationale EU-burgers en voor een centrale Europese hulplijn voor zaken van kinderontvoering of -misbruik, alsook voor begeleiding bij zorg- en adoptieprocedures;

8.  vraagt de Commissie te zorgen voor een duidelijke en eenvoudig toegankelijke gids met praktische informatie voor de burgers over de institutionele regelingen inzake bescherming van kinderen, met name voor wat betreft de adoptie of uithuisplaatsing zonder ouderlijke toestemming en de rechten van ouders in de verschillende lidstaten;

Rol van sociale diensten bij de kinderbescherming

9.  vraagt de lidstaten om een preventieve benadering te kiezen en te zorgen voor adequaat en afdoende gefinancierd beleid waardoor kinderzorgprocedures waar mogelijk worden vermeden, dankzij vroegtijdige waarschuwing en monitoring en adequate steun voor gezinnen als eerstelijns zorgaanbieders, met name binnen kwetsbare gemeenschappen waar het gevaar van sociale uitsluiting reëel is;

10.  onderstreept dat budgettaire bezuinigingsmaatregelen niet in de weg mogen staan aan een deugdelijke beoordeling van individuele gevallen in familierechtelijke kwesties, met name waar het gaat om de kwaliteit van sociale diensten;

11.  vraagt de Commissie en de lidstaten te voorzien in gespecialiseerde onderwijs- en opleidingsstelsels voor sociaal werkers en alle andere beroepsgroepen die zich bezighouden met grensoverschrijdende zaken waarbij een kind betrokken is;

12.  vraagt de betrokken instanties in een lidstaat die in het kader van een adoptie-onderzoek maatschappelijk werkers naar een andere lidstaat willen sturen, de autoriteiten van die lidstaat ervan op de hoogte te stellen dat er onderzoek zal worden gedaan;

Kinderrechtelijke procedures

13.  vraagt de lidstaten gespecialiseerde kamers in te stellen bij familierechtbanken of grensoverschrijdende bemiddelingsorganen, die zich met grensoverschrijdende kinderrechtelijke zaken moeten bezighouden; onderstreept dat goede observatie van de ontwikkelingen na de rechterlijke uitspraak zeer belangrijk is, ook in de gevallen waarin het contact met de ouders bewaard blijft;

14.  verzoekt de lidstaten om systematisch de bepalingen van het Verdrag van Wenen van 1963 toe te passen en ervoor te zorgen dat ambassades en consulaten vanaf het begin van de procedure zijn geïnformeerd van alle kinderrechtelijke procedures rond personen van hun nationaliteit en volledige toegang krijgen tot de relevante documenten; doet voorts de suggestie dat consulaire instanties wordt toegestaan elke stage van die procedures bij te wonen;

15.  vraagt de lidstaten om ouders van een regelmatig bezoekrecht te verzekeren, behalve wanneer dat schadelijk zou zijn voor het belang van het kind, en ouders de mogelijkheid te geven om bij die bezoeken hun moedertaal met hun kinderen te spreken;

16.  raadt de lidstaten aan om ouders van meet af aan en in elke fase van een kinderrechtelijke procedure volledig en duidelijk te informeren omtrent de procedure en de mogelijke consequenties daarvan; vraagt hen de ouders te informeren omtrent de regels inzake rechtsbijstand, bijvoorbeeld door hun een lijst te geven van tweetalige gespecialiseerde advocaten en tolkdiensten aan te bieden, zodat ouders niet ergens mee instemmen zonder de implicaties van hun toezeggingen helemaal te begrijpen; beveelt eveneens aan dat adequate steun wordt geboden aan ouders die leesproblemen hebben;

17.  pleit voor invoering van minimumnormen voor het horen van kinderen in nationale civielrechtelijke procedures overeenkomstig artikel 24 van het Handvest van de grondrechten;

18.  pleit voor aparte hoorzittingen voor ouders en kinderen voor een rechter, een deskundige of een sociaal werker, om te vermijden dat een kind wordt beïnvloed of in een loyaliteitsconflict raakt;

19.  pleit voor vaststelling van een minimumdrempel voor de duur van de respectieve fasen van een grensoverschrijdende kinderrechtelijke procedure, zodat familieleden van het kind tijd hebben om zich te melden en een verzoek kunnen indienen om het kind te adopteren, of de ouders hun problemen kunnen oplossen en duurzame alternatieven kunnen voorstellen voordat er een definitieve beslissing over de adoptie wordt genomen; meent dat er een deugdelijke herevaluatie van de situatie binnen het biologische gezin moet plaatsvinden voordat er een permanente oplossing, zoals adoptie, wordt gekozen;

20.  vraagt de lidstaten om ouders die lijden aan alcohol- of drugsverslaving redelijke tijd te laten en werkelijke gelegenheid te geven om zich te herstellen voordat de rechter een definitieve beslissing neemt over adoptie van hun kind;

21.  roept de Commissie op om de aanbevelingen van alle betrokken instanties op nationaal en Europees niveau over grensoverschrijdende bemiddeling ter harte te nemen;

Plaatsing en adoptie van het kind

22.  constateert dat er in de EU geen mechanisme bestaat voor automatische erkenning van binnenlandse adoptiebeschikkingen die in andere lidstaten zijn getroffen; vraagt de lidstaten en de Commissie om regels uit te vaardigen voor de erkenning van binnenlandse adoptie, rekening houdend met het belang van het kind en met inachtneming van het non-discriminatiebeginsel;

23.  verzoekt de lidstaten die nog geen partij zijn bij het Verdrag van Den Haag van 1993, tot dit verdrag toe te treden, aangezien dit zou waarborgen dat voor alle kinderen dezelfde normen worden toegepast en zou helpen vermijden dat er een parallel systeem met minder garanties ontstaat; vraagt de lidstaten omslachtige bureaucratie te vermijden bij procedures voor erkenning van internationale adopties die reeds in een andere EU-lidstaat zijn erkend ;

24.  acht het belangrijk dat bij elke voogdij- of adoptieregeling het kind een plaatsing wordt geboden die hem de meeste mogelijkheden biedt om banden met zijn culturele achtergrond te onderhouden en zijn moedertaal te leren en te spreken; vraagt de instanties in van de lidstaten die bemoeienis hebben met kinderzorgprocedures om al het mogelijke te doen om zussen en broers niet te scheiden.

25.  vraagt de lidstaten om bijzondere aandacht en steun te geven aan ouders, met name moeders, die zelf, als kind of als volwassene, te lijden hebben gehad onder huiselijk geweld, om te zorgen dat zij niet nogmaals slachtoffer worden door de automatische ontneming van het gezagsrecht over hun kinderen;

Grensoverschrijdende kinderontvoering door een ouder

26.  vraagt de Commissie de resultaten openbaar te maken die zijn behaald bij het bevorderen van grensoverschrijdende samenwerking in kinderontvoeringszaken, die zij in de EU-Agenda voor de rechten van het kind tot prioriteit heeft verklaard;

27.  vraagt de Raad om verslag uit te brengen van de behaalde resultaten bij het opzetten van alarmeringssystemen bij kinderontvoeringen met grensoverschrijdende aspecten, en de desbetreffende samenwerkingsakkoorden voor gevallen van grensoverschrijdende kinderontvoering af te sluiten aan de hand van de richtsnoeren van de Commissie;

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 338 van 23.12.2003, blz. 1.

Juridische mededeling